Verkeersbesluit voor het instellen van de maximumsnelheid op de Waddenzee

Datum 23 juni 2026

Nummer RWS-2026/15524

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Rijkswaterstaat (namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat) is als nautisch beheerder van de Waddenzee verantwoordelijk voor de handhaving van de nautische wet- en regelgeving, de veiligheid en de vlotte vaart met betrekking tot de Waddenzee.

Overwegingen ten aanzien van het besluit

Er is onduidelijkheid over de maximaal toegestane vaarsnelheid op vaarwegen in de Waddenzee waar veerdiensten gebruik van maken. Deze onduidelijkheid wordt met name veroorzaakt doordat de term ‘veerbootroute’ in de geldende regelgeving niet duidelijk is gedefinieerd. Hierdoor bestaan verschillende interpretaties over wanneer afwijkende snelheidsregels van toepassing zijn. Dit brengt risico’s met zich mee voor de verkeersveiligheid en belemmert een effectieve en consistente handhaving. Daarom wordt het noodzakelijk geacht het verkeersbesluit te vervangen, waarbij de term ‘veerbootroute’ wordt geschrapt en voorzien in een duidelijke regeling van de toegestane vaarsnelheid.

Besluit

Op grond van de Scheepvaartverkeerswet (Svw), het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS), het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en de bovenstaande overwegingen besluit ik als volgt:

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995, geldt op de gehele Waddenzee de verplichting de vaarsnelheid te beperken tot 20 km/uur (circa 11 Knopen) voor alle schepen (verbodsteken B.6 van bijlage 7, BPR).

  • 2. De onder 1 genoemde vaarsnelheid geldt niet binnen de betonning van de vaargeulen van:

    • a. zee naar de havens van Den Helder, Oudeschild en Den Oever via respectievelijk ‘Marsdiep’, ‘Texelstroom’, ‘Malzwin’ en ‘Visjagersgaatje’;

    • b. Den Helder naar de havens van Kornwerderzand en Harlingen via ‘Texelstroom’, ‘Doove Balg’ en ‘Boontjes’;

    • c. zee naar de haven van Harlingen via ‘Zuider Stortemelk’, ‘Vliestroom’, ‘Blauwe Slenk’ en ‘Vaargeul langs Pollendam’;

    • d. de ‘Vliesloot’, tussen de veerhaven van Vlieland en de aansluiting op ‘Zuider Stortemelk’;

    • e. het deel van het ‘Schuitengat’ tussen de haven van West-Terschelling en de ‘Slenk’, de ‘Slenk’ en ‘West Meep’;

    • f. zee naar de scheidingston WA 24/MG 1;

    • g. veerhaven Ameland naar Holwerd, via ‘Reegeul Ameland’ en ‘Veerbootroute Ameland’;

    • h. zee naar de haven van Lauwersoog via ‘Westgat’ en ‘Zoutkamperlaag’;

    • i. ‘Groote Siege’, ‘Gat van Schiermonnikoog’ en ‘Glinder’.

  • 3. Dit besluit treedt inwerking met ingang van 1 juli 2026.

  • 4. De Bekendmaking aan de scheepvaart; Instellen maximum vaarsnelheid op de Waddenzee van 31 maart 1998, kenmerk Waddenzee West 98/01 (Stcrt. 1998, 66) inclusief alle wijzigingen, wordt ingetrokken.

Vereiste van besluit

Gezien de ligging van de betreffende vaarwegen is het niet doelmatig verkeerstekens te plaatsen. Daarom wordt het in dit besluit opgenomen verbod ingesteld middels een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken. Voor een verkeersbesluit inhoudende een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken zijn de artikelen 5, 6 en 7, Svw van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 8, Svw.

Op grond van artikel 2, lid 1, onderdeel a, onder 1°, Svw en het Besluit mandaat, volmacht en machtiging RWS NN (Staatscourant 2013, nr. 7585) ben ik bevoegd namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het verkeersbesluit te nemen.

Belangenafweging en motivering

De onduidelijkheid over de toegestane vaarsnelheid op de Waddenzee komt voor een belangrijk deel door het gebruik van de term ‘veerbootroute’. Deze term is in de geldende regelgeving niet duidelijk omschreven. Daardoor ontstaan verschillende interpretaties over wanneer afwijkende snelheidsregels gelden. In de praktijk heeft dit al tot verschillen in uitleg geleid. Dit blijkt ook uit recente rechtspraak, waarin de term ‘veerbootroute’ is uitgelegd op basis van het feitelijk gebruik van de vaarweg. Hierdoor ontbreekt een duidelijke en voor iedereen kenbare regel. Dit kan gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid van de scheepvaart. Op de Waddenzee wordt onderscheid gemaakt tussen vaarwegen die worden onderhouden door middel van baggeren en zijn voorzien van verlichte betonning en vaarwegen waar dit niet het geval is. Indien niet duidelijk is op welke vaarweg welk regime van toepassing is, kan dit leiden tot onveilige situaties. Een duidelijk snelheidsregime is daarom noodzakelijk om risico’s te beperken en een voorspelbaar verkeersbeeld te waarborgen.

Ook kunnen vaarweggebruikers, toezichthouders en handhavers bij het ontbreken van een duidelijke norm niet altijd vooraf bepalen welk snelheidsregime geldt. Dit leidt tot rechtsonzekerheid en maakt een consistente handhaving moeilijker.

Het bevoegd gezag acht het daarom noodzakelijk om het bestaande verkeersbesluit te herzien. Ter bevordering van de rechtszekerheid, de rechtsgelijkheid en een eenduidige toepassing van de vaarregels wordt de term ‘veerbootroute’ geschrapt. In plaats daarvan wordt gekozen voor een regeling waarin de toegestane vaarsnelheid duidelijk, objectief en voor alle vaarweggebruikers kenbaar is vastgelegd. Het belang van duidelijke en goed handhaafbare regels weegt hierbij zwaarder dan het behouden van de huidige term, die tot onduidelijkheid leidt. Daarom wordt aanpassing van het verkeersbesluit noodzakelijk en gerechtvaardigd geacht.

Op grond van artikel 5 BABS vermeldt de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het besluit worden beoogd. Daarbij moet worden aangegeven welke van de in artikel 3 van de SVW genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen. De belangen die aan dit besluit ten grondslag liggen zijn:

  • Het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

  • Het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

  • Het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;

  • Het voorkomen of beperken van verontreiniging door schepen;

  • Het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.

Op grond van artikel 2, onderdeel a, BABS kan het bevoegd gezag slechts verkeerstekens aanbrengen die opgenomen zijn in de bijlagen 7 en 8 van het BPR. Hetzelfde geldt voor bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken. Op grond van het bepaalde in artikel 5.01, lid 2, van het BPR is een schip verplicht gevolg te geven aan een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken.

De dienst Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX) van de Politie is geïnformeerd over de totstandkoming van het besluit.

Procedure

Gelet op de aard en de inhoud van de beslissing heb ik de voorbereidingsprocedure van titel 4.1, afdeling 4.1.2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevolgd.

Publicatie besluit

Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en de Schuttevaer.

Conclusie

Gezien de in dit besluit opgenomen overwegingen, besluit ik tot de bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken.

Ondertekening

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Namens deze,

hoofd van de afdeling Vergunningverlening,

Rijkswaterstaat Noord-Nederland

Mededelingen

Informatie

Voor meer informatie over dit besluit kunt u terecht bij de in dit besluit genoemde contactpersoon. De contactgegevens staan in de zijkolom van het besluit. De contactpersoon kan uw vragen beantwoorden en het besluit met u doornemen. Om te bepalen of u meer informatie wilt, kunnen de volgende vragen en aandachtspunten u helpen:

  • Is de inhoud van het besluit duidelijk en is helder wat het concreet voor u betekent?

  • Kunt u beoordelen of het besluit inhoudelijk juist is of niet? Of hebt u behoefte aan een toelichting?

  • Kloppen de gegevens over u in het besluit en heeft u alle gegevens verstrekt?

Ook wanneer u andere vragen heeft over het besluit of de procedure, of wanneer u zich op een of andere manier heeft gestoord aan de wijze waarop bij de besluitvorming met u of uw belangen is omgegaan, kunt u contact opnemen.

Bent u het niet eens met dit besluit?

Dan kunt u op grond van artikel 6, tweede lid, Scheepvaartverkeerswet en de Algemene wet bestuursrecht beroep indienen bij de bestuursrechter. Met deze procedure legt u de zaak aan de rechter voor om te bepalen of het juiste besluit is genomen. U moet hiervoor wel belanghebbende bij het besluit zijn.

De volgende vragen en aandachtspunten kunnen u helpen bij het instellen van beroep:

  • Wat zijn de redenen dat u het met het besluit niet eens bent?

  • Welk doel wilt u met uw beroep bereiken? Wat verwacht u van Rijkswaterstaat?

  • Is het u voldoende duidelijk wat een beroepsprocedure inhoudt en weet u of u met deze procedure uw doel kunt bereiken? Kunt u uw doel op een andere, wellicht eenvoudigere wijze bereiken?

Hoe dient u een beroep in?

Om beroep te gaan bij de bestuursrechter moet u, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is bekendgemaakt, een beroepschrift indienen. U kunt uw beroepschrift sturen naar de rechtbank binnen het rechtsgebied, waarvan u als indiener van het beroepschrift uw woon- of vestigingsplaats heeft. Indien u een onderneming voert kunt u uw beroepschrift sturen naar de rechtbank binnen het rechtsgebied, waar uw onderneming zetelt.

In het beroepschrift moet in ieder geval het volgende staan:

  • uw naam en adres;

  • een duidelijke omschrijving van het besluit waartegen u beroep instelt (bijvoorbeeld door de datum en het kenmerk van het besluit te vermelden en zo mogelijk een kopie van het besluit mee te sturen);

  • de reden waarom u beroep instelt;

  • de datum en uw handtekening.

Het indienen van een beroepschrift heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit blijft gelden in de tijd dat uw beroepschrift in behandeling is. Als u dit niet wilt, bijvoorbeeld omdat het besluit onherstelbare gevolgen heeft voor u, dan kunt u een verzoek om voorlopige voorziening indienen. U doet dit door de voorzieningenrechter van de hierboven genoemde rechtbank te vragen een voorlopige voorziening te treffen. Naar aanleiding van het verzoek kan de bevoegde rechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt een bedrag aan griffierechten geheven. De griffier van de betrokken rechtbank wijst de verzoeker na de indiening van diens verzoek op de verschuldigdheid van het griffierecht en bericht de verzoeker binnen welke termijn en op welke wijze het verschuldigde griffierecht moet worden voldaan.

U kunt ook digitaal beroep instellen of een voorlopige voorziening aanvragen bij genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden.

Naar boven