Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 20221 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 20221 | ander besluit van algemene strekking |
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Werk en Participatie;
Gelet op artikel 2:8, tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, artikel 2, tweede, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 9, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 7c van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, artikel 38, eerste tot en met derde en zesde lid, van de Participatiewet, artikel 2, vijfde lid, van de Regeling tegemoetkoming Wajongers, artikel 5, derde lid, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz, de artikelen 3, zesde lid, en 8, vierde lid, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW, artikel 9 van de Toeslagenwet, artikel 1b, zevende en achtste lid, van de Werkloosheidswet, artikel 475da, achtste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikelen 5, vijfde, zesde en negende lid, en 8, achtste, tiende, twaalfde, dertiende, vijftiende en zestiende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 5, zevende en tiende lid, en 8, vierde, zesde, achtste en elfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 15, eerste en tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 16, eerste en tweede lid, van de Ziektewet;
Delen mede:
dat met ingang van 1 juli 2026 in de hierna genoemde wet- en regelgeving de bedragen en percentages zijn gewijzigd en als volgt komen te luiden:
De premie, genoemd in artikel 2:8, eerste lid, onderdeel b, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, bedraagt: € 3.446.
1. De brutonabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17 van de Algemene nabestaandenwet, bedraagt:
a. in het eerste lid: € 1.676,53;
b. in het tweede lid: € 1.082,00; en
c. in het vijfde lid: € 1.082,00.
2. De brutowezenuitkering, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, bedraagt:
a. in onderdeel a: € 536,49;
b. in onderdeel b: € 804,73; en
c. in onderdeel c: € 1.072,98.
Het bruto-ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, bedraagt:
a. in onderdeel a: € 1.662,16; en
b. in onderdeel b: € 1.139,39.
1. De bedragen, genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, bedragen:
a. in onderdeel a: € 390,07;
b. in onderdeel b: € 312,06;
c. in onderdeel c: € 234,05;
d. in onderdeel d: € 195,04;
e. in onderdeel e: € 154,08;
f. in onderdeel f: € 134,58; en
g. in onderdeel g: € 117,03.
2. Het bedrag, genoemd in artikel 7b van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, bedraagt: € 234,05.
1. De bedragen, genoemd in artikel 20 van de Participatiewet, bedragen:
a. in het eerste lid, onderdeel a: € 350,42;
b. in het eerste lid, onderdeel b: € 700,84;
c. in het eerste lid, onderdeel c: € 1.364,32;
d. in het tweede lid, onderdeel a: € 350,42;
e. in het tweede lid, onderdeel b: € 1.106,40;
f. in het tweede lid, onderdeel c: € 1.769,88; en
g. in het derde lid: € 762,24.
2. De bedragen, genoemd in artikel 21 van de Participatiewet, bedragen:
a. in onderdeel a: € 1.419,46; en
b. in onderdeel b: € 2.027,79.
3. De bedragen, genoemd in artikel 22 van de Participatiewet, bedragen:
a. in onderdeel a: € 1.587,34; en
b. in de onderdelen b en c: € 2.176,10.
4. De bedragen, genoemd in artikel 22a, derde lid, van de Participatiewet, bedragen:
a. in onderdeel a: € 755,98; en
b. in onderdeel b: € 350,42.
5. De bedragen, genoemd in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet, bedragen:
a. in onderdeel a: € 449,44; en
b. in onderdeel b: € 699,11.
6. De bedragen, genoemd in artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet, bedragen:
a. in onderdeel j: € 3.446,00;
b. in onderdeel n: € 289,00;
c. in onderdeel r: € 180,17;
d. in onderdeel y: € 182,73;
e. in onderdeel z: € 182,73; en
f. in onderdeel aa: € 182,73.
De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling tegemoetkoming Wajongers, bedraagt:
a. in onderdeel a: € 24,74;
b. in onderdeel b: € 23,76; en
c. in onderdeel c: € 14,26.
De bedragen, genoemd in artikel 1 van de Regeling vaststelling grondslagen IOAW, bedragen:
a. in het eerste lid: € 2.346,08;
b. in het tweede lid: € 1.173,04; en
c. in het derde lid: € 1.802,78.
De bedragen, genoemd in artikel 1 van de Regeling vaststelling grondslagen IOAZ, bedragen:
a. in het eerste lid: € 2.346,08;
b. in het tweede lid: € 1.173,04; en
c. in het derde lid: € 1.802,78.
Het bedrag, genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz, bedraagt: € 175.022.
1. Het bedrag, genoemd in artikel 3, derde lid, onderdeel d, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW, bedraagt: € 175.022,00.
2. De bedragen, genoemd in artikel 8, tweede lid, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW, bedragen:
a. in onderdeel a: € 1.669,24; en
b. in onderdeel b: € 1.086,15.
3. Het bedrag, genoemd in artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW, bedraagt: € 1.086,15.
1. Het bedrag, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Toeslagenwet, bedraagt: € 107,45.
2. De bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Toeslagenwet, bedragen:
a. onder 1°: € 67,75;
b. onder 2°: € 60,15;
c. onder 3°: € 44,02; en
d. onder 4°: € 35,95.
3. Het bedrag, genoemd in artikel 2, zevende lid, onderdeel b, van de Toeslagenwet, bedraagt: € 49,94.
4. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, van de Toeslagenwet, bedraagt: € 107,45.
Het percentage, bedoeld in artikel 1b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, artikel 15, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 14, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 16, eerste lid, van de Ziektewet, bedraagt: 1,86%.
De beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475da, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bedraagt:
a. in onderdeel a: € 2.208,48;
b. in onderdeel b: € 2.543,75;
c. in onderdeel c: € 2.905,79; en
d. in onderdeel d: € 3.179,68.
1. De bedragen, genoemd in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, bedragen:
a. in het derde lid, onderdelen a en b: € 1.013,90; en
b. in het vierde lid: € 1.419,46.
2. De bedragen, genoemd in artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, bedragen:
a. in het tweede lid: € 448,90;
b. in het vijfde lid: € 280,95;
c. in het zevende lid: € 285,20;
d. in het negende lid: € 285,20; en
e. in het tiende lid: € 285,20.
1. De bedragen, genoemd in artikel 5, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, bedragen:
a. in het tweede lid, onderdeel 3: € 36.780;
b. in het vierde lid, onderdeel a: € 1.013,90;
c. in het vierde lid, onderdeel b: € 1.419,46; en
d. in het vierde lid, onderdeel c: € 1.013,90.
2. De bedragen, genoemd in artikel 8, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, bedragen:
a. in het derde lid: € 448,90;
b. in het negende lid: € 280,95;
c. in het elfde lid: € 285,20;
d. in het dertiende lid: € 285,20; en
e. in het veertiende lid: € 285,20.
Deze mededeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Per 1 juli 2026 worden verschillende bedragen in de SZW-wet- en regelgeving herzien.1 In deze bekendmaking worden de nieuwe bedragen en percentages gepubliceerd, zoals voorgeschreven door de genoemde wetten, besluiten en regelingen. De wijzigingen zijn zo veel mogelijk gebundeld.
Onderstaand wordt per wet, besluit of regeling toegelicht op welke wijze de bedragen zijn herzien.
Per 1 juli 2026 zijn de normbedragen uit de Participatiewet (hierna: Pw) herzien. Zoals is opgenomen in artikel 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden de bedragen voor de beslagvrije voet berekend aan de hand van onder andere de verschillende normwaarden uit de PW. In deze mededeling zijn de nieuwe maximumbedragen voor de beslagvrije voet gepubliceerd, zoals voorgeschreven door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Bij Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 2026, tot aanpassing wettelijk minimumloon per 1 juli 2026 (Stcrt. 2026, 16505) is het bruto wettelijk minimumloon met ingang van 1 juli 2026 vastgesteld op € 2.337,00 per maand. Dit bedrag is exclusief de vakantie-uitkering van 8%. De bedragen in de onderstaande regelingen zijn aangepast aan de ontwikkeling van het minimumloon. Per regeling is, waar nodig, onderstaand een nadere toelichting gegeven.
• Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
Het bedrag is gewijzigd overeenkomstig de wijze waarop het bedrag, genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet is gewijzigd.
• Algemene nabestaandenwet
Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) zijn de bedragen, bedoeld in de artikelen 17 (bruto nabestaandenuitkering) en 29 (bruto wezenuitkering) van die wet aangepast aan de wijziging van het netto minimumloon. In de berekeningen is rekening gehouden met de bevriezing van de afbouw van de dubbele heffingskorting, genoemd in artikel 2, vijfde lid, Anw.
• Algemene Ouderdomswet
Op grond van artikel 9, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet wordt het bruto-ouderdomspensioen herzien wanneer het netto minimumloon wijzigt. Het bruto wettelijk minimumloon is met ingang van 1 juli 2026 gewijzigd. Het netto minimumloon is in het verlengde daarvan gewijzigd.
• Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021
In het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021 zijn in artikel 7a de minimummaandbedragen per leeftijdscategorie voor de studietoeslag vastgesteld en is in artikel 7b het maandelijkse vrijlatingsbedrag voor de stagevergoeding vastgesteld. Deze bedragen zijn netto bedragen waarover de gemeenten loonheffing en de werkgeversheffing Zvw afdraagt. Als gevolg van de verhoging van het wettelijk minimumloon bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet zijn deze bedragen aangepast. De bedragen worden aangepast met hetzelfde percentage als waarmee het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet wijzigt. Dit is het percentage waarmee de bijstandsnormen wijzigen.
• Participatiewet
Als gevolg van de verhoging van het wettelijk minimumloon bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet zijn de normbedragen en maximale vrijlatingsbedragen in de Participatiewet aangepast.
• Regeling tegemoetkoming Wajongers
Op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Regeling tegemoetkoming Wajongers wordt de hoogte van de tegemoetkoming aangepast met het percentage van de verhoging van het bruto wettelijk minimumloon met ingang van 1 juli 2026.
• Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW
De bedragen, genoemd in artikel 8, tweede en derde lid, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW worden herzien in verband met een wijziging van het nettominimumloon zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag. De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2025 (zie artikel 32, eerste lid, van de regeling), maar blijft van toepassing op voor dat tijdstip toegekende uitkeringen. Vanaf 1 januari 2025 is er geen nieuwe instroom meer. Per 1 januari 2027 stromen de laatste gerechtigden uit en is indexatie niet meer nodig.
• Toeslagenwet
De bedragen zijn gewijzigd overeenkomstig de wijze waarop de bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Participatiewet zijn gewijzigd.
• Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en Ziektewet
Het dagloon, berekend op grond van deze wetten en de daarop berustende bepalingen, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag van het wettelijke minimumloon wordt herzien. Het maximumdagloon is het onafgeronde maximumpremieloon (jaarbedrag) per 1 januari, gedeeld door 261. In de Staatscourant wordt medegedeeld met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening plaatsvindt. Herziening van de uitkeringen als gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
• Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Regeling vaststelling grondslagen IOAW en Regeling vaststelling grondslagen IOAZ en de Regeling vermogenswaardering Ioaz
In de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) zijn de netto bedragen opgenomen waaraan de op grond van artikel 5 van de IOAW en IOAZ vast te stellen grondslagen netto gelijk dienen te zijn. De genoemde bedragen dienen te worden herzien met ingang van de dag waarop en met het percentage waarmee het nettominimumloon wordt herzien. Aangezien met ingang van 1 juli 2026 het nettominimumloon wijzigt, dienen de in de IOAW en de IOAZ en in de Regeling vaststelling grondslagen IOAW en de Regeling vaststelling grondslagen IOAZ genoemde bedragen eveneens te worden gewijzigd. Ook de vrijlatingen en een bedrag genoemd in de Regeling vermogenswaardering Ioaz worden gewijzigd aan de hand van de ontwikkeling van het nettominimumloon.
Er wordt geen extra regeldruk voorzien als gevolg van de mededeling. Er zijn, met uitzondering van de aanpassing van het wettelijk minimumloon, geen extra handelingen vereist van burgers of bedrijven; er worden alleen bedragen medegedeeld. Werkgevers passen de lonen van werknemers met het wettelijk minimumloon aan met ingang van 1 juli 2026.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Zie Stcrt. 2025, 43553 en Stcrt. 2025, 43567 voor de verschillende bedragen en percentages in de SZW-wet- en regelgeving die gelden sinds 1 januari 2026.
Zie Stcrt. 2025, 43553 en Stcrt. 2025, 43567 voor de verschillende bedragen en percentages in de SZW-wet- en regelgeving die gelden sinds 1 januari 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-20221.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.