Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven

Bedrijfstakeigen Regelingen 2026

Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 mei 2026 tot wijziging van het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van de Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland VEBIDAK mede namens de overige partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij ter ener zijde: Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland VEBIDAK;

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van de collectieve arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:

A

De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:

7. REGLEMENT AANVULLINGSREGELINGEN STICHTING SF BIKUDAK

Artikel 5 komt te luiden:

‘Artikel 5 – De eindejaarsuitkering WAO

  • 1. Degene die direct voor zijn arbeidsongeschiktheid werknemer of UTA-werknemer was, op 1 november van een kalenderjaar een WAO-uitkering ontvangt en al voor 1 januari 2006 arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO, heeft dat jaar recht op een eindejaarsuitkering.

    Degene die arbeidsongeschikt is geworden in de eerste 6 maanden van de WW-uitkering en direct voor zijn werkloosheid werknemer of UTA-werknemer was, op 1 november van een kalenderjaar een WAO-uitkering ontvangt, en al voor 1 januari 2006 arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO, heeft dat jaar recht op een eindejaarsuitkering.

  • 2. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt ieder jaar door CAO-partijen vastgesteld en hangt af van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld op 1 november van het kalenderjaar. De bedragen zijn als volgt vastgesteld:

     

    bruto bedrag

     

    vanaf 1 december 2020

    vanaf 1 december 2021

    vanaf 1 december 2022

    vanaf 1 december 2023

    Vanaf 1 december 2024

    Vanaf 1 december 2025

    Vanaf 1 december 2026

    bij 80% of meer arbeidsongeschiktheid

               

    € 929,30

    bij 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid

               

    € 743,50

    bij 55 tot 65% arbeidsongeschiktheid

               

    € 604,80

    bij 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid

               

    € 511,83

    bij 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid

               

    € 418,93

    bij 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid

               

    € 325,97

    bij 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid

               

    € 233,05

  • 3. Als de WAO-uitkering slechts een deel van een kalenderjaar is ontvangen, heeft de werknemer recht op een evenredig deel van de eindejaarsuitkering. Als verschillende arbeidsongeschiktheidsklassen voor werknemer golden in dat kalenderjaar, heeft hij recht op een evenredig deel van de eindejaarsuitkering.

  • 4. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december uitbetaald, onder de voorwaarde dat APG uiterlijk 1 december van dat kalenderjaar alle gegevens heeft die nodig zijn voor de vaststelling van het recht op de eindejaarsuitkering.’

Artikel 6 komt te luiden:

‘Artikel 6 – De eindejaarsuitkering IVA

  • 1. Degene die direct voor zijn arbeidsongeschiktheid werknemer was, op 1 november van een kalenderjaar een IVA-uitkering ontvangt, heeft dat jaar recht op een eindejaarsuitkering

    Degene die arbeidsongeschikt is geworden in de eerste 6 maanden van de WW-uitkering en direct voor zijn werkloosheid werknemer was en op 1 november van een kalenderjaar een IVA-uitkering ontvangt, heeft dat jaar recht op een eindejaarsuitkering.

    Het recht op een eindejaarsuitkering bestaat niet als artikel 53 van de WIA van toepassing is.

  • 2. De eindejaarsuitkering bedraagt € 929,30 vanaf 1 december 2026.

  • 3. Als de IVA-uitkering slechts een deel van een kalenderjaar is ontvangen, heeft de werknemer recht op een evenredig deel van de eindejaarsuitkering.

  • 4. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december uitbetaald, onder de voorwaarde dat APG uiterlijk 1 december van dat kalenderjaar alle gegevens heeft die nodig zijn voor de vaststelling van het recht op de eindejaarsuitkering.

  • 5. Een werknemer komt alleen in aanmerking voor de eindejaarsuitkering als hij zich daarvoor meldt bij een vertegenwoordiger van FNV Bouwen & Wonen of CNV. Daarbij dient hij alle gegevens te verstrekken die relevant zijn voor de vaststelling van het recht op de eindejaarsuitkering. De werknemer dient zich te melden binnen 3 maanden na het kalenderjaar waarin hij recht had op de eindejaarsuitkering. Daarna hoeft de werknemer zich niet meer te melden.’

Bijlage 8 het reglement verlof bij stervensbegeleiding en rouw Stichting SF Bikudak komt te luiden:

‘8. REGLEMENT VERLOF BIJ STERVENSBEGELEIDING EN ROUW STICHTING SF BIKUDAK

Artikel 1 – Betaald verlof
  • 1. Iedere werknemer als bedoeld in artikel 1A sub e. en iedere UTA-werknemer als bedoeld in artikel 1A sub f. van de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven heeft met inachtneming van de in artikel 2 genoemde voorwaarden recht op betaald verlof ten behoeve van de stervensbegeleiding van een persoon in de terminale fase als hieronder bedoeld, gedurende het hieronder genoemde aantal dagen:

    • a. De echtgeno(o)t(e) of de persoon waarmee een (UTA-)werknemer een gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie en/of door middel van een beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt: 10 dagen.

    • b. Een bloed- of aanverwant in de eerste graad (in de zin van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) of een kind dan wel de ouders van de persoon waarmee een (UTA-)werknemer een gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of door middel van een beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt: 10 dagen.

    • c. Een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de (UTA-)werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2 eerste lid van de Jeugdwet: 10 dagen.

    • d. Een bloed- of aanverwant in de tweede graad (in de zin van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) van de (UTA-)werknemer: 5 dagen.

  • 2. Geen recht op betaald verlof als genoemd in lid 1 bestaat indien de onder a, b, c of d bedoelde persoon binnen twaalf maanden vanaf de eerste dag van stervensbegeleiding opnieuw begeleiding bij sterven behoeft.

  • 3. Iedere (UTA-)werknemer heeft met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 3 recht op betaald rouwverlof in verband met de verwerking van het overlijden van een persoon als hieronder bedoeld, gedurende het hieronder bedoelde aantal dagen:

    • a. De echtgeno(o)t(e) of de persoon waarmee een (UTA-)werknemer een gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie en/of door middel van een beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt: 15 dagen

    • b. Een bloed- of aanverwant in de eerste graad (in de zin van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) of een kind dan wel de ouders van de persoon waarmee een (UTA-)werknemer een gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of door middel van een beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt: 15 dagen.

    • c. Een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de (UTA-)werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2 eerste lid van de Jeugdwet: 15 dagen.

    • d. Een bloedverwant in de tweede graad (in de zin van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) van de (UTA-)werknemer, voor zover het een broer, zus of kleinkind betreft: 10 dagen.

    • e. Een bloedverwant in de tweede graad (in de zin van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) van de (UTA-)werknemer, voor zover het een grootouder of een aanverwant in de tweede graad (in de zin van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) betreft: 5 dagen.

  • 4. Indien sprake is van deeltijdarbeid bestaat naar rato van de arbeidsduur richt op verlof voor stervensbegeleiding en op rouwverlof.

Artikel 2 – Algemene Voorwaarden
  • 1. Het voor declaratie in aanmerking komende verlof ten behoeve van stervensbegeleiding dient te zijn opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 10 dagen, gelegen voor de datum van overlijden.

  • 2. Het voor declaratie in aanmerking komende rouwverlof dient te zijn opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 15 dagen gelegen direct na het overlijden.

  • 3. De werkgever kan de verletkosten over de dagen dat de (UTA-)werknemer niet heeft gewerkt in verband met de stervensbegeleiding en/of het rouwverlof achteraf declareren bij SF BIKUDAK.

  • 4. De (UTA-)werknemer is verplicht medewerking te verlenen aan de declaratieprocedure van de verletkosten door de werkgever.

  • 5. De werkgever en de (UTA-)werknemer zijn verplicht aan SF BIKUDAK desgevraagd inzicht te verlenen in de in dit reglement genoemde gegevens die direct of indirect betrekking hebben op de door genoemde stichting te verstrekken bijdrage.

  • 6. Als de (UTA-)werknemer ziek wordt tijdens het verlof, loopt het verlof gewoon door. De verlofdagen schuiven dus niet op. Ziekte kan betekenen dat het verlof beëindigd wordt.

Artikel 3 – Procedure
  • 1. Na aanvang van het verlof ten behoeve van stervensbegeleiding c.q. rouw vraagt de werkgever aan SF BIKUDAK om toezending van een declaratieformulier voor verlof bij stervensbegeleiding en rouw.

  • 2. Binnen drie maanden na de datum van overlijden zendt de werkgever SF BIKUDAK het volledig ingevulde en door zowel de werkgever als de (UTA-)werknemer ondertekende declaratieformulier toe, inclusief de in lid 3 van dit artikel genoemde bijlage.

  • 3. Het declaratieformulier dient vergezeld te gaan van een kopie van de overlijdensakte van de betreffende persoon.

  • 4. De kosten van de in het derde lid van dit artikel genoemde bijlagen komen voor rekening van de (UTA-)werknemer.

  • 5. SF BIKUDAK neemt aanvragen slechts in behandeling als is voldaan aan hetgeen is gesteld in het derde lid van dit artikel.

Artikel 4 – Samenloop

Per gebeurtenis waarbij meerdere personen als bedoeld in artikel 1, lid 1 van dit reglement vrijwel gelijktijdig komen te overlijden, worden door SF BIKUDAK aan de werkgever de verletkosten vergoed van maximaal 10 dagen verlof ten behoeve van stervensbegeleiding alsmede maximaal 15 dagen rouwverlof.

Artikel 5 – Slotbepaling

Dit reglement is in werking getreden op 1 oktober 2003 en laatstelijk gewijzigd met ingang van 15 april 2026.’

Dictum II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 29 mei 2026

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur Collectieve arbeidsovereenkomsten, P.S. Nanhekhan


X Noot
1

Stcrt. 2022 nr. 20523 (rectificatiebesluit 2022, nr. 20523-n1), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 februari 2026 (Stcrt 2026 nr. 3291).


X Noot
1

Stcrt. 2022 nr. 20523 (rectificatiebesluit 2022, nr. 20523-n1), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 februari 2026 (Stcrt 2026 nr. 3291).

Naar boven