Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2026, 23594 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2026, 23594 | beleidsregel |
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,
Gelet op artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;
Besluit:
Artikel 1 van de beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2018, kenmerk 1373081-178634-PZo, inzake de Wlz-tarieven (Stcrt. 2018, 37598) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt ‘een vorm van’ en wordt ‘artikel 66b van de Zorgverzekeringswet’ vervangen door ‘artikel 11a, tweede lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg’.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. De Nederlandse Zorgautoriteit gebruikt een uitgevoerd kostenonderzoek niet voor de vaststelling van hogere tarieven over een jaar voor bij of krachtens de Wet langdurige zorg omschreven zorg indien:
a. zij op grond van een aanwijzing als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor dat jaar geen uitvoering geeft aan een tariefkorting voor bij of krachtens de Wet langdurige zorg omschreven zorg;
b. een voorgenomen aanwijzing met een tariefkorting voor dat jaar voor bij of krachtens de Wet langdurige zorg omschreven zorg waarvan de zakelijke inhoud op grond van artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg aan de beide Kamers der Staten-Generaal is medegedeeld, niet definitief is geworden; en
c. het krachtens artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor dat jaar vastgestelde beschikbare bedrag voor zorg in natura als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg onvoldoende ruimte biedt voor die verhoging, mede vanwege de te verwachten uitvoering van die verhoging door Wlz-uitvoerders als bedoeld in dat artikel, bij het aangaan van overeenkomsten met zorgaanbieders.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Deze beleidsregel wijzigt de beleidsregel voor het gebruik van kostenonderzoeken door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).1 Die beleidsregel ziet op het gebruik van kostenonderzoeken als basis voor de vaststelling van tarieven voor bij of krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) omschreven zorg. Het begrip ‘kostenonderzoek’ moet ruim worden opgevat. Het omvat alle onderzoeken van de NZa naar de kosten van Wlz-zorgaanbieders anders dan het vergaren van informatie voor de reguliere jaarlijkse aanpassingen van tarieven zoals de indexatie. De reguliere jaarlijkse aanpassingen van tarieven vinden niet plaats op grond van een kostenonderzoek en vallen daarmee buiten de reikwijdte van de beleidsregel voor het gebruik van kostenonderzoeken.
De wijzigingen van artikel 1, eerste lid, van de beleidsregel voor het gebruik van kostenonderzoeken door de NZa zijn louter technisch van aard. Het betreft een vereenvoudiging van de redactie en een aanpassing aan het vervallen van artikel 66b van de Zorgverzekeringswet en de verplaatsing van de inhoud naar de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg met ingang van 1 juli 2021.2
Het aan artikel 1 van de beleidsregel voor het gebruik van kostenonderzoeken door de NZa toegevoegde derde lid bevat een aanvullend voorschrift. Dat artikel houdt verband met de beschikbare middelen voor de zorg die behoort tot het op grond van de Wlz verzekerde pakket. De verantwoordelijke bewindspersoon van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) stelt het daarvoor voor een jaar beschikbare bedrag vast.3 Dat beschikbare bedrag bevat ook het landelijke kader voor Wlz-zorg in natura, de zogenaamde landelijke contracteerruimte.
De NZa mag een uitgevoerd kostenonderzoek niet gebruiken voor de vaststelling van hogere tarieven voor een jaar bij bepaalde ingrijpende andere keuzes van de verantwoordelijke VWS-bewindspersoon bij de vaststelling van de landelijke contracteerruimte voor dat jaar. De verantwoordelijke VWS-bewindspersoon maakt keuzes ten behoeve van een beheerste ontwikkeling van de uitgaven voor het op grond van de Wlz verzekerde pakket. De NZa dient de ingrijpende andere keuzes van de verantwoordelijke VWS-bewindspersoon te volgen.
De ingrijpende andere keuzes betreffen een politieke keuze voor het geven van voorrang aan het niet-uitvoeren van (voorgenomen) maatregelen voor tariefkortingen over het desbetreffende jaar. Het niet-uitvoeren van maatregelen voor tariefkortingen voor het desbetreffende jaar moet blijken uit een aanwijzing aan de NZa en uit het niet-definitief maken van een aanwijzing. De verantwoordelijke VWS-bewindspersoon heeft bij een bovenbedoelde aanwijzing de opdracht aan de NZa gegeven een eerder opgedragen maatregel voor een tariefkorting voor dat jaar niet uit te voeren. Het niet-defnitief maken betreft voorgenomen aanwijzingen waarbij de verantwoordelijke VWS-bewindspersoon de Eerste Kamer en Tweede Kamer over de zakelijke inhoud daarvan heeft geïnformeerd.4 De reactie vanuit de Eerste Kamer of Tweede Kamer op de zakelijke inhoud van de voorgenomen aanwijzing kan aanleiding geven om die aanwijzing (nog) niet definitief te maken. De verantwoordelijke VWS-bewindspersoon verdisconteert het niet-uitvoeren van maatregelen voor tariefkortingen bij de vaststelling van de landelijke contracteerruimte.
Het geven van voorrang aan het niet-uitvoeren van maatregelen voor tariefkortingen leidt ertoe dat de landelijke contracteerrruimte onvoldoende mogelijkheden biedt voor tariefverhogingen op grond van een kostenonderzoek.
De onvoldoende mogelijkheden moeten mede het gevolg zijn van de te verwachten verwerking door Wlz-uitvoerders van die verhoging in de vaststelling en uitvoering van hun inkoopbeleid. Het gaat hier om de verwachting van de verantwoordelijke VWS-bewindspersoon die de ramingen voor de de landelijke contracteerruimte mede baseert op de te verwachten uitvoering door de Wlz-uitvoerders.
De Wlz-uitvoerders dienen uitvoering te geven aan hun zorgplicht jegens de bij hen ingeschreven verzekerden door het sluiten van overeenkomsten met zorgaanbieders.5 De overeenkomst met een zorgaanbieder dient bepalingen te bevatten over de prijs van de te verlenen zorg. De NZa stelt op basis van kostenonderzoeken maximumtarieven vast voor zorg omschreven bij of krachtens de Wlz. De Wlz-uitvoerders doen binnen de door de NZa vastgestelde tariefruimten aanbiedingen voor het aangaan van overeenkomsten met de te vergoeden reële prijzen. De Wlz-uitvoerders moeten bij hun aanbiedingen aan zorgaanbieders rekening houden met goed onderbouwde kostenverschillen en met de kosten waartegen een efficiënte uitvoering van de zorgprestaties kan worden gerealiseerd.6 De Wlz-uitvoerders dienen de Wlz doelmatig uit te voeren.7 Zij moeten daartoe tariefverhogingen goed verwerken in de vaststelling en uitvoering van hun inkoopbeleid voor voor het aanbieden van reële prijzen. Het gaat bij het toegevoegde derde lid om drie cumulatieve vereisten:
1. Het niet-uitvoeren van tariefkortingen op grond van een aan de NZa gegeven aanwijzing.
2. Het niet-uitvoeren van voorgenomen tariefkortingen op grond van het niet-definitief worden van een voorgenomen aanwijzing met opgedragen tariefkortingen.
3. De landelijke contracteerruimte biedt onvoldoende ruimte mede vanwege de te verwachten uitvoering door Wlz-uitvoerders.
De NZa kan bijvoorbeeld voor het jaar 2027 op grond van een uitgevoerd kostenonderzoek geen hogere tarieven vaststellen. Maatregelen voor tariefkortingen voor dat jaar worden niet uitgevoerd op grond van een aanwijzing aan de NZa8 en niet-definitief worden van een voorgenomen aanwijzing met opgedragen tariefkortingen.9 De contracteerruimte voor 2027 biedt onvoldoende mogelijkheden voor verhogingen op grond van een uitgevoerd kostenonderzoek mede vanwege de te verwachten uitvoering van die verhogingen door Wlz-uitvoerders. Zij moeten voor de vereiste doelmatige uitvoering van de Wlz, tariefverhogingen goed kunnen verwerken in de vaststelling en uitvoering van hun inkoopbeleid voor het aanbieden van reële prijzen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2018, kenmerk 1373081-178634-PZo, inzake de Wlz-tarieven (Stcrt 2018, 37598).
De wet van 9 september 2020 tot wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg in verband met het creëren van een bevoegdheid voor Onze Minister om een voorgedragen kwaliteitsstandaard vanwege financiële gevolgen niet in het openbaar register op te nemen (financiële toetsing voorgedragen kwaliteitsstandaarden) (Stb. 2020, 346).
Zie overweging 5.7 van het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 1 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:9527 en overweging 5.8 van het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2375.
Aanwijzing van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (kenmerk: 4393759-1099406-PZO).
Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2018, kenmerk 1373081-178634-PZo, inzake de Wlz-tarieven (Stcrt 2018, 37598).
De wet van 9 september 2020 tot wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg in verband met het creëren van een bevoegdheid voor Onze Minister om een voorgedragen kwaliteitsstandaard vanwege financiële gevolgen niet in het openbaar register op te nemen (financiële toetsing voorgedragen kwaliteitsstandaarden) (Stb. 2020, 346).
Zie overweging 5.7 van het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 1 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:9527 en overweging 5.8 van het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2375.
Aanwijzing van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (kenmerk: 4393759-1099406-PZO).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-23594.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.