Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 mei 2026, nr. 7520838 houdende wijzigingen van de Regeling politieonderwijs in verband met het schrappen en toevoegen van kwalificaties, politieopleidingen en overige opleidingen in de bijlagen van die regeling

De Minister van Justitie en Veiligheid,

Gelet op artikel 86, tweede lid, en artikel 87, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling politieonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. De eerste tabel wordt vervangen door de bijlage opgenomen in Bijlage A bij dit besluit.

2. De onderdelen van het kwalificatiedossier ‘126. Kwalificatiedossier Verzorgen van verbindingsverkeer’ vervallen.

3. Onder vernummering van alle kwalificatiedossiers conform de ingevoegde tabel uit Bijlage A, worden de volgende onderdelen ingevoegd:

a.

9. Kwalificatiedossier Basis intelligence

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet beheersen en kunnen aantonen om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Intelligence neemt inmiddels een nadrukkelijke positie in binnen Politie Nederland en de ondersteunende diensten. Dat vraagt wat van de informatiemedewerker van nu en van de toekomst. Van de intelligencemedewerkers wordt veel verwacht; het duiden van informatie en het geven van advies, zorgen voor draagvlak en overdracht van kennis, proactief, prospectief met een brede oriëntatie. De BIN beschrijft de basisprincipes van het vakgebied Intelligence, die elke medewerker Intelligence moet beheersen, met als doel deze kennis in te zetten bij het werk binnen de Intelligence-afdeling.

Overkoepelende competenties

  • Reflectie

  • Flexibel gedrag en klantgerichtheid

  • Communicatief vaardig

  • Initiatief

  • Probleemanalyse

  • Resultaatgerichtheid

  • Vakmanschap

  • Creatief

Leeruitkomsten BIN

De student

  • Reflecteert op eigen handelen.

  • Past handelen aan op mogelijke opdrachtgevers.

  • Neemt een onderzoekende en kritische houding aan.

  • Begrijpt hoe je je kritisch kan opstellen ten aanzien van eigen werkzaamheden en dat van anderen.

  • Begrijpt hoe ethiek een rol speelt bij het werken met data.

  • Kan uitleggen wat Intelligence betekent en welk doel Intelligence heeft.

  • Heeft kennis om zich pro actief op te stellen t.o.v. thema’s en trends binnen Intelligence.

  • Heeft zicht op de interne en externe netwerkpartners.

  • Kan vergelijkende zaken, sociale netwerkanalyse, scenarioanalyse en veiligheidsanalyse toepassen.

  • Kan op basis van de verkregen informatie een weloverwogen keuze maken voor de beste analysemethodiek en techniek.

  • Past de stappen van de Intelligence cyclus toe binnen de werkzaamheden.

  • Kan uitleggen wat de elementen van een intakegesprek zijn en deze vertalen naar een plan van aanpak.

  • Kan op de juiste wijze informatie verzamelen van open en gesloten bronnen.

  • Kan benoemen op welke manier structuur aangebracht kan worden binnen een Intelligence onderzoek.

  • Begrijpt wat er bedoeld wordt met analyseren, duiden en vastleggen van informatie.

  • Kan de verschillende presentatiemogelijkheden om een Intelligence product te maken uitleggen en kan onderbouwen welke mogelijkheden wanneer toegepast kunnen worden.

  • Kan denktechnieken inzetten om tot nieuwe inzichten en oplossingen te komen.

b.

52. Kwalificatiedossier Generiek opsporen in veelvoorkomende criminaliteit

Kwalificatievereisten

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kerntaken

Bij het ontwikkelen van de kwalificatievereisten van Generiek Opsporen in Veelvoorkomende Criminaliteit zijn de volgende kerntaken gehanteerd:

  • Kerntaak Opsporen

  • Kerntaak Werken aan de (informatie)positie in de keten van opsporing en vervolging

  • Kerntaak Voorbereiden van opsporingsonderzoek

  • Kerntaak Uitvoeren van opsporingsonderzoek

  • Kerntaak Afsluiten van een opsporingsonderzoek

De kerntaken komen overeen met de fases waarin een opsporingsonderzoek zich kan bevinden en waarop de kerntaken in de kwalificatie Politieagent VVC gebaseerd zijn. In de kwalificatievereisten staat dat de politieagent in de opsporing in staat kan worden geacht om zelfstandig een niet-complex opsporingsonderzoek voor te bereiden, uit te voeren en af te sluiten (Politieacademie, 2021b).

Kwalificatievereisten

  • Kerntaak Opsporen

    Medewerker kent het juridisch kader en de mogelijkheden en beperkingen van zijn handelen binnen een opsporingsonderzoek naar veelvoorkomende criminaliteit.

    Medewerker weet welke opsporingsactiviteiten passend zijn voor het te bereiken doel, analyseert de beschikbare gegevens en maakt (in afstemming met de coördinator) keuzes in de te gebruiken opsporingsactiviteiten en -methoden.

    Medewerker reflecteert op eigen handelen en formuleert verbeterpunten voor zichzelf op basis van deze reflectie en feedback van anderen.

    Medewerker kan inschatten wanneer een zaak aan collega’s met een specialisme moet worden overgedragen of wanneer met hen moet worden samengewerkt.

  • Kerntaak Werken aan de (informatie)positie in de keten van opsporing en vervolging Medewerker kan informatie uit (sociale) media benutten voor het uitvoeren van opsporingstaken. Medewerker kan medewerkers van de eigen of andere dienst begeleiden en toezicht houden op assisterende werkzaamheden.

    Medewerker kan interdisciplinair en in teamverband samenwerken in de opsporing. Medewerker kan in een opsporingsonderzoek communiceren met personen van verschillende opsporingsdisciplines.

    Medewerker kent de wet- en regelgeving omtrent opsporing en blijft op de hoogte van ontwikkelingen binnen de wetgeving omtrent opsporing.

  • Kerntaak Voorbereiden van opsporingsonderzoek

    Medewerker kan een plan van aanpak maken van de te volgen strategie en in te zetten tactieken en zich hierover verantwoorden.

  • Kerntaak Uitvoeren van opsporingsonderzoek

    Medewerker kan zelfstandig een opsporingsonderzoek uitvoeren naar veel voorkomende criminaliteit.

    Medewerker kan binnen zijn opdracht zelfstandig tactische opsporingsmethoden toepassen in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

    Medewerker kan van verdachten, getuigen of aangevers, al dan niet met een andere culturele achtergrond, een integer en gedegen verhoor afnemen.

    Medewerker kan tactische en technische recherche-informatie verzamelen, verwerken en ordenen. Medewerker kan op juiste wijze juridische en tactische informatie vastleggen.

  • Kerntaak Afsluiten van een opsporingsonderzoek

    Medewerker kan in eenvoudige zaken een procesdossier, zaakdossier of onderzoeksdossier samenstellen.

c.

58. Kwalificatiedossier Hondengeleider

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid. De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Het niveau van vakbekwaamheid is beschreven in De professionele standaard Hondenprofessionals. Dit valt buiten de scope van dit document. Geadviseerd wordt dat de startbekwame Hondengeleider kennis neemt van de professionele standaard.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Hondengeleider is er één kerntaak: het uitvoeren van operationele politietaken waarbij de ondersteuning van een politiehond van meerwaarde is aan het proces.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Hondengeleider kent vier werkprocessen.

Kerntaken

Werkprocessen

1. Het uitvoeren van operationele politietaken waarbij de ondersteuning van een politiehond van meerwaarde is aan het proces.

1. Verzorgen van de hond

2. Trainen van de hond

3. Inzetten van de hond

4. Certificering van de combinatie

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de Hondengeleider wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de Hondengeleider uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Deze kwalificatie heeft drie uitstroomprofielen, namelijk:

  • TSH (team surveillancehonden);

  • SSD (speur- en specialistische dieren);

  • DSI (dienst speciale interventies).

Hieronder staan de gedragsindicatoren behorende bij deze drie uitstroomprofielen weergegeven. Werkproces 1 en werkproces 2 zijn voor alle uitstroomprofielen van toepassing. Binnen werkproces 3 en werkproces 4 staat aangegeven welke gedragsindicator bij welk uitstroomprofiel behoort. Op dit niveau lijkt het soms dat uitstroomprofielen exact hetzelfde zijn, maar is de daadwerkelijke invulling van de abstract beschreven gedragsindicatoren verschillend. Dit verschil is terug te zien in de beoordelingscriteria in de examendocumenten van de opleidingen behorende bij de uitstroomprofielen.

Werkproces 1: Verzorgen van de hond

Omschrijving

Competenties

De hondengeleider verzorgt de hond en heeft aandacht voor diens welzijn. Hij kan onder woorden brengen hoe het met de hond is gesteld en, indien nodig, welke zorg de hond nodig heeft. Hij beschikt over kennis van de fysieke en emotionele behoeften van de hond. Hij herkent veelvoorkomende blessures en afwijkingen en weet op welke wijze hij eerste hulp kan bieden aan een hond.

• Inlevingsvermogen

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Samenwerken

Gedrag

De hondengeleider:

• heeft kennis van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren en kan deze kennis toepassen

• heeft aandacht voor het welzijn van de hond

• is communicatief in staat om de behoeften van de hond te verwoorden en daarnaar te handelen

• observeert, duidt, benoemt en herkent het gedrag van de hond

• weet welke verzorging de hond nodig heeft op het gebied van voeding, vacht, huisvesting, en mentaal- en fysiek welzijn en handelt hiernaar

• heeft kennis van de meest voorkomende fysieke afwijkingen, gedragsafwijkingen en blessures van de hond

• biedt tijdig eerste hulp aan bij verwondingen van de hond en schakelt indien nodig en tijdig professionele medische zorg in

Werkproces 2: Trainen van de hond

Omschrijving

Competenties

De hondengeleider kent de basis van de leerprincipes en hondengedrag en kan deze kennis toepassen tijdens de training van de hond. Hij kan het gedrag van zijn hond interpreteren en weet op welke verantwoorde wijze hij de hond vaardigheden aanleert. Tevens is hij zich bewust van het effect van zijn gedrag op de hond en kan hij hierop reflecteren.

• Flexibel gedrag

• Initiatief

• Inlevingsvermogen

• Samenwerken

• Zelfreflectie

Gedrag

De hondengeleider:

• kan zijn eigen trainingsbehoefte en die van de hond formuleren

• brengt en houdt de hond beheersbaar en betrouwbaar

• observeert, duidt, benoemt en herkent het gedrag van de hond en past de daaruit verkregen informatie toe om een effectieve trainingsinterventie te initiëren

• weet welk effect zijn eigen gedrag heeft op de hond en anticipeert daarop

• is in staat de basiscommando’s aan te leren, te onderhouden, te verbeteren en deze uit te laten voeren in verschillende contexten

• neemt samen met de hond verschillende obstakels op een veilige en verantwoorde manier

• past kennis van geuren waar de hond op wordt getraind, geurverspreiding en -waarneming, toe in de opbouw en uitvoering van trainingen en voorkomt contaminatie van geurbronnen in de trainingsomgeving

• handelt bij training conform relevante wet- en regelgeving, waaronder voorschriften met betrekking tot geurstoffen en het afwegingskader voor het gebruik van aversieven

• reflecteert op eigen gedrag en vorderingen en houdt hier verslaglegging van bij

• is in staat feedback te ontvangen van anderen en kan deze feedback vertalen naar een nieuwe trainingsaanpak

• ondersteunt bij training van collega’s (o.a. pakwerk en het wegleggen van geurbronnen)

Werkproces 3: inzetten van de hond

Omschrijving

Competenties

De hondengeleider dient tijdens een operationele inzet zowel proactief als reactief op te treden. Hij voert, ook in hectische en verzwarende omstandigheden, doortastend zijn werkzaamheden uit, waarbij hij rekening houdt met de (juridische) grenzen en consequenties. Hij verliest zijn eigen veiligheid, de veiligheid van de hond en de veiligheid van derden niet uit het oog. Binnen het eigen specialisme adviseert hij gevraagd en ongevraagd over de mogelijkheden en houdt hierbij rekening met zijn eigen (on)mogelijkheden en die van de hond. Hij is in staat te anticiperen op veranderende omstandigheden en zijn advies of handelen hierop aan te passen. Hij kan tevens leerpunten destilleren uit de inzet en hier verbeterpunten voor formuleren.

• Flexibel gedrag

• Initiatief

• Oordeelsvorming

• Samenwerken

• Stressbestendigheid

• Zelfreflectie

Gedrag

De hondengeleider:

TSH

SSD

DSI

• bewaakt voor, tijdens en na de inzet het welzijn van de hond

x

x

x

• kent de wettelijke en professionele inzetcriteria en kan deze toepassen tijdens de inzet

x

x

x

• beheerst de functie-specifieke procedures (o.a. omgaan met gevaarlijke stoffen, schild en stroomstok)

x

x

x

• kan professioneel en doelgericht mono- en multidisciplinair samenwerken (o.a. met andere hondengeleiders van dezelfde of een andere discipline, als met andere politieonderdelen of ketenpartners) om een effectieve bijdrage aan de operatie te leveren

x

x

x

• functioneert zelfstandig en flexibel, en adviseert en handelt op basis van de inschatting van eigen (on)mogelijkheden en die van de hond, ook bij wisselende omstandigheden

x

x

x

• kan gemaakte keuzes ten aanzien van de inzet onderbouwen met weloverwogen argumenten

x

x

x

• kan (gevraagd en ongevraagd) binnen de grenzen van de inzet en het eigen specialisme oplossingen aandragen en meedenken

x

x

x

• kan voortdurend signalen van de hond interpreteren en afhankelijk van de situatie proactief of reactief handelen, waarbij rekening wordt gehouden met de (juridische) consequenties

x

x

x

• beweegt zich op verantwoorde en correcte wijze in de openbare ruimte en tussen mensen

x

x

x

• zorgt voor de eigen veiligheid en de veiligheid van de hond

x

x

x

• reflecteert op de inzet, formuleert verbeterpunten en vertaalt dit naar nieuw eigen gedrag

x

x

x

• is in staat professioneel verslag te doen van de inzet (o.a. het opstellen van een proces-verbaal van bevindingen)

x

x

x

• maakt adequaat gebruik van uitrustingsstukken, hulpmiddelen en geweldsmiddelen

x

x

x

• past geweld proportioneel en subsidiair toe en kan dit op de juiste wijze melden en verantwoorden

x

 

x

Werkproces 4: Certificering van de combinatie

Omschrijving

Competenties

De hondengeleider werkt samen met zijn hond om in die combinatie de keuring met goed gevolg te doorlopen ten aanzien van het taakuitoefeningsveld. De hondengeleider laat zien dat hij in combinatie met zijn hond beheersbaar, betrouwbaar en geschikt is om in dat taakveld zelfstandig te werken.

• Samenwerken

• Stressbestendigheid

Gedrag

De hondengeleider:

TSH

SSD

DSI

• kan zijn hond tot beheersing brengen en beheerst houden en toont aan dat de hond op zijn commando’s gehoorzaamt

x

x

x

• werkt samen met de hond ten aanzien van de taak

x

x

x

• kan de hond hindernissen laten nemen die voor het goed functioneren in de praktijk noodzakelijk zijn

x

x

x

• kan de hond geweld tegen derden laten toepassen en laten beëindigen

x

 

x

• toont dat de hond voldoet aan gestelde validatie-eisen

x

x

x

• draagt zorg dat de hond handelbaar is ten opzichte van mensen en dieren

x

x

x

• toont dat de hond zelfstandig kan en wil zoeken en verwijzen naar de specifieke geur waarop deze is getraind

x

x

 

• beschikt over discipline specifieke kennis ten aanzien van zijn politiehond

x

x

x

• participeert in procedures te midden van leden van een DSI

   

x

d.

60. Kwalificatiedossier Hoogtespecialist operationele ondersteuning

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning is er één kerntaak: Uitvoeren van operationele werkzaamheden op hoogte.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning kent drie werkprocessen.

Kerntaken

Werkprocessen

1. Uitvoeren van operationele werkzaamheden op hoogte

1.2 Voorbereiden van een actie op hoogte

1.2 Uitvoeren van een actie op hoogte

1.3 Evalueren van een actie op hoogte

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de Hoogtespecialist Operationele Ondersteuning uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Deze kwalificatie heeft drie uitstroomprofielen, namelijk die van de Technische Eenheid (TE), Hondengeleider (HG) en Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT). Deze drie uitstroomprofielen hebben een overeenkomstig deel en een specialistisch deel. Hieronder staan de gedragsindicatoren behorende bij deze drie uitstroomprofielen weergegeven. Werkproces 1 en werkproces 3 en het veilig en professioneel handelen zijn voor alle uitstroomprofielen van toepassing. Binnen werkproces 2 staat aangegeven welke gedragsindicator bij welk uitstroomprofiel behoort. Op dit niveau lijkt het soms dat uitstroomprofielen exact hetzelfde zijn, maar is de daadwerkelijke invulling van de abstract beschreven gedragsindicatoren verschillend. Dit verschil is terug te zien in de beoordelingscriteria in de examendocumenten van de opleidingen behorende bij de uitstroomprofielen.

Werkproces 1. Voorbereiden van een actie op hoogte

Omschrijving

Competenties

Je checkt in bij je collega voordat de actie aanvangt, je stelt hierbij vragen die betrekking hebben op de mens en op de vaardigheid. Je ontvang een opdracht. Je luistert actief en stelt zo nodig vragen ter verduidelijking. Je richt je voor informatie, indien noodzakelijk, tot relevante derden en interne diensten. Je voert een verkenning zodanig uit, dat er een inschatting kan worden gemaakt hoe de verplaatsing en/of actie kan worden uitgevoerd. Je stelt hiervoor een actieplan op, waarin aandacht wordt besteed aan risicomanagement. Je hebt, ook onder (tijds)druk, oog voorde voorbereidingen en houdt het totaal overzicht.

• Accuratesse

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid

Gedrag

De hoogtespecialist:

 

• checkt of diens collega klaar is voor de actie

 

• voert de verkenning veilig en efficiënt uit ter voorbereiding op de actie

• stelt een actieplan op en stemt dit af met relevante derden

Werkproces 2. Uitvoeren van een actie op hoogte

Omschrijving

Competenties

Je kan jezelf op veilige wijze met het gebruik van verschillende middelen en materialen positioneren en verplaatsen. Je bent in staat om installaties te bouwen, waarlangs jijzelf of jouw teamleden zich kunnen verplaatsen. Je kent de risico’s van het installeren en weet hoe je met deze risico’s moet omgaan. Aan het begin van de inzet maak je onderdeel uit van de briefing. Je voert taakspecifieke werkzaamheden uit die passen binnen jouw werkgebied. Je voert de werkzaamheden uit in samenwerking met jouw collega’s/teamleden. Je kan jouw werkzaamheden in de voor jouw geldende praktijkcontexten uitvoeren. Je werkt volgens geformaliseerde procedures en instructies. Je voert specialistische werkzaamheden uit.

Je stuurt een actie en teamleden aan. Je houdt hierbij toezicht op het veilig werken van jouw teamleden. Je bent verantwoordelijk voor de genomen beslissingen en kunt deze beslissingen onderbouwen. Je informeert en adviseert de commandant.

• Accuratesse

• Flexibel gedrag

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Samenwerken

• Stressbestendigheid

Gedrag

De hoogtespecialist:

TE

HG

IBT

• kan taakspecifieke vaardigheden verrichten

x

x

x

• bouwt, conform de installatieprincipes, efficiënte installaties om zichzelf of teamleden te positioneren, verplaatsen of werkzaamheden te laten uitvoeren waarbij geanticipeerd wordt op veranderende omstandigheden

x

x

x

• verzorgt een briefing of neemt hier actief deel aan

x

x

x

• werkt samen met collega’s en stemt hiermee af voor, tijdens en na het installeren

x

x

x

• kan collega’s aansturen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat iedereen uniform en veilig werkt

x

x

x

• past de juiste vorm in de reddingstechnieken toe (individueel of team gerelateerd)

x

x

x

• hanteert passende communicatietechnieken

x

x

x

• informeert en adviseert de commandant

x

x

x

• creëert toegang tot een object middels de verstrekte gereedschappen

x

   

• kan met touwtechnieken objecten ontruimen

x

   

• ondersteunt in procedures of taken waarbij een hond ingezet dient te worden

 

x

 

• verzorgt grensverleggende activiteiten

   

x

• organiseert onderhoudstrainingen en oefeningen

   

x

Werkproces 3. Evalueren van een actie op hoogte

Omschrijving

Competenties

Je participeert in de (groeps)evaluatie van het optreden. Je verwoordt wat goed en fout is gegaan. Je bespreekt jouw eigen ervaring, gevoelens, betrokkenheid en persoonlijke acties. Je kunt de door jouw gemaakte keuzes beargumenteren. Daarnaast ga je in op de ervaring, betrokkenheid en acties van teamleden. Je vraagt feedback over jouw optreden. Je formuleert duidelijk wat beter kan en doet concrete voorstellen op welke manier dit kan worden bereikt.

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Samenwerken

• Zelfreflectie

Gedrag

De hoogtespecialist:

• neemt actief deel aan de (groeps)evaluatie

• rapporteert over de actie, verwoordt daarbij wat goed en fout is gegaan en doet verbetervoorstellen

• staat open voor feedback en kan constructief feedback geven aan collega’s

• formuleert op basis van de actie en gekregen feedback verbeterpunten en vertaalt dit naar nieuw gedrag

Veilig en professioneel handelen

Omschrijving

Je werkt veilig voor, tijdens en na de actie en toont een professionele beroepshouding. Je past wettelijke voorschriften, richtlijnen en beleidskaders toe. Je kiest en maakt gebruik van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) en materialen. Je brengt risico’s in kaart en treft maatregelen die jouw eigen veiligheid, die van de/het slachtoffer(s) en van anderen waarborgen. Je toont aan hier bewust mee om te gaan, naar te handelen en anderen hierop aan te spreken. Je kunt keuzes en risico’s verantwoorden en onderbouwen. Je handelt integer en met respect naar mensen en gebruikt de juiste taal en aanspreekvormen naar collega’s en derden. Je geeft je eigen grenzen aan.

Gedrag

De hoogtespecialist:

• werkt volgens wettelijke- en veiligheidsnormen, wijkt daar alleen in bijzondere omstandigheden weloverwogen en beargumenteerd van af

• maakt gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) en arbeidsmaterialen

• is zich bewust van risico’s m.b.t. werken op hoogte en handelt hiernaar

• geeft eigen grenzen aan

• communiceert op professionele en integere wijze met collega’s en derden

• spreekt collega’s direct en op eigen initiatief aan op afwijkingen en/of veiligheidsfouten

e.

79. Kwalificatiedossier Metingen in een mobiel telecomnetwerk (MMTN)

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Intakegesprek

Stelt tijdens het intakegesprek relevante vragen voor het kunnen uitvoeren van de meting.

 

Reageert inhoudelijk op vragen van het tactisch team en benoemt mogelijkheden en onmogelijkheden.

Uitvoeren meting

Sluit de meetapparatuur aan op de juiste wijze.

 

Voert de meting uit volgens de vastgelegde procedures.

 

Beantwoordt verdiepingsvragen over de actuele omstandigheden tijdens een meting en overwaarom handelingen wel of niet worden uitgevoerd.

Uitwerken en analyseren

Werkt de logfile van de meting uit.

 

Analyseert de verkregen gegevens en maakt een rapportage voor het tactisch team.

Advies

Adviseert aan de aanvrager van de meting (bijv. een rechercheur t.b.v. een opsporingsonderzoek) over wat de juiste basisstations zijn.

 

Benoemt extra opsporingskansen, zowel in het intakegesprek als in de rapportage.

f.

131. Kwalificatiedossier Verbindingsspecialist ME

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Verbindingsspecialist ME is er één kerntaak: het verzorgen van verbindingen tijdens een praktijkinzet van de Mobiele Eenheid.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Verbindingsspecialist ME kent drie werkprocessen.

Kerntaken

Werkprocessen

1. Het verzorgen van verbindingen tijdens een praktijkinzet van de Mobiele Eenheid.

5. Voorbereiden van de inzet

6. Uitvoeren van de inzet

7. Afronden van de inzet

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de Verbindingsspecialist ME wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de Verbindingsspecialist ME uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Werkproces 1: Voorbereiden van de inzet

Omschrijving

Competenties

De Verbindingsspecialist ME ontvangt een opdracht van zijn operationeel commandant. Hij luistert actief en stelt vragen ter verduidelijking. De Verbindingsspecialist ME maakt een verbindingsschema op basis van een operationeel plan. Hij zorgt ervoor dat de juiste gespreksgroepen worden toegepast en dat de (ondersteunende) eenheden op een juiste manier worden geplaatst in het verbindingsschema. Ook houdt hij rekening met de beschikbare netwerkcapaciteit en zorgt hij ervoor dat het verbindingsschema overzichtelijk is. De Verbindingsspecialist ME kan op basis voor het door hem opgestelde operationele plan en het advies van de Multidisciplinaire Adviseur C2000 (MAC) het aantal gespreksgroepen aanpassen. De Verbindingsspecialist ME zorgt ervoor dat alle verbindingsmaterialen en -middelen aanwezig, voorbereid (onderhouden) en aangesloten zijn om de verbindingen te kunnen verzorgen. Wanneer er een storing optreedt lost hij dit ter plekke op of geeft hij ook aan hoe deze storing opgelost kan worden. Hij stemt met zijn eventueel aanwezige collega(’s) de verbindingsmethoden af, stelt gespreksgroepen in en controleert deze.

• Accuratesse

• Flexibel gedrag

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Samenwerken

Gedrag

De Verbindingsspecialist ME:

• heeft op hoofdlijnen kennis van de technieken en tactieken van de Mobiele Eenheid

• laat zich informeren over de opdracht door de operationeel commandant en stelt indien nodig vragen ter verduidelijking

• stelt de verbindingsmiddelen/randapparatuur correct en effectief in en lost beperkingen in de verbindingen op of meldt deze

• past tijdens het maken van het verbindingsschema de juiste gespreksgroepen toe en filtert wat belangrijk is voor de inzet

• past de verbindingsmethoden aan als de situatie dat vereist en gaat hierin oplossingsgericht te werk

• stelt naar aanleiding van het verbindingsschema het commandovoertuig in en maakt het gereed

• kent de structuur van de verschillende eenheden en vertaalt dit naar gespreksgroepen in het operationeel plan

• past, indien nodig, op basis van het advies van de MAC het verbindingsschema aan

• legt tijdens de briefing uit hoe om te gaan met verbindingen tijdens de inzet

• controleert of alle eenheden correct zijn aangemeld en geeft dit aan bij zijn operationeel commandant

• brieft zijn mede-Verbindingsspecialist ME over de inhoud van de inzet

• maakt afspraken met zijn mede-Verbindingsspecialist ME en het kader over de invulling van de werkzaamheden die verricht moeten worden

Werkproces 2: Uitvoeren van de inzet

Omschrijving

Competenties

De Verbindingsspecialist ME is in staat om de commando’s van de groeps-, sectie- en pelotonscommandant door te geven naar de juiste (ondersteunende) eenheden, in samenwerking met zijn mede-Verbindingsspecialist ME (indien aanwezig). Daarbij is hij in staat om tussentijds de opdrachtgever te informeren in opdracht van zijn operationeel commandant middels een situatie rapport (sitrap). Hij filtert de informatie die binnenkomt en prioriteert, in afstemming met zijn leidinggevende commandant, welke informatie moet worden doorgegeven en welke informatie in het ME-journaal op hoofdlijnen vastgelegd moet worden.

• Accuratesse

• Besluitvaardigheid

• Flexibel gedrag

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Samenwerken

• Schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid

Gedrag

De Verbindingsspecialist ME:

• communiceert en stemt af op doeltreffende wijze met interne partners en collega’s tijdens de inzet

• geeft ontvangen informatie en besluiten op afgesproken wijze door

• handelt effectief, ook onder hoge werk- en tijdsdruk, en gedurende onzekere omstandigheden

• geeft grenzen en mogelijkheden van de eigen werkwijze/inzet aan, spreekt zich uit en houdt rekening met die van anderen

• kan omgaan met het spanningsveld tussen de eigen specialistische deskundigheid en hiërarchische verantwoordelijkheden

• herkent relevante signalen en kan deze op waarde schatten

• werkt nauwkeurig in het commandovoertuig en gebruikt de juiste apparatuur en middelen

• houdt (geografisch) overzicht op de situatie tijdens de inzet

• is in staat om te allen tijde te benoemen waar de eenheden zich bevinden

• past een effectieve wijze van communiceren toe en zet de juiste radioprocedures in

• filtert en prioriteert informatie en houdt een ME-journaal op hoofdlijnen bij

• past de verbindingsmethoden aan als de situatie dat vereist en gaat hierin oplossingsgericht te werk

• stemt beslissingen altijd af in overleg met de leidinggevende commandant

Werkproces 3: Afronden van de inzet

Omschrijving

Competenties

De Verbindingsspecialist ME sluit aan bij de debriefing met zijn leidinggevende commandant, waarin de inzet wordt besproken. Daarna zorgt de Verbindingsspecialist ME dat alle ingezette verbindingen teruggeschakeld worden, eenieder zich afmeldt en het verbindingsnetwerk op een juiste wijze verlaten wordt. De Verbindingsspecialist ME stelt zich kritisch op ten aanzien van het teamfunctioneren en zijn eigen functioneren. Op basis van kennis en ervaringen doet hij, indien nodig en gewenst, verbeteringsgerichte suggesties.

• Accuratesse

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Zelfreflectie

Gedrag

De Verbindingsspecialist ME:

• draagt zorg voor zijn materialen en middelen die ten behoeve van de inzet gebruikt zijn

• zorgt ervoor dat iedereen terugschakelt in de verbinding, zich afmeldt en het verbindingsnetwerk op een juiste wijze verlaat

• neemt actief deel aan de debriefing van de leidinggevende commandant

• rapport over de inzet en de situatie, verwoordt daarbij wat goed en fout is gegaan en doet verbetervoorstellen

• kan gemaakte keuzes onderbouwen met weloverwogen argumenten

• reflecteert op eigen ervaringen, gevoelens, gedachten, persoonlijke acties en zijn rol, formuleert verbeterpunten en vertaalt dit naar nieuw gedrag

• staat open voor feedback en kan constructieve feedback geven aan collega’s

g.

140. Kwalificatiedossier Voortgezette rijvaardigheid auto

Kwalificatievereisten geven aan wat de medewerker moet beheersen en kunnen aantonen om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van de Voortgezette Rijvaardigheid Auto is er één kerntaak: Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de voortgezette rijtaak.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van de Voortgezette Rijvaardigheid Auto kent vijf werkprocessen.

Kerntaken

Werkprocessen

Het vlot, veilig en verantwoord besturen van een politievoertuig conform de voortgezette rijtaak.

1. Voorbereiden besturen politievoertuig

2. Zoekopdracht vinden

3. Toepassen voertuigbeheersing en rijtechnieken

4. Risicoperceptie, anticiperen en wettelijke bevoegdheden toepassen

5. Professionele beroepshouding tonen

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe de politiemedewerker binnen de voortgezette rijtaak wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat de politiemedewerker uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Werkproces 1: Voorbereiden besturen van een politievoertuig

Omschrijving

Competenties

De politiemedewerker kan zelfstandig het voertuig inzet gereed maken voor de voortgezette rijtaak.

• Initiatief

• Zelfreflectie

• Flexibel gedrag

• Samenwerken

Gedrag

De politiemedewerker:

Voorbereidingshandelingen

• stelt het voertuig op de juiste wijze in en controleert deze op veiligheidsaspecten.

• kent de werking van de voertuig specifieke apparatuur en gebruikt deze, binnen de voortgezette rijtaak, op de juiste wijze.

Werkproces 2: Zoekopdracht vinden

Omschrijving

Competenties

De politiemedewerker kan, binnen de voortgezette rijtaak, de juiste richting volgen en de gegeven zoekopdrachten op vlotte, veilige en verantwoorde wijze vinden.

• Initiatief

• Stressbestendigheid

• Zelfreflectie

• Flexibel gedrag

Gedrag

Richting volgen en zoekopdrachten vinden

• kan binnen de voortgezette rijtaak de opgegeven richting volgen.

• kan conform zoekopdracht het gevraagde doel bereiken.

Presteren onder psychische- en tijdsdruk

• is in staat om de voortgezette rijtaak onder druk goed en veilig uit te voeren.

Werkproces 3: Toepassen voertuigbeheersing en rijtechnieken

Omschrijving

Competenties

De politiemedewerker houdt gedurende de voortgezette rijtaak het voertuig onder controle en past daarbij de juiste rijtechnieken toe.

De politiemedewerker laat hierbij een proactieve houding zien.

• Initiatief

• Stressbestendigheid

• Zelfreflectie

• Flexibel gedrag

Gedrag

De politiemedewerker:

Uitvoeren rijtechnieken

  • voert de onderstaande rijtechnieken op een veilige, functionele en technisch juiste wijze uit: bochtentechniek

  • inhaaltechniek

  • stuurtechniek

  • berijden van auto (snel-)wegen

  • keertechniek

  • parkeertechniek

  • rood licht negatie

  • rijden bij duisternis

Tonen voertuigbeheersing

• houdt het voertuig onder alle omstandigheden goed onder controle.

• is binnen de voortgezette rijtaak in staat de voertuig specifieke eigenschappen te (her-) kennen en te beheersen.

Werkproces 4: Risicoperceptie, anticiperen en wettelijke bevoegdheden toepassen.

Omschrijving

Competenties

De politiemedewerker anticipeert tijdig op (on)voorspelbare gedragingen van het overige verkeer. Hierbij toont hij een adequate risicoperceptie en past, daar waar noodzakelijk, de wettelijke bevoegdheden op juiste wijze toe.

Dit betekent dat hij, binnen het gestelde van de Brancherichtlijn Politie en de voortgezette rijtaak, daar waar noodzakelijk,

weloverwogen en incidenteel afwijkt van de BRL.

• Initiatief

• Gezag

• Stressbestendigheid

• Zelfreflectie

• Flexibel gedrag

Gedrag

De politiemedewerker:

Anticiperen en verkeersinzicht

• vermijdt voorspelbare gevaren tijdig en behoudt voldoende werkruimte en vlotheid.

• voorspelt het gedrag van andere weggebruikers en past het eigen rijgedrag daarop aan.

• anticipeert op wegsituaties met behulp van de taal van de weg.

Tonen beslissingsvaardigheid

• neemt vlotte en daadkrachtige beslissingen.

• rijdt binnen de specifieke voortgezette rijtaak zo vlot als mogelijk (offensief tolerant).

Risicoperceptie

• is alert op verdachte situaties en handelt daar, rij-technisch gezien, adequaat naar (omgevingsbewust).

• zorgt dat zijn (rij-)gedrag in overeenstemming is met het te bereiken doel (proportioneel).

Wettelijke bepalingen toepassen

• waarborgt zowel de eigen veiligheid als de veiligheid van het overige verkeer conform de bepalingen gesteld in de Wegenverkeerswet 1994.

• past de Vrijstelling en de Brancherichtlijn Verkeer Politie binnen de specifieke voortgezette rijtaak toe.

• is binnen de specifieke voortgezette rijtaak in staat om vlot en verantwoord met Optische-en Geluidssignalen te rijden.

Werkproces 5: Professionele beroepshouding tonen

Omschrijving

Competenties

De politiemedewerker laat tijdens zijn verkeersdeelneming en tijdens zijn reflectie zien dat hij professioneel en integer handelt. Hierbij is hij zich, daar waar functioneel binnen de voortgezette rijtaak, bewust zijn voorbeeldfunctie.

• Initiatief

• Gezag

• Stressbestendigheid

• Zelfreflectie

• Flexibel gedrag

Gedrag

De politiemedewerker:

Professionele beroepshouding tonen

• laat binnen de specifieke voortgezette rijtaak zien zich bewust te zijn van de voorbeeldfunctie, gerelateerd aan de uit te voeren taak.

• toont aan professioneel en integer te handelen, overeenkomstig de waarden en missie van de Nationale Politie.

• reflecteert op zijn eigen handelen.

h.

141. Kwalificatiedossier Werken op hoogte basis

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

De kwalificatievereisten zijn onderverdeeld in kerntaken, werkprocessen, competenties en bijbehorende gedragsindicatoren.

Kerntaak

Kerntaken geven de belangrijkste werkzaamheden van een beroepsoefenaar weer. In het geval van het Teamlid Werken op Hoogte is er één kerntaak: Uitvoeren van basiswerkzaamheden op hoogte.

Werkproces

Een werkproces bestaat uit een aantal samenhangende activiteiten die horen bij een kerntaak. Die activiteiten hebben een begin, een eind en leiden tot een duidelijk resultaat. De kerntaak van het Teamlid Werken op Hoogte kent drie werkprocessen.

Kerntaken

Werkprocessen

1. Uitvoeren van basiswerkzaamheden op hoogte

1.1 Voorbereiden van een actie op hoogte

1.2 Uitvoeren van een actie op hoogte

1.3 Evalueren van een actie op hoogte

Voor ieder werkproces zijn gedragsindicatoren benoemd. Deze gedragsindicatoren zijn hetgeen waartoe het Teamlid Werken op Hoogte wordt opgeleid. Daarmee zijn het die eisen die getoetst worden om te kunnen meten wanneer een student aan de eisen voldoet. Alle gedragsindicatoren moeten worden gezien binnen de aard en de context van het werk dat het Teamlid Werken op Hoogte uitvoert. Gedragsindicatoren die voor deze doelgroep gelden, worden per werkproces puntsgewijs opgesomd onder het kopje ‘Gedrag’. Om de gedragsindicatoren beter te begrijpen, worden zij ingeleid door een algemene omschrijving. Deze algemene omschrijvingen zijn ook het niveau waarop kwalificatievereisten worden gebruikt in de context van de verantwoording aan de minister via de POR.

Deze kwalificatie heeft negen uitstroomprofielen, welke gebaseerd zijn op de verschillende doelgroepen, namelijk die van Algemeen (ALG)1, Technische Eenheid (TE), Onderhandelen (OH), Hondengeleider (HG), Hondengeleiders Koninklijke Luchtmacht (HG KLU), Aanhouding- en Ondersteuningsteam (AOT), Team Heimelijke Opsporing (THO), Expert Precisie Schutters (EPS) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdiensten (FIOD).

Hieronder staan de gedragsindicatoren behorende bij deze negen uitstroomprofielen weergegeven. Werkproces 1, werkproces 3 en het veilig en professioneel handelen zijn voor alle uitstroomprofielen van toepassing. Binnen werkproces 2 staat aangegeven welke gedragsindicator bij welk uitstroomprofiel behoort.

Let op: Op dit niveau lijkt het soms dat uitstroomprofielen exact hetzelfde zijn, maar is de daadwerkelijke invulling van de abstract beschreven gedragsindicatoren verschillend. Dit verschil is terug te zien in de beoordelingscriteria in de examendocumenten van de opleidingen behorende bij de uitstroomprofielen.

Werkproces 1. Voorbereiden van een actie op hoogte

Omschrijving

Competenties

Je checkt in bij je collega voordat de actie aanvangt, je stelt hierbij vragen die betrekking hebben op de mens en op de vaardigheid van deze collega. Je luistert actief en stelt zo nodig vragen ter verduidelijking. Je richt je indien noodzakelijk voor informatie tot relevante derden en interne diensten. Je voert een verkenning zodanig uit, dat er een inschatting kan worden gemaakt hoe de verplaatsing en/of actie kan worden uitgevoerd.

• Accuratesse

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

Gedrag

Het Teamlid Werken op Hoogte

• checkt of diens collega klaar is voor de actie

• voert de verkenning veilig en effectief uit ter voorbereiding op een actie

Werkproces 2. Uitvoeren van een actie op hoogte

Omschrijving

Competenties

Je kan jezelf op veilige wijze met het gebruik van verschillende middelen en materialen positioneren en verplaatsen. Je kent de risico's van installeren en weet hoe je met deze risico’s moet omgaan.Voor de inzet maak je onderdeel uit van de briefing Je voert specifieke werkzaamheden uit die passen binnen jouw werkgebied. Je voert de werkzaamheden uit in samenwerking met jouw collega’s/teamleden. Je werkt voor een deel volgens geformaliseerde procedures en instructies. Je voert specialistische werkzaamheden uit.1

• Accuratesse

• Samenwerken

• Stressbestendigheid1

Gedrag

Het Teamlid Werken op Hoogte

ALG

TE

OH

HG

HG KLU

AOT

THO

EPS

FIOD

• neemt actief deel aan de briefing

x

x

x

x

x

x

x

x

x

• voert in samenwerking met collega’s op juiste wijze verplaatsings- en positioneringstechnieken uit

x

x

x

x

x

x

x

x

x

• bouwt conform de installatieprincipes, om zichzelf op hoogte te positioneren, te verplaatsen of werkzaamheden te uit te voeren

x

x

x

x

x

x

x

x

x

• werkt samen met collega’s en stemt hiermee af voor, tijdens en na het installeren

x

x

x

x

x

x

x

x

x

• kent de risico’s van het installeren en weet hoe hiermee moet worden omgegaan

x

x

x

x

x

x

x

x

x

• voert taakspecifieke werkzaamheden en/of procedures op hoogte uit onder leiding van een hoogtespecialist

 

x

x

 

x

x

   

x

• kan een efficiënte en veilige takelstelling installeren

 

x

 

x

x

 

x

x

x

• kan op juiste wijze een last takelen en laten zakken

 

x

 

x

x

 

x

x

x

• past op hoogte gesprekstechnieken toe

   

x

           

• verschaft in teamverband een positie op hoogte om specialistische werkzaamheden uit te voeren

           

x

x

 
X Noot
1

Niet geldig voor ALG

Werkproces 3. Evalueren van een actie op hoogte

Omschrijving

Competenties

Je participeert in de (groeps)evaluatie van de inzet. Je verwoordt wat goed en fout is gegaan. Je bespreekt jouw eigen ervaring, gevoelens, betrokkenheid en persoonlijke acties. Je kunt de door jouw gemaakte keuzes beargumenteren. Daarnaast ga je in op de ervaring, betrokkenheid en acties van teamleden. Je vraagt feedback over jouw optreden. Je formuleert duidelijk wat beter kan en doet concrete voorstellen op welke manier dit kan worden bereikt.

• Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

• Samenwerken

Gedrag

Het Teamlid Werken op Hoogte

• rapporteert over uitgevoerde werkzaamheden

• reflecteert kritisch op eigen handelen en het handelen van diens collega’s en doet verbetervoorstellen

Veilig en professioneel handelen

Omschrijving

Je werkt veilig voor, tijdens en na de actie en toont een professionele beroepshouding. Je past wettelijke voorschriften, richtlijnen en beleidskaders toe. Je kiest en maakt gebruik van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) en materialen. Je brengt risico’s in kaart en treft maatregelen die jouw eigen veiligheid, die van de/het slachtoffer(s) en van anderen waarborgen. Je toont aan hier bewust mee om te gaan, naar te handelen en anderen hierop aan te spreken. Je kunt keuzes en risico’s verantwoorden en onderbouwen. Je handelt integer en met respect naar mensen, gebruikt de juiste taal en aanspreekvormen naar collega’s en derden. Je geeft je eigen grenzen aan.

Gedrag

Het Teamlid Werken op Hoogte

• werkt volgens wettelijke- en veiligheidsnormen, wijkt daar alleen in bijzondere omstandigheden weloverwogen en beargumenteerd van af

• maakt gebruik van juiste persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) en arbeidsmaterialen

• is zich bewust van risico’s m.b.t. werken op hoogte en handelt hiernaar

• geeft eigen grenzen aan

• communiceert op professionele wijze met collega’s en derden

• spreekt collega’s direct en op eigen initiatief aan op afwijkingen en/of veiligheidsfouten

4. Het kwalificatiedossier “Basis Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing” komt te luiden:

11. Kwalificatiedossier Basis Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid voor basis plaats delict (PD) onderzoek en om het bijhorende certificaat te ontvangen.

Deze kwalificatievereisten beperken zich tot de startbekwame basis forensisch plaats delict onderzoeker die zelfstandig onderzoek verricht op een standaard plaats delict. Een standaard plaats delict is een overzichtelijke en beheersbare onderzoekssituatie die zich kenmerkt door een beperkte omvang, duidelijke afbakening, relatief voorspelbare omstandigheden en lage juridische, technische of maatschappelijke impact. Het sporenbeeld bestaat doorgaans uit herkenbare en goed interpreteerbare sporen. Er zijn meestal weinig betrokkenen en er is geen sprake van verstorende factoren zoals extreem weer, grootschalige schade, of intense media- of tijdsdruk.

Als basis forensisch PD onderzoeker pas je de fundamentele aspecten van forensisch PD onderzoek nauwkeurig en consistent toe, bestaande uit de professionele kwaliteitsstandaarden, principes van forensische wetenschap en onderzoek. Dit doe je binnen de juridische kaders.

Je beveiligt de PD volgens landelijke richtlijnen en stelt een risico-inventarisatie op. Je kan op professionele wijze communiceren met betrokkenen. Je verzamelt en beoordeelt informatie die je vóór, tijdens en na je onderzoek verkrijgt, objectief en kritisch en hierbij werk je datagedreven. Om risico’s voor de omgeving, personen en het bewijs te beperken tref je vóór, tijdens en na het onderzoek veiligheidsmaatregelen. Je formuleert en overweegt meerdere scenario’s op basis van je waarnemingen, waarbij je verbanden legt tussen sporen, tijdlijnen en omgevingsfactoren. Je stelt een strategie en vereisten op, met fasering en afbakening van onderzoeksvragen, om het PD onderzoek uit te voeren. Je verzamelt biologisch, biometrisch, fysisch en digitaal bewijsmateriaal. Je demonstreert basistechnieken en methoden voor detecteren, identificeren, verzamelen, verpakken en documenteren van bewijsmateriaal volgens landelijke richtlijnen, waarbij je de integriteit van het onderzoek waarborgt. Je duidt, analyseert, evalueert en verantwoordt je onderzoeksbevindingen in relatie tot scenario’s, op basis van logische redenering. Je stelt onderzoeksaanvragen op voor vervolgonderzoeken.

Je documenteert de verrichte handelingen en bevindingen methodisch en herleidbaar volgens de geldende richtlijnen in een dossier, zowel visueel als schriftelijk. Je stelt een proces verbaal op en levert deze conform landelijke richtlijnen aan en kan hierover verantwoording afleggen.

Je werkt effectief samen met de betrokken ketenpartners. Je kan de juiste ketenpartner inschakelen binnen het onderzoek waarin je werkzaam bent. Je analyseert bevindingen van de betrokken ketenpartners en duidt deze in het licht van je onderzoek.

Je reflecteert kritisch op eigen gedrag, handelen en gemaakte keuzes tijdens je werk. Je kunt feedback vragen en ontvangen. Je handelt met inachtneming van de kernwaarden van je eigen organisatie.

5. Het kwalificatiedossier “Bedienaar meetmiddelen verkeer” komt te luiden:

14. Kwalificatiedossier Bedienaar meetmiddelen verkeer

Kwalificatievereisten geven aan wat de medewerker moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Voor het uitvoeren van verkeerscontroles dienen medewerkers uit zowel basisteams als specialistische teams hun bekwaamheid in de bediening van verschillende meetmiddelen verkeer aan te tonen. Zij dienen te voldoen aan de volgende robuuste kwalificatievereisten, die gelden voor verschillende meetmiddelen.

Vakvaardigheden

De student:

  • Kent de voor het meten met het meetmiddel relevante artikelen uit wet- en regelgeving, instructies en aanwijzingen, en past deze correct toe.

  • Handelt een overtreding af volgens de geldende wet- en regelgeving.

  • Is in staat het meetmiddel op de juiste wijze te installeren en te bedienen volgens de door de fabrikant meegeleverde, meest recente handleiding(en).

  • Kent de invloed van de omgeving in relatie tot het meten met het meetmiddel en houdt hier rekening mee.

  • Herkent storingen van het meetmiddel en lost deze op (laat deze oplossen).

Houding, oordeelsvermogen

De student:

  • Zorgt voor een veilige werkwijze.

6. Het kwalificatiedossier “Familierechercheur” komt te luiden:

29. Kwalificatiedossier Familierechercheur

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Het werk van de familierechercheur is vaak gericht op ingrijpende incidenten en kan betrekking hebben op traumabegeleiding. De familierechercheur wordt altijd ingezet samen met een andere familierechercheur, als koppel. De familierechercheur werkt samen met justitie, Slachtoffer Hulp Nederland en recherchespecialisten. De onderzoeken waarmee de familierechercheur te maken krijgt kunnen een internationaal karakter hebben. Het werk heeft betrekking op het uitvoeren van specifieke opdrachten binnen kaders. De familierechercheur moet uitleg kunnen geven over rechercheprocessen en over de juridische aspecten die van belang zijn voor slachtoffers, nabestaanden en/ of betrokkenen. De familierechercheur zorgt ervoor dat de familie op de hoogte blijft van de voortgang van het onderzoek, binnen de grenzen van wat gedeeld mag worden. Dit voorkomt speculatie en misverstanden. Soms heeft de familie cruciale informatie die het onderzoek kan helpen. De familierechercheur fungeert als een laagdrempelig aanspreekpunt en zorgt ervoor dat deze informatie op een gestructureerde manier bij het onderzoeksteam terechtkomt. Kortom, de familierechercheur brengt structuur aan door zowel de familie als het onderzoeksteam te ondersteunen, waardoor het opsporingsonderzoek efficiënter en zorgvuldiger verloopt. Daarnaast moet de familierechercheur kunnen werken in het spanningsveld met confronterende belangen (van direct betrokkenen en opsporingsbelangen).

Resultaat

  • Er is deskundig opgetreden waarbij een familierechercheur de schakel is geweest tussen de direct betrokkenen en het onderzoeksteam

  • De familie/ direct betrokkenen en het onderzoeksteam zijn geïnformeerd

Examenvereisten
  • Onderscheidt hoofd- en bijzaken, onderbouwt keuzes en brengt structuur aan in het opsporingsonderzoek.

  • Heeft oog voor vluchtige informatie, is alert op het herkennen van belangrijke informatie en weet dit te gebruiken in het opsporingsonderzoek.

  • Legt vragen en duidelijke vervolgstappen vast aan de hand van gegeven informatie, deze sluiten aan op de zaak en geven richting aan het optreden.

  • Bouwt een vertrouwensband op met de direct betrokkenen zonder de doelen van het opsporingsonderzoek uit het oog te verliezen.

  • Kan omgaan met grote emotionele druk.

  • Brengt informatie over, houdt hierbij rekening met de gevoeligheid van informatie voor de direct betrokkenen.

  • Bewaart afstand, bewaakt de professionele grenzen in het contact met direct betrokkenen passend bij de kernwaarden van de politie.

  • Houdt rekening met tactische en juridische gevolgen van het optreden voor het opsporingsonderzoek en kent de grenzen van de eigen bevoegdheid.

  • Kan omgaan met het spanningsveld tussen belangen van direct betrokkenen en het onderzoeksteam, bepaalt een tactiek om hiermee om te gaan.

  • Haalt en brengt informatie over aan direct betrokkenen en het onderzoeksteam, houdt hierbij rekening met relativiteit van informatie.

  • Werkt samen als koppel (met een andere familierechercheur), kan hierover reflecteren en ziet de belangen en gevaren van de samenwerking.

7. Het kwalificatiedossier “Master of Crisis and Public order Management” komt te luiden:

73. Kwalificatiedossier Master of Crisis and Public Order Management

1 Inleiding

In de eerste helft van 2008 kreeg de Politieacademie signalen uit het beroepenveld dat er behoefte zou zijn aan een masteropleiding op het gebied van gevaarkunde. Daarop is de Politieacademie gestart met een behoefte-onderzoek dat antwoord diende te geven op de vraag of er inderdaad behoefte was aan een master op het gebied van gevaarkunde en op welke beroepscompetenties deze master gericht zou moeten zijn. De behoefte bleek er te zijn. In het behoeftenonderzoek is aan relevante betrokkenen de vraag voorgelegd tot welke competenties een master op het gebied van gevaar- en crisisbeheersing op moet leiden. Vanwege de wens van de beroepspraktijk een multidisciplinaire Master te ontwikkelen, is tijdens het behoefteonderzoek toenadering gezocht tot het NIFV om te onderzoeken of samenwerking mogelijk is. Op basis van deze interviews is een eerste beroepsprofiel geconstrueerd. Dit beroepsprofiel is indertijd goedgekeurd door de Strategische Beleidsgroep Conflict en Crisis Beheersing van Politie-Nederland (rechtstreeks ressorterend onder de Raad van Hoofdcommissarissen) en door de Raad van Regionaal Commandanten van Brandweer- Nederland. Daarna is het beroepsprofiel goedgekeurd door de Politie Onderwijs Raad.

In het rapport Schakelen in verantwoordelijkheid van de Politieonderwijsraad (2010) is geen beroeps- en competentieprofiel geschetst voor de Master of Crisis and Public order Management (vanaf nu: MCPM). De opgegeven reden hiervoor is: “Het betreft een opleiding in een (samenwerkings)specialisme dat gericht is op een functionele, niet-permanente inzet.” De MCPM’er is dus geen beroep of functie, maar het gaat om crisisprofessionals met gevarieerde posities, rollen en takken binnen verschillende hulpverlenings- en andere (semi-)overheidsorganisaties.

De MCPM is gebaseerd op de voormalige Master of Crisis and Disaster Management (MCDM) van het NIFV (nu IFV). Bij de MCDM lag het accent op ramp- en crisismanagement. Bij de MCPM is daaraan het onderwerp gevaarsbeheersing/public order management toegevoegd. Daarnaast zijn onderdelen uit de MCDM die zich specifiek richten op de brandweer vervallen en zijn bestaande onderwerpen op basis van evaluaties en nieuwe inzichten bijgesteld. Het resultaat is een geaccrediteerde multidisciplinaire master.

In 2012 is er een MCPM-kwalificatiedossier door de POR vastgesteld, wat in 2017 een summiere (light) actualisatie heeft ondergaan.

In de zelfevaluatie die is geschreven voor de her-accreditatie door de NVAO in 2017 is geconstateerd dat vaststelling van dit dossier geen monodisciplinaire aangelegenheid zou moeten zijn, maar juist multidisciplinair zou moeten plaatsvinden.

Het kwalificatiedossier uit 2012, en later het dossier uit 2017, heeft altijd aan de basis gelegen van de leergangen van de MCPM. Echter, elke leergang is telkens aangepast op basis van de actuele ontwikkelingen van dat moment en het kwalificatiedossier is daar nooit op aangepast.

Het Onderwijsteam MCPM heeft zich vanaf januari 2020 ingespannen ten behoeve van een aangescherpte actualisatie. Het resultaat daarvan is de inhoudelijke basis van dit kwalificatiedossier.

1.1 Leeswijzer

In dit document wordt allereerst algemene informatie over de context van het beroep gegeven. Vervolgens worden in het tweede hoofdstuk de kerntaken beschreven met de bijbehorende werkzaamheden. In hoofdstuk 3 zijn de competenties opgenomen, geselecteerd uit het functiewaarderingssysteem HR21 van de VNG. In het vierde hoofdstuk is er aandacht voor vereisten die horen bij deze functie. Het laatste hoofdstuk is een verantwoordingshoofdstuk.

Omwille van de leesbaarheid is steeds ‘hij’ gebruikt in de tekst. Waar ‘hij’ staat kan uiteraard ook ‘zij’ worden gelezen. Om verder bij te dragen aan de leesbaarheid van deze kwalificatie worden de belangrijkste begrippen vooraf uiteengezet.

1.2 Definities en afkortingen

Beroepsprofiel

Een beroepsprofiel beschrijft de taken en verantwoordelijkheden van een beroep en de context waarin die wordt uitgeoefend.

• Een beroepsprofiel beschrijft wat de vakbekwame medewerker doet.

• Een beroepsprofiel maakt zichtbaar waarin een beroep zich onderscheidt van andere beroepen.

Het beroep politie kent zes beroepsprofielen

HR21

HR21 is een functiewaarderingssysteem voor gemeentes. Het maakt gebruik van een competentiewoordenboek. Dit competentiewoordenboek kent 31 competenties verdeeld over 4 dimensies, te weten de persoonlijke, conceptuele, relationele en operationele dimensie. In dit woordenboek wordt de volgende definitie van competenties gehanteerd: ‘Observeerbare, kundige gedragingen, voortkomend uit het samenspel tussen kennis, vaardigheden en karaktereigenschappen (attitudes en drijfveren), die in een bepaalde situatie en vanuit een bepaalde houding leiden tot succesvol gedrag’. Per competentie is opgenomen:

> De beschrijving / definitie van de competentie.

> Het zichtbaar werkgedrag (gedragsvaardigheden) onderverdeeld in vier niveaus.

Kwalificatiedossier

Set van verschillende kerntaken, werkzaamheden en competenties die samen een opleiding vormgeven en waar een diploma aan vast hangt.

Kwalificatie

Een kwalificatie van het politieonderwijs is een waardepapier, erkend door de Minister van Veiligheid en Justitie, dat verworven competenties en daarin begrepen kennis, vaardigheden uitdrukt. Er zijn twee soorten kwalificaties: diploma’s en certificaten van na- en bijscholing.

Kwalificatiestructuur (KSP)

Het geheel van kwalificaties binnen het politieonderwijs

MCDM

Master of Crisis and Disaster Management

MCPM

Master of Crisis and Public order Manegement

NVAO

De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie

POR

Politieonderwijsraad

2 Context
2.1 De beroepspraktijk
2.1.1 Historie van de MCPM’er

Aan het begin van de 21e eeuw hebben een aantal grote incidenten, zowel nationaal (de vuurwerkramp te Enschede en de cafébrand in ’t Hemeltje te Volendam) als internationaal (aanslag WTC in New York), geleid tot een herbeschouwing van het vakgebied van de (toen nog) klassieke rampenbestrijding. De beweging naar de moderne crisisbeheersing is daarmee ingezet, op zowel beleidsmatig als organisatorisch niveau, maar ook in het onderzoek en onderwijs op dit thema. Een belangrijke ontwikkeling daarbij is de inrichting van veiligheidsregio’s sinds 2010, waar de multidisciplinaire samenwerking tussen de verschillende partners (politie, brandweer, GHOR, defensie, gemeenten) verder vormgegeven wordt. Ook de komst van de Nationale Politie heeft invloed op deze samenwerking. Daarnaast was (en is) er een toenemende complexiteit van grootschalige incidenten en de maatschappelijke impact daarvan wat vraagt om een multidisciplinaire inzet. De MCPM levert graag een bijdrage aan deze ontwikkeling en professionalisering, door de crisisprofessional in zijn2 complexe praktijk toe te rusten om op cognitief, handelings- en gedragsniveau een piekprestatie te leveren.

De vuurwerkramp van zaterdag 13 mei 2000 kostte 22 Enschedeërs het leven. Bijna duizend mensen liepen verwondingen op, van wie een groot aantal met blijvend letsel. De materiële schade van de enorme explosie bedroeg bijna een half miljard euro. 500 woningen werden verwoest of onbewoonbaar en een veelvoud aan woningen liep flinke schade op. Jan Mans leidde de rampenstaf van de tot dan toe grootste crisis in Nederland sinds de Bijlmerramp: ‘Als burgemeester heb ik met regelmaat geoefend. Voor een deel vraag je je bij oefeningen af wat het nut ervan is, omdat het vaak op hetzelfde neerkomt. Het is de geijkte LPG-tank die ontploft of de bus met schoolkinderen die kantelt. Je denkt het allemaal onder de knie te hebben. Totdat je bij de ramp pas merkt hoe belangrijk die oefeningen zijn geweest als je voor de werkelijke vraagstukken wordt gesteld. 1

X Noot
1

Jong, W. & R. Johannink. (2007). ‘Als het dan toch gebeurt, bestuurlijke ervaringen met crises.’

Enschede, Bestuurlijk Netwerk Crisisbeheersing (ISBN: 90-78228-02-8).

De hierboven aangehaalde gebeurtenissen hebben de opvattingen over de klassieke rampenbestrijding aardig opgeschud. En dat blijkt maar goed ook, want door de toenemende verstrengeling tussen economie, technologie, ecologie, cultuur en bestuur is de complexiteit van de samenleving sterk toegenomen. De moderne crisisbeheersing moet zich verhouden tot nieuwe typen crisis: de dreiging van een pandemieën, moorden met een politieke en/of criminele aanleiding (Pim Fortuyn, Theo van Gogh, Derk Wiersum), dierziekten, opkomst IS, maatschappelijke onrust als gevolg van vluchtelingencrises of klimaatveranderingen, maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale infrastructuren, etc. En dan is er ook steeds vaker sprake van het fenomeen van ‘de ongekende crisis’. Nieuwe vormen van dreiging vragen om een ander soort aanpak, andere partners en een andere strategie, en uiteraard heeft dit ook gevolgen voor de werkzaamheden van de studenten van de MCPM.

2.1.2 De MCPM’er

De MCPM is bedoeld voor alle partners in veiligheid. Het gaat om personen, werkzaam op tactisch-strategisch niveau bij de overheid of in het bedrijfsleven, die veiligheidszorg en rampenbestrijding en/of crisismanagement – zoals de voorbeelden hierboven – in hun portefeuille hebben of krijgen en personen, die een verantwoordelijkheid hebben bij evenementenbeleid en/of grootschalig optreden. Dit zijn onder andere functionarissen bij de veiligheidsregio’s, politie, brandweer, GHOR, defensie en gemeenten. Maar ook functionarissen bij nutsbedrijven, de energiesector en ministeries die in hun werk veel te maken hebben met gevaar- en crisisbeheersing (de functionele keten).

Veiligheidsregio´s. In onderstaande grafiek een schematische weergave van de herkomst van de MCPM- studenten t/m 2020.

3 Kerntaken met bijbehorende werkzaamheden

Een Master of Crisis and Public order Management kan:

  • 1. Functioneren binnen een (complexe) multidisciplinaire context

    • 1.1. stakeholdersanalyses uitvoeren

    • 1.2. in de koude fase proactief de contacten leggen ten behoeve van de werkzaamheden in de warme fase

    • 1.3. samenwerking met betrokken partners uit de algemene en functionele keten bevorderen

    • 1.4. acteren binnen de vier posities binnen de veiligheidsketen (preventie, preparatie, respons en nazorg) en heeft hier zicht op

    • 1.5. de bevoegdheden in de lokale, regionale en landelijke context onderscheiden en toepassen

  • 2. Samenwerken in een team

    • 2.1. een actieve bijdrage leveren aan een gezamenlijk resultaat of probleemoplossing en hierop reflecteren

    • 2.2. verschillende werkstijlen herkennen en toepassen

    • 2.3. een actieve bijdrage leveren aan het multidisciplinair, kolomoverstijgend en kolomdoorbrekend functioneren en hierbij creatief en innovatief te werk gaan

    • 2.4. Gezamenlijk belang boven het eigen belang stellen

    • 2.5. kennis over zichzelf, het team en de omgeving gebruiken in het samenwerkingsproces

    • 2.6. in zijn kennisnetwerk relevante expertise vinden en hier gebruik van maken

  • 3. Theorie en praktijk koppelen binnen het werkveld

    • 3.1. een onderzoek beoordelen op kwaliteit en bruikbaarheid

    • 3.2. (praktijk)problemen identificeren en vertalen naar een onderzoeksopzet

    • 3.3. een (kwalitatief) onderzoek opzetten en uitvoeren

    • 3.4. op creatieve en innovatieve wijze gebruik maken van (internationale) wetenschappelijke/theoretische kennis en inzichten in zijn functioneren

    • 3.5. bijdragen aan de ontwikkeling van het vakgebied gevaar- en crisisbeheersing

  • 4. Opereren binnen het proces crisisbesluitvorming

    • 4.1. gegevens verzamelen, analyseren en in een breder perspectief plaatsen om te komen tot een weloverwogen besluit.

    • 4.2. omgaan met onzekerheden

    • 4.3. de inzichten en standpunten van verschillende stakeholders mee nemen in het besluitvormingsproces

    • 4.4. beslissingen uitleggen aan verschillende stakeholders (van burgers tot politiek)

    • 4.5. de effecten van de genomen beslissingen overzien

  • 5. Risicomanagement toepassen

    • 5.1. effectief omgaan met onzekerheden en risico’s

    • 5.2. resultaten van risicoanalyses kunnen duiden

    • 5.3. risico- en gevaarsaspecten bekijken vanuit verschillende gezichtspunten

    • 5.4. verschillende (innovatieve) alternatieve scenario’s ontwikkelen binnen een risico-/ gevaarssetting

  • 6. In een politiek-bestuurlijk krachtenveld opereren

    • 6.1. de kennis van de politieke en de ambtelijke wereld gebruiken in het maken van een omgevingsanalyse

    • 6.2. Kennis van de omgevingsanalyse actief benutten in het politiek-bestuurlijk krachtenveldprocessen organiseren zodat bestuurders tijdig een professioneel en afgewogen advies krijgen in een hanteerbare vorm

    • 6.3. meedenken in de verschillende verantwoordelijkheden

    • 6.4. het bestuur adviseren en heldere keuzes/ scenario’s voorleggen

    • 6.5. gepaste invloed uitoefenen op het besluitvormingsproces, met behulp van kennis van de besluitvormingscyclus en interventiemogelijkheden

    • 6.6. adequaat omgaan met sterke bestuurlijke en operationele druk

    • 6.7. omgaan met tegenstellingen (belangen) die ook in de tijd of op grond van beschikbare informatie (kennis) kunnen veranderen

  • 7. Kwaliteitsmanagement toepassen

    • 7.1. de PDCA-cyclus herkennen en toepassen:

      • a. kritisch naar de huidige situatie kijken en mogelijkheden voor verbeteringen identificeren

      • b. evaluaties opzetten, uitvoeren en over de resultaten communiceren

      • c. op basis van evaluatieresultaten aanbevelingen omzetten in verbeteracties, innovaties en leren

      • d. de implementatie van de aanbevelingen monitoren

    • 7.2. kwaliteitsdenken stimuleren

  • 8. Internationale aspecten integreren

    • 8.1. monitoren van nationale en internationale ontwikkelingen in relatie tot crisis en rampen

    • 8.2. (wetenschappelijke) kennis en ervaringen in een internationale context verzamelen, beschouwen en uitwisselen met als doel verbeteracties, innovaties en leren te stimuleren

    • 8.3. gebruik maken van kennis en inzicht in het functioneren van de Europese Unie (in relatie tot crisismanagement)

    • 8.4. met behulp van de kennis van het European Civil Protection Mechanism een bijdrage leveren aan de rol die EU kan spelen in respons op crisis en rampen

4 Competenties

Voor de MCPM zijn te ontwikkelen competenties en randvoorwaardelijke competenties geselecteerd uit het HR21 competentiewoordenboek. De randvoorwaardelijke competenties worden benoemd in hoofdstuk 5.

4.1.1 Persoonlijke dimensie

Zelfreflectie

Heeft inzicht in het eigen functioneren. Staat open voor kritiek in verband met de mogelijkheid tot gedragsverandering.

Niveau B (leren)

> Vraagt bij het ontvangen van feedback door naar suggesties ter verbetering.

> Zet feedback om in verandering.

> Neemt initiatieven om eigen functioneren te verbeteren, op basis van eerder gekregen feedback.

> Leert van fouten uit het verleden.

> Draagt uit dat het belangrijk is te werken aan de eigen ontwikkeling.

4.1.2 Conceptuele dimensie

Analytisch vermogen

Signaleert problemen; herkent belangrijke informatie; legt verbanden tussen gegevens. Spoort mogelijke oorzaken van problemen op; zoekt ter zake doende gegevens.

Niveau A (achterhalen)

> Identificeert de achterliggende oorzaken van complexe problemen.

> Schat de afbreukrisico’s in ten aanzien van de verschillende oplossingsrichtingen.

> Houdt rekening met diverse belangentegenstellingen zowel binnen als buiten de organisatie.

> Weet draagvlak te krijgen voor een oplossingsrichting.

> Bekijkt ingewikkelde vraagstukken vanuit diverse invalshoeken.

Oordeelsvorming

Weegt gegevens en mogelijke handelwijzen in het licht van relevante criteria tegen elkaar af om tot realistische beoordelingen te komen

Niveau B (afwegen)

> Brengt mogelijke handelwijzen in beeld.

> Weegt gegevens en/of handelwijzen op juiste wijze af.

> Scheidt relevante criteria van irrelevante criteria.

> Komt met een goed afgewogen oordeel.

4.1.3 Relationele dimensie

Omgevingsbewustzijn

Is zich bewust van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen of andere omgevingsfactoren. Speelt in op deze ontwikkelingen en vertaalt deze naar het eigen werkgebied.

Niveau A (nationaal)

> Speelt proactief in op ontwikkelingen uit de omgeving die van invloed kunnen zijn op de organisatie.

> Voert een constructieve discussie met belangenpartijen en stakeholders.

> Anticipeert snel op wensen vanuit politiek bestuur.

> Komt met initiatieven die blijk geven van inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen.

> Vertaalt maatschappelijke en politiek/economische ontwikkelingen naar consequenties en realistische voorstellen voor het eigen aandachtsgebied en belangen van de eigen organisatie.

Samenwerken

Voert in een team een opdracht uit. Draagt bij aan de harmonie van de groep en aan de optimale inzet van de leden ten behoeve van het groepsdoel, desnoods ten koste van eigen korte termijn belangen.

Niveau B (zorgdragen voor cohesie)

> Maakt, door regelmatig overleg, een gemeenschappelijk plan van aanpak.

> Laat anderen inzien dat het te halen resultaat een gezamenlijke verantwoording is.

> Neemt initiatief tot samenwerking met anderen.

> Heeft oog voor sfeer binnen de groep en is effectief in het optimaliseren van ontspannen samenwerking.

> Zet eigen belangen opzij ten behoeve van het gemeenschappelijk doel.

> Houdt rekening met de verschillende rollen en posities binnen de groep.

4.1.4 Operationele dimensie

Kwaliteitsgerichtheid

Is zich ervan bewust dat het te leveren product moet voldoen aan gestelde eisen, normen en prioriteiten en handelt hiernaar. Legt verantwoording af voor het gerealiseerde kwaliteitsniveau. Streeft naar continue kwaliteitsverbetering.

Niveau B (ontwikkelen, verbeteren)

> Streeft naar kwaliteitsverbetering van het product.

> Werkt actief aan de bevordering van eigen persoonlijke kwaliteiten en mogelijkheden.

> Signaleert kansen om de kwaliteit te verbeteren via een andere organisatie of logistiek in processen.

> Verbetert ook de kwaliteit wanneer dit niet direct van hem/haar verwacht wordt.

5 Vereisten
5.1 Instroomeisen

Na de inschrijving worden de kandidaten getoetst op de instroomeisen:

  • 1. in het bezit zijn van een HBO-/WO-diploma diploma;

  • 2. het hebben van enige jaren relevante werkervaring.

5.2 Randvoorwaardelijke competenties
5.2.1 Persoonlijke dimensie

Stressbestendigheid

Blijft onder tijdsdruk, hoge werkdruk en bemoeilijkende omstandigheden adequaat functioneren (bijvoorbeeld tegenslag, teleurstelling).

Niveau D (ontspannen)

> Houdt overzicht bij een grote werkvoorraad.

> Blijft goed functioneren onder tijdsdruk.

> Ontspant zich na een zware werkdag.

> Blijft rustig bij hectische omstandigheden.

Verantwoordelijkheid

Komt gemaakte afspraken na en accepteert de gevolgen die voorvloeien uit het eigen handelen.

Niveau B (actie ondernemen)

> Maakt helder geformuleerde afspraken.

> Spreekt anderen er op aan wanneer afspraken niet worden nagekomen.

> Gaat adequaat om met eventuele nadelige gevolgen van het eigen handelen.

> Kent de eigen verantwoordelijkheid en handelt daar naar.

Zelfstandigheid

Verricht zonder hulp van anderen taken, probeert op eigen kracht probleemsituaties de baas te worden. Handelt volgens eigen overtuiging, onafhankelijk van anderen.

Niveau B (proberen)

> Kent eigen beperkingen en klopt bijtijds bij anderen aan.

> Probeert eerst op eigen kracht problemen de baas te worden.

> Durft een onafhankelijk standpunt in te nemen.

> Gaat meningsverschillen niet uit de weg.

5.2.2 Conceptuele dimensie

Visie

Neemt afstand van de dagelijkse praktijk en plaatst deze in een breder verband. Is in staat zich op de lange termijn te richten. Vertaalt informatie naar ideeën voor de toekomst.

Niveau C (visie op het eigen vakgebied)

> Heeft oog voor de gevolgen van ontwikkelingen voor het eigen vakgebied.

> Past relevante ontwikkelingen toe op het eigen vakgebied.

> Vertaalt de strategie en doelstellingen van de organisatie naar het eigen vakgebied.

> Deelt zijn/haar visie op het eigen vakgebied met anderen.

5.2.3 Relationele dimensie

Conflicthantering

Reageert correct en tegemoetkomend op de reacties van anderen op het eigen gedrag, beleid of functie-uitoefening. Weet adequaat te reageren op problemen, zonder hierdoor in het gedrang te komen of er te emotioneel onder te worden. Vindt oplossingen bij belangentegenstellingen.

Niveau B (relativeren en ondersteunen)

> Verwerkt tegenslagen in emotioneel opzicht soepel.

> Probeert lering te trekken uit feedback.

> Weet de situatie te relativeren.

> Luistert in een conflictsituatie goed naar de belangen van de tegenpartij.

> Helpt anderen bij het oplossen van conflictsituaties.

Mondelinge communicatie

Maakt ideeën en meningen in begrijpelijke taal aan anderen mondeling duidelijk en weet aan te sluiten bij het publiek.

Niveau B (woordenschat en bondig)

> Beschikt over een grote woordenschat.

> Brengt de informatie goed geordend en bondig over.

> Vat samen en legt bondig uit.

> Stemt zijn/haar taalgebruik af op de toehoorders.

> Beantwoordt inhoudelijke vragen afdoende.

Netwerken

Bouwt een netwerk van (in)formele contacten op dat voor de organisatie functioneel is of kan worden.

Niveau B (contact onderhouden)

> Onderhoudt actief een relevant relatienetwerk en netwerkbestand.

> Legt contacten met andere organisatieonderdelen of organisaties met het oog op samenwerking.

> Is alert op mogelijkheden om nieuwe contacten te leggen en (producten van) de organisatie onder de aandacht te brengen.

> Weet mensen aan zich te binden.

> Voert gesprekken op vele niveaus.

Overtuigingskracht

Overtuigt anderen van een bepaald standpunt om instemming te krijgen met bepaalde plannen, ideeën of producten

Niveau D (argumenteren)

> Verzamelt feiten die spreken voor zijn/haar standpunt.

> Brengt suggesties duidelijk, enthousiast en met steekhoudende argumenten over.

> Gelooft in het standpunt dat hij/zij vertegenwoordigt.

> Gebruikt voorbeelden om het eigen standpunt te verhelderen.

Schriftelijke communicatie

Brengt opvattingen duidelijk onder woorden en weet aan te sluiten bij de lezer. Formuleert ingewikkelde zaken kernachtig en weet woorden trefzeker te kiezen.

Niveau B (kernachtig)

> Verwoordt de doelstelling en het beoogde resultaat trefzeker.

> Beschikt over een goede woordenschat.

> Brengt de informatie geordend en bondig over.

> Vat de boodschap adequaat samen.

> Doseert informatie adequaat.

> Formuleert een logische opbouw van zaken (inleiding, kern en samenvatting).

5.2.4 Operationele dimensie

Initiatief

Signaleert kansen en handelt ernaar in plaats van passief te blijven tot anderen iets gedaan hebben. Neemt actief maatregelen om de gang van zaken te beïnvloeden.

Niveau C (voorbereiden)

> Bereidt zaken goed voor.

> Doet voorstellen om zaken aan te pakken.

> Zoekt actief naar mogelijke verbeteringen of vernieuwingen in het eigen werkgebied.

> Onderbouwt ideeën voor nieuwe of te verbeteren producten of activiteiten, stelt een plan op en zorgt voor uitvoering.

Plannen en organiseren

Stemt activiteiten van zichzelf (en anderen) op elkaar af en bepaalt hun volgorde zodat doeleinden efficiënt en effectief gerealiseerd worden.

Niveau C (structureren)

> Stelt goede prioriteiten.

> Gaat effectief te werk.

> Brengt de nodige structuur aan.

> Stuurt op het realiseren van de eigen taakstelling.

Nauwkeurigheid

Verricht werkzaamheden met een grote mate van accuratesse.

Niveau D (kwaliteit bewaken)

> Heeft oog voor kwaliteit maar ook kwantiteit van het werk.

> Controleert het eigen werk op tekortkomingen en herstelt gemaakte fouten.

> Verwerkt gegevens en/of verricht handelingen met een grote mate van precisie.

> Werkt zorgvuldig.

Resultaatgerichtheid

Formuleert heldere doelstellingen en resultaten en is er actief op gericht om deze te behalen.

Niveau C (brede kaders)

> Werkt binnen brede kaders aan het behalen van resultaten.

> Neemt beslissingen en stelt de juiste prioriteiten noodzakelijk voor het behalen van de afgesproken resultaten.

> Stelt acties bij.

> Is vasthoudend bij het behalen van resultaten en zoekt effectieve oplossingen voor problemen.

6 Verantwoording

Dit kwalificatiedossier is gebaseerd op het eerste kwalificatiedossier uit 2012. Dit dossier is als uitgangspunt genomen en feitelijk is niet veel gewijzigd. De werkzaamheden zijn nog steeds in lijn met het oorspronkelijke gedachtegoed van de MCPM. In de verschillende leergangen is telkens de actualiteit meegenomen, waardoor er bijvoorbeeld gebruik is gemaakt van actuele casuïstiek.

Hiermee is de context gelijk gebleven waardoor er is voldaan aan het oorspronkelijke kwalificatiedossier. De wijziging in kwalificatiedossier lijkt nu wellicht inhoudelijk groter dan het feitelijk verschil in uitvoeringen van leergangen. Dit ogenschijnlijk grotere verschil wordt versterkt door het gebruik van een andere systematiek van kerntaakbeschrijvingen en competenties.

6.1 Doelmatigheid

Dit kwalificatiedossier is niet gekoppeld aan een beroepsprofiel. De MCPM leidt immers niet op tot een beroep. Dé MCPM’er bestaat dan ook niet. De student die de MCPM heeft gevolgd, in dit dossier gemakshalve de MCPM’er genoemd, vervult een rol in de crisisbeheersing. In de uitoefening van zijn reguliere functie zal hij de beschreven kentaken met bijbehorende werkzaamheden uitvoeren in de context van zijn reguliere functie. Doelmatigheid van dit kwalificatiedossier is dan ook niet aan te tonen daar te relateren aan een vastgesteld beroepsprofiel, maar eerder door bijvoorbeeld gebruik te maken van evaluatiegegevens.

In 2020 is aan de leidinggevenden van de dan studenten van de MCPM7 een korte enquête voorgelegd. Hoewel de respons gering was, is de trend wel duidelijk:

> De helft van de respondenten is van mening dat de inhoud van de leergang MCPM bijna in zijn geheel toepasbaar is op de werkzaamheden van de MCPM’er. De andere helft is van mening dat de inhoud van de leergang MCPM enigszins van toepassing is op de werkzaamheden van de MCPM’er. Geen enkele respondent is van mening dat de inhoud van de leergang MCPM niet van toepassing is op de werkzaamheden van de MCPM’er. Motivatie van de respondenten bij hun antwoord: zie tabel op volgende pagina.

6.2 Navolgbaarheid

De kerntaken zijn in eerste instantie beschreven door de decaan en de hoofddocenten. Deze zijn al jarenlang betrokken bij de MCPM en hebben vanuit hun andere taken ook goed zicht op het werkgebied van de MCPM’er. De kerntaken zijn vervolgens in eerste instantie voorgelegd aan de opleidingscommissie en na hun akkoord verder uitgewerkt in werkzaamheden en er is een koppeling gelegd met de competenties. Dit resultaat is op 22 juni 2020 in een online meeting bediscussieerd. De leden van de opleidingscommissie zijn studenten, alumni en leidinggevenden, ook de hoofddocenten waren bij deze discussie aanwezig, maar hebben uiteraard een wat terughoudendere rol gehad, gezien het voortraject. Op basis van de discussie hebben enkele inhoudelijke wijzigingen plaats gevonden. Daarna heeft de opleidingscommissie ingestemd met de beschreven kerntaken, activiteiten en competenties voor de MCPM.

6.3 Wettelijke kaders

Zoals al eerder benoemd is de MCPM geen apart beroep. Ook in het Besluit personeel veiligheidsregio’s staat deze dan ook niet opgenomen. Er zijn dan ook geen wettelijke kaders voor de MCPM, anders dan de eisen die gesteld worden aan het zijn van een wettelijk erkende opleiding van een hogeschool, na erkenning door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO).

Uit de hiervoor al genoemde korte enquête onder de leidinggevenden is gevraagd naar het belang van een NVAO erkenning van de MCPM. Alle respondenten zijn van mening het belangrijk is dat de MCPM een door de NVAO geaccrediteerde opleiding is.

6.4 Onderhoud en actualiseren van de kwalificatie

Dit is de eerste versie van deze kwalificatie die niet alleen door de politiekolom zal worden vastgesteld. Binnen de reguliere termijn van drie jaar wordt bezien of onderhoud noodzakelijk is.

8. Het kwalificatiedossier “Meewerken aan een financieel rechercheonderzoek” komt te luiden:

78. Kwalificatiedossier Meewerken aan een financieel rechercheonderzoek

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

De opsporingsambtenaar is in staat om:

  • een richtinggevende bijdrage te leveren aan het initiëren van strafrechtelijke afpakmogelijkheden in opsporingsonderzoeken met een financiële component en kan de onderzoeksleiders hierover adviseren.

  • zelfstandig een voordeelsberekening op te stellen middels de techniek van de transactieberekening voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel.

  • klassiek en conservatoir beslag te leggen volgens de juridische voorwaarden.

  • fraudesignalen te herkennen in financiële administraties en in geld- en goederenstromen.

  • een hypothese te formuleren in financiële onderzoeken over mogelijk gepleegde strafbare feiten en deze vervolgens gericht op te sporen en juridisch te duiden.

  • de bevindingen op de juiste wijze schriftelijk te presenteren.

9. Het kwalificatiedossier “Verdachtenverhoor in kinderpornozaken” komt te luiden:

132. Kwalificatiedossier Verdachtenverhoor in kinderpornozaken

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid.

Kwalificatievereisten

Voorbereiden en uitvoeren van een verdachtenverhoor in een kinderpornozaak.

  • 1. Digitale componenten van een onderzoek naar kinderpornografie vertalen naar het verhoor.

  • 2. Bewijsmatrix samenstellen op grond van artikel ‘Kinderpornografie’ (Wetboek van Strafrecht).

  • 3. Persoonsgericht Verhoor voorbereiden en uitvoeren in een verdachtenverhoor kinderpornozaken.

  • 4. Zaakgericht Verhoor voorbereiden en uitvoeren in een verdachtenverhoor kinderpornozaken.

  • 5. Tonen van een professionele beroepshouding in een verdachtenverhoor kinderpornozaken.

  • 6. Het onderwerp seksualiteit op een neutrale wijze bespreken.

10. Het kwalificatiedossier “Vervolg Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing” komt te luiden:

137. Kwalificatiedossier Vervolg Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing

Kwalificatievereisten geven aan wat de student moet laten zien om te voldoen aan de eisen van de kwalificatie op het niveau van startbekwaamheid voor Vervolg Plaats Delict Onderzoek en om het bijhorende certificaat te ontvangen.

Deze kwalificatievereisten beperken zich tot de startbekwame forensisch plaats delict onderzoeker die zelfstandig en in teamverband onderzoek verricht op een maatwerk(+) PD. Een maatwerk(+) PD betreft een complexe, omvangrijke of uitzonderlijke onderzoekssituatie met een hoge juridische, technische of maatschappelijke impact (niet zijnde een Team Grootschalige Optreden (TGO) of een extreme calamiteit). Maatwerk(+) PD zijn vaak grootschaliger, onoverzichtelijker of meer verstoord dan een standaard PD, en kunnen zich uitstrekken over meerdere locaties of fases. Het sporenbeeld is vaak onvolledig, tegenstrijdig, ongebruikelijk of beschadigd, en vraagt om interpretatie en scenariogericht onderzoek op hoger niveau. De omstandigheden zijn vaak belastend of risicovol, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, veel publiek, mediabelangstelling of fysieke dreiging. Dit vereist dat de student proactief en zelfstandig handelt om veiligheid voor mens, omgeving en bewijs te waarborgen. Standaardprocedures zijn ontoereikend; maatwerk is vereist, gebaseerd op analyse en afweging.

Als forensisch PD onderzoeker pas je de fundamentele aspecten van forensisch PD onderzoek nauwkeurig en consistent toe, bestaande uit de professionele kwaliteitsstandaarden en principes van forensische wetenschap en onderzoek, je kan hier waar nodig mondeling en schriftelijk onderbouwd vanaf wijken. Dit doe je binnen de juridische kaders.

Je beveiligt de PD volgens landelijke richtlijnen en stelt een risico-inventarisatie op. Je kan op professionele wijze communiceren met betrokkenen. Je verzamelt en beoordeelt informatie die je vóór, tijdens en na je onderzoek verkrijgt, objectief en kritisch en hierbij werk je datagedreven. Om risico’s voor de omgeving, personen en het bewijs te beperken tref je vóór, tijdens en na het onderzoek veiligheidsmaatregelen. Je formuleert en overweegt meerdere scenario’s op basis van je waarnemingen, waarbij je verbanden legt tussen bewijsmateriaal, tijdlijnen en omgevingsfactoren. Je stelt een strategie en vereisten op, met fasering en afbakening van onderzoeksvragen, om het PD onderzoek uit te voeren. Je onderbouwt gemaakte keuzes in je strategie, met oog voor alternatieve scenario’s en validiteit. Je verzamelt biologisch, biometrisch, fysisch, digitaal, chemisch en forensisch-medisch bewijsmateriaal. Je demonstreert geavanceerde technieken en methoden voor detecteren, identificeren, verzamelen, verpakken en documenteren van bewijsmateriaal waarbij je de integriteit van het onderzoek waarborgt. Je duidt, analyseert, evalueert en verantwoordt onderzoeksbevindingen in relatie tot scenario’s, op basis van logische redenering. Je dient onderzoeksaanvragen in voor vervolgonderzoeken.

Je documenteert de verrichte handelingen en bevindingen methodisch en herleidbaar volgens de geldende richtlijnen in een dossier, zowel visueel als schriftelijk. Je stelt een proces verbaal op en levert deze conform landelijke richtlijnen aan en kan hierover verantwoording afleggen en feedback vragen.

Je werkt effectief samen met ketenpartners. Je kan de juiste ketenpartner inschakelen binnen het onderzoek waarin je werkzaam bent. Je analyseert bevindingen van de betrokken ketenpartners, duidt deze in het licht van je onderzoek en je zet vervolgacties uit.

Je reflecteert kritisch op eigen gedrag, handelen en gemaakte keuzes tijdens je werk. Je kunt feedback vragen, ontvangen en geven. Je kan mentaal weerbaar optreden in een gegeven werksituatie. Je kan tekenen van verminderde (mentale) weerbaarheid, bij jezelf en collega’s, tijdig onderkennen en daar op de juiste wijze aandacht aan schenken. Je handelt met inachtneming van de kernwaarden van je eigen organisatie.

B

Bijlage II wordt vervangen door de bijlage opgenomen in bijlage B bij dit besluit.

C

Bijlage III wordt vervangen door de bijlage opgenomen in bijlage C bij dit besluit.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

ARTIKEL II

Er is voor gekozen om de regeling met terugwerkende kracht in werking te laten treden tot en met 1 januari 2026. Aanleiding hiervoor is dat de Politieacademie de nieuwe opleidingen reeds per die datum aanbiedt en deze in de praktijk ook al zijn aangevangen. De opleidingen die door deze wijziging zijn komen te vervallen, worden sinds 1 januari 2026 niet langer aangeboden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

TOELICHTING

Met deze wijziging worden nieuwe en bijgestelde opleidingen en kwalificatiedossiers en de daarin beschreven kwalificaties in de Regeling politieonderwijs opgenomen. Opleidingen en de bijbehorende kwalificatiedossiers die niet meer worden gegeven door de Politieacademie, zijn vervallen in deze regeling.

Artikelsgewijs

Artikel I

Nieuwe kwalificatiedossiers

In de kwalificatiestructuur van het politieonderwijs zijn de volgende nieuwe kwalificaties opgenomen:

Kwalificatiedossier Basis intelligence

Kwalificatiedossier Generiek opsporen in veelvoorkomende criminaliteit

Kwalificatiedossier Hondengeleider

Kwalificatiedossier Hoogtespecialist operationele ondersteuning

Kwalificatiedossier Metingen in een mobiel telecomnetwerk (MMTN)

Kwalificatiedossier Verbindingsspecialist ME

Kwalificatiedossier Voortgezette rijvaardigheid auto

Kwalificatiedossier Werken op hoogte basis

Deze worden opgenomen in bijlage I van de Regeling politieonderwijs.

Bijgestelde kwalificatiedossiers

Kwalificatiedossier Basis Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing

Kwalificatiedossier Bedienaar meetmiddelen verkeer

Kwalificatiedossier Familierechercheur

Kwalificatiedossier Master of Crisis and Public Order Management

Kwalificatiedossier Meewerken aan een financieel rechercheonderzoek

Kwalificatiedossier Verdachtenverhoor in kinderpornozaken

Kwalificatiedossier Vervolg Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing

Deze kwalificatiedossiers zijn bijgesteld in bijlage I van de Regeling politieonderwijs.

Tot slot, vervalt in bijlagen I en II, één kwalificatiedossier, dit betreft: Verzorgen van verbindingsverkeer. Dit kwalificatiedossier is vervangen door het kwalificatiedossier Verbindingsspecialist ME.

Artikel II

Er is voor gekozen om de regeling met terugwerkende kracht in werking te laten treden tot en met 1 januari 2026. Aanleiding hiervoor is dat de Politieacademie de nieuwe opleidingen reeds per die datum aanbiedt en deze in de praktijk ook al zijn aangevangen. De opleidingen die door deze wijziging zijn komen te vervallen, worden sinds 1 januari 2026 niet langer aangeboden.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

BIJLAGE A

Eerste tabel bij Bijlage I, behorende bij artikel 1 tot en met artikel 3

Kwalificatiedossiers behorende bij de Regeling politieonderwijs

 

Naam kwalificatie

1

Aanrijdingsselecteur

2

Adviseur bewaken en beveiligen

3

Afname celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek

4

Algemeen commandant

5

AVIM Hulpofficier van Justitie

6

AVIM Aangewezen Ambtenaar

7

Bachelor Politiekunde

8

Basis Afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel (AVIM)

9

Basis intelligence

10

Basis motorsurveillant

11

Basis Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing

12

Basis rijvaardigheid auto

13

Basis ruiter bereden politie

14

Bedienaar meetmiddelen verkeer

15

Bloedspoorpatroonanalyse (BPA)

16

Bloodstain pattern analysis advanced (BPA Advanced)

17

Brand advanced

18

Brand basis

19

Chauffeur binnen een ME-inzet

20

Chauffeur waterwerper

21

Controleren van voertuigen

22

Coördinatie Plaats Delict unit

23

DNA vooronderzoek eenvoudig

24

DNA vooronderzoek complex

25

Dossiervorming verdieping

26

Dreigingsinschatting

27

Eerste hulp door politie

28

Familieagent

29

Familierechercheur

30

Financieel-administratieve waarheidsvinding

31

Forensic Network Exploration

32

Forensic Scripting

33

Forensische analyse verkeer – Rekenmodellen 2

34

Forensisch coördinator

35

Forensisch-digitaal opsporen in complexe situaties

36

Forensisch-digitaal opsporen in eenvoudige situaties

37

Forensisch onderzoek aan besturingssystemen

38

Forensisch opsporing Schietincidenten

39

Forensisch opsporing Zeden

40

Forensische opsporing Dactyloscopie

41

Forensische opsporing, Opsporen, Bergen en Identificeren

42

Forensische opsporing, Overlijdensonderzoek

43

Forensische opsporing verkeer – Toegepaste dynamica

44

Forensische opsporing – Analyse van verkeersregelinstallaties

45

Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van schoen- en bandsporen

46

Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van werktuigsporen

47

Fotoconfrontatie organiseren, coördineren, uitvoeren en schrijven

48

Fysiek-motorische vaardigheid

49

Gebruik van traangas in ME-verband

50

Gebruiken van computersimulatie bij verkeersongevalsanalyse

51

Generalist operationeel centrum

52

Generiek opsporen in veelvoorkomende criminaliteit

53

Groepscommandant in het CCB-domein

54

Hacking Investigation

55

Handelen in zaken omtrent kinderpornografie en kindersekstoerisme (HZKK)

56

Handelen in zedenzaken

57

Herkennen en beschrijven van wapens en munitie (HBWM)

58

Hondengeleider

59

Hoofd taakorganisatie

60

Hoogtespecialist operationele ondersteuning

61

Hulpofficier van Justitie

62

Informatiecoördinatie

63

Integraal opsporen in meeromvattende zaken

64

Intelligence Zaaks Analyse

65

Internet en opsporing (specialist)

66

Leidinggeven aan een AE-sectie

67

Leidinggeven aan een groep hondengeleiders ME

68

Leidinggeven aan een ME-sectie

69

Leidinggeven aan een peloton ME

70

Lid Aanhoudingseenheid

71

Lid Ondersteuningsgroep

72

Live data forensics

73

Master of Crisis and Public Order Management

74

Master Politiekunde

75

Master Recherchekunde

76

Master Tactisch Leidinggeven (MTL)

77

Medewerker Real-Time Intelligence Center

78

Meewerken aan een financieel recherche onderzoek

79

Metingen in een mobiel telecomnetwerk (MMTN)

80

Milieuagent

81

Motorrijder AOT

82

Motorrijder DKDB

83

Officier van Dienst Intelligence

84

Officier van Dienst Operationeel Centrum

85

Officier van Dienst Politie

86

Onderzoek explosies en explosieven

87

Onopvallend en veilig motorrijden OT (Rijdeel)

88

Operationele sturing

89

Opsporing en handhaving in het kader van dieren

90

Opsporing mensenhandel en migratiecriminaliteit

91

Opstellen van vermogensvergelijking, kasopstelling en financieel verslag

92

Optreden als beredene ME

93

Optreden als hondengeleider

94

Optreden als ME-lid

95

Optreden als verkenner bij CBRN-explosieven veiligheid

96

Optreden lid verkenningseenheid

97

Optreden op en nabij water: groepslid

98

Optreden op en nabij water: leidinggeven aan een groep

99

Optreden op en nabij water: leidinggeven aan een sectie

100

PD onderzoek verkeer

101

Pedagogisch-didactische aantekening Vaardigheidsdocenten (PDA-V)

102

Pedagogisch-didactische aantekening Vaardigheidsdocenten (PDA-V) fase 1

103

Politieagent (niveau 6)

104

Politieagent GGP (niveau 4)

105

Politieagent VVC (niveau 4)

106

PolitieBOA

107

Politieleider (niveau 6)

108

Politiemedewerker specifieke inzet

109

Politierijinstructeur

110

Professioneel Verhoor

111

Rechercheur (niveau 6)

112

Rijvaardigheid voor het OG-team (Ondersteuningsgroep)

113

Rijvaardigheid Dienst Infrastructuur

114

Rijvaardigheid Politieonderhandelaar

115

Signaleren en adviseren binnen verkeersinfrastructuur

116

Slachtofferidentificatie (RIT)

117

Specialist onderwijs geweldsbeheersing

118

Specialist wapens, munitie en explosieven

119

Specifieke inzet – digitaal

120

Specifieke inzet – financieel

121

Teamleider bij CBRN-explosieven veiligheid

122

Toepassen van Sociale Wetenschappen in sociale netwerkanalyse

123

Toetser RTGP

124

Toezicht houden op beroepsgoederenvervoer

125

Toezicht houden op beroepspersonenvervoer

126

Uitlezen Communicatiemiddelen voor de Opsporing (UCO)

127

Uitvoeren Drugstesten

128

Urgent veiligheidsverhoor

129

Vaste Kern Leidinggeven (VKL) – TGO

130

Vastlegging verdiepend

131

Verbindingsspecialist ME

132

Verdachtenverhoor in kinderpornozaken

133

Verhoor Complex

134

Verhoren van kwetsbare getuigen in zedenzaken

135

Verhoren van kwetsbare verdachten

136

Verkeerstechnisch begeleiden met een motor

137

Vervolg PD-onderzoek forensische opsporing generiek

138

Vormen en toetsen van scenario's

139

Voortgezette rijvaardigheid auto

140

Voortgezette Rijvaardigheid Motor (VRM)

141

Werken op hoogte basis

142

Wijkagent

143

Wijkagent (niveau 6)

BIJLAGE B

Bijlage II, bij artikel 4, van de Regeling politieonderwijs

Lijst opleiding(en) ter verkrijging van certificaat

Aanrijdingselecteur

Adviseur Bewaken en Beveiligen

Afname celmateriaal DNA-onderzoek

Algemeen commandant

Analyse Verkeersregelinstallaties VOA

AVIM aangewezen ambtenaar

AVIM hulpofficier van justitie

Basis afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel

Basis Brand

Basis bloedspoorpatroon registratie en analyse

Basis intelligence

Basis motorsurveillant

Basis PD onderzoek Forensische Opsporing

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Arrestantentaken

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Beveiliging

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Onopvallend

Basis Rijvaardigheid Auto: Rijopleiding Initieel Opvallend

Basis Ruiter Bereden Politie

Bedienaar Meetmiddel: Ademanalyseapparaat

Bedienaar Meetmiddel: Bromfietsrollentestbank

Bedienaar Meetmiddel: Geluidsniveaumeter

Bedienaar Meetmiddel: Lasersnelheidsmeter

Bedienaar Meetmiddel: Lichtdoorlatendheidsmeter

Bedienaar Meetmiddel: Wiellastmeters

Bedienaar Meetmiddel: Radarsnelheidsmeter

Bedienaar Radar

Bewakingseenheid

Bloodstain pattern analysis advanced

Brand Advanced

Chauffeur binnen een ME inzet: AE

Chauffeur binnen een ME inzet: ME

Chauffeur waterwerper

Controleren van voertuigen

Coördinatie Plaats Delict Unit

Dactyloscopie en Vastlegging

Dactyloscopie 2-ster

Dactyloscopisch onderzoeker 3-ster

DNA vooronderzoek eenvoudig

DNA vooronderzoek complex

Dossiervorming verdieping

Dreigingsinschatting

Familieagent

Familierechercheur

Financieel-administratieve waarheidsvinding

FinEc Schakelonderwijs

Forensic Network Exploration

Forensic Scripting

Forensisch Coördinator

Forensisch onderzoek in besturingssystemen: Linux Forensics

Forensisch onderzoek in besturingssystemen: Mac Forensics

Forensisch onderzoek in besturingssystemen: Windows Forensics

Forensische Analyse Verkeer – Rekenmodellen 2

Forensische Analyse Verkeer – Toegepaste Dynamica

Forensisch onderzoek schietincidenten

Forensisch onderzoek zeden

Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van schoen- en bandsporen

Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van werktuigsporen

Forensische opsporing: Opsporen, Bergen en Identificeren (OBI)

Forensische opsporing: Overlijdensonderzoek

Fotoconfrontatie Organiseren Coördineren Uitvoeren en Schrijven (FOCUS)

Gebruik van traangas in ME-verband

Gebruiken van computersimulatie bij verkeersongevalsanalyse

Generalist Operationeel Centrum

Kerntaak Opsporing

Groepscommandant CCB-domein: AE groep

Groepscommandant CCB-domein: bewakingseenheid groep

Groepscommandant CCB-domein: groep beredenen

Groepscommandant CCB-domein: ME groep

Groepscommandant CCB-domein: verkenningseenheid

Hacking Investigation

Handelen in zaken omtrent kinderpornografie en kindersekstoerisme

Handelen in zedenzaken

HAVANK

Herkennen en beschrijven van (vuur)wapens en munitie (HBWM)

Hoofd Taakorganisatie

Hondengeleider

Hulpofficier van Justitie

Identificeren-individualiseren van schoen- en bandsporen

Identificeren-individualiseren van werktuigsporen

Informatiecoördinatie

Integraal opsporen in meeromvattende zaken – IVOO

Intelligence Zaaksanalyse

Internet en Opsporing (Specialist)

Leergang operationele sturing

Leidinggeven aan een AE-sectie

Leidinggeven aan een groep hondengeleiders ME

Leidinggeven aan een ME-sectie

Leidinggeven aan een peloton ME

Lid Aanhoudingseenheid

Lid Ondersteuningsgroep

Live data forensics

Medewerker real-time intelligence center

Meewerken aan een Financieel Rechercheonderzoek

Metingen in een mobiel telecomnetwerk

Milieuagent

Motorrijder AOT

Motorrijder DKDB

Officier van Dienst Intelligence

Officier van Dienst Operationeel Centrum

Officier van Dienst Politie

Onderzoek explosies en explosieven

Onopvallend en veilig motorrijden OT – Rijdeel

Opsporing en Handhaving in het kader van dieren

Opsporing Mensenhandel en Migratiecriminaliteit

Opstellen van vermogensvergelijking, kasopstelling en financieel verslag

Optreden als beredene ME

Optreden als hondengeleider

Optreden als ME-lid

Optreden bij CBRN-explosieven veiligheid

Optreden lid Verkenningseenheid

Optreden op en nabij water: Groepslid

Optreden op en nabij water: leidinggeven aan een groep

Optreden op en nabij water: leidinggeven aan een sectie

Pantser rijden voortgezet

PD onderzoek verkeer

Pedagogisch Didactische Aantekening – Vaardigheidsdocenten

Politierijinstructeur A

Politierijinstructeur B

Politierijinstructeur C

Politierijinstructeur D

Rijvaardigheid Politie onderhandelaar

Rijvaardigheid Snel Interventie Voertuig

Rijvaardigheid voor de ondersteuningsgroep (OG)

Signaleren en adviseren binnen verkeersinfrastructuur

Specialist Onderwijs geweldsbeheersing RTGP

Specialist wapens, munitie en explosieven (WME)

Specialistische rijopleiding dienst infra opvallend (SRI)Specifieke inzet – digitaal

Teamleider bij CBRN-explosieven veiligheid (TEV)

Toepassen van sociale wetenschappen in sociale netwerkanalyse

Toetser AZV – doelgroep AOT

Toetser AZV – doelgroep DKDB

Toetser AZV – basis RTGP

Toetser schietvaardigheid pistool RTGP

Toetser vuurwapen DKDB

Toetser schietvaardigheid Doelgroep DKDB

Toetser schietvaardigheid Pistool Doelgroep DKDB

Toetser schietvaardigheid stroomstootwapen

Toetser schietvaardigheid doelgroep AOT

Toetser traangas

Toezicht houden op beroepsgoederenvervoer

Toezicht houden op beroepspersonenvervoer

Uitvoeren Drugstesten

Urgent veiligheidsverhoor

Vaste kern leidinggevenden-TGO

Vastlegging Verdiepend

Verbindingsspecialist ME

Verdachten verhoor in kinderporno zaken

Verhoor complex (VHC)

Verhoren van kwetsbare getuigen in zedenzaken

Verhoren van kwetsbare verdachten

Verkeerstechnisch begeleiden (VTB)

Vervolg PD-onderzoek Forensische Opsporing Generiek

Vormen en toetsen van scenario's

Video Registratie Onopvallend Surveilleren

Voortgezette rijvaardigheid auto (onopvallend)

Voortgezette rijvaardigheid auto (opvallend)

Voortgezette rijvaardigheid motor (VRM)

Werken op hoogte basis: algemeen

Werken op hoogte basis: hondengeleider

Werken op hoogte basis: onderhandelaar

Werken op hoogte basis: technische eenheid

WOH Hoogtespecialist operationele ondersteuning: technische eenheid Wijkagent

BIJLAGE C

Bijlage III. bij artikel 5 van de Regeling Politieonderwijs

Overige opleidingen

Aanpak Cocaïne en Heroïne

Aanpak Drugscriminaliteit Basis

Aanpak Synthetische Drugs

Aanslaginschatting (CTER)

Adviseren SGBO

Analyseren/Interpreteren, Sturen/Adviseren en Positioneren

Applicatie analyse computersimulatie

Autotechniek A

AVIM Permanente vakontwikkeling hovj / aa

Basis Digitaal Vaardig Opsporen

Basis EVOA

Basis Training Leidinggevenden AVIM

Basisopleiding Korpscheftaken I&S

Basisopleiding Milieu Intelligence

Basisopleiding mobiele telefonie binnen de opsporingspraktijk

Beoordelen van de Bewijswaarde van (Im)Materiële Sporen

Bijscholing CCB-OBT_vuur

Categoriseren en beschrijven van wapens

Challenge Specialist

Commandant Nationale Staf Grootschalig en Bijzonder optreden (NSGBO)

Communiceren met kwetsbare personen in de opsporing

Controletechniek voor de opsporingsambtenaar

CTER en georganiseerde criminaliteit

Cybercrime

Datageletterdheid

Datageletterdheid train de trainer

De-escalerend communiceren

Desinformatie in het CTER-domein

Dieren binnen I&S

Digitaal Coördinator

Digitaal Onderzoek Juridisch Onderlegd

Eenmalige terugkomdag Urgent Veiligheidsverhoor

Eergerelateerd Geweld

Effectief handhaven in het verkeer

Evalueren SGBO

Evenementenadviseur

Executive Master of Tactical Policing

Financial Crime Scripting

Forensisch Digitaal Onderzoek

Forensisch Digitaal Opsporen Senior Tactisch

Forensisch veiligstellen van vuurwapens door aangewezen ambtenaren

Frontoffice Seksuele Misdrijven

Fundament Zorg en Veiligheid

Fundamenten Forensisch Onderzoek en Analyse

Gedelegeerde bij examens Verkeersregelaar

Generalist Operationeel Centrum LX

Handelen in zaken omtrent kinderpornografie en kindersekstoerisme, basis

Herkennen van en communiceren met verstandelijk beperkte personen

Hoofdofficier van Dienst

Huiselijk Geweld, Kindermishandeling en stalking

Huisverbod HOvJ

Informatiemanager Politie

Instructeur verkeersbrigadier

Intelcellen CTER – Basis

Intelcellen CTER – Verdieping

Internationale Rechtshulp

Internet en Opsporing (Specialist)

Jaarlijkse terugkomdag urgent veiligheidsverhoor

Jeugd

Juridische aspecten & dossiervorming FoCo

Kerninstructeur Operationele Meetmiddelen Verkeer 1

Kerninstructeur Operationele Meetmiddelen Verkeer 2

Kerninstructeur Operationele Meetmiddelen Verkeer 3

Korpscheftaken Toezichthouder GGP

Landschap van crisisbeheersing

Lawfull Decryption

Live Data Forensics

Malware Investigation

Master of Crisis and Public Order management

Master Criminal Investigation

Master of Science in Policing

Medewerker Privacydesk

Milieucriminaliteit basis

Milieucriminaliteit integrale toepassing

Milieucriminaliteit juridische verdieping

Mobile Forensics

Module Tactisch Juridisch Zeden

Multidisciplinaire aanpak in het CTER-domein

NEN 3140 veiligheidsinstructie en praktijktraining Digitale Expertise

NEN 9140

Netwerk Techniek

Officier van Dienst Recherche (OvD-R)

Onbegrepen / Verward Gedrag

Ondersteunende Taakaccenthouder Stroomstootwapen

Operationeel Leidinggeven CCB

Operationele sturing

Opleiding Netwerk Divers Vakmanschap

Opleiding Privacyfunctionaris

Oriëntatie AVIM

OSINT Expert

OSINT in het CTER-domein

OSINT Professional

Politiebiker

Politieboa

Poortwachters WPG

Proceshoofd Nationale Staf Grootschalig en Bijzonder optreden (NSGBO)

Professioneel wielerronden begeleiden

Professionele groei

Rechercheren in administraties

Rechercheren in wapens

Rechtbanktraining – 1 dag

Rechtbanktraining basis

Rijopleiding Terreinauto

Specialisatie Ongewenste Buitenlandse Inmenging

Spottersopleiding

Spottersopleiding voor de Basispolitiezorg

Strafrechtelijk afpakken

Taakaccenthouder aanpak hennepteelt en ontneming

Terugkomdag Urgent Veiligheidsverhoor

Toekomstgerichte Scenario Analyse

Training Bevoegd functionaris / Informatiecoördinatie WPG

Training Mentale Weerbaarheid Basis

Training Witwassen

Traject Operationeel Politieleiderschap

Undergroundbanking

Urban obstacle training – Team Surveillance Honden

Vastlegging Basis

Vaststellen en beoordelen van de bewijswaarde van digitale sporen

Veiligstellen Data Mobiele Telefonie

Verdieping Digitaal Vaardig Opsporen

Verhoor Basis

Vermiste Personen Basis

Vervolgopleiding Korpscheftaken I&S

Visualisatie van geografische informatie

Voorbereiden en Optreden bij Risicobeheersing

Vooropleiding Algemeen Commandant SGBO

Vooropleiding Hoofd Taakorganisatie SGBO

Vuurwerk

Workshop herkenning voertuigcriminaliteit

Workshop Opsporend Surveilleren

Zelfstudie Aanpak Financieel Economische Criminaliteit

Zicht op bewaken, beveiligen en beschermen

Zicht op CTER

Zicht op Mensenhandel

Zicht op Ongewenste Buitenlandse Inmenging

Zicht op Seksuele Misdrijven

Zicht op wet BOB (juridische bijscholingsdag)


X Noot
1

Dit is niet een algemeen deel dat voorafgaand aan de uitstroomprofielen komt. Dit uitstroomprofiel is bedoeld voor een aantal doelgroepen die niet apart benoemd zijn als uitstroomprofiel in deze kwalificatievereisten, maar waarbij minimale beheersing benodigd is.

X Noot
2

Omwille van de leerbaarheid is bij de beschrijving van dit document gekozen voor de mannelijke vorm. Daar waar u ‘hij’ of ‘hem; leest, kan tevens ‘zij’ of ‘haar’ worden gelezen.


X Noot
1

Dit is niet een algemeen deel dat voorafgaand aan de uitstroomprofielen komt. Dit uitstroomprofiel is bedoeld voor een aantal doelgroepen die niet apart benoemd zijn als uitstroomprofiel in deze kwalificatievereisten, maar waarbij minimale beheersing benodigd is.

X Noot
2

Omwille van de leerbaarheid is bij de beschrijving van dit document gekozen voor de mannelijke vorm. Daar waar u ‘hij’ of ‘hem; leest, kan tevens ‘zij’ of ‘haar’ worden gelezen.

Naar boven