Vaststellings- en terugvorderingsbeleid bij Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten

Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de RvR),

gelet op artikel 7 Wrb, artikel 37b Wrb, de Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten en artikel 4:81 Awb,

besluit:

het volgende vaststellings- en terugvorderingsbeleid vast te stellen voor de Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten:

  • Het vaststellings- en terugvorderingsbeleid heeft tot doel zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden over de totstandkoming van het vaststellingsbesluit en wanneer verstrekte subsidies wel en niet worden teruggevorderd. Het betreft hier verstrekte subsidies in het kader van de opeenvolgende Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten. Uitgangspunten daarbij zijn de subsidieregelingen zelf. In dit vaststellings- en terugvorderingsbeleid wordt ook ingegaan op uitzonderingsgronden.

Artikel 1 – Vaststelling

  • 1. In overeenstemming met artikel 4:44 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 10 van de Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten (hierna: subsidieregelingen) dient de subsidieontvanger binnen twee maanden nadat de stage met gunstig gevolg is voltooid schriftelijk een aanvraag tot subsidievaststelling in. Hierbij wordt de stageverklaring overgelegd.

  • 2. Na het verstrijken van de termijn genoemd in artikel 1 lid 1 van deze regeling controleert de RvR op basis van de ontvangen informatie of de subsidieontvanger aan de verplichtingen heeft voldaan. Als eerder uit ontvangen informatie blijkt dat de subsidieontvanger niet kan voldoen aan de verplichtingen, stelt de RvR dan de subsidie vast.

  • 3. Bij ontbrekende informatie wordt de subsidieontvanger in de gelegenheid gesteld de ontbrekende informatie binnen vier weken alsnog aan te leveren.

  • 4. Als de RvR op basis van de ontvangen informatie na de periode genoemd in het derde lid niet kan vaststellen dat is voldaan aan de verplichtingen en voornemens is de subsidie lager vast te stellen en terug te vorderen, stelt hij de subsidieontvanger hiervan op de hoogte. De RvR stelt de subsidieontvanger daarbij conform artikel 4:7 Awb in de gelegenheid binnen twee weken een zienswijze in te dienen en daarbij stukken en informatie aan te leveren waaruit blijkt dat wel aan de subsidievoorwaarden is voldaan.

  • 5. Bij de berekening van het aantal van 60 verkregen toevoegingseenheden kunnen, op verzoek van de subsidieaanvrager, toevoegingseenheden die door de patroon zijn verkregen maar waarin de advocaat-stagiaire heeft (mee)gewerkt meetellen. Dit met een maximum van tien toevoegingseenheden. De patroon levert daartoe een overzicht aan met toevoegingen waarin de advocaat-stagiaire werkzaamheden heeft verricht. Heeft de advocaat-stagiaire een deel van de werkzaamheden in een toevoeging gedaan dan wordt dit in het overzicht duidelijk vermeld.

  • 6. De RvR stelt de subsidie vast op het bedrag van het verstrekte voorschot als is voldaan aan de verplichtingen. De volgende drie situaties worden niet beschouwd als tekortkoming:

    • a. De advocaat-stagiaire is tijdens de beroepsopleiding overgestapt naar een ander advocatenkantoor waarbij de nieuwe patroon en tweede begeleider voldoen aan de voorwaarden in de subsidieregeling;

    • b. Het succesvol afronden van de opleiding heeft langer dan drie jaar geduurd en de subsidieontvanger heeft de RvR daarover geïnformeerd;

    • c. De advocaat-stagiaire is noodgedwongen gestopt met de beroepsopleiding vanwege ziekte en/of familieomstandigheden en kan dit aantonen.

  • 7. De RvR stelt de subsidie lager vast als niet is voldaan aan de voorwaarden. Dit geldt in ieder geval in de volgende gevallen:

    • a. de subsidieontvanger verstrekt geen of onvoldoende informatie;

    • b. de advocaat-stagiaire stapt tijdens de beroepsopleiding over naar een ander advocatenkantoor dat niet werkt op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand;

    • c. de advocaat-stagiaire wijzigt tijdens de beroepsopleiding van patroon of tweede begeleider terwijl de nieuwe patroon of tweede begeleider niet aan de voorwaarden voldoet;

    • d. de advocaat-stagiaire stopt met de beroepsopleiding voordat deze succesvol is afgerond, met uitsluiting van de omstandigheid zoals beschreven in lid 6 onder c;

    • e. aan de advocaat-stagiaire zijn gedurende de stage minder dan 60 toevoegingseenheden afgegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de subsidieregelingen en artikel 1 lid 5 van deze regeling.

  • 8. De RvR stelt de subsidie lager vast als de opleidingskosten lager blijken te zijn dan de verstrekte subsidie. Dit geldt ook als op het moment van de vaststelling de kosten van de beroepsopleiding nog niet of niet volledig zijn betaald aan de opleider of als er onverschuldigd is betaald.

Artikel 2 – Terugvordering – bij ziekte en insolventie

De RvR kan de subsidie (gedeeltelijk) terugvorderen als de subsidie lager is vastgesteld dan het voorschot. Het is aan de subsidieontvanger met stukken te onderbouwen welke feiten en omstandigheden aan gedeeltelijke of volledige terugvordering in de weg staan. In de volgende situaties vordert de RvR het verstrekte voorschot niet of niet geheel terug:

  • 1. De advocaat-stagiaire is noodgedwongen gestopt met de beroepsopleiding vanwege ziekte, persoonlijke omstandigheden of familieomstandigheden en kan dit aannemelijk maken;

  • 2. De subsidieontvanger of de advocaat-stagiaire heeft in voldoende mate aangetoond dat er onvoldoende financiële middelen zijn om de subsidie binnen een redelijke termijn te kunnen terugbetalen.

Artikel 3 – Terugvordering – Vertrek advocaat-stagiaire bij kantoor patroon

Als de advocaat-stagiaire in loondienst voor het afronden van de beroepsopleiding is gestopt of is overgestapt naar een patroon en tweede begeleider die niet of niet beiden aan de voorwaarden van de subsidieregeling voldoen, wordt de verstrekte subsidie enkel teruggevorderd als de patroon en/of het kantoor van de patroon hebben bijgedragen aan het vertrek van de advocaat-stagiaire.

Als de subsidie aan de patroon is uitgekeerd ten behoeve van een stagiaire-ondernemer wordt de subsidie wel teruggevorderd tenzij de omstandigheden van het geval aan terugvordering in de weg staan.

Artikel 4 – Mate van terugvordering bij onvoldoende toevoegingseenheden

Voor iedere toevoegingseenheid onder het verplichte aantal van 60 toevoegingseenheden wordt 3,33% van het verstrekte subsidiebedrag teruggevorderd met dien verstande dat niet meer wordt teruggevorderd dan het totaal verstrekte subsidiebedrag.

Artikel 5 – Terugvordering nadat de subsidie eerder is vastgesteld overeenkomstig het voorschot

  • 1. De subsidievaststelling kan op grond van artikel 4:49 Awb worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd, als:

    • a. er feiten of omstandigheden zijn waarvan de RvR bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

    • b. de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

  • 2. De RvR kan de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen na intrekking van een subsidievaststelling of na een wijziging ten nadele van de ontvanger van een subsidievaststelling.

Artikel 6 – Wijze van terugvordering of verrekening

  • 1. De subsidieontvanger betaalt het te veel ontvangen voorschot terug binnen twee maanden na de vaststelling van de subsidie. Als er bezwaar of beroep is aangetekend, wordt de termijn opgeschort tot vier weken na de uitspraak in bezwaar, beroep of hoger beroep.

  • 2. Artikel 4:57 Awb is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 – Aanhalen terugvorderingsbeleid

Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Vaststellings- en terugvorderingsbeleid bij Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten.’

Artikel 8 – Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. De beleidsregel ‘Vaststellings- en terugvorderingsbeleid bij Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten’ (Staatscourant 2024, nr. 35727) van 18 oktober 2024 wordt ingetrokken.

‘s-Hertogenbosch, 24 juni 2026.

I.D. Nijboer Algemeen directeur/bestuurder Raad voor Rechtsbijstand

TOELICHTING

Algemene toelichting

Uit de eerste ervaringen met de beleidsregel ‘Vaststellings- en terugvorderingsbeleid bij Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten’ van 18 oktober 2024 bleek dat er behoefte was aan een breder kader. Gelet op het aantal aanvullingen en aanpassingen is gekozen voor een nieuw ‘Vaststellings- en terugvorderingsbeleid bij Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten’ en niet voor aanvullende beleidsregels. Met het Vaststellings- en terugvorderingsbeleid is zoveel mogelijk aangesloten bij de doelstelling van de subsidieregelingen. Die doelstelling is het stimuleren van de deelname van advocaat-stagiaires aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand.

In deze beleidsregel is geen hardheidsclausule opgenomen omdat de algemene hardheidsclausule van de Awb van toepassing is.

Overeenkomstig met de definitie in de subsidieregelingen is de subsidieontvanger de aanvrager aan wie subsidie is verleend op grond van deze regeling. De aanvrager is de patroon van de advocaat-stagiaire of stagiaire-ondernemer.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 – Vaststelling

Lid 1 t/m 4

Hier wordt het vaststelproces weergegeven. De verplichtingen zijn opgenomen in artikelen 9 en 10 van de subsidieregelingen. De subsidieontvanger moet op grond van deze verplichtingen de RvR informeren over feiten en ontwikkelingen die ertoe leiden of kunnen leiden dat de verplichtingen verbonden aan de subsidie niet kunnen worden verwezenlijkt. Hieronder vallen bijvoorbeeld studievertraging en het werken in deeltijd. Als er geen andere informatie bekend is, gaat de RvR uit van een stageduur van drie jaar. Omdat het tot twee maanden kan duren voordat een advocaat-stagiaire de stageverklaring ontvangt, vraagt de RvR twee maanden na de verwachte einddatum de subsidieontvanger of aan de voorwaarden is voldaan. Als niet is gebleken dat aan de voorwaarden is voldaan, of als er gronden zijn de subsidie niet terug te vorderen, is het aan de subsidieontvanger binnen vier weken bewijzen te overleggen. Na het verstrijken van vorengenoemde vier weken informeert de RvR de subsidieontvanger over het voorgenomen besluit. Het bestuur combineert het voornemen tot lagere vaststelling en die tot terugvordering in één beschikking. De RvR stelt daarbij de subsidieontvanger in staat binnen twee weken na de verzenddatum van het voorgenomen besluit een zienswijze te geven. Los van het vorenstaande is de subsidieontvanger verplicht uit eigen beweging schriftelijk een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen nadat de stage met gunstig gevolg is voltooid.

Lid 5

Vrijwel alle advocaat-stagiaires verrichten werkzaamheden in zaken op toevoeging van hun patroon. Het is aan de subsidieontvanger – tevens patroon – een overzicht aan te leveren bij de RvR waaruit blijkt in welke zaken in welke mate is (mee)gewerkt. Dit kan maximaal tien toevoegingseenheden opleveren die meetellen voor bij het aantal toevoegingseenheden van de advocaat-stagiaire. De RvR gaat niet ambtshalve na of van deze situatie sprake is. De subsidieaanvrager moet hier dus zelf een verzoek toe doen.

Lid 6

Hier wordt een limitatieve opsomming gegeven in de gevallen waar weliswaar naar de letter niet is voldaan aan de verplichtingen, maar waarin de RvR geen tekortkoming ziet (a en b) of de tekortkoming verschoonbaar acht (c).

Lid 7

Hier wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van situaties waarin niet is voldaan aan de verplichtingen.

Lid 8

Het kan zijn dat de kosten voor de beroepsopleiding nog niet of niet volledig zijn verschuldigd als de opleiding wordt stopgezet. De kosten voor de beroepsopleiding worden in twee delen voldaan. Het eerste deel bij de start van het eerste jaar van de beroepsopleiding en het tweede deel bij het begin van het tweede jaar van de beroepsopleiding. Het subsidiebedrag valt niet hoger uit dan het bedrag dat is voldaan aan de aanbieder van de beroepsopleiding. Als de tweede termijn is betaald voor aanvang van het tweede leerjaar gaat de RvR uit van een onverschuldigde betaling en stelt die situatie gelijk aan de situatie waarin nog niet is betaald. Dit is anders als de subsidieontvanger aantoont dat wel verschuldigd is betaald. Ook kan het voorkomen dat de opleider minder geld in rekening brengt. Bijvoorbeeld als een deel van de opleiding niet of niet in de afgesproken vorm kan plaatsvinden. De RvR stelt de subsidie dan vast op de daadwerkelijke kosten van de beroepsopleiding.

Artikel 2 – Terugvordering bij ziekte en insolventie

Als bewijs van de reden voor het stoppen van de beroepsopleiding kan de subsidieontvanger de brief aan de NOvA meesturen waarmee hij kenbaar maakt dat de advocaat-stagiaire met de opleiding stopt en waarom. Andere bewijsstukken zijn ook mogelijk. De in dit artikel genoemde situaties waarin de RvR het verstrekte voorschot niet of niet geheel terug terugvordert, zijn niet limitatief.

Artikel 3 – Terugvordering – Vertrek advocaat-stagiaire bij kantoor patroon

Als de advocaat-stagiaire voor het afronden van de beroepsopleiding is overgestapt naar een ander kantoor wordt de subsidie vastgesteld op nihil, tenzij de nieuwe patroon en tweede begeleider voldoen aan de eisen in de subsidieregeling en ook is voldaan aan de overige eisen.

Bij de terugvordering wordt marginaal getoetst of de patroon en/of het kantoor van de patroon hebben bijgedragen aan het vertrek van de advocaat-stagiaire in loondienst. Als daar geen of onvoldoende aanwijzingen voor zijn, wordt de verstrekte subsidie niet teruggevorderd. Het advies van Advocaat-generaal (AG) Drijber aan de Hoge RvR over de rechtsgeldigheid van een studiekostenbeding tussen advocatenkantoor en advocaat-stagiaire ligt hieraan ten grondslag. Op basis daarvan kan een patroon de terug te betalen subsidie in principe niet verhalen op de advocaat-stagiaire in loondienst.

Als een stagiaire-ondernemer het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand verlaat, bestaat bovengenoemd beletsel niet. Daarmee is er geen noodzaak coulant te zijn aangaande terugvordering. Uiteraard kunnen de omstandigheden van het geval tot een andere uitkomst leiden. De patroon zal dan aannemelijk moeten maken dat redelijkerwijze niet valt te verwachten dat de kosten van de beroepsopleiding kunnen worden verhaald op de stagiaire-ondernemer, zonder dat dit de patroon of het kantoor van de patroon valt aan te rekenen.

Artikel 4 – Terugvordering bij onvoldoende toevoegingseenheden

Er is voor gekozen de hoogte van de terugvordering te koppelen aan het aantal toevoegingseenheden dat de stagiaire te weinig heeft verkregen. Dit heeft enerzijds te maken met het doel van de regeling, maar ook met het uitgangspunt gelijke gevallen gelijk te behandelen. Ook hier geldt dat kan worden afgezien van terugvordering als de omstandigheden van het geval daar aanleiding toe geven. Er is gekozen voor een korting per eenheid vanaf de ondergrens van 60 eenheden. Als er minder dan dertig toevoegingseenheden zijn behaald dan wordt het gehele subsidiebedrag teruggevorderd.

Dit artikel ziet niet op het deel van de ontvangen subsidie dat niet aan de opleider is betaald. De subsidieontvanger ontvangt het subsidiebedrag in een keer. De betalingsverplichting aan de aanbieder van de beroepsopleiding bestaat uit twee deelbetalingen. Een deel aan het begin van de opleiding en een deel aan het begin van het tweede jaar van de opleiding. Het deel van de beroepsopleiding dat niet nog niet is betaald, wordt op grond van artikel 4:57 Awb als onverschuldigde betaling volledig teruggevorderd. Op het restant van het ontvangen subsidiebedrag wordt vervolgens artikel 4 van deze regeling toegepast.

Artikel 5 – Terugvordering nadat de subsidie eerder is vastgesteld in overeenstemming met het voorschot

Het gaat om gevallen waarbij de subsidieontvanger iets niet heeft gemeld of verkeerde informatie heeft gegeven. Met als gevolg dat de RvR hierdoor de subsidie hoger heeft vastgesteld dan dat zij zou hebben gedaan als zij de beschikking had gehad over alle of de juiste informatie.

Artikel 6 – Wijze van terugvordering of verrekening

De subsidieontvanger kan een verzoek of voorstel doen aan de RvR voor een betalingsregeling als de termijn van twee maanden een probleem vormt.

De verdeling van de subsidie en de eventuele terugvordering daarvan moet men onderling regelen. De RvR heeft enkel een subsidierelatie met de aanvrager van de subsidie en speelt daarom geen rol in de overstap van de advocaat-stagiaire, de verdeling en de overige zaken die daarmee verband houden.

Naar boven