Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 27 mei 2026, nummer WBV 2026/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister van Asiel en Migratie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf A1/4.8 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

4.8. Aannemelijk maken Nederlanderschap

De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd een persoon die stelt Nederlander te zijn, te verplichten op grond van artikel 4.7 Vb om zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de gemeente waar de persoon zegt te zijn ingeschreven met een adres in de BRP, om de nationaliteit vast te stellen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt de Nederlandse nationaliteit aan op grond van de Rwn (Stb. 1984, 628) of van de Toescheidingsovereenkomst Nederland-Suriname en in ieder geval op grond van de volgende documenten:

  • een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding;

  • een Nederlands laissez-passer waarin de Nederlandse nationaliteit is vermeld;

  • een recent bewijs van Nederlanderschap;

  • een bewijs van naturalisatie tot Nederlander;

  • een kennisgeving tot verkrijging van het Nederlanderschap.

Een vreemdeling op wie de wet van 9 september 1976 (Stb. 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt als Nederlander behandeld en is geen vreemdeling in de zin van de Vw (zie ook artikel 1 Vw).

Voor de verkrijging van een behandeling als Nederlander en een beschrijving van de bewijsmiddelen, waarmee Molukkers de behandeling als Nederlander moeten aantonen, wordt verwezen naar de Handleiding voor de toepassing van de Rwn.

B

Paragraaf A1/7.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

7.3 Weigeren van toegang

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang aan iedere vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. De ambtenaar voegt een notitie van de toegangsweigering toe aan het persoonlijke dossier van de vreemdeling in EES en stelt een formulier M17 op, tenzij de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient. De weigering van toegang is een met redenen omklede beslissing:

  • die geen uitstel gedoogt of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de in de Vw genoemde termijn van uitstel ten uitvoer wordt gelegd;

  • die door de ambtenaar belast met de grensbewaking aan de vreemdeling wordt uitgereikt;

  • die inhoudt dat een vreemdeling bij het niet vervullen van de voorwaarden voor binnenkomst niet het grondgebied van Nederland of het Schengengebied mag binnenkomen en aldaar verblijven.

Indien de vreemdeling aan de grens een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient, handelt de ambtenaar belast met de grensbewaking als volgt.

Op de grensdoorlaatposten op de luchthaven Schiphol:

  • stelt de beslissing omtrent toegangsweigering uit door middel van het model M18A. Indien de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient nádat de toegang is geweigerd, komt die toegangsweigering van rechtswege te vervallen. De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt ook in dat geval de beslissing omtrent de toegangsweigering uit door middel van het model M18A;

  • wist de toegangsweigering in het persoonlijk EES-dossier van de vreemdeling indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is ingediend nadat de toegang is geweigerd;

  • legt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw ten behoeve van de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op door middel van het model M19A dan wel M19B; en

  • plaatst de vreemdeling ten spoedigste voor de voortzetting van de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, ten behoeve van de voorlopige medische beoordeling en de screening in AC Schiphol of de Gesloten Gezinsvoorziening in Zeist.

Op een buiten de luchthaven Schiphol gelegen grensdoorlaatpost:

  • stelt de beslissing omtrent toegangsweigering uit door middel van het model M18A. Indien de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient nádat de toegang is geweigerd, komt die toegangsweigering van rechtswege te vervallen. De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt ook in dat geval de beslissing omtrent de toegangsweigering uit door middel van het model M18A;

  • legt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw ten behoeve van de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en het voortzetten van de screening op door middel van het model M19 (zie paragraaf A5/3.2 Vc);

  • wist de toegangsweigering in het persoonlijk EES-dossier van de vreemdeling indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is ingediend nadat de toegang is geweigerd;

  • brengt de vreemdeling ten behoeve van de voortzetting van de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en de screening over naar de screeningslocatie op de luchthaven Schiphol.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt bij twijfel contact op met de IND over het al dan niet uitstellen van de weigering tot toegang, als de ambtenaar belast met de grensbewaking concludeert dat het weigeren van toegang mogelijk leidt tot het schaden van een wezenlijk humanitair belang of het ondergaan van grensdetentie onevenredig bezwarend wordt geacht.

De ambtenaar belast met de grensbewaking kan altijd de medewerker van de IND consulteren voor advies indien hiertoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanleiding bestaat. Het advies van de medewerker van de IND is in deze gevallen bindend.

Indien een volwassen vreemdeling samen met een minderjarig kind of een niet-begeleide minderjarige aan de grens te kennen geeft een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dan beoordeelt de ambtenaar belast met de grensbewaking of de aanvraag in de asielgrensprocedure kan worden afgedaan.

Een aanvraag kan uitsluitend in de asielgrensprocedure worden afgedaan in de volgende gevallen:

  • a. de ambtenaar belast met de grensbewaking twijfelt aan de relatie/gezinsband tussen de (gestelde) ouder of hoofdverzorger en de minderjarige en plaatsing van de minderjarige in een reguliere opvanglocatie biedt de minderjarige onvoldoende bescherming; of

  • b. er aanwijzingen zijn dat de minderjarige het slachtoffer is van, of betrokken is bij, mensenhandel- en/of mensensmokkel; of

  • c. er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de ouder of hoofdverzorger en/of de minderjarige een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde en de bewaring de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid en/of uitbuiting; of

  • d. er getwijfeld wordt aan de minderjarigheid en de minderjarigheid nog niet is vastgesteld door de IND.

Indien de aanvraag niet in de asielgrensprocedure kan worden afgedaan, dan handelt de ambtenaar belast met grensbewaking als volgt:

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking verleent de toegang en legt daarmee geen vrijheidsontnemende maatregel op; en

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking verwijst deze vreemdelingen voor het indienen van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, door naar aanmeldcentrum Ter Apel.

Indien de aanvraag in de asielgrensprocedure kan worden afgedaan, dan handelt de ambtenaar belast met grensbewaking als volgt:

  • stelt de toegangsweigering uit door middel van het model M18A;

  • legt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw op ten behoeve van de voortzetting van de screening en de behandeling van de asielaanvraag door middel van het model M19A dan wel M19B (zie paragraaf A5/3.2 Vc); en

  • plaatst de volwassen vreemdeling en het minderjarige kind, voor de voorzetting van de screening, ten behoeve van de voorlopige medische beoordeling en de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in de Gesloten Gezinsvoorziening in Zeist.

Indien er door de ambtenaar belast met de grensbewaking wordt vastgesteld dat er risico’s zijn voor het geestelijk of lichamelijk welzijn van het minderjarige kind en/of dat er geen nader onderzoek nodig is naar de volwassen vreemdeling of zijn gestelde relatie tot het minderjarige kind (de relatie wordt niet aangenomen), dan wordt er als volgt gehandeld. De ambtenaar belast met de grensbewaking:

  • verleent aan het minderjarige kind de toegang en legt daarmee geen vrijheidsontnemende maatregel op;

  • verwijst het minderjarige kind voor het indienen van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en de screening, door naar de IND;

  • stelt de beslissing omtrent de toegangsweigering van de volwassen vreemdeling uit door middel van het model M18A;

  • legt aan de volwassen vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw op ten behoeve van de voortzetting van de screening en de behandeling van de asielaanvraag door middel van het model M19A dan wel M19B (zie paragraaf A5/3.2);

  • plaatst de volwassen vreemdeling ten spoedigste voor de voortzetting van de screening, de voorlopige medische beoordeling en de behandeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in AC Schiphol.

De ambtenaar belast met de grensbewaking legt een voornemen voor aan de IND als het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een vreemdeling die een onderdaan van de EU, EER of Zwitserland of een familielid van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38EG van toepassing is of dit stelt te zijn, en vraagt een bijzondere aanwijzing op grond van artikel 8.8, tweede lid, Vb.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de IND als, in andere dan de hierboven genoemde gevallen, het al dan niet verlenen van toegang nauw samenhangt met de toelatingsbeslissing. Dit gebeurt in ieder geval als de ambtenaar belast met grensbewaking het voornemen heeft de toegang te weigeren aan personen behorend tot een van onderstaande categorieën:

  • de persoon die zich erop beroept Nederlander te zijn en/of daarmee te worden gelijkgesteld;

  • de vreemdeling die zich op een bijzondere status beroept (zie A1/4 Vc);

  • de vreemdeling die zich erop beroept dat hem lang verblijf in Nederland of een Schengenlidstaat is toegestaan;

  • de vreemdeling die in het bezit is van een geldige mvv; of

  • buitenlandse adoptiekinderen, adoptiefkinderen en pleegkinderen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de IND als:

  • het weigeren van toegang leidt tot het schaden van een wezenlijk humanitair belang;

  • de toepassing van een vrijheidsbeperkende of ontnemende maatregel onevenredig bezwarend wordt geacht;

  • een wezenlijk Nederlands belang (bijvoorbeeld het bijzonder urgente reisdoel van de vreemdeling) zich tegen weigering van toegang verzet.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert toegang aan een vreemdeling van wie blijkt dat hij lang verblijf beoogt, als de vereiste mvv ontbreekt. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag met machtiging van de IND onder bepaalde voorwaarden in ieder geval toegang verlenen in de volgende situaties:

  • de vreemdeling wijzigt zijn verblijfsdoel;

  • er is een wezenlijk Nederlands belang gediend bij het verlenen van toegang;

  • er is sprake van klemmende reden van humanitaire aard.

De ambtenaar belast met de grensbewaking kruist in het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als model M17 overgenomen als bijlage van de Vc, de redenen aan op grond waarvan de toegang wordt geweigerd aan een vreemdeling uit een derde land die wil inreizen. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt op het model M17 melding van:

  • de toepasselijke bepalingen van de wetgeving met betrekking tot de reden voor toegangsweigering (in dit geval artikel 14 juncto artikel 6, SGC).

7.3.1. Toegangsweigering na de asielgrensprocedure

In paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw is toegelicht in welke situaties de grondslag voor vrijheidsontneming in artikel 6, derde lid, Vw wordt toegepast. Wanneer de daar genoemde situaties niet langer van toepassing zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 SGC middels het M17A. Tevens voegt de ambtenaar belast met de grensbewaking een notitie van de toegangsweigering toe aan het persoonlijke dossier van de vreemdeling in het EES.

Tevens wordt door de bevoegde ambtenaar van de IND een nieuwe vrijheidsontnemende maategel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw dan wel artikel 6a, eerste lid, Vw. Het nemen van een besluit omtrent de weigering van de toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder “Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw” onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn.

7.3.2. Toegangsweigering na intrekking van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure

Indien de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel intrekt, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 juncto artikel 6 SGC, middels het model M17. Tevens voegt de ambtenaar belast met de grensbewaking een notitie van de toegangsweigering toe aan het persoonlijke dossier van de vreemdeling in het EES. Tevens wordt door de ambtenaar belast met grensbewaking een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw dan wel artikel 6a, eerste lid, Vw. Het nemen van een besluit omtrent de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen na intrekking van de asielaanvraag.

7.3.3. Gevaar voor de volksgezondheid

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang niet indien de vreemdeling een onderdaan is van België of Luxemburg en hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid.

Als een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de vreemdeling de toegang als de ziekte:

  • behandeling in een ziekenhuis nodig maakt; of

  • ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine.

De ambtenaar belast met de grensbewaking legt een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Vw of een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw of artikel 6a, eerste lid, Vw op met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie model M19 of M19A en Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld).

De ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt of aan de vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend na afloop van:

  • de behandeling van de ziekte; of

  • de periode van quarantaine.

De ambtenaar belast met de grensbewaking informeert de Korpschef over de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.

7.3.4. Rechtsmiddelen toegangsweigering

De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling administratief beroep kan instellen bij de IND. De ambtenaar belast met de grensbewaking reikt aan de vreemdeling naast het model M17, M17A of M18 ook een folder ‘Rechtsmiddelen’ uit.

De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt een bericht aan de meldcentrale rechtsbijstand als een geweigerde vreemdeling om een raadsman verzoekt. De vreemdeling moet het administratief beroepschrift binnen vier weken indienen bij de IND. De vreemdeling mag de behandeling van het administratief beroepschrift niet in Nederland afwachten. De vreemdeling moet Nederland op grond van artikel 5, eerste lid, Vw onmiddellijk verlaten, tenzij er sprake is van een eerste verzoek om een voorlopige voorziening.

Indien na de toegangsweigering (vrijwel) gelijktijdig een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw of artikel 6a, eerste lid, Vw wordt opgelegd, dan omvat het beroep tegen deze vrijheidsontnemende maatregel gelet op het bepaalde in artikel 94, tweede lid, Vw van rechtswege mede een beroep tegen het besluit tot toegangsweigering dat is genomen middels het model M17 of M18, in plaats van administratief beroep.

7.3.5. Rechtsmiddelen uitstellen van de toegangsweigering

Het uitstellen van het besluit over de toegang tot Nederland is aan te merken als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Het betreft dan ook geen besluit waartegen afzonderlijk rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Indien de vreemdeling wil opkomen tegen de toepassing van de asielgrensprocedure, kan dit, indien de klacht samenhangt met de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw naar voren worden gebracht in het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Indien de klacht samenhangt met de behandeling dan wel de uitkomst van de asielaanvraag, kan deze naar voren worden gebracht bij het beroep tegen het besluit tot afwijzing van die aanvraag.

7.3.6. Rechtsmiddelen toegangsweigering na afwijzing asielaanvraag in de asielgrensprocedure (model M17A)

Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw dan wel artikel 6a, eerste lid, Vw na afwijzing van een asielaanvraag in de asielgrensprocedure omvat gelet op het bepaalde in artikel 94, tweede lid, Vw van rechtswege mede een beroep tegen het besluit tot toegangsweigering dat is genomen middels het model M17A, in plaats van administratief beroep.

7.3.7. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de aanvraag om een visum uitsluitend wanneer de vreemdeling overtuigend heeft aangetoond dat de aanvrager een familie- of een gezinslid is in de zin van artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb:

  • op de gronden genoemd in artikel 8.8, eerste lid onder a en b, Vb;

  • als sprake is van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verstrekt het visum gratis in het geval dat hij een familie- of gezinslid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb aan de grens aantreft en hij de vreemdeling verzoekt om een visum aan te vragen om de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland te begeleiden of zich bij die onderdaan te voegen.

7.3.8. Niet-begeleide minderjarige

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking aan een niet-begeleide minderjarige de toegang tot Nederland weigert, draagt de ambtenaar de vreemdeling over aan de DTenV voor het terugbrengen van de minderjarige naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.

C

Paragraaf A1/8 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

8. Bijzondere categorieën

Werkzoekende zeelieden

Een zeeman die werk wil zoeken aan boord van een zeeschip in een haven in het Schengengebied, zonder dat uit een verklaring van de rederij/scheepsagent de mogelijkheid van aan- of overmonstering blijkt, moet aan alle voorwaarden voor toegang voldoen.

Voor een werkzoekende zeeman mag het zeemansboekje niet in de plaats van het paspoort treden om te voldoen aan de voorwaarde dat de vreemdeling in het bezit moet zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.

Als aan alle overige voorwaarden voor toegang wordt voldaan mag het hoofd van de grensdoorlaatpost aan een werkzoekende zeeman aan de grens een visum met een geldigheid van maximaal vijftien dagen afgeven als in het geldig document voor grensoverschrijding het benodigde visum ontbreekt. Indien nodig mag de vreemdeling in uitzonderlijke gevallen na afloop van de termijn van vijftien dagen een verlenging van de geldigheidsduur van het visum vragen bij de Visadienst of voor zover het een in de eenheid Rotterdam verblijvende zeeman betreft bij de ZHP.

De werkzoekende zeeman moet bovendien met een zeemansboekje (-paspoort) of andere bewijsmiddelen kunnen aantonen dat hij het beroep van zeeman uitoefent.

Werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat

Een vreemdeling die via Nederland naar een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat wil reizen of die komende van een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat Nederland wil inreizen moet voldoen aan alle normale voorwaarden voor toegang. Het verkeer van en naar een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat moet plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De vreemdeling moet de normale in- en uitreisformaliteiten vervullen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert de vreemdeling niet op bestaansmiddelen als de vreemdeling aantoont dat hij op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat is tewerkgesteld.

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt bij vertrek uit Nederland naar een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat vast of de vreemdeling aan alle voorwaarden voor toegang heeft voldaan.

Een vreemdeling die werkzaam is als medewerker op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat mag een visum, geldig voor meer inreizen, aanvragen op de Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging in Antwerpen. De vreemdeling moet zich voor het aanvragen van een visum in persoon melden en moet in het bezit zijn van de volgende bewijsmiddelen:

  • een arbeidscontract met een bedrijf dat een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat exploiteert, gevestigd in Nederland, dan wel met een vertegenwoordiger in Nederland;

  • een geldig document voor grensoverschrijding, dat niet een zeemansboekje is, waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment waarop hij de aanvraag doet voor een visum voor meer inreizen legaal verblijf heeft in Nederland;

  • een door het bedrijf dat een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat exploiteert getekende garantverklaring als bedoeld in bijlage 6a en 6b VV.

Als de vreemdeling de bovenstaande bewijsmiddelen overlegt, stelt het Nederlandse Consulaat-Generaal de vreemdeling in het bezit van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum mag niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het arbeidscontract of het geldige document voor grensoverschrijding.

Werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat werken afwisselend veertien dagen op die mijnbouwinstallatie en hebben veertien dagen verlof aan de wal. Voor dit verlof aan de wal gelden de normale voorwaarden voor kort verblijf in Nederland.

Deze beleidsregels gelden ook als de vreemdeling niet werkzaam is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat maar bij een bedrijf dat ondersteunend werkt voor die mijnbouwinstallatie (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’).

In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen

Wanneer de vreemdeling een redelijke grond kan aanvoeren voor zijn verlate terugkeer mag de ambtenaar belast met de grensbewaking toegang verlenen aan:

  • de houder van een geldig paspoort;

  • de houder van een verblijfsvergunning waarvan de geldigheidsduur nog maar korte tijd is verstreken. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet onmiddellijk het verblijfsrecht van de vreemdeling nagaan. Als de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling doorlaat moet de ambtenaar met toepassing van artikel 4.26 Vb een meldplicht opleggen aan de vreemdeling.

De ambtenaar belast met de grensbewaking moet voor vaststelling van het verblijfsrecht van de vreemdeling contact opnemen met de vreemdelingenpolitie van de politieregio in welke de gestelde woon- of verblijfplaats van de vreemdeling is gelegen, dan wel met de IND als de vreemdeling niet kan aantonen of aannemelijk kan maken dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan.

In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert niet de toegang aan houders van een geldige Belgische of Luxemburgse verblijfsvergunning enkel op de grond dat zij niet in het bezit zijn van hun geldige document voor grensoverschrijding. De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert niet op het bezit van bestaansmiddelen bij deze vreemdelingen, wanneer zij in het bezit zijn van geldige reistickets naar België of Luxemburg. De bovenstaande beleidsregels gelden ook voor vreemdelingen die in het bezit zijn van het vereiste document voor grensoverschrijding en een geldige Belgische of Luxemburgse mvv (autorisation de séjour provisoire), mits in deze machtiging staat vermeld dat zij geldig is voor binnenkomst in het Beneluxgebied.

Uitgenodigde vluchtelingen

De IND kondigt de komst van een vreemdeling die als vluchteling door de Nederlandse regering is uitgenodigd van te voren bij de ambtenaar belast met de grensbewaking aan. De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent deze vreemdeling toegang. De IND stelt deze vreemdeling in de gelegenheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in te dienen.

Staatlozen

Voor staatlozen wordt verwezen naar het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag. In dit verdrag wordt onder een staatloze verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

De autoriteiten van het land waar een staatloze is toegelaten stelt de vreemdeling in de regel in het bezit van een vreemdelingenpaspoort.

Een vreemdeling is op grond van Verordening 539/2001 EG vrijgesteld van de visumplicht als hij in het bezit is van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan:

  • staatlozen; of

  • andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat.

D

Paragraaf A1/9 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9. Verplichtingen voor vervoerders

Zorgplicht

Een vervoerder moet zijn personeel zodanig instrueren, dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland. Onder het personeel van de vervoerder valt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht. Het personeel van de vervoerder moet bij de controle van de reisdocumenten vaststellen of een document voor grensoverschrijding geldig is.

De vervoerder moet ten minste controleren of:

  • de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden document voor grensoverschrijding zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van het document voor grensoverschrijding;

  • het aangeboden document voor grensoverschrijding voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming);

  • de geldigheidsduur van het aangeboden document voor grensoverschrijding en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;

  • het aangeboden document voor grensoverschrijding is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit.

De vervoerder verstrekt via de webdienst (artikel 13 EES-verordening) de noodzakelijk gegevens aan het EES systeem om na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten al dan niet het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, hebben opgebruikt. Op die basis verstrekt de webdienst vervoerders het antwoord OK/NIET OK.

De vervoerder moet door middel van een kort en bondig onderzoek controleren of het aangeboden document voor grensoverschrijding vals of vervalst is, waarbij zonodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.

Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, moet de vervoerder deze apparatuur voor de controle van documenten voor grensoverschrijding gebruiken.

De Nederlandse overheid is bevoegd de vervoerder aanwijzingen te geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.

De Nederlandse overheid mag een vervoerder verzoeken, op grond van de daartoe strekkende internationale regelgeving, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het zeeschip of vliegtuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag deze bevoegdheid uitoefenen als daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.

De Nederlandse overheid houdt, om vervoerders in staat te stellen de controle op reisdocumenten zo goed mogelijk te verrichten, vervoerders regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. De Nederlandse overheid geeft aanwijzingen aan de vervoerder die een effectievere en efficiëntere controle kunnen bewerkstelligen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt een proces-verbaal op als de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling aanvoert zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten.

Afschriftplicht

De vervoerder die op grond van artikel 2.2 Vb verplicht is een afschrift te maken van een geldig document voor grensoverschrijding moet de afbeeldingen desgevraagd binnen één uur na het verzoek geven aan de ambtenaar belast met de grensbewaking, als een vreemdeling bij binnenkomst in Nederland niet over (de juiste) reisdocumenten blijkt te beschikken.

De ambtenaar belast met de grensbewaking hoeft niet over de exacte gegevens beschikken van de vlucht waarmee de vreemdeling is aangekomen. Een indicatie, verkregen uit de verklaringen van de vreemdeling of uit andere bronnen is hiertoe voldoende.

Passagiersinformatieplicht

Richtlijn 2004/82/EG, ofwel de API-richtlijn heeft tot doel de grenscontroles te verbeteren en illegale immigratie te bestrijden door erin te voorzien dat luchtvervoerders desgevraagd passagiersgegevens (de zogenoemde Advance Passenger Information, API-gegevens) vooraf verstrekken aan de ambtenaren belast met de grensbewaking. Het gaat hier onder andere om gegevens uit het reisdocument en over de reis van de desbetreffende passagier. De ambtenaar belast met de grensbewaking bepaalt op grond van artikel 2.2a Vb ten aanzien van welke plaatsen van vertrek en van welke vervoerders de passagiersgegevens zullen worden gevorderd. De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt op grond van artikel 2.2b Vb de verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken. Indien de passagier behoort tot een categorie vreemdelingen, ten aanzien waarvan een verhoogd risico bestaat op illegale immigratie vernietigt de ambtenaar belast met de grensbewaking de gegevens 4 dagen na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken. Voor het onderkennen van vreemdelingen die een risico vormen voor illegale immigratie worden risico indicatoren gebruikt. De risico indicatoren zijn gebaseerd op onder andere gegevens van reguliere en asiel gerelateerde weigeringen uit het verleden, op informatie van liaisons, op afwijkende vliegbewegingen en op basis van claims die in het verleden zijn opgelegd in het kader van artikel 4 Vw.

De vervoerder die op vordering van de ambtenaar belast met de grensbewaking op grond van artikel 2.2a Vb passagiersgegevens verzendt, gebruikt hiervoor het International Air Transport Association (IATA)-berichtenformat, type B, met de structuur die is gebaseerd op de vanwege de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vastgestelde indeling voor elektronische gegevensuitwisseling voor overheid, handel en vervoer, gepubliceerd onder de titel: Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport (EDIFACT) Passenger List Message (PAXLST). Het IATA-adres waar de gegevens naartoe verzonden moeten worden, is HDQKMXH.

Terugvoerplicht

De vervoerder is verplicht om een vreemdeling die hij naar Nederland heeft vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, op aanwijzing van de ambtenaar belast met de grensbewaking terug te brengen naar een plaats buiten het Schengengebied. Van toegangsweigering is onverminderd sprake indien de toegangsweigering in eerste instantie is uitgesteld of opgeschort omdat de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend. De vervoerder brengt de vreemdeling naar in ieder geval één van de volgende landen:

  • het derde land van waaruit de vreemdeling werd aangevoerd;

  • het derde land dat het geldige document voor grensoverschrijding heeft afgegeven waarmee de vreemdeling heeft gereisd;

  • een derde land waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

Deze terugvoerplicht van de vervoerder geldt in alle volgende situaties:

  • bij weigeringen van toegang van vreemdelingen die niet beschikken over (de juiste) documenten voor grensoverschrijding;

  • bij weigeringen van toegang op basis van één van de andere gronden van artikel 3 Vw en/of artikel 6 SGC;

  • bij staande houding van vreemdelingen met het oog op uitzetting binnen zes maanden na binnenkomst. Voor de vaststelling van de termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van de staande houding.

De ambtenaar belast met de grensbewaking claimt vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd voor terugname bij de vervoerder.

Voor het vervoer van de vreemdeling door de vervoerder naar een plaats buiten Nederland worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie model M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago). De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt, om het terugvoeren van een vreemdeling naar een plaats buiten Nederland door de vervoerder te faciliteren, gebruik van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten, bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (zie Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).

De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd moet zich tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging ophouden in de hem daartoe door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte, die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit.

De vervoerder is verantwoordelijk voor de vreemdeling gedurende de gehele periode vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten Nederland, tot aan het moment dat de vreemdeling daadwerkelijk door de vervoerder naar een plaats buiten Nederland is vervoerd.

Als de vervoerder de vreemdeling niet binnen redelijke termijn terug kan brengen, mag de minister de met de verwijdering gepaard gaande kosten, waaronder de verblijfskosten, op de vervoerder verhalen (zie paragraaf A1/9 Vc Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten).

De ambtenaar belast met de grensbewaking bekijkt opnieuw of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang als:

  • de uitzetting van een vreemdeling aan wie ten tijde van de uitzetting de toegang was geweigerd, mislukt; en

  • de vreemdeling terugkeert nadat de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of zeeschip het Nederlands grondgebied had verlaten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de vreemdeling opnieuw de toegang tot Nederland als de vreemdeling niet aan de voorwaarden voldoet.

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft de vervoerder een nieuwe aanwijzing om de vreemdeling zonder kostenvergoeding terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie model M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago) als de vreemdeling eerder op grond van artikel 65 Vw is verwijderd.

De vreemdeling die Nederland uit eigen beweging verlaat, maar aan wie door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit de toegang wordt geweigerd en wordt teruggezonden moet bij terugkomst in Nederland voldoen aan de voorwaarden voor toegang. De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang tot Nederland als de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor toegang voldoet. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling terug naar Nederland is vervoerd niet de verplichting van artikel 65 Vw opleggen tot het vervoeren van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland.

De ambtenaar belast met de grensbewaking effectueert het vertrek van vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen op ten minste één van de volgende momenten:

  • zodra het aanvoerende zeeschip vertrekt, of op een eerder tijdstip als het vertrek, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd;

  • zodra plaatsing aan boord van een vliegtuig van de betreffende maatschappij mogelijk is met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.

Verstekelingen

De vervoerder mag de in bijlage 14c en 14d VV genoemde passagierslijsten gebruiken voor de opgave van aangetroffen verstekelingen.

Als een vreemdeling die als verstekeling is aangetroffen aan boord van een zeeschip niet voldoende gedocumenteerd is, moet de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land waar de vreemdeling vermoedelijk vandaan komt de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling vaststellen en aan de vreemdeling een vervangend reisdocument geven. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van waar de vreemdeling vermoedelijk vandaan komt moet de nationaliteit en identiteit vaststellen en de vervangende reisdocumenten afgeven voor het moment waarop het zeeschip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag niet tot gevolg hebben dat een unieke verwijdermogelijkheid verloren gaat.

De gezagvoerder van een zeeschip mag zich niet zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de vreemdeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet, als de gezagvoerder zich op dit voorschrift beroept, de omstandigheden die de gezagsvoerder aanvoert beoordelen en afwegen tegen het belang van terugplaatsing van de vreemdeling aan boord.

Vreemdelingen met een vluchtrelaas

Als de vreemdeling op het moment van vertrek stelt dat zijn leven in het land van waar hij wil vertrekken in direct gevaar is, mag de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging zenden om daar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘asiel’ in te dienen. De vervoerder moet contact opnemen met de IND als de vervoerder overweegt een vreemdeling te vervoeren die stelt dat zijn leven in direct gevaar is.

Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd met instemming van het hoofd van de IND, geldt geen terugvoerplicht. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt geen proces-verbaal op van vermoedelijke overtreding van de vervoerder van artikel 4 Vw.

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt proces-verbaal op in alle gevallen waarin als gevolg van het nalaten van de zorg- of afschriftplicht door de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling binnen Nederland is gebracht (zie artikel 4, eerste, tweede en derde lid, Vw, artikel 5, eerste en tweede lid, Vw, artikel 65, derde lid, Vw en artikel 197a WvSr). De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt alle processen-verbaal door aan het OM. Het OM biedt eerst een transactie aan de overtreder van de zorg- of afschriftplicht aan.

Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten

De DTenV verhaalt de met de verwijdering gepaard gaande kosten op de vervoerder nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden, en de ambtenaar belast met de grensbewaking de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.

Nadat een vreemdeling is terugvervoerd door een vervoerder, leveren alle overheidsinstanties de DTenV een overzicht aan van de kosten die zij met betrekking tot de betreffende vreemdeling hebben gemaakt. De overheidsinstanties doen dit aan de hand van de tarievenlijst zoals opgenomen in bijlage 22 van het VV. Deze gestandaardiseerde tarieven betreffen de kosten van uitzetting en de kosten van verblijf die de overheid maakt met betrekking tot vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. De tarieven zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse overheidsinstanties. De DTenV stuurt de vervoerder een rekening die de kosten omvat die door de diverse overheidsinstanties zijn gemaakt.

De terugvoerplicht en de geldende procedure rondom het verhalen van kosten staan beschreven op www.terugvoerplicht.nl.

E

Paragraaf A2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die toezien op de uitoefening van het vreemdelingentoezicht. Het vreemdelingentoezicht bestaat uit het toezicht ter bestrijding van illegale immigratie, het toezicht in het binnenland en controles voortvloeiende uit de vreemdelingenregistratie.

In de navolgende paragrafen zijn maatregelen van toezicht opgenomen en de mogelijkheden voor het opleggen van bepaalde verplichtingen aan vreemdelingen of aan derden.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen:

  • artikel 50, 52, 53, 54, 55, 62, 62a, 66a en 67 Vw;

  • artikel 6.5 VV;

  • artikel 4.18 tot en met 4.21, 4.23, 4.29 tot en met 4.36, 4.39 tot en 4.45, 4.47, 5.5, 5.6, artikel 6.1, 6.5, 6.5a en 6.7 Vb.

2. Staande houden

2.1. Staande houden ter vaststelling identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft de bevoegdheid om personen staande te houden om de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de persoon vast te stellen. Van deze bevoegdheid mag gebruik gemaakt worden als sprake is van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren of ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet het vermoeden dat de persoon geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, toetsen aan objectieve maatstaven. Deze objectieve maatstaven zijn in ieder geval gebaseerd op tenminste één van de volgende voorwaarden:

  • feiten of omstandigheden van de situatie waarin de persoon wordt staande gehouden;

  • aanwijzingen over de persoon die wordt staande gehouden;

  • ervaring- of omgevingsgegevens van de politie, KMar of andere overheidsinstanties.

Een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mag in ieder geval in de volgende situaties aangenomen worden:

  • informatie van overheidsinstanties, zoals de Gemeentelijke Sociale Dienst of de Inspectie SZW of de BRP;

  • aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie;

  • aanwijzingen die de politie verkrijgt bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van de politietaken;

  • een controle in een woning of een bedrijf waarbij bij een eerdere controle illegale personen aangetroffen zijn;

  • het aantreffen van andere personen in dezelfde woning waar een met naam bekende illegale of uitgeprocedeerde vreemdeling ter uitzetting aangehouden wordt of kan worden;

  • een controle van inzittenden van een voertuig waarvan bij een verkeerscontrole is gebleken dat de bestuurder van dat voertuig illegaal in Nederland verblijft;

  • voertuigen waarmee personen vervoerd worden naar een bedrijf waar eerder illegale vreemdelingen aangetroffen zijn;

  • concrete (anonieme) tips over illegale vreemdelingen;

  • een verdachte van niet-Nederlandse nationaliteit, die zich niet kan identificeren;

  • als uit EES blijkt dat de vreemdeling de vrije termijn, bedoeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000, heeft overschreden;

  • een gelegenheid of plaats, waar zich veel vreemdelingen plegen op te houden, en waarvan vermoed wordt of bekend is dat er zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden;

  • een redelijk vermoeden van mensensmokkel;

  • een redelijk vermoeden van illegale tewerkstelling in het kader van de Wav;

  • een redelijk vermoeden van illegaal in Nederland verblijvende prostituees.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen raadpleegt de gegevens over de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van de staande gehouden persoon in de BVV, als deze gegevens niet vastgesteld kunnen worden aan de hand van een document zoals omschreven onder artikel 4.21 Vb. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen beoordeelt op basis van de gegevens in de BVV of een terugkeerbesluit moet worden genomen tegen een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft. Het terugkeerbesluit wordt opgelegd met het model M107-A.

Als de gegevens van de staande gehouden persoon niet voorkomen in de BVV raadpleegt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de opgegeven nationaliteit van de staande gehouden persoon in de BRP.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen onderzoekt de verblijfsstatus van de staande gehouden persoon die niet de Nederlandse nationaliteit heeft of als een verblijfsstatus die in de BVV gevonden is om nader onderzoek vraagt.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van het staande houden van personen een proces-verbaal opmaken, met gebruikmaking van het model M105 of in geval van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) van het model M105-D.

2.2. Staandehouding van vreemdelingen met rechtmatig verblijf

Staandehouding van een vreemdeling met rechtmatig verblijf is mogelijk op grond van artikel 50a, eerste lid, Vw. Dit artikel is van toepassing op vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in verband met een procedure aangaande:

  • een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier;

  • een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel;

  • de overdracht van een vreemdeling naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

2.3. Staande houden in verband met uitvoering artikel 55 Vw

Alvorens een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indient, aan lichaam, kleding en bagage wordt onderzocht, kan de vreemdeling worden staande gehouden (artikel 55, tweede lid, Vw). Dit geldt ook voor fouillering met het oog op de veiligheid in het aanmeldcentrum (artikel 55, derde lid, Vw). Als zich hierbij bijzonderheden voordoen, wordt model M105-B gebruikt.

2.4. Overname uit strafrecht

In het geval de vreemdeling ter uitvoering van de ketenprocesbeschrijving VRIS wordt overgedragen aan de AVIM of KMar hoeft geen staandehouding als bedoeld in artikel 50, eerste lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, Vw meer plaats te vinden. Er kan gelijk worden overgegaan tot overbrenging en/of de ophouding als bedoeld in artikel 50, tweede of derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, Vw, mits het tijdstip van ophouding gelijk is aan – dan wel direct aansluit op – het tijdstip van einde detentie of strafrechtelijke heenzending. Dit is het tijdstip waarop de termijn van de vreemdelingenrechtelijke ophouding aanvangt. De overname en de opvolgende ophouding worden verantwoord in het model M105-A (zie ook A5/6.12 Vc).

2.5. Overbrengen en ophouden

De ophoudingstermijn van artikel 50 of 50a Vw vangt aan bij de aankomst van de staandegehouden persoon op de plaats bestemd voor verhoor. Bij het overbrengen van de staande gehouden persoon telt de tijd van overbrenging naar de plaats bestemd voor verhoor niet mee.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van het ophouden van personen een proces-verbaal opmaken door gebruik te maken van het model M105-A of in geval van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) van het model M105-D.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon op de hoogte stellen van alle volgende rechten:

  • het recht om zich bij te laten staan door een raadsman;

  • het recht op bijstand van diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland;

  • het recht op aan kennisgeving van de ophouding aan derden (verwanten, echtgeno(o)t(e) of een levenspartner);

  • het recht op beroep tegen de ophouding;

Als de opgehouden persoon minderjarig is, worden degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen geïnformeerd over de ophouding. Als daartoe geen gelegenheid bestaat, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de kennisgeving doen aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland. Van de verplichting tot kennisgeving aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging kan worden afgezien indien de minderjarige persoon kenbaar maakt een verblijfsvergunning asiel te willen indienen.

De vreemdeling kan tevens opgehouden worden op grond van artikel 50 Vw, indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 7 van de Screeningsverordening.

3. Onderzoek identiteit en verblijfsstatus en toepassing screeningsverordening

In artikel 4.21 Vb worden de bewijsmiddelen genoemd waarmee personen zich in Nederland op grond van artikel 50, eerste lid, Vw kunnen identificeren. Het visum waarvan sprake is in artikel 4.21, eerste lid, onder e, Vb moet een geldig visum zijn.

Het onderzoeken van kleding of zaken van de opgehouden persoon of het onderzoek verrichten aan het lichaam mag alleen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • het onderzoek wordt verricht door een ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • andere manieren hebben niet geleid tot het vaststellen van de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van de opgehouden persoon.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van de opgehouden persoon alle volgende handelingen verrichten:

  • de vreemdeling voorbereiden op elektronische afname van vingerafdrukken op de Identiteitszuil (de Basis Voorziening Identiteitsvaststelling – BVID);

  • de instructies volgen volgens de gekozen categorie ‘Vreemdelingen’ op de identiteitszuil;

  • de uitvoering van de identiteitsvaststelling met de identiteitszuil;

  • de resultaten opvolgen die voortkomen uit de door de identiteitszuil geraadpleegde systemen;

  • vaststellen of de vreemdeling valt onder de werking van de Screeningsverordening;

  • het EES raadplegen om de vreemdeling aan de hand van biometrische gegevens te identificeren en aan de hand van de in- en uitreisnotities de verblijfsrechtelijke positie vast te stellen; en

  • voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding moet voor een aantal nationaliteiten vingerafdrukken met papier en inkt afgenomen worden. Hiervoor moet het speciaal daarvoor bedoelde formulier voor vingerafdrukken worden gebruikt (het Dactyloscopisch Formulier Identiteitsonderzoek). Op dit formulier mogen geen identiteitsgegevens vermeld worden of een verwijzing naar de verblijfshistorie van de vreemdeling vermeld staan.

Voor zover de vreemdeling onder de werking van de Screeningsverordening valt, wordt voor het screeningsproces verwezen naar paragraaf A1/xxx Vc.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen neemt contact op met het Nationaal Coördinatiecentrum Eurosur, als de vreemdeling stelt in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning uit een andere lidstaat van de Europese Unie, Europese Economische Ruimte of uit Zwitserland, om dit te verifiëren.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de gegevens in de BVV en EES raadplegen om te beoordelen of een terugkeerbesluit moet worden genomen (model M107-A) tegen een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft.

Als de vreemdeling stelt minderjarig te zijn maar dit niet met bewijsmiddelen kan onderbouwen, kan de ambtenaar belast met de grensbewaking, dan wel de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, een leeftijdsindicatie uitvoeren.

De leeftijdsindicatie bestaat uit twee sessies die de volgende samenstelling hebben:

  • één sessie met één ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen; en

  • één sessie met één ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die tevens hulpofficier van justitie is, of door de ambtenaar van politie of van de KMar die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der KMar.

De ambtenaren beoordelen per sessie onafhankelijk van de andere sessie of er sprake is van evidente:

  • meerderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en verklaringen van de vreemdeling die stelt minderjarig te zijn; en

  • minderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en verklaringen van de vreemdeling die stelt meerderjarig te zijn.

Er moet unaniem, in beide sessies, geoordeeld zijn dat sprake is van evidente meerder- of minderjarigheid.

Als de betrokken ambtenaren tot evidente meerderjarigheid concluderen, wordt niet van de door de vreemdeling opgegeven leeftijd uitgegaan en wordt de vreemdeling als meerderjarig geregistreerd, tenzij de vreemdeling de minderjarige leeftijd alsnog met voldoende bewijsmiddelen ondersteunt. Als de ambtenaren tot evidente minderjarigheid concluderen, wordt van de opgegeven leeftijd uitgegaan.

De ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zorgen ervoor dat de conclusie van de leeftijdsindicatie wordt opgenomen in het dossier van de vreemdeling.

Bij de beoordeling worden alle volgende aspecten van de vreemdeling betrokken:

  • het uiterlijk;

  • het gedrag;

  • de verklaringen; en

  • eventuele andere relevante omstandigheden.

4. Rechtsbijstand

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon op de hoogte stellen dat:

  • de opgehouden persoon recht heeft contact met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de opgehouden persoon in Nederland;

  • de opgehouden persoon contact mag opnemen met hulpverlenende instanties en/of verwanten;

  • de opgehouden persoon bij verhoor op grond van artikel 4.18 Vb, het recht heeft zich bij te laten staan door een raadsman. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen doet deze mededeling op een tijdstip dat deze raadsman bij het verhoor aanwezig kan zijn. De mededeling over de rechtsbijstand wordt door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in de vreemdelingenadministratie geregistreerd.

Als de opgehouden persoon aangeeft zich bij het verhoor te willen laten staan door een raadsman, moet de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen tenminste één van de volgende personen inlichten:

  • de door de opgehouden persoon gewenste raadsman;

  • de raadsman die aangewezen is via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp.

De opgehouden persoon heeft het recht om onmiddellijk contact op te nemen met zijn raadsman. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon hiertoe in de gelegenheid stellen.

De raadsman heeft vrije toegang tot de opgehouden persoon. Hij kan hem alleen spreken of onder toezicht van een ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Het gesprek tussen de raadsman en de opgehouden persoon mag uitsluitend onder toezicht van de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen plaatsvinden om te verzekeren dat:

  • de opgehouden persoon zich niet aan het onderzoek naar zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus onttrekt;

  • de opgehouden persoon bewijsmiddelen die voor het onderzoek van belang zijn niet wegmaakt.

De raadsman mag de opgehouden persoon spreken als het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van de opgehouden persoon niet wordt vertraagd.

5. Verhoor

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:

  • moet de hulp van een beëdigde tolk inroepen als door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is;

  • mag in ten minste een van de volgende situaties gebruik maken van een tolk die geen beëdigde tolk is:

    • een beëdigde tolk is niet tijdig beschikbaar;

    • voor de desbetreffende bron- of doeltaal is geen tolk beschikbaar;

  • moet het gebruik maken van een niet beëdigde tolk met redenen omkleed schriftelijk vastleggen.

De niet beëdigde tolk moet:

  • voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring overhandigen als geen sprake is van spoedeisende inzet;

  • na de inzet een verklaring omtrent het gedrag tonen als vanwege de spoedeisendheid het niet mogelijk is dit voorafgaand aan de inzet te doen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de wens van de opgehouden persoon respecteren om bepaalde vragen van de ambtenaar niet te beantwoorden voordat de vreemdeling met zijn raadsman overleg heeft gepleegd.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verhoort de opgehouden persoon over zijn levensloop, woonplaatsen, bezochte onderwijsinstellingen en dergelijke om de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de opgehouden persoon te kunnen vaststellen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag voor het vaststellen van de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de opgehouden persoon, bij instellingen of andere personen dan de opgehouden persoon zelf, informatie inwinnen die kunnen leiden tot het vaststellen van de identiteit van de opgehouden persoon.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag de opgehouden persoon vorderen om in ieder geval gegevens te verstrekken over zijn:

  • identiteit;

  • nationaliteit;

  • burgerlijke staat;

  • beroep;

  • woon- of verblijfplaats met adres;

  • datum, plaats en wijze van binnenkomst in Nederland;

  • doel en duur van verblijf in Nederland;

  • middelen van bestaan.

Deze vordering moet door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in de vreemdelingenadministratie worden geregistreerd.

6. Verlenging en einde ophouding

6.1 Verlenging

De verlenging van de ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, eerste zin, Vw, is mogelijk, als het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de opgehouden persoon nog niet is afgerond. Het verlengen van de ophouding als bedoeld in artikel 50a, eerste lid, Vw is niet mogelijk.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV neemt aan dat er geen sprake is van rechtmatig verblijf als aanwijzingen daarvoor ontbreken.

Op het moment van de verlenging van de termijn van ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, Vw moet duidelijk zijn, welk onderzoek naar het rechtmatig verblijf nog moet plaatsvinden en waarom dit onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden.

Een reden dat het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de opgehouden persoon nog niet is afgerond, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat een (relatief) grote groep vreemdelingen is staandegehouden, waardoor capaciteitsproblemen zijn ontstaan en niet alle noodzakelijke onderzoekshandelingen binnen de oorspronkelijke ophoudingstermijn kunnen worden verricht.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV maakt de verlenging van de ophouding kenbaar zodra duidelijk is dat de termijn van zes uur naar verwachting wordt overschreden. Dit kan meebrengen dat deze ambtenaar de verlenging (ruim) voor het verstrijken van de zes uur kenbaar maakt aan de opgehouden persoon.

De termijn van 48 uur voor verlengde ophouding wordt niet volledig gebruikt als de verlengde ophouding niet langer noodzakelijk is. Gedurende de verlengde ophouding dient voortvarend gewerkt te worden. Zo spoedig mogelijk nadat het onderzoek is afgerond beëindigt deze ambtenaar de verlengde ophouding en stelt de opgehouden persoon in vrijheid dan wel in bewaring.

6.2 Procedure verlenging

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV moet bij de verlenging van de ophouding van de persoon in ieder geval de volgende handelingen verrichten:

  • voor de verlenging van de ophouding van de persoon gebruik maken van het model M105-E;

  • de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon voorzien van dagtekening, ondertekening en de redenen voor de verlenging van de ophouding;

  • een afschrift van de beschikking tot verlenging aan de opgehouden persoon uitreiken;

  • de opgehouden persoon meedelen dat hij tegen deze beslissing een rechtsmiddel kan aanwenden;

  • het origineel van de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon in het archief van de eigen organisatie opbergen;

  • het tijdstip waarop de verlenging van een ophouding van de persoon ingaat in de vreemdelingenadministratie registreren en benoemen in het model M105-E;

  • in het model M105-A aangeven welke handelingen zijn verricht in het kader van onderzoek naar de verblijfsrechtelijke status van de opgehouden persoon.

Bij de verlenging van de ophouding van de persoon hoeft de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV de opgehouden persoon niet te horen.

7. Kennisgeving van de verlenging van de ophouding aan derden

Als de Korpschef of de Commandant der KMar tot verlenging van de ophouding van de persoon beslist, moet de Korpschef of de Commandant der KMar alle volgende instanties of personen informeren over de verlenging van de ophouding van de persoon:

  • op verzoek van de opgehouden persoon tenminste één van de volgende personen:

    • de gestelde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de opgehouden persoon in Nederland;

    • de verwanten, echtgeno(o)t(e) of een levenspartner van de opgehouden persoon;

  • als de opgehouden persoon minderjarig is, aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen. Als daartoe geen gelegenheid bestaat, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de kennisgeving doen aan de gestelde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland tenzij er sprake is van een verzoek om een verblijfsvergunning asiel.

De Korpschef of de Commandant der KMar moet de persoon de gelegenheid bieden de echtgeno(o)t(e) of levenspartner telefonisch in te lichten over zijn vrijheidsontneming. Als de kennisgeving moet worden gedaan aan een persoon buiten Nederland gebeurt dit op de snelst mogelijke manier.

De opgehouden persoon moet door de Korpschef of de Commandant der KMar van deze mogelijkheid op de hoogte worden gesteld.

Als de verlenging van de ophouding een Britse onderdaan betreft, moet de Korpschef of de Commandant der KMar op basis van een tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten overeenkomst de betrokken Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding, met het oog op het verlenen van diplomatieke of consulaire bijstand. Ook als de Britse onderdaan niet heeft verzocht de Britse consul te informeren over de verlenging van zijn ophouding, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding van de Britse onderdaan.

8. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag in alle volgende bewijsmiddelen geen aantekeningen maken:

  • in een geldig document voor grensoverschrijding of in een identiteitsbewijs van een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend;

  • in bewijsmiddelen die afgegeven zijn door een regering of staat die niet door Nederland is erkend;

  • in een geldig document voor grensoverschrijding en op een verblijfsdocument van vreemdelingen anders dan door wet- en regelgeving is voorgeschreven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval aantekeningen in het geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling doorhalen ingeval:

  • een visum is verleend maar niet langer aan de afgiftevoorwaarden voor verlening van dit visum wordt voldaan;

  • daarin is aangetekend dat zijn vertrek op grond van artikel 64 Vw is opgeschort en de grond voor die opschorting is komen te vervallen;

  • het bezwaar- of beroepschrift of een beroep door de rechtbank (kennelijk) ongegrond is verklaard en in het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling een aantekening over de indiening van dat bezwaar- of beroepschrift of instelling van dat beroep is gesteld.

Als de sticker of de aantekeningen niet in een geldig document voor grensoverschrijding zijn aangebracht maar op een afzonderlijk inlegblad zijn aangebracht, dan moet de ambtenaar belast met grensbewaking het inlegvel van de vreemdeling innemen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft het recht om een geldig document voor grensoverschrijding of een identiteitspapier van een persoon in ieder geval in de volgende situaties in te nemen:

  • het in bewaring nemen van het document is tijdelijk nodig voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in Titel 5.2 van de Awb:

    • als een persoon niet de vereiste medewerking aan het verkrijgen van de gevraagde gegevens verleent;

    • als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in het document een aantekening moet maken over het vertrek of de ongewenstverklaring van de vreemdeling en de vreemdeling weigert het document voor dat doel te overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • bij een controle blijkt niet onmiddellijk dat de vreemdeling in Nederland mag verblijven, maar de gelegenheid ontbreekt, of het is niet gewenst, om de vreemdeling over te brengen naar een plaats voor verhoor. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft dan het recht om het document van de vreemdeling tijdelijk in bewaring nemen. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de vreemdeling bij het innemen van het document meedelen dat de vreemdeling voor informatie over de inbewaringneming van het document en het eventueel terug verkrijgen van het document zich moet wenden tot de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • de vreemdeling is in bewaring gesteld of ondergaat een vrijheidsstraf. Als de vreemdeling uitgezet wordt, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de documenten overhandigen aan de vreemdeling of aan de KMar als vreemdeling aan de buitenlandse autoriteiten wordt overgegeven;

  • het in bewaring nemen van het document is nodig met het oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten van de vreemdeling.

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen op grond van artikel 52, eerste lid Vw, het geldige document voor grensoverschrijding of een identiteitspapier van een persoon inneemt, moet de ambtenaar belast met grensbewaking alle volgende handelingen verrichten:

  • aan de persoon een ontvangstbewijs verstrekken door gebruik te maken van model M101;

  • aan de persoon een informatiefolder verstrekken over het tijdelijk in bewaring nemen van geldige bewijsmiddelen documenten voor grensoverschrijding of andere bewijsmiddelen documenten door de KMar of de politie.

Als de redenen van de tijdelijke inbewaringneming van het document komen te vervallen, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het document zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling teruggeven.

9. Binnentreden

Als een bewoner van een woning toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van de woning door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, heeft de bewoner het recht om op elk moment deze toestemming in te trekken. Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen niet in het bezit is van een schriftelijke machtiging voor het binnentreden van de woning, mag deze ambtenaar de woning niet tegen de wil van de bewoner betreden.

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen met toestemming van de bewoner een woning binnentreedt, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het verloop van het binnentreden van de woning vastleggen in een proces-verbaal.

10. Verplichtingen in het kader van toezicht

10.1. Verlenen van medewerking aan identificatie

In ieder geval de volgende vreemdelingen hebben de plicht een gezichtsopname en vingerafdrukken te laten afnemen door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:

  • vreemdelingen die op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen en/of tegen wie een onderzoek naar de identiteit moet worden ingesteld;

  • vreemdelingen tegen wie – met het oog op de toepassing van de Vw – een onderzoek naar hun criminele en/of ongunstige politieke antecedenten moet worden ingesteld;

  • vreemdelingen bij wie een voorschrift aan de verblijfsvergunning wordt verbonden in het belang van de openbare orde en/of de nationale veiligheid;

  • vreemdelingen aan wie een individuele verplichting tot periodieke aanmelding wordt opgelegd (zie artikel 54, derde lid, Vw);

  • vreemdelingen aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd (zie artikel 56 Vw);

  • vreemdelingen die ongewenst worden of zijn verklaard (zie artikel 67 Vw);

  • vreemdelingen aan wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd (zie artikel 59 Vw);

  • vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend;

  • vreemdelingen wie de IND een bijzondere aanwijzing heeft gegeven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet voor het afnemen van vingerafdrukken alle handelingen verrichten, als vermeld in paragraaf A2/3 Vc.

10.2. Verplichting tot het verstrekken van gegevens

De Korpschef of de Commandant der KMar moet een mondelinge of schriftelijke vordering aan een vreemdeling tot het verstrekken van gegevens zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb, in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal doen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag een vreemdeling die beschikt over een verblijfsdocument niet verplichten informatie zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb te verstrekken. Alleen in het geval er gerechtvaardigde aanleiding is te veronderstellen dat de vreemdeling voorschriften op het gebied van toezicht op vreemdelingen niet is nagekomen en/of niet (meer) voldoet aan de beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de vreemdeling daarover ondervragen.

Personen die aan een vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 4.40 Vb, verblijf voor de nacht verschaffen, moeten daarvan mededeling doen aan de Korpschef van de gemeente van het nachtverblijf of de Commandant der KMar. De manier waarop deze mededeling wordt gedaan is vormvrij.

De IND heeft de bevoegdheid schriftelijk een bijzondere aanwijzing aan de Korpschef of de Commandant der KMar te geven over het verstrekken van gegevens van een vreemdeling door een werkgever op grond van artikel 4.41 Vb. De Korpschef of de Commandant der KMar moet een vordering aan de werkgever van de vreemdeling tot het verstrekken van gegevens van de vreemdeling overhandigen of per aangetekende brief verzenden aan de werkgever.

De Korpschef of de Commandant der KMar moet in de vordering aan de werkgever alle volgende onderdelen vermelden:

  • welke gegevens de werkgever moet verstrekken;

  • op welke wijze de werkgever de gegevens moet verstrekken;

  • binnen welke termijn de werkgever de gegevens moet verstrekken;

  • (eventueel) ten aanzien van welke categorieën vreemdelingen de werkgever de gegevens moet verstrekken.

De werkgever moet op vordering tot het verstrekken van gegevens, de Korpschef of de Commandant der KMar in ieder geval de volgende gegevens verstrekken:

  • naam van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • voorna(a)m(en) van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • geboortedatum en -plaats van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • nationaliteit van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • datum van indiensttreding van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • woonplaats en adres van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever.

De Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, doet de vordering tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die bij de werkgever in dienst zijn of in dienst zijn geweest. De Korpschef of Commandant der KMar moet overleg voeren en gegevens van deze vreemdelingen uitwisselen met de Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar de vreemdelingen woonachtig zijn.

10.3. Meldplicht
10.3.1. Meldplicht in het kader van toelatingsprocedures

De Korpschef of de Commandant der KMar informeert de vreemdeling die kenbaar heeft gemaakt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel te willen indienen of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend, dat op hem, in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag, een meldplicht bij de Korpschef rust (zie artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb). De vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt of heeft ingediend, wordt een meldplicht kenbaar gemaakt door gebruik te maken van het model M117-A. Het model M117-A dient ook als proces-verbaal van uitreiking van de meldplicht aan de vreemdeling.

De Korpschef of de Commandant der KMar:

  • stelt de vreemdeling in kennis dat op hem een periodieke meldplicht rust door uitreiking van het model M117-A;

  • moet de vreemdeling wijzen op wijzigingen over zijn meldplicht;

  • moet de vreemdeling wijzen op de verplichtingen die op hem van toepassing zijn, zoals aangegeven in het aan hem uitgereikte model M117-A; en

  • mag naar eigen oordeel afwijken van de instructies voor oplegging van de meldplicht.

De Korpschef:

  • mag de ontheffing van de meldplicht beëindigen als ontheffing niet langer gewenst is;

  • mag naar eigen oordeel afwijken van de instructies voor ontheffing van de meldplicht.

Bij de ontheffing van de meldplicht gelden voor de Korpschef de volgende instructies.

De Korpschef verleent in ieder geval in de volgende situaties geen (of niet langer) ontheffing van de meldplicht aan de vreemdeling:

  • als voor het vreemdelingentoezicht ontheffing van de meldplicht niet (of niet langer) gewenst is;

  • de vreemdeling niet langer in Nederland mag verblijven.

De Korpschef verleent aan een vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend uitsluitend in de volgende situaties ontheffing van de meldplicht:

  • tijdens het afwachten van de beslissing in eerste aanleg van een verblijfsvergunning asiel in overleg met de IND;

  • als de vreemdeling minderjarig is, jonger dan twaalf jaar en geen amv is.

10.3.2. Meldplicht in het kader van terugkeer

De Korpschef legt de vreemdeling die zich niet rechtmatig in Nederland bevindt en zich conform artikel 54, eerste lid onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid Vb meldt, het tijdstip en de plaats van melden op. Deze meldplicht gaat gepaard met terugkeerbegeleiding door DTenV. Het opleggen van de meldplicht met terugkeerbegeleiding kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen.

10.3.3. Onttrekking meldplicht

Voor iedere meldplicht geldt: De Korpschef vordert de vreemdeling aan wie een periodieke meldplicht is opgelegd en die zich twee achtereenvolgende keren niet heeft gehouden aan de periodieke meldplicht, om in persoon gegevens te verstrekken over de onttrekking aan de periodieke meldplicht. Als de vreemdeling niet reageert, mag de Korpschef concluderen dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten of zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken en meldt de vreemdeling af in de vreemdelingenadministratie.

Voor vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, laat de Korpschef een adrescontrole door de politie uitvoeren. De politie moet het daadwerkelijke vertrek van de vreemdeling vaststellen. De Korpschef mag concluderen dat de vreemdeling definitief is vertrokken als dat onomstotelijk vast is komen te staan. De Korpschef moet de IND en DTenV over het (veronderstelde) vertrek van een vreemdeling informeren door middel van een verwijzing in BVV.

10.4. Borgsom

Aan de vreemdeling op wie een vertrekplicht rust en die in ieder geval aan alle volgende voorwaarden voldoet kan, voorafgaand aan terugkeer, een borgsom worden opgelegd door DTenV:

  • de vreemdeling werkt aantoonbaar aan terugkeer;

  • de vreemdeling tekent een terugkeercontract met de DTenV waarin rechten en plichten van de vreemdeling met betrekking tot terugkeer en de borgsom zijn vastgelegd.

Het opleggen van de borgsom kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen. Het terugkeercontract bevat in ieder geval een termijn van in beginsel 28 dagen waarbinnen de vreemdeling aan zijn vertrekplicht moet hebben voldaan. Het borgbedrag wordt in beginsel gesteld op € 1.500, DTenV kan hiervan afwijken. De borgsom wordt geretourneerd door DTenV als de vreemdeling zich meldt op de luchthaven bij de KMar en daadwerkelijk Nederland verlaat.

10.5. Veiligheidsfouillering

In artikel 55, derde lid, Vw is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Als uitzondering op de bevoegdheden van veiligheidsfouillering geldt dat de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, vreemdelingen jonger dan twaalf jaar niet aan een veiligheidsfouillering mag onderwerpen.

11. Toezicht op bewijsmiddelen

Als het bewijsmiddel waaruit het rechtmatig verblijf blijkt van een vreemdeling wordt vermist, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, moet de vreemdeling hiervan aangifte doen bij de Korpschef. De Korpschef zendt een afschrift van het proces-verbaal van de aangifte aan de IND. De IND draagt zorg dat het nummer van het betreffende bewijsmiddel wordt opgenomen in het Verificatie- en Informatiesysteem van DLOS en de IND signaleert het bewijsmiddel in het (N)SIS voor de duur van tien jaar.

Als door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen wordt geconstateerd dat onregelmatigheden zijn gepleegd met een door de Nederlandse overheid afgegeven geldige document voor grensoverschrijding, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen hiervan een bericht zenden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De vreemdeling moet voor het vervangen of het vernieuwen van verblijfsdocumenten, om redenen als genoemd in artikel 4.22, eerste lid, Vb, een ingevuld aanvraagformulier verzenden naar de IND.

De afgifte van documenten ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus als bedoeld in artikel 4.21 Vb (zowel ingeval van vervanging als van vernieuwing), gebeurt door de IND.

Gedragslijn bij vreemdelingen zonder bewijsmiddelen

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval de volgende gedragslijnen in acht nemen bij vreemdelingen zonder bewijsmiddelen:

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet niet te snel afgaan op de verklaring van een vreemdeling dat de vreemdeling niet (of niet meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;

  • bij het afnemen van vingerafdrukken van een vreemdeling, moet het formulier met de vingerafdrukken voorzien worden van een handtekening van de vreemdeling;

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag de hulp van een tolk inroepen als door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de vreemdeling mogelijk is;

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van alle aangetroffen bewijsmiddelen die ondersteunend kunnen zijn bij het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, fotokopieën maken.

De Korpschef of de Commandant der KMar zendt de uitkomsten van het identiteits- en nationaliteitsonderzoek naar DTenV, zodra dit bekend is door een overdrachtsdossier naar DTenV te versturen. DTenV heeft voor het vertrek van de vreemdeling informatie uit het overdrachtsdossier nodig voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding voor de vreemdeling.

12. Signaleringen

12.1. Inleiding

In dit hoofdstuk wordt met lidstaten bedoeld: de landen van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland.

In dit hoofdstuk wordt onder meer beschreven hoe te handelen in de volgende situaties:

  • Nederland geeft de vreemdeling een terugkeerbesluit en signaleert de vreemdeling in het SIS (Schengeninformatiesysteem) inzake terugkeer;

  • Nederland geeft de vreemdeling een terugkeerbesluit, legt een inreisverbod op en signaleert de vreemdeling in het SIS inzake terugkeer, omdat de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten nog niet daadwerkelijk heeft verlaten;

  • Nederland heeft de vreemdeling een terugkeerbesluit gegeven en een inreisverbod opgelegd en zet de signalering inzake terugkeer om in een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf, zodra de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten;

  • Nederland neemt een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 en signaleert de vreemdeling in het E&S of het SIS met oog op weigering van toegang en verblijf.

Ook worden in dit hoofdstuk de verschillende raadplegingsprocedures nader omschreven. De raadplegingsprocedure moet voorkomen dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning in een van de lidstaten, in het SIS gesignaleerd staat inzake terugkeer of met het oog op weigering toegang en verblijf.

In dit hoofdstuk wordt hierna met 'verblijfsvergunning' een verblijfsvergunning regulier of een visum voor verblijf van langere duur bedoeld. Als 'verblijfsvergunning' ook ziet op de verblijfsvergunning asiel, wordt dit aangegeven met 'verblijfsvergunning inclusief asiel'. In Nederland heet een visum voor verblijf van langere duur een mvv.

12.2. Algemeen

Het Schengeninformatiesysteem (SIS)

Het SIS is een computersysteem waarmee binnen de lidstaten specifieke informatie wordt uitgewisseld.

Het SIS geeft bevoegde autoriteiten onder andere informatie over personen die geen recht hebben om in het Schengengebied te verblijven, of gezocht worden voor (betrokkenheid bij) criminele activiteiten.

In dit hoofdstuk gaat het om:

  • de signalering inzake terugkeer, genoemd in Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (hierna: Vo (EU) 2018/1860); en

  • de signalering met het oog op weigering toegang en verblijf, genoemd in Verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 (hierna: Vo (EU) 2018/1861).

De IND is verantwoordelijk voor de invoering van deze door Nederland opgelegde signaleringen in het SIS. De IND voert signaleringen niet rechtstreeks in het SIS in, maar via NSIS (Nationaal Schengeninformatiesysteem). In dit hoofdstuk wordt enkel nog gesproken over SIS, ook als het om NSIS gaat. Uitwisseling van informatie met andere lidstaten vindt plaats door tussenkomst van Bureau SIRENE.

Het informatiesysteem Executie en signalering (E&S)

Het E&S is een informatiesysteem van de Nederlandse politie. In het E&S staan o.a. vreemdelingenrechtelijke signaleringen. Welke signaleringen dit zijn staat in A2/12.6 Vc.

In het E&S worden signaleringen opgenomen volgens het Nederlandse vreemdelingenrecht die niet in het SIS mogen worden opgenomen. Ook worden signaleringen in het E&S opgenomen, die nog niet in het SIS kunnen worden opgenomen. De vreemdeling wordt dan gesignaleerd ter fine van weigering van toegang tot Nederland.

De IND is verantwoordelijk voor de invoering van bovengenoemde signaleringen in E&S.

De signalering in SIS en E&S vanwege een inreisverbod, ongewenstverklaring of besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt beëindigd als de duur van de betreffende maatregel is verstreken of als de maatregel wordt opgeheven.

12.3. Onderdanen van de lidstaten en diens familieleden

Algemeen

Onderdanen van een lidstaat en diens familie- of gezinsleden in de zin van richtlijn 2004/38/EG (het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie van burgers van de Unie en hun familieleden), worden niet gesignaleerd in SIS inzake terugkeer of met het oog op weigering van toegang en verblijf.

Signalering en verkrijging staatsburgerschap

De signalerende lidstaat wist op grond van artikel 14 Vo (EU) 2018/1860 een signalering inzake terugkeer van een persoon die het staatsburgerschap heeft verkregen van een van de lidstaten, zodra de signalerende lidstaat er kennis van krijgt dat de betrokken persoon het staatsburgerschap heeft verkregen.

Signalering door andere lidstaat

Als een aanvraag om een verblijfsdocument of een verzoek om inschrijving EU bij de IND op grond van artikel 8, aanhef en onder e, Vw wordt ingediend, worden onder andere de systemen SIS en E&S geraadpleegd. Als de vreemdeling is gesignaleerd inzake terugkeer of met het oog op weigering toegang en verblijf en de aanvraag wordt ingewilligd of het verzoek wordt toegekend, dan overlegt de IND met de signalerende lidstaat en verzoekt de IND de signalering te wissen.

Als er een hit is van een familie- of gezinslid in de zin van richtlijn 2004/38/EG, neemt de IND op grond van artikel 26, tweede lid, Vo (EU) 2018/1861 contact op met de signalerende lidstaat om te bepalen welke actie moet worden ondernomen.

Signalering door Nederland

Bij een hit van een familielid van een onderdaan van een lidstaat die de IND in het SIS heeft gesignaleerd met het oog op weigering toegang en verblijf, overlegt de lidstaat, die de hit vaststelt, met de IND op grond van artikel 26 Vo (EU) 2018/1861. Als de IND de signalering wist, overweegt de IND of er redenen zijn om het familielid in E&S te signaleren.

12.4. Handelingen na aantreffen gesignaleerde vreemdeling
12.4.1. Handelingen na aantreffen gesignaleerde vreemdeling aan Nederlandse buitengrens bij inreis

Zie A1/3 Vc voor de te verrichten handelingen als een gesignaleerde vreemdeling aan de Nederlandse buitengrens wordt aangetroffen bij inreis.

12.4.2. Handelingen na aantreffen vreemdeling aan Nederlandse buitengrens bij uitreis of in het binnenlands toezicht en die door een andere lidstaat is gesignaleerd

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht bij een vreemdeling zonder geldige verblijfsvergunning (ook geen verblijfsvergunning asiel) voor Nederland of een van de andere lidstaten:

  • die in het kader van binnenlands toezicht of bij controle aan de buitengrens bij uitreis wordt aangetroffen, en

  • die door een andere lidstaat gesignaleerd is:

    • inzake terugkeer al dan niet in combinatie met een inreisverbod; of

    • met het oog op weigering van toegang en verblijf;

in ieder geval de volgende handeling:

  • informeert via het Bureau SIRENE de signalerende lidstaat dat de vreemdeling in Nederland is aangetroffen, zodat informatie-uitwisseling op grond van artikel 7, tweede lid, Vo (EU) 2018/1860 plaatsvindt;

  • informeert via het Bureau SIRENE de signalerende lidstaat wanneer de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten al eerder heeft verlaten; of

  • informeert via het Bureau SIRENE de signalerende lidstaat van zijn uitreis via een Nederlandse lucht- of zeehaven of treinstation (Eurostar) (hierna: Nederlandse buitengrens) volgens paragraaf A2/12.5.1 Vc.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht bij een vreemdeling die in het kader van binnenlands toezicht of bij controle aan de buitengrens bij uitreis wordt aangetroffen, die:

  • in het bezit is van een voor een andere lidstaat geldige verblijfsvergunning inclusief asiel, en

  • die door een andere lidstaat gesignaleerd is in SIS inzake terugkeer al dan niet in combinatie met een inreisverbod,

de volgende handelingen:

  • meldt de treffer bij Bureau SIRENE volgens paragraaf A2/12.10.4 Vc; en

  • informeert de signalerende lidstaat volgens paragraaf A2/12.5.1 Vc als de vreemdeling via een Nederlandse buitengrens uitreist.

Het Bureau SIRENE verricht vervolgens de volgende handelingen:

  • registreert de in SIS gemelde treffers; en

  • informeert de signalerende lidstaat, als sprake is van een signalering door een andere lidstaat.

12.4.3. Handelingen als een door Nederland gesignaleerde vreemdeling wordt aangetroffen aan de grens op uitreis of in het kader van binnenlands toezicht

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht in de volgende situaties de genoemde handelingen, als hij een door Nederland gesignaleerde vreemdeling in het kader van binnenlands toezicht of bij controle op uitreis aantreft.

  • De vreemdeling is gesignaleerd inzake terugkeer, al dan niet in combinatie met een inreisverbod, en verlaat het grondgebied van de lidstaten: de betreffende ambtenaar informeert de IND, zodat de IND de Nederlandse signalering inzake terugkeer wist of omzet naar een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf als er sprake is van een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861.

  • De vreemdeling is gesignaleerd inzake terugkeer, al dan niet in combinatie met een inreisverbod, en wordt aangetroffen in het kader van binnenlands toezicht: als blijkt dat de vreemdeling al heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting, informeert de betreffende ambtenaar de IND. De IND wist de signalering inzake terugkeer. Als er sprake is van een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 zet de IND de signalering om naar een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf. De betreffende ambtenaar beziet of de vreemdeling in aanmerking komt voor een nieuw terugkeerbesluit. De signalering met het oog op weigering toegang en verblijf blijft in stand vanwege het inwerking getreden inreisverbod.

  • De vreemdeling is gesignaleerd vanwege een ongewenstverklaring. De betreffende ambtenaar:

    • controleert of de vreemdeling sinds de datum van bekendmaking van de beschikking tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw uit Nederland is vertrokken of uitgezet;

    • geeft zo nodig een terugkeerbesluit als de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten sinds de datum van de bekendmaking van de beschikking tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw of als hij nog niet eerder een terugkeerbesluit heeft gekregen; en

    • beziet of een inreisverbod kan worden opgelegd, waarbij de ongewenstverklaring wordt opgeheven (zie paragraaf A4/3.9 Vc), hoort daartoe zo nodig de vreemdeling en dient daartoe een voorstel in bij de IND (model M63).

  • De vreemdeling is gesignaleerd om een andere reden dan vanwege een ongewenstverklaring, terugkeerbesluit of inreisverbod. De betreffende ambtenaar:

    • geeft zo nodig een terugkeerbesluit al dan niet in combinatie met een (alleen bij uitreis: voornemen tot het opleggen van een) inreisverbod anders dan op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw (via model M107-B); of

    • geeft zo nodig een terugkeerbesluit al dan niet in combinatie met een voorstel aan de IND tot het opleggen van een inreisverbod op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw (M63), conform de beleidsregels in de paragrafen A4/2.1, A4/3.2 en A4/3.3 Vc.

De IND zorgt voor (aanpassing van) de signalering in SIS.

12.5. De terugkeerbevestiging bij uitreis en informatie-uitwisseling bij inreis

De terugkeerbevestiging is de uitwisseling van informatie, naar aanleiding van een signalering inzake terugkeer, dat een vreemdeling het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk via een buitengrens heeft verlaten.

12.5.1. Hit aan de buitengrens bij uitreis

Bureau SIRENE informeert naar aanleiding van een melding door een ambtenaar belast met de grensbewaking, de lidstaat die een vreemdeling in SIS gesignaleerd heeft inzake terugkeer, als de gesignaleerde vreemdeling het grondgebied van de lidstaten via een Nederlandse buitengrens verlaat.

Een andere lidstaat informeert Nederland als signalerende lidstaat, als de vreemdeling via de buitengrens van die lidstaat het grondgebied van de lidstaten verlaat. De IND wist de signalering inzake terugkeer op grond van artikel 6 Vo (EU) 2018/1860 direct na ontvangst van de terugkeerbevestiging. Als sprake is van een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf ingevoerd in SIS.

12.5.2. Hit aan de buitengrens bij inreis

Bureau SIRENE informeert, naar aanleiding van een melding door een ambtenaar belast met de grensbewaking, de lidstaat die een vreemdeling in SIS gesignaleerd heeft inzake terugkeer, als de gesignaleerde vreemdeling het grondgebied van de lidstaten via een Nederlandse buitengrens wil inreizen.

Een andere lidstaat informeert Nederland als signalerende lidstaat, als de vreemdeling via de buitengrens van die lidstaat het grondgebied van de lidstaten wil inreizen.

De IND wist de signalering inzake terugkeer op grond van artikel 8 Vo (EU) 2018/1860 direct na de informatie-uitwisseling bij inreis. Als er sprake is van een inreisverbod wordt direct een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf ingevoerd in SIS.

Ook paragraaf A2/12.10.4 Vc is van toepassing als de vreemdeling is gesignaleerd door een andere lidstaat dan Nederland en een verblijfsvergunning inclusief asiel heeft in een andere (derde) lidstaat.

12.6. Invoeren van signaleringen in het SIS of E&S

SIS

De IND voert een signalering inzake terugkeer in SIS in van de vreemdeling, die:

  • een terugkeerbesluit krijgt of heeft gekregen van de daartoe bevoegde ambtenaar als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, VV. Bij dit terugkeerbesluit kan ook een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 zijn opgelegd;

  • gesignaleerd is vanwege een inreisverbod opgelegd vóór 7 maart 2023, dat nog niet in werking is getreden en er een procedurele gebeurtenis plaatsvindt die leidt tot signalering. De IND wist dan de signalering vanwege het inreisverbod; of

  • een terugkeerbesluit zonder inreisverbod heeft gekregen vóór 7 maart 2023 en voor zover bekend bij de IND, nog niet voldaan heeft aan de vertrekplicht en er een procedurele gebeurtenis plaatsvindt die leidt tot signalering.

De IND voert een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf in SIS in van:

  • een vreemdeling, die niet beschikt over een verblijfsvergunning inclusief asiel in een andere lidstaat of dit niet heeft aangetoond, en

    • ongewenst is verklaard op grond van artikel 67 Vw;

    • een besluit heeft gekregen in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861; of

    • daadwerkelijk het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, en aan wie:

      • een zwaar inreisverbod met de rechtsgevolgen van 66a, zevende lid, Vw is opgelegd; of

      • een licht inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw is opgelegd;

  • een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd in verband met het gebruik van een vals document voor grensoverschrijding of identiteitspapieren. De signaleringsduur is vijf jaar;

  • een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd in verband met een aan drugssmokkel gerelateerd misdrijf. De signaleringsduur is vijf jaar;

  • een vreemdeling die toegang wil verkrijgen tot Nederland of aan wie de toegang tot Nederland wordt geweigerd, bij wie concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De signaleringsduur is twintig jaar; of

  • een vreemdeling die toegang wil verkrijgen tot Nederland of aan wie de toegang tot Nederland wordt geweigerd, bij wie concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De signaleringsduur is twee jaar.

Deze signaleringstermijnen zijn van toepassing als de vreemdeling niet onder de werking van de Terugkeerrichtlijn valt in Nederland. Dit betekent dat de vreemdeling:

  • zich buiten de EU bevindt (waaronder ook de vreemdeling die wordt geweigerd aan een grensdoorlaatpost die toegang tot de EU geeft); of

  • zich weliswaar binnen de EU bevindt, maar zich buiten Nederland bevindt.

De IND voert de signalering inzake terugkeer of met het oog op weigering van toegang en verblijf ook in als de vreemdeling al in SIS is gesignaleerd door een andere lidstaat, zolang de signaleringen niet onverenigbaar zijn met elkaar.

Na de ontvangst van een terugkeerbevestiging van een door Nederland in SIS gesignaleerde vreemdeling, moet de IND:

  • de signalering inzake terugkeer wissen; en

  • de signalering met het oog op weigering toegang en verblijf invoeren, als aan de vreemdeling ook een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 is opgelegd.

De gegevens die een lidstaat bij een signalering in ieder geval in SIS moet invoeren staan vermeld in artikel 4 van Vo (EU) 2018/1860.

Daarnaast voert de IND in ieder geval de gegevens van een verblijfsdocument in SIS in, als:

  • de vreemdeling:

  • zich uitgeschreven heeft uit de BRP op grond van emigratie; of

  • met onbekende bestemming is vertrokken; en

  • de geldigheidsduur van het verblijfsdocument nog niet is verlopen en het verblijfsdocument niet is ingeleverd bij de IND. De einddatum van de signalering is gelijk aan de einddatum van het verblijfsdocument.

Rangorde van signaleringen in SIS

De signalering in SIS vanwege een inreisverbod of vanwege een terugkeerbesluit in combinatie met een inreisverbod gaat voor, als er ook sprake is van een besluit tot signalering.

Als het niet (meer) mogelijk is om de vreemdeling vanwege een inreisverbod of vanwege het terugkeerbesluit in combinatie met het inreisverbod te signaleren, wordt de vreemdeling vanwege het besluit tot signalering gesignaleerd. De vreemdeling wordt dan indien mogelijk gesignaleerd in SIS, en anders in E&S.

Als de vreemdeling een terugkeerbesluit zonder inreisverbod heeft gekregen en ook een besluit tot signalering, dan gaat de signalering in SIS vanwege een besluit tot signalering voor op de signalering inzake terugkeer.

E&S

In het E&S staan o.a. vreemdelingenrechtelijke signaleringen, zoals:

  • een op grond van artikel 67 Vw ongewenst verklaarde onderdaan van een van de lidstaten of diens familie- of gezinsleden;

  • een op grond van artikel 67 ongewenst verklaarde vreemdeling die geen verblijfsvergunning (ook geen verblijfsvergunning asiel) (meer) heeft in Nederland en zich niet in Nederland bevindt;

  • een op grond van artikel 67 Vw ongewenst verklaarde vreemdeling die zich niet in Nederland bevindt en een verblijfsvergunning inclusief asiel heeft in één van de lidstaten;

  • een vreemdeling die een besluit krijgt in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861;

  • een op grond van artikel 67 ongewenst verklaarde vreemdeling, die

    • niet heeft aangetoond over een verblijfsvergunning in een andere lidstaat te beschikken; en

    • ongewenst is verklaard vanwege een andere grond dan openbare orde of niet voldoet aan artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861;

  • een vreemdeling met een verblijfsvergunning inclusief asiel in een van de lidstaten die zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van artikel 12 Vw; de termijn van signalering is maximaal zes maanden; en

  • een mvv-plichtige vreemdeling die niet (langer) voldoet aan de voorwaarden waaronder de mvv is afgegeven. De duur van deze signalering wordt gelijk gesteld met de (resterende) duur van de afgegeven mvv.

Wanneer signaleren in SIS mogelijk is, gaat dit altijd voor op signaleren in E&S.

12.7. Aanvullende informatie voor het invoeren van signaleringen

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft aan de IND ten minste één van de volgende onderbouwingen voor de signalering aan:

  • gevaar voor de nationale veiligheid;

  • toegangsweigering: proces-verbaal drugssmokkel gerelateerd misdrijf, (nog) geen veroordeling;

  • toegangsweigering: proces-verbaal gebruik valse/vervalste reis-/identiteitspapieren; of

  • opleggen bevel zich onmiddellijk te begeven naar lidstaat aan een vreemdeling met een verblijfsvergunning inclusief asiel in een van de lidstaten die zich niet gehouden heeft aan de voorwaarden van artikel 12 Vw.

Daarnaast stuurt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen voor de signalering de volgende documenten mee:

  • wanneer aanwezig: kopieën van identiteitsdocumenten van de vreemdeling;

  • het opgemaakte proces-verbaal van het misdrijf dat aanleiding is voor het voorstel tot signalering;

  • het nummer van het proces-verbaal; en

  • als er geen sprake is van een proces-verbaal moeten andere bewijsmiddelen die het voorstel tot signalering ondersteunen, worden meegezonden.

De politie doet op basis van de vingerafdrukken van de vreemdeling een onderzoek naar de identiteit van de vreemdeling als deze niet bekend is. De vreemdeling met verschillende personalia wordt onder de naam zoals deze in de BVV bekend is, gesignaleerd. De andere personalia worden als aliasnaam opgenomen.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ervoor zorgen dat in het kader van de signalering vingerafdrukken en een foto van de vreemdeling in de BVV beschikbaar zijn. Als dit niet mogelijk is, moet de reden hiervan worden vermeld.

12.8. Informatievoorziening aan de vreemdeling bij signalering

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen informeert de vreemdeling die gesignaleerd wordt in ieder geval over:

  • het feit dat de vreemdeling gesignaleerd wordt;

  • de duur van de signalering;

  • het gebied waarvoor de signalering geldt; en

  • de wijze waarop de vreemdeling:

    • kan kennisnemen van de signalering;

    • om opheffing kan verzoeken.

12.9. Aanvang van signalering

De signalering van een vreemdeling in E&S of het SIS vangt aan op:

  • a. de datum waarop aan de vreemdeling een terugkeerbesluit wordt bekendgemaakt;

  • b. de datum waarop de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten als het een signalering vanwege een inreisverbod betreft. Als de situatie in paragraaf A4/2.4.3 Vc zich voordoet, waarbij het vertrek vanuit het grondgebied eerder plaatsvindt dan de bekendmaking van de beschikking waarin het inreisverbod wordt opgelegd, vindt de signalering plaats op de datum van de bekendmaking van de beschikking;

  • c. als het een onderdaan van een lidstaat of diens familie- of gezinsleden betreft: de datum waarop de vreemdeling een verwijderingsbesluit met ongewenstverklaring heeft ontvangen en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of als er een bezwaarschrift is ingediend, na de beslissing op dat bezwaarschrift tenzij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep is ingediend. In dat laatste geval volgt signalering pas nadat het verzoek is afgewezen of nadat de getroffen voorziening is uitgewerkt;

  • d. het moment waarop de overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening van de ongewenstverklaarde vreemdeling naar de andere lidstaat is geëffectueerd;

  • e. de datum van de bekendmaking van het besluit tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw in andere gevallen dan hierboven onder c of d genoemd;

  • f. de datum waarop aan de vreemdeling een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt bekendgemaakt;

  • g. de datum waarop de vreemdeling de toegang tot Nederland is geweigerd;

  • h. de datum waarop het besluit tot intrekking van de mvv bekend is gemaakt;

  • i. de datum waarop aan de vreemdeling een bevel wordt gegeven zich onmiddellijk te begeven naar de verblijfgevende lidstaat.

12.10. Signaleringen en verblijfsvergunningen/verblijfsaanvragen

Een vreemdeling die door Nederland of door een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning wordt niet in SIS gesignaleerd inzake terugkeer of met het oog op weigering toegang en verblijf.

Om te voorkomen dat een vreemdeling zowel in het bezit is van een verblijfsvergunning als gesignaleerd is in het SIS inzake terugkeer of met het oog op weigering toegang en verblijf, moet een lidstaat door tussenkomst van het bureau SIRENE van die lidstaat in contact treden met het bureau SIRENE van de andere lidstaat als zich situaties voordoen als beschreven in deze paragraaf. Het in contact treden met een andere lidstaat heet de raadplegingsprocedure.

In de subparagrafen hierna worden o.a. de volgende raadplegingsprocedures beschreven:

  • de raadpleging voorafgaand aan het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, terwijl er al sprake is van een signalering;

  • de raadpleging voorafgaand aan de invoering van een signalering, terwijl al bekend is dat verblijf is verleend;

  • de raadpleging na invoering van een signalering, terwijl er verblijf is verleend;

  • de raadpleging bij een hit als Nederland niet betrokken is bij de signalering of verblijfsverlening.

Bij iedere beoordeling van een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier of asiel in Nederland of een aanvraag om een mvv gaat de IND na of de vreemdeling is gesignaleerd in het E&S of SIS.

Het Bureau SIRENE legt de verrichte raadpleging door een lidstaat vast, als de IND overweegt een verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die in SIS gesignaleerd is:

  • inzake terugkeer als ook een inreisverbod is opgelegd, of

  • met het oog op weigering van toegang en verblijf.

De IND brengt de vreemdeling, die gesignaleerd is in SIS of E&S op de hoogte middels een mededeling in de Staatscourant, als naar aanleiding van de raadplegingsprocedure deze signalering:

  • in SIS wordt omgezet naar een signalering in E&S; of

  • in E&S wordt omgezet naar een signalering in SIS,

tenzij de vreemdeling op andere wijze van deze wijziging op de hoogte is gesteld.

12.10.1. Aanvraag verblijfsvergunning bij IND en signalering door Nederland

De IND verricht bij een vreemdeling:

  • die door Nederland in het E&S of SIS gesignaleerd staat, en

  • aan wie een verblijfsvergunning inclusief asiel wordt verleend,

de volgende handeling(en):

  • wist de signalering uit het SIS of uit E&S; en

  • heft een eventueel opgelegd inreisverbod of opgelegde ongewenstverklaring of besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 op.

Bij een afwijzing van een verblijfsvergunning blijft de signalering in E&S of SIS gehandhaafd.

12.10.2. Raadpleging door Nederland
12.10.2.1. Aanvraag verblijfsvergunning bij IND en signalering door een andere lidstaat

In deze paragraaf wordt de raadpleging door de IND voorafgaand aan het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning besproken, terwijl er sprake is van een signalering door een andere lidstaat.

De IND raadpleegt de signalerende lidstaat op grond van artikel 9, eerste lid, van Vo (EU) 2018/1860 of artikel 27 Vo (EU) 2018/1861 over de motivering van het besluit van de signalering, als de vreemdeling:

  • in het SIS gesignaleerd is door een andere lidstaat inzake terugkeer in combinatie met een inreisverbod of met het oog op weigering van toegang en verblijf; en

  • een aanvraag om een verblijfsvergunning inclusief asiel heeft ingediend welke de IND overweegt te verlenen.

Als de signalerende lidstaat het raadplegingsverzoek niet binnen tien dagen beantwoordt, dan neemt de IND aan op grond van artikel 9, eerste lid, onder c, Vo (EU) 2018/1860 of artikel 27, aanhef en onder c, Vo (EU) 2018/1861 dat de signalerende lidstaat geen bezwaar heeft tegen de verlening of verlenging van de verblijfsvergunning.

Als aan de vreemdeling, na eerdergenoemde raadplegingsprocedure, een verblijfsvergunning wordt verleend, stelt de IND de signalerende lidstaat hiervan in kennis. De signalerende lidstaat wist vervolgens de signalering inzake terugkeer of met het oog op weigering van toegang en verblijf.

De IND signaleert de vreemdeling in SIS inzake terugkeer als:

  • de aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen, en

  • een terugkeerbesluit is gegeven.

De vreemdeling moet het grondgebied van de lidstaten na de afwijzende beschikking verlaten, als tegen de afwijzende beschikking geen rechtsmiddelen meer open staan of die niet in Nederland mogen worden afgewacht.

De IND verricht bij een vreemdeling:

  • die in het SIS gesignaleerd is door een andere lidstaat inzake terugkeer zonder inreisverbod; en

  • die een aanvraag om een verblijfsvergunning inclusief asiel heeft ingediend welke de IND overweegt te verlenen;

de volgende handeling:

  • stelt op grond van artikel 9, tweede lid, Vo (EU) 2018/1860 de signalerende lidstaat er onverwijld van in kennis dat hij voornemens is een verblijfsvergunning te verlenen of dat hij deze heeft verleend.

De signalerende lidstaat wist onverwijld de signalering inzake terugkeer.

12.10.2.2. Invoering signalering door IND als sprake is van een verblijfsvergunning in een andere lidstaat

In deze paragraaf wordt de raadpleging door de IND voorafgaand aan het invoeren van een signalering besproken, terwijl de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning in een andere lidstaat.

Voor het geven van een bevel zich onmiddellijk te begeven naar de betrokken lidstaat, zie paragraaf A3/2 Vc.

De ambtenaar belast met grensbewaking of toezicht informeert de IND over de vreemdeling:

  • die in een andere lidstaat een geldige verblijfsvergunning bezit;

  • aan wie de hier bedoelde ambtenaar een terugkeerbesluit geeft; en

  • ten aanzien van wie wordt overwogen een signalering in te voeren in SIS inzake terugkeer.

Onderstaande raadplegingsprocedure is dan van toepassing.

De onderstaande raadplegingsprocedure is ook van toepassing als de IND overweegt een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf in te voeren vanwege:

  • een zwaar inreisverbod, al dan niet op voorstel van de ambtenaar belast met de grensbewaking of toezicht, of

  • een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861.

De IND signaleert de vreemdeling in E&S na het opleggen van een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861.

De IND start de raadplegingsprocedure op grond van artikel 10 van Vo (EU) 2018/1860 of artikel 28 van Vo (EU) 2018/1861 bij de verblijfgevende lidstaat. Dit houdt het volgende in:

  • de verblijfgevende lidstaat stelt de IND binnen 14 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek om raadpleging in kennis van zijn besluit om de verblijfsvergunning al dan niet in te trekken, of als het voor die lidstaat onmogelijk is om binnen die termijn een besluit te nemen, van zijn met redenen omkleed verzoek om de termijn van zijn antwoord met maximaal 12 bijkomende kalenderdagen te verlengen;

  • conform artikel 31, eerste lid, onder g, of 35, eerste lid, onder g, van het SIRENE-handboek moet de verblijfgevende lidstaat de raadplegende lidstaat altijd informeren ook al is de termijn van 26 dagen verstreken;

  • als de verblijfgevende lidstaat niet reageert en de reactietermijn is verstreken of aangeeft de verblijfsvergunning niet in te trekken, verricht de IND de volgende handelingen:

    • de IND voert geen signalering in SIS in; en

    • als aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd beoordeelt de IND aan de hand van paragraaf A4/2.5.5 Vc ambtshalve of het inreisverbod wordt opgeheven;

  • als de andere lidstaat de verblijfsvergunning intrekt:

    • wist de IND de signalering in E&S vanwege een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861; en

    • signaleert de IND de vreemdeling in SIS vanwege het terugkeerbesluit, het besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 of vanwege het inreisverbod als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten inmiddels heeft verlaten.

12.10.2.3. Na invoering signalering door IND: constatering verblijfsvergunning in een andere lidstaat

In deze paragraaf en subparagrafen wordt de raadpleging door de IND besproken als na het invoeren van een signalering blijkt dat de vreemdeling al in het bezit is van een verblijfsvergunning inclusief asiel in een andere lidstaat.

De IND wordt op de volgende wijzen geïnformeerd over de geldige verblijfsvergunning inclusief asiel in een andere lidstaat:

  • het Bureau SIRENE informeert de IND bij een signaal van de verblijfgevende lidstaat dat de vreemdeling daar een verblijfsvergunning heeft;

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen constateert dat de vreemdeling is gesignaleerd door Nederland en een verblijfsvergunning heeft in een andere lidstaat en meldt de treffer bij Bureau SIRENE en licht de IND in;

  • de vreemdeling toont zelf aan een verblijfsvergunning te hebben in de andere lidstaat; of

  • een derde lidstaat stelt vast dat Nederland een vreemdeling heeft gesignaleerd en dat een andere lidstaat een verblijfsvergunning aan die vreemdeling heeft verleend; de derde lidstaat stelt het Bureau SIRENE hiervan in kennis op grond van artikel 12 Vo (EU) 2018/1860 of artikel 30 Vo (EU) 2018/1861.

A. Vreemdeling is gesignaleerd inzake terugkeer al dan niet in combinatie met een inreisverbod

Een vreemdeling is door Nederland gesignaleerd in het SIS inzake terugkeer al dan niet in combinatie met een inreisverbod. Na deze signalering blijkt dat de vreemdeling in een andere lidstaat een geldige verblijfsvergunning inclusief asiel heeft. De IND start de procedure op grond van artikel 11 van Vo (EU) 2018/1860 bij de verblijfgevende lidstaat. Dit houdt het volgende in:

  • Als de IND besluit het terugkeerbesluit in te trekken of als de ambtenaar belast met grensbewaking of toezicht op vreemdelingen besluit het door hem gegeven terugkeerbesluit in te trekken vanwege het verblijfsrecht in een andere lidstaat, wordt de signalering inzake terugkeer onverwijld gewist. Als het een verblijfsvergunning asiel betreft, wordt het terugkeerbesluit altijd ingetrokken.

  • Als het terugkeerbesluit wordt gehandhaafd, raadpleegt de IND de verblijfgevende lidstaat zoals hierna omschreven.

  • De verblijfgevende lidstaat stelt Nederland binnen 14 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek om raadpleging in kennis van zijn besluit om de verblijfsvergunning al dan niet in trekken, of als het voor die lidstaat onmogelijk was om binnen die termijn een besluit te nemen, van zijn met redenen omkleed verzoek om de termijn van zijn antwoord met maximaal 12 bijkomende kalenderdagen te verlengen.

  • Conform artikel 32, eerste lid, onder f, van het SIRENE-handboek moet de verblijfgevende lidstaat de raadplegende lidstaat altijd informeren ook al is de termijn verstreken.

  • Als de verblijfgevende lidstaat niet reageert en de reactietermijn is verstreken of als uit de raadpleging blijkt dat de verblijfgevende lidstaat de verblijfsvergunning handhaaft, verricht de IND de volgende handelingen:

    • De IND wist de signalering inzake terugkeer al dan niet in combinatie met een inreisverbod uit SIS;

    • Als aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd beoordeelt de IND aan de hand van paragraaf A4/2.5.5 Vc ambtshalve of het inreisverbod wordt opgeheven;

    • Als er sprake is van een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt de vreemdeling in E&S gesignaleerd.

  • Als uit de raadpleging blijkt dat de verblijfgevende lidstaat de verblijfsvergunning intrekt, wordt:

    • de signalering in SIS niet gewist, of

    • als de vreemdeling in het E&S is gesignaleerd, de signalering in E&S gewist en in SIS opgenomen.

B. Vreemdeling is gesignaleerd met het oog op weigering toegang en verblijf

Een vreemdeling is door Nederland gesignaleerd in SIS met het oog op weigering van toegang en verblijf. Na deze signalering blijkt dat de vreemdeling in een andere lidstaat een geldige verblijfsvergunning bezit.

De IND start de procedure op grond van artikel 29 Vo (EU) 2018/1861 bij de verblijfgevende lidstaat. Dit houdt het volgende in:

  • de verblijfgevende lidstaat stelt Nederland binnen 14 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek om raadpleging in kennis van zijn besluit om de verblijfsvergunning al dan niet in trekken, of als het voor die lidstaat onmogelijk is om binnen die termijn een besluit te nemen, van zijn met redenen omkleed verzoek om de termijn van zijn antwoord met maximaal 12 bijkomende kalenderdagen te verlengen;

  • conform artikel 36, eerste lid, onder f, van het SIRENE-handboek moet de verblijfgevende lidstaat de raadplegende lidstaat altijd informeren ook al is de termijn verstreken;

  • als uit de raadpleging blijkt dat de verblijfgevende lidstaat de verblijfsvergunning handhaaft of als de verblijfgevende lidstaat niet reageert en de reactietermijn is verstreken, verricht de IND de volgende handelingen:

    • de IND wist de signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf uit SIS;

    • de IND beoordeelt aan de hand van paragraaf A4/2.5.5 Vc ambtshalve of het inreisverbod wordt opgeheven; en

    • als er sprake is van een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt de vreemdeling in E&S gesignaleerd.

  • Als uit de raadpleging blijkt dat de verblijfgevende lidstaat de verblijfsvergunning intrekt, wordt:

    • de signalering in SIS niet gewist, of;

    • als de vreemdeling in het E&S is gesignaleerd, de signalering in E&S gewist en in SIS opgenomen.

Als de in SIS gesignaleerde vreemdeling het grondgebied echter nog niet heeft verlaten en het inreisverbod, dat is opgelegd voor 7 maart 2023, dus nog niet in werking is getreden, start de IND alsnog de procedure op grond van artikel 29 Vo (EU) 2018/1861 bij de verblijfgevende lidstaat als een procedurele gebeurtenis daartoe aanleiding geeft. De procedure zoals hierboven omschreven is dan van toepassing. De IND wist de signalering vanwege het niet in werking getreden inreisverbod en voert een signalering inzake terugkeer in, als de verblijfgevende lidstaat de verblijfsvergunning intrekt.

12.10.3. Raadpleging door andere lidstaat bij Nederland
12.10.3.1. Aanvraag verblijfsvergunning bij andere lidstaat en signalering door Nederland

In deze paragraaf wordt de raadpleging door een andere lidstaat voorafgaand aan het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning inclusief asiel besproken, terwijl er al sprake is van een signalering door Nederland. Het Bureau SIRENE informeert de IND over het raadplegingsverzoek.

De IND verricht bij een vreemdeling die door Nederland:

  • in het SIS gesignaleerd is inzake terugkeer zonder inreisverbod, de volgende handeling:

    • wist op grond van artikel 9, tweede lid, Vo (EU) 2018/1860 onverwijld de signalering inzake terugkeer, nadat de andere lidstaat Nederland er onverwijld van in kennis stelt dat de andere lidstaat voornemens is een verblijfsvergunning te verlenen of dat hij deze heeft verleend;

  • in het SIS is gesignaleerd inzake terugkeer in combinatie met een inreisverbod of in combinatie met een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 of is gesignaleerd met het oog op weigering van toegang en verblijf, de volgende handeling(en):

    • beantwoordt op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, Vo (EU) 2018/1860 of artikel 27, aanhef en onder b, Vo (EU) 2018/1861 de andere lidstaat binnen tien kalenderdagen;

    • als de IND het raadplegingsverzoek niet binnen tien kalenderdagen beantwoordt, wordt de IND op grond van artikel 9, eerste lid, onder c, Vo (EU) 2018/60 of artikel 27, aanhef en onder c, Vo (EU) 2018/61 geacht geen bezwaar te hebben tegen de verlening of verlenging van de verblijfsvergunning; en

    • als de andere lidstaat de IND ervan in kennis stelt dat hij voornemens is of besloten heeft de verblijfsvergunning te verlenen of te verlengen, wist de IND de signalering inzake terugkeer of met het oog op weigering van toegang en verblijf. De IND beoordeelt aan de hand van A4/2.5.5 Vc ambtshalve of het inreisverbod wordt opgeheven. Als er sprake is van een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt de vreemdeling in E&S gesignaleerd.

12.10.3.2. Invoering signalering door andere lidstaat als sprake is van een verblijfsvergunning in Nederland

In deze paragraaf wordt de raadpleging door een andere lidstaat voorafgaand aan het invoeren van een signalering besproken, terwijl er al sprake is van een verblijfsvergunning inclusief asiel in Nederland. Het Bureau SIRENE informeert de IND over het raadplegingsverzoek.

De andere lidstaat overweegt de vreemdeling te signaleren in SIS en raadpleegt de IND:

  • op grond van artikel 10 Vo (EU) 2018/1860 vanwege een signalering inzake terugkeer; of

  • op grond van artikel 28 Vo (EU) 2018/1861 vanwege een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf.

Conform de hierboven genoemde raadplegingsprocedures geldt het volgende.

  • de IND beoordeelt binnen veertien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek om raadpleging op basis van de verstrekte informatie van de andere lidstaat of er redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken;

  • de IND kan de andere lidstaat via het Bureau SIRENE bij uitzondering verzoeken om verlenging van de termijn met maximaal twaalf kalenderdagen;

  • conform artikel 31, eerste lid, onder g, of artikel 35, eerste lid, onder g, van het SIRENE-handboek moet Nederland de raadplegende lidstaat altijd informeren ook al is de termijn verstreken;

  • de IND informeert de signalerende lidstaat of de verleende verblijfsvergunning wel of niet wordt ingetrokken;

  • als de IND de verblijfsvergunning handhaaft, wordt de signalering niet ingevoerd;

  • als de IND de verblijfsvergunning intrekt, signaleert de raadplegende lidstaat de vreemdeling in SIS.

12.10.3.3. Na invoering signalering door andere lidstaat: constatering verblijfsvergunning in Nederland

In deze paragraaf wordt de raadpleging door de andere lidstaat besproken, als na het invoeren van een signalering door deze andere lidstaat blijkt dat de vreemdeling al in het bezit is van een verblijfsvergunning inclusief asiel in Nederland. Het Bureau SIRENE informeert de IND over het raadplegingsverzoek.

De vreemdeling is gesignaleerd in:

  • SIS inzake terugkeer al dan niet in combinatie met een inreisverbod. Als de signalerende lidstaat besluit het terugkeerbesluit niet in te trekken, raadpleegt de signalerende lidstaat Nederland op grond van artikel 11 van Vo (EU) 2018/1860; of

  • SIS met het oog op weigering van toegang en verblijf. De signalerende lidstaat raadpleegt Nederland op grond van artikel 29 Vo (EU) 2018/1861.

Conform genoemde raadplegingsprocedures geldt het volgende:

  • de IND beoordeelt binnen veertien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek om raadpleging op basis van de verstrekte informatie van de signalerende lidstaat of er redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken;

  • de IND kan de signalerende lidstaat via het Bureau SIRENE bij uitzondering verzoeken om verlenging van de termijn met maximaal twaalf kalenderdagen;

  • conform artikel 32, eerste lid, onder f, of artikel 36, eerste lid, onder f, van het SIRENE-handboek moet Nederland de raadplegende lidstaat altijd informeren ook al is de termijn verstreken;

  • de IND informeert de signalerende lidstaat of de verleende verblijfsvergunning wel of niet wordt ingetrokken.

De procedure zoals hierboven beschreven wordt op grond van artikel 12 Vo (EU) 2018/1860 of artikel 30 Vo 2018/1861 geïnitieerd door een derde lidstaat als die lidstaat vaststelt dat de vreemdeling in het bezit is van een door Nederland afgegeven verblijfsvergunning en de vreemdeling door een andere lidstaat is gesignaleerd.

12.10.4. Raadpleging zonder actieve betrokkenheid van Nederland

Deze paragraaf gaat over de raadpleging bij een hit als Nederland niet betrokken is bij de signalering of verblijfsverlening, maar de vreemdeling wel door Nederland wordt aangetroffen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen verricht bij een vreemdeling die:

  • beschikt over een verblijfsvergunning inclusief asiel van een lidstaat; en

  • door een andere lidstaat is gesignaleerd inzake terugkeer of met het oog op weigering toegang en verblijf,

de volgende handeling:

  • meldt de treffer bij Bureau SIRENE zodat de raadplegingsprocedure op grond van artikel 12 van Vo (EU) 2018/1860 of artikel 30 van Vo (EU) 2018/1861 kan worden gevolgd.

12.11. Aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel

Als een vreemdeling te kennen geeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen en in het SIS of E&S gesignaleerd staat, verricht de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen alle volgende handelingen:

  • de SIS-treffer melden bij het Bureau SIRENE; en

  • de IND op de hoogte stellen van het bestaan van de SIS- of E&S-signalering; zie verder de procedure beschreven in paragraaf A2/12.10.2.1 als het een SIS-signalering is.

Als sprake is van een claim op basis van de Verordening (EU) nr. 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening) neemt het verantwoordelijke land de behandeling van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel over en blijft de SIS-signalering voorlopig gehandhaafd. De lidstaat die de vreemdeling heeft gesignaleerd neemt de beslissing over het handhaven of laten vervallen van de signalering.

12.12. Het wissen van signaleringen

De IND wist een door Nederland in het SIS ingevoerde signalering inzake terugkeer als de vreemdeling is uitgereisd uit het grondgebied van de lidstaten en zijn vertrek bij de IND bekend is. Een door Nederland in het SIS ingevoerde signalering met het oog op weigering toegang en verblijf wordt gewist als de duur van het opgelegde inreisverbod is verstreken en zijn vertrek bij de IND bekend is; zie ook paragraaf A4/2.5.6 Vc.

De IND kan een signalering wissen als sprake is van gewijzigde omstandigheden, die aanzetten tot het wissen van de signalering. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:

  • de grondslag voor de signalering is komen te vervallen;

  • de vreemdeling toont aan dat de signalering berust op onterechte gronden;

  • aan de vreemdeling wordt verblijf in Nederland toegestaan;

  • aan de vreemdeling wordt verblijf in een andere lidstaat toegestaan; zie paragraaf A2/12.10 Vc. De IND gaat na of de vreemdeling in het E&S wordt gesignaleerd.

12.12.1. Verzoek tot inzage in gegevens, correctie van onjuiste gegevens en het wissen van onrechtmatig opgeslagen gegevens in het SIS

Op basis van artikel 53 Vo (EU) 2018/1861 en artikel 19 Vo (EU) 2018/1860 heeft een vreemdeling het recht op inzage in zijn gegevens, correctie van onjuiste gegevens en het wissen van onrechtmatig opgeslagen gegevens in het SIS, behoudens de in het tweede en derde lid genoemde beperkingen.

Een vreemdeling die gesignaleerd staat in het SIS mag bij elke lidstaat een verzoek indienen om inzage, rectificatie en het wissen van onrechtmatig opgeslagen gegevens.

In Nederland moet de vreemdeling een dergelijk verzoek, ook als het een signalering van een andere lidstaat betreft, richten aan het volgende adres:

Nationale Politie,

Landelijke Eenheid

t.a.v. de privacyfunctionaris LO/LX

Postbus 100

3970 AC Driebergen

De vreemdeling die een verzoek wil indienen tot inzage in of aanpassing van een signalering in SIS kan hiervoor ook digitaal een formulier gebruiken via: www.politie.nl/contact/formulier/schengen.html

Als het verzoek tot het wissen van de signalering met het oog op weigering toegang en verblijf feitelijk een verzoek tot het opheffen van het door Nederland opgelegde inreisverbod of ongewenstverklaring betreft, moet het verzoek door de vreemdeling naar de IND worden gestuurd en is respectievelijk paragraaf A4/2.5 of paragraaf A4/3.5 Vc van toepassing.

Een verzoek tot het wissen van een door Nederland opgenomen signalering inzake terugkeer of met het oog weigering van toegang en verblijf moet door de vreemdeling naar de IND worden gestuurd.

Binnen acht weken nadat het verzoek van de vreemdeling is ontvangen, wordt door de IND schriftelijk beslist op het verzoek tot het wissen van de signalering.

12.12.2. Verzoek tot inzage, correctie en het wissen van een signalering in het E&S

Een vreemdeling die is geregistreerd in het E&S kan een verzoek indienen om inzage, correctie en de signalering te wissen in het E&S. Hiertoe moet de vreemdeling een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richten aan de Nationale Politie, genoemd in paragraaf A2/12.12.1 Vc. De Nationale Politie stuurt het verzoek tot wissen door aan de IND. De IND beslist schriftelijk binnen acht weken nadat het verzoek door de IND is ontvangen.

Een signalering wordt door de IND in het E&S gewist als de termijn van de maatregel die ten grondslag ligt aan de signalering is verstreken.

De IND kan een signalering in het E&S ook wissen als de onderliggende maatregel wordt opgeheven.

De IND wist een signalering in het E&S als de mvv-sticker van de mvv-plichtige vreemdeling die niet (langer) aan de voorwaarden waaronder de mvv is afgegeven voldoet, doorgehaald wordt.

12.13. Toegang verlenen ondanks signalering

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt het Bureau SIRENE op de hoogte als een vreemdeling die gesignaleerd staat de toegang tot Nederland voor een kort verblijf wordt verleend. Het Bureau SIRENE informeert de andere lidstaten over deze toegangsverlening.

13. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten

De politie, ZHP of KMar moeten contact opnemen met de IND om te vernemen hoe gehandeld moet worden om het rechtmatig verblijf van een vreemdeling te ontzeggen, als politieke activiteiten van de vreemdeling gevaar opleveren voor tenminste één van de volgende situaties:

  • de openbare orde;

  • goede internationale betrekkingen;

  • de nationale veiligheid.

De vreemdeling kan de bijzondere aanwijzing worden gegeven dat hij zich moet onthouden van activiteiten of uitlatingen die een gevaar opleveren voor een van de drie genoemde situaties.

F

Paragraaf A3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

A3. Vertrek en uitzetting

1. Inleiding

In hoofdstuk drie zijn beleidsregels opgenomen over onder meer het vertrek en de uitzetting van de vreemdeling. Deze regels zijn deels ook van toepassing op EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen, evenals de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde, Vb en de vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vb, die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen:

  • artikel 61 tot en met artikel 66a Vw;

  • artikel 6.1 tot en met artikel 6.5 VV;

  • artikel 3.1 Vb;

  • artikel 6.1a tot en met 6.4 Vb.

1.1. Terugkeerbesluit
1.1.1. Inleiding

Een terugkeerbesluit is een besluit waarin wordt vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf (meer) heeft in Nederland en waaruit de plicht blijkt om de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein (hierna: de lidstaten) te verlaten binnen de daarvoor genoemde termijn naar het land van terugkeer.

Een terugkeerbesluit kan enkel tegen een onderdaan van een derde land worden uitgebracht.

1.1.2. Elementen terugkeerbesluit

Een terugkeerbesluit bevat de volgende elementen:

  • a. de vaststelling dat een vreemdeling niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft;

  • b. de plicht om de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein te verlaten;

  • c. de termijn waarbinnen de vreemdeling aan zijn vertrekplicht moet voldoen; en

  • d. het benoemen van het land/de landen waarnaar de vreemdeling moet terugkeren voor zover dat land/die landen bekend is/zijn.

Ad a.

Er dient te zijn vastgesteld dat een vreemdeling niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft. Specifiek voor vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning hebben ingediend geldt het volgende. Bij een afwijzing, een buitenbehandelingstelling, het intrekken of het niet verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning wordt vastgesteld dat er geen sprake (meer) is van rechtmatig verblijf. Dan wordt aan de voorwaarde voor element a voldaan. Tenzij er nog een andere aanvraagprocedure in eerste aanleg loopt waarvan de uitkomst in Nederland mag worden afgewacht. In dat geval wordt (nog) niet aan de voorwaarde voldaan en kan er (nog) geen terugkeerbesluit worden genomen.

Ad b.

Een vreemdeling met een terugkeerbesluit voldoet niet aan zijn terugkeerverplichting als hij vertrekt naar een andere lidstaat. Ook niet als hij daar rechtmatig verblijf heeft. De vreemdeling voldoet alleen aan de terugkeerverplichting als hij het grondgebied van de lidstaten verlaat.

Ad c.

Voor de termijnen die gelden wordt verwezen naar paragraaf A3/3 Vc.

Ad d.

Een land van terugkeer kan zijn:

  • het land van herkomst van de vreemdeling (voor een staatloze vreemdeling het land van gebruikelijke woonplaats);

  • een land van doorreis op basis van communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, waaronder begrepen het land waarnaar de vreemdeling kan terugkeren op basis van een removal order; of

  • een ander derde land waarnaar de vreemdeling vrijwillig terug wil keren en waar de vreemdeling wordt toegelaten.

In een terugkeerbesluit benoemt de IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie een of meerdere landen van terugkeer. Als het gestelde herkomstland niet aannemelijk is, benoemt de IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie zowel dat herkomstland als de landen waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze landen van terugkeer kunnen zijn.

Het gevolg van een terugkeerbesluit is dat de vreemdeling gesignaleerd wordt in het Schengeninformatie Systeem inzake terugkeer overeenkomstig paragraaf A2/12 Vc.

1.1.3. Bevoegdheid nemen terugkeerbesluit

De IND neemt een terugkeerbesluit:

  • bij een afwijzing of het buiten behandeling stellen van de aanvraag;

  • bij de intrekking of het niet verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning;

  • als de vreemdeling zijn aanvraag intrekt; of

  • als de IND op advies van de AVIM, Zeehavenpolitie en KMar een zwaar

inreisverbod aan een vreemdeling oplegt zonder dat er een aanvraag is ingediend.

De KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt een terugkeerbesluit als na onderzoek is gebleken dat de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland is en zowel Nederland als de lidstaten moet verlaten. Zie paragraaf A3/2 Vc in het geval de vreemdeling verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat.

De IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt een aanvullend terugkeerbesluit als:

  • er in het eerder genomen terugkeerbesluit geen land van terugkeer is genoemd; of

  • als in de terugkeerprocedure blijkt naar welk land een vreemdeling kan terugkeren, maar dat land niet is genoemd in het eerdere terugkeerbesluit.

In het aanvullend terugkeerbesluit worden een of meerdere landen van terugkeer toegevoegd. Tegen het aanvullend terugkeerbesluit staan rechtsmiddelen open.

De IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt geen terugkeerbesluit als:

  • a. er eerder een rechtsgeldig terugkeerbesluit is uitgebracht terwijl de vreemdeling nog niet heeft voldaan aan zijn vertrekverplichting die is opgenomen in het terugkeerbesluit;

  • b. de IND de aanvraag heeft afgewezen, maar er nog een andere aanvraag in Nederland loopt die procedureel rechtmatig verblijf geeft, waarop nog niet in eerste aanleg is beslist;

  • c. de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is en zolang niet is vastgesteld dat er adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer (zie paragraaf A3/6.1 en B8/6.1 Vc) (zie artikel 5 Terugkeerrichtlijn: belang van het kind);

  • d. er is vastgesteld dat familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 EVRM zich verzet tegen het nemen van een terugkeerbesluit;

  • e. er is vastgesteld dat de vreemdeling in het land van terugkeer een risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29 Vw of een reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 29a Vw;

  • f. er is vastgesteld dat er sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM als gevolg van de gezondheidstoestand van de vreemdeling bij uitzetting naar het land van terugkeer (artikel 5 Terugkeerrichtlijn);

  • g. als een overdrachtsbesluit ingevolge de Asiel- en Migratiebeheerverordening is genomen; of

  • h. de vreemdeling valt onder het toepassingsbereik van Richtlijn 2004/38 (burger van de Europese Unie of familielid van de burger van de Europese Unie).

2. Zelfstandig vertrek

De IND, politie, KMar en ZHP starten een terugkeerprocedure op die gericht is op de terugkeer naar het land van herkomst van de vreemdeling, nadat zij de vreemdeling een terugkeerbesluit al dan niet in combinatie met een inreisverbod hebben uitgereikt. De politie, KMar en ZHP kunnen hierbij gebruik maken van model M107-A.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag de vreemdeling op grond van artikel 4.38 Vb vorderen om te verschijnen om gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. Hieronder vallen in ieder geval de biometrische gegevens van de vreemdeling.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen moet de vreemdeling uitleggen welke gegevens de vreemdeling moet verstrekken om het vertrek van de vreemdeling uit Nederland mogelijk te maken. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen registreert de vordering tot het verstrekken van gegevens in de vreemdelingenadministratie.

DTenV kan een vreemdeling bij de feitelijke terugkeer begeleiden. DTenV kan dit bijvoorbeeld doen bij:

  • een niet-begeleide minderjarige; of

  • een vreemdeling waarbij sprake is van een medische overdracht.

Naast deze begeleiding door DTenV kunnen andere vormen van begeleiding plaatsvinden, zoals begeleiding:

  • door de KMar in het kader van veiligheid van de vlucht; of

  • door derden, zoals psychiatrisch geschoolde verpleegkundigen, ter vervulling van de reisvoorwaarden opgenomen in het BMA-advies.

Bevel zich onmiddellijk te begeven naar de verblijfgevende lidstaat en terugkeerbesluit bij vreemdelingen met regulier verblijfsrecht in een andere lidstaat van de Europese Unie (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland

In het geval de vreemdeling in één van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland een geldige reguliere verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft, wordt in de regel geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Ingevolge artikel 62a, derde lid, Vw wordt aan de vreemdeling in beginsel eerst het bevel gegeven zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven (model M106-B). Als dit bevel niet wordt nageleefd of als om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling wel een terugkeerbesluit uitgevaardigd door de IND, KMAR, politie of ZHP.

Geen terugkeerbesluit bij vreemdeling met internationale bescherming: wel bevel zich onmiddellijk te begeven naar de verblijfgevende lidstaat

In het geval de vreemdeling in één van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland internationale bescherming geniet, wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Om die reden kan ook geen inreisverbod worden opgelegd (zie ook A4/2.2 Vc). Ingevolge artikel 62a, derde lid, Vw wordt aan de vreemdeling het bevel gegeven zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven (model M106-B).

De IND kan deze vreemdeling enkel ongewenst verklaren als hij zich buiten Nederland bevindt. Zie voor signalering en raadplegingsprocedure: paragraaf A2/12.10 Vc.

Begeleiding terugkeer door DTenV naar lidstaat met regulier verblijfsrecht of internationale bescherming

Een vreemdeling die voldoet aan alle volgende kenmerken wordt door DTenV begeleid in de terugkeer naar de lidstaat die hem een verblijfsvergunning heeft verleend:

  • de vreemdeling is afkomstig uit een derde land;

  • de vreemdeling heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland;

  • de vreemdeling is in het bezit van een door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf; en

  • aan de vreemdeling is geen terugkeerbesluit gegeven.

Als de vreemdeling wel een terugkeerbesluit heeft gekregen, begeleidt DTenV niet in het vertrek naar de andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland die aan de vreemdeling een verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft verleend. In dat geval zet DTenV in op vertrek naar het land zoals genoemd in het terugkeerbesluit.

3. Vertrektermijnen
3.1. Algemeen

Deze paragraaf bevat de beleidsregels omtrent de toepassing van artikel 62, tweede lid, Vw.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM onthouden of verkorten een vertrektermijn aan de hand van de in artikel 62, tweede lid, onder a, b en c, Vw opgenomen gronden, tenzij er redenen zijn om conform paragraaf A3/3.5 of A3/3.7 Vc desondanks een (volledige) vertrektermijn te gunnen.

In de volgende paragrafen zijn beleidsregels opgenomen ter invulling van deze gronden om de vertrektermijn te verkorten of onthouden:

  • artikel 62, tweede lid, onder a, Vw (onderduikrisico): paragraaf A3/3.2 Vc;

  • artikel 62, tweede lid, onder b, Vw (kennelijk ongegrondheid): paragraaf A3/3.3 Vc;

  • artikel 62, tweede lid, onder c, Vw (gevaar openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid): paragraaf A3/3.4 Vc.

In paragraaf A3/3.3 Vc zijn beleidsregels opgenomen over de toepassing van de gronden uit artikel 62, tweede lid onder b, Vw bij een eerste aanvraag op een verblijfsvergunning asiel.

In paragraaf A3/3.5 Vc zijn beleidsregels opgenomen over de toepassing van de gronden uit artikel 62, tweede lid onder a, Vw bij een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel.

In paragraaf A3/3.6 Vc zijn beleidsregels opgenomen omtrent de proportionaliteit van het onthouden van een vertrektermijn.

In paragraaf A3/3.7 Vc zijn beleidsregels opgenomen omtrent de verlenging van de vertrektermijn.

3.2. Onderduikrisico

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM nemen aan dat er sprake is van een onderduikrisico in de zin van artikel 62, tweede lid, onder a, Vw als tenminste twee van de gronden als genoemd in artikel 5.13, tweede lid, Vb van toepassing zijn.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM moeten de gronden, als bedoeld in artikel 5.13, derde lid, Vb nader toelichten.

Er wordt een onderduikrisico aangenomen bij een in Nederland geboren kind, indien het kind een terugkeerbesluit ontvangt nadat de ouder (of ouders) eerder een terugkeerbesluit heeft ontvangen en die ouder zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht. Daarmee wordt de grond, genoemd in artikel 5.13, tweede lid, sub b, Vb, aan het kind toegerekend. Vereist is wel dat nog minimaal één van de andere gronden in artikel 5.13, tweede lid, Vb van toepassing is op het kind dan wel zijn ouder om ten aanzien van het gezin als geheel een onderduikrisico aan te nemen. Aan dat kind wordt dan in beginsel een vertrektermijn onthouden.

Bij de uitleg van voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.13, tweede lid, onder s, Vb wordt aangesloten bij de bestaande invulling van dit begrip in artikel 3.74 Vb en paragraaf B1/4.3.3 Vc.

3.3. Kennelijk ongegrondheid

De IND verstaat onder kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder b, Vw de situatie waarin de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van artikel 30b Vw.

De IND onthoudt een vertrektermijn als een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond is.

Bij het onthouden van een vertrektermijn op deze grond kan worden verwezen naar de motivering uit het besluit waarin de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond is verklaard.

3.4. Gevaar openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid

Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 69, tweede lid, onder a, punt 2, Vw is tenminste een van de volgende besluiten mogelijk:

  • de vertrektermijn voor de vreemdeling wordt op grond van artikel 62, tweede lid, Vw verkort;

  • de vreemdeling moet Nederland onmiddellijk verlaten.

Het vertrek uit Nederland houdt op grond van de Terugkeerrichtlijn ook het vertrek in uit de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland.

Gevaar voor de openbare orde

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM bepaalt dat de vreemdeling Nederland (en de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland) onmiddellijk moet verlaten als het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM kan de vreemdeling aanmerken als een gevaar voor de openbare orde om één of meer van de redenen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM kan de vreemdeling ook aanmerken als een gevaar voor de openbare orde als sprake is van een verdenking van het plegen van een misdrijf.

Bij de beoordeling of de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving betrekt de IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval:

  • de aard en de ernst van het misdrijf;

  • het tijdsverloop sinds het misdrijf werd gepleegd; en

  • de omstandigheid dat de vreemdeling toen hij werd aangetroffen bezig was Nederland (en de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland) te verlaten.

Voor zover sprake is van een verdenking van het plegen van een misdrijf wint de IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM informatie in bij de politie of het OM over de gegrondheid van die verdenking waarbij in ieder geval wordt betrokken of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.

De IND bepaalt dat de vreemdeling Nederland (en de andere lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland) onmiddellijk moet verlaten als de aanvraag is afgewezen omdat artikel 1F van toepassing is of omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

Indien een visum van de vreemdeling nietig is verklaard of ingetrokken om redenen verband houdend met de openbare orde, zal in beginsel steeds eveneens sprake zijn van voldoende redenen om omwille van de openbare orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid, Vw, de vertrektermijn te verkorten. Het vorenstaande geldt analoog ook bij de beëindiging van de vrije termijn van niet visumplichtige vreemdelingen, vanwege redenen die verband houden met openbare orde.

3.5. Beoordeling bij een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel

De IND beoordeelt bij een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel waar met toepassing van artikel 30a, eerste lid, artikel 30c of artikel 31 Vw op wordt beslist in de volgende situaties of de vertrektermijn wordt verkort of onthouden op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, Vw:

  • de vreemdeling is de toegang geweigerd, of er is sprake van een uitgestelde toegangsweigering zoals beschreven in A1/7.3 Vc;

  • de vreemdeling is in bewaring gesteld;

  • er is sprake van openbare orde aspecten, bijvoorbeeld (een verdenking van) het plegen van een misdrijf;

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is om proceseconomische redenen als bedoeld in de paragraaf C2/3 Vc niet in de Asiel- en migratiebeheerverordening-procedure behandeld, maar is inhoudelijk beoordeeld op inwilligbaarheid;

  • de indiening van een verblijfsvergunning asiel is in overwegende mate ingegeven door sociaal-economische redenen;

  • de vreemdeling heeft te kennen gegeven dat hij in het geval van afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is op grond van artikel 30c Vw buiten behandeling gesteld;

  • bij een in Nederland geboren vreemdeling, voor wie een aanvraag is ingediend door de ouder, die eerder een terugkeerbesluit heeft gekregen en zich niet heeft gehouden aan de vertrekplicht.

Indien géén van deze situaties zich voordoet, onthoudt of verkort de IND bij een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel geen vertrektermijn op grond van artikel 62, tweede lid onder a, Vw. Indien tenminste één van deze situaties zich voordoet, beoordeelt de IND onverkort of er aanleiding bestaat een vertrektermijn te onthouden of te verkorten op grond van artikel 62, tweede lid onder a, Vw. Voor de gronden waarop de vertrektermijn in die gevallen kan worden verkort of onthouden is paragraaf A3/3.2 Vc van toepassing.

3.6. Proportionaliteit

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM ziet af van het onthouden van een vertrektermijn als de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zodanig zijn dat het onthouden van een vertrektermijn niet proportioneel is. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM betrekt bij de proportionaliteitstoets alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval:

  • de aanwezigheid van in Nederland verblijvende familieleden, in het bijzonder minderjarige kinderen. Als er sprake is van gezinsleden zonder rechtmatige verblijfstitel, is er in de regel geen aanleiding het onthouden van een vertrektermijn disproportioneel te achten;

  • de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van in Nederland verblijvende familie- of gezinsleden. Als de gezondheidstoestand geen aanleiding geeft om over te gaan tot toepassing van artikel 64 Vw, is er in de regel evenmin reden om het onthouden van een vertrektermijn om medische redenen disproportioneel te achten.

3.7. Verlenging van de vertrektermijn

Een vreemdeling aan wie een vertrektermijn is verleend kan vragen om verlenging van deze termijn, zoals beschreven in artikel 6.3 VV. De vreemdeling krijgt door het indienen of het inwilligen van een verzoek om een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn geen rechtmatig verblijf in Nederland. De DTenV mag bij de inwilliging van het verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn niet tot uitzetting overgaan totdat de verlengde vertrektermijn is verstreken. De vreemdeling heeft de plicht gedurende de verlengde vertrektermijn zelfstandig aan zijn vertrek te werken.

Een vreemdeling kan een verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn uitsluitend op een van de volgende manieren indienen:

  • persoonlijk bij één van de loketten van de IND;

  • schriftelijk tijdens vertrekgesprekken met de ambtenaar van de DTenV. De ambtenaar van de DTenV moet het verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn doorsturen naar de IND.

Om het besluit over de verlenging te nemen, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. De IND biedt geen afzonderlijk herstel verzuim en geeft onmiddellijk een beschikking.

4. Reisdocumenten

Als een vreemdeling Nederland moet verlaten en niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt op grond waarvan zijn toegang tot zijn land van herkomst of een ander land is gewaarborgd, ondersteunt DTenV de vreemdeling bij het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit geldt ook voor vreemdelingen waarvan een (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen en de bevoegdheid tot uitzetting tijdelijk is opgeschort.

DTenV mag de vreemdeling of derden verzoeken bewijsmiddelen die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onderbouwen, aan DTenV te overhandigen.

Een vreemdeling die uitgezet wordt, moet over tenminste één van de volgende bewijsmiddelen beschikken waarmee de toegang tot het land van bestemming en een eventuele doorreis door een derde land is gewaarborgd:

  • een (geldig) document voor grensoverschrijding;

  • een re-entry permit.

4.1. Aanvragen van een geldig document voor grensoverschrijding

Als blijkt dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een re-entry permit dan moet DTenV zo snel mogelijk tenminste een van de volgende bewijsmiddelen aanvragen bij de buitenlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling:

  • een geldig document voor grensoverschrijding;

  • ‘re-entry permit’.

DTenV moet een aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding bij voorkeur samen met de vreemdeling opmaken. DTenV moet de vreemdeling informeren over welke informatie de vreemdeling moet verstrekken voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het door de vreemdeling ingevulde formulier of de aan DTenV verstrekte bewijsmiddelen geen asielgerelateerde informatie bevatten. DTenV hoeft deze bewijsmiddelen niet te vertalen en te screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend voordat het aan een diplomatieke vertegenwoordiging wordt overgelegd.

DTenV moet bewijsmiddelen wel screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend bij landen waarvan bekend is dat het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel tot problemen kan leiden bij de terugkeer van de vreemdeling tot dat land. DTenV mag aan de diplomatieke vertegenwoordiging uitsluitend aangeven dat:

  • de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en om die reden Nederland moet verlaten; of

  • de vreemdeling gehouden is om medewerking te verlenen aan de voorbereiding van zijn vertrek.

DTenV moet beschikbare (kopieën van) bewijsmiddelen die de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling kunnen onderbouwen, voegen bij de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding.

Als onmiddellijke uitzetting van de vreemdeling door middel van overdracht aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is, vraagt DTenV geen geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging aan.

Als de uitzetting van een vreemdeling in overeenstemming met artikel 65, eerste lid, Vw, niet zonder geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ kan worden geëffectueerd, moet de ambtenaar belast met grensbewaking contact opnemen met DTenV. DTenV dient voor de effectuering van de uitzetting van de vreemdeling, een aanvraag in bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding.

4.2. Contact met de diplomatieke vertegenwoordiging

DTenV nodigt de vreemdeling uit voor een presentatie bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. De politie of KMar heeft de bevoegdheid de vreemdeling te vorderen om te verschijnen voor een presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging (zie model 90A).

Voorafgaande aan de presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging informeert DTenV de vreemdeling dat de vreemdeling niet is gehouden om inlichtingen te verstrekken aan de diplomatieke vertegenwoordiging met betrekking tot de reden van zijn verblijf in Nederland. DTenV moet de vreemdeling een kopie verstrekken van de aanvraag die is ingediend bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding.

4.3. Moment van aanvraag

DTenV mag de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding, een identiteitsonderzoek of de presentatie van de vreemdeling bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst niet starten indien de (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in behandeling is bij de IND. Indien het asielberoep opschortende werking heeft mag DTenV een aanvraag voor een vervangend reisdocument indienen bij de autoriteiten van het land van herkomst, maar mag geen presentatie in persoon van de vreemdelingen bij de autoriteiten van het land van herkomst plaatsvinden. In het geval het asielberoep geen opschortende werking heeft en een ingediende voorlopige voorziening enkel de bevoegdheid tot uitzetting opschort, dan kan de vreemdeling wel worden gepresenteerd bij de autoriteiten van het land van herkomst. De vreemdeling zal in voornoemde gevallen vooraf in kennis worden gesteld van de aanvraag voor een vervangend reisdocument en de presentatie.

DTenV moet voor een vreemdeling die in een justitiële inrichting of een andere inrichting is opgenomen, tijdens het verblijf in die inrichting een geldig document voor grensoverschrijding aanvragen. De vreemdeling die in een inrichting is geplaatst, moet aansluitend aan het einde van het verblijf in de inrichting worden uitgezet (zie paragraaf A3/10 Vc).

4.4. Gedragslijn als geen geldig document voor grensoverschrijding kan worden verkregen

De Korpschef of de Commandant KMar moet de vreemdeling aanzeggen dat de vreemdeling Nederland moet verlaten, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de vreemdeling wordt niet in het bezit gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding door een diplomatieke vertegenwoordiging;

  • de vreemdeling kan niet aan de buitenlandse grensautoriteiten worden overgedragen of uit Nederland worden uitgezet door middel van plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig;

  • er is geen sprake van de situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

4.5. Gebruik van een Europees reisdocument

Het vertrek van een vreemdeling uit Nederland mag plaatsvinden met behulp van een Europees reisdocument. Het Europees reisdocument wordt afgegeven door DTenV als op grond van één of meer aanwijzingen de nationaliteit of identiteit van de betrokken vreemdeling wordt aangenomen. Aan het Europees reisdocument worden bewijsmiddelen gevoegd als ondersteuning van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. De bewijsmiddelen mogen geen asielgerelateerde informatie bevatten.

Het Europees reisdocument mag worden gebruikt:

  • bij terugkeer van een vreemdeling naar het land van herkomst;

  • bij de terugkeer van een vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst;

  • als geldig ondersteunend document voor grensoverschrijding bij overdracht van een vreemdeling naar een Europees land.

Om gebruik te maken van een Europees reisdocument in het kader van het vertrek van de vreemdeling uit Nederland moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan:

  • het is niet mogelijk gebleken tijdig een geldig document voor grensoverschrijding te verkrijgen van de autoriteiten van het land van herkomst of een derde land, of er zijn met de autoriteiten van het betreffende land afspraken gemaakt over het gebruik van het Europees reisdocument;

  • er bestaan één of meerdere aanwijzingen op grond waarvan de nationaliteit en/ of identiteit van de vreemdeling aangenomen kan worden;

  • er bestaat een redelijke kans dat de vreemdeling wordt toegelaten in het land waar de vreemdeling naar terug moet keren.

4.6. Het stellen van aantekeningen in geldige documenten voor grensoverschrijding van de vreemdeling

De politie of de KMar moeten bij elk vertrek van een vreemdeling uit Nederland nagaan of de door de minister gegeven voorschriften en aanwijzingen zoals genoemd onder paragraaf A2/8 Vc zijn nageleefd over:

  • het doorhalen van in het geldig document voor grensoverschrijding gestelde aantekeningen;

  • het inhouden van afzonderlijke inlegbladen;

  • het inhouden van identiteitsdocumenten.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag aantekeningen over het vertrek van de vreemdeling in een identiteitsdocument of een geldig document voor grensoverschrijding plaatsen als:

  • de vreemdeling wordt uitgezet naar een derde land waar een ander land een overeenkomst mee heeft gesloten dat bemiddelt in de toelating tot het derde land;

  • de vreemdeling rechtstreeks wordt uitgezet naar een land waar zijn toegang gewaarborgd is, omdat de vreemdeling onderdaan is van dat land of omdat hij in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of toelating tot het land.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag in ieder geval geen aantekeningen over het vertrek van de vreemdeling in een identiteitsdocument of een geldig document voor grensoverschrijding plaatsen als:

  • de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend;

  • op de vreemdeling het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel (zie hoofdstuk B8/3 Vc) van toepassing is.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag verder geen aantekening over de uitzetting in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling maken als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de uitzetting van de vreemdeling vindt door middel van overdracht aan de Belgische grensautoriteiten plaats;

  • de vreemdeling wordt na de overdracht aan de Belgische grensautoriteiten uit het Beneluxgebied gezet.

4.7. Het inhouden van bewijsmiddelen

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

  • het in bewaring genomen bewijsmiddel voor het vertrek van de vreemdeling uit Nederland per aangetekende brief versturen naar het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt waarlangs de vreemdeling Nederland zal verlaten;

  • bij het versturen van het in bewaring genomen document naar het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt het tijdstip vermelden waarop de vreemdeling langs de doorlaatpost/ overgave-overnamepunt zal uitreizen.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

  • het in bewaring genomen document aan de vreemdeling teruggeven nadat de vreemdeling het ontvangstbewijs voor terugontvangst van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling (model M101) heeft ondertekend;

  • controleren of de vreemdeling Nederland verlaat;

  • op het ingehouden ontvangstbewijs voor terugontvangst door de vreemdeling van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling een verklaring stellen waaruit blijkt dat het vertrek van de vreemdeling is gecontroleerd;

  • het ontvangstbewijs voor terugontvangst door de vreemdeling van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling terugsturen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die het ontvangstbewijs heeft afgegeven.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt informeert onmiddellijk de betrokken politie, ZHP, KMar of DTenV in tenminste een van de volgende situaties:

  • de vreemdeling zich niet op de afgesproken tijd en plaats bij het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt heeft gemeld;

  • als de uitreis van de vreemdeling vertraging ondervindt;

  • als de uitreis van de vreemdeling problemen ondervindt.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt overlegt met de politie, ZHP, KMar of DTenV over de te volgen handelwijze.

5. Ondersteuning bij vertrek
5.1. Vertrek met behulp van de IOM

Om in aanmerking te komen voor het REAN-programma moet een vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

  • een aanvraag voor vrijwillig vertrek indienen bij de IOM;

  • een aanvraagformulier ondertekenen waarin de vreemdeling verklaart geen bezwaar te hebben tegen:

  • het uitwisselen van informatie tussen de IOM, de IND en DTenV ten behoeve van (toetsing aan de voorwaarden voor) vrijwillige terugkeer;

  • het uitwisselen van persoonsgegevens, datum aanvraag vrijwillige terugkeer, datum beëindiging aanvraag, (geplande) vertrekdatum en kopie reisdocument die na vertrek kunnen worden gedeeld met instanties in de migratieketen (IND, DTenV, COA, AVIM, KMar).

Een vreemdeling komt niet in aanmerking voor het REAN-programma als hij de nationaliteit heeft van, of in het bezit is van een geldig (tijdelijke) reguliere verblijfsvergunning, of een asielvergunning voor onbepaalde tijd, van:

  • een lidstaat van de EU;

  • landen die deel uitmaken van de EER en/of EVA;

  • een van de Europese microstaten (Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en Vaticaanstad);

  • een land dat behoort tot de top 35 van de hoogste inkomens per hoofd van de bevolking volgens de Wereldbank, inclusief Taiwan.

Een vreemdeling komt ook niet in aanmerking voor het REAN-programma als hij de afgelopen vijf jaar de EU heeft verlaten, zelfstandig of gedwongen, met ondersteuning van DTenV, Frontex, of de IOM.

De IOM kan in afwijking van het voorgaande (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel en niet-begeleide minderjarigen, of in andere schrijnende gevallen, ongeacht de nationaliteit of land van bestemming van de vreemdeling, assistentie verlenen bij het vertrek.

De IOM moet ten aanzien van het REAN-programma alle volgende handelingen verrichten:

  • bij de IND nagaan of de vreemdeling voldoet aan bovengenoemde voorwaarden om in aanmerking te komen voor het REAN-programma; en

  • de IND vragen of er bezwaar is tegen het vertrek van de vreemdeling via de IOM.

De IND heeft bezwaar tegen vertrek via de IOM, als de vreemdeling gesignaleerd staat vanwege opsporing.

De IND informeert DTenV over de omstandigheid dat bezwaar is geuit tegen vertrek via de IOM.

DTenV heeft bezwaar tegen vertrek via de IOM van een vreemdeling vanwege een geplande uitzetting of overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Als door DTenV al handelingen zijn gestart om het vertrek van de vreemdeling mogelijk te maken, kan DTenV tenminste één van de volgende beslissingen nemen:

  • er is bezwaar tegen het vertrek via de IOM: het vertrek vindt via DTenV plaats; of

  • er is geen bezwaar tegen vrijwillig vertrek van de vreemdeling via de IOM: DTenV staakt de eigen vertrekmaatregelen.

Als er geen bezwaar is tegen het vrijwillig vertrek zal de vreemdeling door de IOM worden geïnformeerd dat hij via het REAN-programma mag vertrekken. DTenV kan intussen doorgaan met de voorbereidingen voor een eventueel gedwongen vertrek, mocht de vreemdeling uiteindelijk toch niet met de IOM vertrekken.

De vreemdeling moet zorg dragen voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Als DTenV, de (zeehaven)politie, de KMar of de IND in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, wordt dit document gebruikt bij het zelfstandige vertrek van de vreemdeling dat wordt gefaciliteerd door de IOM. De vreemdeling die in het bezit is van een W-document moet het W-document voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland bij de politie inleveren.

De vreemdeling tekent bij vertrek een verklaring voor de IND, waarin staat dat de vreemdeling ermee instemt dat:

  • openstaande vreemdelingrechtelijke procedures worden beëindigd dan wel dat een al toegekende verblijfsvergunning wordt ingetrokken;

  • het vertrek van de vreemdeling op basis van informatie van de IND wordt verwerkt in de BRP.

De IOM verstrekt de vreemdeling zijn vliegticket en een eventuele eenmalige financiële bijdrage op de luchthaven van vertrek. Hiervoor tekent de vreemdeling een vertrekverklaring van de IOM. De IOM moet de uitreisformaliteiten op de luchthaven afhandelen.

De vreemdeling aan wie een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, moet door de KMar worden overgedragen aan de IOM. Voor de overdracht van de vreemdeling aan de IOM, heft de ambtenaar belast met de grensbewaking de vrijheidsbeperkende of de vrijheidsontnemende maatregel op.

De IOM moet de IND en DTenV door middel van een vertrekverklaring berichten dat de vreemdeling is vertrokken met ondersteuning van de IOM.

5.2. Tijdelijk herintegratiebeleid Syrië
5.2.1. Doelgroep

De doelgroep van het tijdelijke herintegratiebeleid Syrië zoals beschreven in deze paragraaf is de Syrische vreemdeling, die

  • op 1 oktober 2025 aantoonbaar in Nederland verbleef;

  • als zodanig bekend is bij de organisaties in de migratieketen.

5.2.2. Voorwaarden

Om in aanmerking te kunnen komen voor ondersteuning onder het tijdelijke herintegratiebeleid, moet de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoen:

  • a. de vreemdeling bezit de Syrische nationaliteit of kan anderszins middels documentatie aantonen uit Syrië afkomstig te zijn en duurzaam toegang te hebben tot Syrië;

  • b. de vreemdeling:

    • doorloopt een asiel- of reguliere procedure;

    • heeft een (tijdelijk) verblijfsrecht in Nederland (asiel of regulier); of

    • heeft een terugkeerbesluit ontvangen naar aanleiding van een afwijzing van een verblijfsaanvraag.

  • c. de vreemdeling verbleef op 1 oktober 2025 in Nederland;

  • d. de vreemdeling is bekend bij organisaties in de migratieketen;

  • e. de vreemdeling dient een verzoek tot ondersteuning onder het tijdelijke herintegratiebeleid in tussen 17 november 2025 en 1 januari 2026;

  • f. de vreemdeling verleent medewerking aan DTenV door het (laten) verstrekken van benodigde informatie en het opvolgen van instructies met het oog op zijn vertrek;

  • g. de vreemdeling ondertekent een verklaring ‘vrijwillig vertrek’ en verklaart daarbij eventuele nog aanhangige verblijfsmatige procedures – en als daar sprake van is een verblijfsvergunning – in te trekken dan wel afstand te doen;

  • h. het vertrek uit Nederland van de vreemdeling betekent geen doorkruising van een strafrechtelijk vervolgings- of uitleveringstraject waarbij de vreemdeling betrokken is;

  • i. het vertrek van de vreemdeling kan feitelijk worden gerealiseerd;

  • j. het vertrek vindt uitsluitend plaats naar Syrië.

Ad g.

Deze verklaring op schrift gebeurt door het invullen en ondertekenen van de Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland, te vinden op de website van de IND.

Contra-indicaties

Een verzoek om ondersteuning kan worden geweigerd, als de vreemdeling:

  • een inreisverbod heeft van meer dan vijf jaar;

  • is veroordeeld voor een zedendelict, doodslag, moord, mensenhandel of mensensmokkel;

  • een gevaar is voor de nationale veiligheid;

  • is afgewezen voor asiel op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag; of

  • binnen de afgelopen vijf jaar de EU heeft verlaten met ondersteuning van de International Organisatie voor Migratie (IOM), een niet-gouvernementele organisatie (ngo), DTenV of Frontex.

5.2.3 Terugvordering

Van personen die met ondersteuning op basis van het tijdelijke herintegratiebeleid Syrië zijn teruggekeerd naar Syrië en die binnen vijf jaar na vertrek weer Nederland of de EU inreizen kan de verstrekte herintegratieondersteuning worden teruggevorderd.

5.2.4 Voorzieningen en herintegratiebijdrage

DTenV biedt aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor dit tijdelijke herintegratiebeleid Syrië de volgende ondersteuning:

  • advies en informatie over herintegratie;

  • hulp bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten;

  • een vliegticket enkele reis naar Syrië;

  • begeleiding bij vertrek op de luchthaven;

  • een financiële herintegratiebijdrage in contanten van € 5.000 per volwassen persoon en € 2.500 per minderjarige. Syriërs die op 1 oktober bekend staan bij de autoriteiten in de migratieteken als niet-begeleide minderjarige komen voor een financiële herintegratiebijdragen van € 5.000 in contanten in aanmerking;

Het algemene uitgangspunt is dat binnen twee maanden na aanmelding bij DTenV de uitreis plaatsvindt. Grote aanmeldingsaantallen bij DTenV of het niet voorhanden hebben van reisdocumenten, kunnen leiden tot een langere behandeltermijn.

Mocht het om zwaarwegende redenen noodzakelijk zijn om van deze periode af te wijken dan kan DTenV hiertoe besluiten.

De vreemdeling die na 31 december 2025 een aanvraag indient komt niet meer in aanmerking voor dit beleid.

5.2.5 Aanvraag en procedure

De vreemdeling dient de aanvraag voor ondersteuning op basis van het herintegratiebeleid schriftelijk in via de website van DTenV. DTenV behandelt de aanvraag en zoekt ten behoeve van de beslissing op de aanvraag afstemming met ketenpartners. DTenV zoekt altijd afstemming met de IND met de vraag of er bezwaren zijn tegen het vertrek van de vreemdeling.

Na het vertrek van een vreemdeling stelt DTenV de IND op de hoogte van het vertrek van de vreemdeling.

Het herintegratiebeleid zal worden uitgevoerd door DTenV. DTenV kan besluiten om de IOM, Frontex of een andere partner een rol te geven in de uitvoering van deze beleidsregels.

6. Uitzetting

Uitzetting van een vreemdeling vindt plaats op tenminste een van de volgende wijzen:

  • door overdracht van de vreemdeling aan de buitenlandse grensautoriteiten;

  • door plaatsing van de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of schip van de onderneming die de vreemdeling naar Nederland heeft vervoerd;

  • de vreemdeling wordt rechtstreeks of met een tussenstop uitgezet naar een land waarvan op basis van feiten en omstandigheden wordt aangenomen dat de vreemdeling daar de toegang wordt verleend.

Voor wat betreft de mogelijkheid om een vreemdeling door de DTenV te laten begeleiden bij de feitelijke terugkeer, wordt verwezen naar paragraaf A3/2 Vc.

De DTenV stelt uiterlijk 36 uur voorafgaand aan een door de DTenV georganiseerde uitzetting of gedwongen overdracht de volgende personen in kennis van de reisgegevens:

  • de vreemdeling;

  • de gemachtigde die de vreemdeling bijstaat in de vertrekprocedure; en (indien van toepassing);

  • de gemachtigde die de vreemdeling bijstaat in een nog openstaande verblijfsrechtelijke procedure.

De DTenV laat enkel het informeren van de vreemdeling over de aanstaande uitzetting of gedwongen overdracht achterwege als er een risico aanwezig is dat de veiligheid of de gezondheid van de vreemdeling of diens eventuele gezinsleden door het informeren in gevaar komt. De gemachtigde van de vreemdeling wordt wel tijdig in kennis gesteld van de reisgegevens.

De DTenV is niet verplicht om de vreemdeling en/of diens gemachtigde uiterlijk 36 uur voorafgaand aan de uitzetting of gedwongen overdracht in kennis te stellen van de nieuwe reisgegevens als de uitzetting of gedwongen overdracht op het aanvankelijk geplande moment geen doorgang vindt, maar alsnog uiterlijk op de tweede dag na de dag van het geannuleerde vertrek kan plaatsvinden.

6.1. De terugkeer van niet-begeleide minderjarige

Bij terugkeer van de niet-begeleide minderjarige naar het land van herkomst of een ander land waar de niet-begeleide minderjarige heen kan gaan, moet de toegang tot adequate opvang geregeld zijn. Zolang niet vaststaat dat adequate opvang beschikbaar is (zie paragraaf B8/6.1 Vc), kan geen terugkeerbesluit worden genomen ten aanzien van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Indien nader onderzoek moet worden gedaan in dit kader, kan hangende dat onderzoek uitstel van vertrek worden verleend.

6.1.1. Uitstel van vertrek gedurende nader onderzoek naar adequate opvang

De IND verleent uitstel van vertrek aan de niet-begeleide minderjarige, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de niet-begeleide minderjarige heeft (ten tijde van de afwijzing van de asielaanvraag) nog niet de leeftijd van 18 jaar bereikt; en

  • aan de niet-begeleide minderjarige kan geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. De reden hiervoor is dat de niet-begeleide minderjarige niet kan terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd, omdat niet is vastgesteld dat adequate opvang aldaar beschikbaar is.

Het uitstel van vertrek vervalt:

  • wanneer de vreemdeling de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt; of

  • met het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Voorwaarde hiervoor is dat uit nader onderzoek blijkt dat adequate opvang voor de niet-begeleide minderjarige in het land van herkomst of een ander land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd, beschikbaar is.

De niet-begeleide minderjarige vreemdeling aan wie uitstel van vertrek is verleend, wordt geacht rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw 2000.

Gedurende het uitstel van vertrek wordt de niet-begeleide minderjarige vreemdeling geacht medewerking te verlenen aan het onderzoek naar adequate opvang.

6.1.2. Na het opleggen van een terugkeerbesluit aan de niet-begeleide minderjarige

Nadat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient de toegang tot adequate opvang te zijn geregeld ten tijde van het vertrek. De DTenV stelt de voogd van de niet-begeleide minderjarige op de hoogte van het besluit dat de niet-begeleide minderjarige wordt uitgezet en de wijze waarop de uitzetting plaatsvindt.

6.2. Vertrek van gezinsleden uit Nederland

Voor het vertrek van het hoofd van een gezin uit Nederland geldt dat de tot het gezin behorende vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, zoveel mogelijk met het hoofd van het gezin vertrekken. Als gezamenlijk vertrek van het gezin niet mogelijk is, mag gescheiden vertrek plaatsvinden nadat de situatie van het gezin is beoordeeld en getoetst door de DTenV.

6.3. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In de volgende gevallen vindt in ieder geval geen uitzetting van vreemdelingen plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is:

  • a. als door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd;

  • b. als de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven maar op grond van artikel 68, vijfde lid, onderdeel d, van de Procedureverordening niet wordt verwijderd. Wel wordt de vreemdeling geacht mee te werken aan de voorbereiding van het vertrek. Dit omvat onder meer het voeren van vertrekgesprekken, het indienen van een aanvraag voor een laissez-passer, en het verlenen van medewerking aan een presentatie in persoon bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het betreffende derde land ten behoeve van een vervangend reisdocument;

  • c. als een vreemdeling tenminste aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

    • 1. de vreemdeling is als verdachte van een misdrijf aangehouden en het strafonderzoek is niet door het OM beëindigd;

    • 2. de vreemdeling heeft een strafvervolging wegens een misdrijf lopen en op de strafvervolging is niet onherroepelijk beslist;

    • 3. de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan;

    • 4. aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan;

  • d. als er voor de vreemdeling:

    • 1. een beletsel bestaat om terug te keren naar het land van herkomst in verband met ernstige schade (artikel 3 EVRM) of een gegronde vrees voor vervolging; en

    • 2. er ook geen ander land kan worden aangewezen waarnaar de vreemdeling kan terugkeren.

  • e. als de vreemdeling naar een derde land moet vertrekken, niet zijnde zijn land van herkomst of land van doorreis.

In de onder c genoemde vier situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM of het CJIB hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt.

In de situatie gemeld onder d. wordt in het terugkeerbesluit opgenomen dat:

  • de vreemdeling Nederland, het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland), EER en Zwitserland moet verlaten binnen een gestelde vertrektermijn;

  • de vreemdeling niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst; en

  • het voornemen tot uitzetting wel blijft bestaan.

Als in de situatie gemeld onder d. op een later moment wordt vastgesteld dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling dan wel dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging, neemt de IND een besluit waaruit blijkt dat er niet langer een terugkeerbeletsel is. Dit besluit maakt de IND kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden.

6.4. Uitzetting tijdens een (lastminute)verblijfsaanvraag

Met name als de vreemdeling kort vóór de geplande uitzetting of overdracht aangeeft een verblijfsaanvraag regulier te willen indienen, kan de IND op grond van de uitzonderingen als genoemd in artikel 3.1, Vb, en bij een herhaalde verblijfsaanvraag asiel op grond van de uitzonderingen als genoemd in artikel 56 van de Procedureverordening, besluiten dat uitzetting of overdracht toch doorgang kan vinden.

De procedure in geval van een lastminuteaanvraag om een verblijfsvergunning asiel staat beschreven in paragraaf C2/5.4 Vc.

6.5. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

De DTenV is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting van vreemdelingen, met uitzondering van uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen:

  • vreemdelingen die door de KMar in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) zijn aangetroffen. De Commandant KMar is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen

  • vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die op basis van bilaterale overeenkomsten met Duitsland, België en Luxemburg zonder uitgebreide formaliteiten kunnen worden overgedragen aan de autoriteiten van deze landen via de landgrenzen met België of Duitsland. Deze vreemdelingen worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht aan België of Duitsland;

  • vreemdelingen die na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, door de KMar of ZHP onmiddellijk of zodra dit logistiek mogelijk is, uitgezet kunnen worden naar het land van herkomst.

6.6. Aanlevering van de vreemdeling voor de uitzetting

Uitzettingen vinden plaats via één van de justitiële inrichtingen. Hiervan uitgezonderd zijn in ieder geval de volgende vreemdelingen:

  • vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het vreemdelingentoezicht;

  • vreemdelingen die worden uitgezet per vliegtuig en rechtstreeks naar de grensdoorlaatpost worden gebracht waarlangs de vreemdeling zal worden uitgezet. Het rechtstreeks via de grensdoorlaatpost laten vertrekken van vreemdelingen mag uitsluitend in de volgende gevallen:

  • na overleg met de DTenV;

  • in uitzonderlijke gevallen bij capaciteitsproblemen of bij overwegingen van openbare orde.

De DTenV is bij uitzetting per vliegtuig verantwoordelijk voor het boeken van een vlucht voor de vreemdeling. Minimaal 48 uur voor vertrek controleert de DTenV of de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling beschikt over een geldig vliegticket;

  • de vreemdeling beschikt over zijn geld en andere eigendommen;

  • de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een schriftelijke toezegging van de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding;

  • de vreemdeling beschikt over persoonlijke bagage (maximaal 20 kg.);

  • de vreemdeling beschikt als dit nodig is over een verklaring van medische vliegreisgeschiktheid (de ‘fit-to-fly-verklaring’).

Voor de uitzetting plaatsvindt, wijst de ambtenaar belast met de feitelijke uitzetting de vreemdeling erop dat bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel heeft gevraagd, achtergelaten mogen worden.

6.7. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting

De DTenV meldt de KMar of ZHP door middel van Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld, voorafgaand aan de uitzetting alle feiten en bijzonderheden die van belang kunnen zijn voor de veiligheid tijdens de uitzetting of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht. De DTenV kan de KMar op basis van gedragsaspecten verzoeken om begeleiding van de vreemdeling tijdens de vlucht.

De DTenV maakt voor de overdracht van de vreemdeling aan de KMar ten behoeve van de feitelijke uitzetting model M24-A op. Bij de overdracht van de vreemdeling ondertekent de KMar het exemplaar van het model M24-A en geeft het getekende exemplaar terug aan de ambtenaar die de vreemdeling heeft overgedragen aan de KMar. Afhankelijk van de wijze van vertrek, maakt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het relevante bericht op zodat de IND wordt geïnformeerd dat de vreemdeling is vertrokken en of deze gesignaleerd moet worden. Als signalering aan de orde is, wordt dit door de IND opgevoerd.

6.8. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting

In artikel 23a en 23b van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de gedwongen uitzetting of overdracht van vreemdelingen.

Artikel 23a van de Ambtsinstructie bevat de voorwaarden waaronder hulpmiddelen kunnen worden ingezet.

De hulpmiddelen kunnen worden ingezet om de veiligheid te borgen in en om het vervoermiddel. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt tijdens of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting. Uitgangspunt van de Koninklijke Marechaussee blijft dat de uitzetting op een zo humaan en professioneel mogelijke wijze gebeurt. Dit betekent dat hulpmiddelen alleen worden ingezet indien dit strikt noodzakelijk is, en dat gedurende het vervoer continu wordt bekeken of met de inzet van minder vergaande hulpmiddelen kan worden volstaan.

De informatie over het gedrag van de vreemdeling, opgenomen in het Sigma/ de checklist/ geleidebrief (zie model M118), dient bij deze inschatting te worden betrokken. De gezagvoerder van het luchtvaartuig wordt vooraf, in een zo vroeg mogelijk stadium, geïnformeerd omtrent de begeleide uitzetting. Daarbij wordt het eventuele gebruik van hulpmiddelen aangegeven en bij de gezagvoerder om toestemming gevraagd om dit gebruik van hulpmiddelen voort te zetten. In het geval er nog geen hulpmiddelen zijn ingezet, wordt aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig toestemming gevraagd, om indien nodig over te kunnen gaan tot het aanwenden van geweld en/ of het gebruik van hulpmiddelen.

De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:

  • stalen handboeien: ten behoeve van het fixeren van handen;

  • combinatieriem met klittenband boeien (de bodycuff): ten behoeve van het fixeren van de polsen aan de voorzijde van het lichaam met een mogelijkheid tot verbinding met de enkels;

  • klittenband boeien: ten behoeve van het fixeren van handen, armen, benen en/of voeten;

  • tiewraps: kunstof bindstrips ten behoeve van het fixeren van lichaamsdelen, handen en/of voeten;

  • tuff-ties: kunststof touw/gewoven nylon ter fixatie van lichaamsdelen, handen;

  • schuimcap: een helm welke dient ter voorkoming dat de vreemdeling zichzelf of anderen verwondt door bijvoorbeeld te bijten of door met het hoofd te slaan;

  • gelaatsmasker en/ of spuugmasker danwel een spuugnetje: een masker/netje over alleen het gelaat/ de mond of het gehele hoofd dat dient ter bescherming ten bijten en/of spugen.

Deze hulpmiddelen zijn onderhevig aan innovatie en kunnen in de loop der tijd aangepast/vervangen worden met het oogpunt op humaan, proportionaliteit en veiligheid.

De Koninklijke Marechaussee meldt iedere toepassing van bovenstaande hulpmiddelen bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid. De Inspectie ziet toe op een goede uitvoering van deze taak.

6.9. Overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening

Een ambtshalve genomen overdrachtsbesluit wordt aan de vreemdeling kenbaar gemaakt als een kennisgeving van terugname wordt bevestigd van een vreemdeling die geen aanvraag heeft ingediend om een verblijfsvergunning asiel. Dit gebeurt door verzending aan de gemachtigde van de vreemdeling en/of door uitreiking of toezending aan de vreemdeling. Daarbij wordt de vreemdeling gewezen op de verplichting mee te werken aan de overdracht en dit overdrachtsbesluit na te komen.

De Commandant KMar beoordeelt of de vreemdeling wordt overgedragen in de vorm van een gecontroleerd vertrek of onder geleide. Bij de beoordeling beziet de Commandant KMar of uit de geaccordeerde claim blijkt dat een begeleide overdracht gewenst is. De DTenV adviseert de Commandant KMar bij de beoordeling voor een gecontroleerd vertrek of onder geleide.

De DTenV maakt de datum van overdracht aan de vreemdeling bekend. De DTenV verstrekt de vreemdeling die vrijwillig reist naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, het geldige document voor grensoverschrijding. De DTenV vermeldt op het geldig document voor grensoverschrijding aan welke lidstaat de vreemdeling wordt overgedragen. Als de vreemdeling onder geleide reist, houdt zijn begeleider het geldig document voor grensoverschrijding onder zich. Bij gecontroleerd vertrek per vliegtuig wordt het geldig document voor grensoverschrijding afgegeven aan de gezagvoerder die het geldig document voor grensoverschrijding bij aankomst aan de grensbewakingsautoriteiten overhandigt.

De ambtenaar van de dienst die het geld en andere persoonlijke eigendommen van de vreemdeling in beheer heeft, verstrekt dit na vertrek uit Nederland bij aankomst in de andere lidstaat aan de vreemdeling.

DTenV verstrekt de volgende informatie aan de IND of rechtstreeks aan de verantwoordelijke lidstaat:

  • de vlucht- en/of reisgegevens;

  • een kopie van het laissez-passer;

  • een kopie van de beschikbare reis- of identiteitspapieren, voor zover deze nog niet zijn verstrekt aan de IND bij het leggen van de claim;

  • overige bijzonderheden die bekend zijn bij de DTenV, die van belang kunnen zijn voor de verantwoordelijke lidstaat.

De IND en/of DTenV verzendt alle relevante informatie naar de verantwoordelijke lidstaat conform de bepalingen van artikel 48 en, indien van toepassing, artikel 49 en 50, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

6.10. Bericht van vertrek of ontruiming

In alle volgende situaties moet de politie het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV melden:

  • als de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). Deze handelingen worden uitsluitend verricht bij vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie een terugkeerbesluit uit (model M107-A);

  • als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten tijdens de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of vóór het ingaan van de vertrektermijn;

  • als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten in of na de vertrektermijn van de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

De politie meldt het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV door alle volgende handelingen te verrichten:

  • toezenden van een bericht van vertrek;

  • aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken.

De KMar maakt in alle volgende situaties melding van het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV:

  • als de vreemdeling is uitgezet;

  • als de vreemdeling vanuit strafrechttraject is uitgezet, conform het VRIS-protocol;

  • als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken nadat de vreemdeling zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding;

  • als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken na een MTV-controle;

  • als de vreemdeling is overgedragen na een MTV-controle;

  • als de inbewaringstelling is opgeheven en de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). De vreemdeling hoeft niet de Europese Unie te verlaten;

  • als de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). Een bevel om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A) geldt uitsluitend voor vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie hoeven te verlaten. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie of de KMar een terugkeerbesluit uit;

  • als bij controle op uitreis blijkt dat een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf zelfstandig uit Nederland vertrekt. Als deze vreemdeling nog niet eerder een terugkeerbesluit met een inreisverbod heeft ontvangen, kan de KMar dit aan de vreemdeling uitreiken (model M107-A).

De KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV door alle volgende handelingen te verrichten:

  • toezenden van een bericht van vertrek;

  • aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken.

Als de vreemdeling in Nederland opvang heeft genoten, melden de KMar en de politie ook de opvangverlenende instantie het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland. Het COA moet de beëindiging van de onderdakvoorziening of de opvangvoorziening van een vreemdeling aan de IND en de DTenV melden door toezending van het model M100-A.

6.11. Gedragslijn als uitzetting niet mogelijk is

Als de politie constateert dat de vreemdeling niet langer op zijn woonadres verblijft waardoor uitzetting niet mogelijk is, meldt de politie aan de IND en de DTenV het vertrek van de vreemdeling. De politie vergezelt deze melding met een voorstel tot signalering aan de IND. De IND moet nagaan of de vreemdeling ondertussen rechtmatig verblijf heeft gekregen.

7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
7.1. Algemeen

De IND kan uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 Vw als:

  • de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen; of

  • er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.

7.1.1. Vreemdeling is niet in staat om te reizen

De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als BMA aangeeft dat voor de vreemdeling of één van zijn gezinsleden vanwege de gezondheidssituatie medisch gezien niet verantwoord is om te reizen.

7.1.2. Gezinsleden

Als gezinsleden in verband met artikel 64 Vw worden aangemerkt:

  • echtgenoten en (geregistreerde) partners en hun minderjarige kinderen of minderjarige kinderen uit een eerste of eerder huwelijk;

  • de meerderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin behoren en in het land van herkomst al behoorden tot het gezin.

Een uitzondering op de definitie van gezinsleden volgt als er sprake is van het achterwege laten van de uitzetting van een minderjarig kind. Als gezinsleden worden dan aangemerkt:

  • de (stief/pleeg)ouders van het minderjarige kind;

  • de minderjarige (stief)broers en zussen van het minderjarige kind;

  • de meerderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin en in het land van herkomst al behoorden tot het gezin van de (stief/pleeg)ouders.

Voor de wijze waarop de familierechtelijke relatie en het feitelijke behoren tot het gezin wordt aangetoond, wordt verwezen naar paragraaf C5/1.3 en C5/1.4 Vc. In het kader van deze regeling hoeven officiële bewijsmiddelen waarmee de familierechtelijke relatie wordt aangetoond, niet gelegaliseerd te zijn door de Minister van Buitenlandse Zaken.

Het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw doet zich niet eerder voor dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Uitzondering hierop is de ambtshalve toets die de IND uit kan voeren in de parallelle procedure (zie paragraaf A3/7.2.3 Vc).

7.1.3. Reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen

De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.

Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM:

  • als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en

  • als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is; of

  • als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.

Medische noodsituatie

Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

7.1.4. Beschikbaarheid van de benodigde zorg

De IND concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst (of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken) beschikbaar is als, in één van de volgende gevallen:

  • uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land geen of onvoldoende behandelmogelijkheden aanwezig of beschikbaar zijn;

  • uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land onderbrekingen in de medicijnvoorraden voorkomen, die een maand of langer duren;

  • het BMA vanwege de situatie in het land van herkomst niet in staat is om te adviseren over de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het land van herkomst; of

  • uit het BMA-advies blijkt dat, ter voorkoming van een medische noodsituatie, mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl de vreemdeling heeft aangetoond deze mantelzorg in het land van herkomst niet te kunnen ontvangen van één of meer gezins- of familieleden dan wel via professionele (thuis)zorg. Zie over mantelzorg verder hieronder.

7.1.5. Feitelijke toegankelijkheid tot de medische zorg

De bewijslast dat de vreemdeling geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg rust op de vreemdeling.

Dit is van belang in die gevallen waarin het BMA in het medisch advies:

  • heeft geconcludeerd dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en

  • heeft aangegeven, dat de medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikbaar is.

Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels originele documenten, kan hij in beginsel niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken voor hem niet toegankelijk is. Dit is anders als:

  • de vreemdeling wel een (kopie van een) verlopen paspoort heeft overgelegd, of zijn identiteit en nationaliteit is aannemelijk geacht in een voorgaande asiel en/of reguliere procedure; en

  • nadien geen redelijke twijfel is ontstaan over de nationaliteit of identiteit van de vreemdeling.

Het enkele ontbreken van identiteitsdocumenten is geen reden om de toegankelijkheid van de zorg niet te beoordelen.

In het besluit moet worden gemotiveerd om welke reden er niet kan worden getoetst aan de feitelijke toegankelijkheid van de zorg vanwege het ontbreken van een originele documenten, die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling aantonen.

Nationaliteit

Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:

  • een paspoort; of

  • een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven document met pasfoto waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit.

Identiteit

De documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moeten officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling.

Het ontbreken van documenten ter staving van de identiteit en nationaliteit valt de vreemdeling niet toe te rekenen, indien:

  • hij heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld; of

  • hij heeft aangetoond dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist dat hij in persoon terugkeert naar het land van herkomst.

Aan het vereiste om middels documenten de identiteit en nationaliteit aan te tonen wordt niet voorbijgegaan om de enkele reden dat de vreemdeling in Nederland een medische behandeling ondergaat.

In de situatie dat de vreemdeling wel zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond middels documenten, legt de IND het medisch advies ter informatie voor aan de vreemdeling en biedt hem daarbij de mogelijkheid om aan de hand van documenten zoals bedoeld in A3/7.1.5 aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. De IND geeft de vreemdeling een termijn van vier weken om te reageren.

De omstandigheid dat een vreemdeling enkel aangeeft dat de kosten voor een medische behandeling hoog zijn of dat de plek, waar de medische behandeling kan plaatsvinden, ver weg is van de woonplaats van de vreemdeling, vormt onvoldoende reden om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.

De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over enig beletsel dat in de weg staat aan het verkrijgen van toegang tot de benodigde zorg.

Om te beoordelen of de medische zorg niet toegankelijk is voor de vreemdeling worden bewijsstukken gevraagd die inzicht geven in de kosten van de medische behandeling in relatie tot het inkomen van de vreemdeling. Ook gaat het om bewijsstukken over de afstand tussen de woonplaats van de vreemdeling en de zorginstelling (in het land van herkomst) en eventueel diens reismogelijkheden in relatie tot de medische klachten.

Vertrekmoratorium

Als er sprake is van een vertrekmoratorium voor het gebied waar de medische zorg beschikbaar is, zal de IND ambtshalve concluderen dat de medische zorg niet toegankelijk is.

De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw aan een vreemdeling, die afkomstig is uit een land waarvoor een gedeeltelijk besluit- en vertrekmoratorium geldt, als:

  • de vreemdeling afkomstig is uit een gebied, dat niet onder de werking van het besluit- en vertrekmoratorium valt; en

  • de behandelmogelijkheden alleen aanwezig zijn in een gebied waarvoor het moratorium geldt.

7.1.6. Mantelzorg

Het BMA kan in het medisch advies opnemen dat mantelzorg noodzakelijk wordt geacht, als mantelzorg essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling.

De IND verstaat onder mantelzorg de vanwege de aard van de medische aandoening noodzakelijke verzorging van de vreemdeling door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn.

Indien in een land van herkomst of bestendig verblijf professionele (thuis)zorg beschikbaar is, dan kan zorg zoals gegeven bij mantelzorg ook verleend worden door medewerkers van deze professionele (thuis)zorg. Het BMA zal in het medisch advies opnemen of deze vorm van professionele (thuis)zorg beschikbaar is.

Om in aanmerking te komen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vanwege door BMA noodzakelijk geachte mantelzorg moet de vreemdeling aantonen dat:

  • de vreemdeling in Nederland mantelzorg (die een essentieel onderdeel is van de medische behandeling) ontvangt van een of meer gezins- of familieleden, die hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn; en

  • de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf geen mantelzorg kan ontvangen van één of meer gezins- of familieleden; en

  • in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg, zoals gegeven in de vorm van mantelzorg, niet verleend kan worden door medewerkers van een professionele (thuis)zorg instelling. Het BMA zal in het medisch advies uit eigen beweging of desgevraagd opnemen of deze vorm van professionele (thuis)zorg al dan niet beschikbaar is.

Als de vreemdeling in Nederland geen mantelzorg ontvangt van gezins- of familieleden, maar mantelzorg wordt verleend door een andere derde (niet zijnde een medisch professional) dan kan de IND overwegen dat deze in het land van herkomst ook door een derde verleend kan worden.

De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf.

7.2. De aanvraagprocedure
7.2.1. De schriftelijke aanvraag

De vreemdeling die een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wil indienen, maakt daarvoor gebruik van het formulier ‘Aanvraag uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw’ en voegt de relevante medische gegevens en bewijsmiddelen als hieronder vermeld toe.

De IND stelt het aanvraagformulier en bijlagen beschikbaar via de website www.ind.nl;

De vreemdeling legt bij de schriftelijke aanvraag alle bewijsmiddelen als bedoeld in paragraaf A3/7.2.4 Vc over.

7.2.2. Vertrekplicht tijdens aanvraag om uitstel vertrek op grond van artikel 64 Vw

Het indienen van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw schort de vertrekplicht niet op. In afwachting van het besluit op de aanvraag, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw.

In beginsel maakt DTenV geen gebruik van de bevoegdheid tot uitzetting van de vreemdeling, zolang op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw niet is beslist.

Het indienen van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw schort de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva niet op.

Als de IND de aanvraag afwijst, brengt de IND de vreemdeling hier schriftelijk van op de hoogte.

7.2.3. Ambtshalve toets medische aspecten in de asielprocedure

De IND toetst op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve tijdens de eerste asielprocedure of een vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. De IND neemt medische omstandigheden mee, die tijdens de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel tot uiting komen.

In verband met de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb moet de vreemdeling een recente, volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring verstrekken en zijn identiteit en nationaliteit laten vaststellen zoals beschreven in paragraaf A3/7.2.4 Vc.

De IND past de ambtshalve toets ook toe bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel of bij afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die vergunning. De IND toetst in dat geval uitsluitend ambtshalve als de vreemdeling de voor die beoordeling relevante medische gegevens en overige bescheiden heeft overgelegd.

Bij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel geldt de ambtshalve toets niet.

De IND past de ambtshalve toets niet toe als artikel 6.1e, tweede lid, Vb van toepassing is.

De IND maakt een meeromvattende beschikking over het besluit op de asielaanvraag en de ambtshalve toets aan artikel 64 Vw. De meeromvattende beschikking wordt zoveel mogelijk in de niet-versnelde procedure gemaakt.

Voor de ambtshalve toets in reguliere zaken wordt verwezen naar paragraaf B1/3.4.1.1 Vc.

7.2.4. Bewijsmiddelen

De vreemdeling legt bij de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in ieder geval de volgende bewijsmiddelen over:

  • 1. een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden, met vermelding van de behandelaar(s) bij wie de vreemdeling momenteel onder behandeling staat;

  • 2. een gedagtekend en ondertekend schriftelijk bewijs van de medische behandelaar(s), niet ouder dan zes weken op het moment waarop het bewijs overgelegd wordt, waaruit blijkt:

    • de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Instituut van Psychologen van de behandelaar(s);

    • welke medische klachten de vreemdeling heeft, waarvoor hij door de behandelaar(s) wordt behandeld;

    • de datum van de start van de behandeling en als dit bekend is de verwachte einddatum van de behandeling.

  • 3. relevante medische gegevens, dat wil zeggen meer gedetailleerde informatie over:

    • de actuele klachten en diagnose die de behandelaar heeft geconstateerd;

    • de medische voorgeschiedenis;

    • de aard van de ingezette of in te zetten behandeling;

    • de voorgeschreven medicatie (indien van toepassing);

    • het beloop van de behandeling en de te verwachten duur ervan.

  • 4. een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocument of andere bewijsmiddelen waarmee de vreemdeling inzicht in zijn identiteit en nationaliteit geeft.

Ad. 3.

De relevante medische gegevens moeten aan alle volgende voorwaarden voldoen:

  • afkomstig zijn van de behandelaar(s) van de vreemdeling;

  • een antwoord bevatten op alle vragen die het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft gesteld in haar brief aan de behandelaar(s). Deze brief maakt onderdeel uit van de bijlage ‘toelichting en bewijsmiddelen medische omstandigheden’;

  • geen antwoorden bevatten op andere vragen dan die gesteld door het BMA.

Ad. 4.

Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding beschouwt de IND de volgende documenten als een bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit:

  • een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • aanvullende gegevens en bewijsmiddelen met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit zoals een identiteitskaart, een geboorteakte of een nationaliteitsverklaring.

7.2.5. Herstel verzuim

De IND vraagt de vreemdeling of zijn gemachtigde in ieder geval om aanvullende informatie of bewijsmiddelen als:

  • het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld;

  • de door de vreemdeling verstrekte informatie niet duidelijk is;

  • de relevante medische gegevens of overige bewijsmiddelen niet volledig zijn of in het geheel ontbreken.

Het BMA beoordeelt in dit kader of de relevante medische gegevens zijn aangeleverd. Als het BMA oordeelt dat de vreemdeling niet alle relevante medische gegevens heeft overgelegd, dan meldt het BMA dit bij de IND.

De IND geeft schriftelijk aan de vreemdeling aan, welke gegevens ontbreken. De eerder ingestuurde medische stukken hoeft de vreemdeling niet opnieuw naar de IND te sturen. Als deze medische stukken ouder zijn geworden dan drie maanden dan moet de vreemdeling zorgen voor een actualisering van de medische stukken en deze naar de IND zenden.

De IND stelt de aanvraag buiten behandeling of wijst de aanvraag af als de vreemdeling niet binnen de door de IND gegeven termijn het verzuim heeft hersteld.

Paragraaf B1/3.4.1.3 Vc is van overeenkomstige toepassing.

7.2.6. Raadplegen BMA

Bij de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verzoekt de IND het BMA om een advies uit te brengen, als de IND dit op grond van de overgelegde bewijsmiddelen nodig acht om de aanvraag te beoordelen.

  • De IND verzoekt het BMA in ieder geval niet om een advies uit te brengen als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc overlegt en deze niet heeft aangevuld, ondanks dat de IND hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.

  • Het raadplegen van BMA is niet nodig als het gaat om een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij zwangerschap, tuberculose of klinische opname (zie ook paragrafen A3/7.3.2.5, A3/7.3.2.6 en A3/7.3.2.7 Vc).

  • De vreemdeling hoeft zijn medische situatie niet aan te tonen als DTenV, het COA of de ambtenaar belast met grensbewaking, concrete aanwijzingen heeft dat de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen. De vreemdeling moet in ieder geval onder behandeling staan bij een behandelaar. De ambtenaar belast met de uitzetting of ontruiming of de ambtenaar van DTenV moet ook zonder nadere onderbouwing van het beroep op artikel 64 Vw door de vreemdeling zich ervan vergewissen of de uitzetting achterwege moet blijven en bij de IND een medisch advies (laten) vragen.

  • De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. In dat geval is niet duidelijk in welk land naar behandelmogelijkheden moet worden gezocht en wordt uitgegaan van het bestaan ervan.

  • De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst -bij een (ambtshalve) verzoek om toepassing van artikel 64 Vw- als de vreemdeling afkomstig is uit één van onderstaande landen: een Europese lidstaat en IJsland, Noorwegen, Zwitserland en Liechtenstein, Verenigd Koninkrijk, Australië, Japan, Canada, Singapore, Nieuw Zeeland, Israël, Qatar, Koeweit en de Verenigde Staten.

Afkomstig uit een land van herkomst ziet niet alleen op personen met de nationaliteit van een van de betrokken landen, maar ook op vreemdelingen die een verblijfsrecht hebben verkregen in de genoemde landen.

7.3. Verlening uitstel vertrek op grond van artikel 64 Vw
7.3.1. Algemeen

De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:

  • dat uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 Vw;

  • de duur van het uitstel van vertrek.

De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw met als ingangsdatum de datum van de aanvraag om uitstel van vertrek door de vreemdeling.

Uitzondering hierop is de situatie dat:

  • de vreemdeling de voor de aanvraag relevante bewijsmiddelen na het indienen van de aanvraag heeft aangeleverd. Dan geldt als ingangsdatum de datum, waarop de vreemdeling zijn aanvraag compleet heeft gemaakt;

  • de IND de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleent in afwachting van definitieve besluitvorming. Dan geldt als ingangsdatum de datum van het besluit, waarbij uitstel van vertrek is verleend (zie paragraaf A3/7.3.2 Vc).

De duur van het uitstel van vertrek is gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar.

De IND informeert DTenV dat uitzetting tijdelijk achterwege blijft. Als de vreemdeling aanspraak wil maken op Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.

Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, plaatst de IND daarin een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV), met vermelding van de duur van het uitstel van vertrek. De periode van dit uitstel mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt een van de volgende situaties:

  • als artikel 64 Vw voor de duur van minder dan zes weken wordt toegepast, krijgt de vreemdeling een brief van de IND waarin staat voor hoe lang het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw geldt;

  • als artikel 64 Vw voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, krijgt de vreemdeling een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV). De geldigheidsduur van het document W2 is altijd gelijk aan de periode van het uitstel van vertrek.

Na afloop van het uitstel van vertrek ontstaat de plicht voor de vreemdeling om Nederland te verlaten overeenkomstig de vertrektermijn van het gelijktijdig met de toekenning of voordien gegeven terugkeerbesluit. Er is geen nieuw besluit nodig.

De IND trekt het verleende uitstel van vertrek in, als de vreemdeling onvoldoende actief heeft gewerkt aan:

  • het realiseren van zijn vertrek.

Van een vreemdeling wordt verwacht dat hij:

  • een medisch dossier overlegt ter vertaling voor een medisch behandelaar in het land van herkomst, als daar om wordt gevraagd;

  • probeert op andere wijze in het bezit te komen van documenten om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen waarmee hij vervangende reisdocumenten kan verkrijgen om Nederland te kunnen verlaten (zie paragraaf B8/4 Vc).

7.3.2. Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van (definitieve) besluitvorming

De IND kan besluiten om toepassing te geven aan artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming.

7.3.2.1. Tijdens beoordeling aanvraag om uitstel vertrek

De IND stelt vast of de vreemdeling alle bewijsmiddelen heeft overgelegd die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies op te vragen voor de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie paragraaf A3/7.2.4 Vc).

De IND past artikel 64 Vw toe, in afwachting van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek, als de IND vaststelt dat:

  • de vreemdeling een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw heeft ingediend;

  • de vreemdeling bij deze aanvraag alle bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc heeft overgelegd op de wijze zoals beschreven in die paragraaf; en

  • het BMA heeft aangegeven geen medisch advies binnen twee weken uit te kunnen brengen.

De IND verleent in dat geval uitstel van vertrek voor maximaal zes maanden vanaf de datum van de beschikking, waarbij artikel 64 Vw wordt toegepast. Het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vervalt;

  • nadat de zes maanden zijn verstreken; of

  • na het definitieve besluit op de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw; of

  • na het besluit als bedoeld in paragraaf A3/7.1.5. en paragraaf A3/7.3.2.2 Vc.

Als de IND na zes maanden nog geen besluit heeft genomen, past de IND ambtshalve opnieuw artikel 64 Vw toe.

Paragraaf A3/7.3.1 Vc is van toepassing met betrekking tot het plaatsen van een verblijfssticker dan wel het verstrekken van een brief of W2-document.

De vreemdeling aan wie het in deze paragraaf beschreven uitstel van vertrek is verleend, heeft recht op opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op zijn aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als hij een uitgeprocedeerde asielzoeker is of een asielzoeker die zich in de hoger beroepsfase van de asielprocedure bevindt.

7.3.2.2. Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming tijdens de niet-versnelde procedure

In de niet-versnelde procedure kan in afwachting van definitieve besluitvorming uitstel van vertrek worden verleend op grond van artikel 64 Vw, als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen en de intentie bestaat om BMA-onderzoek op te starten, dan wel reeds opgestart is, in het kader van artikel 64 Vw na ontvangst van de bewijsmiddelen en -stukken.

De vreemdeling wordt op het moment van afwijzen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een toestemmingsverklaring toegezonden en erop gewezen dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw, voor een periode van zes maanden of zoveel korter totdat een ambtshalve besluit wordt genomen.

Als de IND het BMA advies afwacht dan wordt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen nadat het BMA advies is afgerond.

7.3.2.3. Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw

De vreemdeling kan, onder voorwaarden, op grond van de Rva in aanmerking komen voor opvang als de IND uitstel van vertrek heeft verleend in afwachting van definitieve besluitvorming als bedoeld in paragraaf A3/7.3.2 Vc.

De vreemdeling die meent op grond van vorenstaande in aanmerking te komen voor opvang, richt zich met dat verzoek tot het COA.

7.3.2.4. Procedure bij zwangerschap/ bevalling

Bij zwangerschap van een vreemdeling blijft de uitzetting per vliegtuig achterwege gedurende de periode van zes weken voor tot zes weken na de bevalling. Dit is de periode van zes weken vanaf de eerste dag dat de vermoedelijke datum van de bevalling uit een verklaring van een arts of verloskundige blijkt. De vreemdeling moet deze verklaring van een arts of verloskundige aan de IND verstrekken.

7.3.2.5. Procedure bij tbc

De IND schort de uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden op als bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden tbc is geconstateerd. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij deze vreemdeling of een van zijn gezinsleden overgedragen wordt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening of overdracht zal plaatsvinden aan een bij de Asiel- en migratiebeheerverordening aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. Zie paragraaf A3/7.4.2 Vc.

Voor de toepassing van artikel 64 Vw wegens tbc is geen advies van het BMA nodig en is ook geen toestemmingsverklaring vereist. Een gedagtekende verklaring van een GG&GD arts geldt als afdoende bewijs, dat de vreemdeling aan tbc lijdt. Deze verklaring moet vermelden dat de vreemdeling tbc heeft en wat de te verwachten behandeltermijn is. De verklaring van de GG&GD-arts mag niet ouder zijn dan twee weken.

Als sprake is van verdenking van tbc, zal de vreemdeling in beginsel uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw krijgen tot het onderzoek naar tbc is voltooid.

Als de IND aan de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleent, dan is paragraaf A3/7.3.2 Vc van toepassing.

De IND beëindigt het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als de vreemdeling bij wie tbc is geconstateerd:

  • zich onttrekt aan de medische behandeling; en

  • er geen besmettingsgevaar aanwezig is.

In dat geval is er niet langer een reisbeletsel op grond van artikel 64 Vw.

7.3.2.6. Procedure bij klinische opname

De IND kan uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verlenen zonder hiervoor medisch advies aan het BMA te vragen. De vreemdeling moet hiervoor een opnameverklaring van het ziekenhuis overleggen, die niet ouder mag zijn dan twee weken.

De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw zonder BMA-advies als:

  • de vreemdeling klinisch is opgenomen;

  • de vreemdeling een actieve medische behandeling ondergaat die niet buiten de kliniek mogelijk is;

  • in dit verband niet in staat is om te reizen.

De IND verleent in deze gevallen uitstel van vertrek voor de duur van de opname tot een maximum van een half jaar. Het verleende uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vervalt van rechtswege twee weken na beëindiging van opname.

Opname in klinieken of instellingen die geen direct klinisch behandeldoel hebben maar bv een langdurig verblijfsdoel (bv. begeleid wonen projecten), wordt niet aangemerkt als klinische opname die aan reizen in de weg staat. In dat geval verleent de IND geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.

7.4. Bijzondere procedures
7.4.1. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een inreisverbod

De IND wijst een aanvraag op grond van artikel 64 Vw niet af onder verwijzing naar een inreisverbod als:

  • er een zwaar inreisverbod is opgelegd en de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten ná het opleggen van het inreisverbod nog niet heeft verlaten. Artikel 66a, zevende lid, Vw blijft dan buiten toepassing;

  • er een licht inreisverbod is opgelegd. Dit inreisverbod staat gelet op artikel 66a, zesde lid, onder b, Vw in geen geval, dus ook niet in de situatie dat Nederland weer wordt ingereisd terwijl dit inreisverbod nog van kracht is, in de weg aan het verlenen van uitstel van vertrek.

In deze gevallen wordt het inreisverbod opgeschort.

Artikel 66a, zevende lid, Vw is wel van toepassing als:

  • de vreemdeling eerder heeft voldaan aan zijn vertrekplicht;

  • Nederland opnieuw inreist; en

  • het zware inreisverbod nog steeds van kracht is.

De IND past in dat geval artikel 64 Vw niet toe, maar kan wel overgaan tot analoge toepassing van artikel 64 Vw. De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan bij analoge toepassing aanleiding zijn om tijdelijk de vreemdeling niet uit te zetten. Uitzetting blijft in dat geval achterwege zonder dat sprake is van rechtmatig verblijf. Het zware inreisverbod behoudt onverminderd zijn werking. De IND maakt in deze situatie geen aantekening in het document voor grensoverschrijding.

7.4.2. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening

De IND past artikel 64 Vw niet toe als de vreemdeling op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt overgedragen aan een bij de Verordening aangesloten lidstaat. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij de vreemdeling met bewijsmiddelen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat.

De vreemdeling dient in dat geval een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw schriftelijk in bij de IND. Deze aanvraag moet onderbouwd worden met:

  • een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden met vermelding van de behandelaar(s) bij wie de vreemdeling momenteel onder behandeling staat; en

  • bewijs omtrent de medische situatie van de vreemdeling; en

  • medische stukken waaruit blijkt dat de vreemdeling niet in staat is om fysiek overgedragen te worden aan een bij de Asiel- en migratiebeheerverordening aangesloten lidstaat.

Als de vreemdeling geen medische bewijsmiddelen ter onderbouwing van de aanvraag indient en/of een ingevulde toestemmingsverklaring ontbreekt, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid binnen een redelijke termijn van twee weken de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen. Als de vreemdeling hier niet aan voldoet, wijst de IND de aanvraag af. De termijn van twee weken kan korter zijn als de uitzetting van de vreemdeling eerder is gepland.

Bij de beoordeling van een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, waarbij sprake is van een overdracht aan één van de bij de Verordening aangesloten lidstaten, kan de IND het BMA verzoeken om een advies uit te brengen.

7.4.3. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring

Als de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vanuit vreemdelingenbewaring wordt ingediend, moet DTenV of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen bij het doorzenden van de aanvraag naar de IND melding maken van het feit dat de vreemdeling de vrijheid is ontnomen. De IND behandelt deze aanvragen met voorrang. Als de aanvraag op grond van artikel 64 Vw wordt ingewilligd, wordt de bewaring op grond van artikel 59 Vw opgeheven.

Een vreemdeling die een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw indient terwijl hij in bewaring verblijft, komt niet in aanmerking voor toepassing van het beleid zoals neergelegd in paragraaf A3/7.3.2 Vc.

7.4.4. Verzoek toepassing artikel 64 Vw van een vreemdeling afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie

De IND past artikel 64 niet toe als de vreemdeling afkomstig is uit een lidstaat van de Europese Unie. In dat geval gaat de IND er vanuit dat de medische voorzieningen in de betrokken lidstaat beschikbaar en toegankelijk zijn. De vreemdeling kan dit weerleggen door met bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Die bewijsmiddelen moeten bij het indienen van de aanvraag worden overgelegd.

7.5. Rechtsmiddelen

De vreemdeling mag de behandeling van een eerste, tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel in Nederland afwachten. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet binnen 24 uur na bekendmaking van het besluit zijn ingediend. Het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening levert geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw op en betekent evenmin dat de vreemdeling aanspraak maakt op de verstrekkingen ingevolge de Rva.

De vreemdeling mag de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland afwachten als sprake is van tenminste één van de volgende situaties:

  • redenen van openbare orde of nationale veiligheid verzetten zich daartegen;

  • het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst verloren zou gaan;

  • er is sprake van een poging van de vreemdeling om de uitzetting te frustreren

  • de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw met toepassing van artikel 4:6 Awb is afgewezen.

De vaststelling of er sprake is van het frustreren van de uitzetting moet plaatsvinden aan de hand van alle individuele omstandigheden van de vreemdeling. DTenV beoordeelt of het de vreemdeling te doen is de geplande uitzetting te frustreren of dat de behandeling van het verzoek in Nederland mag worden afgewacht. DTenV brengt hierover aan de IND een advies uit, waaraan door de IND bij de besluitvorming rekening mee wordt gehouden.

Als de IND oordeelt dat de behandeling van het eerste, tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag worden afgewacht, wordt de vreemdeling of zijn raadsman direct schriftelijk of mondeling op de hoogte gebracht.

8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming

De termijn van uitzetting via een aanvoerende vervoersonderneming, zoals bedoeld in artikel 65, eerste lid, onder b, Vw gaat in op het tijdstip van staande houden van de vreemdeling. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, mag na zes maanden plaatsvinden.

9. Verhaal van kosten van uitzetting

De Staat of andere openbare lichamen die kosten maken bij een uitzetting en deze kosten ten laste brengen van de vreemdeling, moeten, als de vreemdeling zelf niet in staat is de kosten te voldoen, zo veel mogelijk gebruik maken van tenminste één van de volgende mogelijkheden:

  • een ticket;

  • een garantiesom;

  • een waarborgsom dat is gedeponeerd;

  • een garantverklaring die is afgegeven.

Het ticket, de garantiesom of de waarborgsom wordt aangewend voor de betaling van de kosten van het vertrek. Een garantsteller mag door de Staat of een ander openbaar lichaam worden aangesproken om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Als de Staat of andere openbare lichamen kosten van de uitzetting wil verhalen moet aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • de vreemdeling moet een verklaring ondertekenen waaruit blijkt dat de vreemdeling geen bezwaar heeft tegen invordering van de noodzakelijke kosten van uitzetting;

  • als de vreemdeling bezwaar heeft tegen het invorderen van de kosten van de uitzetting mag de Staat of andere openbare lichamen de verhaalsbevoegdheid juridisch afdwingen door middel van een civiele procedure. De Staat of andere openbare lichamen moeten voor het volgen van een civiele procedure contact opnemen met de IND;

  • het verhalen van kosten bij vreemdelingen op wie het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel van toepassing is, moet in overleg met de IND gebeuren.

De Staat of andere openbare lichamen moeten van het geld dat ontvangen is voor de kosten van de uitzetting schriftelijke opgave doen aan de IND.

10. Vreemdelingen in de strafrechtketen

De KMar, politie, Openbaar Ministerie, DTenV, DJI en IND moeten ten aanzien van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) de werkafspraken hanteren die zijn vastgelegd in de Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling In de Strafrechtketen (VRIS).

Als een land een formeel uitleverings- of overleveringsverzoek indient, mogen er geen uitzettingshandelingen plaatsvinden totdat de uitleverings- of overleveringsprocedure is afgerond.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet bij het aantreffen van een vreemdeling die aan alle volgende kenmerken voldoet onmiddellijk Bureau SIRENE informeren:

  • een vreemdeling die gesignaleerd staat voor opsporing en aanhouding;

  • een vreemdeling van wie door een buitenlandse autoriteit uitlevering of overlevering is gevraagd.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft Bureau SIRENE alle volgende informatie:

  • de personalia van de vreemdeling;

  • de autoriteit die het uitleverings- of overleveringsverzoek doet;

  • in welk systeem de vreemdeling gesignaleerd staat.

Bureau SIRENE moet onmiddellijk de buitenlandse autoriteit verzoeken per ommegaande te berichten of een uitleverings- of overleveringsverzoek wordt ingediend. Bureau SIRENE moet het antwoord van de buitenlandse autoriteit onmiddellijk bekend maken bij de Korpschef of de Commandant KMar.

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontvangt het uitleverings- of overleveringsverzoek van de buitenlandse autoriteit en neemt dit in behandeling.

In de gevallen waarin het antwoord van de buitenlandse autoriteit over het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek nog niet is ontvangen, mag de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele uitleverings- of overleveringsverzoek, om voorlopige aanhouding van de vreemdeling vragen. De Korpschef of de Commandant KMar neemt voor het verzoek om voorlopige aanhouding contact op met de bevoegde officier van justitie.

Een vreemdeling die in vreemdelingenbewaring is gesteld, moet door de Korpschef of de Commandant KMar in strafrechtelijke bewaring worden geplaatst. De Korpschef of de Commandant KMar informeert DTenV over de overplaatsing van de vreemdeling.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen informeert DTenV als de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling wordt opgeschort gedurende de afhandeling van een verzoek om voorlopige aanhouding of uitlevering en de vreemdeling niet meer op korte termijn kan worden uitgezet.

11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname

De vreemdelingenketen moet contact opnemen met DTenV voor informatie over:

  • internationale verdragen en overeenkomsten over terug- en overname van vreemdelingen;

  • de te volgen procedures bij terug- of overname van vreemdelingen.

G

Paragraaf A4/2.1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

2.1. Gronden voor het inreisverbod

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b tot en met e, Vw, is van overeenkomstige toepassing op het inreisverbod dat wordt opgelegd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw, voor zover sprake is van een werkelijke, actuele, voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 onder b tot en met e Vc.

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid neergelegd in artikel 66a, tweede lid, Vw om een inreisverbod uit te vaardigen aan een vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 Vc.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt daarnaast een inreisverbod uit op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw tegen een vreemdeling die:

  • de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.

  • op grond van artikel 3.3 Vb aanspraak kan maken op een vrije termijn, maar die onder meer in het toezicht is aangetroffen en niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12 Vw en artikel 6 SGC, tenzij de vreemdeling onderbouwt dat dit te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen.

  • de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel zonder verschoonbare reden intrekt voordat een beslissing is genomen, terwijl aanwijzing bestaat dat de aanvraag niet kansrijk geacht moet worden. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een vreemdeling die afkomstig is uit een land dat is geplaatst op de lijst behorend bij artikel 3.37f, derde lid, VV (bijlage 13, veilige landen van herkomst).

  • door intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning niet meer in het bezit is van de verblijfsvergunning; de IND vaardigt op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw geen inreisverbod uit tegen de vreemdeling na intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning vanwege het niet langer voldoen aan de verleningsgrond of beperking.

De IND heft een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw op en vaardigt een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zevende lid, 7 Vw uit als artikel 66a, zevende lid, Vw van toepassing is.

De IND maakt gebruik van de in artikel 6.5, vierde lid, Vb geboden mogelijkheid om af te wijken van het eerste tot en met het derde lid ingeval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

H

Paragraaf A4/2.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

2.2. Geen inreisverbod

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:

  • a. de IND een ander land dat partij is bij de asiel- en migratiebeheerverordening heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;

  • b. de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland, tenzij de vreemdeling in aanmerking komt voor een zwaar inreisverbod;

  • c. het uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.

Ad b.

In paragraaf A2/12.10 Vc wordt de raadplegingsprocedure met het oog op signalering beschreven in het geval de vreemdeling verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland. Een vreemdeling met internationale bescherming in een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland kan geen terugkeerbesluit uitgevaardigd krijgen en daarom kan hem ook geen inreisverbod worden opgelegd. Voor het geven van een bevel zich onmiddellijk te begeven naar de verblijfgevende lidstaat, zie paragraaf A3/2 Vc.

Ad c.

Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B7/3.8 Vc.

I

Paragraaf A4/2.6 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

2.6. Rechtsgevolgen van het inreisverbod

Rechtmatig verblijf en inreisverbod

Artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw blijven buiten toepassing als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland ná het opleggen van het inreisverbod nog niet heeft verlaten. Het inreisverbod heeft in die situatie geen invloed op de mogelijkheid tot het verkrijgen van rechtmatig verblijf, zoals bedoeld in artikel 8 Vw.

De hiervoor genoemde rechtsgevolgen van het inreisverbod treden pas in als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland daadwerkelijk heeft verlaten. In dat geval staat het inreisverbod wel in de weg aan het verkrijgen van rechtmatig verblijf, behoudens (volgende) aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en de uitzonderingen die voortvloeien uit artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw.

Strafbaarheid bij verblijf in Nederland met een inreisverbod

De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd anders dan op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 108 Vw. De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 197 WvSr.

J

Paragraaf A4/3.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.3. Voorbereiding van een besluit tot ongewenstverklaring

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in ieder geval in de volgende situaties:

  • de vreemdeling verblijft niet rechtmatig in Nederland;

  • de vreemdeling bevindt zich in een politiecel, een cel van de KMar of in een huis van bewaring;

  • de vreemdeling heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend.

De IND geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in andere dan de genoemde situaties.

K

Paragraaf A4/3.4 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.4. Bekendmaking van het besluit tot ongewenstverklaring

Hoe het besluit tot ongewenstverklaring bekend wordt gemaakt is afhankelijk van de situatie en welke gegevens bekend zijn (zie artikel 67, tweede lid, Vw).

De IND zendt het besluit tot ongewenstverklaring naar de gemachtigde. Daarnaast doet de IND mededeling van het besluit tot ongewenstverklaring in de Staatscourant.

Als de gemachtigde van de vreemdeling niet bekend is of de gemachtigde stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, dan geldt het volgende:

  • de IND zendt de beschikking – met de brochure – per aangetekende brief naar het laatst bekende adres van de vreemdelingen

  • de IND doet mededeling van de beschikking in de Staatscourant.

Indien er geen adres van de vreemdeling is, wordt volstaan met de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.

L

Paragraaf A4/3.7 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.7. Beoordeling van de aanvraag

De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring:

  • a. de ongewenstverklaring is in strijd met het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, bedoeld in artikel 8 EVRM;

  • b. de ongewenstverklaring is in strijd met artikel 3 EVRM welke duurzaam is en het handhaven van de ongewenstverklaring is disproportioneel;

  • c. 3.103aa Vb respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening is van toepassing.

Ad a.

Bij de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring, betrekt de IND in ieder geval alle feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de paragrafen B7/3.8 en B9/14 Vc, voor zover deze feiten en omstandigheden sinds de ongewenstverklaring zijn gewijzigd.

In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenst verklaarde vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken.

Ad b.

Als een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer naar het land van herkomst in strijd is met artikel 3 EVRM, beoordeelt de IND bij het nemen van een besluit op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in deze situatie:

  • of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en zo ja

  • of de gevolgen van het handhaven van de ongewenstverklaring voor de vreemdeling disproportioneel zijn, afgewogen tegen het belang van de Nederlandse Staat.

Duurzaamheid

De IND neemt aan dat de ongewenstverklaring duurzaam in strijd is met artikel 3 EVRM als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de IND heeft in een besluit vastgesteld dat artikel 3 EVRM een beletsel is bij terugkeer naar land van herkomst;

  • dit beletsel bestaat al minimaal 10 jaar en de vreemdeling bevindt zich al die tijd zonder verblijfsvergunning of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in Nederland;

  • tijdens deze 10 jaar leefde de vreemdeling in vrijheid en maakte geen gebruik van de Nederlandse voorzieningen; en

  • vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan die vertrekplicht niet mogelijk gebleken.

Een vreemdeling heeft een inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar hij zich kan vestigen.

Disproportionaliteit

De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Bij de beoordeling betrekt de IND in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf. Als de vreemdeling disproportionaliteit aannemelijk heeft gemaakt, willigt de IND de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in.

Ad c.

Als een ongewenstverklaarde vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient, beoordeelt de IND of de vreemdeling in aanmerking komt voor deze verblijfsvergunning. De IND verleent de vreemdeling op grond van artikel 3.103aa Vb, respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening, een verblijfsvergunning asiel als de vreemdeling:

  • aannemelijk maakt dat hij vluchteling is als bedoeld in artikel 29 Vw; of

  • bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29a Vw.

Als de IND aan de vreemdeling de hiervoor genoemde verblijfsvergunning verleent, heft de IND de ongewenstverklaring op.

De IND heft de ongewenstverklaring niet op en verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel als omschreven in artikel 3.103aa Vb, respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening, als:

  • de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;

  • de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan verstoringen van de openbare orde; of

  • artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

Als de IND een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afwijst en de vreemdeling onder het bereik van de Terugkeerrichtlijn valt, heft de IND de ongewenstverklaring

M

Paragraaf A5 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

A5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen waarvan de vrijheid beperkt wordt of waarvan de vrijheid ontnomen wordt.

Toepassing van een vrijheidsontnemende maatregel dient beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke en dient achterwege te blijven indien een ander middel effectief kan worden toegepast. Steeds moet worden nagegaan of met een lichter middel volstaan kan worden.

Anders dan bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals neergelegd in de Vreemdelingenwet, zal een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel zijn indien deze nodig is:

  • voor een snelle, efficiënte en effectieve verwerking van de asielaanvraag;

  • voor de geografische spreiding van vreemdelingen;

  • voor de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling;

  • om doeltreffend te voorkomen dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat.

Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling ter voorkoming van het (verder) inreizen van de vreemdeling van Nederlands of Europees grondgebied, De uitvoering van deze maatregelen is met alle volgende waarborgen omkleed:

  • vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling;

  • de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten voortdurend in acht worden genomen;

  • tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank;

  • van een besluit tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel wordt ambtshalve onverwijld na bekendmaking van het besluit een kennisgeving verzonden aan de rechtbank dat geldt als beroep tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen:

  • artikel 6, 6a, 55, 55.0a, 56, 59, 59a, 59b, 59c en 94, Vw;

  • artikel 5.1 tot en met artikel 5.15 Vb;

  • artikel 5.1 tot en met artikel 5.4 VV.

2 Algemeen
2.1 Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel (vreemdelingenbewaring) op grond van artikel 6 Vw, artikel 6a Vw, artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw oplegt, moet de IND door middel van het bijbehorende model M19, M19A, M19B, M109, M109-A, M109-B of M109-C op de eerste dag van het opleggen van vreemdelingenbewaring op de hoogte brengen. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet de IND door middel van model M113 op de hoogte brengen als de vreemdelingenbewaring is opgeheven.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet in verband met de kennisgeving van de IND aan de rechtbank of een beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring bij de rechtbank, alle volgende modellen aan de IND verzenden:

  • model M119;

  • model M113;

  • model M120.

De bevoegde ambtenaar moet de vreemdeling erop wijzen dat hij contact mag (laten) opnemen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan zal worden, als hij geen contact met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging verlangt.

2.2 Aanmelding vreemdeling

Bij de uitzetting van een vreemdeling wordt gebruik gemaakt van Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld. Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld wordt ingevuld door of namens de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die voor de vrijheidsontnemende maatregel verantwoordelijk is. Deze is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen in Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een justitiële inrichting plaatsvindt, rust deze verantwoordelijkheid op de ambtenaren van DTenV en DJI die in die inrichting werkzaam zijn.

Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld wordt bijgewerkt met de gegevens van de betreffende vreemdeling bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 6, artikel 6a, artikel 59, artikel 59a of artikel 59b Vw van het moment van aanvang van de vrijheidsontnemende maatregel tot aan het moment van uitzetting of invrijheidstelling van de vreemdeling. Bij elke wijziging en aanvulling moet Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld worden bijgewerkt.

2.3 Het lichten van vreemdelingen

Voor het lichten van vreemdelingen op grond van artikel 5.12, eerste lid, Vb, moeten alle volgende voorwaarden in acht worden genomen door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV:

  • de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet twee werkdagen voor de datum van lichten een verzoek indienen bij de directeur van de justitiële inrichting waar de vreemdeling verblijft;

  • het lichten van de vreemdeling geschiedt zoveel mogelijk tijdens de normale werktijden van de inrichting, en duurt maximaal 48 uur;

  • de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling tijdens het lichten berust bij de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die het verzoek heeft ingediend. Deze draagt ook zorg voor de veiligheid en het toezicht gedurende het lichten.

De op grond van artikel 6, artikel 6a, artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw opgelegde maatregel blijft op het moment dat de vreemdeling gelicht is van kracht.

2.4 Minderjarigen en gezinnen met minderjarigen en vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw
2.4.1 Algemeen

In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, 59a en 59b Vw bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen. De beleidsregels die gelden voor vrijheidsontnemende maatregelen aan de grens bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen staan in paragraaf A1/7.3 en paragraaf A5/3.2 Vc.

Vreemdelingenbewaring, gedurende de terugkeerprocedure, AMbV-procedure of de asielprocedure zoals vermeld in artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw, is een ingrijpende maatregel. Vreemdelingenbewaring moet daarom alleen worden toegepast als het noodzakelijk is. Met vreemdelingenbewaring van niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen moet extra voorzichtig worden omgegaan. Daarom moet worden gekeken naar minder ingrijpende maatregelen dan vreemdelingenbewaring. Voor niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen wordt dan ook zoveel mogelijk gekozen voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel (zie paragraaf A5/5 Vc), in plaats van vreemdelingenbewaring, om het vertrek of de overdracht voor te bereiden of de asielprocedure te doorlopen. Het begrip ‘gezin’ betekent hier ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.

Toch kan het noodzakelijk zijn om kort voor de gedwongen terugkeer of overdracht de niet-begeleide minderjarige of het gezin met minderjarigen zo kort mogelijk in vreemdelingenbewaring te stellen om de uitzetting te waarborgen. Dit kan ook in uitzonderlijke omstandigheden het geval zijn gedurende de asiel(grens)procedure. De in vreemdelingenbewaring stellende instantie moet goed kijken naar de individuele omstandigheden van de niet-begeleide minderjarige of het gezin met minderjarigen en deze individuele omstandigheden moeten duidelijk worden gemotiveerd in het dossier. Hierbij wordt, naast de voorwaarden als vermeld in de artikelen 5.12 en 5.13 Vb, ook rekening gehouden met de medische achtergrond, de leeftijd van de kinderen en, bij een gezin met minderjarigen, de volledige samenstelling van het gezin.

2.4.2 Niet-begeleide minderjarigen

Op grond van artikel 5.15 Vb wordt vreemdelingenbewaring bij niet-begeleide minderjarigen, nog meer dan bij volwassenen, alleen in uiterste gevallen toegepast en voor een zo kort mogelijke duur.

2.4.2.1 Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, Vw

Bij niet-begeleide minderjarigen is vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, Vw alleen gerechtvaardigd als zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Van zwaarwegende belangen is uitsluitend sprake in de volgende situaties:

  • a. de niet-begeleide minderjarigen is verdacht van of veroordeeld voor een misdrijf;

  • b. de niet-begeleide minderjarigen is eerder met onbekende bestemming vertrokken uit de opvang of heeft zich niet gehouden aan een opgelegde meldplicht of vrijheidsbeperkende maatregel; of

  • c. het vertrek van de niet-begeleide minderjarige kan uiterlijk binnen twee weken gerealiseerd worden. Als de niet-begeleide minderjarige voor het eerst in het vreemdelingentoezicht wordt aangetroffen, geldt een termijn van vier weken waarbinnen het vertrek gerealiseerd moet worden.

Ad a en b termijn voor vreemdelingenbewaring

Voor de vreemdelingenbewaring van de niet-begeleide minderjarige gelden de wettelijke termijnen van de artikel 59, Vw zoals die ook voor een volwassen vreemdeling gelden.

Ad c termijn voor vreemdelingenbewaring uitzonderingen daarop en toezicht

Vreemdelingenbewaring van een niet-begeleide minderjarige, opgelegd door een ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV, is in de onder c bedoelde gevallen alleen mogelijk als redelijkerwijs mag worden verwacht dat de uitzetting uiterlijk binnen respectievelijk twee of vier weken kan worden gerealiseerd. De vreemdelingenbewaring duurt in deze gevallen in beginsel niet langer dan deze twee of vier weken.

Uitzonderingen

De vreemdelingenbewaring van een niet-begeleide minderjarige mag uitsluitend langer dan twee of vier weken duren als de uitzetting niet kan plaatsvinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:

  • (fysiek) verzet; of

  • het feit dat de niet-begeleide minderjarige één of meerdere procedures is gaan voeren terwijl er geen gegronde reden was om die procedures niet reeds in een eerder stadium te starten.

Als een van deze situaties zich voordoet, is de duur van de vreemdelingenbewaring van de niet-begeleide minderjarige gebonden aan de wettelijke termijnen van de artikelen 59, 59a en 59b Vw zoals die ook voor volwassen vreemdelingen gelden. Als de niet-begeleide minderjarige in vreemdelingenbewaring wordt gehouden op grond van artikel 59 Vw en er is sprake van een (gestarte) procedure naar aanleiding van een door de niet-begeleide minderjarige ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, moet worden beoordeeld of een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vw kan worden opgelegd. In dat geval gelden de wettelijke termijnen genoemd in dat artikel. Zodra de niet-begeleide minderjarige opnieuw verwijderbaar is geworden, wordt beoordeeld of aansluitend een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw kan worden opgelegd. De onder c bedoelde termijn vangt op dat moment opnieuw aan.

Toezicht

Toezicht omvat alle mogelijke vormen van contact tussen de niet-begeleide minderjarige en de toezichthouders als bedoeld in artikelen 46 en 47 Vw in het kader van de uitoefening van hun taken. Een niet-begeleide minderjarige wordt voor het eerst in het toezicht aangetroffen als er niet eerder sprake is geweest van contact tussen de niet-begeleide minderjarige en een toezichthouder in de hiervoor bedoelde zin. Er is in ieder geval sprake van een situatie waarin de niet-begeleide minderjarige voor het eerst in het toezicht wordt aangetroffen als er bij de toezichthouders geen gegevens van de vreemdeling bekend zijn. Omdat van de niet-begeleide minderjarige die voor het eerst in het toezicht wordt aangetroffen vaak weinig gegevens bekend zijn waardoor vertrek of overdracht in veel gevallen niet binnen twee weken kan worden gerealiseerd, geldt voor hen dat vreemdelingenbewaring mogelijk is als vertrek binnen vier weken kan worden gerealiseerd. Voor een niet-begeleide minderjarige die al wel eerder in het toezicht is aangetroffen of die bijvoorbeeld in de opvang verblijft, geldt dat vreemdelingenbewaring slechts mogelijk is als het vertrek binnen een termijn van twee weken kan worden gerealiseerd, tenzij sprake is van de onder a of b bedoelde situatie.

Opvang indien geen bewaringsmaatregel wordt opgelegd

Als een onrechtmatig verblijvende niet-begeleide minderjarige niet in vreemdelingenbewaring wordt gesteld en geen aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient, wordt de niet-begeleide minderjarige in de minderjarigenopvang van het COA geplaatst en stuurt de AVIM of de KMar een overdrachtsdossier naar de DTenV.

2.4.2.2 Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a of artikel 59b, Vw

Het opleggen van vreemdelingenbewaring aan een niet-begeleide minderjarige op grond van artikel 59a of 59b,Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is en de minderjarige door de bewaring wordt beschermd. De niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt in ieder geval door de bewaring beschermd indien:

  • a. de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen twijfelt aan de relatie/gezinsband tussen de (gestelde) ouder of hoofdverzorger en de minderjarige en plaatsing van de minderjarige in een reguliere opvanglocatie de minderjarige onvoldoende bescherming biedt; of

  • b. er aanwijzingen zijn dat de minderjarige het slachtoffer is van, of betrokken is bij, mensenhandel- en/of mensensmokkel; of

  • c. er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde en de bewaring de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid en/of uitbuiting; of

  • d. de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, al dan niet op advies van een deskundige, de bewaring om andere redenen ter bescherming van de niet-begeleide minderjarige acht.

De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de niet-begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:

  • de mogelijkheid van gezinshereniging;

  • het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de achtergrond van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit en continuïteit van de zorg;

  • veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van een vorm van geweld of uitbuiting, waaronder mensenhandel;

  • het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.

2.4.3 Gezinnen met minderjarigen
2.4.3.1 Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 eerste en tweede lid en 59a Vw

Vreemdelingenbewaring van een gezin met minderjarigen op grond van artikel 59, eerste lid, artikel 59, tweede lid, artikel 59a kan slechts worden opgelegd als sprake is van de volgende omstandigheden.

  • bij alle gezinsleden moet zijn voldaan aan de wettelijke voorwaarden als bedoeld in artikel 5.12 en 5.13 Vb;

  • bij vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, artikel 59, tweede lid, en artikel 59a, Vw, geldt eveneens dat uit nalaten, handelen, of uitlatingen van (één van) de gezinsleden moet blijken dat geen medewerking is verleend aan de vertrek- of overdrachtsprocedure, waardoor:

    • de vertrek- of overdrachtsprocedure is vermeden;

    • de vertrek- of overdrachtsprocedure is belemmerd; of

    • het risico bestaat op onttrekking aan het toezicht.

  • in het geval van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, moet tevens voldaan worden aan de voorwaarden van de oplegging van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw (zie paragraaf 2.2).

Wanneer één of meerdere leden van het gezin signalen afgeven dat zij niet mee zullen werken aan vertrek of overdracht, zal dit gevolgen hebben voor het aannemen van een onderduikrisico ten aanzien van de andere gezinsleden.

Termijn voor vreemdelingenbewaring voor gezinnen met minderjarigen

Vreemdelingenbewaring wordt alleen proportioneel geacht als verwacht mag worden dat de uitzetting of overdracht binnen twee weken kan worden gerealiseerd. In de regel wordt aangenomen dat hiervan sprake is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.

Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 of artikel 59a Vw kan bij gezinnen met minderjarige kinderen uitsluitend langer duren dan twee weken als de uitzetting of overdracht niet kan plaats vinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:

  • (fysiek) verzet van (één van) de gezinsleden;

  • het feit dat (één van) de gezinsleden na de vreemdelingenbewaring één of meerdere procedures is gaan voeren terwijl er geen gegronde reden was om die procedures niet reeds in een eerder stadium te starten.

Als er sprake is van een (gestarte) procedure naar aanleiding van een door de vreemdeling ingediende aanvraag voor verblijfsvergunning asiel moet worden beoordeeld of een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vw wordt opgelegd (zie paragraaf A5/6.3 Vc).

2.4.3.2 Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, Vw

Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van artikel 59b, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.

De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:

  • de mogelijkheid van gezinshereniging;

  • het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de achtergrond van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit en continuïteit van de zorg;

  • veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van een vorm van geweld of uitbuiting, waaronder mensenhandel;

  • het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.

2.4.4 Het beroep tegen een verblijfsvergunning asiel en vreemdelingenbewaring

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV heft de vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59b Vw op als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen en de behandeling van het beroep in Nederland afgewacht mag worden.

Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, en de behandeling van het beroep niet in Nederland afgewacht mag worden, wordt de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven en wordt beoordeeld of aansluitend een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd op grond van artikel 59 Vw. Als er samen met het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht betekent dit dat de vreemdelingenbewaring mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.

2.4.5 Plaatsing van niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen in vreemdelingenbewaring

Voor zowel niet-begeleide minderjarigen als gezinnen met minderjarigen geldt dat zij uiterlijk binnen één dag na het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de Gesloten Gezinsvoorziening geplaatst moeten worden. Als bij een voorgenomen maatregel van vreemdelingenbewaring de verblijfplaats van de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige vreemdeling bekend is, dient de tenuitvoerlegging in de Gesloten Gezinsvoorziening in beginsel aansluitend aan de staandehouding plaats te vinden.

3 Vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw
3.1 Gronden voor vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw

Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat een gezin met één of meer minderjarigen binnen twee weken wordt uitgezet, mag aan een gezin met één of meer minderjarigen dat de toegang is geweigerd vrijheidsontneming op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, al dan niet gelezen in samenhang met of artikel 6a Vw, worden opgelegd.

Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat het vertrek niet binnen twee weken wordt gerealiseerd wordt in beginsel volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 6a Vw.

De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND legt een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw op bij beschikking model M19.

De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND verricht alle volgende handelingen:

  • een afschrift van de beschikking model M19 uitreiken aan de vreemdeling;

  • de inhoud van de beschikking in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem meedelen;

  • aan de vreemdeling in een begrijpelijke taal aan hem meedelen dat de rechtbank ambtshalve de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming zal toetsen; en

  • de vreemdeling wijzen op de mogelijkheid om het recht op gratis rechtsbijstand en om vertegenwoordiging aan te vragen.

Hierbij kan de ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND gebruik maken van de informatiebrief ‘Waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’. De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND neemt de wijze waarop is voorzien in bovengenoemde informatieverplichting op in model M19.

Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats moet een nieuwe beschikking model M19 worden gemaakt waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem worden meegedeeld.

Zodra sprake is van concrete aanknopingspunten voor een overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) en er een onderduikrisico aanwezig is of de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde, wordt een (nieuwe) vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6a Vw opgelegd. De vreemdeling wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht. Indien er geen sprake is van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde, wordt de maatregel niet opgelegd dan wel opgeheven.

De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND hoeft geen nieuwe beschikking model M19/M19A te maken als tijdelijke overplaatsing van de vreemdeling nodig is om redenen die voortvloeien uit toepassing van de Vw. Ook het vervoer naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder beschikking model M19/M19A.

Als er redenen zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal twaalf maanden te verlengen, moet de vreemdeling voor het verstrijken van de maximale bewaringsduur van zes maanden schriftelijk op de hoogte worden gesteld van dit besluit. DTenV maakt het verlengingsbesluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit.

Voor het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw of artikel 6a Vw, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND, gebruik maken van model M113. Van model M113 moet altijd:

  • het origineel van dit formulier in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt;

  • een kopie worden verzonden naar de IND en DTenV.

Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6, eerste lid, Vw of artikel 6a Vw geldt geen regime.

Indien een aan de grens geweigerde vreemdeling tevens verdachte of veroordeelde is van een misdrijf wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking bij het uitreiken van de toegangsweigering model M122-A uitgereikt om de vreemdeling te informeren dat zijn vrijheidsontneming kan worden voortgezet op grond van de Vreemdelingenwet zodra de vrijheidsontneming op strafrechtelijke gronden is geëindigd. De ambtenaar belast met de grensbewaking is verantwoordelijk voor het opleggen van de vreemdelingrechtelijke maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet.

Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw

Op grond van artikel 6, derde lid, Vw kan aan een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn. Deze grondslag voor vrijheidsontneming wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven dan wel zolang de vreemdeling op grond van artikel 68, vijfde lid, onderdeel d, van de Procedureverordening niet wordt verwijderd. Dat betreft de volgende situaties:

  • a. de vreemdeling is in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag;

  • b. na afwijzing van de asielaanvraag, indien de vreemdeling op grond van artikel 68, tweede lid Procedureverordening op het grondgebied mag blijven gedurende de beroepstermijn en, bij tijdige indiening van het beroep, totdat uitspraak is gedaan op het beroep;

  • c. na afwijzing van de asielaanvraag, indien de vreemdeling op grond van artikel 68, derde lid Procedureverordening niet op het grondgebied mag blijven maar op grond van artikel 68, vijfde lid onder d Procedureverordening niet mag worden verwijderd gedurende de termijn voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en, bij tijdige indiening van dat verzoek, totdat uitspraak is gedaan op het verzoek;

  • d. tot de beslissing op het beroepschrift indien het onder c bedoelde verzoek is toegewezen.

Ad b.

Deze situatie is aan de orde als het beroep van rechtswege schorsende werking heeft.

Ad c.

Deze situatie is aan de orde als het beroep geen schorsende werking heeft. De vreemdeling heeft dan ingevolge artikel 69, zesde lid Vw één week de tijd om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Gedurende die termijn mag de vreemdeling in beginsel niet worden verwijderd. Bij tijdige indiening mag de vreemdeling ook in afwachting van de uitspraak niet worden verwijderd. Op deze regel kan echter op grond van artikel 56 van de Procedureverordening dan wel artikel 68, zesde lid van de Procedureverordening een uitzondering worden gemaakt. Dan is de vreemdeling met het nemen van het besluit op de asielaanvraag direct verwijderbaar, ook al wordt (tijdig) verzocht om een voorlopige voorziening. Die situaties kunnen zich enkel voordoen bij opvolgende asielaanvragen als bedoeld in artikel 55 van de Procedureverordening. Alleen een door de rechter getroffen voorlopige voorziening kan dan leiden tot het recht om op het grondgebied te verblijven en niet te worden verwijderd gedurende de beroepsprocedure.

Het geval waarin de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht zijn omschreven in artikel 7.3, tweede lid, van het Vb. Die situaties kunnen zich enkel voordoen bij een volgend verzoek als bedoeld in artikel 55 van de Procedureverordening.

Voor toepassing van artikel 6, derde lid, Vw op AMbV-claimanten, dient tevens sprake te zijn van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Wanneer er sprake is van een onderduikrisico, wordt vermeld in artikel 5.12 en artikel 5.13 Vb.

Wanneer de hierboven genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 SGC middels het model M17A. Verder wordt een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto het zesde lid, Vw dan wel artikel 6a, eerste lid Vw. Het nemen van een besluit omtrent de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de hierboven genoemde situaties niet langer van toepassing zijn.

Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw

Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw kan aan een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en op wie voorafgaand aan de toegangsweigering het derde lid van toepassing was, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met uitzondering van de situatie dat de asielaanvraag voor het nemen van een besluit wordt ingetrokken (in dat laatste geval is het zesde lid niet van toepassing). Het nemen van een besluit omtrent de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de onder het kopje Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met e genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, plaats te vinden. De nieuwe vrijheidsontnemende maatregel wordt door de bevoegde ambtenaar van de IND opgelegd met gebruikmaking van het model M19B (zie ook paragraaf C2/2 Vc).

Vrijheidsontneming op grond van artikel 6a Vw in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351

Op grond van artikel 6a, eerste lid Vw kan de maatregel worden opgelegd of voortgezet met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Wanneer er sprake is geweest van een voorafgaande vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw, geldt het volgende. Nadat het besluit omtrent de weigering van toegang is genomen, wordt krachtens artikel 6a, eerste lid, Vw een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Het nemen van een besluit omtrent de toegangsweigering en het opleggen van een nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de onder het kopje Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met e genoemde situaties niet langer aan de orde zijn. De nieuwe vrijheidsontnemende maatregel wordt door de bevoegde ambtenaar van de IND opgelegd met gebruikmaking van het model M19A (zie ook paragraaf C2/2 Vc).

Voor toepassing van artikel 6a Vw dient sprake te zijn van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Wanneer er sprake is van een onderduikrisico wordt vermeld in artikel 5.12 en artikel 5.13 Vb. Daarnaast dient de maatregel proportioneel en noodzakelijk te zijn met het oog op de overdracht. Bij AMbV-claimanten is de maatregel, anders dan bij andere vreemdelingen, niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst of een ander veilig land waar de toelating gewaarborgd is, maar op overdracht aan een andere lidstaat. In de Verordening is een midden gezocht tussen enerzijds het belang van terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsontneming en anderzijds het belang van een effectieve overdracht.

3.2 Minderjarigen en gezinnen met minderjarigen op grond van artikel 6 of 6a, Vw
3.2.1 Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 6 derde lid of 6a Vw

Gezinnen met minderjarigen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indienen, krijgen in beginsel geen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid of artikel 6a Vw opgelegd. Dit geldt ook voor niet-begeleide minderjarigen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indienen. De ambtenaar belast met de grensbewaking legt uitsluitend een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid of artikel 6a Vw op indien er getwijfeld wordt aan de minderjarigheid van de vreemdeling en de minderjarigheid nog niet is vastgesteld door de IND. In paragraaf A1/7.3 Vc staat beschreven in welke overige gevallen de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of artikel 6a Vw mogelijk is.

Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van 6 derde lid of 6a, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.

Het opleggen van vreemdelingenbewaring aan een niet-begeleide minderjarige op grond van artikel 6 of 6a,Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is en de minderjarige door de bewaring wordt beschermd. De niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt in ieder geval door de bewaring beschermd indien:

  • a. de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen twijfelt aan de relatie/gezinsband tussen de (gestelde) ouder of hoofdverzorger en de minderjarige en plaatsing van de minderjarige in een reguliere opvanglocatie de minderjarige onvoldoende bescherming biedt; of

  • b. er aanwijzingen zijn dat de minderjarige het slachtoffer is van, of betrokken is bij, mensenhandel- en/of mensensmokkel; of

  • c. er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde en de bewaring de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid en/of uitbuiting;

  • d. de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, al dan niet op advies van een deskundige, de bewaring om andere redenen ter bescherming van de niet-begeleide minderjarige acht.

De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de niet-begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:

  • de mogelijkheid van gezinshereniging;

  • het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de achtergrond van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit en continuïteit van de zorg;

  • veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van een vorm van geweld of uitbuiting, waaronder mensenhandel;

  • het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.

Duur van de vrijheidsontnemende maatregel bij gezinnen met minderjarige kinderen

Indien geen sprake is van één van de in paragraaf A1/7.3 Vc bedoelde redenen om de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel te beëindigen of te wijzigen, kan de maatregel voortduren tot maximaal twee weken, na het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.

3.2.2 Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 6 eerste lid en tweede lid, Vw

In afwijking van het voorgaande gelden de volgende voorwaarden bij de weigering en aansluitende vreemdelingenbewaring van gezinnen met minderjarigen die geen asiel aanvragen. Gezinnen met minderjarigen die landen op luchthaven Schiphol en geen asiel aanvragen worden in de lounge geplaatst in afwachting van de effectuering van de claim op de luchtvaartmaatschappij. Indien het op de luchthaven Schiphol niet mogelijk blijkt het gezin onmiddellijk aansluitend aan de weigering terug te vervoeren en het naar verwachting langer dan 24 uur zal duren voordat terugvervoer mogelijk is zal het gezin geplaatst worden op de Gesloten Gezinsvoorziening met oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid Vw. Aan gezinnen die zich bevinden aan de buitengrens en geen asiel aanvragen wordt een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, nu geen voorziening aanwezig is, met plaatsing in de Gesloten Gezinsvoorziening in afwachting van de effectuering van de claim op de luchtvaartmaatschappij.

4 Beschikbaar houden op grond van artikel 55, eerste lid, Vw

Als de vreemdeling een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient start de fase van het ontvangen en voorbereiden asielaanvraag (verder OVA-fase, zie paragraaf A6/1).

De vreemdeling ontvangt een aanwijzing als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Vw middels model M117-X, met de aanwijzing dat hij zich voor de screeningsprocedure beschikbaar moet houden.

Indien de vreemdeling zich niet houdt aan het opgelegde beschikbaarheidsregime, dan kan een aanvullende aanwijzing worden gegeven met een verder gaande vrijheidsbeperkende maatregel of vrijheidsontnemende maatregel.

Na het doorlopen van de OVA-fase of als de vreemdeling een (opvolgende) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd indient, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvangvoorziening zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet verblijven. De Korpschef doet de aanwijzing zowel mondeling als schriftelijk. Voor de aanwijzing wordt het model M117-A gebruikt.

Vreemdelingen moeten zich beschikbaar houden op grond van artikel 55 Vw in een AC of opvanglocatie. Voor vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier hebben ingediend kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.

Als een vreemdeling ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken, moet de Korpschef dit melden aan de IND, DTenV en het COA. Bij deze melding wordt een kopie van het model M117-A gevoegd. Het ‘met onbekende bestemming vertrokken zijn’ moet vastgesteld zijn door de Korpschef.

5 Vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw
5.1 Algemeen en procedure

Bij het opleggen van de maatregel op grond van artikel 56 Vw wordt in beginsel als plek van verblijf een gemeente aangewezen of een kleiner deel dan de gemeente waarbinnen de vreemdeling zich dient te bevinden dan wel een plek of gebied dat niet mag worden betreden.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.2 VV legt de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw – eventueel in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54, eerste lid, Vw – op:

  • op grond van het bestaan van een onderduikrisico als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb aan de vreemdeling:

    • a. zonder rechtmatig verblijf; of

    • b. met rechtmatig verblijf op grond van:

      • artikel 8, aanhef en onder f, Vw;

      • artikel 8, aanhef en onder h, Vw; of

      • artikel 8, aanhef en onder m, Vw.

  • op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid aan de vreemdeling:

    • a. zonder rechtmatig verblijf; of

    • b. met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e, Vw.

Redenen van openbare orde kunnen verband houden met het individuele gedrag van de vreemdeling (bijvoorbeeld ingeval van asielzoekers de overtreding van de huisregels van het COA, overlastgevend, gewelddadig of bedreigend gedrag), maar deze kunnen ook van meer algemene aard zijn.

De vreemdeling wordt voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van artikel 56 Vw gehoord. Dit gehoor wordt vastgelegd in het model M108B. De maatregel van artikel 56 Vw wordt opgelegd met het model M108A.

De maatregel op grond van artikel 56 Vw kan voortduren voor zolang dat gelet op de omstandigheden van het geval met het oog op de openbare orde of de nationale veiligheid of een aangenomen onderduikrisico redelijk is.

De maatregel kan ieder deel van Nederland aanwijzen en is niet beperkt tot locaties waar opvang wordt geboden door het COA. Bij de bepaling van de plaats komt groot gewicht toe aan de mate waarin ter plaatse toezicht kan worden gehouden op de naleving van de maatregel. De maatregel kan ook een plaats aanwijzen die geldt als een verbod voor de vreemdelingen zich daar te bevinden.

De vreemdeling kan bij de organisatie die de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd dan wel het toezicht uitoefent, om toestemming verzoeken om tijdelijke buiten de toegewezen plaats te verblijven dan wel het verboden gebied te betreden. Van een situatie waarin een dergelijke toestemming kan worden verleend, is in ieder geval sprake bij bezoek aan een medisch specialist, (niet vereiste) aanwezigheid bij een zitting van de rechtbank of bezoek aan de advocaat die de vreemdeling vertegenwoordigt. Het verzoek dient tijdig te worden gedaan. Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij de reden van het verzoek aantoont, bijvoorbeeld door overlegging van een afspraakbevestiging.

Gelet op artikel 5.11, vierde lid, Vb heeft de vreemdeling geen toestemming nodig van de organisatie die de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd dan wel het toezicht uitoefent wanneer zijn aanwezigheid vereist is bij afspraken met autoriteiten en rechtbanken. De vreemdeling stelt deze organisaties vooraf in kennis van een dergelijke afspraak. Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij een document overlegt waaruit dit blijkt.

De maatregel op grond van artikel 56 Vw komt niet van rechtswege te vervallen. De maatregel kan worden voortgezet met het oog op vertrek uit Nederland, na een afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De vreemdeling aan wie de maatregel is opgelegd, kan om opheffing daarvan verzoeken. Tegen de afwijzing van een verzoek om opheffing staat evenals tegen de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel rechtstreeks beroep open bij de bestuursrechter.

De redenen die aanleiding waren gedurende het rechtmatig verblijf om een maatregel op te leggen, rechtvaardigen het voorduren van de vrijheidsbeperkende maatregel gedurende het terugkeerproces. Dat geldt ook voor de vreemdeling die in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Er wordt een nieuwe vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd middels model M108A, zodra de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats ten uitvoer wordt gelegd dan waar de vreemdeling verbleef.

5.2 Gereserveerd

5.3 Vrijheidsbeperkende locatie (vbl)

De vbl biedt onderdak aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten en geen recht (meer) hebben op opvang van rijkswege. Doel is dat gedurende het verblijf in de vbl het vertrek wordt voorbereid.

De vrijheidsbeperkende maatregel, die bij een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf op grond van artikel 56 Vw wordt opgelegd in een vbl, duurt in beginsel twaalf weken. De vreemdeling moet werken aan zijn vertrek uit Nederland waarbij DTenV de regie heeft over het vertrektraject. De vrijheidsbeperkende maatregel kan blijven voortduren, indien na ommekomst van de twaalf weken er nog immer voldoende grondslag bestaat.

5.4 Gezinslocatie (gl)

De gl is een op vertrek gerichte vrijheidsbeperkende locatie met een sober voorzieningenniveau, bedoeld voor gezinnen:

  • met minderjarige kinderen zonder recht op opvang;

  • zolang minderjarige kinderen onderdeel uitmaken van het gezin; én

  • zolang er een humanitaire noodsituatie ontstaat als er geen onderdak wordt geboden.

Ter voorbereiding van het vertrek wordt bij gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in een gl.

Aan een gezin met minderjarige kinderen wordt gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van artikel 56 Vw in een gl opgelegd als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is sprake van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid – ook als op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan;

  • het vertrek van het gezin kan niet binnen veertien dagen worden gerealiseerd;

  • het gezin heeft voorafgaande aan de maatregel in de opvang verbleven; of

  • het gezin is in de illegaliteit aangetroffen.

5.5 Procesbeschikbaarheidslocatie (pbl)

Voor vreemdelingen in de asielprocedure en met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw, met uitzondering van onderdelen b, d en e Vw, geldt dat een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw kan worden opgelegd en de vreemdeling geplaatst kan worden op de pbl. Dit is mogelijk wanneer de vreemdeling meerdere malen overlast heeft veroorzaakt met middelgrote of 1 incident met grote impact zoals opgenomen in het maatregelenbeleid van het COA. Het kan hier gaan om incidenten in de opvang, maar ook om incidenten die buiten de opvang hebben plaatsgevonden. Daarnaast is pbl-plaatsing mogelijk bij vergelijkbare incidenten die zich buiten de opvanglocatie hebben voorgedaan.

De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de pbl. De maatregel kan worden opgelegd aan vreemdelingen wanneer voorzienbaar is dat de aanvraag binnen 4 weken kan worden afgewezen. De vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd voor in beginsel vier weken.

5.6 Handhavings- en toezichtlocatie (htl)

Voor zowel de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf als de vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, met uitzondering van onderdelen b, d en e, Vw geldt dat een maatregel op grond van artikel 56 Vw kan worden opgelegd en de vreemdeling geplaatst kan worden op de htl. als de vreemdeling gedurende of na de asielprocedure overlast veroorzaakt met zeer grote impact. Dit kan als de vreemdeling gedurende of na de asielprocedure meerdere malen overlast veroorzaakt met grote impact of na 1 incident met zeer grote impact zoals opgenomen in het maatregelenbeleid van het COA. Het gaat om overlast op de (opvang)locatie waar de vreemdeling verblijft of daar buiten.

De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de htl.

Een dergelijke maatregel kan ook worden opgelegd aan niet-begeleide minderjarigen vanaf de leeftijd van 16 jaar. Voor deze niet-begeleide minderjarigen geldt dat de afstemming die tussen COA en de jeugdbeschermer heeft plaatsgevonden. De belangen en de specifieke situatie van de minderjarige kenbaar moeten worden meegewogen in deze maatregel.

Het COA besluit, tenzij het gedrag van de vreemdeling hier eerder aanleiding voor geeft en zich geen gronden voor inbewaringstelling voordoen, uiterlijk na een periode van twaalf weken tot voortzetting van de handhaving en het toezicht op de htl (in welk geval de vrijheidsbeperkende maatregel voortduurt), terugplaatsing naar een reguliere opvanglocatie of een andere maatregel op grond van de RvA.

5.7 Specifieke regels voor vervoer naar vbl, pbl en htl

Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel op grond van artikel 56 Vw te voldoen, wordt de vreemdeling vervoer naar de locatie aangeboden. Als de vreemdeling weigert om gebruik te maken van het aangeboden vervoer wordt daarmee geconcludeerd dat de vreemdeling geen gebruik wenst te maken van het aangeboden onderdak.

Als de vreemdeling de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel niet naleeft, kan de Korpschef de vreemdeling op grond van artikel 50 of artikel 50a Vw staande houden en naar een plaats bestemd voor verhoor overbrengen. Vervolgens beoordeelt de Korpschef of een vrijheidsontnemende maatregel moet worden opgelegd.

6 Vreemdelingenbewaring
6.1 Algemene voorwaarden voor vreemdelingenbewaring

Een vreemdeling wordt uitsluitend in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, 59a of 59b Vw, als minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast. Inbewaringstelling vindt slechts plaats als er geen lichter middel voorhanden is, dat even effectief is. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV maakt een belangenafweging over de toepassing van de maatregel van vreemdelingenbewaring.

Ten aanzien van de gronden voor inbewaringstelling, als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb, is paragraaf A3/3 Vc van overeenkomstige toepassing.

De vreemdelingenbewaring wordt met onmiddellijke ingang opgeheven wanneer het doel voor de inbewaringstelling niet langer bestaat (zie artikel 59c, tweede lid, Vw) en er geen andere grond voor het voortzetten van de inbewaringstelling bestaat.

6.2 Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw

Een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft kan, met het oog op uitzetting, in vreemdelingenbewaring worden gesteld (zie artikel 59, eerste lid, onderdeel a, Vw). Artikel 59, eerste lid, onder b Vw wordt alleen toegepast bij een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in verband met een procedure aangaande:

  • een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde of onbepaalde tijd;

  • een aanvraag tot verlenging of wijziging hiervan.

Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, onderdeel a en b, Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van Model 109. In Model M109 dient in ieder geval omschreven te worden dat:

  • er ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb aanwezig zijn;

  • er geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast; en

  • er voldoende zicht op uitzetting bestaat.

6.3 Vreemdelingenbewaring van een AMbV-claimant op grond van artikel 59a Vw

Een vreemdeling voor wie op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) een overnameverzoek is ingediend bij een andere lidstaat of voor wie een kennisgeving inzake terugname aan een andere lidstaat is verzonden (verder: AMbV-claimant) kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond van artikel 59a Vw. Bij AMbV-claimanten is de vreemdelingenbewaring, anders dan bij andere vreemdelingen, niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst of een ander veilig land waar de toelating gewaarborgd is, maar op overdracht aan een andere lidstaat. In de Asiel- en migratiebeheerverordening is een midden gezocht tussen enerzijds het belang van terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsontneming en anderzijds het belang van een effectieve overdracht.

Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59a Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van model M109-A. In model M109-A dient in ieder geval omschreven te worden dat:

  • er ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb aanwezig zijn;

  • of de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde;

  • er geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast; en

  • er voldoende zicht op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat bestaat.

(Zie ook de paragrafen A3/6.9 en C2/3 Vc.)

Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59a, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor vreemdelingenbewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:

  • er zijn aanwijzingen dat de vreemdeling gedragingen heeft gepleegd als omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

  • er is sprake van een individuele aanwijzing als bedoeld in artikel 48, tweede lid, Vw, waaruit blijkt dat sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde;

  • er is sprake van een (individueel) ambtsbericht van de AIVD of MIVD; of

  • de verdenking of veroordeling in verband met een misdrijf.

Als op grond van artikel 59a Vw een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd en de vreemdeling ook een asielaanvraag heeft ingediend, dan ontvangt de IND via de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV informatie over het opgemaakte model M109-A.

Als de AMbV-claimant in vreemdelingenbewaring is gesteld omdat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (artikel 5.13, tweede lid, onder m, Vb), duurt de vreemdelingenbewaring niet langer dan veertien dagen.

Deze termijn is niet van toepassing als de overdracht niet binnen die veertien dagen kan plaatsvinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:

  • fysiek verzet van de vreemdeling of in geval van een gezin fysiek verzet van (één van) de gezinsleden;

  • het feit dat de vreemdeling of in geval van een gezin (één van) de gezinsleden na de inbewaringstelling één of meerdere procedures is gaan voeren met het kennelijke doel overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat te voorkomen.

Als sprake is van een gestarte procedure zoals in de hierboven bedoelde zin kan de maatregel van vreemdelingenbewaring voortduren tot maximaal twee weken nadat de vreemdeling of het gezin verwijderbaar is geworden.

6.4 Vreemdelingbewaring in verband met aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 59b Vw

Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw is mogelijk voor de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient of wenst in te dienen. Voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van model 109-B. Model M109-B bevat in ieder geval:

  • een kenbare belangenafweging, en

  • één of meerdere gronden, als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, Vw.

Als op grond van artikel 59b Vw een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd, dan ontvangt de IND via de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV informatie over het opgemaakte model M109-B.

Gronden voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw

Vreemdelingen die een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning asiel kunnen op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:

  • a. vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;

  • b. vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico;

  • c. de vreemdeling:

    • in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van richtlijn 2008/115;

    • al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

    • op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of

  • d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel f, van de Opvangrichtlijn; of

  • e. vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, Vw in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan.

Het is mogelijk dat een vreemdeling vanwege meerdere gronden in vreemdelingenbewaring wordt gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw.

Ad a en b

Hierbij gaat het vooral om situaties waarin een vreemdeling niet in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw, maar waarbij wel één of meerdere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, Vb van toepassing zijn. Deze situaties kunnen zich met name voordoen, indien:

  • de vreemdeling gedurende zijn strafrechtelijke detentie een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend;

  • de vreemdeling gedurende de periode van overbrenging en ophouding als bedoeld in artikel 50, tweede of derde lid, Vw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; of

  • de vreemdeling is overgedragen aan Nederland krachtens Verordening (EU) 2024/1351.

Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a of b, Vw is slechts mogelijk als ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.13, tweede lid, Vb zich voordoen.

Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, Vw is slechts mogelijk indien er sprake is van onduidelijkheid over de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Dat de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling onbekend is, is op zichzelf onvoldoende om een inbewaringstelling te rechtvaardigen.

Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, Vw is ook mogelijk gedurende de beroepsprocedure na beoordeling van de asielaanvraag door de IND en de vreemdeling op grond van artikel 68 van de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op het beroep is beslist.

Ad c

Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw is slechts mogelijk als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel al in vreemdelingenbewaring was gesteld op grond van artikel 59 Vw.

Bij vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw moeten vooral de volgende omstandigheden worden betrokken:

  • of de vreemdeling eerder een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning asiel;

  • de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in relatie tot zijn verklaringen hierover;

  • de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen of zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt;

  • of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem voor een inreisverbod gesignaleerd staat;

  • de gestelde nationaliteit in relatie tot de toepassing van artikel 30b, eerste lid, Vw in het geval bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel e, van de Procedureverordening;

  • de onderbouwing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Wanneer er zich meer van de hierboven genoemde omstandigheden voordoen, wordt sneller aangenomen dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel slechts is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Deze opsomming is niet limitatief.

Ad d

Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor vreemdelingenbewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kan mogelijk worden afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

  • er is sprake van een individuele aanwijzing als bedoeld in artikel 48, tweede lid, Vw, waaruit blijkt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde;

  • er is sprake van een (individueel) ambtsbericht van de AIVD of MIVD; of

  • de verdenking of veroordeling in verband met een misdrijf.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV kan de vreemdeling aanmerken als een gevaar voor de openbare orde om één of meer van de redenen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc en er sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Bij de beoordeling is paragraaf A3/3.4 Vc onder het kopje daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde, voor zover relevant, van overeenkomstige toepassing.

Ad e

Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel e, Vw, indien aan de vreemdeling eerder een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 56 Vw is opgelegd waaraan de vreemdeling zich heeft gehouden en nog altijd sprake is van een onderduikrisico. Daarvan is sprake indien naast het niet houden aan de vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 5.13, tweede lid, onder n, Vb) zich ten minste een van de andere gronden van artikel 5.13, tweede lid, Vb voordoet.

Opheffing van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw na afwijzing aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel

In het geval de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, tweede lid van de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, wordt de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw niet opgeheven.

De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw wordt alsnog opgeheven indien:

  • er na afloop van de beroepstermijn geen beroep is ingesteld; of

  • het beroep door de rechtbank ongegrond wordt verklaard.

De vreemdeling kan aansluitend op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De vreemdeling dient te worden gehoord voordat hij (opnieuw) in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.

Indien de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, wordt de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven. De vreemdeling kan aansluitend op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De vreemdeling dient te worden gehoord voordat hij (opnieuw) in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.

In het geval de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel v op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op grondgebied te blijven, maar een verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder h, onder 2, Vw. Het is dan mogelijk om de vreemdeling (opnieuw) in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

Nadat er beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en de vreemdeling zit nog altijd in vreemdelingenbewaring, vraagt de IND de rechtbank om het beroep zo spoedig als mogelijk te behandelen.

Verlenging van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, derde lid, Vw

De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw duurt in beginsel niet langer dan zes maanden. De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw kan op grond van artikel 59b, derde lid, Vw met ten hoogste zes maanden worden verlengd indien sprake is van:

  • a. complexe feitelijke of juridische kwesties; of

  • b. de vertraging in de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 Vw duidelijk en uitsluitend kan worden toegeschreven aan het feit dat de vreemdeling de krachtens artikel 9 van de Procedureverordening op hem rustende verplichtingen niet nakomt.

De verlenging van de vreemdelingenbewaring vindt, na afweging van alle omstandigheden van het geval, plaats door de bevoegde ambtenaar van de IND. Als er redenen zijn om de vreemdelingenbewaring met een termijn van maximaal zes maanden te verlengen moet de IND de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden vreemdelingenbewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte stellen. De IND stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn en of de vreemdelingenbewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is.

6.5 Gehoor

Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, gehoord wordt. Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV.

De vreemdeling wordt niet gehoord voordat hij in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, als het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht. Uit de vreemdelingenadministratie moet blijken waarom het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft. Het gehoor wordt vervolgens zo spoedig mogelijk na tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring gehouden.

6.6 Bijstand van een advocaat

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV stelt de vreemdeling tijdig in kennis van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en een voorkeursadvocaat heeft, dan wordt de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Als de voorkeursadvocaat niet bereikbaar is, wordt de piketcentrale bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Bij een hernieuwde inbewaringstelling als bedoeld in paragraaf A5/6.8 Vc kan dit bericht verzonden worden naar de advocaat die de vreemdeling in de eerdere bewaringsprocedure al bijstond.

Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat indien de vreemdeling:

  • geen advocaat bij het gehoor wenst;

  • wel een advocaat bij het gehoor wenst, en de advocaat heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen of te willen zijn; of

  • wel een advocaat bij het gehoor wenst, en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is.

Indien de vreemdeling wordt gehoord in het bijzijn van een advocaat, wordt de advocaat op diens verzoek in de gelegenheid gesteld om na afloop van het gehoor een zienswijze te geven over de voorgenomen inbewaringstelling.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet op verzoek van de advocaat van de vreemdeling een kopie van de beschikking tot vreemdelingenbewaring (model M109, M109-A, M109-B of M109-C) en van het proces-verbaal van gehoor (model M110) geven.

6.7 De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

Wanneer aan de in vreemdelingenbewaring te stellen vreemdeling ook een terugkeerbesluit, eventueel in combinatie met een inreisverbod (zie paragraaf A4/2 Vc), wordt uitgereikt, vindt uitreiking daarvan plaats voorafgaand aan of gelijktijdig met de maatregel van vreemdelingenbewaring. Voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet gebruik worden gemaakt van model M109, M109-A, M109-B of M109-C. Bij het opleggen van de maatregel wordt tevens de informatiefolder ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ uitgereikt. Deze folder is opgesteld in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal en wordt voorzien van een overzicht van de van toepassing zijnde feitelijke en juridische gronden.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet afschriften maken van de beschikking waarbij de vreemdelingenbewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is. De afschriften zijn uitsluitend bedoeld voor de volgende belanghebbenden:

  • de vreemdeling;

  • de Korpschef of de KMar die de originele exemplaren in het archief moeten bewaren;

  • afschriften van de maatregel, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod moeten aan de gemachtigde worden verstrekt;

  • bij plaatsing van een vreemdeling in een justitiële inrichting moet een afschrift van een maatregel van vreemdelingenbewaring worden verstrekt aan de directeur van de justitiële inrichting;

  • de IND in verband met de beroepsprocedure op grond van artikel 94, 96, en 96a Vw.

6.8 Hernieuwde vrijheidsontneming op een andere bewaringsgrond

Als de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV omdat de bewaring niet of niet langer rechtmatig, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing opnieuw op een andere bewaringsgrond in vreemdelingenbewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van vreemdelingenbewaring moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.

Bij hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond moet de vreemdeling in beginsel ook opnieuw gehoord worden (zie paragraaf A5/6.5 Vc). Daarnaast geldt ook voor de nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring dat de rechtbank hiervan onverwijld in kennis gesteld moet worden. Bij hernieuwde inbewaringstelling dient de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV altijd een afschrift van model M109, M109-A, M109-B of M109-C te verzenden naar de IND, zodat de rechtbank onverwijld ambtshalve in kennis gesteld kan worden.

6.9 De duur

De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of 59 Vw duurt niet langer dan zes maanden, met een mogelijkheid deze te verlengen met twaalf maanden. DTenV ziet toe op naleving van deze termijnen en past daarbij artikel 88 van het WvSr analoog toe. Een maand geldt daarbij als 30 dagen.

Indien sprake is van een vreemdelingenbewaring die is opgelegd ter uitvoering van een terugkeerbesluit moeten voor de berekening van de termijnen ook eerdere periodes van vreemdelingenbewaring in aanmerking worden genomen, indien deze ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit waren opgelegd.

Bij een verlenging van de termijn op grond van artikel 59, zesde lid, Vw wordt de periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw buiten beschouwing gelaten. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw telt niet mee, omdat deze inbewaringstelling niet uitzetting als doel heeft. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw wordt wel betrokken bij de kenbare belangenafweging, die door DTenV in het model M120 gemaakt wordt na zes maanden inbewaringstelling.

Als er redenen zijn om de vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen moet DTenV de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden vreemdelingenbewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte stellen.

DTenV stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn, of de vreemdelingenbewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.

Van het verlengingsbesluit wordt onverwijld ambtshalve een kennisgeving verzonden aan de rechtbank.

Indien vanwege eerdere periodes van vreemdelingenbewaring, bij het opleggen van een nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring aanleiding bestaat om de bewaringstermijn met twaalf maanden te verlengen, wordt het besluit tot verlenging van de termijn door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV opgenomen in de maatregel van bewaring.

De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6a of 59a Vw kan (conform artikel 45 Asiel- en migratiebeheerverordening) na de datum waarop het verzoek tot overname is aanvaard of de kennisgeving inzake terugname is bevestigd door de verantwoordelijke lidstaat (afhankelijk van de vraag of beroep is ingesteld en of dat beroep opschortende werking heeft) nog maximaal 5 weken voortduren.

Zie paragraaf A5/6.3 Vc voor de duur van de vreemdelingenbewaring van een AMbV-claimant die in vreemdelingenbewaring is gesteld omdat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

6.10 Voorlopige voorziening

Als een vreemdeling tijdens de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, 6a, 59 of 59a Vw een verzoek om een voorlopige voorziening indient met als doel het opschorten van de uitzetting of overdracht, moet DTenV in overleg met de IND nagaan of de behandeling van dit verzoek in Nederland afgewacht mag worden. Als de behandeling van het verzoek afgewacht mag worden en de vreemdelingenbewaring voortduurt, vraagt de IND de rechtbank om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te behandelen.

6.11 Tenuitvoerlegging

Als een redelijk vermoeden bestaat dat de in vreemdelingenbewaring gestelde vreemdeling misbruik maakt van een van de volgende rechten:

  • het ontvangen van bezoek;

  • telefoneren;

  • het wisselen van brieven;

om zijn verwijdering uit Nederland te belemmeren, of om zich aan de verdere vreemdelingenbewaring te onttrekken, wordt de uitoefening van deze rechten beperkt door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen doet direct schriftelijk gemotiveerd mededeling van de opgelegde beperking van de rechten van de vreemdeling aan alle volgende belanghebbenden:

  • DTenV;

  • de vreemdeling;

  • zijn gemachtigde.

De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontneming van een vreemdeling in een politiebureau voor een termijn langer dan vierentwintig uur moet worden voorkomen.

Deze termijn vangt aan met het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel en eindigt zodra de vreemdeling de politiecel heeft verlaten voor het vervoer naar een gespecialiseerde inrichting voor vreemdelingenbewaring.

Als de termijn van vierentwintig uur wordt overschreden, moet uit het overdrachtsdossier blijken welke omstandigheden tot overschrijding van deze termijn hebben geleid.

6.12 Plaatsing in een justitiële inrichting

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling een verzoek tot plaatsing indienen bij DJI. Tegelijkertijd met het verzoek tot plaatsing wordt Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld bijgewerkt met de gegevens van de betreffende vreemdeling. Als de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een verzoek om plaatsing van de vreemdeling wil annuleren, licht de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen DJI direct in. Zodra van DJI bericht ontvangen is in welke justitiële inrichting de vreemdeling gaat verblijven, zendt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen schriftelijk het dossier van de vreemdeling betreffende de inbewaringstelling aan de directeur van die justitiële inrichting.

6.13 Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie

Het moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Als een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden omdat feitelijk vertrek aansluitend aan de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is, deelt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie mee dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, tweede of derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, Vw naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Hier wordt de vreemdeling geïnformeerd over de verdere te volgen procedure. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van model M122, aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt moet een afschrift van model M122 worden gestuurd. De ambtenaar moet ook van de toepassing van dit artikel proces-verbaal (zie model M105-A) opmaken.

6.14 Tenuitvoerlegging strafrechtelijk vonnis tijdens de vrijheidsontneming

Als tijdens de vreemdelingenbewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis of arrest nog niet ten uitvoer is gelegd, wordt voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de Dienst Terugkeer en Vertrek of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het CJIB over de executie van het vonnis.

6.15 Beëindiging vrijheidsontneming

Als er geen grond voor vreemdelingenbewaring meer is, moet de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV de vreemdelingenbewaring opheffen. Hij maakt daarvoor gebruik van het model M113.

Van model M113 moet altijd:

  • het origineel van dit formulier in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt;

  • een kopie worden verzonden naar de IND en DTenV;

  • samen met het verzoek om ontslag uit de justitiële inrichting (model M114) een kopie van het model M113 gezonden aan de directeur van de justitiële inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt.

Als de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste of tweede lid, Vw of artikel 59a Vw van een gezin met één of meer minderjarige kinderen langer duurt dan de maximaal gestelde termijn van twee weken, moet de vreemdelingenbewaring worden opgeheven door uitsluitend de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV.

Als de vreemdeling het Nederlands grondgebied niet heeft verlaten kan de vreemdelingenbewaring voortgezet worden op de bestaande maatregel van vreemdelingenbewaring. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet dan een nieuw (spoed)verzoek tot plaatsing aan DJI doen.

Heeft de vreemdeling Nederland verlaten en keert hij terug, dan moet de vreemdeling opnieuw in vreemdelingenbewaring worden gesteld, in beginsel door een hulpofficier van justitie van het politiekorps die verantwoordelijk was voor de eerdere vreemdelingenbewaring dan wel door een hulpofficier van het politiekorps van de regio waarbinnen de desbetreffende grensdoorlaatpost is gelegen. De toegang tot Nederland wordt niet geweigerd, ook al voldoet de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor toegang. De toegang tot Nederland wordt wel geweigerd als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling toegang heeft verkregen tot zijn eigen land of een derde land.

7. De behandeling van het beroep

De IND stuurt onverwijld na bekendmaking van het besluit tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel of het besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel een kennisgeving aan de rechtbank. Deze kennisgeving geldt als beroep tegen het besluit tot oplegging dan wel verlenging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Indien het beroep tegen het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel of het voortduren daarvan ongegrond is verklaard dan wel indien het beroep niet ongegrond is verklaard maar de vrijheidsontnemende maatregel desondanks nog voortduurt, stuurt de IND telkens uiterlijk achtenzestig dagen na de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank een kennisgeving aan de rechtbank. Deze kennisgeving geldt als (vervolg)beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.

De vreemdeling kan ook altijd zelf een (vervolg)beroep als bedoeld in artikel 96 Vw instellen bij de rechtbank tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.

DTenV stuurt uiterlijk op dag drie na indiening van het beroep (voortgangs)gegevens met betrekking tot de uitzetting naar de IND via een procesverwijzing in de BVV.

Als uit de uitspraak van de rechtbank op het beroep blijkt dat de vreemdelingenbewaring moet worden opgeheven, informeert de IND direct de DTenV. Hierbij overlegt de IND zo nodig met de DTenV in verband met het in te dienen hoger beroep of het verzoek om een voorlopige voorziening.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV heft de vreemdelingenbewaring op met gebruikmaking van het model M113. Hiertoe richt deze ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling aan de directeur van de justitiële inrichting, vergezeld van een model M113. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV zendt een afschrift van model M113 naar de DTenV.

N

Paragraaf B1/3.3.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.3.2. Aanvraagprocedure mvv door de vreemdeling

De Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging vraagt de vreemdeling:

  • bij de indiening van de mvv-aanvraag de voor de mvv-aanvraag gevraagde gegevens en bescheiden te verstrekken;

  • bij de indiening van de mvv-aanvraag zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen; en

  • binnen drie weken na ontvangst van een daartoe strekkende brief van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging de voor de mvv-aanvraag verschuldigde leges te betalen, in die gevallen dat de referent de leges niet betaalt.

De vreemdeling van zes jaar en ouder moet tien digitale vingerafdrukken af laten nemen en een pasfoto inleveren bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging voor het vaststellen van zijn identiteit (artikel 106a, eerste lid, Vw junctis artikel 54 Vw en artikel 1.31 Vb).

De Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geeft de vreemdeling die in gebreke blijft nog één keer een termijn van vier weken na vaststelling van dit verzuim om de mvv-aanvraag aan te vullen met de in de brief genoemde ontbrekende gegevens en bescheiden.

De IND stelt de referent van de vreemdeling (als deze bekend is) schriftelijk in de gelegenheid:

  • binnen twee weken na vaststelling van dit verzuim de mvv-aanvraag aan te vullen met de in de brief genoemde gegevens en bescheiden; en

  • binnen twee weken de leges te betalen, in het geval de vreemdeling heeft aangegeven dat de referent de leges betaalt.

In geval van een inwilliging machtigt de IND de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om een mvv af te geven en stelt de IND de referent hiervan in kennis. De vreemdeling moet zijn document voor grensoverschrijding naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging meebrengen, zodat de mvv-sticker in dat document kan worden aangebracht.

Uitzondering in geval van nareis

Als de mvv-aanvraag in het kader van nareis niet voldoet aan de vereisten om deze in behandeling te kunnen nemen, dan geeft de IND de aanvrager op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb een termijn van vier weken na de brief om dit verzuim te herstellen. De IND schort in dit geval de beslistermijn op met ingang van de dag waarop de IND de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

O

Paragraaf B1/3.3.6.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.3.6.2. Uitzondering in geval van nareis

De IND merkt de datum van het verlenen van de verblijfsvergunning asiel aan de in Nederland verblijvende referent van de vreemdeling aan als de startdatum van de nareistermijn van drie maanden. De IND beschouwt de aanvraag tot het verlenen van een (onverplichte) mvv die het familie- of gezinslid binnen drie maanden na het verlenen van de verblijfsvergunning asiel van de in Nederland verblijvende vreemdeling indient als een tijdig verzoek om nareis.

P

Paragraaf B1/3.4.1.4 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

Aanvragen van een erkende referent

De IND streeft ernaar om binnen een termijn van twee weken na ontvangst te beslissen op een door een erkende referent ingediende aanvraag met het oog op afgifte van een mvv of op een aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of wijziging van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

De IND beslist niet binnen twee weken op voornoemde aanvragen als sprake is van één van de volgende gevallen:

  • de aanvraag is niet op de voorgeschreven wijze en voorzien van de benodigde gegevens ingediend;

  • een nader onderzoek is vereist;

  • het betreft een aanvraag voor een vergunning voor verblijf en arbeid;

  • het betreft een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarvoor een TWV is vereist; of

  • de aanvraag wordt niet aan de hand van de eigen verklaringen van de erkende referent beoordeeld, maar aan de hand van de onderliggende gegevens.

Aanvragen voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend

De IND kan de beslistermijn van een mvv-aanvraag op grond van artikel 2u Vw in bijzondere omstandigheden eenmalig verlengen.

De IND merkt in geval van een mvv-aanvraag die verband houdt met gezinshereniging bij een statushouder de volgende omstandigheden in ieder geval aan als bijzondere omstandigheid:

  • gecombineerde aanvragen (bijvoorbeeld nareis en 8 EVRM) voor verschillende gezinseenheden;

  • ernstige crisis in land van herkomst die de toegang tot administratieve gegevens bemoeilijkt;

  • veiligheidsproblemen in het land van herkomst of geselecteerde land van afgifte mvv waardoor er moeilijkheden zijn bij het organiseren van nader onderzoek met gezinsleden

  • problemen bij de vaststelling van het ouderlijk gezag. Hieronder vallen in ieder geval zaken met:

    • aanvullend onderzoek na (ontbrekende of onvolledige) toestemmingsverklaring;

    • vermiste/overleden ouder; en

    • pleegkinderen.

  • zaken met contra-indicaties waardoor aanvullend onderzoek nodig is; hieronder vallen in ieder geval zaken met:

    • valse documenten;

    • negatieve DNA uitslag;

    • indicaties van polygamie; en

    • een onderzoek voor nationale veiligheid, 1F of openbare orde.

  • zaken waarin referent of gezinsleden, zonder tijdige afmelding, niet komen opdagen voor hun nader onderzoek.

Q

Paragraaf B1/3.4.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.4.2. Specifieke bepalingen over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

Identificatie vreemdeling

De vreemdeling moet een gezichtopname laten maken en tien digitale vingerafdrukken laten afnemen door de IND voor het vaststellen van zijn identiteit (artikel 3.102a Vb).

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaan.

Verblijfssticker

De IND verstrekt de sticker ‘Verblijfsaantekening algemeen’ (bijlage 7g VV):

  • aan de vreemdeling als bewijs van het feit dat hij een aanvraag tot verlenen, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning heeft ingediend; en

  • voor één maand korter dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met een maximum van zes maanden.

Uitreiking verblijfsdocument

De IND reikt het verblijfsdocument uit:

  • aan de vreemdeling in persoon;

  • bij minderjarigheid in het bijzijn van de wettelijk vertegenwoordiger; en

  • bij wijziging van de beperking of vernieuwing van het verblijfsdocument tegen inlevering van het oude verblijfsdocument, tenzij sprake is van verlies of diefstal van het oude verblijfsdocument.

De korpschef reikt het verblijfsdocument aan de vreemdeling uit, als:

  • de vreemdeling slachtoffer is van dreigend eergerelateerd geweld; en

  • veiligheidsaspecten uitreiking door de IND belemmeren.

Afgifte documenten en schriftelijke verklaringen als bedoeld in artikel 9 Vw

De IND verstrekt een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 Vw.

Op deze regel zijn de volgende uitzonderingen van toepassing:

  • de vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld aangifte te doen van een overtreding van artikel 273 f WvSr (mensenhandel). De korpschef verstrekt een document of schriftelijke verklaring.

  • uitzetting van de vreemdeling moet achterwege blijven op grond van artikel 64 Vw vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van zijn gezinsleden. Het bepaalde in paragraaf A4/7.3 Vc is van toepassing.

R

Paragraaf B1/6.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

6.3. Niet-verlenging en intrekking verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd

Voor de beleidsregels over de gronden voor niet-verlenging en intrekking wordt verwezen naar hetgeen onder paragraaf B1/6.2. Vc is vermeld.

De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in met ingang van de datum waarop niet (meer) werd voldaan aan de voorwaarden.

Vreemdelingen met rechtmatig verblijf op grond van artikel 6 of 7 Besluit 1/80

De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet met terugwerkende kracht in, maar met ingang van de datum van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning, als de vreemdeling:

  • niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend;

  • rechtmatig verblijft op grond van artikel 6 of 7 Besluit 1/80; en

  • geen onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zouden hebben geleid.

Voor de regels over het verkrijgen, ontzeggen en beëindigen van rechtmatig verblijf op grond van artikel 6 of 7 Besluit 1/80 wordt verwezen naar paragraaf B10/4 Vc.

Ambtshalve toets

Als de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd intrekt of niet verlengt, zijn de regels van artikel 3.6, eerste, tweede en vierde lid, Vb overeenkomstig artikel 3.6, vijfde lid, Vb van toepassing.

Als de IND geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent op grond van artikel 3.6, eerste lid Vb, beoordeelt de IND op grond van artikel 6.1d Vb ambtshalve of er reden is voor toepassing van artikel 64 Vw. De IND beoordeelt uitsluitend ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46 Vb of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als:

  • de vreemdeling zich in het kader van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur of de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beroept op medische omstandigheden; en

  • de vreemdeling zijn relevante medische gegevens en overige bewijsmiddelen heeft overgelegd (zie paragraaf A3/7.2.4 Vc).

Zie ook paragraaf B1/3.4.1.1 Vc onder het kopje ambtshalve toets.

S

Paragraaf B1/7.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

7.2. Het opschorten van de werking van het (afwijzende) besluit

Vreemdelingen jegens wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd

Indien de werking van een besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw is opgeschort door het indienen van een bezwaarschrift, wordt deze opschortende werking geacht automatisch mede de uitvoering van een jegens de vreemdeling uitgevaardigd overdrachtsbesluit op te schorten als bedoeld in artikel 43, derde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening.

Aantekening

De IND plaatst in het identiteitspapier en/of geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling:

  • 1. een aantekening luidende: ’bezwaar/administratief beroep ingediend ... (datum)’, als de werking van het besluit wordt opgeschort totdat op het bezwaar of het administratief beroep is beslist;

  • 2. een sticker ’Verblijfsaantekeningen vervolgprocedures’ (bijlage 7i VV), als de vreemdeling bezwaar maakt tegen een besluit waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd. Het verblijfsdocument wordt niet ingehouden als de uitzetting achterwege blijft. Op deze sticker vult de IND de datum en het nummer van het geldig document voor grensoverschrijding in achter de tekst ’bezwaar ingediend...’.

Ad 1.

De IND haalt de aantekening door als het bezwaar- of administratief beroepschrift ongegrond is verklaard. De ambtenaar die de doorhaling verricht dateert deze en voorziet deze van zijn paraaf.

T

Paragraaf B1/7.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

7.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

De IND staat de vreemdeling toe om de uitspraak op een binnen 24 uur na de bekendmaking van het besluit ingediend verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting, in Nederland af te wachten, tenzij:

  • a. het een tweede of herhaald verzoek om een voorlopige voorziening betreft;

  • b. de aanvraag voor een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 4:6 Awb is afgewezen;

  • c. redenen van openbare orde (waaronder begrepen de openbare rust) of nationale veiligheid zich daartegen verzetten;

  • d. de uitzetting daardoor wordt belemmerd;

  • e. sprake is van misbruik van recht; of

  • f. er sprake is van een in werking getreden inreisverbod als bedoeld in A4/2.6 Vc.

De IND staat het de vreemdeling evenmin toe een voorlopige voorziening af te wachten die is ingediend in het kader van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen, zoals opgenomen in paragraaf B9/6 Vc indien:

  • Er sprake is van een reeds in de jurisprudentie aanvaarde afwijzingsgrond, en

  • Uitgesloten is dat in bezwaar te verstrekken gegevens aanleiding kunnen geven tot een andere beoordeling van die afwijzingsgrond.

De hierboven gegeven regel over de mogelijkheid om de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten geldt niet wanneer het besluit betrekking heeft op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. In dat geval wordt verwezen naar paragraaf C2/11 Vc onder voorlopige voorziening.

Ad a.

De IND merkt een verzoek om een voorlopige voorziening aan als een eerste verzoek als niet eerder in dezelfde zaak om een voorlopige voorziening is verzocht. Een tweede of herhaald verzoek om een voorlopige voorziening mag niet worden afgewacht. Van een tweede verzoek om een voorlopige voorziening als hiervoor bedoeld is geen sprake als in dezelfde procedure eerder een verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter is toegewezen.

De IND betrekt bij de vraag of er sprake is van een eerste voorlopige voorziening in het kader van de Afsluitingsregeling (paragraaf B9/6 Vc) ook de eerdere procedures in het kader van voorheen in die paragraaf opgenomen Definitieve Regeling.

Ad d.

De IND merkt de volgende situaties in ieder geval aan als situaties die de uitzetting belemmeren:

  • het paspoort van de vreemdeling, de daarin voorkomende visa of de vervangende reisdocumenten, zijn nog slechts voor korte tijd geldig;

  • de vreemdeling kan worden overgedragen op grond van terug- en overnameovereenkomsten en de terugname of overname op grond van de bepalingen van de overeenkomst zou niet meer haalbaar zijn; of

  • de vreemdeling kan met een door de DTenV georganiseerde overheidsvlucht uitgezet worden, terwijl uitzetting door het afwachten van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening voor langere tijd niet meer haalbaar is.

Ad e.

Van misbruik van recht is uitsluitend sprake als het verzoek om een voorlopige voorziening geen enkel redelijk belang heeft en sprake is van indiening van het verzoek te kwader trouw.

Ad f.

Er is sprake van een in werking getreden inreisverbod als:

  • aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd;

  • de vreemdeling Nederland, het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland), EER en Zwitserland heeft verlaten; en

  • de vreemdeling in de tussentijd Nederland (weer) is ingereisd, terwijl de duur van het inreisverbod nog niet is verstreken.

Vreemdelingen jegens wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd

Indien ten aanzien van een vreemdeling jegens wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd een voorlopige voorziening wordt toegewezen, wordt deze toewijzing geacht automatisch mede de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten als bedoeld artikel 43, derde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening.

U

Paragraaf B7/2.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

2.2. Referent met tijdelijk verblijfsrecht

Met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan familie- of gezinsleden van een referent met tijdelijk verblijfsrecht in de zin van artikel 3.5 Vb als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning onder één van de volgende beperkingen:

  • studie;

  • het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;

  • grensoverschrijdende dienstverlening;

  • overplaatsing binnen een onderneming;

  • verblijf als familie- of gezinslid, als de referent een tijdelijk verblijfsrecht heeft;

  • asiel;

  • medische behandeling;

  • het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

  • tijdelijke humanitaire gronden (met uitzondering van verblijf als niet-begeleide minderjarige vreemdeling);

  • vermogende vreemdeling (uitsluitend indien de referent verblijf heeft als vermogende vreemdeling); of

  • grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk.

V

Paragraaf B7/3.8.1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.8.1. Familie- of gezinsleven

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb.

De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen:

  • echtgenoten in een reëel huwelijk (lawful and genuine marriage);

  • partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen (homo- of heteroseksuele) relatie;

  • ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen; of

  • minderjarige broers en zussen, die bloedverwant zijn en die in hetzelfde gezin hebben samengeleefd.

De IND neemt in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn:

  • erkenner;

  • biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren);

  • adoptiefouder(s);

  • pleegouder(s);

  • opvangouder(s);

  • stiefouder(s);

  • grootouder(s);

  • oom/ tante;

  • neef/nicht;

  • minderjarige broer of zus met wie bloedverwantschap bestaat en met wie niet in hetzelfde gezin is samengeleefd;

  • minderjarige broer of zus met wie geen bloedverwantschap bestaat; of

  • meerderjarige broer of zus,

als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden.

De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen meerderjarigen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.

De IND neemt aan dat het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.

W

Paragraaf B7/5 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

5. Bewijsmiddelen

Middelen

Blijvend en volledig arbeidsongeschikt

De IND beschouwt als de referent een uitkering op grond van de WAO, WAZ of Wajong ontvangt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is:

  • een toekenningsbeschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt;

  • de meest recente herbeoordeling; en

  • de meest recente uitkeringsspecificatie.

De IND beschouwt als de referent een uitkering op grond van de WIA of Wet Wajong ontvangt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is:

  • een toekenningsbeschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt; en

  • de meest recente herbeoordeling.

De IND beschouwt in het geval de referent geen uitkering op grond van de WIA, WAO, WAZ, Wet Wajong of Wajong ontvangt een verklaring van een bedrijfsarts of verzekeringsarts als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. De arts die de verklaring heeft afgegeven moet met een aantekening over het betreffende specialisme in het BIG-register staan ingeschreven.

Niet in staat om aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent blijvend niet in staat is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 Pw te voldoen:

  • toekenningsbesluiten op grond van de Pw die betrekking hebben op de vijf jaar voorgaand aan de indiening van de aanvraag;

  • correspondentie met het College van B&W over ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag; en

  • (als aanwezig) bewijsmiddelen waaruit blijkt dat arbeidsinschakeling binnen een redelijke termijn niet te verwachten is.

Huwelijk en geregistreerd partnerschap

De IND beschouwt een huwelijksakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is gehuwd met de referent.

De IND beschouwt een akte van geregistreerd partnerschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een geregistreerd partnerschap is aangegaan met de referent.

De IND beschouwt de relatieverklaring als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een relatie heeft met de referent.

De IND beschouwt de ingevulde partnervragenlijst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.

De IND beschouwt een ongehuwdverklaring uit het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling in het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf niet is gehuwd. De ongehuwdverklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden.

De IND beschouwt een ongehuwdverklaring uit het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent in het land van herkomst en/of het land van bestendig verblijf niet is gehuwd. De ongehuwdverklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden.

De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling de persoon bij wie verblijf was toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten:

  • recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of

  • een recente verklaring van de politie of het OM waaruit blijkt dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.

Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende blijkt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld.

Daarnaast beschouwt de IND ook als bewijsmiddel van huiselijk geweld:

  • de beschikking waaruit blijkt dat het huwelijk door de Nederlandse rechter nietig is verklaard omdat het huwelijk onder dwang is gesloten zoals bedoeld in artikel 1:71 lid 1 BW.

Minderjarige kinderen

De IND beschouwt in ieder geval een geboorteakte als bewijsmiddel dat sprake is van juridisch ouderschap.

De IND beschouwt een ‘Bijlage verklaring burgerlijke staat’ als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling die 15 jaar of ouder is feitelijk tot het gezin van de referent behoort.

De IND beschouwt bescheiden waaruit het rechtmatig gezag blijkt als bewijsmiddel van het rechtmatig gezag van de referent over de vreemdeling.

De IND beschouwt -in het geval van een achtergebleven ouder met rechtmatig gezag- als bewijsmiddel dat de achtergebleven ouder toestemming heeft gegeven voor de komst van het minderjarige kind naar Nederland:

  • een door de achtergebleven ouder ondertekende toestemmingsverklaring; en

  • een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de achtergebleven ouder.

De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de minderjarige vreemdeling de persoon bij wie verblijf was toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten:

  • recente medische informatie van de (vertrouwens)arts; of

  • een recente verklaring van een andere hulpverlener; of

  • recente gegevens over verblijf in de opvang; of

  • andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron, waaruit voldoende blijkt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

De IND verlangt niet van een minderjarige dat deze aangifte doet tegen zijn eigen ouder(s) of een melding maakt van huiselijk geweld door zijn eigen ouder(s).

De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld.

Verruimde gezinshereniging met minderjarige houder verblijfsvergunning asiel

De IND beschouwt bescheiden met betrekking tot de familierechtelijke relatie, zoals een geboorteakte, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een familielid is van referent als bedoeld in artikel 3.24a Vb.

Adoptie

  • a. De vreemdeling is nog niet geadopteerd of de buitenlandse adoptiebeslissing moet nog worden erkend door de Nederlandse rechter. De vreemdeling zal ter adoptie worden opgenomen in het gezin van de referent.

    De IND beschouwt een beginseltoestemming van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als bewijsmiddel dat de referent geschikt is bevonden om een buitenlands kind op te nemen ter adoptie.

    De IND beschouwt het Statement of approval van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als bewijsmiddel dat de referent het buitenlandse kind in zijn gezin mag opnemen ter adoptie, als het gaat om een Verdragsadoptie (Haags Adoptieverdrag).

    De IND beschouwt de beginseltoestemming op naam van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als bewijsmiddel dat de referent het buitenlandse kind in zijn gezin mag opnemen ter adoptie, als het gaat om een niet-Verdragsadoptie.

    De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met de opneming van de vreemdeling door de referent ter adoptie.

    De IND beschouwt een afstandsverklaring van de biologische ouders als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de biologische ouders afstand hebben gedaan van de vreemdeling.

    De IND beschouwt een in het land van herkomst afgegeven medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de vreemdeling niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.

    De IND beschouwt, bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, als bewijsmiddel waarmee de identiteit van het buitenlandse adoptiekind op een andere deugdelijke wijze kan worden aangetoond, bescheiden waaruit de identiteit van het kind blijkt, bijvoorbeeld een geboorteakte.

    De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat een adoptiebeslissing is erkend één van de volgende bescheiden:

    • een verklaring van conformiteit op grond van artikel 23 van het Haags Adoptieverdrag (HAV), in geval van een Verdragsadoptie;

    • een door de bevoegde instantie in het land van herkomst afgegeven buitenlandse adoptiebeslissing (als de adoptiebeslissing op grond van artikel 10:108 BW van rechtswege wordt erkend);

    • een door de bevoegde instantie afgegeven buitenlandse adoptiebeslissing en een uitspraak van de Nederlandse rechter (als de adoptiebeslissing op grond van artikel 10:109 BW door de Nederlandse rechter moet zijn erkend);

    • een door de bevoegde instantie afgegeven buitenlandse adoptiebeslissing en een onherroepelijke uitspraak van de rechter (als de rechtsgeldigheid van de adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing moet zijn erkend, in de situatie dat de adoptiefouders die hun woon- en verblijfplaats in Nederland hebben, de procedure op grond van de Wobka niet hebben gevolgd); of

    • een adoptie-uitspraak waaruit blijkt dat het kind in Nederland is geadopteerd.

  • b. Verblijf gedurende het afwachten van het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders als bedoeld in artikel 11 Wobka

    De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is opgenomen in het gezin van de aspirant-adoptiefouders in de periode dat de aspirant-adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden, bescheiden waaruit het vorenstaande blijkt, bijvoorbeeld een afschrift uit de openbare registers uit het desbetreffende land.

    De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de ouders van het kind, of als deze zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben, de autoriteiten van het land van herkomst vóór de komst naar Nederland hebben ingestemd met het vertrek van het kind en met de opneming van het kind ter adoptie in het gezin van de aspirant-adoptiefouders:

    • een instemmingsverklaring van de ouders; of

    • een instemmingsverklaring van de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst.

    De IND beschouwt bescheiden zoals vliegtickets als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat het kind met de aspirant-adoptiefouders Nederland is ingereisd.

    De IND beschouwt, bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, als bewijsmiddel waarmee de identiteit van het buitenlandse adoptiekind op een andere deugdelijke wijze kan worden aangetoond, bescheiden waaruit de identiteit van het kind blijkt, bijvoorbeeld een geboorteakte.

Buitenlandse pleegkinderen die in het land van herkomst nog geen deel uitmaakten van het gezin van de aspirant-pleegouders

De IND beschouwt bescheiden waaruit blijkt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat de vreemdeling niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd als bewijsmiddel dat de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.

De aspirant-pleegouder moet aantonen wie de in het land van herkomst wonende naaste bloed- en aanverwanten zijn (bijv. familieboekje).

Het bewijsmiddel moet afkomstig zijn uit een objectieve bron uit het land van herkomst (bijvoorbeeld een verklaring van een welzijnsinstelling, een verklaring van een arts of een uitspraak van een rechter). Een verklaring uit niet-objectieve bron (bijvoorbeeld familieleden) geldt in het algemeen niet als bewijsmiddel van geen aanvaardbare toekomst.

Het komt regelmatig voor dat de aspirant-pleegouder verklaringen van de familieleden in het land van herkomst overhandigt waarin staat dat zij niet in staat zijn om het buitenlandse pleegkind te verzorgen. Als deze verklaringen niet worden onderbouwd met bewijsmiddelen uit een objectieve bron, neemt de IND in het algemeen niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst voor het kind in het land van herkomst.

De IND beschouwt bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie blijkt als bewijsmiddel dat de referent een bloed- of aanverwant is van de vreemdeling in de zin dat hij een grootouder, broer of halfbroer, zuster of halfzuster, schoonzus of zwager, oom of tante van de vreemdeling is. Als bewijsmiddel geldt bijvoorbeeld een familieboekje.

De IND beschouwt een in het land van herkomst afgegeven medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de vreemdeling niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger en – als het recht van het land van herkomst dit vereist – de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met het verblijf van de vreemdeling in het gezin van de pleegouders:

  • een instemmingsverklaring van de ouders of wettelijk vertegenwoordigers; en

  • een instemmingsverklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst.

De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten (bij voorkeur) van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de aspirant-pleegouders de voogdij hebben over de vreemdeling. Een voorbeeld van een dergelijke verklaring is een voogdijbeschikking.

Buitenlandse pleegkinderen die in het land van herkomst al feitelijk behoorden tot het gezin van de pleegouders

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met het vertrek naar en het verblijf van de vreemdeling in het gezin van de pleegouders in Nederland een instemmingsverklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst.

De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de pleegouders de voogdij hebben gekregen over de vreemdeling. Een voorbeeld van een dergelijke verklaring is een voogdijbeschikking.

De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor de vreemdeling te zorgen. Een voorbeeld van een dergelijke verklaring waaruit dit kan blijken is een voogdijbeschikking.

Artikel 8 EVRM

De IND beschouwt bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie tussen de vreemdeling en de referent blijkt als bewijsmiddel waaruit moet blijven dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.

De IND beschouwt bescheiden waaruit blijkt dat invulling wordt gegeven aan het gezinsleven tussen de vreemdeling en de referent als bewijsmiddel van de feitelijke invulling.

Mvv-vereiste voor de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart

De IND beschouwt gegevens en bescheiden waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als gezinslid in de andere staat die partij is bij het EU-verdrag als bewijsmiddel dat de vreemdeling geen mvv hoeft over te leggen.

Voor de bewijsmiddelen van gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel wordt verwezen naar C5/1.1.2.

X

Paragraaf B8/1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op tijdelijke humanitaire gronden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende verblijfsdoelen:

  • eergerelateerd en huiselijk geweld;

  • slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel;

  • vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken;

  • niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken;

  • remigratie op grond van artikel 8 Remigratiewet;

  • overgangsrecht naar aanleiding van wijziging beleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen per 1 juni 2013;

  • verblijf in afwachting van een verzoek ex artikel 17 RWN;

  • medische behandeling;

  • verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen;

  • plaatsing in een pleeggezin of instelling in Nederland op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996;

  • verblijf van vreemdelingen die zich in de terminale fase van een ziekte bevinden;

  • verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel;

  • verblijf als beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid;

  • mensenrechtenverdedigers.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 3.6, 3.46, 3.48, 3.49, 3.99a, 3.102b, 6.1c en 6.1d Vb.

Y

Paragraaf B8/3.1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

3.1. Beleidsregels

De Commandant van de Koninklijke Marechaussee heeft dezelfde bevoegdheden als de Korpschef van de Nationale Politie voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling.

EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf neergelegde bepalingen voor zover zij geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht.

De IND onderscheidt drie verblijfsrechtelijke situaties met betrekking tot het tijdelijke verblijfsrecht van slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel:

  • 1. de bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel;

  • 2. de verblijfsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel; en

  • 3. de verblijfsvergunning voor getuige-aangevers van mensenhandel.

Ad 1. De bedenktijd

Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van artikel 8, aanhef en onder k, Vw een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.

Op vorenstaande regel geldt een uitzondering voor de vreemdelingen op wie de Asiel- en migratiebeheerverordeningvan toepassing is en aan wie bedenktijd is verleend na 18 mei 2023. Aan hen wordt op grond van artikel 8, aanhef en onder k, Vw een bedenktijd van dertig dagen gegund.

Aan vreemdelingen op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is en aan wie bedenktijd is verleend voor 18 mei 2023 wordt een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund.

Al bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel en/of op voorspraak van de Opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie (OD-NLA), biedt de politie of KMar aan het vermoedelijke slachtoffer de bedenktijd aan.

Gedurende de bedenktijd schort de IND het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland op.

De periode van de bedenktijd is eenmalig en wordt niet verlengd.

De bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die in Nederland verblijven en:

  • werkzaam zijn of zijn geweest in een situatie als strafbaar gesteld in artikel 273f WvSr;

  • nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f WvSr, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel; of

  • geen toegang tot Nederland hebben gehad, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel waarbij de KMar, zo nodig in overleg met het OM, de bedenktijd aanbiedt bij de geringste aanwijzing van mensenhandel.

De bedenktijd staat niet open voor getuige-aangevers van mensenhandel.

Als de AVIM of KMar bedenktijd aanbiedt aan de vreemdeling die zich in vreemdelingenbewaring bevindt, dan wordt de vreemdelingenbewaring opgeheven.

Gedurende de periode van de bedenktijd moet het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks melden bij de regionale eenheid van de politie of KMar waar hij of zij administratief is ondergebracht.

De bedenktijd eindigt op het moment dat:

  • de politie of KMar vaststelt dat het vermoedelijke slachtoffer tijdens de periode van de bedenktijd ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken;

  • het vermoedelijke slachtoffer gedurende de periode van de bedenktijd aangeeft af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte; of

  • het vermoedelijke slachtoffer aangifte van mensenhandel heeft gedaan en het proces-verbaal heeft ondertekend, of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.

Als de bedenktijd eindigt, heft de IND de opschorting van het vertrek op.

Ad 2. en 3. De verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel

De IND merkt de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (Model M55) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie of KMar is doorgestuurd naar de IND.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling:

  • een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan of anderszins medewerking is verleend; of

  • niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

De IND beslist op een aanvraag van een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel op wie de Dublinverordening niet van toepassing is binnen een streeftermijn van 24 uur nadat de kennisgeving van een aangifte mensenhandel door een vreemdeling door de politie of KMar aan de IND is verzonden.

Vreemdelingen op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is

De IND verleent aan een vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, c of g, Vb enkel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel dan wel als getuige-aangever, nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.

De IND beslist op een aanvraag ingediend door een vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is:

  • binnen een streeftermijn van 24 uur nadat een bericht is ontvangen van het OM dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel; of

  • zo snel mogelijk nadat een bericht is ontvangen van het OM dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland niet noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.

Als de aangifte niet is gedaan binnen een termijn van drie maanden na indiening van de eerste asielaanvraag in Nederland, kan de IND de aanvraag afwijzen zonder het bericht van het OM af te wachten.

Als de vreemdeling te kennen geeft aangifte te willen doen van mensenhandel en geen aangifte heeft gedaan voorafgaand aan de overdracht, kan de DTenV besluiten de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat doorgang te laten vinden.

Ambtshalve verlening in de asielprocedure

De IND toetst ex nunc bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel.

De IND laat de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel achterwege als:

  • de vreemdeling al in het bezit is van een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel; of

  • de vreemdeling in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers die is ingetrokken.

De IND beoordeelt ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel en wijst af als:

  • de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek.

Slachtoffers die niet kunnen of willen meewerken

De IND kan aan een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder d, Vb een verblijfsvergunning verlenen, als het vermoedelijke slachtoffer aantoont dat hij geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met:

  • een ernstige bedreiging;

  • een medische of psychische beperking; en/of

  • minderjarigheid.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van het vermoedelijke slachtoffer dat niet kan of wil meewerken niet af als het vermoedelijke slachtoffer:

  • een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waar de vreemdeling slachtoffer van is; of

  • niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

Z

Paragraaf B8/6 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

6. Niet-begeleide minderjarige vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken

6.1. Beleidsregels

Op grond van artikel 3.48 Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het specifieke buitenschuldbeleid aan een niet-begeleide minderjarige als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling is alleenstaand;

  • de vreemdeling is (nog) minderjarig;

  • de vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar;

  • voor de vreemdeling is in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naartoe kan gaan geen adequate opvang of het vertrek kan buiten de schuld van de vreemdeling niet plaatsvinden en hij heeft zich actief ingezet om zijn vertrek te realiseren.

Ad 1. Alleenstaand

De IND verleent de verblijfsvergunning niet aan de minderjarige vreemdeling in één van de volgende gevallen:

  • de vreemdeling reist met zijn meerderjarige ouder(s) Nederland in;

  • de vreemdeling reist met zijn eventuele in het buitenland toegewezen voogd Nederland in;

  • de ouder(s) van de vreemdeling bevind(t)(en) zich al in Nederland; of

  • de in het buitenland toegewezen voogd bevindt zich al in Nederland.

De IND beschouwt een minderjarige vreemdeling als alleenstaand, als zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn en niet zijn gehuwd.

Ad 2. Minderjarigheid

De IND beoordeelt de minderjarigheid naar Nederlands recht op grond van artikel 1:233 BW.

Als de IND twijfelt aan de leeftijd van de betrokken vreemdeling en deze zijn gestelde leeftijd niet met bescheiden kan aantonen, kan de IND de vreemdeling in de gelegenheid stellen een leeftijdsonderzoek te laten verrichten. Als een verricht leeftijdsonderzoek niet met voldoende zekerheid tot een conclusie over de minder- of meerderjarigheid leidt, kan de IND de vreemdeling binnen één à twee jaar opnieuw oproepen voor een leeftijdsonderzoek.

Ad 5. Adequate opvang

De IND verstaat onder adequate opvang in het land van herkomst: iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden.

De IND neemt het bestaan van adequate opvang in ieder geval aan als sprake is van één van de volgende omstandigheden:

  • a. in het betreffende land is een familielid tot in de vierde graad aanwezig;

  • b. uit feiten en omstandigheden komt naar voren dat een ander familielid dan in a. gesteld of een meerderjarige, niet zijnde een familielid, adequate opvang kan bieden;

  • c. opvang in een (particuliere) opvanginstelling is voorhanden en de IND beschouwt deze opvang naar lokale omstandigheden als aanvaardbaar;

  • d. uit het landgebonden asielbeleid volgt dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang;

  • e. op grond van algemene informatie blijkt dat de algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn.

Ad a.

Bij het zoeken naar een vorm van opvang die voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als adequaat mag worden beschouwd, zal primair worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen. Opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat.

Ad c. d. en e.

Een opvangvoorziening wordt aangemerkt als adequaat indien de opvangvoorziening de minderjarige in ieder geval naar lokale maatstaven biedt:

  • onderdak tot de minderjarige de leeftijd van 18 jaar zal bereiken, tenzij de opvang dient tot het overbruggen van een beperkte periode, waarna de minderjarige door zijn eigen familie, of door anderen bij wie er sprake is van adequate opvang, kan worden opgevangen;

  • beschikbaarheid van voedsel, kleding en hygiëne;

  • toegang tot onderwijsvoorzieningen; en

  • aanwezigheid van medische verzorging.

6.2. Vertrek kan buiten de schuld van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling niet worden gerealiseerd binnen de maximale termijn van drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag
6.2.1. Vertrek kan buiten de schuld van de minderjarige vreemdeling niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag (ambtshalve verlening zonder nader onderzoek)

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan ambtshalve zonder nader onderzoek worden verleend, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar;

  • de vreemdeling heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden;

  • uit de verklaringen van de vreemdeling komt naar voren dat er geen familieleden of andere personen zijn die adequate opvang kunnen bieden, naar wie de vreemdeling kan terugkeren;

  • de vreemdeling heeft tijdens de procedure een onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land niet gefrustreerd;

  • bekend is dat in het algemeen geen adequate opvang beschikbaar is en aangenomen wordt dat deze niet binnen afzienbare tijd beschikbaar komt, in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan. In een dergelijke situatie wordt aangenomen dat het de DTenV niet zal lukken om binnen de termijn van drie jaar een vorm van adequate opvang te vinden.

6.2.2. Vertrek kan buiten de schuld van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag (verlening na nader onderzoek)

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan drie jaar na indiening van de eerste verblijfsaanvraag worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • De vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar;

  • de vreemdeling heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden;

  • de vreemdeling heeft zich actief ingezet om zijn eigen terugkeer te realiseren. Zo heeft hij zich actief ingezet om zijn eigen identiteit en nationaliteit aan te tonen, een (vervangend) reisdocument te verkrijgen (indien nodig) en contact te leggen met familie of andere personen of organisaties in het land van herkomst naar wie hij zou kunnen terugkeren;

  • in nader onderzoek is vastgesteld dat er geen sprake is van adequate opvang;

  • er is op het moment van beoordeling geen zicht op feitelijk vertrek naar het land van herkomst.

6.3. Verlening en intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, ambtshalve of op aanvraag.

Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen kan op elk moment na indiening van de eerste verblijfsaanvraag verleend worden, vanaf het moment dat aan de voorwaarden wordt voldaan.

De IND verleent geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling die tijdens de verblijfsprocedure een onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land frustreert.

Intrekking

Op grond van artikel 19 juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vw beziet de IND de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen op intrekking als:

  • de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

  • de vreemdeling niet voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

  • na herhaald leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling op het moment van het eerste onderzoek meerderjarig was; of

  • na herhaald leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling op dat moment meerderjarig is.

6.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, tweede lid, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen met een geldigheidsduur van vijf jaar.

AA

Paragraaf B8/7 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

7. Overgangsrecht

7.1. Overgangsrecht naar aanleiding van wijziging beleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen per 1 juni 2013
7.1.1. Algemeen

Per 1 juni 2013 geldt voor nieuwe verblijfsaanvragen nieuw beleid.

7.1.2. Lopende procedures

De IND beoordeelt verblijfsaanvragen van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe beleid een aanvraagprocedure hebben lopen op grond van het oude recht zoals dat gold voor 1 juni 2013, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. Dit laatste is het geval wanneer de vreemdeling aan alle voorwaarden voor de buitenschuldvergunning voldoet.

Indien de vreemdeling, die bij zijn laatste aanvraag nog niet de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, voldoet aan het gestelde in paragraaf B8/6 zal hij volgens nieuw recht worden beoordeeld.

7.1.3. Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘als niet-begeleide minderjarige vreemdeling’ of ‘voortgezet verblijf’

Van vreemdelingen, die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘als niet-begeleide minderjarige vreemdeling’ zal de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd doorlopen en worden verlengd volgens de regels van het oude recht. Ook de mogelijkheden om na afloop van de drie jaar in aanmerking te komen voor voortgezet verblijf zullen blijven bestaan onder dezelfde voorwaarden. Ook hier geldt de uitzondering dat nieuw recht wordt toegepast wanneer dit voor hen gunstiger is.

AB

Paragraaf B8/9.1.1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.1.1. Algemene voorwaarden

Geldig document voor grensoverschrijding

De IND verleent vrijstelling van het vereiste over een geldig document voor grensoverschrijding te beschikken als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling verblijft in Nederland;

  • er bestaat voldoende inzicht in de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is betwisten de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling niet;

  • de vreemdeling toont aan dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst;

  • als gevolg van stopzetting van de medische behandeling ontstaat een medische noodsituatie; en

  • de behandeling van de medische aandoening kan niet plaatsvinden in het land van herkomst.

Middelenvereiste

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning af als de vreemdeling niet over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland.

De IND wijst de aanvraag af als de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling met algemene middelen worden gefinancierd.

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af als artikel 3.46, vierde lid, Vb van toepassing is.

Beletselen in de zin van artikel 64 Vw

Met een jaar direct voorafgaand aan de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 3.46, vierde lid, Vb, bedoelt de IND dat sprake moet zijn van één aaneengesloten jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voordat de vreemdeling de aanvraag indient voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het ondergaan van een medische behandeling.

De IND verleent geen verblijfsvergunning regulier medisch als de vreemdeling onvoldoende actief heeft gewerkt aan:

  • het verkrijgen van garanties voor toegang tot medische zorg in het land van herkomst;

  • het realiseren van zijn vertrek.

Paragraaf A3/7.3.1 Vc is van overeenkomstige toepassing.

Van onvoldoende meewerken is in ieder geval sprake als de vreemdeling:

  • Heeft geweigerd een medisch dossier over te leggen ter vertaling voor medicus in land van herkomst;

  • Geen serieuze poging heeft verricht om reispapieren te regelen;

  • Niet heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit.

Tijdig ingediende aanvraag

De vreemdeling draagt zelf de volledige verantwoordelijkheid voor de tijdige indiening van de aanvraag. Als de vreemdeling de aanvraag voor de verblijfsvergunning niet tijdig indient, is er geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voorafgaande aan de aanvraag.

De IND beschouwt de aanvraag als tijdig ingediend als de vreemdeling de aanvraag bij de IND indient in de periode tussen:

  • 28 dagen voor het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw; en

  • 28 dagen na het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw.

Niet tijdig ingediende aanvraag maar niet toerekenbaar

Als de vreemdeling de aanvraag later indient dan 28 dagen nadat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, dan beschouwt de IND de aanvraag als tijdig, als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe rekenen. In deze gevallen geeft de IND toepassing aan artikel 3.46, vierde lid, Vb. De IND vindt in ieder geval dat de volgende omstandigheden geen verschoonbare redenen zijn voor de te late indiening:

  • de vreemdeling geeft aan dat de IND hem er niet op heeft gewezen dat zijn rechtmatig verblijf binnenkort eindigt en dat hij een aanvraag indienen; of

  • de vreemdeling geeft aan meer tijd nodig te hebben om de voor de aanvraag benodigde bewijsmiddelen te verzamelen.

Ingangsdatum van de verblijfsvergunning

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met medische behandeling met als ingangsdatum de datum van de aanvraag van de verblijfsvergunning.

Als de vreemdeling de voor de aanvraag relevante gegevens na het indienen van de aanvraag heeft aangeleverd, dan geldt als ingangsdatum de datum, waarop de vreemdeling zijn aanvraag compleet heeft gemaakt.

Daarnaast geldt het volgende:

  • Als de vreemdeling de aanvraag indient na 28 dagen voor het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf, maar voor de datum waarop het rechtmatige verblijf grond van artikel 64 Vw eindigt, verleent de IND de verblijfsvergunning niet eerder dan met ingang van de datum waarop het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw eindigt;

  • Als de vreemdeling de aanvraag indient na de datum waarop het rechtmatige verblijf grond van artikel 64 Vw eindigt, maar binnen 28 dagen na het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf, verleent de IND de verblijfsvergunning altijd met een onderbreking in het verblijfsrecht;

  • Als de vreemdeling de aanvraag indient voor het einde van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw, verleent de IND de verblijfsvergunning met onderbreking in het verblijfsrecht, als de vreemdeling nadat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd aantoont aan alle voorwaarden te voldoen.

Bij onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling telt de IND de voorgaande periode van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j, Vw niet mee voor de periode van drie jaar rechtmatig verblijf die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet tijdelijk humanitair’ (zie in dit verband paragraaf B9/8 Vc).

AC

Paragraaf B8/9.1.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.1.2. Meest aangewezen land

De IND beschouwt Nederland uitsluitend als het meest aangewezen land voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling, als bedoeld in artikel 3.46 Vb, als de vreemdeling voldoet aan elk van de voorwaarden die genoemd worden in de op de vreemdeling toepasselijke situatie van de hier, onder 1 t/m 5 genoemde situaties:

  • 1. Nederland heeft internationaal gezien een bijzonder specialisme voor de medische noodzakelijke behandeling van de betreffende aandoening.

  • 2.

    • a. de vreemdeling verblijft ten minste vijf jaar al dan niet rechtmatig in Nederland;

    • b. er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst, of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden;

    • c. stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en

    • d. de medische behandeling vindt ten minste één jaar plaats.

  • 3.

    • a. de vreemdeling is in Nederland;

    • b. er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden;

    • c. stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en

    • d. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze medische noodsituatie zal naar verwachting langer dan één jaar duren.

  • 4.

    • a. de vreemdeling verblijft langdurig in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, Vw; en

    • b. de vreemdeling ondergaat in Nederland een medisch noodzakelijke behandeling.

  • 5.

    • a. de vreemdeling is zwanger;

    • b. de vreemdeling is hier te lande woonachtig;

    • c. uit het BMA-advies blijkt dat het verlenen van specialistische prenatale zorg medisch noodzakelijk is;

    • d. er is sprake van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een (geregistreerd) partnerschap; en

    • e. de partner of echtgenoot van de vreemdeling is Nederlander of verblijft in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, Vw.

Ad 2b en 3b.

Het gestelde in paragraaf A3/7.1.3 en A3/7.1.4 Vc is van overeenkomstige toepassing.

Ad 3d.

De IND verleent geen verblijfsvergunning, maar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als de medische behandeling ter voorkoming van deze medische noodsituatie één jaar of korter zal duren (zie hoofdstuk A3/7 Vc).

Ad 4.

Onder langdurig verblijf verstaat de IND: verblijf voor een periode van ten minste vijf jaar, waarbij de IND onderbrekingen in het verblijfsrecht van minder dan een half jaar niet tegenwerpt.

AD

Paragraaf B8/9.1.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.1.3. Medische noodsituatie

Het gestelde in paragraaf A3/7.1.3 Vc is van overeenkomstige toepassing.

AE

Paragraaf B8/9.1.6 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.1.6. Raadplegen BMA

Paragraaf A3/7.2.6 Vc is van overeenkomstige toepassing.

AF

Paragraaf B8/9.1.7 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.1.7. Feitelijke toegankelijkheid

Paragraaf A3/7.1.5 Vc is van overeenkomstige toepassing.

AG

Paragraaf B8/9.1.8 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.1.8. Artikel 64 Vw

De IND beoordeelt ambtshalve bij afwijzing van een aanvraag voor medische behandeling of aan de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleend moet worden. Hoofdstuk A3/7 Vc is in dat geval van toepassing.

De IND past artikel 64 Vw toe voor de duur van het reisbeletsel met als maximum een jaar.

AH

Paragraaf B8/9.1.9 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.1.9. Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met medische behandeling

Het gestelde in paragraaf A3/7.3.2.4 Vc is van overeenkomstige toepassing.

De vreemdeling moet daarbij een geldig document voor grensoverschrijding hebben overgelegd (paragraaf B8/9.1.1 Vc is van overeenkomstige toepassing).

AI

Paragraaf B8/9.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

9.3. Bewijsmiddelen

Bijzonderheid specialisme

De IND beschouwt een daartoe strekkende medische verklaring als bewijsmiddel van de bijzonderheid van het specialisme als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 1.

Het kan gaan om de volgende verklaring:

  • een verklaring van een zorginstelling in Nederland dat betrokkene kan worden behandeld door deze instelling/specialist; en

  • een verklaring van de behandelaar in het buitenland waaruit blijkt dat het specialisme ontbreekt of dat de vreemdeling in eigen land is uitbehandeld.

Verblijf in Nederland

De IND beschouwt objectieve bescheiden als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 2. Ook moet uit deze of andere bescheiden het moment van aanvang van medische behandeling blijken. De IND beschouwt getuigenverklaringen niet als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 2.

Mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf

De IND beschouwt officiële bescheiden, zoals een familieboekje of overlijdensakte, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er geen gezins- of familieleden in het land van herkomst of bestendig verblijf zijn die de mantelzorg op zich kunnen nemen.

Huwelijk en geregistreerd partnerschap

De IND beschouwt een huwelijksakte als bewijsmiddel dat de vreemdeling is gehuwd met de partner of echtgenoot van de vreemdeling, als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 5.

Erkenning

De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend, als bedoeld in B8/9.1.2 Vc, onder situatie 5:

  • een daartoe strekkende akte van erkenning opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand; of

  • een daartoe strekkende notariële akte van erkenning.

Als de erkenning naar vreemd (niet-Nederlands) recht heeft plaatsgevonden, beschouwt de IND bewijsmiddelen over de staat van personen als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend.

Deugdelijke financiering van de medische behandeling

De IND beschouwt een geldige polis van de afgesloten ziektekostenverzekering waaruit blijkt dat de kosten voor de volledige medische behandeling gedekt zijn als bewijsmiddel dat sprake is van deugdelijke financiering van de medische behandeling als bedoeld in paragraaf B8/9.1.5 Vc. De IND beschouwt een polis van de afgesloten ziektekostenverzekering in ieder geval niet als bewijsmiddel in een van de volgende situaties:

  • de ziektekostenverzekering uit de algemene middelen wordt betaald; of

  • de premie van de ziektekostenverzekering wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de algemene middelen.

Bewijslast medische omstandigheden

De IND beschouwt in ieder geval de bewijsmiddelen 1, 2 en 3 genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc, onder het kopje ‘bewijsmiddelen’ als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich terecht beroept op medische gronden.

Inschakeling BMA bij ongedocumenteerde vreemdelingen

De IND beschouwt als bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding:

  • een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • aanvullende gegevens en bescheiden met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit zoals een identiteitskaart, een geboorteakte of een nationaliteitsverklaring.

AJ

Paragraaf B8/10.1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

10.1. Beleidsregels voor de hoofdpersoon

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV aan een verwesterde minderjarige vrouw als de minderjarige vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk.

De IND beoordeelt of sprake is een onevenredige psychosociale druk aan de hand van in ieder geval de volgende omstandigheden:

  • a. de mate van verwestering van de minderjarige vrouw;

  • b. individuele humanitaire omstandigheden, waaronder in ieder geval wordt betrokken de medische omstandigheden (bij de minderjarige vrouw of bij een gezinslid) en het overlijden in Nederland van een gezinslid van de minderjarige vrouw; en

  • c. de mogelijkheden tot deelname in de Afghaanse samenleving, waarbij in ieder geval wordt betrokken de samenstelling van het gezin en de aanwezigheid van machtige actoren (stamoudsten, krijgsheren) om de minderjarige vrouw te beschermen.

ad a

De IND beoordeelt de mate van verwestering aan de hand van de volgende omstandigheden:

  • de minderjarige vrouw is tenminste tien jaar oud;

  • de verblijfsduur in Nederland bedraagt tenminste acht jaar, gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel tot aan de aanvraag tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zoals in deze paragraaf is omschreven; en

  • het volgen van onderwijs in Nederland.

Indien de minderjarige vrouw niet voldoet aan één of meer van de onder ad a genoemde omstandigheden, dan rust op de vreemdeling een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat zij in het bezit gesteld moet worden van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van dit beleid.

De IND betrekt ook aspecten die er op duiden dat er geen sprake is een verwesterde schoolgaande minderjarige vrouw, waaronder in ieder geval:

  • gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal;

  • ongeoorloofd schooluitval; of

  • (uitingen van) gedrag conform de sociale Afghaanse islamitische normen.

De IND kan besluiten om geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb, jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV, te verlenen, als sprake is van één van de volgende omstandigheden:

  • de minderjarige vrouw of een van haar gezinsleden de terugkeer naar Afghanistan frustreert (waaronder het voeren van procedures die enkel zijn gericht op het bemoeilijken van de terugkeer);

  • de minderjarige vrouw tussentijds is teruggekeerd naar Afghanistan; of

  • het gestelde in paragraaf B1/4.4 Vc van toepassing is (openbare orde beleid).

De IND merkt de groep vreemdelingen die in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor verwesterde minderjarige vrouwen aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf kan worden verleend.

De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.

Het uitgangspunt dat verwesterde vrouwen zich kunnen aanpassen blijft voor minderjarige vrouwen bestaan.

AK

Paragraaf B8/10.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

10.2. Beleidsregels voor de gezinsleden van de hoofdpersoon

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV, aan de ouders van een verwesterde minderjarige vrouw die aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk.

De IND merkt de ouders van een verwesterde minderjarige vrouw die aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb vrijstelling van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf kan worden verleend.

De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder b, VV niet als ten aanzien van de ouders het gestelde in paragraaf C4/3.6 van toepassing is (openbare orde beleid).

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb, aan de volgende gezinsleden van een verwesterde minderjarige vrouw die aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk:

  • minderjarige broer(s) en/of zus(sen); en

  • meerderjarige broer(s) en/of zus(sen) die nog deel uitmaken van het gezin.

De IND neemt aan dat meerderjarige broer(s) en/of zus(sen) niet langer deel uitmaken van het gezin als:

  • de meerderjarige broer of zus zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet; of

  • de meerderjarige broer of zus een zelfstandig gezin vormt door het aangaan van een huwelijk of een relatie.

Als de meerderjarige broer of zus zelf de zorg heeft voor buitenhuwelijkse kinderen, is dit uitsluitend een reden om aan te nemen dat hij/zij niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de hoofdpersoon, als daarnaast sprake is van een van de twee hiervóór genoemde omstandigheden.

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb niet als ten aanzien van de broer(s) en/of zus(sen) het gestelde in paragraaf C4/3.6 Vc van toepassing is (openbare orde beleid).

De IND wijst de aanvraag van de broer(s) en/of zus(sen) van de verwesterde minderjarige vrouw niet af wegens het ontbreken van een referentverklaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder k, Vw.

AL

Paragraaf B8/12.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

12.3. Bewijsmiddelen

De IND sluit ten aanzien van de bewijsmiddelen aan bij de in paragraaf A3/7.2.4 Vc onder 1, 2, en 3 genoemde bewijsmiddelen.

Als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.2.4 Vc overlegt en deze niet heeft aangevuld, ondanks dat de IND hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, legt de IND deze niet voor aan het BMA.

AM

Paragraaf B8/13.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

13.3. Afwijzing van de aanvraag zonder advies DTenV

De IND wijst de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een minderjarige vreemdeling die door de kinderrechter onder toezicht is gesteld af, zonder advies te vragen aan de DTenV, als:

  • de minderjarige vreemdeling of diens gemachtigde niet met bescheiden heeft aangetoond welke hulpverlening hij nodig heeft;

  • de vorenbedoelde kinderbeschermingsmaatregel door de kinderrechter voor korter dan één jaar is opgelegd;

  • de minderjarige vreemdeling kan worden overgedragen op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; of

  • de minderjarige vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere EU-lidstaat.

AN

Paragraaf B9/6.5 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

6.5. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling

De IND beoordeelt in alle gevallen of de vreemdeling zich op de peildatum van 29 januari 2019 in Nederland bevond. De IND verleent geen verblijfsvergunning aan vreemdelingen die zich op de peildatum niet in Nederland bevonden.

De IND neemt verblijf op de peildatum in beginsel aan indien de vreemdeling op die datum dan wel op enig moment in de periode van uiterlijk drie maanden daarvoor bekend was bij de IND, DTenV, COA, of AVIM. De IND beoordeelt dat overeenkomstig de voorwaarde als bedoeld onder paragraaf B9/6.5, onder c, Vc.

De IND neemt – in uitzondering op vorenstaande – niet aan dat er sprake was van verblijf in Nederland als er concrete indicaties zijn dat de vreemdeling op de peildatum buiten Nederland verbleef. Een concrete indicatie doet zich in ieder geval voor bij aantoonbaar vertrek uit Nederland en waarbij er nadien niet is gebleken dat de vreemdeling weer is teruggekeerd.

De IND neemt ook aan dat er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum als op basis van bij de IND bekende gegevens buiten twijfel is dat de vreemdeling op de peildatum in Nederland verbleef.

De IND beoordeelt aan de hand van bij de IND de bekende gegevens of er sprake is van verblijf in Nederland op de peildatum. Indien de IND daartoe aanvullende gegevens verlangt, wordt de vreemdeling hiertoe in de gelegenheid gesteld.

Deze voorwaarde laat onveranderd dat een vergunning tevens kan worden geweigerd wegens verblijf buiten de Europese Unie, voor zover paragraaf B9/6.6, onder f, Vc van toepassing is.

Hoofdpersoon

De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:

  • a. die jonger is dan 19 jaar op het moment van de oorspronkelijke aanvraag, dan wel op enig moment tussen 1 februari 2013 en 29 januari 2019;

  • b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

  • c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DTenV, COA of AVIM (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

  • d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van deze Afsluitingsregeling.

Ad b.

De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.

Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling sinds dat moment ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/6.2.1 Vc (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.

Ad c.

De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht als de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:

  • sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DTenV, COA, of AVIM (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen voogdijinstelling Nidos; en

  • niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest.

Als sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.

De IND beoordeelt in het kader van ambtshalve herbeoordeling niet opnieuw of aan deze voorwaarde is voldaan.

De IND beoordeelt in het geval van een ingediende aanvraag of de vreemdeling in de periode vanaf zijn eerste asielaanvraag (maar niet eerder dan 27 juni 2010) tot aan de peildatum van 29 januari 2019 aan deze voorwaarde voldeed.

Als de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling of het gezinslid overneemt, bijvoorbeeld ingevolge de Asiel- en migratiebeheerverordening, dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.

Als de gezinsband is verbroken, wordt dit uitsluitend aan het betreffende gezinslid tegengeworpen.

Gezinsleden

De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op de peildatum van 29 januari 2019 deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij op het moment van beoordeling de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

De IND beoordeelt de aanspraken op de Afsluitingsregeling in de context van het gezin. Dat betekent dat een afwijzingsgrond of een contra-indicatie voor één van de gezinsleden er toe leidt dat het hele gezin niet in aanmerking komt voor verblijf, tenzij bij het betreffende criterium van dat uitgangspunt wordt afgeweken.

De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B7.

Onder gezinsleden verstaat de IND:

  • ouders;

  • minderjarige broer(s)of zus(sen) die minderjarig waren op de peildatum;

  • meerderjarige broer(s)of zus(sen) die op de peildatum nog onderdeel vormen van het gezin.

En als de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:

  • de vreemdeling van achttien jaar of ouder die op de peildatum een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de hoofdpersoon of die met hem een naar Nederlands recht, waaronder het in Nederland toe te passen internationaal privaatrecht, geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan; of

  • het minderjarige kind van wie de hoofdpersoon de biologische of juridische ouder is, mits er op de peildatum feitelijke invulling aan het gezinsleven wordt gegeven.

AO

Paragraaf B9/8.1.2.1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

8.1.2.1. Vrijstellingen

De IND past de vrijstellingen toe genoemd in artikel 3.80a, tweede lid, Vb.

De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.80a, De IND past de vrijstellingen toe genoemd in artikel 3.80a, tweede lid, Vb.

De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef.

Overgangssituatie op 1 januari 2022 in verband met nieuwe Wet inburgering 2021

Op 1 januari 2022 is de Wi 2021 in werking getreden. Deze heeft als doel alle nieuwe inwoners van Nederland met een inburgeringsplicht zo snel mogelijk Nederlands te leren spreken en schrijven op het voor hen hoogst haalbare niveau, zodat zij zo goed mogelijk mee kunnen draaien in de Nederlandse samenleving.

De inburgeringseisen van de Wi 2013, inclusief vrijstellingen en ontheffingen, werken door naar de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit voor vreemdelingen die op tijdelijke basis in Nederland verblijven en op enig moment sterker verblijf aanvragen. Deze doorwerking van de Wi 2013 blijft ook gelden na 1 januari 2022 voor:

  • niet-inburgeringsplichtige vreemdelingen; en

  • inburgeringsplichtige vreemdelingen, die voor 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden.

Inburgeringsplichtige vreemdelingen die onder de Wi 2021 vallen en onder dat regime hun inburgeringsplicht vervullen of daarvan worden vrijgesteld, of ontheven, op basis van hun inburgeringsdiploma,- certificaat, vrijstelling of ontheffing voldoen hiermee tevens aan het inburgeringsvereiste en kunnen op basis hiervan ook sterker verblijf aanvragen. De doorwerking van het inburgeringsregime blijft derhalve gehandhaafd.

De grondslag voor het stellen van het inburgeringsvereiste voor sterk verblijf is te vinden in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit (art 16a Vw jo. art 3.80a Vb; art 21 Vw jo. art 3.96a Vb en art 45b Vw jo 3.126 Vb).

AP

Paragraaf B9/8.1.2.3 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

8.1.2.3. Onbillijkheid van overwegende aard (ook wel: hardheidsclausule)

De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb als de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maar:

  • de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht; of

  • aangetoond is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan het examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen.

Daarnaast ontheft de IND de vreemdeling van het inburgeringsvereiste bij een aanvraag voor een sterker verblijfsrecht, als de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.

A. Ontheffing vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen

De IND past in het geval het inburgeringsexamen niet is behaald in ieder geval de hardheidclausule toe, bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb, op grond van het feit dat de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht, als:

  • a. de vreemdeling ten minste driemaal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen, waarvan ten hoogste twee van de examenpogingen de overeenkomstige onderdelen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal betreffen, en ten minste 600 uur bij een cursusinstelling met het Blik op Werk-keurmerk heeft deelgenomen aan:

    • 1°. een inburgeringscursus;

    • 2°. een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, waarbij ten minste 200 uur besteed is aan de inburgeringscursus;

    • 3°. een cursus Nederlands als tweede taal; of

    • 4°. een combinatie van een inburgeringscursus en een cursus Nederlands als tweede taal.

  • b. de vreemdeling minimaal 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een cursusinstelling met het Blik op Werk Keurmerk en de vreemdeling aangetoond heeft met een door DUO afgenomen toets naar het leervermogen dat de vreemdeling niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of

  • c. de vreemdeling ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, beide aan een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, waarvan ten minste 300 uur besteed is aan de alfabetiseringscursus, en uit een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen.

DUO geeft advies of iemand voldoet aan de criteria genoemd onder a, b en c. De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van het door de vreemdeling overgelegde advies van DUO. De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet het advies zelf aanvragen bij DUO. Voor het aanmeldformulier en meer informatie over deze procedure raadpleeg de website van DUO www.inburgeren.nl.

Tot 1 juli 2013 kon een vreemdeling zich wenden tot het ROC Amsterdam voor een advies op basis van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek. Adviezen die bij het ROC zijn aangevraagd vóór 1 juli 2013 zullen nog worden meegenomen door de IND bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing.

De IND neemt het ROC-advies niet over als:

  • dit advies op de dag van de indiening van de aanvraag ouder is dan vijf jaar;

  • de IND constateert dat de vreemdeling in een vreemdelingenrechtelijke procedure verklaringen heeft afgelegd die in tegenspraak zijn met het advies; of

  • op een andere manier dan uit een vreemdelingenrechtelijke procedure blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond.

B. Ontheffing vanwege bijzondere individuele omstandigheden

De IND past in het geval het inburgeringsexamen niet is behaald de hardheidsclausule toe, bedoeld in artikel 3.80a, vierde lid, Vb, als blijkt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan dat examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen.

De IND betrekt in de beoordeling van de bijzondere individuele omstandigheden:

  • de door de vreemdeling getoonde wil om voor het inburgeringsexamen te slagen; en

  • de door de vreemdeling geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het inburgeringsexamen.

De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden onder meer (een combinatie van) de volgende aangevoerde aspecten:

  • leeftijd van de vreemdeling;

  • opleidingsniveau van de vreemdeling;

  • de financiële situatie van de vreemdeling; of

  • de gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden van de vreemdeling.

De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden in ieder geval niet de stelling dat de vreemdeling:

  • geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening heeft gekregen;

  • geen inburgeringsvoorziening heeft opgelegd gekregen;

  • geen aanbod tot een taalkennisvoorziening heeft gekregen;

  • geen taalkennisvoorziening heeft opgelegd gekregen; of

  • nooit heeft geweten dat hij het inburgeringsexamen moet behalen.

De IND past eveneens de hardheidsclausule toe indien de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb.

C. Ontheffing vanwege aantoonbaar voldoende inburgering (AVI)

De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste bij een aanvraag voor een sterker verblijfsrecht indien de vreemdeling aantoonbaar voldoende is ingeburgerd, als bedoeld in artikel 3.80a en 3.96a Vb. Onder aantoonbaar voldoende ingeburgerde vreemdelingen worden vreemdelingen bedoeld, die:

  • ten minste tien jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven zijn geweest;

  • gedurende ten minste vijf jaar betaald werk of vrijwilligerswerk hebben verricht in Nederland; en

  • de vaardigheden in de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 2.9, onderdelen a en b, van het Besluit inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022, beheersen op het in dat artikel bedoelde niveau.

De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet hiervoor een advies aanvragen bij DUO en deze meesturen bij de aanvraag voor een sterker verblijf. De IND gaat bij de beoordeling van de ontheffingsgrond in beginsel uit van het door de vreemdeling overgelegde advies van DUO. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van DUO.

AQ

Paragraaf B9/20.2 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

20.2. Verblijfsspecifiek

Oud-Nederlanders geboren en getogen in Nederland

De IND beschouwt een geboorteakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling geboren is in Nederland.

Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders

De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling niet woont in het land waarvan hij onderdaan is.

Oud-Nederlanders o.g.v. artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d en f, RWN

De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.

De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.

De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijs dat de aanvraag binnen twee jaar na intrekking van het Nederlanderschap is ingediend.

Oud-Nederlanders o.g.v. artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.

De IND beschouwt een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren.

De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.

De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waarin de datum is opgenomen waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen twee jaar nadat door de vreemdeling afstand is gedaan van het Nederlanderschap.

Remigratie en terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet

De IND beschouwt een afschrift van de beschikking van de SVB, waarin het recht op de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen is toegekend en waarin de vertrekdatum van de vreemdeling is vermeld, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen één jaar na remigratie uit Nederland met toepassing van de Remigratiewet.

Terugkeeroptie minderjarige vreemdelingen

De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling minderjarig is.

Verblijfsvergunning na overlijden referent

De IND beschouwt een afschrift van de overlijdensakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de huwelijks- of (geregistreerd) partner, ouder, adoptie- of pleegouder van de vreemdeling is overleden.

Verblijfsvergunning na medische behandeling

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de medische behandeling van de vreemdeling voor ten minste één jaar noodzakelijk is:

  • een door de medische behandelaars van de vreemdeling volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’, die niet ouder is dan zes weken;

  • een door de vreemdeling zelf volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens’ die niet ouder is dan zes maanden; en

  • relevante medische gegevens zoals beschreven in paragraaf A3/7.2.4 Vc.

Huiselijk geweld

De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:

  • a. recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of

  • b. een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.

Ad a: De IND verlangt niet van een minderjarige dat deze aangifte doet tegen zijn eigen ouder(s) of een melding maakt van huiselijk geweld door zijn eigen ouder(s).

Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

De IND beoordeelt op basis van de inhoud van alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld.

Daarnaast beschouwt de IND ook als bewijsmiddel van huiselijk geweld:

  • de beschikking waaruit blijkt dat het huwelijk door de Nederlandse rechter nietig is verklaard omdat het huwelijk onder dwang is gesloten zoals bedoeld in artikel 1:71 lid 1 BW.

Slachtoffer mensenhandel

De IND beschouwt de dagvaarding of een andere verklaring van het OM als bewijsmiddel waaruit blijkt dat het OM tot vervolging overgaat ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan.

De IND beschouwt een verklaring van de politie, KMar of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid op het gebied van mensenhandel, nog loopt.

De IND beschouwt een door de vreemdeling overgelegde beschikking van het gerechtshof, waaruit blijkt dat het gerechtshof het beklag als bedoeld in artikel 12 WvSv ter zake van mensenhandel gegrond heeft verklaard en de officier van justitie bevolen heeft strafvervolging van ter zake van mensenhandel in te stellen, als bewijsmiddel.

De IND beschouwt een verklaring van de politie of KMar als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces, omdat de ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar voortduren.

De IND beschouwt medische informatie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er nog steeds sprake is van een fysieke of psychische aandoening die aan het verlenen van medewerking aan het strafproces in de weg staat. De medische informatie moet afkomstig zijn van een behandelaar die in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven.

De IND beschouwt een verklaring van de politie of KMar als bewijsmiddel waaruit blijkt dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met de minderjarigheid van de vreemdeling. De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag minderjarig is. Als de vreemdeling op grond van artikel 3.72 Vb wordt vrijgesteld van het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, dan dient hij zijn minderjarigheid met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Daarbij wordt betrokken of sprake is van bewijsnood.

Getuige-aangever mensenhandel

De IND beschouwt een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling voor mensenhandel.

Privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM

De IND beschouwt bewijsstukken waaruit de banden met Nederland en de intensiteit daarvan blijken als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling privéleven heeft opgebouwd in Nederland.

Plaatsing in een pleeggezin of instelling op verzoek van een ander land op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996

De IND beschouwt de instemmingsverklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de Nederlandse Centrale autoriteit heeft ingestemd met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland.

De IND beschouwt het instemmingsbesluit van de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling als bewijsmiddel dat de Centrale autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling heeft besloten om in te stemmen met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland.

De IND beschouwt een verklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de vreemdeling niet meer zal kunnen terugkeren naar de oorspronkelijke gezinssituatie en tot zijn 18de jaar in een pleeggezin of instelling zal gaan verblijven.

De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel dat het gezag over de vreemdeling is geregeld.

Minderjarige vreemdelingen met een kinderbeschermingsmaatregel

De IND beschouwt een uitspraak van de kinderrechter als bewijsmiddel dat het gezag van de ouders over een minderjarige vreemdeling is beëindigd en dat er een voogd is benoemd.

De IND beschouwt de beschikking van de kinderrechter als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling is verlengd.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt welke hulpverlening de minderjarige vreemdeling nodig heeft als bedoeld in B9/16.5 Vc:

  • het rapport van de Raad voor Kinderbescherming; of, indien van recenter datum:

  • het rapport van de gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert.

De IND beschouwt uitsluitend een advies van de DTenV als bewijsmiddel dat de ondertoezichtstelling van een minderjarige vreemdeling niet overdraagbaar is aan het land van herkomst of aan een land waarvan kan worden aangenomen dat er toegang kan worden verleend.

AR

Paragraaf B12/2.8 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

2.8. Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd

De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in als zich een omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 22, eerste lid, Vw en als de artikelen 3.97 en 3.98 Vb hierop geen uitzondering maken.

AS

Hoofdstuk C6 Vc, zoals toegevoegd per WBV 2026/8, is gewijzigd en komt te luiden:

C6 Intrekkingen en verlengingen

1. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel

1.1 Grondslag

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 32, 41 en 45 Vw en van de 3.106 en 3.116 Vb. Het gaat hier om de intrekkingsprocedure van de verblijfsvergunning asiel op grond van vluchtelingschap, subsidiaire bescherming en de afgeleide vergunningen asiel op grond van meereis en nareis.

1.2 Start onderzoek

Het startmoment van het onderzoek is het moment waarop de IND de vreemdeling voor het eerst in kennis stelt van een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning.

1.3 Meewerkverplichting

Op grond van artikel 66, eerste lid, onder b en c, Procedureverordening is de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw verplicht mee te werken aan alle procedurestappen van de intrekkingsprocedure. Dit betekent dat de vreemdeling beschikbaar is, gevraagde informatie verstrekt en op een (intrekkings)gehoor verschijnt indien hij daarvoor uitgenodigd is.

Het niet medewerken aan de intrekkingsprocedure staat de IND niet in de weg om de procedure te vervolgen of een intrekkingsbeslissing te nemen overeenkomstig artikel 66, vijfde lid, Procedureverordening.

1.4 Schriftelijke kennisgeving in de intrekkingsprocedure

Overeenkomstig artikel 66, eerste lid, onder a, Procedureverordening en artikel 41 Vw wordt de vreemdeling schriftelijk in kennis gesteld dat de verleende verblijfsvergunning asiel mogelijk wordt ingetrokken en wat de redenen voor deze mogelijke intrekking zijn en welke rechtsgevolgen de mogelijke intrekking heeft.

1.5 Zienswijze

De vreemdeling krijgt op grond van artikel 41 Vw en in samenhang met artikel 3.116, tweede lid, Vb de gelegenheid om binnen een termijn van zes weken zijn zienswijze op de schriftelijke kennisgeving in te dienen.

1.6 Uitstel voor het indienen van de zienswijze

De vreemdeling, of diens gemachtigde, kan een verzoek voor uitstel van de zienswijze aanvragen.

De IND verleent in beginsel een termijn van twee weken uitstel als er naar oordeel van de IND toereikende redenen zijn om uitstel te verlenen.

Toereikende redenen kunnen zijn:

  • a. Het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk;

  • b. Plotselinge ziekte van de vreemdeling als de ziekte door het verstrekken van een medische verklaring is aangetoond;

  • c. Overplaatsing van de vreemdeling (door het COA) naar een andere verblijfslocatie als de vreemdeling schriftelijk heeft aangetoond dat de overplaatsing samenviel met de kennisgeving en de termijn om een zienswijze in te dienen en hij deze termijn hierdoor heeft gemist, of deze overplaatsing samenviel met de afspraak met de gemachtigde; of

  • d. Plotselinge ziekte van de gemachtigde van de vreemdeling;

  • e. Vakantie van de gemachtigde van de vreemdeling als de vakantie ten minste één maand van tevoren en met betrekking tot elke betreffende zaak is gemeld aan de IND.

1.7 Het intrekkingsgehoor

Het persoonlijk onderhoud als bedoeld in 66, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening wordt in deze paragraaf aangeduid als het intrekkingsgehoor. Voor gezinsleden als bedoeld in artikel 29b, 29c en 29d Vw zal een zelfde intrekkingsgehoor worden gehouden indien de aan hen verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Paragraaf C1/5 Vc onder ‘Algemeen’ is van overeenkomstige toepassing op het intrekkingsgehoor. Dit geldt ook voor andere gehoren die binnen de intrekkingsprocedure kunnen plaatsvinden.

De IND stelt de vreemdeling tijdens het intrekkingsgehoor in de gelegenheid om relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen ten aanzien van de kennisgeving om de verblijfsvergunning asiel in te trekken. Indien de vreemdeling het niet eens is met het voornemen om de verblijfsvergunning asiel in te trekken, kan hij in het intrekkingsgehoor naar voren brengen wat zijn bezwaren zijn tegen de intrekking.

Bij het intrekkingsgehoor stelt de IND de vreemdeling ook in de gelegenheid om eventuele andere gronden waarop de IND een verblijfsvergunning asiel kan verlenen naar voren te brengen. Ook wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen over de overige onderdelen van de intrekkingsprocedure zoals neergelegd in C6/8 Vc.

Als de vreemdeling niet in de gelegenheid is om te verschijnen op het geplande intrekkingsgehoor, dan moet hij zo snel mogelijk contact met de IND opnemen om een nieuwe afspraak te maken voor het gehoor. Hierbij moet de vreemdeling of zijn gemachtigde aangeven en onderbouwen, waarom het gehoor niet op het geplande moment kan plaatsvinden.

De IND kan de intrekkingsprocedure zonder intrekkingsgehoor voortzetten, als ten minste één van de onderstaande situaties van toepassing is:

  • de vreemdeling is niet bereikbaar;

  • de verblijfsplaats van de vreemdeling is niet bekend;

  • de vreemdeling heeft geen zienswijze ingediend; of

  • de vreemdeling heeft geen verschoonbare reden voor het niet verschijnen bij een gepland intrekkingsgehoor.

Als de vreemdeling niet verschijnt bij het intrekkingsgehoor, neemt de IND contact op met de vreemdeling of met zijn gemachtigde om navraag te doen naar de redenen hiervoor. Het niet komen opdagen bij een intrekkingsgehoor of op andere wijze geen medewerking verlenen in de zin van artikel 66, eerste lid, onder b en c, Procedureverordening staat de IND niet in de weg om een beslissing op intrekking te nemen.

Als de vreemdeling een verschoonbare reden heeft, dan nodigt de IND de vreemdeling opnieuw uit voor een intrekkingsgehoor. De IND merkt de volgende omstandigheden in beginsel niet aan als verschoonbare redenen voor het niet verschijnen:

  • vakantie of werk van de vreemdeling;

  • detentie van de vreemdeling;

  • nalatigheid; of

  • de vreemdeling heeft de uitnodigingsbrief na ontvangst niet gelezen.

1.8 Reactietermijn intrekkingsgehoor

De IND geeft de vreemdeling in beginsel een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van het intrekkingsgehoor te reageren. Paragraaf C1/5.4 Vc is van overeenkomstige toepassing.

1.9 Afsluiting verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening en artikel 32, zesde lid, Vw

De IND sluit de erkenning van internationale bescherming op grond van artikel 32, zesde lid Vw als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:

  • De vreemdeling ziet ondubbelzinnig af van de erkenning van de beschermingsstatus;

  • De vreemdeling is een onderdaan geworden van een andere lidstaat; of

  • De vreemdeling heeft na het verkrijgen van internationale bescherming in Nederland in een andere lidstaat internationale bescherming gekregen.

Indien de IND de erkenning van internationale bescherming afsluit, wordt bezien of een terugkeerbesluit kan worden genomen. Met name in de situatie dat de vreemdeling ondubbelzinnig afziet van zijn erkenning, zal het niet altijd op voorhand duidelijk zijn of de vreemdeling nog in Nederland is en of een terugkeerbesluit kan worden genomen. De IND kan er in een voorkomend geval voor kiezen om navraag te doen bij de vreemdeling wat de reden is van het afzien van internationale bescherming en of er wellicht sprake is van rechtmatig verblijf in een andere lidstaat waardoor geen terugkeerbesluit mogelijk is. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld om redenen aan te voeren waarom aan hem geen terugkeerbesluit mag worden gegeven.

Op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening in combinatie met artikel 32, zesde lid, Vw vermeldt de IND de afsluiting en de rechtsgrond voor deze afsluiting in het dossier.

Het ondubbelzinnige afzien van de erkenning als persoon die internationale bescherming geniet blijkt onder andere uit een ondertekende brief van de vreemdeling of diens gemachtigde, toezending van model M53-A, of een verklaring van vrijwillig vertrek, inclusief verklaringen van IOM of DTenV.

2 Overgangsrecht

2.1 Verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd

Indien de vreemdeling voor 12 juni 2026 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid Vw of artikel 29, tweede lid Vw, wordt deze op grond van artikel 9, achtste lid, Vw van rechtswege aangemerkt als respectievelijk een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw, 29a Vw, 29b Vw, 29c Vw of 29d Vw.

Dit houdt in dat de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, afgegeven voor 12 juni 2026, intrekt op grond van het recht dat op het moment van intrekken geldt.

2.2 Verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd

Op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, verleend voor 12 juni 2026, geldt het recht zoals dat gold voor 12 juni 2026, ten tijde van de verlening. Alleen op basis van het recht dat gold voor 12 juni 2026 kan deze verblijfsvergunning dan ook worden ingetrokken. Dat betekent onder meer dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken indien de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus is verleend niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is.

2.3 Overige (oude) vergunningen op grond van internationale bescherming

Er kunnen zich situaties voordoen waarop de vreemdeling mogelijk in aanmerking komt voor de intrekking van een vergunning (bepaalde of onbepaalde tijd) die gebaseerd is op het recht dat nog verder in het verleden ligt. Voor die vergunningen geldt de bepaling dat per geval wordt beoordeeld welk recht van toepassing is om een verblijfsvergunning asiel op grond van internationale bescherming afgegeven voor 12 juni 2026, in te trekken. Dit met inachtneming van eerdere overgangsrechtelijke bepalingen.

3 De procedure bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel van vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning asiel is verleend

3.1 Indiening aanvraag om verlenging van de verblijfstitel

De vreemdeling dient de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel in met het vereiste aanvraagformulier.

Als de vreemdeling de aanvraag te vroeg indient, dan stuurt de IND de vreemdeling een brief dat de aanvraag te vroeg is ingediend.

De aanvraag is te vroeg ingediend als de vreemdeling de aanvraag voor verlenging van de verblijfstitel meer dan drie maanden voor afloop van de geldigheidsduur heeft ingediend.

De IND doet de zaak dan niet inhoudelijk af en de vreemdeling moet een nieuwe aanvraag indienen op zijn vroegst drie maanden voordat de geldigheidsduur zal verlopen.

3.2 Duur verlenging verblijfstitel

Op grond van artikel 9, derde lid Vw verlengt de IND de verblijfstitel van de vreemdeling met de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus voor een periode van drie jaar en geeft een nieuw verblijfsdocument af.

Op grond van artikel 9, vierde lid, Vw, verlengt de IND de verblijfstitel van mee- of nareizende gezinsleden als bedoeld in artikel 29b, 29c of 29d, Vw, voor de duur van de verblijfstitel die aan de vreemdeling met de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus is verleend en geeft een nieuw verblijfsdocument af.

4 Algemeen

De IND kan op grond van artikel 32 Vw een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, 29a, 29b, 29c of 29d Vw intrekken. De volgende artikelen zijn van toepassing:

  • a. artikel 14 Kwalificatieverordening indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw (vluchtelingschap);

  • b. artikel 19 Kwalificatieverordening indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw (subsidiaire bescherming);

  • c. artikel 32, derde en vierde lid, Vw en artikel 23, derde tot en met vijfde lid Kwalificatieverordening indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw (afgeleide asielvergunning meereizend gezinslid).

  • d. Artikel 32, derde en vijfde lid, Vw indien de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw (afgeleide asielvergunning nareizend gezinslid).

4.1 Intrekkingsgronden volgend uit de Kwalificatieverordening (artikel 14 en 19 Kwalificatieverordening)

De IND trekt de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus van een vreemdeling in als:

  • a. de vreemdeling is opgehouden vluchteling te zijn of niet meer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (conform artikel 11 en 16, Kwalificatieverordening);

  • b. de vreemdeling uitgesloten is of had moeten zijn van de erkenning als vluchteling of subsidiaire bescherming (conform artikel 12 en 17, Kwalificatieverordening);

  • c. de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus;

  • d. er redelijke gronden zijn de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid;

  • e. de vluchteling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap van de lidstaat waar de vreemdeling zich op dat moment bevindt;

  • f. er ernstige redenen bestaan dat de subsidiair beschermde een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;

  • g. de subsidiair beschermde een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn of haar aankomst in Nederland of voor een ernstig misdrijf is veroordeeld na zijn of haar aankomst;

Imperatief

Al deze gronden zijn imperatief voor de vluchtelingstatus en de subsidiairebeschermingsstatus. Dit betekent dat het intrekken van de vergunning asiel dwingend wordt voorgeschreven als wordt voldaan aan minimaal één van de gronden. De IND voert voor deze intrekkingsgronden geen evenredigheidstoets uit. Er bestaat geen discretionaire bevoegdheid om van deze bepaling af te wijken.

4.2 Meerdere intrekkingsgronden

Als er meerdere intrekkingsgronden van toepassing zijn, trekt de IND de verblijfsvergunning in per datum van de intrekkingsgrond die chronologisch het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht.

Indien één van de intrekkingsgronden ziet op het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, en deze al dan niet het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht, vermeldt de IND deze intrekkingsgrond in ieder geval in het intrekkingsbesluit. De IND betrekt de openbare orde of nationale veiligheidsaspecten altijd bij de besluitvorming.

5 Intrekken vluchtelingstatus

5.1 Vervallen verleningsgrond (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er sprake is van een vervallen verleningsgrond. Dit houdt in dat de vreemdeling opgehouden is vluchteling te zijn. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a Kwalificatieverordening. In artikel 11, eerste lid, Kwalificatieverordening zijn de situaties neergelegd wanneer de vreemdeling ophoudt een vluchteling te zijn.

Overeenkomstig artikel 11, tweede lid, Kwalificatieverordening wordt – om te beoordelen of de voornoemde omstandigheden niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat bescherming niet langer nodig is in het kader van terugkeer en het inroepen van bescherming in het land van herkomst – onder meer rekening gehouden met nauwkeurige en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst. Ook beoordeelt de IND of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft waardoor niet langer sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.

Voor de beoordeling of een wijziging in de algemene situatie in (een deel van) het land van herkomst een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om aan te nemen dat een situatie zoals in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e en f, Kwalificatieverordening zich voordoet, is het landgebonden beleid zoals opgenomen in hoofdstuk C9 Vc leidend.

Toets dwingende redenen voortvloeiend uit vroegere vervolging.

Op grond van artikel 11, eerste lid, laatste alinea Kwalificatieverordening kunnen er ‘dwingende redenen’ zijn, voortvloeiende uit vroegere vervolging, waardoor de vreemdeling kan weigeren de bescherming in te roepen. Dit kan een reden zijn om de eerder verleende vluchtelingenstatus niet te beëindigen. De IND zal in een dergelijk geval niet tot intrekking van de vluchtelingenstatus overgaan.

Het intrekken van de status met terugwerkende kracht is hier niet van toepassing.

5.2 Uitsluiting op grond van artikel 1D, 1E en/of 1F Vluchtelingenverdrag (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er sprake is van een situatie waarin de vreemdeling uitgesloten is of had moeten worden op grond van artikel 12 Kwalificatieverordening.

Het beleid zoals bedoeld in paragraaf C3/3.2.2 Vc is overeenkomstig van toepassing op de uitsluitingsgrond 1D en 1E van het Vluchtelingenverdrag.

Het beleid zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.9 Vc is overeenkomstig van toepassing op de uitsluitingsgrond 1F van het Vluchtelingenverdrag.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken, reeds bestonden bij verlening van de vergunning, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de uitsluitingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.

5.3 Onjuiste gegevens (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er sprake is van een situatie waarin de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingstatus.

Bij de beoordeling of sprake is van deze intrekkingsgrond, wordt beoordeeld of de nieuw bekend geworden gegevens, wanneer ze op het moment van inwilligen bekend waren geweest, hadden geleid tot een afwijzing. Daarbij wordt getoetst aan de hand van het beleid dat op het moment van inwilliging geldig was en op basis van de informatie over het land van herkomst dat op dat moment bekend was.

Wanneer de IND overgaat tot het intrekken van de vluchtelingstatus, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.

5.4 Gevaar voor de nationale veiligheid (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er redelijke gronden bestaan de vreemdeling te beschouwen als gevaar voor de nationale veiligheid.

Het beleid in paragraaf C4/3.6.8 Vc en paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken, reeds bestonden bij verlening van de vergunning, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de intrekkingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.

5.5 Gevaar voor de openbare orde (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als de vreemdeling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap. De vreemdeling vormt dan namelijk een gevaar voor de openbare orde.

Bij de beoordeling of sprake is van een intrekkingsgrond omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, is paragraaf C4/3.6.7 Vc van overeenkomstige toepassing.

Wanneer de IND overgaat tot het intrekken van de vluchtelingstatus, wordt de eerdere beslissing om de vluchtelingstatus te verlenen herroepen. De IND trekt in die gevallen met terugwerkende kracht in tot de datum waarop de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief geworden is, overeenkomstig artikel 14, eerste lid en onder e, Kwalificatieverordening. Dit houdt in dat indien de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief geworden is voor de vergunningverlening, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.

Indien de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief is geworden na het verlenen van de vluchtelingstatus, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de datum van definitief worden van de veroordeling. De feiten en omstandigheden waarop de vluchtelingstatus moet worden ingetrokken zijn immers ontstaan na verlening van de vluchtelingstatus.

6 Intrekken subsidiairebeschermingsstatus

6.1 Vervallen verleningsgrond (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in als er sprake is van een vervallen verleningsgrond. Dit houdt in dat de vreemdeling niet meer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan die status is verleend, niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat bescherming niet langer nodig is. Dit volgt uit artikel 16, eerste lid, Kwalificatieverordening. De subsidiairebeschermingsstatus wordt dan beëindigd. Het intrekken van de status met terugwerkende kracht is hier niet van toepassing.

Op grond van artikel 16, derde lid Kwalificatieverordening kunnen er ‘dwingende reden’ zijn, voortvloeiend uit vroegere ernstige schade, om de eerder verleende subsidiairebeschermingsstatus niet te beëindigen. De IND zal in een dergelijk geval niet tot intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus overgaan zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a Kwalificatieverordening.

Wanneer de IND concludeert dat er sprake is van ‘dwingende redenen’ sluit de IND aan bij hetgeen in paragraaf C6/2.1 Vc staat opgenomen.

6.2 Uitsluitingsgronden 1F, nationale veiligheid en openbare orde (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in als de vreemdeling van subsidiaire bescherming uitgesloten is of had moeten zijn op grond van artikel 17 Kwalificatieverordening.

1F

Als de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.9 Vc onverkort van toepassing.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken, reeds bestonden bij verlening van de vergunning, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de subsidiairebeschermingsstatus toegekend had mogen krijgen.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de intrekkingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.

Ernstig misdrijf

Indien de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn of haar aankomst in Nederland of voor een ernstig misdrijf is veroordeeld na zijn of haar aankomst in Nederland is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.1 Vc van overeenkomstige toepassing.

Wanneer de vreemdeling voor zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd en dit op een later moment bekend wordt bij de IND, trekt de IND met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum de verblijfsvergunning asiel op grond van 29a Vw in, omdat de vreemdeling nooit de subsidiaire beschermingsstatus toegekend had mogen krijgen.

Wanneer de vreemdeling is veroordeeld voor een ernstig misdrijf na zijn aankomst in Nederland, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de datum van de veroordeling voor het ernstig misdrijf overeenkomstig artikel 17, eerste lid, onder b, Kwalificatieverordening.

Gevaar voor gemeenschap of nationale veiligheid

Indien de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.8 Vc en paragraaf B1/4.4 van overeenkomstige toepassing.

Indien de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.2 Vc van overeenkomstige toepassing.

Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de intrekkingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.

6.3 Onjuiste gegevens (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in als er sprake is van een situatie waarin de IND heeft beoordeeld dat de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de subsidiaire beschermingsstatus.

Hetgeen is opgenomen onder paragraaf 2.3 is van overeenkomstige toepassing bij de intrekking van de subsidiairebescherminggstatus op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

7 Intrekken afgeleide asielvergunning van mee- of nareizende gezinsleden

Imperatief

Als de verblijfsvergunning asiel van de hoofdpersoon (referent) wordt ingetrokken, dan trekt de IND gelijktijdig de verblijfsvergunning asiel van het gezinslid in. Dit volgt uit artikel 32, derde lid, Vw. Vanwege de aard van de afgegeven vergunning aan het gezinslid is er geen sprake van (zelfstandige) asielmotieven. Het intrekken van de vergunning asiel op grond van meereis en/of nareis wordt in die gevallen dwingend voorgeschreven. De IND voert voor deze intrekkingsgronden geen evenredigheidstoets uit. Er bestaat geen discretionaire bevoegdheid om van deze bepaling af te wijken. Wel kan het gezinslid tijdens de intrekkingsprocedure zelfstandige asielmotieven zelf naar voren brengen. De IND betrekt dit bij de ex nunc beoordeling. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.

Niet-imperatief

Indien de IND beoordeelt dat de vergunning asiel van het gezinslid, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b, 29c of 29d Vw, op eigen merites kan worden ingetrokken, is het aan de vreemdeling om in de zienswijze en tijdens het gehoor te verklaren over redenen waarom de vergunning niet zou mogen worden ingetrokken. Eventuele zelfstandige asielmotieven moet de vreemdeling zelf naar voren brengen. Deze betrekt de IND bij de beoordeling. In deze gevallen voert de IND wel een evenredigheidstoetsing uit. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, wordt voor de evenredigheidstoets aangesloten bij het beoordelingskader van C4/3.6.5 en C4/3.6.6.

7.1 Intrekking verblijfsvergunning asiel meereizend gezinslid (art. 29b Vw)

Intrekking van artikel 29b Vw is op grond van artikel 32, vierde lid, Vw, mogelijk wanneer de gevallen zich voordoen zoals genoemd in artikel 23, derde tot en met vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.

Als het om redenen van nationale veiligheid of openbare orde noodzakelijk wordt geacht, wordt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw ingetrokken of niet verlengd op grond van artikel 23, vijfde lid Kwalificatieverordening. Voor de beoordeling van de openbare orde wordt aangesloten bij paragraaf C4/3.6.5 Vc. Paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing. Voor de invulling van de ex nunc toets wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.

7.2 Intrekking verblijfsvergunning asiel nareizend gezinslid (art. 29c en 29d Vw)

Intrekking van artikelen 29c en 29d Vw is op grond van artikel 32, vijfde lid, Vw, mogelijk wanneer:

  • a. achteraf blijkt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt of achterhouden;

  • b. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

  • c. de gronden voor verlening zijn komen te vervallen voor de vreemdeling; of

  • d. de vreemdeling niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt.

In geval van een intrekking op grond van artikel 32, vijfde lid, aanhef en onder b, Vw, trekt de IND de afgeleide verblijfsvergunning asiel in beginsel in met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de verblijfsvergunning had mogen krijgen.

In geval van een intrekking op grond van artikel 32, vijfde lid, aanhef en onder d, Vw trekt de IND de afgeleide verblijfsvergunning asiel in beginsel in met terugwerkende kracht tot aan de vastgestelde datum waarop de huwelijks- of gezinsband is verbroken.

Indien de erkenning van internationale bescherming op grond van artikel 32, zesde lid Vw wordt afgesloten van de hoofdpersoon, volgt ten aanzien van diens gezinsleden die een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29b, 29c of 29d Vw hebben een intrekkingsbesluit gelet op het bepaalde in artikel 32, derde lid Vw. Eventuele zelfstandige asielmotieven moet de vreemdeling zelf naar voren brengen.

Voor de invulling van de ex nunc toets wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.

Openbare orde en nationale veiligheid

Indien sprake is van een gevaar voor de openbare orde beoordeelt de IND of de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c en 29d Vw kan worden ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onder b, Vw. Voor de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde wordt aangesloten bij paragraaf C4/3.6.6 Vc.

Indien sprake is van een verblijfsvergunning asiel op grond van 29c of 29d Vw toetst de IND aan artikel 3.86, eerste tot en met het twaalfde en zeventiende lid, Vb alsmede artikel 3.87 Vb en paragraaf B1/6.2.2 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

Indien sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid, beoordeelt de IND of de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c en 29d kan worden ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onder b, Vw. Paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing.

Huwelijks- of gezinsband

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen echtgenoten wordt verwezen naar paragraaf C5/1.4 Vc.

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt verwezen naar paragraaf C5/1.4 Vc.

De IND beschouwt de gezinsband tussen ouders en kinderen niet als verbroken als de nareizende gezinsleden wegens een tekort aan passende woonruimte noodgedwongen op een ander adres dan de referent worden gehuisvest.

Bij het verbreken van de huwelijks- of gezinsband trekt de IND de verblijfsvergunning asiel in ieder geval niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfstitel in ieder geval niet af als:

  • het minderjarig of meerderjarig kind op het moment van het verbreken van de gezinsband langer dan één jaar houder is van de afgeleide verblijfsvergunning asiel in het kader van nareis bij zijn of haar ouder(s);

  • de ouder(s) op het moment van verbreken van de gezinsband langer dan één jaar houder zijn van de afgeleide verblijfsvergunning in het kader van nareis bij hun (minderjarige) kind; of

  • een situatie zoals bedoeld in artikel 3.106 Vb zich voordoet.

8 Overige onderdelen van de toets

Indien de IND heeft geconcludeerd dat een intrekkingsgrond van toepassing is en heeft geconcludeerd dat de verleende verblijfsvergunning asiel ingetrokken moet worden, kan de intrekkingsprocedure de volgende onderdelen bevatten:

  • 1. de ex-nunc beoordeling;

  • 2. de ambtshalve toets;

  • 3. de beoordeling van de actuele vrees bij terugkeer (terugkeerbeletsel);

  • 4. het nemen van een terugkeerbesluit; en

  • 5. het opleggen van een maatregel.

Deze worden hieronder verder uitgewerkt. Vervolgens wordt toegelicht hoe de beoordeling er in verschillende situaties uit komt te zien.

8.1 De ex nunc beoordeling

De ex nunc beoordeling houdt in dat de IND beoordeelt of op het moment van herbeoordelen alsnog aannemelijk is dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst en op grond daarvan in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw. Dit geldt voor vreemdelingen die een internationale beschermingsstatus hebben, maar ook voor vreemdelingen die op dit moment een afgeleide asielstatus hebben op grond van meereis of nareis en waarvan de vergunning wordt ingetrokken.

Het is aan de vreemdeling om gedurende de intrekkingsprocedure aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling kan dit op ieder gewenst moment doen, waaronder in de zienswijze en tijdens het gehoor. De IND betrekt deze gronden in de besluitvorming van het intrekkingsbesluit. In deze beoordeling betrekt de IND of de eerdere intrekkingsgrond alsnog in de weg staat aan de verlening van de status en de daarmee samenhangende vergunning. Indien de vreemdeling niet meewerkt, vormt het ontbreken van een verklaring, conform artikel 66, vijfde lid, Procedureverordening geen beletsel om een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming te nemen.

Indien de IND tot de conclusie komt dat de vreemdeling in aanmerking komt voor bescherming op een andere grond dan waarvoor de huidige vergunning is afgegeven, maakt de IND een tweeledig besluit op waarin de IND de huidige asielstatus intrekt op grond van de intrekkingsgrond die van toepassing is. Tegelijk wordt gemotiveerd op welke grond de vreemdeling (alsnog) in aanmerking komt voor een internationale beschermingsstatus.

Een ex nunc toets wordt niet gedaan om te beoordelen of de vreemdeling opnieuw in aanmerking komt voor een afgeleide vergunning. In het kader van ex nunc wordt namelijk beoordeeld of er sprake is van een actuele vrees bij terugkeer. Bij de afgeleide vergunning is vanwege de aard van de vergunning geen sprake van (zelfstandige) vrees bij terugkeer.

Openbare orde

Indien er sprake is van openbare orde aspecten die een eerste indicatie geven voor een herbeoordeling van de status, beoordeelt de IND of er sprake is van één of meerdere intrekkingsgronden. Indien de vreemdeling opgehouden is vluchteling of subsidiair beschermde te zijn, wordt in beginsel ingetrokken op het vervallen van de verleningsgrond. De IND betrekt de openbare orde of nationale veiligheidsaspecten wel bij de beoordeling of een maatregel opgelegd moet worden.

8.2 Ambtshalve toets

Als de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt, beoordeelt de IND of de vreemdeling in aanmerking komt voor:

  • een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste en vijfde lid, Vb en de onder de in dit artikel genoemde beperkingen; of

  • uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie verder paragraaf C1/7 Vc onder ‘ambtshalve toets’).

Als er een zwaar inreisverbod is of wordt opgelegd, laat de IND de ambtshalve toets op grond van artikel 3.6a Vb achterwege, behoudens de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM. Zie hiervoor C1/7 Vc.

Daarnaast blijft bij het vervallen van de verleningsgrond de ambtshalve toets achterwege in de situatie wanneer de vreemdeling niet in Nederland verblijft.

8.3 Beoordeling actuele vrees bij terugkeer (terugkeerbeletsel)

Aan de hand van de ex nunc beoordeling, concludeert de IND of de vreemdeling een (actuele) gegronde vrees heeft om vervolgd te worden of een (actueel) reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst of derde land. Indien dat het geval is, is er sprake van een terugkeerbeletsel. Indien de IND beoordeelt dat er sprake is van een terugkeerbeletsel, legt de IND geen terugkeerbesluit op. Paragraaf C3/3.3.2.3 Vc is van overeenkomstige toepassing.

8.4 Het nemen van een terugkeerbesluit

Indien de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt en heeft beoordeeld dat er geen sprake is van een terugkeerbeletsel, neemt de IND een terugkeerbesluit. Paragraaf A3/1.1 Vc is van overeenkomstige toepassing.

8.5 Het opleggen van een maatregel

Indien de IND de verblijfsvergunning asiel heeft ingetrokken, heeft beoordeeld dat er geen sprake is van een terugkeerbeletsel en daarom een terugkeerbesluit genomen heeft, beoordeelt de IND of er een maatregel opgelegd moet worden. Het kan hier gaan om een (zwaar) inreisverbod, een ongewenstverklaring en een Besluit tot Signalering. Zie hiervoor hoofdstuk A4 Vc.

Als de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt en heeft beoordeeld dat er wel sprake is van een terugkeerbeletsel, beoordeelt de IND of er een Besluit tot Signalering dan wel ongewenstverklaring moet worden opgelegd. Zie hiervoor paragrafen A4/3 en A4/4 Vc.

AT

Hoofdstuk D1 Vc is gewijzigd en komt te luiden:

D1. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a Vw aanvragen.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 45a, 45b, 45d Vw.

2. Beleidsregels

De IND wijst de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen af als in ieder geval één van de in artikel 45b Vw genoemde gronden zich voordoet en de artikelen 3.124, 3.125 en 3.126 Vb hierop geen uitzondering maken.

De IND gaat bij te vroeg ingediende aanvragen uit van de regels zoals die zijn opgenomen voor de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie paragraaf B12/1.1 Vc).

2.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland

De IND wijst een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen niet af op grond van artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a, als de vreemdeling direct voorafgaande aan het moment van het nemen van het besluit vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft.

2.2. De aard van het verblijfsrecht

De IND neemt aan dat sprake is van een verblijfsrecht van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 45b, eerste lid, onder a, Vw als de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking als genoemd in artikel 3.5, tweede lid, Vb, tenzij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ongelimiteerd kan worden verlengd.

De IND neemt aan dat sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht van de vreemdeling als bedoeld in artikel 45b, eerste lid, onder b, Vw als:

  • de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; of

  • de vreemdeling verblijf heeft gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen en gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning.

Als de IND de verblijfsvergunning vervolgens alsnog verleent, dan beschouwt de IND de periode van verblijf gedurende de bezwaar- of beroepsprocedure (achteraf bezien) niet meer als formeel beperkt verblijfsrecht.

2.3. Middelen van bestaan

Als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan ter hoogte van minimaal het normbedrag voor alleenstaanden als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV, telt de IND het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van het gezinslid bij wie hij verblijft mee bij de berekening van de middelen van bestaan. In dat geval geldt het toepasselijke normbedrag voor gezinnen als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb. Een kind dat feitelijk niet langer bij een gezinslid verblijft omdat hij buitenshuis een volledige dagopleiding volgt (al dan niet met een studiebeurs), wordt geacht nog steeds bij dit gezinslid te verblijven.

2.4. Openbare orde of nationale veiligheid

De IND maakt gebruik van de bevoegdheid om een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wegens gevaar voor de openbare orde dan wel nationale veiligheid af te wijzen, zoals bedoeld in artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder d en e, Vw en artikel 3.125, tweede lid, Vb, tenzij dit in strijd is met internationale verplichtingen.

2.5. Inburgeringsvereiste

De vrijstellingen staan genoemd in artikel 3.96a, tweede lid, Vb.

De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef.

(Zie B12/2.6)

2.5.1. Medische ontheffing

De IND ontheft de vreemdeling op grond van artikel 3.96a, derde lid, Vb van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen. De procedure hiervoor is terug te vinden in bijlage 4 van de Regeling inburgering.

(Zie B12/2.6.1)

2.5.2. Onbillijkheid van overwegende aard (ook wel: hardheidsclausule)

De IND ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.96a, vierde lid, Vb als de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maar:

  • de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen heeft verricht; of

  • aangetoond is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als gevolg waarvan de vreemdeling niet in staat is om aan dat examen deel te nemen of dat met goed gevolg af te leggen.

In dit verband wordt verwezen naar paragraaf B9/8.1.2.3 Vc.

In tegenstelling tot voornoemde paragraaf past de IND de hardheidsclausule niet toe indien de vreemdeling tegen zijn of haar wil in het land van herkomst is achtergelaten en voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb.

(Zie B12/2.6.2.)

2.5.3. Bewijsmiddelen

Paragraaf B9/20.1 Vc is van toepassing.

2.6. Intrekking EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen

Voor het aannemen van frauduleuze verkrijging als bedoeld in artikel 45d, derde lid, aanhef en onder b, Vw en artikel 3.127, tweede lid, Vb is als regel opzet vereist. Hierbij is niet van belang of de gegevens door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt.

De IND trekt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in wegens verblijf buiten het grondgebied van de EU dan wel buiten Nederland als is voldaan aan artikel 45d, eerste lid, onder a, Vw tenzij artikel 3.127, eerste lid, Vb hierop een uitzondering maakt.

De IND trekt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in wegens gevaar voor de openbare orde dan wel de nationale veiligheid als is voldaan aan het gestelde in artikel 45d, eerste lid onder b, Vw en artikel 3.127, derde lid, Vb.

De IND trekt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in wegens handelen in strijd met artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag als is voldaan aan het gestelde in artikel 45d, tweede lid, onder a, Vw.

De IND trekt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in wegens het verkeerd weergeven of achterhouden van feiten dan wel het gebruik van valse documenten als is voldaan aan het gestelde in artikel 45, tweede lid, onder b, Vw.

AU

Model M17-A is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 1.

AV

Model M18-A is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 2.

AW

Model M19 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 3.

AX

Model M19-A is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 4.

AY

Model M19-B is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 5.

AZ

Model M35-J is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 6.

BA

Model M76 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 7.

BB

Model M105-A is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 8.

BC

Model M105-D is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 9.

BD

Model M106-B is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 10.

BE

Model M107-A is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 11.

BF

Model M107-B is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 12.

BG

Model M108-A is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 13.

BH

Model M108-B is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 14.

BI

Model M109 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 15.

BJ

Model M109-A is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 16.

BK

Model M109-B is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 17.

BL

Model M109-C is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 18.

BM

Model M110 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 19.

BN

Model M114 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 20.

BO

Model M115 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 21.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op hetzelfde tijdstip als dat waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 27 mei 2026

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

BIJLAGE 1

Model M17A: Formulier voor het weigeren van toegang aan de grens aan onderdanen van derde landen na afhandeling van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure

BIJLAGE 2

Model M18A: Beschikking uitstellen van de toegangsweigering van asielzoekers

BIJLAGE 3

Model M19: Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 eerste lid, of eerste en tweede lid, van de Vw

BIJLAGE 4

Model M19A: Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 derde lid, of artikel 6a, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, van de Vw aan vreemdelingen die vallen onder de werking van de Asiel- en migratiebeheerverordening

BIJLAGE 5

Model M19B: Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, of artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, van de Vw voor vreemdelingen die vallen onder de werking van de Procedureverordening

BIJLAGE 6

Model M35-J: Verklaring om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 tevens geldig te verklaren voor een (de) hier te lande geboren kind(eren)

BIJLAGE 7

Model M76: Ontvangstbewijs voor het in ontvangst nemen van een verblijfsdocument

BIJLAGE 8

Model M105-A:Proces-verbaal ophouding en onderzoek als bedoeld in artikel 50, dan wel artikel 50a, Vw

BIJLAGE 9

Model M105-D: Proces-verbaal staandehouding / overbrenging

BIJLAGE 10

Model M106-B: Proces-verbaal van gehoor zich onmiddellijk te begeven naar lidstaat van verblijf (artikel 62a Vw)

BIJLAGE 11

Model M107-A: Kennisgeving als bedoeld in artikel 62a Vw, al of niet gepaard met een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, eerste of tweede lid, Vw.

BIJLAGE 12

Model M107-B Inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, eerste en tweede lid, Vw

BIJLAGE 13

Model M108-A: Maatregel ex artikel 56 Vw

BIJLAGE 14

M108-B: Proces-verbaal van gehoor bij de maatregel ex artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

BIJLAGE 15

Model M109: Maatregel van vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59 Vw

BIJLAGE 16

Model M109-A: Maatregel van vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59a Vw

BIJLAGE 17

Model M109-B: Maatregel van vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59b Vw

BIJLAGE 18

Model M109-C: Maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59, tweede lid, Vw

BIJLAGE 19

Model M110: Proces-verbaal van gehoor (artikel 59. 59a of 59b, 62a of 66a Vreemdelingenwet 2000 juncto artikel 5.8 Vreemdelingenbesluit 2000)

BIJLAGE 20

Model M114: Verzoek om ontslag uit een justitiële inrichting

BIJLAGE 21

Model M115: Lichtingsverzoek

TOELICHTING

Algemeen

In dit WBV worden de wijzigingen voor het Migratiepact in de delen A, B, C6 en D van de Vc opgenomen. Voor een uitgebreide algemene toelichting bij het Migratiepact wordt verwezen naar de toelichting in WBV 2026/8.

Deel A

In paragraaf A1/7.3 Vc zijn wijzigingen doorgevoerd die zien op de toepassing van de Screeningsverordening. Verder is de handelwijze bij toegangsweigering evenals de handelwijze bij het opleggen van grensdetentie aangepast. Ook zijn een paar wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de rechtsmiddelen van de toegangsweigering, het uitstellen van de toegangsweigering, en de toegangsweigering na afwijzing asielaanvraag in de asielgrensprocedure.

Ook in hoofdstuk A2 Vc zijn wijzigingen opgenomen die zien op de toepassing van de Screeningsverordening. Daarnaast zijn regels toegevoegd in verband met de mogelijkheid om op grond van het gewijzigde artikel 50 Vw een vreemdeling op te houden in verband met de benodigde screening, de verlenging van de ophouding en het einde van de ophouding in verband met de screening.

Aan hoofdstuk A3 Vc is een nadere uitwerking gegeven van wat een terugkeerbesluit is, is een nadere toelichting gegeven welke elementen een terugkeerbesluit bevat en zijn regels opgenomen omtrent de bevoegdheid van het nemen van een terugkeerbesluit.

Verder is uitgewerkt dat een vreemdeling op grond van artikel 68 Procedureverordening gedurende de periode dat een voorlopige voorziening aanhangig is, niet mag worden uitgezet, wanneer het asielberoep geen schorsende werking heeft.

Ook zijn wijzigingen doorgevoerd in verband met de overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

In hoofdstuk A5 Vc zijn wijzigingen opgenomen in verband met aanpassingen van (o.a.) artikel 56, 59b, 59c, 62 en 94 Vw en de toevoeging van artikel 55.0a Vw, alsmede de toevoeging van (o.a.) de artikelen 4.51a en 4.51b, 5.2 t/m 5.4a Vb en de aanpassing van de (vernummerde) artikelen 5.5 en 5.6 Vb.

Verder zijn in het gehele deel A, waar nodig, de verwijzingen naar de verordeningen, de Vw, het Vb en het VV aangepast, evenals interne verwijzingen binnen de Vc. Eveneens is, zo nodig, de terminologie zoveel mogelijk aangepast (bijvoorbeeld het wijzigen van de ‘verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd’ in verblijfsvergunning asiel’).

De modellen M17-A, M18-A, M19, M19-A, M19-B, M35-J, M76, M105-A, M105-D, M106-B, M107-A, M107-B, M108-A, M108-B, M109, M109-A, M109-B, M109-C, M110, M114 en M115 zijn aangepast qua de verwijzingen naar de verordeningen, de Vw, het Vb en het VV aangepast, evenals interne verwijzingen binnen de Vc. Eveneens is, zo nodig, de terminologie zoveel mogelijk aangepast.

Deel B

In deel B zijn, waar nodig, de verwijzingen naar de verordeningen, de Vw, het Vb en het VV aangepast, evenals interne verwijzingen binnen de Vc. Eveneens is, zo nodig, de terminologie zoveel mogelijk aangepast (bijvoorbeeld het wijzigen van de ‘verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd’ in verblijfsvergunning asiel’).

C6

In hoofdstuk C6 Vc zijn de beleidsregels voor intrekkingen en verlengingen van een asielstatus aangepast. Inhoud en procedure zijn samengevoegd in een hoofdstuk en verwijzingen naar de verordeningen, de Vw, het Vb en het VV zijn aangepast. De procedurestappen zijn in lijn gebracht met het Migratiepact. De meewerkverplichting is uitgewerkt; het uitstel voor het indien van de zienswijze is nader uitgewerkt en er is uitgewerkt wanneer geen voornemenprocedure hoeft te worden gevolgd. Eveneens is een nieuwe paragraaf opgenomen waarin staat hoe intrekkingen bekeken worden bij het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Qua inhoud is de evenredigheidstoets geschrapt; de ex-tunc beoordeling vindt niet meer plaats; het scenario dat de vreemdeling een buitenlands adres heeft is geschrapt en het scenario dat de vreemdeling zelf geen vergunning meer wil is nader uitgewerkt. Hiervoor is ook een nieuw model toegevoegd waarin de vreemdeling verklaart afstand te doen van zijn asielstatus. In WBV 2026/8 is reeds ruimte gecreëerd voor het hoofdstuk C6. Met dit WBV wordt dit hoofdstuk ook van tekst voorzien.

Deel D

In deel D zijn, waar nodig, de verwijzingen naar de verordeningen, de Vw, het Vb en het VV aangepast, evenals interne verwijzingen binnen de Vc. Eveneens is, zo nodig, de terminologie zoveel mogelijk aangepast (bijvoorbeeld het wijzigen van de ‘verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd’ in verblijfsvergunning asiel’).

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

Naar boven