Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 19 juni 2026, nr. WJZ/106694376, tot wijziging van de Regeling diergeneeskundigen in verband met verlenging van de vrijstelling met betrekking tot het verkorten van de boven- of ondersnavel bij kalkoenen en kippen 2026 [Keten-ID WGK 29167]

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op de artikelen 7.5, eerste lid, en 10.1, eerste lid, van de Wet dieren;

Besluit:

ARTIKEL I

In artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a, van de Regeling diergeneeskundigen wordt ‘1 september 2026’ vervangen door ‘1 september 2029’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 19 juni 2026

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

TOELICHTING

Inleiding

Deze regeling voorziet in een voortzetting van de tijdelijke vrijstelling van het verbod op het verrichten van de ingreep van het verkorten van de boven- of ondersnavel bij moederdieren van trager groeiende vleeskuikens. Ten aanzien van de behandeling van de snavel is voor genoemde categorie pluimvee vastgesteld dat voor het van kracht worden van een verbod op deze ingreep meer tijd nodig is.

Verbod op snavelbehandeling

De snavelbehandeling bij moederdieren van trager groeiende vleeskuikens is een ingreep die wordt uitgevoerd om te voorkomen dat de hennen de hanen door pikkerij beschadigen met uitval van de hanen tot gevolg.

Via de Stuurgroep Ingrepen Pluimvee wordt gewerkt aan het verantwoord uitfaseren van de nog resterende ingrepen, waaronder die aan de snavel van moederdieren van trager groeiende vleeskuikens. De uitfasering van de ingreep is in het Besluit diergeneeskundigen in werking getreden met ingang van 1 september 2018. Met de Stuurgroep Ingrepen Pluimvee is destijds afgesproken de voortgang van de maatregelen om te komen tot het verantwoord stoppen steeds te evalueren. Ter uitvoering van de motie Geurts/Dik-Faber van 6 november 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 31 389, nr. 138) heeft in 2017 een eerste evaluatie plaatsgevonden over het verantwoord kunnen stoppen van ingrepen. Uit die evaluatie bleek dat voor circa 90% van het pluimvee dat in Nederland aan de snavel wordt behandeld het verbod geen onoverkomelijke barrière zou opleveren. Het genoemde percentage betrof leghennen en moederdieren van reguliere vleeskuikens. Het verbod op de behandeling voor deze categorie dieren is, na een overgangstermijn, in werking getreden op 1 januari 2019. Voor de overige pluimveecategorieën die aan de snavels worden behandeld, is het toen vanuit het oogpunt van dierenwelzijn niet wenselijk geacht om het verbod op die relatief korte termijn in te laten gaan. Voor deze categorieën was een overgangstermijn vastgesteld tot 1 september 2023 om nog verder onderzoek te kunnen doen naar de voorwaarden en omstandigheden die nodig zijn voor het succesvol onbehandeld laten van deze dieren.

De Stuurgroep Ingrepen Pluimvee heeft sindsdien vervolgonderzoeken laten uitvoeren en heeft begin 2023 opnieuw een evaluatie uitgevoerd op basis van de laatste onderzoeksresultaten. Uitgangspunt bij de evaluatie van de noodzaak van de ingreep is of de ingreep uit oogpunt van het welzijn van de dieren verantwoord achterwege gelaten kan worden. Daarbij is een afweging aan de orde tussen enerzijds de gevolgen voor het welzijn van de dieren bij het achterwege laten van de ingreep, en anderzijds de gevolgen voor het welzijn van de dieren bij het toepassen van de ingreep. Uit de evaluatie kwam naar voren dat het achterwege laten van de ingreep bij vaderdieren uit de vermeerderingssector verantwoord kan gebeuren. Voor deze categorie is de vrijstelling destijds daarom niet verlengd en is de ingreep verboden vanaf 1 september 2023. Voor de overige pluimveecategorieën (trager groeiende moederdieren, legouderdieren, (over)grootouderdieren, eendagskuikens voor export en kalkoenen) die tot 1 september 2023 aan de snavels werden behandeld werd het vanuit oogpunt van dierenwelzijn niet wenselijk geacht om het verbod op korte termijn in te laten gaan. Voor deze groep is daarom een verlengde overgangstermijn ingeregeld.

Specifiek voor de moederdieren van trager groeiende vleeskuikens is de vrijstelling destijds, op advies van de Stuurgroep, verlengd tot 1 september 2026 (Staatscourant 2023, nr. 18697). In maart 2026 heeft de Stuurgroep, op basis van de resultaten van het onderzoek, opnieuw een advies opgesteld. In het advies komt de Stuurgroep tot de conclusie dat de resultaten van het onderzoek, bestaande uit managementmaatregelen rondom het voeren en de handelingsopties wanneer er wel wonden zijn ontstaan, in de praktijk, onder begeleiding van onderzoekers, verder onderzocht moeten worden en succesvol moeten blijken voordat een verbod op deze ingreep verantwoord kan ingaan.

Rekening houdend met de tijd benodigd voor het onderzoek, daarbij rekening houdende met de tijd benodigd voor het benaderen van bedrijven, opzetdata van praktijkkoppels, de doorlooptijd voor het uitvoeren van de monitoring gedurende de productieperiode van deze koppels (totaal 69-72 weken vanaf plaatsing van de eendagskuikens) en een implementatieperiode wordt door de Stuurgroep een verlenging van de vrijstelling met drie jaar (tot 1 september 2029) geadviseerd.

De Stuurgroep Ingrepen Pluimvee werkt middels onderzoek naar het verantwoord uitfaseren van de resterende ingrepen bij pluimvee en het adviseren over een zorgvuldige overgangstermijn, aan het mogelijk maken van de in de volgende paragraaf genoemde heroverweging van aangewezen ingrepen, gericht op het uitfaseren of maximaal inperken ervan. De onderzoeken en adviezen van de Stuurgroep zullen dan ook worden meegenomen in die heroverweging. Het nu uitgebrachte advies van de Stuurgroep over de overgangstermijn is overgenomen in de onderhavige regeling. De vrijstelling van het verbod op snavelbehandeling voor de moederdieren van trager groeiende vleeskuikens is derhalve verlengd tot 1 september 2029.

Relatie dierwaardige veehouderij

Momenteel bereidt de regering regelgeving voor inzake een dierwaardige veehouderij. Dit ter uitvoering van onder andere artikel 2.3a van de Wet dieren. De Wet dieren verstaat onder een dierwaardige veehouderij onder andere dat, ‘voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd’, wordt voorzien in ‘respect voor de intrinsieke waarde en integriteit van het dier, waaronder in ieder geval verstaan wordt dat geen routinematige ingrepen worden uitgevoerd op basis van voldoende maatregelen gericht op het minimaliseren van risicofactoren’ (artikel 2.3a, tweede lid, aanhef en onder a). Daarnaast verplicht de Wet dieren tot het stellen van regels over het vervallen van ingrepen die op grond van artikel 2.8, tweede lid, onder b, van de Wet dieren, zijn aangewezen (artikel 2.3a, derde lid). Voor pluimvee zijn geen ingrepen meer aangewezen krachtens artikel 2.8, tweede lid, onder b. Wel is nu nog voorzien in een vrijstelling van het verbod waar het gaat om de snavelbehandeling van de snavel van, onder andere, moederdieren van trager groeiden vleeskuikens. Dat neemt niet weg dat ook deze vrijstelling eindig is omdat een routinematige toepassing van deze ingreep niet past in een dierwaardige veehouderij. Het stoppen met deze ingreep past bij de inzet om te komen tot een dierwaardige veehouderij. Uitgangspunt hierbij is ingrepen verantwoord uit te faseren en verbodstermijnen op te nemen die uitvoerbaar zijn. Voor onderhavige ingreep geldt hetzelfde uitgangspunt. Voorgesteld uitstel past in de invoeringswijze van dierwaardige veehouderij, waarbij maatregelen ingaan op het moment dat er voldoende wetenschappelijke basis is en die uitvoerbaar zijn. De inzet van de Stuurgroep en de onderzoeken die zijn uitgezet sluit hier op aan.

Vrijstelling

Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren voorziet in de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen van het bepaalde bij of krachtens deze wet, voor zover het belang van de gezondheid van de mens, dieren of planten, het belang van het welzijn van dieren of het belang van het milieu zich daartegen niet verzetten. De in het eerste lid van artikel 10.1 genoemde belangen, met name het belang van de gezondheid en het welzijn van de dieren, verzetten zich niet tegen het verlenen van een vrijstelling. Het niet verlenen van de vrijstelling zou welzijns- en gezondheidsproblemen geven bij de hennen en hanen. Het verlengen van deze vrijstelling, is daarom gerechtvaardigd.

Intrinsieke waarde van het dier

Bij het stellen van regels bij of krachtens Wet dieren, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, vloeit uit artikel 1.3 van de Wet dieren voort dat ‘ten volle rekening gehouden wordt met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.’ In het kader van een verantwoorde uitfasering van de resterende ingrepen bij pluimvee wordt steeds gekeken naar de ingreep zelf, de methode, het effect op het dier dat de ingreep ondergaat en het effect op de koppelgenoten van de betreffende dieren. Deze vrijstelling houdt zoveel als mogelijk rekening met de intrinsieke waarde van zowel de hennen als de hanen. Het niet verlenen van de vrijstelling zou welzijns- en gezondheidsproblemen geven bij de hennen en met name de hanen, hiermee wordt een groter aantal dieren getroffen dan de hanen die de ingreep ondergaan.

Uitvoering en handhaving

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is belast met het toezicht op de naleving van onderhavige vrijstelling en de daaraan gekoppelde voorwaarden. De NVWA heeft de regeling beoordeeld op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en fraudebestendigheid. De regeling voldoet aan al deze aspecten. De NVWA geeft in overweging om het traject van de uitfasering van ingrepen bij pluimvee nadrukkelijk(er) te verbinden aan het traject rondom de AMvB Dierwaardige veehouderij. In reactie daarop kan worden gemeld dat beide trajecten inderdaad verband hebben met elkaar en dat deze ingreep bij pluimvee dan ook wordt betrokken bij het opstellen van de regelgeving over dierwaardige veehouderij. Op die manier is en blijft de voortgang op het dossier van het uitfaseren van deze ingreep stelselmatig in beeld, ook in het kader van de ontwikkeling richting een dierwaardige veehouderij.

Regeldruk

Deze wijzigingsregeling heeft, behoudens kennisnamekosten, geen gevolgen voor de regeldruk.

Notificatie

Notificatie van technische voorschriften als bedoeld in Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241) en Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376) is niet aan de orde omdat geen sprake is van technische voorschriften of een beperking van diensten van de informatiemaatschappij.

Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2026 en sluit daarmee aan bij een vast verandermoment. Daarnaast sluit het moment van inwerkingtreding aan op het aflopen van de vrijstelling die tot 1 september 2026 liep (Stcrt. 2023, 18697).

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Naar boven