Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 juni 2026, nr. WJZ/106407182, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) op deelgebieden betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, onderdelen a, b, d en h, 16, 17, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, 19, derde lid, 23, onderdeel b, 25, 44 en 50, tweede en vierde lid, van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.27.1 worden in de alfabetische volgorde twee begripsbepalingen ingevoegd, luidende:

Europese centrale narratief:

een narratief, paper, scopingsdocument of ander vergelijkbaar document dat:

  • a. voorafgaand aan een Europees matchmakingsproces is opgesteld door zowel de Europese Commissie als lidstaten van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie; en

  • b. is gericht op het tot stand brengen van een Europees belangrijk project en bijhorend Nederlands belangrijk project op een deelgebied als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, en dat informatie bevat over welke Europese doelstellingen en strategieën van toepassing zijn op dat deelgebied;

Nederlands samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties;.

B

De artikelen 3.27.2, 3.27.3 en 3.27.4 komen te luiden:

Artikel 3.27.2. Subsidieverstrekking

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, op één van de volgende deelgebieden, zoals uitgewerkt in het toepasselijke Europese centrale narratief:

    • a. algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, betreft;

    • b. onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, betreft.

  • 2. Een Nederlands belangrijk project omvat een samenhangend geheel van activiteiten, dat kan bestaan uit:

    • a. één of meer van de volgende activiteiten, uitgevoerd door een onderneming die voor het uitvoeren van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit:

      • 1°. onderzoek en ontwikkeling;

      • 2°. de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten;

      • 3°. infrastructuurprojectactiviteiten;

    • b. één of meer van de volgende economische activiteiten, uitgevoerd door een onderneming:

      • 1°. industrieel onderzoek door een onderneming;

      • 2°. experimentele ontwikkeling door een onderneming;

      • 3°. een haalbaarheidsstudie door een onderneming;

      • 4°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;

      • 5°. uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming voor de aanschaf of het gebruiksklaar maken van materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van delen van of het volledige productieproces van een bestaande vestiging van deze onderneming, waarbij bij het gebruik van immateriële activa wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 17, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • c. één of meer van de volgende niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een onderzoeksorganisatie:

      • 1°. industrieel onderzoek door een onderzoeksorganisatie;

      • 2°. experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie;

      • 3°. een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.

  • 3. De subsidieontvanger, bedoeld in het eerste lid, voert de activiteiten van een Nederlands belangrijk project, bedoeld in het tweede lid, uit in een Europees samenwerkingsverband en, indien het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft op het deelgebied onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ook in een bijhorend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband van ten minste twee in Nederland gevestigde ondernemingen.

  • 4. De penvoerder van een Nederlands samenwerkingsverband is een onderneming, indien het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft op het deelgebied onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 5. Voor zover dit uit het Europees goedkeuringsbesluit volgt of naar het oordeel van de minister passend is, kan de subsidie, bedoeld in het eerste lid, aan een onderneming worden verstrekt in de vorm van:

    • a. een subsidie met terugbetalingsverplichting; of

    • b. een geldlening.

Artikel 3.27.3. Hoogte subsidie

  • 1. De subsidie voor een Nederlands belangrijk project bedraagt:

    • a. voor activiteiten van een directe partner als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a: het in het Europees goedkeuringsbesluit opgenomen percentage van de nominale financieringskloof, voor zover de kosten betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a;

    • b. voor economische activiteiten van een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b:

      • 1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming;

      • 2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming;

      • 3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming;

      • 4°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;

      • 5°. 10% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote onderneming;

      • 6°. 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op uitbreidingsinvesteringen door een kleine onderneming;

    • c. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten van een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel c: 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op onafhankelijk industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.

  • 2. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, worden verhoogd met:

    • a. 10 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een middelgrote onderneming en het de ophoging van de percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b, onder 1°, 2° en 3°, betreft;

    • b. 20 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming en het de ophoging van de percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 3°, betreft;

    • c. 10 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede gedachtestreepje, of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en het de ophoging van de percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b, onder 1° en 2°, betreft.

  • 3. De subsidie bedraagt per Nederlands belangrijk project ten hoogste het bedrag dat beschikbaar is op grond van het toepasselijke subsidieplafond en:

    • a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a: niet meer dan het maximum subsidiebedrag dat voor de desbetreffende directe partner voor deze activiteiten is opgenomen in het Europees goedkeuringsbesluit en, voor zover de activiteiten betrekking hebben op het deelgebied als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, niet meer dan € 50.000.000;

    • b. voor economische activiteiten en niet-economische onderzoeksactiviteiten van een onderneming respectievelijk onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b of c, niet meer dan:

      • 1°. € 15.000.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming of onderzoeksorganisatie;

      • 2°. € 7.500.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit een haalbaarheidsstudie door een onderneming of onderzoeksorganisatie;

      • 3°. € 15.000.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;

      • 4°. € 7.500.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, voor zover de activiteiten bestaan uit uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming.

  • 4. De subsidie voor een Nederlands belangrijk project als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b of c, bedraagt ten hoogste € 15.000.000.

Artikel 3.27.4. Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:

  • a. voor activiteiten van een directe partner als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in de bijlage bij het IPCEI-steunkader, voor zover deze zijn opgenomen in het Europees goedkeuringsbesluit;

  • b. voor economische activiteiten van een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b:

    • 1°. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming;

    • 2°. de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming;

    • 3°. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;

    • 4°. de kosten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming;

  • c. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten van een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel c: de redelijk gemaakte kosten die, overeenkomstig artikel 10 van het besluit, direct verbonden zijn met de uitvoering van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.

C

Artikel 3.27.6 komt te luiden:

Artikel 3.27.6. Start- en realisatietermijn

  • 1. Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde Nederlandse belangrijke project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.

  • 2. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar.

D

Artikel 3.27.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands belangrijk project op elk soort deelgebied, indien:.

2. Het eerste lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel a (nieuw) komt te luiden:

  • a. het aannemelijk is dat door het Nederlandse belangrijke project in onvoldoende mate invulling wordt gegeven aan de criteria, bedoeld in paragrafen 3.2.1, onderdelen 15, 16, 18, 19 en 20, 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, en 3.3, onderdeel 26, van het IPCEI-steunkader;.

b. De onderdelen b, d, e en f vervallen, onder verlettering van de onderdelen c, g, h en i tot b, c, d en e.

3. Na het eerste lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onverminderd het eerste lid beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands belangrijk project op een specifiek deelgebied, indien:

    • a. na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend;

    • b. de aanvraag om subsidieverlening betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a:

      • 1°. waarvoor niet een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de minister op uiterlijk 2 februari 2026 om 17:00 uur op grond van de oproep opgenomen in Stcrt. 2025, 41451;

      • 2°. dat niet past binnen het thema ‘AI-chips en -accelerators’, ‘fotonische integrated circuits’, ‘chiplets en heterogene integratie /advanced packaging’, ‘disruptieve sensoren voor autonomie’, ‘vermogenselektronica en disruptieve energiebesparende oplossingen’, ‘secure communications’ of ‘enabling technologies’, genoemd in paragraaf 1.4 van de oproep (Stcrt. 2025, 41451);

      • 3°. waarvoor de pre-notificatiefase nog niet gestart was op 30 november 2026;

      • 4°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; of

      • 5°. waarvoor eerder in totaal een subsidie van ten minste € 50.000.000 is verstrekt aan één of meer van de betrokken directe partners op grond van deze titel voor het uitvoeren van dezelfde activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, binnen dit deelgebied, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a;

    • c. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel b:

      • 1°. waarvoor niet een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de minister op uiterlijk 2 februari 2026 om 17:00 uur op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2025, 41451; of

      • 2°. dat niet past binnen het thema ‘AI-chips en -accelerators’, ‘fotonische integrated circuits’, ‘chiplets en heterogene integratie /advanced packaging’, ‘disruptieve sensoren voor autonomie’, ‘vermogenselektronica en disruptieve energiebesparende oplossingen’, ‘secure communications’ of ‘enabling technologies’ als bedoeld in paragraaf 1.4 van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2025, 41451.

E

Artikel 3.27.8 komt te luiden:

Artikel 3.27.8. Rangschikkingscriteria

  • 1. De minister kent aan een aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands belangrijk project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het Nederlandse belangrijke project meer bijdraagt aan de doelstellingen of de strategieën van de Europese Unie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, aanhef, op het desbetreffende deelgebied, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid;

    • b. de kwaliteit van het projectplan, financieringsplan en begroting van het Nederlandse belangrijke project beter is, blijkend uit:

      • 1°. de uitwerking van het projectplan van het Nederlandse belangrijke project, waaronder ten minste begrepen een beschrijving en onderbouwing van aanpak en methodiek, de projectactiviteiten, te behalen resultaten en de uitvoerbaarheid van het Nederlandse belangrijke project en de wijze waarop binnen het Nederlandse belangrijke project wordt omgegaan met risico’s en intellectuele eigendomsrechten;

      • 2°. de uitwerking van het financieringsplan en de begroting van het Nederlandse belangrijke project, waaronder ten minste begrepen de onderbouwing van de noodzakelijkheid van de benodigde subsidie per subsidieaanvrager, de mate waarin de voor het Nederlandse belangrijke project beschikbare financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet en, voor zover de aanvraag om subsidieverlening betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project dat wordt uitgevoerd door een directe partner als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, de mate waarin er een financieringskloof aanwezig is en uitwerking van het nul-scenario;

    • c. de subsidieaanvrager die het Nederlandse belangrijke project zelfstandig uitvoert of, voor zover van toepassing, het Nederlandse samenwerkingsverband dat het Nederlandse belangrijke project uitvoert meer geschikt is om een Nederlands belangrijk project uit te voeren, blijkend uit:

      • 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het Nederlandse samenwerkingsverband;

      • 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het Nederlandse samenwerkingsverband, waaronder ten minste begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling tussen de betrokken medewerkers van de subsidieaanvrager respectievelijk de deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband;

      • 3°. voor zover van toepassing, een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het Nederlandse samenwerkingsverband, waaronder ten minste begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten tussen de deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband en de mate waarin het Nederlandse samenwerkingsverband bij de uitvoering van het Nederlandse belangrijke project kleine en middelgrote ondernemingen en startups betrekt;

    • d. het Nederlandse belangrijke project naar verwachting een grotere impact heeft, blijkend uit:

      • 1°. de mate waarin het in het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen technologie vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek;

      • 2°. de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de internationale markt, de verwachte bijdrage aan de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen de halfgeleidersectoren in Nederland, de verwachte concurrentiepositie en het verdienvermogen van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband en de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd.

  • 2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.

  • 3. Voor de rangschikking van aanvragen wordt het aantal punten gegeven op grond van het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 4 en het aantal punten gegeven op grond van het eerste lid, onderdelen b, c, en d, per onderdeel vermenigvuldigd met 2, waarna alle punten worden opgeteld.

  • 4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

F

Artikel 3.27.9, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘niet-economisch onafhankelijk industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie’ vervangen door ‘niet-economische onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie’.

2. In onderdeel c vervalt subonderdeel 1°, onder vernummering van de subonderdelen 2°, 3° en 4° tot 1°, 2°, en 3°.

G

Artikel 3.27.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. In het Nederlandse belangrijke project worden de activiteiten overeenkomstig de in het Europese goedkeuringsbesluit opgenomen verplichtingen uitgevoerd, indien het de activiteiten van een directe partner, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, betreft.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot en met vierde lid tot tweede tot en met derde lid.

3. In het tweede, lid, aanhef, (nieuw) vervalt ‘als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e’.

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel b, subonderdeel 1°,’ vervangen door ‘In afwijking van het tweede lid, aanhef en onderdeel b, subonderdeel 1°,’.

H

Artikel 3.27.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. voor zover het economische activiteiten van ondernemingen of onderzoeksorganisaties betreft:

    • 1°. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • 2°. gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.27.3, tweede lid, onderdelen a en b;

    • 3°. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. een projectomschrijving van de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse belangrijke project en aanvullend een beknopte onderbouwing en omschrijving van de strategie en ontwikkelprioriteiten van de subsidieaanvrager of, voor zover van toepassing, het Nederlandse samenwerkingsverband, en op welke termijn het met het project te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben;.

b. Onderdeel b, aanhef, komt te luiden:

  • b. een financieringsplan en een projectbegroting of, indien de aangevraagde subsidie meer dan € 2.000.000 bedraagt, een mijlpalenbegroting waarin een omschrijving per kwartaal respectievelijk mijlpaal wordt gegeven van:.

c. Na onderdeel b, subonderdeel 5°, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 6°. voor zover van toepassing, een overzicht van de werkelijke te maken subsidiabele kosten binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project;.

I

Artikel 3.27.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘2.’ geplaatst.

2. Voor het tweede lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Onverminderd artikel 50 van het besluit bevat een aanvraag tot subsidievaststelling ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. de omvang van de vast te stellen subsidie;

    • d. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling.

3. In het tweede lid, onderdeel b (nieuw), wordt ‘de doelen op de gebieden, bedoeld in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel a’ vervangen door ‘de doelen op de gebieden, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid’.

J

Artikel 3.27.14 komt te luiden:

Artikel 3.27.14. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van niet-economisch onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de volgende Europese steunkaders:

  • a. voor zover het de activiteiten van een directe partner, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, door paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 of 25, van het IPCEI-steunkader;

  • b. voor zover het de economische activiteiten van een onderneming, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b, betreft:

    • 1°. door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderneming;

    • 2°. door artikel 17 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op investeringen door een middelgrote of kleine onderneming;

    • 3°. door artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming.

K

In artikel 3.27.15 wordt ‘23 december 2026’ vervangen door ‘23 december 2031’.

ARTIKEL II

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt onder de rij betreffende titel 3.26 een rij ingevoegd, luidende:

Titel 3.27: Important Projects of Common European Interest (IPCEI)

3.27.2, eerste lid, onderdeel a

 

algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën

09-06-2026 t/m 09-07-2026

€ 150.000.000

 

3.27.2, eerste lid, onderdeel b

 

onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën

09-06-2026 t/m 09-07-2026

€ 50.000.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdeel K, dat in werking treedt met ingang van 22 december 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 4 juni 2026

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Aanleiding en inhoud

Met deze wijzigingsregeling wordt de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest uit titel 3.27 (subsidiemodule IPCEI) van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (RNES) gewijzigd en opnieuw opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten op een aantal deelgebieden betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie1.

Het kabinet heeft de ambitie om Nederlandse ondernemingen en onderzoeksorganisaties financieel te ondersteunen om deel te kunnen nemen aan verschillende Important Projects of Common European Interest (IPCEI), in het Nederlands Belangrijke Projecten van Gemeenschappelijk Europees Belang genoemd (Europese belangrijke projecten). Een Europees belangrijk project bestaat uit meerdere nationale belangrijke projecten van ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit diverse lidstaten van de Europese Unie en de Europese Economische ruimte die complementair zijn aan elkaar. Daarbij gaat het om een groep afzonderlijke nationale projecten die zijn opgenomen in een gemeenschappelijke structuur, routekaart of programma, welke op dezelfde doelstelling is gericht en op een coherente, systemische benadering is gebaseerd. Binnen een Europees belangrijk project worden dus zogenaamde nationale deelprojecten binnen de diverse lidstaten van de Europese Unie uitgevoerd. Hieronder kunnen zich ook zogenaamde Nederlandse belangrijke projecten bevinden die uitgevoerd worden door Nederlandse ondernemingen of onderzoeksorganisaties. De onderdelen van een Nederlands belangrijk project mogen betrekking hebben op verschillende niveaus van de leveringsketen, maar moeten complementair zijn en een aanzienlijke toegevoegde waarde hebben in hun bijdrage aan de verwezenlijking van belangrijke Europese doelstellingen en strategieën. Voor een uitgebreidere achtergrond van deze subsidiemodule wordt verwezen naar paragraaf 1.1 van de algemene toelichting van de wijzigingsregeling waarmee deze subsidiemodule is ingevoerd (de invoeringsregeling)2.

2. Doelstellingen

De subsidiemodule IPCEI beoogt om financiële ondersteuning te geven voor Nederlandse belangrijke projecten die zich richten op bepaalde Europese en onderliggende Nederlandse doelstellingen en strategieën op bepaalde deelgebieden. Op grond van de subsidiemodule IPCEI wordt op aanvraag subsidie verstrekt aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit een Europees samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen en strategieën van de Europese Unie, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader3. De subsidiemodule IPCEI was vanaf medio december 2021 tot en met 2026 al meerdere malen opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten die deze doelstellingen en strategieën zouden kunnen verwezenlijken op diverse deelgebieden en wordt met deze wijzigingsregeling opnieuw opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten op twee deelgebieden betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie. Het gaat hierbij om (a) algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën en (b) onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën.

2.1 Algemene doelstellingen betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie

Halfgeleidertechnologieën vormen steeds meer een belangrijk domein van wereldwijde geo-economische competitie, waarbij Europese technologische soevereiniteit en een sterke positie op de wereldmarkt van belang is. Europese belangrijke projecten en onderliggende Nederlandse belangrijke projecten betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie kunnen een belangrijke impuls geven aan de Europese halfgeleiderindustrie om te profiteren van opkomende technologische kansen en om nieuwe posities van wereldwijd leiderschap en marktkracht te verwerven. Een dergelijk project betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie zou zich kunnen richten op zeer disruptieve technologische ontwikkelingen (AI-chips en -accelerators, fotonische integrated circuits en chiplets en heterogene integratie/advanced packaging), alsook een zeer innovatieve impuls kunnen geven aan gebieden waarin de Europese Unie al toonaangevend is (zoals disruptieve sensoren voor autonomie, vermogenselektronica en disruptieve energiebesparende oplossingen en secure communications).

Het Europese proces betreffende dit soort Europese belangrijke projecten (en onderliggende Nederlandse belangrijke projecten) richt zich op alle vereiste stappen binnen de halfgeleiderwaardeketen, inclusief strategische enabling technologies (zoals productiemachines). Hiermee wordt voortgebouwd op de inspanningen die zijn geleverd via reeds bestaande initiatieven van de Europese Unie (met name via proefprojecten) om industriële R&D en de eerste industriële inzet te versnellen. De projecten moeten een bijdrage leveren aan een aantal subdoelen: het overbruggen van de kloof tussen lab en fab, het voorbereiden op de volgende generatie van halfgeleidertechnologieën, de creatie van internationaal onmisbare Europese strategische control points, de versterking van de weerbaarheid van het Europese ecosysteem, het versterken van de koppeling met de eindmarkten en het oplossen van marktfalen.

Uiteindelijk moeten de Nederlandse belangrijke projecten, samen met andere nationale projecten uit andere lidstaten van de Europese Unie, deel uitmaken van een integraal overkoepelend Europees belangrijk project, om een bijdrage te kunnen leveren aan voormelde doelstellingen. Het is dan ook van belang om te komen tot een combinatie van nationale projecten met een onderlinge samenhang en versterkend effect voor Nederland en voor de Europese Unie. De betrokken Europese lidstaten hebben in nauwe samenwerking, en via uitgebreide consultaties met de Europese industrie, gewerkt aan het identificeren van de meest veelbelovende domeinen waarin de Europese Unie, in potentie, mondiaal het onderscheid kan maken binnen de halfgeleiderindustrie. Daartoe zijn zeven technologiedomeinen geïdentificeerd die zijn opgenomen in artikel 3.27.7, tweede lid, van de subsidiemodule IPCEI.

2.2 Specifieke doelstellingen betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie

De subsidiemodule IPCEI voorziet in subsidiëring van Nederlandse belangrijke projecten die voldoen aan voorgaande algemene doelstellingen en die passen binnen de voorgaande zeven technologiedomeinen, ook wel thema’s genoemd. Deze Nederlandse belangrijke projecten moeten dan wel betrekking hebben op één van de volgende twee deelgebieden betreffende innovatieve halfgeleidertechnologie.

a. Het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’

Ten eerste kan op grond van de subsidiemodule IPCEI subsidie worden verstrekt aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’. Nederlandse belangrijke projecten komen in aanmerking voor subsidie, indien deze in voldoende mate een bijdrage leveren aan dit deelgebied en daarmee het overkoepelende Europese belangrijke project, voor zover de subsidiabele activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling of de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit (artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, van de RNES).

Om als directe partner te kunnen deelnemen aan een Europees belangrijk project, moet een Nederlands belangrijk project ook hoog innovatief zijn, aantoonbare Europese spill-over effecten hebben en aansluiten bij de gespecificeerde waardeketen. Het dient bijzonder groot in omvang of reikwijdte te zijn of een zeer aanzienlijke technologische of financiële risicograad te vertonen. Het ambitieniveau moet dermate hoog zijn dat zonder publieke financiering de Nederlandse belangrijke projecten niet mogelijk zijn. Een directe partner kan daarbij binnen het Nederlands belangrijke project samenwerken in een Nederlands samenwerkingsverband.

Voor Nederlandse belangrijke projecten, die onderdeel zijn van een Europees belangrijk project, mogen overheden, mits voldaan wordt aan de criteria uit het IPCEI-steunkader, en na goedkeuring door de Europese Commissie via een Europees goedkeuringsbesluit, meer steun geven dan binnen de gebruikelijke staatssteunkaders, tot maximaal 100% van de onrendabele top (financieringsgat). De Nederlandse belangrijke projecten op dit deelgebied moeten dan ook voldoen aan de algehele criteria uit het zogenaamde Europese centrale narratief (zie hierover de toelichting op artikel 3.27.2, eerste lid, van de RNES), alsook de overige voorwaarden uit de subsidiemodule IPCEI. De nadruk bij dit soort Nederlandse belangrijke projecten ligt op de ‘eerste industriële toepassing’ van producten. Het eindresultaat van dit soort projecten kan dan ook bestaan uit een product dat (idealiter) grootschalig in de markt gezet is.

b. Het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’

Ten tweede kan op grond van de subsidiemodule IPCEI subsidie worden verstrekt aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’. Nederlandse belangrijke projecten komen in aanmerking voor subsidie als deze in voldoende mate een bijdrage leveren aan dit deelgebied en daarmee het overkoepelende Europees belangrijke project (IPCEI), voor zover de subsidiabele activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidstudie) door een onderneming of onderzoeksorganisatie, het bouwen of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur van een onderneming of uitbreidingsinvesteringen van een onderneming.

De onderneming of onderzoeksorganisatie die het Nederlandse belangrijke project uitvoert, hoeft voor het verrichten van deze activiteiten niet als directe partner vermeld te zijn in het Europees goedkeuringsbesluit en worden ook wel indirecte partners genoemd (zie artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c, van de RNES). Om als indirecte partner te kunnen deelnemen aan een Europees belangrijk project, moet een Nederlands belangrijk project ook hoog innovatief zijn, aantoonbare Europese spill-over effecten hebben, bijdrage aan het versterken en toekomstbestendig maken van de halfgeleiderwaardeketen in de Europese Unie en nadrukkelijk gericht zijn op samenwerking met Nederlandse en verdere Europese ondernemingen, inclusief mkb-ondernemingen. Ook moet een significante eigen (financiële) bijdrage door de subsidieontvangers geleverd worden en moet dit Nederlandse belangrijke project van indirecte partners verbonden zijn met een Europees belangrijk project van directe partners dat voldoet aan het IPCEI-steunkader en is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het eindresultaat van het Nederlandse belangrijke project kan bestaan uit een proof of concept of prototype.

Voordat subsidie verstrekt wordt aan één of meer van de voorgaande Nederlandse belangrijke projecten, moet echter eerst nog een Europees en aanvullend Nederlands proces worden doorlopen; verwezen wordt naar paragraaf 1.3 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling4.

3. Staatssteun

Op grond van de subsidiemodule IPCEI wordt subsidie verstrekt voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project. Een subsidiabel Nederlands belangrijk project moet onderdeel uitmaken van een Europees belangrijk project. Voor een Nederlands belangrijk project wordt op grond van deze subsidiemodule echter alleen subsidie verleend wanneer het desbetreffende project is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie. Dit besluit kan alleen verkregen worden in het geval met het uitvoeren van het desbetreffende Europese belangrijke project een bijdrage wordt geleverd aan één of meer van de belangrijke doelstellingen en strategieën van de Europese Unie, opgenomen in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader. De subsidie is bestemd voor directe en indirecte partners. De subsidiemodule IPCEI wordt met deze wijzigingsregeling opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten op twee deelgebieden betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie.

Voor het eerste deelgebied betreffende ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, van de RNES, zullen de subsidiabele activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling of de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, van de RNES. De subsidie voor deze ondernemingen bevat staatssteun en kan overeenkomstig het Europees goedkeuringsbesluit worden gerechtvaardigd door paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, van het IPCEI-steunkader.

Voor het tweede deelgebied betreffende ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel b, van de RNES, zullen de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd door een onderneming of onderzoeksorganisatie die voor het verrichten van deze activiteiten niet als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. Deze ondernemingen en onderzoeksorganisaties vallen niet onder het IPCEI-steunkader en worden indirecte partners genoemd. Deze subsidiabele activiteiten zullen bestaan uit (a) economische activiteiten, uitgevoerd door een onderneming (bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie, de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur of uitbreidingsinvesteringen) of (b) niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een onderzoeksorganisatie (bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie). De economische activiteiten worden gerechtvaardigd door de artikelen 17, 25 en 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening5. De niet-economische onderzoeksactiviteiten bevatten geen staatssteun en voldoen, waar nodig, aan de randvoorwaarden uit het O&O&I-steunkader6.

Voor een nadere beschrijving van het Europees goedkeuringsbesluit, het verschil tussen directe en indirecte partners en het verschil tussen economische en iet-economische activiteiten wordt verwezen naar paragraaf 2 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling.

4. Regeldruk

4.1 Algemeen

De subsidiemodule IPCEI heeft administratieve lasten tot gevolg, samenhangend met de aanvraag voor subsidie, de tussentijdse (jaarlijkse) rapportage over de voortgang en de aanvraag voor subsidievaststelling. De subsidiemodule brengt geen inhoudelijke nalevingskosten met zich mee.

4.2 Informatieverplichtingen

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet een aanvraag voor subsidie worden ingediend, waarin bepaalde informatie verschaft moet worden. In artikel 3.27.12 van de RNES zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan. Voor de subsidieaanvraag is een aantal minimale informatievereisten opgenomen over de subsidieaanvrager, het project en deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband, die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Hiervoor wordt vanuit de Europese Commissie een aantal standaard formats aangeleverd die ingevuld moeten worden, zoals een overzicht van het project (project portfolio) en de analyse van de financieringskloof (de funding gap analysis).

Daarnaast moet de subsidieaanvraag vergezeld gaan van een projectplan met in ieder geval een omschrijving van de doelstellingen, de werkzaamheden en de impact van het Nederlandse belangrijke project, alsmede een financieringsplan en begroting. Ook moet de subsidieaanvraag vergezeld gaan van documenten met een beknopte beschrijving van de kennis, ervaring en projectorganisatie van de bij de uitvoering van de bij het Nederlandse belangrijke project betrokken personen, alsook een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt. Daarnaast dient op grond van artikel 3.27.9 van de RNES in bepaalde gevallen ook een samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers aan het IPCEI-deelproject beschikbaar te worden gesteld betreffende de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. Al deze informatie is nodig voor de rangschikking op de beoordelingscriteria uit artikel 3.27.8 van de RNES.

Na een positieve beoordeling van de subsidieaanvraag en na het goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie betreffende de activiteiten en deelnemende partijen van het Nederlandse belangrijke project kan er subsidie verleend worden. Met het Nederlandse belangrijke project mag niet later gestart worden dan zes maanden na de subsidieverlening en moet het project ook binnen zeven jaar na de startdatum afgerond zijn. Om tussentijds zicht te houden op de voortgang van het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, zal op grond van artikel 39 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) jaarlijks een tussenrapportage over de voortgang van het Nederlandse belangrijke project van de subsidieontvangers (penvoerders) worden verlangd. Deze tussenrapportages kunnen na afronding van het Nederlandse belangrijke project ook gedeeltelijk gebruikt worden bij de uiteindelijke vaststelling van de subsidie. Voor de vaststelling van de subsidie dient de subsidieontvanger nog een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen waarin deze (in de vorm van een eindrapportage) aanvullende informatie verschaft.

Voor de aanvraag tot subsidievaststelling zijn de informatieverplichtingen opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit. Er is evenwel voor gekozen om deze informatieverplichtingen in artikel 3.27.13 van de RNES verder aan te vullen. Zo moet het eindverslag, dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling gevoegd wordt, informatie bevatten waarmee kan worden vastgesteld of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, alsook of ze tot het gewenste eindresultaat hebben geleid. De te verschaffen informatie bestaat concreet uit een omschrijving van de projectresultaten, op welke wijze het Nederlandse belangrijke project heeft bijgedragen aan de doelen op de betreffende gebieden en een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten.

4.3 Berekening administratieve lasten

In het vervolg zal ook subsidie worden verstrekt aan Nederlandse belangrijke projecten op twee deelgebieden betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie. Om die reden zullen voormelde administratieve lasten ook van toepassing zijn op dit type project.

Allereerst is de verwachting dat er voor Nederlandse belangrijke projecten op de deelgebieden betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie 23 subsidieaanvragen worden ingediend, waarvan elf voor directe participanten en twaalf voor geassocieerde partners. Er wordt aangenomen dat de subsidieaanvrager voor een direct project 170 uur moet besteden aan de subsidieaanvraag. Voor een aanvraag voor een geassocieerde partner is de verwachting dat hiervoor 210 uur nodig zijn en voor een samenwerkingspartner in dat project 85 uur. Uitgaande van twee samenwerkingspartners bij geassocieerde projecten komt het totale aantal uren voor de werkzaamheden ten behoeve van deze 23 subsidieaanvragen uit op 6.430 uur.

Ten tweede is de verwachting dat drie directe projecten en vijf geassocieerde projecten als Nederlandse belangrijke project binnen het toepasselijke subsidieplafond kunnen worden gehonoreerd.

  • Voor deze gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten zal over het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde jaar een tussenrapportage opgesteld moeten worden. Naar verwachting zal het maken van een tussenrapportage gemiddeld 20 uur kosten. Uitgaande van acht gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten zullen er dus in totaal 48 tussenrapportages gemaakt moeten worden, waaraan door de subsidieontvangers in totaal 960 uur besteed zal worden.

  • Voor deze gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten moet mogelijk ook kennisverspreiding plaatsvinden. De brede verspreiding van de kennis die de Nederlandse belangrijke projecten gaan opleveren, is op grond van artikel 3.27.11 van de RNES een verplicht onderdeel van de subsidiemodule IPCEI. Te denken valt aan het verspreiden van kennis via onder andere publicaties, conferenties en online media. De totale tijdsbesteding hiervan wordt ingeschat op 16 uur per Nederlands belangrijk project per jaar. Bij acht gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten van maximaal zeven jaar komt het totaal aantal uren dat besteed wordt aan kennisoverdracht uit op 896 uur.

Tot slot wordt aangenomen dat de verslaglegging achteraf (onder meer het opstellen van de eindrapportage, medewerking aan eindevaluatie en het indienen van de aanvraag voor subsidievaststelling) gemiddeld 70 uur in beslag zal nemen per Nederlands belangrijk project. Uitgaande van acht Nederlandse belangrijke projecten komt het totale aantal uren voor het indienen van de aanvragen voor subsidievaststelling hiermee uit op 560 uur.

Fase

Aantal uur Direct Partner [DP]

Aantal uur associated partner [AP] (penvoerder)

Aantal uur samenwerkingpartner

Totaal aantal uur

Kosten

Aanvraag (23 voorstellen, waarvan 11 voor directe partners en 12 voor associate partners

170

210

85

6.430

€ 385.800

Uitvoering (3 DP+5 AP), inclusief kennisverspreiding

300

120

40

1.700

€ 102.000

Eindrapportage

45

45

20

560

€ 141.600

Totaal

515

375

145

8.890

€ 629.400

Uit het voorgaande volgt dat het totale aantal uren werk om aan de informatieverplichtingen te kunnen voldoen naar verwachting uitkomt op 960 uur, exclusief de uren voor de kennisverspreiding. Het toepasselijke uurtarief is € 60 (zie artikel 3.1.1 van de RNES). De totale administratieve lasten van alle projecten gezamenlijk, inclusief bijkomende externe kosten, zoals een in controle verklaring en uitgaven rondom kennisoverdracht, komen uit op € 629.400. Dit is circa 0,31 procent van het subsidieplafond van € 200.000.000.

4.4 Beoordeling door Adviescollege toetsing regeldruk

Deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk. Het Adviescollege heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

5. Uitvoering

De subsidiemodule IPCEI wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze subsidiemodule wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

II. ARTIKELEN

Artikel I, onderdelen A en B (de artikelen 3.27.1, 3.27.2, 3.27.3 en 3.27.4)

Artikel 3.27.1. Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die van belang zijn voor de subsidiemodule IPCEI, namelijk ‘Europese centrale narratief’ en ‘Nederlands samenwerkingsverband’.

Artikel 3.27.2. Subsidieverstrekking

Dit artikel bevat de subsidiegrondslag voor de subsidiemodule IPCEI. Op grond van de subsidiemodule IPCEI wordt subsidie verstrekt voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project. Het artikel wordt opnieuw vastgesteld.

Een subsidiabel Nederlands belangrijk project moet onderdeel uitmaken van een Europees belangrijk project (IPCEI). Een Europees belangrijk project moet worden uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband. Een Europees samenwerkingsverband moet op grond van paragraaf 3.2.1, onderdeel 16, van het IPCEI-steunkader bestaan uit partijen (in dit geval ondernemingen of onderzoeksorganisaties) die gevestigd zijn in ten minste vier landen die lid zijn van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudends de situatie waarin de aard van het Europees belangrijke project de vestiging in een kleiner aantal lidstaten rechtvaardigt. De subsidiabele Nederlandse belangrijke projecten maken onderdeel uit van de bovenliggende Europese belangrijke projecten, en worden op hun beurt uitgevoerd door een in Nederland gevestigde onderneming of onderzoeksorganisatie, die onderdeel uitmaakt van het Europese samenwerkingsverband. Op grond van de subsidiemodule IPCEI kunnen deze Nederlandse ondernemingen of onderzoeksorganisaties het Nederlandse belangrijke project (in Nederland) zelfstandig uitvoeren. Ook kunnen deze Nederlandse ondernemingen of onderzoeksorganisaties ervoor kiezen het Nederlandse belangrijke project in een Nederlands samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit te voeren.

Doelstelling van de subsidie (artikel 3.27.2, eerste lid (nieuw))

In artikel 3.27.2, eerste lid, (nieuw) wordt geregeld dat subsidie kan worden verstrekt aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit een Europees samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen van de Europese Unie, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader.

Allereerst wordt het eerste lid van artikel 3.27.2 aangepast om te verduidelijken dat (1) een Nederlands belangrijk project gericht moet zijn op het verwezenlijken van één of meer van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader en (2) de inhoud, doelstellingen en strategieën voor het desbetreffende deelgebied uitgewerkt zijn in het toepasselijke Europese centrale narratief. Het gaat daarbij om (a) algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, betreft en (b) onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c, betreft. Daarnaast worden de Europese doelstellingen en strategieën nader beoordeeld aan de hand van het bijhorende rangschikkingscriterium, opgenomen in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel a, van de RNES. Deze beoordeling vindt plaats naast de Europese beoordeling die moet leiden tot een goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie.

Ten tweede worden de zes deelgebieden uit eerdere openstellingen vervangen door twee nieuwe deelgebieden voor de komende openstelling. In tegenstelling tot bij eerdere openstellingen worden ook verwijzingen opgenomen naar de toepasselijke subsidiabele activiteiten, opgenomen in artikel 3.27.2, tweede lid.

Subsidiabele activiteiten van directe en indirecte partners (artikel 3.27.2, tweede lid (nieuw))

In het nieuwe tweede lid van artikel 3.27.2 worden de subsidiabele activiteiten opgenomen. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen (a) de subsidiabele activiteiten van directe partners, (b) de subsidiabele economische activiteiten van indirecte partners en (c) de subsidiabele niet-economische activiteiten van indirecte partners. De activiteiten onder (a) dienen bij de komende openstelling betrekking te hebben op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ en de activiteiten onder (b) en (c) dienen bij de komende openstelling betrekking te hebben op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’. Bij elke nieuwe openstelling zal in het eerste lid een koppeling gemaakt worden tussen het toepasselijke deelgebied en de activiteiten uit het tweede lid, onderdelen a, b of c.

Artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a (nieuw), biedt een grondslag voor de subsidiëring van één of meer activiteiten, die binnen een Nederlands belangrijk project worden uitgevoerd door een in Nederland gevestigde onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit. De activiteiten van directe partners kunnen, overeenkomstig het IPCEI-steunkader uitsluitend bestaan uit (1°) onderzoek en ontwikkeling, (2°) de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten en (3°) infrastructuurprojectactiviteiten.

Artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b (nieuw), biedt een grondslag voor de subsidiëring van één of meer economische activiteiten, die binnen een Nederlands belangrijk project moeten worden uitgevoerd door een in Nederland gevestigde onderneming die als indirecte partner kwalificeert. De economische activiteiten kunnen uitsluitend bestaan uit (1°) industrieel onderzoek door een onderneming, (2°) experimentele ontwikkeling door een onderneming, (3°) een haalbaarheidsstudie door een onderneming, (4°) de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming en (5°) uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming voor de aanschaf of het gebruiksklaar maken van materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van delen van of het volledige productieproces van een bestaande vestiging van deze onderneming.

Artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel c (nieuw), regelt tot slot een grondslag voor de subsidiëring van één of meer niet-economische onderzoeksactiviteiten, die binnen een Nederlands belangrijk project onafhankelijk moeten worden uitgevoerd door een in Nederland gevestigde onderzoeksorganisatie die als indirecte partner kwalificeert, met het oog op meer kennis en een beter inzicht. De niet-economische onderzoeksactiviteiten kunnen uitsluitend bestaan uit (1°) industrieel onderzoek door een onderzoeksorganisatie, (2°) experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie, en (3°) een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.

Subsidieontvangers en Nederlandse samenwerkingsverbanden (artikel 3.27.2, tweede, derde en vierde lid (nieuw))

In deze leden wordt geregeld dat de subsidieontvanger kwalificeert als een in Nederland gevestigde onderneming of onderzoeksorganisatie die de activiteiten van een Nederlands belangrijk project uitvoert in een Europees samenwerkingsverband en, eventueel aanvullend, bijhorend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband. Een nieuwe uitzondering hierop vormt de situatie waarin het Nederlanse belangrijke project betrekking heeft op het deelgebied onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën. In dat laatste geval moet een subsidieontvanger kwalificeren als een in Nederland gevestigde onderneming of onderzoeksorganisatie die de activiteiten van een Nederlands belangrijk project uitvoert (1°) in een Europees samenwerkingsverband en (2°) bijhorend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband van ten minste twee in Nederland gevestigde ondernemingen.

Behoudens de laatste uitzondering is het in de regel mogelijk dat de voorgaande subsidie wordt aangevraagd door zowel individuele subsidieaanvragers als meerdere deelnemers uit een Nederlands samenwerkingsverband. Het moet hierbij specifiek gaan om in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties die op grond van artikel 39a van het Kaderbesluit voor de eerste voorschotbetaling van de subsidie een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland hebben. Deze aspecten zijn ook bij een Nederlands samenwerkingsverband van belang. Een samenwerkingsverband is op grond van artikel 1 van het Kaderbesluit een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaand uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap. Een samenwerkingsverband kan dus bijvoorbeeld niet uitsluitend door moeder- en dochterondernemingen gevormd worden. Bij het Nederlands belangrijk project kan, overeenkomstig artikel 3.27.1 van de RNES, door ondernemingen en onderzoeksorganisaties samengewerkt worden in het kader van economische dan wel niet-economische activiteiten. Zowel een onderneming als een onderzoeksorganisatie kan dan ook als deelnemer van het Nederlands samenwerkingsverband subsidie ontvangen. Alle deelnemers aan het Nederlands samenwerkingsverband worden beschouwd als individuele subsidieaanvragers.

In de praktijk zal de penvoerder namens alle deelnemers uit het Nederlands samenwerkingsverband de aanvraag om subsidieverlening indienen. Dit is bepaald in artikel 20 van het Kaderbesluit. Het is de bedoeling dat de penvoerder zelf ook subsidiabele activiteiten verricht. De beschikking tot subsidieverlening wordt verzonden aan de penvoerder, maar de subsidie zal uiteindelijk verleend en betaald worden aan de subsidieontvanger (individuele deelnemer uit het Nederlandse samenwerkingsverband) die de desbetreffende subsidiabele activiteiten uitvoert. Aanvullend wordt in artikel 3.27.2, vierde lid (nieuw), geregeld dat de penvoerder van een Nederlands samenwerkingsverband een onderneming moet zijn. Deze nieuwe eis is bedoeld om te stimuleren dat ondernemingen, conform het IPCEI steunkader en Europese centrale narratief, een sturende en cruciale rol zullen hebben bij het verwezenlijken van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, van de RNES.

Subsidievormen (artikel 3.27.2, vijfde lid (nieuw))

Op grond van de subsidiemodule IPCEI zal regelmatig een traditionele subsidie (subsidie á fonds perdue) worden verstrekt. Voor zover dit uit het Europees goedkeuringsbesluit volgt of naar het oordeel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat (minister) passend is, kan de subsidie echter ook worden verstrekt in de vorm van een subsidie met een terugbetalingsverplichting of in de vorm van een geldlening. De Europese Commissie zal in haar goedkeuringsbesluit ook het door de lidstaat gekozen steuninstrument beoordelen. Van belang is dat dit instrument passend is met het oog op het marktfalen of ander belangrijk systeemfalen. Het kan daarbij volgens de Europese Commissie nodig zijn dat de onderneming moet delen in het risico. Terugbetaalbare steuninstrumenten, subsidie met een terugbetalingsverplichting of een subsidie in de vorm van een geldlening zullen door de Europese Commissie als een positieve indicator beschouwd worden (zie ook paragraaf 4.1, onderdeel 40, van het IPCEI-steunkader). Dat subsidieverlening in deze vormen nodig is, kan derhalve volgen uit het Europees goedkeuringsbesluit, maar ook uit andere omstandigheden (in een eerdere fase van het proces, zoals bij de matchmaking, of als gevolg van overleg met de Europese Commissie). Ook kunnen er nationale redenen zijn om deze subsidievormen te gebruiken. Deze mogelijkheid bestaat ook al op grond van het oude artikel 3.27.2, zesde lid, dat nu vervangen wordt door artikel 3.27.2, vijfde lid (nieuw).

In het geval van een subsidie met een terugbetalingsverplichting worden de voorwaarden, zoals het terugbetalingsschema, opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. Overigens bestaat de mogelijkheid dat de subsidieontvanger verzoekt om ontheffing van deze terugbetalingsverplichting. De minister zal bij besluit op een dergelijk verzoek moeten beslissen. Er wordt bij deze subsidievorm geen overeenkomst gesloten tussen de subsidieverstrekker en de subsidieontvanger. Dat is wel het geval bij een subsidie in de vorm van een geldlening. Bij die vorm wordt in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen dat de subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat er een leningsovereenkomst (zijnde de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 4:36, eerste lid, Awb) wordt gesloten tussen de Staat der Nederlanden en subsidieontvanger. Deze subsidievorm heeft hierdoor een privaatrechtelijk element.

De artikelen 3.27.3. Hoogte van de subsidie en 3.27.4. Subsidiabele kosten

In de nieuw vast te stellen artikelen 3.27.3 en 3.27.4 wordt voor de subsidiemodule IPCEI aangegeven welke steunintensiteiten en welke maximumsubsidiebedragen voor de subsidiabele kosten gehanteerd worden respectievelijk welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Net als bij artikel 3.27.2, tweede lid (nieuw), is ervoor gekozen om een duidelijker onderscheid te maken tussen: (a) de subsidie voor directe partners, (b) de subsidie voor economische activiteiten van indirecte partners en (c) de subsidie voor niet-economische activiteiten van indirecte partners.

Met het nieuwe artikel 3.27.3 wordt ervoor gezorgd dat met de subsidieverlening gebleven wordt binnen de begrenzingen en voorwaarden van het toepasselijke Europese staatssteunkader, dat voor de activiteiten van directe partners bestaat uit het Europees goedkeuringsbesluit en het IPCEI-steunkader en voor economische activiteiten van ondernemingen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening. Ook blijven niet-economische onderzoeksactiviteiten binnen het Europese staatssteunrecht en wordt, waar nodig, in artikel 3.27.9 van de RNES invulling gegeven aan de voorwaarden uit het O&O&I-steunkader. Zie voor de verdere achtergrond de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 3.27.3 en 3.27.4 (oud) van de invoeringsregeling.

Artikel I, onderdeel C (artikel 3.27.6. Start- en realisatietermijn)

In dit artikel is de start en realisatietermijn opgenomen die van toepassing is op de uitvoering van Nederlandse belangrijke projecten. Dit artikel wordt opnieuw vastgesteld. De bij eerdere openstellingen voor vrijwel alle deelgebieden gebruikte- start en realisatietermijn blijven ook van toepassing op de nieuwe deelgebieden, opgenomen in artikel 3.27.2, eerste lid (nieuw), van de RNES.

Allereerst wordt in het nieuwe eerste lid bepaald dat met de uitvoering van een op grond van de subsidiemodule IPCEI gesubsidieerd Nederlands belangrijk project ten minste moet worden gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het desbetreffende Nederlandse belangrijke project spoedig van start zal gaan.

Ten tweede wordt de realisatietermijn vastgesteld op zeven jaar na subsidieverlening, in plaats van zeven jaar na de startdatum, zoals bij vorige openstellingen het geval was. Indien uit het bij de subsidieaanvraag aangeleverde projectplan blijkt dat het project niet uiterlijk binnen deze termijn gerealiseerd zou kunnen worden, wordt de aanvraag op grond van artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Kaderbesluit afgewezen. Er is voor deze termijn gekozen, omdat de verwachting is dat een Nederlands belangrijk project binnen deze termijn kan worden afgerond. De termijn gaat lopen vanaf het moment van subsidieverlening, in plaats vanaf de start van het project, omdat dit moment voor een ieder direct kenbaar zal zijn.

Van belang is dat artikel 3.27.6, derde lid (oud), bij eerdere openstellingen ook abusievelijk de (mogelijke) verlenging van de realisatietermijn regelde, ondanks dat dit al geregeld wordt in artikel 37 van het Kaderbesluit. In artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit is namelijk de bevoegdheid voor de minister opgenomen om in geval van vertraging van de uitvoering van de activiteiten of het essentieel wijzigen daarvan ontheffing te verlenen van de verplichting om de activiteiten overeenkomstig het projectplan uit te voeren. Op grond hiervan is het ook mogelijk de realisatietermijn voor een project te verlengen. Daarom kan artikel 3.27.6, derde lid (oud), vervallen.

Artikel I, onderdeel D (artikel 3.27.7. Afwijzingsgronden)

Deze bepaling bevat de afwijzingsgronden die van toepassing zijn in aanvulling op de afwijzingsgronden in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit. Deze worden geactualiseerd voor de toepassing op subsidieaanvragen die betrekking hebben op Nederlandse belangrijke projecten op de twee deelgebieden betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologieën. In artikel 3.27.7, tweede lid, van de RNES worden de volgende afwijzingsgronden opgenomen.

Allereerst wordt de subsidieaanvraag afgewezen, indien na toepassing van artikel 3.27.8, eerste en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend. De subsidieaanvragen worden verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen en in artikel 3.27.8, eerste lid, zijn de zogenaamde rangschikkingscriteria voor deze verdeling opgenomen waarvoor op grond van artikel 3.27.8, tweede lid, per rangschikkingscriterium ten minste één en ten hoogste tien punten toe worden gekend. De bedoeling van deze afwijzingsgrond is dat alleen projecten die van voldoende kwaliteit zijn, gehonoreerd zullen worden. Met een schaal van één tot en met tien punten per rangschikkingscriterium wordt een score van zes punten als kwalitatief voldoende beschouwd. Overigens heeft voormelde afwijzingsgrond uitsluitend betrekking op de score die per rangschikkingscriterium behaald wordt voordat de zogenaamde wegingsfactor uit artikel 3.27.8, derde lid, wordt toegepast.

Ten tweede wordt de subsidieaanvraag afgewezen indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ of ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, waarvoor niet een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de minister op uiterlijk 2 februari 2026 om 17:00 uur op grond van de oproep (Stcrt. 2025, 41451) of dat niet past binnen de thema’s, genoemd in paragraaf 1.4 van die oproep. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat alleen de Nederlandse partijen die hebben gereageerd op de interessepeiling, voor subsidie in aanmerking kunnen komen, ongeacht of deze partijen te beschouwen zijn als directe of indirecte partner. Ook wordt met deze afwijzingsgrond invulling gegeven aan de gemaakte afspraken tussen de betrokken lidstaten en de Europese Commissie, waarmee de Europese belangrijke projecten geclusterd zijn binnen een aantal thema’s.

Ten derde wordt de subsidieaanvraag voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ afgewezen, indien voor dit project de pre-notificatiefase nog niet gestart was op 30 november 2026. De Europese pre-notificatiefase vindt plaats na interessepeiling en het Europese matchmakingsproces. De Europese pre-notificatiefase is de fase waarin Nederland bij de Europese Commissie informeel een Nederlands belangrijk project onder de aandacht brengt, waarop, voorafgaand aan een eventuele notificatiefase, op informele en vertrouwelijke basis kan worden besproken of dit project – naar het voorlopige niet-bindende oordeel van de Europese Commissie – in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit. Het is van belang dat de Europese pre-notificatiefase voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ gestart is op 30 november 2026, omdat Nederlandse belangrijke projecten die hier geen onderdeel van uitmaakten, geen positieve beoordeling hebben gehad in de eerdere fases van het informele selectieproces. Hierdoor zullen deze projecten ook niet aan de Europese notificatiefase toekomen (de fase waarin Nederland bij de Europese Commissie formeel een Nederlands belangrijk project aanmeldt om, ingevolge artikel 107, derde lid, onderdeel b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, een Europees goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie te krijgen).

Ten vierde wordt de subsidieaanvraag voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ afgewezen, indien voor dit project de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen. Met de financieringskloof wordt op grond van paragraaf 4.3, onderdeel 33, van het IPCEI-steunkader het verschil bedoeld tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt op basis van een passende disconteringsfactor waarin het rendement tot uiting komt dat de begunstigde verlangt om het project uit te voeren, met name gelet op de daaraan verbonden risico’s. De regels betreffende de financieringskloof zijn van toepassing op Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, omdat het hier projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door een directe partner en die onder het IPCEI-steunkader vallen. In dit geval mag de financieringskloof niet minder bedragen dan € 10.000.000. Met deze afwijzingsgrond wordt gewaarborgd dat alleen projecten gesubsidieerd worden die vanwege groot marktfalen niet voldoende andere financiering kunnen verkrijgen om het project (rendabel) te kunnen uitvoeren.

Ten vijfde wordt de subsidieaanvraag voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ afgewezen, indien eerder in totaal voor € 50.000.000 subsidie verstrekt is aan de desbetreffende directe partner die dit project uitvoert op grond van deze titel voor het uitvoeren van dezelfde activiteiten binnen hetzelfde deelgebied. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat er tijdens de huidige openstellingsperiode telkens andere soorten Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ voor subsidie in aanmerking komen, zodat een stimulans wordt gegeven aan de kennisuitwisseling tussen een zo groot mogelijke groep van Europese en Nederlandse partijen die willen deelnemen aan een Europees belangrijk project.

Artikel I, onderdeel E (artikel 3.27.8. Rangschikkingscriteria)

In dit artikel worden criteria opgenomen op basis waarvan de subsidieaanvragen gerangschikt worden binnen het subsidieplafond, behorend bij het toepasselijke deelgebied, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid (nieuw), van de RNES. Een subsidieaanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate het Nederlandse belangrijke project meer bijdraagt aan deze rangschikkingscriteria (artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de RNES). Per rangschikkingscriterium wordt op grond van artikel 3.27.8, tweede lid, van de RNES ten minste één en ten hoogste tien punten toegekend. Aan de subsidieaanvraag van het project dat het hoogst gerangschikt is, wordt subsidie verleend, uiteraard voor zover het subsidieplafond nog niet is overschreden en tenzij de subsidieaanvraag voor het desbetreffende project op grond van artikel 3.6.7 van de RNES afgewezen zou moeten worden. Het gaat om de volgende rangschikkingscriteria:

a. Bijdrage aan het doel van de subsidiemodule op het desbetreffende deelgebied en thema

Aan een subsidieaanvraag voor een Nederlands belangrijk project wordt een hoger aantal punten toegekend naarmate het Nederlands belangrijk project meer bijdraagt aan de doelen, genoemd in artikel 3.27.2, eerste lid, van de RNES. Het Nederlandse belangrijke project dient gericht te zijn op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader. Het Nederlandse belangrijke project moet een concrete, duidelijke en identificeerbare belangrijke bijdrage leveren aan de doelstellingen of de strategieën van de Europese Unie. Het project moet bijvoorbeeld in bepaalde gevallen een aanzienlijk effect hebben op duurzame groei, doordat het van majeur belang is voor bijvoorbeeld de Europese Green Deal, de digitale strategie, het digitale decennium en de Europese datastrategie, de nieuwe industriestrategie voor Europa en de actualisering daarvan, NextGenerationEU, de Europese gezondheidsunie, de nieuwe Europese onderzoeksruimte voor onderzoek en innovatie, het nieuwe actieplan voor een circulaire economie en de doelstelling van de Europese Unie om tegen 2050 klimaatneutraal te worden.

Met de subsidiabele Nederlandse belangrijke projecten die onder de subsidiemodule IPCEI vallen, zal invulling moeten worden gegeven aan de doelstellingen en strategieën die passen binnen het deelgebied waarop het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft en dat uit het toepasselijke Europese centrale narratief volgt (zie ook de definitie in artikel 3.27.1 van de RNES).

Voor de komende openstelling van de subsidiemodule IPCEI zou het voorgaande betekenen dat een Nederlands belangrijk project hoger wordt gerangschikt naar mate meer voldaan wordt aan de Europese doelstellingen en strategieën op het toepasselijke deelgebied betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologieën van het centrale narratief van de IPCEI-AST (de IPCEI geavanceerde halfgeleidertechnologieën)7 De betreffende Nederlandse belangrijke projecten moeten nadrukkelijk bijdragen aan het versterken en toekomstbestendig maken van de halfgeleiderwaardeketen in Europa en moeten daarnaast een substantiële bijdrage leveren aan een gemeenschappelijk Europees belang, waarbij het individuele of nationale belang wordt overstegen. Hierbij moet vanuit een ecosysteem- of waardeketenbenadering worden gedacht.

Een Nederlands belangrijk project betreffende geavanceerde halfgeleidertechnologieën kan op twee manieren bijdragen aan de Europese doelstellingen en strategieën: (1) een belangrijke bijdrage leveren aan het opbouwen of versterken van Europese koplopersposities in cruciale delen van de mondiale waardeketens voor halfgeleiders of (2) versterking van de Europese technologische autonomie (in het bijzonder op het gebied van kritieke halfgeleidertechnologieën) en een bijdragen leveren aan de ontwikkeling en bestendigheid van een geïntegreerde Europese waardeketen. Het project dient bij te dragen aan de concurrentiekracht en veerkracht van de Europese Unie en aan het verminderen van de strategische afhankelijkheid van de Europese Unie van derde landen op het gebied van geavanceerde halfgeleidertechnologieën.

b. Kwaliteit van het projectplan van het Nederlandse belangrijke project

Een subsidieaanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate de kwaliteit van het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectplan en begroting beter is. Bij dit criterium wordt beoordeeld of alle voor het Nederlandse belangrijke project relevante inhoudelijke aspecten adequaat zijn omschreven en onderbouwd.

Een subsidieaanvraag scoort hoger op dit criterium in het geval in het projectplan een duidelijke omschrijving gegeven wordt van de onderzoeksmethode, inhoudelijke aanpak, per partner uit te voeren activiteiten, de projectfases met meetbare indicatoren (inclusief go/no go momenten), de te gebruiken middelen en de resultaten. Het gaat hier dus om een heldere beschrijving en onderbouwing van de activiteiten in de tijd (wie doet wat en wanneer). Ook scoort een aanvraag om subsidie hoger in het geval het projectplan een adequate omschrijving van de omgang met intellectuele eigendomsrechten bevat. Daarnaast moet in het projectplan een adequate inventarisatie en analyse aanwezig zijn van de risico’s die een succesvolle uitvoering van het Nederlandse belangrijke project kunnen bedreigen en wat voor mitigerende maatregelen hiervoor genomen kunnen worden. Ook moet in het projectplan worden onderbouwd waarom het projectplan van het Nederlandse belangrijke project uitvoerbaar is conform de projectbeschrijving.

Een subsidieaanvraag scoort ook hoger op dit criterium in het geval in het financieringsplan en begroting van het Nederlandse belangrijke project een adequate onderbouwing bevat van de noodzakelijkheid van de benodigde subsidie per subsidieaanvrager, en van de mate waarin de beschikbare financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet met het oog op de te bereiken doelen van het Nederlandse belangrijke project. De financiële middelen betreffen zowel de gevraagde subsidie als andere financiële middelen waarmee het Nederlandse belangrijke project gefinancierd wordt. Om te voorkomen dat er onnodig veel kosten opgevoerd worden, wordt bij de beoordeling meegewogen welke impact het Nederlandse belangrijke project kan hebben op de doelstellingen gerelateerd aan de totale subsidiabele kosten die opgevoerd worden. Subsidieaanvragen betreffende projectvoorstellen die meer impact zullen hebben ten opzichte van de totale opgevoerde kosten, scoren hoger dan voorstellen die met dezelfde kosten minder impact hebben.

Voor zover de aanvraag om subsidieverlening betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project dat wordt uitgevoerd door een directe partner als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, van de RNES, scoort een subsidieaanvraag ook hoger op dit criterium in het geval het financieringsplan en begroting van het Nederlandse belangrijke project een adequate onderbouwing bevat van de mate waarin er een financieringskloof aanwezig is en uitwerking van het nul-scenario. Met de financieringskloof wordt op grond van paragraaf 4.3, onderdeel 33, van het IPCEI-steunkader het verschil bedoeld tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt op basis van een passende disconteringsfactor waarin het rendement tot uiting komt dat de begunstigde verlangt om het project uit te voeren, met name gelet op de daaraan verbonden risico’s. Met het zogenaamde nul-scenario doelt paragraaf 4.3, onderdeel 31, van het IPCEI-steunkader op het feit dat lidstaten van de Europese Unie de Europese Commissie (namens de subsidieaanvragers) afdoende informatie moeten verschaffen over het gesteunde Nederlandse belangrijke project, alsmede een uitgebreide beschrijving van het nul-scenario (counterfactual) dat overeenstemt met de situatie waarin door lidstaten geen steun wordt verleend. Het nul-scenario kan bestaan in het ontbreken van een alternatief project, indien uit het bewijsmateriaal blijkt dat dit het meest waarschijnlijke nul-scenario is, of in een alternatief project waarmee de subsidieaanvragers bij hun interne besluitvorming rekening hebben gehouden, en kan betrekking hebben op een alternatief project dat geheel of ten dele buiten de Europese Unie wordt uitgevoerd. Om de geloofwaardigheid van het in het projectvoorstel van het Nederlandse belangrijke project opgenomen nul-scenario aan te tonen, zal Nederland relevante documenten van de subsidieaanvrager over moeten leggen, zoals presentaties van de raad van bestuur, analyses, verslagen en studies.

c. De geschiktheid van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband

Aan een subsidieaanvraag voor een Nederlands belangrijk project worden meer punten toegekend naarmate de subsidieaanvrager of, voor zover van toepassing, het Nederlandse samenwerkingsverband meer geschikt is om het project uit te voeren. In het geval de subsidieaanvrager zelfstandig opereert (binnen een overkoepelend Europees samenwerkingsverband), wordt alleen de geschiktheid van de desbetreffende subsidieaanvrager beoordeeld. In het geval de subsidieaanvrager in een Nederlands samenwerkingsverband opereert (binnen een overkoepelend Europees samenwerkingsverband), wordt alleen de geschiktheid van het desbetreffende Nederlandse samenwerkingsverband van subsidieaanvragers beoordeeld. Bij dit criterium worden dus de kenmerken van de entiteiten beoordeeld die het Nederlandse belangrijke project uitvoeren. Uit artikel 3.27.2 volgt of het Nederlandse belangrijke project al dan niet zelfstandig door een individuele subsidieaanvrager of een Nederlands samenwerkingsverband moet worden uitgevoerd (binnen een Europees belangrijk project van een Europees samenwerkingsverband). Bij de beoordeling van dit criterium wordt op de volgende deelaspecten ingegaan.

Allereerst wordt beoordeeld wie het project gaat uitvoeren en of de benodigde competenties en ervaring bij de subsidieaanvrager of de deelnemers in het Nederlandse samenwerkingsverband en de projectorganisatie aanwezig zijn. Dit kan aangetoond worden door documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het Nederlandse belangrijke project betrokken entiteiten (rechtspersonen of natuurlijke personen).

Ten tweede moeten worden aangetoond dat de inrichting van de projectorganisatie binnen de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband adequaat is, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling tussen de betrokken medewerkers van de subsidieaanvrager respectievelijk de deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband.

Tot slot bevat dit criterium een beoordeling van aspecten die alleen van toepassing zijn in het geval het Nederlandse belangrijke project wordt uitgevoerd in een Nederlands samenwerkingsverband. Het gaat hierbij om de mate van samenwerking tussen de deelnemers binnen het Nederlandse samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten. Er dient dan ook aangetoond te worden dat er sprake is van feitelijke samenwerking tussen de partners binnen het Nederlandse samenwerkingsverband, bijvoorbeeld door een adequate kennisuitwisseling. De partners binnen het Nederlandse samenwerkingsverband dienen onderscheidende en complementaire specifieke technische expertise te hebben. Hierdoor wordt de toegevoegde waarde van de samenwerking groter en daarmee stijgt de kans op een vervolgsamenwerking. Ook verdient de betrokkenheid van MKB-ondernemingen en startups aandacht. Bij de deelname van een groter aantal mkb-ondernemingen of startups aan het Nederlandse samenwerkingsverband zal een subsidieaanvraag hoger scoren. De streefwaarde die hierbij gehanteerd wordt, zonder dat dit overigens als een harde grens geldt, is dat circa 25% van de deelnemers van het Nederlandse samenwerkingsverband een mkb-onderneming zou moeten zijn, en dat zij waar mogelijk ook een proportioneel deel van de kosten van het project zullen dragen.

d. Impact van het Nederlandse belangrijke project

Aan een subsidieaanvraag voor een Nederlands belangrijk project worden meer punten toegekend naar mate de impact van het Nederlandse belangrijke project groter is. Waar bij de criteria a, b en c van artikel 3.27.8, eerste lid, van de RNES vooral de nadruk ligt op de input, de activiteiten en de output van het project, gaat het bij criterium d van dat lid om de uitkomst en de verwachte impact.

Allereerst scoort een subsidieaanvraag hoger op dit criterium naarmate de voorgestelde oplossingen vernieuwender zijn en dus een grotere impact zullen hebben. Het kan daarbij gaan om een nieuwe technologie met betrekking tot producten, processen of diensten, of om wezenlijke vernieuwingen of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie. Voor technologisch georiënteerde activiteiten is de internationale stand der techniek de maatstaf. De subsidieaanvrager dient de huidige stand van onderzoek en techniek te beschrijven, welke knelpunten er nog zijn en wat de toegevoegde waarde van het Nederlandse belangrijke project is (welke stap in onderzoek en ontwikkeling er door het Nederlandse belangrijke project gezet wordt). Ook wordt er hoger gescoord naarmate de Nederlandse kennis- en innovatiepositie meer versterkt wordt. Dat is het geval wanneer er meer sprake is van technologische vernieuwing. Hierbij scoren voorstellen die een marginaal technische verbetering laten zien lager dan voorstellen die een technologische doorbraak kunnen laten zien.

Ten tweede scoort een subsidieaanvraag hoger op dit criterium naarmate de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de internationale markt groter zijn, alsook in het geval het Nederlandse belangrijke project bijdraagt aan de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen de halfgeleidersectoren en de concurrentiepositie en het verdienvermogen van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband verbetert. Ook is de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd op het gebied van halfgeleidertechnologie van belang. Een goede onderbouwing, waar mogelijk kwantitatief, van de verwachtingen op dit punt is voor de beoordeling van dit criterium belangrijk, de aannames en inschattingen dienen expliciet gemaakt te worden. Er dient daarom in het businessplan een adequate kwantitatieve onderbouwing verstrekt te worden van de verwachte afzetmarkt, bestaande uit een omschrijving van de soorten potentiële afnemers. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen nog gezet moeten worden om de markt te bereiken en welke kosten en welke termijnen daarbij horen. Concreet scoort een projectvoorstel hoger op dit criterium naarmate in het projectvoorstel:

  • a) meer onderbouwd is in welke sectoren/marktsegmenten behoefte is aan de voorgestelde halfgeleideroplossingen (methoden of technieken), wat de bredere context is;

  • b) een visie op het implementatietraject beter onderbouwd is, door inzicht te geven in de vervolgstappen die bij een positief resultaat gezet zullen worden in de verdere ontwikkeling en marketing van de voorgestelde halfgeleideroplossingen en door wie, zo mogelijk tot aan introductie op de markt. Daarbij dient in het projectplan rekening gehouden te worden met de niet-technologische aspecten die bij marktintroductie een rol kunnen spelen, zoals wet- en regelgeving die invloed heeft op marktintroductie;

  • c) een visie op de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen de halfgeleidersectoren beter onderbouwd is;

  • d) meer aannemelijk wordt gemaakt dat de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd op het gebied van halfgeleidertechnologie, hoger is; van belang is dat de geleerde lessen gedeeld zullen worden met relevante belanghebbenden (ten minste met de achterban van alle betrokken partijen en vragende partijen) en er een verdere kennisverspreiding plaatsvindt.

Artikel I, onderdelen F en G (de artikelen 3.27.9. Verplichtingen voor onderzoeksorganisaties en 3.27.10. Verplichtingen betreffende de subsidiabele activiteiten van ondernemingen)

In deze artikelen van de subsidiemodule IPCEI worden enkele technische correcties doorgevoerd. Het gaat hierbij om de aanpassing van verwijzingen, vernummering en kleine inhoudelijke aanpassingen.

In de artikelen 3.27.9 en 3.27.10 van de RNES worden verwijzingen aangepast. Het betreft hier de aanpassing van verwijzingen naar de toepasselijke deelgebieden, subsidiabele activiteiten en subsidieontvangers uit artikel 3.27.2 (oud), die worden vervangen door nieuwe verwijzingen naar artikel 3.27.2 (nieuw). Daarnaast vervalt het tweede lid van artikel 3.27.10 dat betrekking heeft op de niet meer gesubsidieerde activiteit proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f (oud), van de RNES. Tot slot vervalt subonderdeel 1° van artikel 3.27.9, eerste lid, onderdeel c, van de RNES, omdat deze alleen betrekking heeft op het geval dat er contractonderzoek wordt verricht, in plaats van de onderhavige subsidiabele niet-economische onderzoeksactiviteiten.

Artikel I, onderdeel H (artikel 3.27.12. Informatieverplichtingen bij aanvraag om subsidieverlening)

In dit artikel zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan.

Het eerste lid van artikel 3.27.12 bepaalt welke informatie in een subsidieaanvraag opgenomen moet worden. Het betreft hier de minimale informatievereisten over de subsidieaanvrager, het project, en, voor zover van toepassing, deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband, die nodig zijn om de subsidieaanvraag te kunnen behandelen. Zo moet een subsidieaanvraag op grond van onderdeel d van artikel 3.27.12, eerste lid, gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager bevatten, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming. Met deze wijzigingsregeling wordt hieraan het volgende toegevoegd.

In het vervolg moet de subsidieaanvraag, in het geval van economische activiteiten van ondernemingen of onderzoeksorganisaties, de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening bevatten, om te voldoen aan de voorwaarden van dit Europese staatssteunkader. Ook moet op grond van onderdeel d van artikel 3.27.12, eerste lid, in het vervolg een verklaring verstrekt worden dat de subsidieaanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat overeenkomstig artikel 22 van het Kaderbesluit en de algemene groepsvrijstellingsverordening beoordeeld kan worden of een subsidieaanvraag al dan niet afgewezen moet worden omdat er sprake is van een onderneming in moeilijkheden. Deze vereisten sluiten aan bij de wijze waarop andere vergelijkbare subsidiemodules in de RNES zijn vormgegeven.

Het tweede lid van artikel 3.27.12 bepaalt dat de subsidieaanvraag vergezeld dient te gaan van gegevens op grond waarvan een goede inschatting gemaakt zou moeten kunnen worden of het Nederlandse belangrijke project aan het doel van deze subsidiemodule voldoet. Zo dient de subsidieaanvraag vergezeld te gaan van (a) een projectomschrijving van de activiteiten van het Nederlandse belangrijke project en (b) een financieringsplan en begroting.

Onderdeel a van artikel 3.27.12, tweede lid, wordt aangepast, zodat het projectplan in het vervolg ook een onderbouwing en omschrijving moet bevatten van de strategie en ontwikkelprioriteiten van de subsidieaanvrager of, voor zover van toepassing, het Nederlandse samenwerkingsverband, en op welke termijn het met het project te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben. Met dit laatste onderdeel zal adequate informatie verkregen moeten worden om te kunnen beoordelen in welke mate voldaan is aan het rangschikkingscriterium impact als bedoeld in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel d.

Ook onderdeel b van artikel 3.27.12, tweede lid, wordt aangepast, zodat in het vervolg nog steeds een financieringsplan en een projectbegroting moet worden verstrekt in het geval de subsidie minder zou bedragen dan € 2.000.000 en een mijlpalenbegroting, indien de aangevraagde subsidie meer dan € 2.000.000 bedraagt. In de projectbegroting of mijlpalenbegroting dient een omschrijving per kwartaal respectievelijk per mijlpaal te worden gegeven van de aspecten, opgenomen in de subonderdelen 1° tot en met 5° van onderdeel b. Aanvullend wordt aan deze aspecten een subonderdeel 6° toegevoegd waarin wordt bepaald dat in voormelde financieringsplan en begroting, voor zover van toepassing, ook een overzicht moet worden opgenomen van de werkelijke te maken subsidiabele kosten binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project.

Artikel I, onderdeel I (artikel 3.27.13. Aanvraag tot subsidievaststelling)

De verplichtingen inzake subsidievaststelling opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit. Bij de invoering van de subsidiemodule IPCEI is er destijds evenwel voor gekozen om deze verplichtingen in artikel 3.27.13 van de RNES nader in te vullen. Dit artikel bevat een opsomming van informatie die in ieder geval opgenomen moet worden in het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit, dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend.

Voor de komende openstelling(en) van de subsidiemodule IPCEI worden aan artikel 3.27.13 gegevens toegevoegd die de aanvraag tot subsidievaststelling ten minste moet bevatten.

Onderdeel J (artikel 3.27.14. Staatssteun)

De subsidie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, van de RNES bevat, met uitzondering van niet-economisch onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de verschillende Europese steunkaders, waarnaar dit artikel verwijst. Voor een nadere toelichting op de toepasselijke staatssteunkaders wordt verwezen naar paragraaf 3 van deze toelichting.

Artikel I, onderdeel K (artikel 3.27.15. Vervaldatum)

In artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is bepaald dat subsidieregelingen een vervaltermijn van maximaal vijf jaren bevatten. Artikel 3.27.15 van de RNES geeft invulling aan deze bepaling en bepaalt de vervaldatum van deze subsidiemodule. Deze subsidiemodule vervalt vijf jaar na de inwerkingtredingsdatum daarvan op 23 december 2026, dus met ingang van 23 december 2031. Het ontwerp van de verlengingsregeling is daarom, overeenkomstig artikel 4.10, zevende lid, van de Comptabiliteitswet 2016, gedurende 30 dagen aan de Tweede Kamer overgelegd8. Omdat binnen deze voorhangstermijn geen opmerkingen door de Tweede Kamer zijn gemaakt, kan de vervaldatum verlengd worden.

Artikel II

Aan de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 is de openstelling van de subsidiemodule IPCEI toegevoegd. De subsidiemodule IPCEI wordt voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied van geavanceerde halfgeleidertechnologie opengesteld van 9 juni 2026 tot en met 9 juli 2026 om 17.00 uur. Het subsidieplafond wordt vastgesteld op € 150.000.000 voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ en € 50.000.000 voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdeel K. Met deze datum wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten. Dat kan worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding. De subsidieaanvragers hebben voldoende tijd om subsidieaanvragen in te dienen en voor te bereiden, gelet op de lengte van de openstellingsperiode en het feit dat zij al de nodige werkzaamheden hebben verricht als deelnemer aan het Europees matchmakingsproces.

Artikel I, onderdeel K, treedt in werking met ingang van 22 december 2026. Het betreft hier de inwerkingtredingsdatum van de nieuwe vervaltermijn, opgenomen in artikel 3.27.15 van de RNES die één dag ligt voor de datum waarop de subsidiemodule IPCEI zou vervallen. Vanwege de langlopende Europese processen is deze maximale verlenging tot 23 december 2031 gewenst.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert


X Noot
1

Onder halfgeleidertechnologie wordt technologie verstaan waarin halfgeleidend materiaal wordt gebruikt bij de fabricage van elektrische of elektronische onderdelen, schakelingen en systemen.

X Noot
2

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 16 december 2021, nr. WJZ/ 21303634, tot wijziging van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021 in verband met de invoering van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) (Stcrt. 2021, 50262).

X Noot
3

Mededeling van de Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, PBEU 2021 C 528/02.

X Noot
5

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).

X Noot
6

Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414).

X Noot
8

Kamerbrief van 23 april 2026 betreffende verlenging van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI); https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2026D19975.


X Noot
1

Onder halfgeleidertechnologie wordt technologie verstaan waarin halfgeleidend materiaal wordt gebruikt bij de fabricage van elektrische of elektronische onderdelen, schakelingen en systemen.

X Noot
2

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 16 december 2021, nr. WJZ/ 21303634, tot wijziging van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021 in verband met de invoering van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) (Stcrt. 2021, 50262).

X Noot
3

Mededeling van de Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, PBEU 2021 C 528/02.

X Noot
5

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).

X Noot
6

Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414).

X Noot
8

Kamerbrief van 23 april 2026 betreffende verlenging van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI); https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2026D19975.

Naar boven