Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 januari 2026 nr. 2026-436 over resultaat uit overige werkzaamheden (Besluit ROW 2026)

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Beleid;

1. Inleiding

Dit besluit vervangt het besluit van 29 november 2021, nr. 2021-15229 (Stcrt. 2021, 48048). Enkele onderdelen zijn vervallen en er zijn beleidsstandpunten verwerkt die nieuw zijn.

De wijzigingen betreffen:

  • Onderdeel 2 (oud) over de fiscale behandeling van inkomsten verkregen uit deelname aan een lokaal geldstelsel is van voorlichtende aard en is vervallen.

  • Het nieuwe onderdeel 2 behandelt ROW in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001, niet zijnde lucratief belang of terbeschikkingstelling. Hierin zijn zes nieuwe beleidsstandpunten verwerkt (2.1 tot en met 2.6).

  • Het nieuwe onderdeel 3 behandelt onderwerpen op het gebied van de terbeschikkingstelling. Hierin zijn de onderdelen 3 (oud) tot en met 11 (oud) opgenomen en vernummerd. Daarnaast zijn er inhoudelijke wijzigingen aangebracht in de volgende onderdelen:

    • Onderdeel 3.2.2.1 (oud onderdeel 4.2), waarbij een deel is ondergebracht in een nieuw onderdeel 3.2.2.2.

    • Onderdeel 3.7.1 (oud onderdeel 8.1.).

    • Onderdeel 3.7.2.2 (oud onderdeel 8.2.2.).

    • Onderdeel 3.7.2.3 (oud onderdeel 8.2.3.).

    • Onderdeel 3.7.2.5 (oud onderdeel 8.2.5.).

    • Onderdeel 3.8.1 (oud onderdeel 8.3.1.).

    • Onderdeel 8.2.1 (oud) is vervallen.

    • Er zijn twee nieuwe beleidsstandpunten toegevoegd (onderdeel 3.16 en 3.17).

  • Het nieuwe onderdeel 4 behandelt lucratief belang onderwerpen, waarbij één nieuw beleidsstandpunt is toegevoegd (onderdeel 4.1).

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

AWR

Algemene wet over rijksbelastingen

BV

Besloten vennootschap

BW

Burgerlijk Wetboek

ROW

Resultaat uit overige werkzaamheden

WFKR

Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen

Wet IB 2001

Wet inkomstenbelasting 2001

2. ROW in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001

2.1 Betalingen aan tbs-verpleegden1

Een kliniek voor forensische psychiatrie biedt patiënten als onderdeel van hun behandelplan wekelijkse blokken aan op het gebied van dagbesteding, opleiding of werk. Deelname is niet verplicht. Wel ontvangen de patiënten voor deelname een vergoeding van drie euro per blok. In de praktijk is de vraag opgekomen of deze vergoeding als een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001 kan worden beschouwd. Deze vergoeding vormt geen bron van inkomen. De werkzaamheden liggen namelijk in de persoonlijke sfeer en de vergoeding is van ondergeschikt belang. De deelname wordt overwegend gemotiveerd vanuit een klinisch behandelplan.

2.2 Ontvangen van dwangsommen door een bestuursorgaan2

In de praktijk is de vraag opgekomen of vergoedingen die door een bestuursorgaan worden betaald aan particulieren niet zijnde ondernemers of resultaatgenieters, bijvoorbeeld een dwangsom door het niet (tijdig) beslissen op een bezwaarschrift, als een afzonderlijke werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001 kan worden gezien. Dit is doorgaans niet het geval, omdat in de regel geen sprake is van een bron van inkomen. Van een afzonderlijke werkzaamheid kan in het uitzonderlijke geval bijvoorbeeld wel sprake zijn als aannemelijk is dat een belanghebbende met als enige doel het verkrijgen van dwangsommen veelvuldig bezwaren en verzoeken indient bij bestuursorganen.

2.3 Negatief ROW 3

In de praktijk is de vraag opgekomen of er sprake kan zijn van negatief ROW in het geval van al ontvangen bedragen die als ROW zijn aangemerkt, dienen te worden terugbetaald. Er moet in zo’n geval sprake zijn van een terugbetalingsverplichting. Er kan slechts sprake kan zijn van negatief ROW voor zover de al ontvangen bedragen tot een positief bedrag in de heffing zijn betrokken.

2.4 Logeerouders4

Een stichting brengt logeerouders samen met kinderen met een hulpvraag, met als doel dat de kinderen af en toe kunnen logeren in het logeergezin. De logeerouders ontvangen een bepaalde dagelijkse vergoeding. In de praktijk is de vraag opgekomen of deze vergoeding als een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001 kan worden beschouwd.

Hoewel de beoordeling altijd afhankelijk is van de specifieke feiten en omstandigheden, is het aannemelijk dat in dergelijke gevallen de vergoeding binnen de persoonlijke sfeer ligt. Het is aannemelijk dat de logeerouders deelnemen vanuit persoonlijke, ideële overwegingen, te weten het bieden van een logeerplek voor kinderen met een hulpvraag door tussenkomst van de stichting. Dit wordt bevestigd indien de vergoeding enkel voldoende is om (een deel van) de kosten te dekken. In dergelijke gevallen vormt de vergoeding geen bron van inkomen.

2.5 Online donaties5

In de praktijk zijn er mensen en organisaties die online content aanbieden en via een donatiemodel geld inzamelen. De werkzaamheden in het kader waarvan de donaties worden ontvangen, kunnen een bron van inkomen vormen als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. deelname aan het economische verkeer

    Het is aannemelijk dat door het openstellen van een eigen kanaal op sociale media en het daarbij actief werven van bijdragen om een volgende uitzending mogelijk te maken (bijvoorbeeld door middel van een duidelijk zichtbare betaalknop), sprake is van een activiteit die gericht is op deelname aan het economisch verkeer.

  • 2. het (subjectieve) oogmerk voordeel te behalen; en

    Uit het aangaan van overeenkomsten met platforms of serviceproviders die het mogelijk maken om bedragen te ontvangen voor, via of door middel van de uitingen op socialemediakanalen, vloeit voort dat de activiteit gericht is op het behalen van opbrengsten.

  • 3. de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

    De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet – in principe – beantwoord worden op basis van de feiten en omstandigheden van dat jaar. Wanneer bij aanvang de verwachting is dat de kosten de baten overtreffen, is geen sprake van een bron van inkomen. Als echter (later) blijkt dat de opbrengsten hoger zijn dan de kosten is alsnog sprake van een bron van inkomen.

De beoordeling of in een individueel geval aan deze drie voorwaarden is voldaan, en de vervolgvraag of er sprake is van ROW of winst uit onderneming, is in eerste instantie voorbehouden aan de inspecteur en kan bij verschil van inzicht ook getoetst worden door de rechter.

2.6 Financieringskosten en bronbeoordeling

De Hoge Raad heeft in een arrest uit 20146 geoordeeld dat in de beoordeling of een organisatie van arbeid en kapitaal kan worden aangemerkt als een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001, mede dient te worden betrokken de rente en kosten op geldleningen die zijn aangegaan ter financiering van die organisatie. Tot de organisatie hoort namelijk mede het in de vorm van vreemd vermogen werkzame kapitaal. De vraag komt op of de overwegingen van de Hoge Raad van toepassing zijn op de beoordeling van de vraag of de bron kwalificeert als ROW.

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Lucratief belang in de zin van artikel 3.92b Wet IB 2001 en het ter beschikkingstellen van vermogen in de zin van de artikelen 3.91 en art. 3.92 Wet IB 2001 zijn door wetsfictie gedefinieerd als resultaat. Voor deze vormen van inkomen is daarom in ieder geval de toets aan de bronvoorwaarden niet relevant.

De rente en kosten van de financiering van een vermogensbestanddeel is wel relevant indien het gaat om artikel 3.90 Wet IB 2001 en ook bij artikel 3.91, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Indien in dergelijke gevallen de kapitaalcomponent naast arbeid een wezenlijk onderdeel vormt van de bron, dienen de financieringskosten bij de bronbeoordeling in aanmerking te worden genomen.

Voorbeeld 1:

X geeft bijles en schaft daarvoor een laptop aan. X leent hiervoor geld bij de bank. De financieringskosten van deze laptop worden niet meegenomen bij de bronbeoordeling. De arbeid staat voorop en er is sprake van een bron (dienst in het economisch verkeer).

Voorbeeld 2:

X koopt een pand met het doel om het daarna weer met winst door te verkopen. X leent hiervoor geld bij de bank. De financieringskosten worden meegenomen in de bronbeoordeling, want het pand vormt een wezenlijk onderdeel van de bron.

3. Terbeschikkingstelling

3.1 Gemeenschappelijk eigendom en terbeschikkingstelling

3.1.1 Gebruik pand in eenmanszaak

Als fiscaal partners gezamenlijk een pand in eigendom hebben dat gebruikt wordt in de onderneming van één van hen, hangt het van de civielrechtelijke vorm van de gemeenschappelijke eigendom af of de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is.

Er moeten twee situaties onderscheiden worden.

  • a. Beperkte of algehele huwelijksgoederengemeenschap

    Als de onroerende zaak tot een beperkte of algehele huwelijksgoederengemeenschap behoort, zijn de normale regels van vermogensetikettering van toepassing op de gehele onroerende zaak. Er is geen sprake van een werkzaamheid in de zin van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a of b, Wet IB 2001. Zie ook HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3030.

  • b. Geen huwelijksgoederengemeenschap

    Als een beperkte of algehele huwelijksgoederengemeenschap ontbreekt, is sprake van een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW, die ook tussen derden kan bestaan. Op het gedeelte van het pand dat toebehoort aan de partner die de onderneming drijft, zijn de normale regels van vermogensetikettering van toepassing. Het gedeelte van het pand dat toebehoort aan de andere partner wordt ter beschikking gesteld aan de onderneming van een verbonden persoon, zodat voor dit gedeelte van het pand sprake is van een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a of b, Wet IB 2001.

3.1.2 Gebruik pand in firma tussen partners (gehuwd dan wel ongehuwd)

Als een vermogensbestanddeel ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap waarin beide partners vennoot zijn, gehuwd dan wel ongehuwd, kan sprake zijn van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a of b, Wet IB 2001. Aan de hand van onderstaande voorbeelden zal ik hierop ingaan.

Voorbeeld 1

A en B wonen al een aantal jaren ongehuwd samen. Zij drijven in firmaverband een onderneming, genaamd Vof A-B, de winstverdeling is 60%–40%. Zij kopen ieder voor de helft een woonbedrijfspand. Het pand wordt deels als bedrijfsruimte gebruikt in Vof A-B en deels als woonruimte. Het pand is bouwkundig niet splitsbaar en behoort tot het keuzevermogen. Zowel A als B rekenen hun aandeel tot het privévermogen.

Uitwerking voorbeeld 1

Het pand behoort tot een eenvoudige gemeenschap. De een stelt zijn/haar aandeel in het pand deels ter beschikking aan de onderneming van de ander in de zin van artikel 3.91 Wet IB 2001. Het gedeelte van het pand dat toebehoort aan A wordt deels in de eigen onderneming gebruikt, zijnde 60% van 50% van de woonbedrijfsruimte en deels ter beschikking gesteld aan de onderneming van B, een verbonden persoon, namelijk voor 40% van 50% van de woonbedrijfsruimte. Voor dat laatstgenoemde gedeelte is sprake van een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.91 Wet IB 2001. Voor het gedeelte dat toebehoort aan B geldt hetzelfde (maar dan precies andersom). B stelt aan A ter beschikking: 60% van 50% van de woonbedrijfsruimte en gebruikt 40% van 50% van de woonbedrijfsruimte in de eigen onderneming.

Dit voorbeeld zou hetzelfde uitwerken als A en B gehuwd zijn, het pand in gemeenschappelijk eigendom is en het pand niet tot een beperkte of algehele huwelijksgemeenschap, maar tot een eenvoudige gemeenschap, bedoeld in artikel 3:166 BW, behoort.

Voorbeeld 2

A en B zijn gehuwd. Zij drijven in firmaverband een onderneming, genaamd Vof A-B, de winstverdeling is 60%–40%. Zij kopen ieder voor de helft een woonbedrijfspand. Het pand behoort tot een beperkte of algehele huwelijksgemeenschap. Het pand wordt deels als bedrijfsruimte gebruikt in Vof A-B en deels als woonruimte. Het pand is bouwkundig niet splitsbaar en behoort tot het keuzevermogen. Zowel A als B rekenen hun aandeel tot hun privévermogen.

In dit voorbeeld drijven beide echtgenoten een onderneming. Op grond van artikel 1:97, tweede lid, BW, zijn beide echtgenoten bestuursbevoegd over het pand.

De bestuursbevoegdheid geldt voor het aandeel in het samenwerkingsverband waartoe de respectievelijke echtgenoot gerechtigd is. In deze situatie is alsdan geen sprake van een terbeschikkingstelling. (Gerechtshof Den Haag 20 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2240)

Als het eigendomsaandeel in het ondernemingsgedeelte van het pand van een van de partners zijn winstaandeel in de personenvennootschap overtreft, is sprake van een terbeschikkingstelling aan de echtgenoot in de zin van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

3.2. Aanvang en overgang terbeschikkingstelling

3.2.1 Tijdstip aanvang terbeschikkingstelling

Bij het bepalen van het moment van aanvang van de terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel zijn de bedoeling(en) van partijen en feiten en omstandigheden van belang. In gevallen waarin een vermogensbestanddeel wordt aangeschaft met de gezamenlijke bedoeling van de belastingplichtige en een gelieerde ondernemer of vennootschap om het vermogensbestanddeel in gebruik te geven aan die onderneming of vennootschap, is van terbeschikkingstelling sprake op het moment waarop dat goed is aangeschaft.

Als de gezamenlijke bedoeling niet in een overeenkomst is neergelegd, kan ook sprake zijn van terbeschikkingstelling. Hier is sprake van indien de aanschaf en het gereedmaken zijn geschied onder zodanige omstandigheden dat, als de (toekomstige) gebruiker ervan een niet-gelieerde persoon zou zijn geweest, met deze gebruiker over die aanschaf en het gereedmaken voorafgaand afstemming zou hebben plaatsgevonden. Als het vermogensbestanddeel al eigendom is van de belastingplichtige, maar aanvankelijk op een andere wijze werd aangewend, kan de terbeschikkingstelling niet eerder aanvangen dan na de beëindiging van die andere aanwending (zie ook HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0473 en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BF2227).

3.2.2.1 Waardering (on)roerende zaak bij terbeschikkingstelling

Als een (on)roerende zaak vanaf het moment van verwerving ter beschikking wordt gesteld aan een gelieerde ondernemer of vennootschap, moet die zaak op de openingsbalans worden opgenomen voor de kostprijs inclusief de aanschaffingskosten (HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:B9790). Wordt de (on)roerende zaak op een later moment ter beschikking gesteld aan een gelieerde ondernemer of vennootschap, dan moet die zaak op de openingsbalans te boek worden gesteld op de waarde in het economische verkeer op het moment dat de ter beschikking stelling aanvangt. Bij de waardering van gronden die verpacht worden, speelt de waardedrukkende factor van de pacht een rol.

Voorbeelden

  • Landbouwgrond wordt op enig moment door middel van een pachtcontract ter beschikking gesteld in de zin van artikel 3.91 Wet IB 2001 en verhuist daardoor van box 3 naar box 1. De grond wordt te boek gesteld op de waarde in verpachte staat.

  • Een landbouwer brengt zijn onderneming (ruisend) in, in een vennootschap. De landbouwgronden blijven buiten de inbreng en worden aan de vennootschap verpacht. De landbouwgronden worden op de openingsbalans te boek gesteld op de waarde in verpachte staat (zie ook onderdeel 3.15, verpachting in de agrarische sector).

  • Een schuldvordering die onder zakelijke voorwaarden is overeengekomen, kan op enig moment een schuldvordering in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001 worden, bijvoorbeeld als de schuldeiser alle aandelen verwerft van de vennootschap die tevens schuldenaar is. Als de contractrente op dat moment lager is dan de dan geldende zakelijke rente, zal de waarde in het economische verkeer lager zijn dan de nominale waarde van de vordering. Jaarlijks zal de vordering moeten worden gewaardeerd. Zowel de waarde-aanpassingen als de daadwerkelijk overeengekomen rentebaten worden bij belanghebbende in het belastbaar ROW betrokken.

3.3 Overgang werkzaamheid in onderneming

In het arrest HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:831 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de doorschuifregeling van artikel 3.99 Wet IB 2001 wordt toegepast wanneer de werkzaamheid op grond van artikel 3.91 Wet IB 2001 uitgroeit tot een onderneming. Op grond van dit arrest meen ik dat de doorschuifregeling ook van toepassing kan zijn op de werkzaamheden genoemd in artikel 3.92 Wet IB 2001.

Voorbeeld

A bezit een onroerende zaak welke ter beschikking is gesteld aan een vennootschap waarvan A aandeelhouder is. De onroerende zaak wordt geheel gebruikt in de onderneming van de BV. A wil vanuit de vennootschap-situatie ruisend terug naar IB-ondernemerschap. De onroerende zaak gaat na de ruisende terugkeer tot het ondernemingsvermogen behoren. Op grond van de doorschuifregeling in artikel 3.99 Wet IB 2001 wordt de werkzaamheid geacht niet te zijn gestaakt, waardoor geen directe belastingheffing plaatsvindt over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de boekwaarde van de onroerende zaak. De boekwaarde van de onroerende zaak wordt ook doorgeschoven. Hierdoor gaat geen belastingclaim verloren.

In het geval een belastingplichtige gehuwd is en het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel behoort tot de algehele of beperkte gemeenschap van goederen, zoals bedoeld in artikel 3.92, vierde lid, Wet IB 2001, leidt bovengeschetste overdracht van de onroerende zaak voor de partner van de belastingplichtige wel tot eindafrekening met betrekking tot de terbeschikkingstelling. Bij de partner is de doorschuifregeling van artikel 3.99 Wet IB 2001 niet toepasbaar, nu de onroerende zaak door de overdracht niet gaat behoren tot ondernemingsvermogen van de partner.

In het geval van eindafrekening is het mogelijk om op grond van artikel 25 van de Invorderingswet 1990, onder voorwaarden uitstel van betaling te verlenen.

Overigens kan in het hiervoor omschreven geval, waarin een belastingplichtige gehuwd is en het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel behoort tot de algehele of beperkte gemeenschap van goederen, zoals bedoeld in artikel 3.92, vierde lid, Wet IB 2001, afrekening bij de partner achterwege blijven op grond van artikel 3.98 Wet IB 2001 door de ter beschikkingstelling met toepassing van artikel 14c Vpb, te beëindigen.

3.4 Ter beschikking stellen bij bloot eigendom

Het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel wordt aangemerkt als het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel (artikel 3.91, tweede lid, onderdeel a, ten derde en artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, Wet IB 2001). Dit is onder meer het geval in de situatie waarin een vennootschap een onroerende zaak in verhuurde staat koopt en de blote eigendom ervan aan zijn aandeelhouder verkoopt. De aandeelhouder stelt de facto vermogen aan zijn vennootschap ter beschikking en behaalt rendement door het aangroeien van de blote eigendom tot een vol eigendom (vollopen). Zie ook Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 470. Daarbij maakt het niet uit dat een derde de feitelijke gebruiker is van de onroerende zaak. Voor de toepassing van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is namelijk niet vereist dat de vennootschap het vermogensbestanddeel zelf gebruikt. Ook het genieten van het vruchtgenot door de vennootschap in de vorm van de huurpenningen moet daarom onder de toepassing van deze regeling worden begrepen. Ter zake van het 'vollopen' van de blote eigendom geniet de aandeelhouder jaarlijks ROW. Uit HR 5 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX0136, volgt dat goed koopmansgebruik niet toelaat om resultaat, ontstaan als gevolg van de jaarlijkse vermindering van de last van het vruchtgenot, niet in aanmerking te nemen in het jaar waarin het is ontstaan. Indien de belastingplichtige het bloot eigendom verkrijgt als gevolg van een gesplitste aankoop van vruchtgebruik en bloot eigendom, volgt uit HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1202 dat hij niet verplicht is tot jaarlijkse opwaardering in verband met de vrijval van het gebruiksrecht.

3.5 Ter beschikking stellen bij / zonder vestiging zakelijk recht van opstal

Als een vennootschap bouwt op grond die in eigendom is van de aandeelhouder van de vennootschap, leidt dit tot terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001.

3.5.1 Geen recht van opstal

Als een aandeelhouder geen recht van opstal verleent aan zijn vennootschap, wordt de aandeelhouder de eigenaar van hetgeen de vennootschap bouwt op de grond van de aandeelhouder. Er vindt in beginsel een vermogensverschuiving plaats van de vennootschap naar de aandeelhouder waarvan beiden zich bewust moeten zijn. Er is sprake van een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder.

De aandeelhouder stelt zowel de ondergrond (al tijdens de bouwfase) als de bedrijfsruimte (na de bouwfase) ter beschikking aan de vennootschap in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001. Een zakelijk bepaalde vergoeding wordt tot het belastbaar ROW van belanghebbende gerekend. Eventuele financieringsrente die aan dit gedeelte van de ondergrond kan worden toegerekend, wordt bij de bepaling van het belastbaar resultaat in aanmerking genomen.

3.5.2 Recht van opstal
3.5.2.1 De ondergrond

Als de vennootschap onder zakelijke voorwaarden een recht van opstal bedingt, wordt de opstal niet aan de vennootschap ter beschikking gesteld, maar de ondergrond waarop de opstal wordt gebouwd wel.

Een zakelijk bepaalde vergoeding voor het gebruik van de ondergrond wordt tot het belastbare ROW van de aandeelhouder gerekend (artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, Wet IB 2001). Eventuele financieringsrente die aan dit gedeelte van de ondergrond kan worden toegerekend, wordt bij de bepaling van het resultaat in aanmerking genomen.

3.5.2.2 De vestiging van het recht van opstal

De vestiging van het recht van opstal wordt aangemerkt als het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel. Om mogelijke onduidelijkheden weg te nemen, wordt in artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, Wet IB 2001 het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld met name genoemd. Bij de vestiging van het recht van opstal kan overeengekomen worden dat de opstaller een vergoeding ineens of een periodieke vergoeding moet betalen. De zakelijk bepaalde vergoeding voor het vestigen van het recht van opstal wordt belast als ROW in de jaren waarop zij betrekking heeft. Het jaarlijkse resultaat wordt gevormd door de vermindering van de last van het recht van opstal in dat jaar.

3.6 Terbeschikkingstelling in de voorperiode aan een vennootschap in oprichting

In de voorperiode van een vennootschap kan al sprake zijn van het ter beschikking stellen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. Tijdens de voorperiode wordt de belastingplichtige/oprichter aangemerkt als aanmerkelijkbelanghouder in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001. Hij heeft immers het recht om alle nog te creëren aandelen in zijn vennootschap te verwerven terwijl het economische belang van de nog uit te geven aandelen al bij hem berust. Dat er in juridische zin in de voorperiode nog geen aandelen zijn uitgegeven, acht ik van ondergeschikte betekenis. In het verlengde daarvan is de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing als er in de voorperiode een schuldvordering aanwezig is. Voor de volledigheid merk ik op dat de vennootschap in oprichting de met de voorperiode samenhangende rente voor de winstbepaling in aanmerking kan nemen. Als de vennootschap niet tot stand komt, heeft de vennootschap niet bestaan en daardoor de vordering ook niet. Van het ter beschikking stellen van vermogen is dan nooit sprake geweest. In het geval er andere vermogensbestanddelen ter beschikking zijn gesteld, zoals een pand, geldt hetzelfde.

3.7 Schuldvordering, onzakelijke lening en borgstelling

3.7.1 Vooroverleg leningen en borgstellingen

Een lening aan – of een borgstelling voor – een vennootschap waarin de verstrekker/borg een aanmerkelijk belang heeft, kwalificeert als een werkzaamheid bestaande uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001. Voor de fiscale gevolgen zijn de feiten en omstandigheden op het moment van aangaan van de lenings- of borgstellingsovereenkomst bepalend. Het vooraf schriftelijk vastleggen van de voorwaarden van de lening/borgstelling bevordert de duidelijkheid over de bedoeling van partijen. Een lening aan – of borgstelling voor – een eigen vennootschap kan méér gevolgen hebben dan enkel TBS. Te denken valt aan gevolgen voor het aanmerkelijk belang, de vennootschapsbelasting en de schenkbelasting. Bij twijfel over de fiscale gevolgen kan de belastingplichtige zekerheid over deze gevolgen vragen aan de inspecteur.

3.7.2 Fiscale duiding schuldvordering voor de terbeschikkingstellingsregeling

Het aangaan of hebben van een schuldvordering op een “eigen” vennootschap, op een verbonden persoon of op bepaalde samenwerkingsverbanden wordt gekwalificeerd als ROW (terbeschikkingstellingsregeling, artikelen 3.91 en 3.92 Wet IB 2001). Hierna wordt in plaats van schuldvordering ook gesproken over lening, leningsovereenkomst, of financieringsovereenkomst. De Hoge Raad heeft in een aantal arresten meer duidelijkheid verschaft over de onzakelijke lening. Dit betreft zowel de definiëring van de onzakelijke lening als de afwikkeling ervan. Daarbij is van belang dat een zakelijke lening wel ten laste van het resultaat mag worden afgewaardeerd en een onzakelijke lening niet. Hierna geef ik onder andere de gevolgen weer die de arresten hebben op mijn beleid voor leningen die worden gekwalificeerd als resultaat uit overige werkzaamheden.

Langs de volgende lijnen wordt de geldverstrekking gekwalificeerd en vervolgens beoordeeld of sprake is van een zakelijke of onzakelijke lening binnen de terbeschikkingstellingsregeling van de artikelen 3.91 en 3.92 Wet IB 2001.

3.7.2.1 Kwalificatie geldverstrekking

Voor de fiscale duiding van een geldverstrekking is het civiele recht het uitgangspunt (HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Een belangrijk element is de terugbetalingsverplichting. Als een terugbetalingsverplichting onderdeel uitmaakt van de geldverstrekking, zal veelal sprake zijn van een schuldvordering. Deze leningen vallen onder de terbeschikkingstellingsregeling, mits sprake is van een omstandigheid omschreven in de artikelen 3.91 of 3.92 Wet IB 2001, bijvoorbeeld als de lening is verstrekt aan de eigen vennootschap.

Sommige leningen hebben niet het karakter van het verstrekken van vreemd vermogen, maar het verstrekken van eigen vermogen. Deze leningen worden afgewikkeld in de kapitaalsfeer. Het gaat hierbij om de volgende typen leningen:

  • Schijnlening: een lening die slechts in schijn bestaat, omdat partijen in werkelijkheid een kapitaalverstrekking hebben willen overeenkomen en geen overeenkomst van geldlening.

  • Deelnemerschapslening: een lening die aan drie cumulatieve voorwaarden voldoet: winstafhankelijkheid van de vergoeding, achterstelling bij alle concurrente crediteuren en het ontbreken van een vaste looptijd.

  • Bodemlozeputlening: een lening waarvan op het moment van de geldverstrekking al duidelijk is dat de opgenomen gelden niet kunnen of zullen worden terugbetaald.

3.7.2.2 Leningsvoorwaarden niet te verzakelijken: onzakelijke lening

Als het onder de overeengekomen voorwaarden niet mogelijk is een zakelijk (in wezen niet-winstdelend) rentepercentage vast te stellen, waarbij een onafhankelijke derde nog bereid zou zijn om een lening onder overigens dezelfde voorwaarden te verstrekken, dan is – behoudens bijzondere omstandigheden (HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9156) – sprake van een onzakelijke lening. Er geldt dan dat de geldverstrekker een debiteurenrisico loopt dat een (onafhankelijke) derde niet zou hebben genomen. Of een geldverstrekking voor de heffing van de inkomstenbelasting kwalificeert als een onzakelijke lening moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de crediteur.

Een lening wordt in haar geheel beoordeeld. Splitsing van een lening in een zakelijk en onzakelijk deel is niet mogelijk. Is sprake van afzonderlijke geldverstrekkingen die niet zijn vastgelegd in een leningsovereenkomst, dan moet de zakelijkheid per geldverstrekking afzonderlijk worden beoordeeld.

Als sprake is van een onzakelijke lening, moet bij de vaststelling van de fiscale jaarwinst de rente (als vuistregel) worden gesteld op de rente die de debiteur (de vennootschap) zou moeten vergoeden, als zij met een borgstelling van de crediteur onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen (HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442).

Als de crediteur geen betere kredietwaardigheid heeft dan de debiteur voegt de fictieve borgstelling niets toe. In dat geval kan in ieder geval niet meer dan de risicovrije rente op de geldlening in aanmerking worden genomen.

Een afwaardering kan, vanwege het op onzakelijke gronden aanvaarde debiteurenrisico, niet ten laste van het resultaat worden gebracht.

3.7.2.3 Zakelijkheidstoets voorwaarden lening: zakelijke lening

De zakelijkheid van de hoogte van de rentevergoeding wordt in samenhang met de overige voorwaarden van de overeenkomst, zoals de looptijd, aflossing en eventuele zekerheden, beoordeeld. Is de hoogte van de rentevergoeding niet in overeenstemming met het zakelijkheidsbeginsel (waarbij een beoordeling vanuit het perspectief van de uitlener en het perspectief van de inlener dient plaats te vinden), dan wordt de rentevergoeding gecorrigeerd zodanig dat wel wordt voldaan aan dit beginsel. Ook de overige voorwaarden van de overeenkomst dienen, indien zij onzakelijk zijn, te worden verzakelijkt.

Als het rentepercentage met inachtneming van het voorgaande is gecorrigeerd, en de overige voorwaarden zijn verzakelijkt, dan is sprake van een zakelijke lening met zakelijke voorwaarden. Een eventuele afwaardering kan dan plaatsvinden ten laste van het resultaat.

3.7.2.4 Beoordelingstijdstip

Of sprake is van een onzakelijke lening moet worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening ook gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog onzakelijk kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door het aanpassen van de voorwaarden. Onder onzakelijk handelen wordt mede begrepen het nalaten te handelen door de crediteur op het moment dat een onafhankelijke derde die eenzelfde lening onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden zou hebben verstrekt, wel gehandeld zou hebben teneinde het debiteurenrisico te beperken (HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735). Door de aanpassing van onzakelijke leningsvoorwaarden kan de lening weer zakelijk worden. Dat is echter niet meer mogelijk als het op onzakelijke gronden aanvaarde debiteurenrisico zich al heeft gemanifesteerd.

3.7.2.5 Kwijtschelden onzakelijke lening

Het kwijtschelden van een onzakelijke lening aan een vennootschap waarin door belanghebbende of een verbonden persoon op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001 een aanmerkelijk belang wordt gehouden, zal leiden tot een informele kapitaalstorting, ook indien en voor zover de vordering oninbaar is (HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952). Immers, het verlies dat de verstrekker bij de kwijtschelding lijdt, vloeit dan voort uit het door hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaarde debiteurenrisico. Een eventueel verlies dat de verstrekker lijdt door de kwijtschelding, komt daarom niet ten laste van het resultaat.

Voor de gevolgen voor het aanmerkelijk belang verwijs ik naar onderdeel 5.14 van het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025. Ook voor de debiteur zal in een zodanig geval de kwijtschelding als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt.

3.8 Fiscale duiding borgstelling voor de terbeschikkingstellingsregeling

Een borg kan onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen voor een borgstelling uit hoofde van een borgstellingsovereenkomst die is aangegaan voor een schuld van de vennootschap waarin de borg of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft.

3.8.1 Borgstelling in kapitaalsfeer

Als een borg het uit de borgstelling voortvloeiende risico aanvaardt met de bedoeling het belang van zijn vennootschap te dienen in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, is sprake van een (onzakelijke) borgstelling in de kapitaalsfeer. Een borgstelling valt niet onder de terbeschikkingstellingsregeling als deze zich in de kapitaalsfeer afspeelt. Bij natuurlijke personen zal de afwikkeling van de borgstelling (en de eventuele regresvordering) dan plaatsvinden in de kapitaalsfeer en zal daarmee binnen het bereik van het aanmerkelijkbelangregime vallen. Een verlies kan niet ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid worden gebracht.

Borgstellingen zullen zich in vrijwel alle gevallen in de kapitaalsfeer afspelen. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake zijn als:

  • de aandeelhouder – mede gezien zijn vermogenspositie of die van de vennootschap – door borg te staan jegens deze vennootschap in wezen geen reële prestatie verricht;

  • het risico dat de aandeelhouder met de borgstelling loopt door een onafhankelijke derde, onder vergelijkbare omstandigheden, bij geen enkele in wezen niet-winstdelende borgstellingsvergoeding zou zijn genomen; of

  • de aandeelhouder de borgstelling onder zodanige omstandigheden is aangegaan dat, naar hem al aanstonds duidelijk moet zijn geweest, hij voor het geheel of voor een gedeelte van de schuld waarop de borgstellingsovereenkomst betrekking heeft, zal worden aangesproken.

De omstandigheid dat een bank borgstelling eist om te voorkomen dat de aandeelhouder gelden aan de vennootschap onttrekt, is onvoldoende om een borgstelling als zakelijk aan te merken. Normaliter verlangt een schuldeiser een borgstelling om op de borg de schuld van de schuldenaar te kunnen verhalen voor het geval de schuldenaar zelf in gebreke blijft. Als de bank op andere gronden dan om de schulden van de vennootschap bij het in gebreke blijven van de vennootschap te kunnen verhalen een borgstelling verlangt, is dit onvoldoende om de borgstelling als zakelijk aan te merken. (vgl. HR 25 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2740). Er is aanleiding te veronderstellen dat de borgstelling zich in de kapitaalsfeer bevindt indien geen (niet in wezen van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden (zie hiervoor HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2984). Als de voor borgstelling geldende formaliteiten niet in acht worden genomen, kan dat een belangrijke aanwijzing zijn dat sprake is van een onzakelijke borgstelling.

3.8.2 Borgstelling valt onder terbeschikkingstellingsregeling

Als de borgstelling onder de terbeschikkingstellingsregeling valt, is dit het geval vanaf het tijdstip van aangaan van de borgstellingsovereenkomst (HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR6345). De borgsteller passiveert op zijn werkzaamheidsbalans de met de borgstelling samenhangende verplichting zolang hij nog niet als borg is aangesproken. Zie voor het vormen van een voorziening paragraaf 3.8.4. De vermogensbestanddelen die de borg bezit, gaan door de borgstelling niet tot het werkzaamheidsvermogen behoren wanneer de borg door de schuldeiser wordt aangesproken een betaling te doen. Dat geldt ook als een niet in algehele of beperkte gemeenschap gehuwde echtgenoot een hypotheek laat vestigen op zijn pand ten behoeve van schulden van de van de andere echtgenoot. Dat pand blijft in box 1 (eigen woning) of box 3 (beleggingspand). Dit laatste kwam aan de orde bij de parlementaire behandeling van de terbeschikkingstellingsregeling (Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 112–113). De te activeren regresvordering ontstaat als de borg de schuld voldoet (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784).

3.8.3 Borgstellingsprovisie

De hoogte van een borgstellingsprovisie dient zakelijk te worden bepaald. De borgsteller maakt daarbij onder meer een inschatting van de kans om aangesproken te worden en het bedrag dat nodig is om dat risico af te dekken. Als de overeengekomen borgstellingsprovisie lager is dan die welke tussen derden zou zijn overeengekomen, wordt niet de overeengekomen borgstellingsprovisie maar een zakelijk bepaalde provisie tot het resultaat gerekend. Het ligt overigens in de rede dat een zakelijke provisie zich beweegt tussen het rentebedrag dat een derde onder overigens gelijke omstandigheden zou berekenen voor een lening met de borgstelling en het rentebedrag van eenzelfde lening zonder de desbetreffende borgstelling.

3.8.4 Voorziening

Bij een zakelijke borgstelling kan de borgsteller in verband met een toekomstige uitgave uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst op enig moment een voorziening vormen als voldaan wordt aan de voorwaarden van het zogenoemde baksteenarrest (HR 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2555). Hij kan daardoor een negatief resultaat in aanmerking nemen.

Voorbeeld

Aanmerkelijkbelanghouder X tekent in jaar 1 een borgstellingsovereenkomst voor een lening van Q bank aan zijn vennootschap X BV. De lening bedraagt € 200.000 tegen een rente van 5%. Zonder de borgstelling van X zou Q bank 7% rente hebben berekend. X en X BV komen een borgstellingsprovisie van 1% (€ 2.000) per jaar overeen, die in dit geval als zakelijk kan worden beschouwd. De borgstelling vindt niet in de kapitaalsfeer plaats. In jaar 4 gaat het plotseling zo slecht met X BV dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat X door Q Bank als borg zal worden aangesproken. De waarde van de regresvordering (die X BV in jaar 5 niet liquide heeft) schat X dan op € 20.000. In jaar 5 betaalt X, na daartoe door Q Bank te zijn aangesproken, het bedrag van de lening.

Uitwerking

Vanaf de borgstellingsovereenkomst in jaar 1 behoort de borgstellingsverplichting tot het resultaatsvermogen (HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012BR6345). De regresvordering bestaat op dat moment nog niet (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 en HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7157). Jaarlijks wordt, zolang de borgtochtovereenkomst bestaat, een borgstellingsprovisiebedrag van € 2.000 tot het resultaat gerekend.

Op balansdatum jaar 4 (voorafgaand aan het jaar waarin hij wordt aangesproken) boekt X een borgstellingsverlies van € 180.000. Hij neemt op zijn werkzaamheidsbalans een borgstellingsvoorziening op van € 180.000 (HR 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2555).

Op het moment dat X daadwerkelijk wordt aangesproken stort X vanuit privé € 200.000 in het werkzaamheidsvermogen. Van daaruit wordt de bank betaald en eindigt de borgstellingsovereenkomst (artikel 7:851, eerste lid, BW). De borgstellings(voorziening)verplichting verdwijnt van de balans en er wordt geen borgstellingsprovisie meer in aanmerking genomen. Op de balans verschijnt de regresvordering op de vennootschap ad € 20.000 (nominaal € 200.000 -/- afwaardering € 180.000).

De afwikkeling van de geschatte regresvordering (en rente) vindt binnen het resultaat plaats. Op het moment dat de regresvordering op X BV is afgelost (of kwijtgescholden) is er geen terbeschikkingstelling meer.

3.8.5 Kosten

Als een borg wordt aangesproken uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst en zich hiertegen verweert tegenover de hoofdschuldenaar, zijn kosten die gemaakt zijn om de aansprakelijkheid af te wijzen dan wel te verminderen aftrekbaar. Het voorgaande behoudens voor zover daar tegenover een vergoeding of vordering ontstaat. Wellicht ten overvloede merk ik op dat deze kosten alleen aftrekbaar zijn als ze zijn gemaakt in het kader van een zakelijke borgstelling.

3.8.6 Hoofdelijke aansprakelijkheid

Andere vormen van hoofdelijke aansprakelijkheid komen in hoge mate overeen met de borgstelling. Het verschil is dat een borg slechts zekerheid aan een schuldeiser wil verschaffen en in zijn relatie tot de hoofdschuldenaar niet draagplichtig is. Naar mijn opvatting zal het aanvaarden van draagplicht voor schulden van de vennootschap bij niet-gelieerde partijen niet voorkomen. Deze vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid speelt zich daarom vrijwel altijd af in de kapitaalsfeer.

3.8.7 Zekerheidsstelling

Voorts kan zich een situatie voordoen waarin de aandeelhouder niet borg staat, maar als zekerheid een recht van hypotheek verstrekt of een pandrecht vestigt op een privévermogensbestanddeel. Als het een situatie betreft waaronder een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn geweest eenzelfde zekerheid te verstrekken ten behoeve van de vennootschap onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, dan moet worden verondersteld dat bij die zekerheidsstelling door de aandeelhouder een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben gelopen. Een dergelijke zekerheidsstelling is vanwege aandeelhoudersmotieven ingegeven en daarmee onzakelijk. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de later ontstane geldlening niet op het resultaat van de resultaatgenieter/aandeelhouder in mindering kan worden gebracht (zie ook HR 9 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1108 en onderschrift Staatssecretaris bij Hof Arnhem 1 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:BZ0976).

3.9 Rekening-courant, wisselende debet- en creditstanden

Een rekening-courantverhouding die wisselend debet- en creditstanden kent, is een schuldvordering in de zin van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten eerste, Wet IB 2001. Dat geldt alleen voor de periodes waarin er sprake is van een rekening-courantvordering van de aandeelhouder op zijn vennootschap. Als de rekening-courantvordering omslaat in een schuld, verschuift de rekening-courantverhouding van box 1 naar box 3. Slaat de schuld weer om in een vordering, dan verschuift de rekening-courantverhouding van box 3 naar box 1.

Goedkeuring

Gelet hierop, en ter vermindering van de administratieve lasten, keur ik goed dat belanghebbende geen rente als resultaat in aanmerking hoeft te nemen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • Het saldo van de rekening-courantverhouding is gedurende het gehele kalenderjaar niet hoger dan € 17.500 positief en niet lager dan € 17.500 negatief.

  • Bij de vennootschap wordt geen rente in aanmerking genomen.

  • In het geval van een rekening-courantschuld wordt deze niet in box 3 als schuld in aanmerking genomen.

3.10 Rechtstreeks samenhangende schulden bij terbeschikkingstelling

Bij de terbeschikkingstelling van de artikelen 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 wordt het vermogensbestanddeel dat ter beschikking wordt gesteld verplicht aangemerkt als werkzaamheidsvermogen. De rechtstreeks daarmee samenhangende schulden gaan eveneens tot het werkzaamheidsvermogen behoren. Als het vermogensbestanddeel gedeeltelijk niet meer ter beschikking wordt gesteld en gaat behoren tot de rendementsgrondslag van box 3, gaat het gedeelte van de schuld dat rechtstreeks samenhangt met dit gedeelte ook over naar box 3. Dit is ook het geval bij de aflossing op een schuldvordering die gefinancierd is met een geldlening bij de bank. De aflossing leidt tot liquide middelen. Deze liquide middelen worden niet opnieuw aangewend voor een werkzaamheid in de zin van artikel 3.91 of 3.92 Wet IB 2001 en behoren dus tot de rendementsgrondslag van box 3. De schuld aan de bank komt gedeeltelijk tegenover deze liquiditeiten te staan. Deze hangt niet meer rechtstreeks samen met de schuldvordering en verlaat dus ook box 1.

Als een vermogensbestanddeel niet langer ter beschikking wordt gesteld, vindt er een staking van de werkzaamheid plaats. De schulden hangen niet meer rechtstreeks samen met een vermogensbestanddeel waarmee een resultaat uit een werkzaamheid wordt behaald.

Voorbeeld

Belanghebbende heeft alle aandelen in een vennootschap. In de loop van jaar één leent hij € 100.000 bij een bank. Vervolgens leent hij dit bedrag onder zakelijke voorwaarden geheel door aan zijn vennootschap (hierna: geldlening). Beide leningen zijn voor de lange termijn aangegaan. Voorts is er een rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en zijn vennootschap. De rekening-courantstand bedraagt op dat moment € 1.000 negatief. In het daaropvolgende jaar lost de vennootschap € 5.000 af op de geldlening. De aflossing door de vennootschap wordt verrekend in rekening-courant.

De aflossing op de geldlening leidt ertoe dat de schuld aan de bank voor € 5.000 niet meer rechtstreeks samenhangt met deze schuldvordering, maar toerekenbaar is aan de rekening-courantverhouding. Van de bankschuld hangt nog € 95.000 rechtstreeks samen met de schuldvordering.

De bankschuld volgt voor een bedrag ad € 5.000 de rekening-courantverhouding. De rekening-courantstand slaat door de aflossing “om” van negatief naar positief. Een bedrag van € 1.000 heeft betrekking op de aanzuivering van de rekening-courantstand en een bedrag van € 4.000 leidt tot een positieve rekening-courantstand. De bankschuld maakt voor een bedrag van € 1.000 deel uit van de rendementsgrondslag van box 3 en voor een bedrag van € 4.000 hangt deze rechtstreeks samen met het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel (de rekening-courantverhouding).

De werkzaamheidsbalans in relatie met ROW ziet er ná aflossing als volgt uit:

Werkzaamheidsbalans in €

Geldlening

95.000

Bankschuld (geldlening)

95.000

Rekening-courant

4.000

Bankschuld (rek. crt.)

4.000

3.11 Bijboeking rente op een rechtstreeks samenhangende schuld

Voor zover een bankschuld is toegenomen door rentebijschrijvingen, hangt deze toename rechtstreeks samen met het niet voldoen van rente, maar niet rechtstreeks samen met de schuldvordering. Het deel van de bankschuld dat samenhangt met de rentebijschrijving(en) behoort tot de rendementsgrondslag van box 3. Alleen van de oorspronkelijk aangegane bankschuld kan worden gezegd dat deze rechtstreeks samenhangt met de schuldvordering.

In artikel 3.92, eerste lid, Wet IB 2001 is bepaald dat alleen de rechtstreeks met een schuldvordering samenhangende schuld tot het resultaatsvermogen wordt gerekend. Rente over rente is daarom niet aftrekbaar.

3.12 Toerekening aflossing gemengde lening

Het komt voor dat verschillende vermogensbestanddelen zijn gefinancierd met één lening. Hierbij kan worden gedacht aan de verwerving van een pand dat ter beschikking gesteld wordt aan de eigen vennootschap (box 1) en een ander pand dat ter beschikking gesteld wordt aan derden (box 3) terwijl beide panden met één lening zijn gefinancierd. Ook kan worden gedacht aan een lening die is aangegaan ter financiering van een niet-splitsbaar pand dat deels in gebruik is als eigen woning (box 1) en deels verhuurd wordt aan een derde (box 3). In geval van aflossing rijst de vraag hoe deze moet worden toegerekend.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de resultaatgenieter in de aangifte over het jaar van aflossing zelf kan kiezen aan welk vermogensbestanddeel hij de aflossing toerekent.

3.13 Ongebruikelijke terbeschikkingstelling

3.13.1 Reikwijdte en toetsing van 'in het maatschappelijke verkeer (on)gebruikelijk' en '(on)zakelijk'

Als geen sprake is van een verbonden persoon kan de terbeschikkingstellingsregeling toch van toepassing zijn, namelijk als de terbeschikkingstelling plaatsvindt aan een persoon uit de ruime kring van verwanten en in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijk is (artikel 3.91, derde lid en artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001). In alle gevallen waarin de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is, wordt getoetst of sprake is van (on)zakelijkheid.

De beoordeling of sprake is van een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling gaat verder dan de beoordeling van de terbeschikkingshandeling zelf. Zo moeten mede de eventuele financiering en andere met de terbeschikkingstelling samenhangende rechtshandelingen en omstandigheden in de beoordeling betrokken worden. Het geheel van rechtshandelingen dat met de terbeschikkingstelling verband houdt, moet beoordeeld worden.

Van een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is onder meer sprake als het met een geheel van handelingen bereikte resultaat zodanig is dat een dergelijk samenstel van handelingen zich tussen niet verbonden personen, niet zou voordoen. Daaraan doet dan niet af dat onderdelen van dat geheel van handelingen op zichzelf beschouwd niet onzakelijk of ongebruikelijk zijn (zie HR 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3577).

Naast de toets of een handeling gebruikelijk of ongebruikelijk is, zal ook de toets moeten plaatsvinden of de handeling zakelijk of onzakelijk is (zie hiervoor o.a. HR 9 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1108 en HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR4807).

De toetsing of een terbeschikkingstelling maatschappelijk ongebruikelijk is, moet in eerste instantie gebeuren op het moment waarop de terbeschikkingstelling aanvangt. Voorts dient deze toets aangebracht te worden op de momenten waarop tussen derden een herziening van de voorwaarden van de overeenkomst zou plaatsvinden, of de overeenkomst ontbonden zou worden.

In het maatschappelijke verkeer wijzigen de condities voor het afsluiten van meerjarige overeenkomsten nogal eens. Een huurovereenkomst bijvoorbeeld kan onder de vandaag gebruikelijke voorwaarden morgen door eventueel gestegen huurprijzen niet meer onder dezelfde voorwaarden tot stand komen. Een toetsingsmoment is bijvoorbeeld het tijdstip waarop eens in de vijf jaar de huurprijs op basis van de marktontwikkelingen – anders dan alleen door prijsindexatie – wordt herzien.

3.13.2 Terbeschikkingstelling om niet

Het om niet ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel is in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijk. Een dergelijke terbeschikkingstelling aan een persoon uit de ruime kring der verwanten wordt aangemerkt als een werkzaamheid op grond van artikel 3.91, derde lid en artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001.

Als belanghebbende bijvoorbeeld onder zakelijke en ook overigens niet ongebruikelijke voorwaarden een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan de vennootschap van zijn meerderjarig uitwonend kind, is de terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing. Als belanghebbende op enig moment op onzakelijke gronden afziet van een vergoeding, is dit in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijk. Het vermogensbestanddeel verhuist van box 3 naar box 1 en wordt te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer.

Het resultaat wordt ingevolge artikel 3.95 Wet IB 2001 bepaald overeenkomstig het winstregime. Dit betekent dat een zakelijke vergoeding tot het resultaat van belanghebbende wordt gerekend. De vennootschap kan de zakelijk bepaalde vergoeding in aftrek brengen. In feite schenkt belanghebbende de zakelijk bepaalde vergoeding aan zijn kind waarna het kind het bedrag vervolgens als informeel kapitaal inbrengt in de vennootschap. Deze informele kapitaalstorting leidt tot een verhoging van de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen van het kind.

3.13.3 Herverzekering overlijdensrisicoverzekering

Overeenkomsten van levensverzekering, waaronder ook een overlijdensrisicoverzekering, vallen onder de werking van artikel 3.91, tweede lid, onderdeel a, ten tweede, en artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten tweede, Wet IB 2001.

Tijdens de parlementaire behandeling7 van artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001 is aangegeven dat het maatschappelijk ongebruikelijk wordt geacht dat een verzekeringsovereenkomst wordt gesloten met een verbonden persoon of met de vennootschap van belanghebbende of van de verbonden persoon. Het risico blijft feitelijk geheel binnen de eigen familiekring. Een wezenskenmerk van een verzekeringsovereenkomst is dat het risico wordt verlegd naar echte derden.

Eventuele herverzekering door de vennootschap doet hier niets aan af. Herverzekering bevestigt alleen maar de ongebruikelijkheid van de transactie, omdat het meer voor de hand ligt om de verzekering rechtstreeks te sluiten bij een echte derde.

3.14 Ter beschikking stellen in buitenlandse situaties

Als een binnenlandse belastingplichtige een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan een verbonden natuurlijk persoon die niet in Nederland woont en zijn onderneming of werkzaamheid in het buitenland uitoefent, is sprake van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.91 Wet IB 2001. Op grond van artikel 3.91, eerste lid, Wet IB 2001 geldt als voorwaarde dat het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel moet worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar ROW. Het is niet vereist dat sprake is van in Nederland belastbare winst of in Nederland belastbaar ROW.

Dit is tevens het geval als ter beschikking gesteld wordt aan een rechtspersoon die niet is opgericht naar Nederlands recht terwijl zowel de rechtspersoon als de verbonden persoon die alle aandelen heeft, gevestigd zijn in het buitenland. Het is niet van belang of de verbonden persoon in Nederland ten aanzien van de voordelen uit die aandelen belastingplichtig is. Dat neemt overigens niet weg dat hij wel een aanmerkelijk belang bezit. Uit de in artikel 4.6, onderdeel a, Wet IB 2001 gegeven definitie van het begrip aanmerkelijk belang volgt namelijk dat een belastingplichtige die ten minste 5% van het geplaatste kapitaal bezit in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, een aanmerkelijk belang heeft in die vennootschap. Het voorgaande brengt mee dat de binnenlandse belastingplichtige het vermogensbestanddeel in het ROW moet betrekken als sprake is van een (ongebruikelijke) terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.91, derde lid en artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001.

3.15 Verpachting in de agrarische sector

Grond die aan de zogenoemde 'ruime kring' van personen wordt verpacht, kwalificeert in principe als een bezitting die behoort tot de rendementsgrondslag van box 3, tenzij er sprake is van een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.

Van een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is in ieder geval geen sprake bij een door de Grondkamer goedgekeurde traditionele pacht en een geliberaliseerde pacht met een looptijd korter dan zes jaar tegen een marktconforme prijs in het kader van een bedrijfsoverdracht door de overdrager of diens rechtsopvolger aan de bedrijfsopvolger. Overigens staat de kwalificatie dat er geen sprake is van ongebruikelijke terbeschikkingstelling los van het oordeel over de omvang van de stakingswinst bij de verpachter met betrekking tot de in pacht gegeven grond. De grond zal voor de bepaling van de omvang van de stakingswinst worden gewaardeerd op de waarde in vrije staat, tenzij de goede trouw of het ondernemingsbeleid meebrengt dat de grond uit zakelijke overwegingen wordt verpacht. Zie ook in onderdeel 3.2.2.1 het voorbeeld van landbouwgrond die na inbreng van de onderneming in een vennootschap ter beschikking gesteld wordt aan de vennootschap.

3.16 Werkzaamheden van dezelfde aard8

In de praktijk is de vraag opgekomen wat onder werkzaamheden van dezelfde aard in de zin van artikel 3.93, tweede lid, Wet IB 2001 wordt verstaan. In het voorgelegde geval betreft het specifiek de situatie waarin een belastingplichtige verschillende panden ter beschikking stelt aan verschillende vennootschappen waarin die belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. De terbeschikkingstelling van die verschillende panden wordt als één werkzaamheid aangemerkt in de volgende situatie:

  • a. de vennootschappen behoren tot hetzelfde concern;

  • b. de activiteiten van de diverse vennootschappen kan als één onderneming worden aangemerkt; en

  • c. de economische functie van de verhuursituaties binnen de in de vennootschap uitgeoefende onderneming is gelijk.

3.17 Afrekenmoment ter beschikking gesteld pand na turboverdeling

Op grond van artikel 3.92, vierde lid, Wet IB 2001 wordt een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de echtgenoot van de belastingplichtige, mits het vermogensbestanddeel deel uitmaakt van een algehele of beperkte gemeenschap van goederen.

Er heeft zich in de praktijk de volgende situatie voorgedaan. Twee echtgenoten, X en Y, waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden zowel alle aandelen in een vennootschap als een pand dat aan betreffende vennootschap wordt verhuurd. Op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001 kwalificeert het pand als een terbeschikkingstellingspand. Na het overlijden van X wordt zijn aandeel in het tbs‑pand gelegateerd aan zijn kind. Daarnaast verkrijgt het kind krachtens testament ook het aandeel van X in de aandelen van de BV. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap zijn het tbs-pand en alle aandelen toebedeeld aan de nalatenschap waardoor een overbedelingsschuld ontstaat aan Y. Kind verkrijgt alle aandelen en het gehele tbs-pand krachtens legaat. Er is sprake van een zogenoemde turboverdeling.

Voor de overgang van het aandeel van Y in het tbs-pand aan het kind middels turboverdeling ontbreekt een wettelijke doorschuiffaciliteit. Ik vind het onwenselijk dat in een dergelijk geval dient te worden afgerekend op het aandeel van Y in het TBS-pand. Hoewel het tbs-pand op zichzelf geen ondernemingsvermogen is, hangt het nauw samen met het voortzetten van de onderneming in vennootschap, omdat in het tbs-pand de onderneming wordt gedreven. Een fiscale afrekening over het aandeel van Y in het tbs-pand kan als een economische belemmering worden ervaren.

Om een afrekenmoment over het deel van de stille reserves in het tbs-pand dat door middel van een turboverdeling door Y toekomt aan kind te voorkomen, keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed dat er fiscaal niet hoeft te worden afgerekend. Voor deze goedkeuring gelden de voorwaarden dat de onderneming wordt voortgezet door de vennootschap van het kind en de fiscale boekwaarde van het pand wordt doorgeschoven op de werkzaamheidsbalans van het kind.

4. ROW – lucratief belang

4.1 Middellijk lucratief belang9

In de praktijk is de vraag opgekomen of er een afrekenmoment ontstaat op het moment dat de juridische huls waarmee een middellijk gehouden lucratief belang wordt gehouden, wijzigt door een aandelenruil en na de structuurwijziging er nog steeds sprake is van een middellijk gehouden lucratief belang. De enkele wijziging van de ‘juridische huls’ leidt niet tot een realisatiemoment ter zake van het middellijk gehouden lucratief belang voor zover er geen rechten over gaan naar een ander.

5. Ingetrokken regeling

Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

6. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

7. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ROW 2026.

8. Publicatie en ondertekening

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 15 januari 2026

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, M.C. de Graaf Waarnemend hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken


X Noot
1

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2024:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
2

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2022:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
3

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2022:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
4

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2025:2, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
5

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2025:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
6

HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3209.

X Noot
7

Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, p. 95 en Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 43.

X Noot
8

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2022:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
9

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2024:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.


X Noot
1

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2024:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
2

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2022:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
3

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2022:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
4

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2025:2, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
5

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2025:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
6

HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3209.

X Noot
7

Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, p. 95 en Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 43.

X Noot
8

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2022:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

X Noot
9

Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2024:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

Naar boven