Bestuurlijke afspraken cultureel erfgoed1 OCW, IPO en VNG

1. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelend als bestuursorgaan, Rianne Letschert, hierna te noemen “het Rijk”;

2. de Gedeputeerde van provincie Zuid-Holland, Meindert Stolk, daartoe gemandateerd door de bestuurlijke adviescommissie Regionale Economie en Cultuur van het Interprovinciaal Overleg bij besluit van 29 januari 2026, hierna te noemen “de provincies”;

3. de waarnemend voorzitter van de commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs en lid van het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Ingrid Timmer, daartoe gemandateerd door het bestuur van de VNG, hierna te noemen “de gemeenten”;

Hierna ook gezamenlijk aangeduid als “Partijen”,

Overwegende dat:

Algemeen

  • de erfgoedzorg een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van Rijk, provincies en gemeenten;

  • alle overheidslagen hierbij op basis van onder meer de Erfgoedwet en de Omgevingswet een eigenstandige verantwoordelijkheid hebben, in aanvulling op erfgoedinstellingen, particuliere eigenaren van monumenten en collecties, markpartijen en publieke en private fondsen;

  • deze verantwoordelijkheid in ieder geval bestaat uit het volgende:

    • het Rijk is stelselverantwoordelijk en heeft een specifieke verantwoordelijkheid ten aanzien van de rijkscollectie, het archeologiestelsel, het Werelderfgoed, de rijksmonumenten, de rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, wederopbouwgebieden, het cultuurlandschap en het beschermde immaterieel erfgoed; ook voor de Collectie Nederland heeft het Rijk een integrale verantwoordelijkheid; daarnaast zorgt het Rijk via de Nota Ruimte voor een goede leefomgevingskwaliteit (waar erfgoed een onderdeel van is); de stelselverantwoordelijk van het Rijk houdt in dat de inspanningen van alle partijen er samen voor zorgen voor dat we het erfgoed voor de toekomst behouden en doorgeven aan volgende generaties;

    • provincies hebben de taak om het cultureel erfgoed – waaronder werelderfgoed, monumenten, archeologische waarden, waardevolle cultuurlandschappen en locatie gebonden roerend en immaterieel erfgoed – te beschermen door het stellen van regels en randvoorwaarden, toezicht te houden op gemeenten, te adviseren of besluiten bij belangrijke dossiers en rijksmonumenten buiten de bebouwde kom, en in samenwerking met gemeenten en het Rijk de instandhouding te bevorderen;

    • gemeenten zijn verantwoordelijk voor het behouden, beheren en integreren van cultureel erfgoed, waaronder monumenten, archeologische waarden, waardevolle cultuurlandschappen en locatie gebonden roerend en immaterieel erfgoed; hieraan geven gemeenten onder meer invulling door deze waarden te inventariseren en te beschermen in het omgevingsplan, daarop toezicht en handhaving uit te oefenen binnen de fysieke leefomgeving, maar ook door het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en door in het kader van gebiedsontwikkelingen in een vroegtijdig stadium rekening te houden met cultureel erfgoed.

  • het Rijk en de provincies in 2012 en 2015 afspraken maakten over samenwerking bij restauraties van rijksmonumenten, het ruimtelijk beleid en de provinciale steunfuncties monumentenzorg en archeologie;2

  • zich sindsdien diverse nieuwe maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen hebben aangediend, ten aanzien van ruimtelijke transities, grote restauraties, duurzaamheid en capaciteit en deskundigheid bij gemeenten en provincies en

  • het mede gezien deze nieuwe opgaven en ontwikkelingen wenselijk is dat niet alleen Rijk en provincies over de aanpak van deze opgaven afspraken maken, maar dat ook gemeenten hieraan deelnemen.

Erfgoed en leefomgeving

  • de afgelopen decennia cultureel erfgoed een steeds betere inbedding heeft gekregen in het stelsel van de ruimtelijke ordening, met name in de Omgevingswet en in de daaruit voortvloeiende beleidsinstrumenten, zoals de Nationale Omgevingsvisie/Contourennota, Voorontwerp Nota Ruimte, de Ontwerp Nota Ruimte en de gemeentelijke en provinciale omgevingsvisies;

  • gezien de vele grote actuele ruimtelijke opgaven, er nieuwe uitdagingen zijn: enerzijds om die opgaven met voldoende vaart te realiseren, anderzijds om ervoor te zorgen dat dit gebeurt op een erfgoedinclusieve wijze, waarbij het erfgoed wordt benut als kans, versneller en/of verbinder en waar mogelijk toegankelijk en beleefbaar wordt of blijft voor toekomstige generaties;

  • Rijk, provincies en gemeenten de ambitie hebben om:

    • gebieds- en ontwikkelgericht samen te werken en een goede gesprekspartner te zijn voor elkaar en voor ontwikkelende partijen;

    • duidelijk te zijn over wat wel en niet mogelijk is bij ingrepen ten aanzien van cultureel erfgoed, werelderfgoed en waardevolle cultuurlandschappen;

    • de verbinding te leggen met andere relevante beleidsterreinen;

  • het Rijk aanvullend de ambitie heeft om:

    • met de bij de transities betrokken departementen voorbeeldprojecten voor erfgoedinclusief werken te realiseren en daarbij samen te werken met de gemeenten en provincies waar deze projecten worden uitgevoerd;

    • de inzet van gebiedsbiografieën, transformatiekaders en ontwerpend onderzoek en ontwerp bij grote ontwikkelingen te faciliteren om erfgoed goed in te bedden in en te benutten bij grote ruimtelijke ontwikkelingen in het kader van de transities en

  • ter realisatie van deze ambitie door het Rijk onder meer het programma Erfgoed en Leefomgeving wordt gestart.

Instandhouding monumenten

Restauratiemiddelen

  • het Rijk en de provincies in 2012 hebben afgesproken dat de restauratiesubsidies van rijksmonumenten via de provincies verlopen;

  • het Rijk daartoe structureel € 20 miljoen per jaar in het provinciefonds stort (prijspeil 2012);

  • de provincies zich inspannen om deze bijdrage met provinciale middelen te matchen;

  • de Verkenning financiering monumentenzorg heeft uitgewezen dat het bedrag dat hiermee jaarlijks beschikbaar is niet volstaat om met name grote restauraties te bedienen en3

  • uitgangspunt van het financiële stelsel voor de monumentenzorg is en blijft: lenen waar het kan en subsidie waar het moet;

Restauratiekwaliteit

  • om de kwaliteit van huidige en toekomstige restauraties te borgen voldoende goed opgeleide vakmensen, breed gedragen standaarden over de uitvoering van restauraties, deskundige planbeoordeling en planbegeleiding, goede toezichts- en handhavingsarrangementen en een goede monitoring van de fysieke staat van monumenten essentieel zijn;

Verduurzaming

  • de afgelopen jaren door Rijk provincies en gemeenten diverse stappen zijn gezet ter bevordering van de verduurzaming van monumenten;

  • het Rijk ernaar streeft om binnen de kabinetsbrede aanpak voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving monumenten een volwaardige plek te geven;

  • het Rijk de uitvoering ondersteunt van de Routekaart Verduurzaming Monumenten die door de monumentensector is opgesteld en die onderdeel is van het Klimaatakkoord;4

  • het Rijk het programma erfgoed en duurzaamheid uitvoert ter ondersteuning van eigenaren, gemeenten en andere partijen in de sector;

Capaciteit en deskundigheid: erfgoed en overheid

  • gemeenten en provincies door hun wettelijke verantwoordelijkheden en hun centrale positie in de ruimtelijke ordening, een cruciale rol spelen in de bescherming en het beheer van erfgoed in de fysieke leefomgeving (werelderfgoed, archeologische monumenten, monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet);

  • de kwaliteit van deze erfgoedzorg valt of staat met de inzet van voldoende en kundige (erfgoed)medewerkers bij gemeenten en provincies;

  • juist dat laatste blijkens de in opdracht van VNG, IPO en OCW uitgevoerde Inventarisatie Erfgoed en Overheid op dit moment onder druk staat;

  • dit met name zorgwekkend is omdat er door de grote ruimtelijke en maatschappelijke opgaven de komende jaren veel op de lokale erfgoedzorg afkomt;

  • het daarbij niet alleen om meer, maar ook om andersoortig werk gaat, dat om nieuwe vaardigheden vraagt en

  • iedere provincie een provinciale steunfunctie cultureel erfgoed inricht en het Rijk via het Provinciefonds jaarlijks als medefinancier € 1 miljoen bijdraagt aan deze provinciale steunfuncties, conform de afspraken uit 2012;

Archeologie

Kwaliteit archeologisch onderzoek

  • de Raad voor Cultuur in het advies “Archeologie bij de tijd” (2022) constateert dat de prijsdruk in de archeologische markt ervoor zorgt dat de publieke waarde van de archeologische monumentenzorg onder druk staat, met zorgpunten op het gebied van:

    • de arbeidsomstandigheden van archeologen,

    • de kwaliteit en diepgang van archeologisch onderzoek en

    • de financiering van activiteiten gericht op publieksbereik en -participatie;5

  • het Rijk sinds 2022 de sociale dialoog binnen de archeologische sector ondersteunt;

  • het Rijk in de periode 2025 – 2028 € 10 miljoen investeert in de kwaliteit en diepgang van archeologisch onderzoek;

  • het Rijk structureel investeert in (laagdrempelige) publieksactiviteiten en voornemens is de Erfgoedwet en/of onderliggende regelgeving dusdanig te wijzigen dat publieksbereik en -participatie rondom archeologie hierin beter verankerd raakt en

  • het Rijk, provincies en gemeenten – rechtstreeks of via (verzelfstandigde) diensten en bedrijven – regelmatig (in)direct optreden als opdrachtgever voor archeologisch onderzoek;

Deponering archeologische vondsten

  • provincies de wettelijke taak hebben om een depot in stand te houden voor de opslag van archeologische vondsten;

  • zij op verzoek van een gemeente een depot kunnen aanwijzen;

  • het Rijk ten minste één depot aanwijst dat in het bijzonder geschikt is voor de opslag van vondsten die verband houden met de scheepvaart;

  • het Rijk, de provincies en (een aantal) gemeenten partijen/personen belasten met het dagelijks beheer van deze depots;

  • naar aanleiding van het rapport Beleidsdoorlichting Erfgoed (2022), de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een traject is gestart om – met alle relevante belanghebbenden – te komen tot een oplossing voor diverse knelpunten binnen het proces van het deponeren van archeologische vondsten en de bijbehorende documentatie;

  • het Rijk voornemens is om – op verzoek van deze belanghebbenden – de Erfgoedwet zo te wijzigen dat er een meer directe koppeling ontstaat tussen de werkzaamheden van de partijen en personen die belast zijn met het dagelijks beheer van een archeologisch depot, het dagelijks beheer van een transito-depot en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);

  • het Rijk, provincies en gemeenten betrokken zijn bij de totstandkoming van de inhoud van de KNA en als belanghebbende partijen betrokken zijn bij het hierboven genoemde traject van de RCE en

  • het Rijk, provincies en gemeenten gezamenlijk de problematiek van uitblijvende deponering bij faillissement, opheffing, overname of fusie van bedrijven adresseren, en dat dit tevens vraagt om de mogelijkheid tot het opleggen van internationaal afdwingbare sancties;

Maritieme archeologie

  • het Rijk een prominente rol speelt in de zorg voor maritieme archeologie, maar het in feite een gedeelde taak van Rijk, provincies en gemeenten betreft;

  • de zorg voor maritieme archeologie kan worden verbeterd door toe te werken naar een helder en werkbaar systeem waarbinnen de diverse partijen heldere taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden vervullen en

  • het Rijk eenmalig € 6,8 miljoen beschikbaar heeft gesteld voor impulsmaatregelen ten behoeve van de zorg voor maritiem erfgoed, waarvan € 3 miljoen expliciet bedoeld is om de positie van gemeenten en provincies te versterken;

spreken Partijen af dat:

Artikel 1. Doel

  • Het doel van dit convenant is om afspraken vast te leggen voor de onderlinge samenwerking op het gebied van de erfgoedzorg.

  • De inhoudelijke afspraken worden hierna gerubriceerd per onderwerp. Tot slot zijn de algemene bepalingen opgenomen.

Artikel 2. Erfgoed en leefomgeving

  • zij gezamenlijk blijven optrekken om erfgoedopgaven op alle relevante tafels te agenderen;

  • zij het erfgoedinclusief ontwikkelen van planvorming tot en met de uitvoering zullen bevorderen en toepassen zodat het erfgoed een factor van maatschappelijk en ruimtelijk belang is in de totale belangenafweging en

  • zij de uitkomsten van de afspraken die in het kader van de ruimtelijke arrangementen tussen Rijk en provincies zijn gemaakt over cultureel erfgoed (inclusief werelderfgoed) en waardevolle cultuurlandschappen zullen monitoren en waar nodig actie zullen ondernemen.

Artikel 3. Instandhouding monumenten

  • 3.1 Restauratiemiddelen

    • het Rijk de jaarlijkse bijdrage van € 20 miljoen aan het Provinciefonds ten behoeve van de restauratie van niet-woonhuis en groene rijksmonumenten voortzet;

    • de provincies de inspanningsverplichting aangaan om de jaarlijks de door de provincies ontvangen indexatie van het Rijk over dit bedrag vanuit de algemene middelen aan de betreffende restauratieregelingen toe te voegen;

    • de provincies zich inspannen om de in het Provinciefonds gestorte rijksmiddelen voor restauratie van niet-woonhuis en groene rijksmonumenten waar mogelijk te matchen met provinciale middelen;

    • het Rijk een subsidieregeling opzet voor restauratieopgaven bij niet-woonhuis en groene rijksmonumenten waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan respectievelijk € 2,5 (gebouwd erfgoed) en 1 miljoen (groen erfgoed);

    • de provincies zich inspannen om waar mogelijk cofinanciering beschikbaar te stellen voor deze grote restauratieopgaven; deze bepaling geldt in aanvulling op de bepaling onder het derde punt;

    • het Rijk en de provincies de aansluiting van de bestaande provinciale restauratieregelingen op de rijkssubsidieregeling zullen monitoren en afstemmen;

    • de provincies zich zullen inspannen om de criteria voor de provinciale restauratieregelingen daar waar mogelijk te harmoniseren, waarbij het uitgangspunt is dat in beginsel alle categorieën niet-woonhuis en groene rijksmonumenten in aanmerking kunnen komen voor subsidie binnen de provinciale restauratieregelingen;

    • de provincies hierbij de ruimte hebben om binnen de provinciale restauratieregelingen prioriteit te geven aan specifieke categorieën;

    • de provincies zich ervoor zullen inzetten dat subsidie vooral wordt ingezet voor monumenten die zonder subsidie moeilijk in stand te houden zijn, en niet voor restauraties die geheel met leningen of uit andere financieringsbronnen bekostigd kunnen worden; Rijk en provincies zullen ervaringen ten aanzien hiervan uitwisselen en

    • verkend wordt hoe de restauratieregelingen zo goed mogelijk kunnen aansluiten bij regelingen voor ondersteuning van verduurzaming van gebouwen.

  • 3.2 Restauratiekwaliteit

    • het Rijk de financiële ondersteuning van de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) en het Nationaal Centrum Erfgoedopleidingen (NCE) continueert;

    • provincies de monitoring van de bouwkundige staat van niet-woonhuisrijksmonumenten voortzetten, de data beschikbaar stellen aan het Rijk, dat deze gegevens ontsluit via de Erfgoedmonitor;

    • Rijk en provincies onderzoeken of centralisatie van de monitor voordelen oplevert en of deze opwegen tegen eventuele nadelen hiervan;

    • Rijk, provincies en gemeenten het verbinden van de via ERM tot stand gebrachte kwaliteitseisen (Uitvoeringsrichtlijnen) aan vergunningverlening (en handhaving daarop) ten aanzien van de architectuur- en bouwhistorische waarden van monumenten en aan subsidieverlening zullen bevorderen en

    • Rijk en provincies onderzoeken gezamenlijk op welke wijze monitoring en inspectie van monumenten nog verder kan bijdragen aan het voorkomen en uitstellen van (kostbare) restauraties.

  • 3.3 Verduurzaming

    • namens de gemeenten de VNG, in navolging van Rijk en IPO, de doelstellingen van de Routekaart Verduurzaming Monumenten onderschrijft en

    • het Rijk gemeenten ondersteunt met data uit de monitor verduurzaming monumenten.

Artikel 4. Capaciteit en deskundigheid: erfgoed en overheid

  • Rijk, provincies en gemeenten gezamenlijk een programmatische stimuleringsaanpak uitwerken onder de titel Erfgoed en Overheid. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

    • de ondersteuning van gemeenten en provincies staat centraal; specifiek: de ambtenaar op de werkvloer.

    • inzet is enerzijds de ‘basis op orde’ (het ondersteunen bij het beschikbaar maken van voldoende capaciteit, kennis en kunde en bij het maken of bijwerken van de nodige basis-instrumenten, waaronder architectuur- en bouwhistorisch onderzoek, zodat gemeenten en provincies in staat zijn om erfgoed afdoende in het beleid en de planvorming mee te kunnen nemen) en anderzijds ondersteuning van gemeenten bij het erfgoedinclusief werken in de fysieke leefomgeving;

    • de aanpak moet zoveel mogelijk voor en door gemeenten worden vormgegeven;

    • de aanpak is aanvullend / afgestemd op de provinciale ondersteuningsinfrastructuur, zoals die onder andere verloopt via de steunfuncties;

    • maatwerk moet mogelijk zijn, om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de (behoeften van gemeenten;

    • de aanpak moet doorlopend kunnen inspelen op deze behoeften, ook wanneer deze door de tijd veranderen.

    • de aanpak is niet bedoeld om (structurele of incidentele) financiële tekorten op te vangen;

    • er moet een laagdrempelige constructie voor financiering en verantwoording gehanteerd worden en

    • de inzet is om een programma met een langere looptijd op te zetten.

  • Rijk, provincies en gemeenten gezamenlijk een adviesaanvraag formuleren aan de Raad voor Cultuur zodat:

    • de Raad kan voorzien in een breed, onafhankelijk perspectief;

    • een eindbeeld ontstaat waar provincies en gemeenten naar toe kunnen groeien en

    • nader kan worden bepaald waar de stimuleringsaanpak zich op moet gaan richten;

  • het Rijk voor de programmatische stimuleringsaanpak middelen ter beschikking zal stellen;

  • Provincies en gemeenten zich zullen inspannen om concrete initiatieven – binnen hun verantwoordelijkheden en mogelijkheden – te ondersteunen, om op die manier gezamenlijk tot een structurele verbetering van de erfgoedzorg te komen;

  • Rijk, provincies en gemeenten zowel de uitkomsten en effecten van de programmatische stimuleringsaanpak Erfgoed en Overheid als de aangescherpte wijze van Interbestuurlijke Toezicht door provincies zullen monitoren;

  • Rijk (als medefinancier) en provincies (als verantwoordelijke en opdrachtgever) in samenspraak met gemeenten(de doelgroep) en de provinciale steunfuncties cultureel erfgoed (als uitvoerder) de formulering van de kerntaak van deze laatste waar nodig zullen actualiseren, waarbij de afspraken uit 2012 vooralsnog van kracht blijven.

Artikel 5. Archeologie

  • 5.1 Kwaliteit archeologisch onderzoek

    • het Rijk, provincies en gemeenten ernaar streven bij opdrachten en aanbestedingen voor archeologisch onderzoek de algemene lijnen rondom fair pay en fair practice in de cultuursector te volgen of – indien aanwezig – zich te voegen naar collectieve afspraken die de sector heeft gemaakt;

    • het Rijk, provincies en gemeenten niet de prijs, maar de kwaliteit van het onderzoeksvoorstel als voornaamste gunningscriterium hanteren bij de aanbesteding voor archeologisch onderzoek en

    • het Rijk, provincies en gemeenten een onderbouwde afweging maken ten aanzien van participatie en publieksbereik bij archeologisch onderzoek, door dit als vast onderdeel op te (laten) nemen in het Programma van Eisen. De invulling van participatie en publieksbereik kan daarbij proportioneel staan in relatie tot de aard, omvang en impact van het archeologisch onderzoek.

  • 5.2 Deponering archeologische vondsten

    • het Rijk, de provincies en de gemeenten de partijen/personen die zij belasten met het beheer van een archeologisch depot- vooruitlopend op de wijziging van de Erfgoedwet – opdracht zullen geven om te handelen conform de betreffende protocollen en richtlijnen van (de vigerende versie van) de KNA, of hier enkel van af te wijken wanneer sprake is van een zwaarwegend, helder te motiveren, belang;

    • het Rijk, de provincies en de gemeenten spreken af dat afwijken van de KNA er niet toe mag leiden dat gecertificeerde instellingen voor onvoorziene kosten komen te staan;

    • het Rijk zich – in afstemming met provincies, gemeenten en eventuele andere belanghebbenden – in zal spannen om te komen tot een handelingskader met betrekking tot de omgang met/deponering van vondsten van munitie en wapens uit WOII en

    • het Rijk zal verkennen hoe te komen tot adequate sancties wanneer een instelling, die niet (langer) in Nederland is gevestigd, zich onttrekt aan de Erfgoedwet met betrekking tot de omgang met en deponering van in Nederland opgegraven vondsten.

  • 5.3 Maritieme archeologie

    • provincies en gemeenten expliciet aandacht zullen besteden aan de betere verankering van maritieme archeologie in hun (ruimtelijk) beleid en bijbehorende uitvoering en

    • het Rijk hen hierbij – waar nodig – ondersteunt via kennis en kunde.

Algemene bepalingen

Artikel 6. Financieel kader:

  • De Bestuurlijke afspraken cultureel erfgoed gaan, anders dan waar expliciet wordt aangegeven6 dat er extra middelen beschikbaar zijn, uit van bestaand beleid en budgetten. De in deze bestuurlijke afspraken genoemde toe te voegen middelen zullen waar van toepassing worden verstrekt onder de voorwaarde dat de begrotingswetgever voldoende gelden ter beschikking stelt.

Artikel 7. Handhaving en toezicht

  • Deze afspraken gaan uit van bestaande kaders en monitors in het interbestuurlijk toezicht op de erfgoedzorg die ook in gezamenlijkheid tussen rijk, provincies en gemeenten worden afgestemd. Er is geen sprake van extra toezicht of verantwoording direct voortvloeiend uit deze afspraken.

Artikel 8. Status eerder afspraken

  • Met deze afspraken komen de bestuurlijke afspraken restauratie rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed (ondertekend op 5 maart 2012) en de Aanvulling op de bestuurlijke afspraken restauratie rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed (ondertekend op 20 mei 2015) te vervallen.

Artikel 9. Looptijd, evaluatie en ontbinding

  • Deze bestuurlijke afspraken gelden voor onbepaalde tijd vanaf 27 mei 2026.

  • Partijen komen minimaal één keer per jaar op bestuurlijk niveau bij elkaar om de voortgang van de uitvoering van deze bestuurlijke afspraken te bespreken.

  • Deze bestuurlijke afspraken zijn niet in rechte afdwingbaar. Als een van Partijen zich niet houdt aan de afspraken in deze bestuurlijke afspraken, treden Partijen met elkaar in overleg om tot een oplossing te komen.

Artikel 10. Wijzigingen

  • Elke partij kan de andere Partijen schriftelijk verzoeken deze bestuurlijke afspraken te wijzigen. De wijziging behoeft de schriftelijke instemming van alle Partijen.

  • Wijzigingen van of aanvullingen op deze bestuurlijke afspraken dienen schriftelijk tussen Partijen te worden vastgelegd en ondertekend door daartoe bevoegde personen.

Artikel 11. Openbaarmaking

  • Binnen één maand na ondertekening van deze bestuurlijke afspraken wordt de tekst daarvan gepubliceerd in de Staatscourant.

  • De tekst van de bestuurlijke afspraken wordt tevens gepubliceerd op de website van het IPO en de VNG.

Aldus overeengekomen en in drievoud ondertekend,

Den Haag, 27 mei 2026

De Minister van OCW, R.M. Letschert

Provincies Voor deze: M. Stolk

Gemeenten Voor deze: I. Timmer


X Noot
1

Voor de term ‘cultureel erfgoed’ wordt in dit document de definitie uit de Erfgoedwet van 2016 aangehouden.

X Noot
2

Het betreft de bestuurlijke afspraken restauratie rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed (ondertekend op 5 maart 2012), de Bestuurlijke afspraken over de provinciale steunfuncties monumentenzorg en archeologie (ondertekend op 19 november 2012 en 4 december 2012) en de Aanvulling op de bestuurlijke afspraken restauratie rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed (ondertekend op 20 mei 2015).

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 156, nr. 128

X Noot
4

Te vinden op www.duurzaamerfgoed.nl

X Noot
6

Het betreft de rijksmiddelen voor de regeling grote restauratieopgaven, de programmatische stimuleringsaanpak Erfgoed en Overheid en de impulsmaatregelen ten behoeve van de zorg voor maritiem erfgoed.


X Noot
1

Voor de term ‘cultureel erfgoed’ wordt in dit document de definitie uit de Erfgoedwet van 2016 aangehouden.

X Noot
2

Het betreft de bestuurlijke afspraken restauratie rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed (ondertekend op 5 maart 2012), de Bestuurlijke afspraken over de provinciale steunfuncties monumentenzorg en archeologie (ondertekend op 19 november 2012 en 4 december 2012) en de Aanvulling op de bestuurlijke afspraken restauratie rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed (ondertekend op 20 mei 2015).

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 156, nr. 128

X Noot
4

Te vinden op www.duurzaamerfgoed.nl

X Noot
6

Het betreft de rijksmiddelen voor de regeling grote restauratieopgaven, de programmatische stimuleringsaanpak Erfgoed en Overheid en de impulsmaatregelen ten behoeve van de zorg voor maritiem erfgoed.

Naar boven