Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof

Nader Rapport

28 mei 2026

IENW/BSK-2026/80095

Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 17 maart 2026, nr. 2026000594, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 mei 2026, nr. W17.26.00065/IV, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan met daaronder mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 17 maart 2026, no.2026000594, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit stelt regels over de nieuwe analysemethode voor de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing. Het betreft reparatieregelgeving naar aanleiding van een recente wijziging van de Waterschapswet.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de reparatie van een wet via een wijziging van een algemene maatregel van bestuur (amvb). In verband met deze opmerking is aanpassing wenselijk van de toelichting.

1. Inhoud en achtergrond

Het ontwerpbesluit strekt ertoe om een omissie in de Waterschapswet te herstellen. Per 1 januari 2026 is de Waterschapswet (hierna: de wet) gewijzigd.1 Deze wetswijziging vervangt de analysemethode waarbij mens- en milieubelastende stoffen worden gebruikt om de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing te berekenen. De methode om het chemisch zuurstofverbruik (CZV) te bepalen wordt vervangen door de TOC-meting (Total Organic Carbon).2

Na de wetswijziging is geconstateerd dat de wet een omissie bevat. De nieuwe analysemethode moet gelden voor zowel meetbedrijven3 als tabelbedrijven.4 In artikel 122k van de Waterschapswet, zoals dat sinds 1 januari 2026 luidt, is de analysemethode voor tabelbedrijven niet opgenomen. Het voorliggende ontwerpbesluit wijzigt het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (hierna: het Bviw 2009) om te verduidelijken dat de nieuwe analysemethode ook geldt voor tabelbedrijven.

2. Reparatie van de wet via het wijzigingsbesluit

Artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet geeft de grondslag om bij amvb nadere regels te stellen voor de bepaling van de vervuilingswaarde. Op grond van dit artikel kunnen in het Bviw 2009 regels worden gesteld over de analysemethode voor tabelbedrijven.

Uit de toelichting blijkt dat er gelijktijdig wordt gewerkt aan een wijziging van de Waterschapswet om de omissie ook op wettelijk niveau te herstellen.5 Zodra die wetswijziging in werking treedt, zal de wijziging in het Bviw 2009 vervallen.6

De Afdeling merkt op dat het mogelijk is om de omissie in de Waterschapswet te herstellen door middel van een wijziging van het Bviw 2009, aangezien er een wettelijke grondslag is om bij amvb nadere regels te stellen voor de bepaling van de vervuilingswaarde. De Afdeling merkt daarbij wel op dat een wijziging van de wet zelf de voorkeur heeft, gelet op de eenduidigheid en continuïteit van wetgeving en gezien het feit dat de analysemethode voor meetbedrijven ook in de wet is opgenomen.7

De toelichting gaat niet in op de vraag waarom het herstellen van de omissie niet kan wachten totdat de wetswijziging in werking treedt. Ook geeft de toelichting geen inzicht in de gevolgen van het ontbreken van de toepassing van de nieuwe analysemethode voor tabelbedrijven. Daarmee ontbreekt de motivering van de noodzaak van het voorliggende wijzigingsbesluit ten opzichte van de toekomstige wetswijziging.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader te motiveren waarom ervoor is gekozen om de omissie eerst te herstellen via een wijziging van de amvb en later via een wijziging van de wet.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

De Afdeling merkt terecht op dat het de voorkeur heeft om de analysemethode op wetsniveau te regelen. Daarvoor is dan ook wetgeving in voorbereiding. In de toelichting is naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling nader gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om voorafgaand aan die wetswijziging eerst het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (hierna: Bviw 2009) te wijzigen.

De heffingplichtige of de inspecteur van RWS of een waterschap kan onderzoek doen naar de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water. Bij dit onderzoek wordt allereerst de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water van het bedrijf bepaald. Dit gebeurt sinds 1 januari 2026 met een nieuwe analysemethode. Zodra die vervuilingswaarde bekend is kan de heffing worden bepaald aan de hand van de afvalwatercoëfficiënt die past bij de in artikel 122k, derde lid, opgenomen klassen waarbinnen die vervuilingswaarde is gelegen. Een te laag vastgestelde vervuilingswaarde kan daarmee leiden tot een te lage afvalwatercoëfficiënt. Hoe hoger de afvalwatercoëfficiënt is hoe meer heffing het bedrijf betaalt.

Uit bovenstaande volgt dat de analysemethode bepalend is voor de uiteindelijke hoogte van de heffing. Net als bij meetbedrijven geldt bij tabelbedrijven dat de nieuwe analysemethode voor TOC moet worden toegepast en dat daarbij de verhouding CZV/TOC eveneens drie is. Dit is steeds de bedoeling van de wetgever geweest.8 Er zou hierover echter onduidelijkheid kunnen ontstaan vanwege de in het Bviw 2009 opgenomen begripsbepalingen van ‘analyse’ en ‘zuurstofverbruik’. Deze wijziging van het Bviw 2009 zorgt ervoor dat elke mogelijke onduidelijkheid hierover wordt weggenomen. Deze eventuele onduidelijkheid is onwenselijk vanwege mogelijke procedures die tijd en geld kosten voor de betrokken beheerder en bovendien onzekerheid met zich meebrengen voor de opgelegde aanslagen. Daarom is ervoor gekozen om zo snel mogelijk elke mogelijke onduidelijkheid hierover weg te nemen en eerst het Bviw 2009 te wijzigen voorafgaand aan een wetswijziging.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de overgangsbepaling die was opgenomen in artikel 6b te laten vervallen. Er is geen reden om hier af te wijken van de hoofdregel dat op een bezwaar wordt beslist aan de hand van de wetgeving zoals die geldt op het moment dat het besluit wordt genomen (ex nunc toetsing).

Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom aan en verzoek u overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans.

Advies Raad van State

No. W17.26.00065/IV

’s-Gravenhage, 6 mei 2026

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 17 maart 2026, no.2026000594, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit stelt regels over de nieuwe analysemethode voor de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing. Het betreft reparatieregelgeving naar aanleiding van een recente wijziging van de Waterschapswet.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de reparatie van een wet via een wijziging van een algemene maatregel van bestuur (amvb). In verband met deze opmerking is aanpassing wenselijk van de toelichting.

1. Inhoud en achtergrond

Het ontwerpbesluit strekt ertoe om een omissie in de Waterschapswet te herstellen. Per 1 januari 2026 is de Waterschapswet (hierna: de wet) gewijzigd.1 Deze wetswijziging vervangt de analysemethode waarbij mens- en milieubelastende stoffen worden gebruikt om de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing te berekenen. De methode om het chemisch zuurstofverbruik (CZV) te bepalen wordt vervangen door de TOC-meting (Total Organic Carbon).2

Na de wetswijziging is geconstateerd dat de wet een omissie bevat. De nieuwe analysemethode moet gelden voor zowel meetbedrijven3 als tabelbedrijven.4 In artikel 122k van de Waterschapswet, zoals dat sinds 1 januari 2026 luidt, is de analysemethode voor tabelbedrijven niet opgenomen. Het voorliggende ontwerpbesluit wijzigt het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (hierna: het Bviw 2009) om te verduidelijken dat de nieuwe analysemethode ook geldt voor tabelbedrijven.

2. Reparatie van de wet via het wijzigingsbesluit

Artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet geeft de grondslag om bij amvb nadere regels te stellen voor de bepaling van de vervuilingswaarde. Op grond van dit artikel kunnen in het Bviw 2009 regels worden gesteld over de analysemethode voor tabelbedrijven.

Uit de toelichting blijkt dat er gelijktijdig wordt gewerkt aan een wijziging van de Waterschapswet om de omissie ook op wettelijk niveau te herstellen.5 Zodra die wetswijziging in werking treedt, zal de wijziging in het Bviw 2009 vervallen.6

De Afdeling merkt op dat het mogelijk is om de omissie in de Waterschapswet te herstellen door middel van een wijziging van het Bviw 2009, aangezien er een wettelijke grondslag is om bij amvb nadere regels te stellen voor de bepaling van de vervuilingswaarde. De Afdeling merkt daarbij wel op dat een wijziging van de wet zelf de voorkeur heeft, gelet op de eenduidigheid en continuïteit van wetgeving en gezien het feit dat de analysemethode voor meetbedrijven ook in de wet is opgenomen.7

De toelichting gaat niet in op de vraag waarom het herstellen van de omissie niet kan wachten totdat de wetswijziging in werking treedt. Ook geeft de toelichting geen inzicht in de gevolgen van het ontbreken van de toepassing van de nieuwe analysemethode voor tabelbedrijven. Daarmee ontbreekt de motivering van de noodzaak van het voorliggende wijzigingsbesluit ten opzichte van de toekomstige wetswijziging.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader te motiveren waarom ervoor is gekozen om de omissie eerst te herstellen via een wijziging van de amvb en later via een wijziging van de wet.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ... tot houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof [KetenID WGK 028574]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz.enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 maart 2026, nr. IenW/BSK-2025/309742, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet en artikel 7.5, zesde lid, van de Waterwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van .........., nr. ..........);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van [datum], nr. IenW/BSK-.........., Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervallen de begripsbepalingen analyse en zuurstofverbruik.

B

Na artikel 1a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1b

De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden geloosd of afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal organisch koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal stikstof verminderd met de som van nitriet-stikstof en nitraat-stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het gehalte totaal organisch koolstof in de geloosde of afgevoerde stoffen.

C

Na artikel 6a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6b
  • 1. Het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het Besluit van DATUM houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof (Stb. 20xx, xx) in werking treedt, blijft tot het moment waarop de inspecteur opnieuw de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water vaststelt van toepassing op heffingplichtigen die in de periode vanaf 1 januari 2026 tot en met de datum onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van voornoemde wijziging een aanvraag hebben ingediend om de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water te bepalen.

  • 2. Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit van DATUM houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof (Stb. 20xx, xx) is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld, blijft het recht zoals dat gold op dat tijdstip van toepassing.

D

Artikel 1b vervalt.

ARTIKEL II

  • 1. Artikel I, onderdelen A, B en C, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

  • 2. Artikel I, onderdeel D, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Per 1 januari 2026 zijn de Waterschapswet en de Waterwet gewijzigd.1 Die wetswijziging introduceert onder andere een nieuwe analysemethode voor de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing. De CZV-analyse is vervangen door de TOC-analyse. Beide analysemethodes berekenen niet precies hetzelfde, waardoor gebruik wordt gemaakt van een vaste omrekenfactor van drie (CZV = 3 × TOC). Deze omrekenfactor is van belang om een juiste heffing te kunnen vaststellen. Deze wijziging verduidelijkt dat deze omrekenfactor ook geldt voor tabelbedrijven.

2. Omrekenfactor drie voor tabelbedrijven

De waterschappen heffen zuiveringsheffing om de kosten van het zuiveringsbeheer te dekken. Dit betreft het verwerken van afvalwater dat via het openbaar vuilwaterriool op een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd.2 De verontreinigingsheffing wordt geheven voor directe lozingen van afvalwater op het oppervlaktewater. Waar het een lozing op rijkswater betreft, wordt deze heffing opgelegd door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: Minister van IenW). Dit wordt uitgevoerd door Rijkswaterstaat (hierna: RWS). De verontreinigingsheffing voor de lozing op water in beheer bij een waterschap (regionaal water) wordt opgelegd door dat waterschap. De hoogte van de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing is gekoppeld aan de hoeveelheid en de eigenschappen van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De hoogte van de heffingen is daarmee afhankelijk van de mate van vervuiling van het afvalwater dat wordt geloosd of afgevoerd. Deze vervuiling wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden (hierna: v.e.).

De Waterschapswet neemt als uitgangspunt dat het aantal v.e. wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens (artikel 122g van de Waterschapswet). Bedrijven waarop artikel 122g van toepassing is, worden meetbedrijven genoemd. Voor het bepalen van de vervulling van het afvalwater van deze meetbedrijven wordt een formule gebruikt die het zuurstofverbruik berekent. Sinds 1 januari 2026 geldt in de Waterschapswet een nieuwe formule. Voorheen waren het chemisch zuurstofverbruik (CZV) en stikstof-Kjeldahl (N-Kj) de parameters in de formule. Nu geldt voor de directe meting van CZV dat TOC (Total Organic Carbon) wordt toegepast en dat voor N-Kj wordt toegepast TNb (Totaal gebonden Stikstof) oftewel N-totaal (Stikstof Totaal). Daarbij wordt voor N-totaal nitriet en nitraat in mindering gebracht. Met het toepassen van de TOC-methode hoeft geen gebruik meer te worden gemaakt van mens- en milieubelastende stoffen zoals bij de CZV-methode wel het geval was.

CZV sluit als maatstaf voor de vervuiling het beste aan op de processen in een rioolwaterzuiveringsinstallatie en de belasting van zuurstofverbruik op het oppervlaktewater. Daarom wordt TOC omgerekend naar CZV. De omrekenfactor is drie. Voor een nadere toelichting zie paragraaf 7.1 van de memorie van toelichting bij de wijzigingswet.3

Op bovenstaand uitgangspunt dat het aantal v.e. wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens zijn uitzonderingen. Dit is met het oog op de kosten en overige uitvoeringslasten. Eén van deze uitzonderingen is opgenomen in artikel 122k van de Waterschapswet. Het gaat hier om zogenaamde tabelbedrijven. Net als bij meetbedrijven geldt dat de nieuwe analysemethode voor TOC moet worden toegepast en dat daarbij de verhouding CZV/TOC eveneens drie is. Per abuis is dit niet duidelijk opgenomen in bovengenoemde wijzigingswet die 1 januari 2026 in werking is getreden. Deze wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (hierna: Bviw 2009) zorgt daar in artikel I, onderdelen A en B, alsnog voor.

Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de regeldruk van burgers en bedrijven. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft. De consultatie kan namelijk niet in betekenende mate leiden tot aanpassing van het besluit nu het reparatieregelgeving betreft. Wel zijn er gevolgen voor de uitvoering vanwege het hierna te bespreken overgangsrecht. Deze gevolgen worden daar toegelicht.

3. Overgangsrecht

In artikel I, onderdeel C, is in een nieuw artikel 6b overgangsrecht opgenomen. Dit overgangsrecht is van toepassing op heffingplichtigen die vanaf 1 januari 2026 tot en met de datum onmiddellijk voorafgaande aan inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag hebben ingediend om de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water te bepalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om nieuwe tabelbedrijven of om tabelbedrijven waarbij de bedrijfsomstandigheden zijn gewijzigd. Als die gewijzigde bedrijfsomstandigheden aanleiding geven tot een wijziging van de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water wordt gekeken of er een nieuwe afvalwatercoëfficiënt moet worden vastgesteld. Een bedrijf kan hiervoor een aanvraag indienen. De verwachting is dat de aanvraag vanuit een bedrijf zich vooral voor zal doen als dit voor het bedrijf voordeliger is en een eventuele verlaging van de afvalwatercoëfficiënt zou kunnen betekenen.

Bij de bedrijven die onder het overgangsrecht vallen, is voor het bepalen van de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water gekeken naar de TOC, maar is de omrekenfactor van drie niet toegepast. Na inwerkingtreding van dit besluit zal de betrokken beheerder (RWS of het waterschap) een nieuwe afvalwatercoëfficiënt vaststellen waarbij wel de omrekenfactor is toegepast.4 Zodra deze nieuwe coëfficiënt is vastgesteld kan die worden toegepast in een nieuw belastingjaar. Bedrijven behouden tot die tijd hun afvalwatercoëfficiënt. Naar schatting zijn er per waterschap jaarlijks 20–25 nieuwe tabelbedrijven. Bij RWS gaat het jaarlijks om vier tot acht bedrijven. Dit aantal kan naar rato naar beneden worden bijgesteld afhankelijk van de datum waarop dit besluit in werking treedt.

Het totaal aan extra werkzaamheden naar aanleiding van deze wijziging is voor de waterschappen en RWS ongeveer 32 uur per bedrijf als de zogenaamde praktische regeling kan worden toegepast zoals opgenomen in artikel 2 van het Bviw 2009. Als die praktische regeling niet kan worden toegepast dan vindt bemonstering en analyse plaatst of meting, bemonstering en analyse zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, respectievelijk artikel 5, derde en vierde lid, van het Bviw 2009. Er komt dan 40 uur aan werkzaamheden bij per bedrijf.

4. Inwerkingtreding

Artikel I, onderdelen A, B en C, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit is geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten en de minimale invoeringstermijn voor regelgeving. De reden daarvan is dat dit reparatieregelgeving betreft (zie Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onderdeel c, van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Er is voor gekozen eerst het Bviw 2009 te wijzigen. Daarnaast is er een wetsvoorstel in voorbereiding waarin wordt voorgesteld deze wijziging van de analysemethode op te nemen in artikel 122k van de Waterschapswet. Dan is de analysemethode voor meetbedrijven en tabelbedrijven op hetzelfde niveau geregeld.5 Op dat moment vervalt artikel 1b. Deze wijziging voorziet alvast in deze mogelijkheid (artikel I, onderdeel D). De reden om eerst het Bviw 2009 te wijzigen is dat daardoor minder bedrijven onder het in artikel 6b opgenomen overgangsrecht vallen en een te lage heffing opgelegd krijgen. Dat voorkomt ook kosten voor waterschappen en RWS voor nieuw onderzoek. Voor bedrijven die onder het in artikel 166 van de Waterschapswet opgenomen overgangsrecht vallen betekent dit dat de inspecteur alsnog zo snel mogelijk van start kan met de onderzoeken om te komen tot een nieuwe afvalwatercoëfficiënt voor die bedrijven.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,


X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Toelichting, paragraaf 1.

X Noot
3

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122g van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
4

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122k van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
5

Toelichting, paragraaf 4.

X Noot
6

Zie Artikel I, Onderdeel D, van het ontwerpbesluit.

X Noot
7

Zie artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet.

X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Toelichting, paragraaf 1.

X Noot
3

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122g van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
4

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122k van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
5

Toelichting, paragraaf 4.

X Noot
6

Zie Artikel I, Onderdeel D, van het ontwerpbesluit.

X Noot
7

Zie artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet.

X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Onder de zuiveringstaak valt ook het zuiveren van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap. Een dergelijk systeem is bijvoorbeeld een IBA.

X Noot
4

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 komen deze kosten voor rekening van de betrokken beheerder.

X Noot
5

Zie voor meetbedrijven artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet en voor een nadere toelichting voor de keuze dit op wetsniveau te regelen Kamerstukken II 2022/23, 36412, nr. 3, paragraaf 8.2.


X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Toelichting, paragraaf 1.

X Noot
3

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122g van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
4

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122k van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
5

Toelichting, paragraaf 4.

X Noot
6

Zie Artikel I, Onderdeel D, van het ontwerpbesluit.

X Noot
7

Zie artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet.

X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Toelichting, paragraaf 1.

X Noot
3

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122g van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
4

Dat zijn bedrijven waarop artikel 122k van de Waterschapswet van toepassing is.

X Noot
5

Toelichting, paragraaf 4.

X Noot
6

Zie Artikel I, Onderdeel D, van het ontwerpbesluit.

X Noot
7

Zie artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet.

X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Onder de zuiveringstaak valt ook het zuiveren van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap. Een dergelijk systeem is bijvoorbeeld een IBA.

X Noot
4

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 komen deze kosten voor rekening van de betrokken beheerder.

X Noot
5

Zie voor meetbedrijven artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet en voor een nadere toelichting voor de keuze dit op wetsniveau te regelen Kamerstukken II 2022/23, 36412, nr. 3, paragraaf 8.2.

Naar boven