Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1999-2000
Kamerstuk 26727 nr. 7

Gepubliceerd op 1 december 1999
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



26 727
Wet Inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 26 november 1999

1.Van Verkenning naar Herziening3
1.1Inleiding3
1.2De belastingherziening 200111
1.3Hoofdlijnen van de Wet inkomstenbelasting 200117
1.3.1Naar een nieuwe inkomstenbelasting17
1.3.2Boxenstructuur30
1.3.3Een nieuw regime voor inkomen uit sparen en beleggen36
   
2.Achtergrond38
2.1Doelstellingen belastingherziening38
2.2Niet-fiscale doelstellingen42
2.3Arbeidsmarktaspecten44
2.4Vergroening52
2.5Emancipatie en economische zelfstandigheid58
2.6De Europese dimensie65
2.7Belastingontwijking73
   
3.Vormgeving75
3.1Grondslag en tarief75
3.1.1Verbreding, verschuiving, vereenvoudiging76
3.1.2Tarief76
3.2Aftrekposten94
3.3Inwonerschap: twee groepen belastingplichtigen98
3.4Individualisering103
3.5Partnerbegrip110
3.6Gecombineerde belasting- en premieheffing113
   
4.Inkomen uit werk en woning116
4.1Ondernemerschap en economische dynamiek116
4.1.1Algemeen116
4.1.2Aanpassing van het ondernemersbegrip123
4.1.3Overige wijzigingen winstbepaling zelfstandigen131
4.1.4Fiscale begeleiding fusie en splitsing149
4.2Inkomsten uit arbeid152
4.2.1Arbeidskosten152
4.2.2Resultaat uit overige werkzaamheden161
4.2.3Loon169
4.3Eigen woningen172
4.3.1Algemeen172
4.3.2Tweede eigen woning192
4.3.3Kapitaalverzekering voor eigen woning als hoofdverblijf194
4.3.4Monumentenregeling204
   
5.Inkomen uit aanmerkelijk belang204
5.1Inleiding204
5.2Afwegingen bij een regime voor inkomen uit aanmerkelijk belang205
5.3Tarief210
5.4Meesleep- en meetrekregeling216
5.5Verliesverrekening220
5.6Overige vragen221
   
6.Inkomen uit sparen en beleggen222
6.1Inleiding222
6.2Voorgeschiedenis224
6.2.1Afwegingsproces225
6.3Forfaitair rendement232
6.3.1Inleiding232
6.3.2Grondslag voor het forfaitaire rendement (rendementsgrondslag)238
6.3.3Vrijstellingen en maatschappelijke beleggingen260
6.3.4Hoogte van het forfaitaire rendement en tarief262
6.3.5Heffingvrij bedrag en ouderentoeslag271
6.3.6Behandeling van aftrekbare kosten en financieringsrenten279
6.3.7Tegenbewijsregeling279
6.3.8Internationale inpasbaarheid280
6.3.9Diverse onderwerpen285
6.4Inkoop eigen aandelen290
6.5Dividendbelasting291
   
7.Oudedagsvoorzieningen292
7.1Algemeen292
7.2Advies Sociaal-Economische Raad311
7.3Het voorgestelde lijfrenteregime318
7.4Internationale aspecten341
   
8.Specifieke onderwerpen355
8.1Vervoerskosten355
8.1.1Reiskosten woning-werk355
8.1.2Autokostenfictie358
8.2Scholing364
8.3Buitengewone lasten en giftenaftrek369
8.3.1Rente van schulden371i
8.3.2Alimentatie371
8.3.3Uitgaven voor monumentenpanden372
8.3.4Gehandicapten en chronisch zieken372
8.4Spaarloon377
8.5Positie gezinnen met kinderen386
   
9.Europeesrechtelijke aspecten389
   
10.Budgettaire en inkomensgevolgen391
10.1Inleiding391
10.2Budgettair overzicht391
10.3Omvang lastenverlichting395
10.3.1Tariefstructuur397
10.4Arbeidskorting402
10.5Inkomenseffecten407
   
11.Uitvoeringsaspecten437

I. ALGEMEEN

1. VAN VERKENNING NAAR HERZIENING

1.1. Inleiding

Door alle fracties zijn algemene inleidende opmerkingen gemaakt over het thans voorliggende wetsvoorstel Wet IB 2001. Wij willen in de eerste plaats de fracties bedanken die ons en onze medewerkers hebben gecomplimenteerd met het werk dat de afgelopen tijd vaak onder zeer hoge druk is verricht. De grote inspanningen die thans worden geleverd illustreren het belang dat dezerzijds wordt gehecht aan het kunnen invoeren van de belastingherziening op 1 januari 2001. Op grond van de diverse inbrengen van de fracties zijn wij ook zeer gemotiveerd om de komende periode met de Kamer uitvoerig van gedachten te wisselen over de keuzen die zijn gemaakt bij deze belastingherziening, waarvan de noodzaak door (bijna) alle fracties wordt onderschreven. De herziening is noodzakelijk om ook in de 21e eeuw verzekerd te kunnen zijn van een voor de financiering van overheidstaken onmisbare stabiele stroom belastingopbrengsten, waarbij de lasten over burgers en bedrijven evenwichtig en rechtvaardig zijn verdeeld. Er is ons veel aan gelegen om in de Kamer een zo breed mogelijk draagvlak voor deze belastingherziening te verwerven. Uit het verslag blijkt dat alle fracties op een of meer onderdelen van het voorliggende wetsvoorstel aanpassingen bepleiten. Voor zover deze aanpassingen een extra budgettair beslag vragen of gevolgen hebben voor inkomens geldt voor ons als algemeen toetsingskader het regeerakkoord. Dat houdt in ieder geval in dat voor het totale budgettaire beslag van de belastingherziening de afgesproken f 5 miljard lastenverlichting uitgangspunt is. Uitgangspunt is ook het inkomensbeeld en de inkomensverhoudingen die in het regeerakkoord zijn overeengekomen en die nader zijn uitgewerkt in het voorliggende wetsvoorstel. Aanpassingen die ten opzichte van ons voorstel een budgettair beslag vragen dienen derhalve van een adequate dekking te zijn voorzien. Met betrekking tot de breed gedragen wens aanvullende maatregelen te treffen ter verbetering van het inkomensbeeld voor middeninkomens, met name alleenverdieners merken wij het volgende op. Maatregelen binnen de overeengekomen f 5 miljard lastenverlichting zijn denkbaar, maar leiden er wel toe dat deze een verandering teweeg brengen in het inkomensbeeld en de inkomensverhoudingen zoals die in het regeerakkoord zijn overeengekomen. De verbetering van de koopkracht voor middeninkomens komt in dat geval ten laste van andere inkomens. Dat geldt ook voor wensen die beogen ten opzichte van het wetsvoorstel de koopkracht van andere inkomensgroepen te verbeteren. Alleen met de inzet van extra budgettaire middelen kan dat worden voorkomen. Mede in het licht van het regeerakkoord zal het Kabinet, rekening houdend met de wensen van de Kamer zoals die in het verslag naar voren komen, zich beraden over eventuele aanpassingen en de inzet van extra budgettaire middelen. Over de resultaten daarvan zullen wij de Kamer zo spoedig mogelijk berichten.

Wij zijn verheugd dat de leden van de fractie van de PvdA op een groot aantal punten met instemming hebben kennis genomen van de voorstellen. De leden van deze fractie kwalificeren de vervanging van de overdraagbare belastingvrije som door een individueel toekenbare heffingskorting, het introduceren van een arbeidskorting, het doorgaan met vergroening en het dichten van de lekken in het huidige belastingsysteem als belangrijke voorstellen die leiden tot het door deze fractie nagestreefde rechtvaardigere en doelmatigere belastingstelsel. De leden van de PvdA-fractie noemen de gevolgen van de voorstellen voor deeltijders en middeninkomens, de hoogte van de toekenning van de arbeidskorting, de transparantie van het voorgestelde systeem inzake oudedagsvoorzieningen en de grondslag van de vermogensrendementsheffing als de punten die nadere motivering en/of wijziging behoeven. Verderop in deze nota wordt nader op deze punten ingegaan. Hierbij zullen wij tevens de mogelijkheden bezien om de positie van de middeninkomens te verbeteren.

Belangrijk is ook dat de leden van de PvdA-fractie in grote lijnen de analyse van de regering onderschrijven die aan de huidige voorstellen voor herziening van het belastingstelsel ten grondslag ligt en dat deze leden van mening zijn dat de voorstellen een aanzienlijke verbetering betekenen ten opzichte van de huidige situatie.

Ook de leden van de VVD-fractie hebben aangegeven de doelstellingen van de belastingherziening te onderschrijven. Wel geven deze leden aan dat zij liever hadden gezien dat het wetsvoorstel reeds voor het zomerreces aan de Tweede Kamer zou zijn aangeboden. Gegeven de op onderdelen technische complexiteit van deze belastingherziening en vooral ook niet te vergeten de kwaliteitseisen die aan de in te dienen wetgeving worden gesteld en de advisering door de Raad van State, was dat helaas niet haalbaar. Dat neemt overigens niet weg, dat de tijd die thans nog beschikbaar is voor de parlementaire behandeling van de wetsvoorstellen in het kader van deze belastingherziening voldoende zou moeten zijn om het nieuwe belastingstelsel op 1 januari 2001 in te laten gaan. Dit oordeel is mede gebaseerd op het feit dat de SER door de regering twee keer in de gelegenheid is gesteld om advies uit te brengen over deze belastingherziening en dat de belastingherziening ook al vrij concreet in het Regeerakkoord is uitgewerkt. Ten slotte zij opgemerkt, dat de regering invoering in 2001 ook wenselijk acht om in de tijd een spreiding tot stand te brengen tussen de invoering van deze belastingherziening en de andere ingrijpende veranderingsoperatie waarmee de maatschappij in deze kabinetsperiode wordt geconfronteerd, te weten de invoering van de euro in 2002.

De VVD fractie geeft voorts aan zich in de discussie over deze belastingherziening gesteund te voelen door de uitspraken van het IMF, dat het goed is dat Nederland het belastingsysteem herziet, lastenverlichting doorvoert en de belastingdruk van directe naar indirecte belastingen verlegt. Ook de uitspraken van het IMF onderschrijven het belang om de belastingherziening zo snel mogelijk in te voeren.

De leden van de VVD fractie vragen de regering om een reactie op een aantal reacties uit de samenleving dat het nieuwe belastingstelsel een theoretische grondslag mist en dat een visie zou ontbreken.

Met betrekking tot de reacties dat de belastingherziening niet gebaseerd zou zijn op een heldere visie merken wij op dat die visie in de Verkenning duidelijk is verwoord, namelijk het ontwerpen van een belastingstelsel dat ook in de toekomst een bijdrage kan leveren aan een duurzame ontwikkeling van de economie, de werkgelegenheid en welvaart voor iedereen. Ten aanzien van de theoretische grondslag van deze belastingherziening hebben wij in de memorie van toelichting aangegeven, dat de keuze voor meer analytische elementen in het huidige, als synthetisch aangemerkte stelsel is gemaakt op basis van de afweging van voors en tegens, die in de paragrafen 6.2 en volgende van de Verkenning nader is toegelicht. De reden voor de introductie van meer analytische elementen in het belastingstelsel is recht te doen aan de doelstelling om de inkomstenbelasting als draagkrachtheffing zodanig te moderniseren dat van elke belastingplichtige – rekening houdend met de aard en omvang van zijn inkomen en persoonlijke omstandigheden en praktische overwegingen – een bijdrage kan worden gevraagd aan de algemene middelen die, meer nog dan onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, is afgestemd op zijn feitelijke draagkracht. Om die reden onderschrijven wij ook niet de reacties, de leden van de VVD fractie vragen hiernaar, dat in het nieuwe belastingstelsel het draagkrachtbeginsel wordt losgelaten.

De leden van de VVD-fractie vragen onze aandacht voor de kritiek dat wij in de uitwerking teveel de nadruk zouden leggen op misbruik en fraude bestrijding. Wij zijn blij dat wij de gelegenheid hebben nogmaals uiteen te zetten wat onze opstelling in deze is. Uiteraard is ons eerste doel regels te maken die robuust zijn, en die daarmee ook behoorlijk bestand zijn tegen pogingen de heffing te ontwijken, te ontduiken en te ontgaan. Ook het verlagen van de tarieven en de druk dragen bij, zowel omdat de incentive voor oneigenlijk gebruik naar evenredigheid zou moeten dalen met de daling van de tarieven, als wel omdat belastingen naarmate ze meer als redelijk worden ervaren, minder uitnodigen tot oneigenlijk gedrag.

Dat is de ene kant. De andere is dat wij de ogen niet sluiten voor het feit dat er oneigenlijk gedrag voorkomt en dat het functioneren van het stelsel er ook bij is gebaat, dat het stelsel ook ingebouwde instrumenten heeft waarmee pogingen tot oneigenlijk gebruik worden afgegrendeld.

Dit uiteraard zonder de «gewone», «eerlijke» of «goedwillende» belastingbetaler te hinderen.

Wij hebben daarbij een evenwicht nagestreefd, en het spijt ons te moeten merken dat hier en daar in de (vak-)publiciteit pogingen worden ondernomen het beeld op te werpen dat wij daarbij zijn doorgeschoten of dat wij één-dimensionaal te werk zijn gegaan.

Wij zijn blij dat de leden van de CDA-fractie met het kabinet van mening zijn dat een herziening van de inkomstenbelasting noodzakelijk is. Deze leden hebben echter wel twijfel over de wijze waarop deze belastingherziening is vorm gegeven en de lijnen die daarbij zijn getrokken.

De leden van de CDA-fractie tekenen bezwaar aan tegen de behandeltermijn van het wetsvoorstel. In aanvulling op hetgeen hiervoor is gezegd over het tijdschema voor de behandeling van het wetsvoorstel, zouden wij deze leden erop willen wijzen, dat het tijdschema gericht op invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 in overleg met de vaste commissie voor Financiën is overeengekomen. De voorstellen zoals deze medio september aan het parlement zijn gepresenteerd zijn, zoals de leden van de D66 fractie ook terecht opmerken, op hoofdlijnen al lange tijd bekend.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de voorstellen van de regering relatief ongunstig uitpakken voor middeninkomens, alleenverdieners (met kinderen), uitkeringsgerechtigden, mensen met een AOW-uitkering, een aanvullend pensioen en enig vermogen, en voor ondernemers. Deze leden zeggen het te betreuren dat de regering geen rekening heeft gehouden met deze relatief ongunstige inkomenseffecten.

Wat de middeninkomens betreft zullen wij met nadere voorstellen komen om de positie van deze groep te verbeteren. Het kabinet verkent op dit moment de mogelijkheden. Over de uitkomsten zal de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk en in ieder geval ruim voor het afrondende debat worden geïnformeerd.

Ten aanzien van de positie van alleenverdieners met kinderen zouden wij de CDA-fractie er in de eerste plaats op willen wijzen dat de regering in het kader van de begroting 2000 heeft besloten tot een algemene verhoging van de kinderbijslag. En ook bij de voorbereiding van de voorstellen voor verbetering van de positie van de middeninkomens in het kader van de belastingherziening wordt nadrukkelijk gekeken naar de inkomenspositie van alleenverdieners.

Wat de inkomenspositie van uitkeringsgerechtigden betreft zij erop gewezen dat ook deze groep er in de voorstellen van de regering op vooruit gaat, zij het relatief minder dan werknemers met een laag inkomen. Daarvoor is echter bewust gekozen om het arbeidsaanbod extra te stimuleren.

Tenslotte is specifiek gericht op de groep AOW gerechtigden met een aanvullend pensioen en enig vermogen een voorziening getroffen in de vorm van een ouderentoeslag in box III.

De leden van de fractie van D66 concluderen, dat de grote lijnen van de voorgestelde Wet Inkomstenbelasting 2001 na het uitkomen van de Verkenning en het Regeerakkoord voor niemand meer een verrassing konden zijn. Ook deze leden zijn van mening dat de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet meer is toegesneden op de eisen van de jaren na nu en zeggen zich te kunnen vinden in de hoofddoelstellingen die aan de nieuwe wet ten grondslag liggen. Uiteraard verheugt dat ons.

In tegenstelling tot de fracties van PvdA, VVD, CDA en D66, geven de leden van de fractie van GroenLinks aan twijfels te hebben bij de noodzaak van de stelselherziening. Daarnaast staan deze leden, net als de leden van de CDA-fractie, kritisch tegenover de gevolgde procedure en (delen van) de inhoud van het wetsvoorstel.

Voor de kritiek van de leden van de fractie van GroenLinks op de gevolgde procedure verwijzen wij in de eerste plaats naar hetgeen wij hiervoor al hebben opgemerkt over het tijdschema voor de behandeling van de wetsvoorstellen in het kader van deze belastingherziening. Wij kunnen overigens geenszins de opmerking van de fractie van GroenLinks plaatsen, dat het veel te lang stil is geweest rond de belastingherziening. Wij hebben daar in ieder geval, ook tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel op Financiën, niets van gemerkt. Het zou welhaast ondoenlijk zijn om een compleet overzicht te geven van alle berichtgeving en analyses in de media, de vakliteratuur en congressen die sinds het verschijnen van de Verkenning aan deze belastingherziening zijn gewijd. Ook de veronderstelling van deze leden, dat het maatschappelijke debat in de kiem zou zijn gesmoord door het SER-advies uit april 1998, kunnen wij in dit licht bezien niet plaatsen. De redenen waarom de regering streeft naar invoering van de belastingherziening in het jaar 2001 zijn hiervoor nog eens uiteengezet. Daarbij zij overigens aangetekend dat de belangrijkste randvoorwaarde daarvoor is en blijft, dat dit op verantwoorde wijze kan.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben een aantal opmerkingen gemaakt over de naam die aan het voorliggende wetsvoorstel is toegekend. Zij vergelijken in dat verband de titel «belastingherziening 2001» met de titel «Belastingstelsel 21e eeuw» en suggereren dat wij hiermee tot uitdrukking hebben willen brengen dat het nieuwe belastingstelsel een aanzienlijke kortere levensduur wordt toegedicht dan oorspronkelijk voorzien. Zoals dat wel vaker het geval is. Wij willen de leden van de GroenLinks fractie er ook op wijzen, dat wij in ieder geval nooit, ook niet in 1997, in de veronderstelling hebben geleefd dat wij bezig waren met het ontwerpen van een stelsel dat een volle eeuw houdbaar zou zijn. Bij de aanbieding van de Verkenning aan de Tweede Kamer hebben wij gesproken over een «(..) verkenning waarin het belastingstelsel zich aan het begin van de 21e eeuw zou moeten ontwikkelen». Wel zijn wij er nog steeds van overtuigd, dat de voorstellen een zeer wenselijke aanpassing van het stelsel inhouden. Gegeven de snelheid en dynamiek van de huidige ontwikkelingen lijkt het ons echter niet verstandig om een uitspraak te doen of de nieuwe Wet IB 2001 net zo'n lange levensduur zal hebben als de huidige Wet IB 1964.

Naar aanleiding van de verwijzing door de GroenLinks fractie naar de toenmalige minister van Financiën, Pierson en de invoering van de forfaitaire rendementsheffing, zouden wij deze leden van harte lezing willen aanbevelen van een recent verschenen artikel van de rechtsgeschiedkundige prof. dr. Ydema (WFR 1999/6358). Deze auteur toont op overtuigende wijze aan dat het voorstel voor invoering van de forfaitaire rendementsheffing in wezen past in een Paarse traditie avant la lettre! Hij merkt daarbij op dat ons voorstel beter voldoet aan de dringende eis der rechtvaardigheid dan de huidige cumulatie van inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Die conclusie trekt hij omdat hij de effecten van het forfaitaire rendement vindt voldoen aan een citaat van J. Heemskerk: «meer gelijkmatig, billijker en minder drukkend dan het huidige samenstel».

De leden van de SP-fractie geven aan met teleurstelling te hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Naar de mening van deze leden voldoet het wetsvoorstel niet aan de eisen van de volgende eeuw, vanwege een tekort aan maatschappelijk draagvlak, omdat de voorgestelde belastingherziening de inkomensverschillen niet verkleint en de overheid niet meer middelen verschaft om meer te kunnen investeren in de samenleving. Het heeft deze leden verbaasd, dat in het voorliggende wetsvoorstel aan het maatschappelijk draagvlak geen aandacht wordt besteed.

Wij zouden deze leden erop willen wijzen, dat nu juist een van de belangrijkste doelstellingen van deze belastingherziening is, om ook in de toekomst een stabiele stroom aan belastingopbrengsten te realiseren, waaruit de door deze leden noodzakelijk geachte investeringen in de samenleving gefinancierd dienen te worden. Wij hopen in de loop van de behandeling van dit wetsvoorstel ook de leden van de SP-fractie te kunnen overtuigen dat de maatschappelijke en internationale ontwikkelingen een herziening van ons belastingstelsel onvermijdelijk maken en dat de richting waarin het belastingstelsel zich ontwikkelt ook mede wordt bepaald door de dynamiek van die maatschappelijke en internationale ontwikkelingen. Op basis van de vele discussies over de herziening van het belastingstelsel die wij tot dusver hebben gevoerd, is onze indruk in ieder geval dat deze analyse tamelijk breed wordt onderschreven en dat er daarom ook voldoende maatschappelijk draagvlak aanwezig is voor het invoeren van deze belastingherziening. In dit verband verwijzen wij ook naar het unanieme SER-advies over de belastingherziening.

De leden van de fracties van GPV en RPF staan in beginsel positief tegenover de keuze voor een boxenstelsel waarbij het de bedoeling is, dat negatieve inkomsten uit vermogen niet langer kunnen worden gebruikt om de belastingheffing op het positieve arbeidsinkomen te minimaliseren. Ook het streven van de regering om het belastingplichtigen moeilijker te maken met behulp van allerlei constructies de belastingheffing te ontwijken, wordt door deze leden gesteund. De leden van fracties van GPV en RPF teken daarbij overigens wel aan, dat zij er niet van overtuigd zijn dat het voorgestelde stelsel in alle gevallen rechtvaardig uitwerkt en plaatsen, net als de fracties van CDA, GroenLinks en SGP, kritische kanttekeningen bij het tijdschema voor de wetgeving.

Met betrekking tot de exacte invulling van de boxen en de tariefstructuur leven bij genoemde leden een aantal vragen. Verderop in deze nota worden deze vragen van een antwoord voorzien. Wij hopen en verwachten deze leden er van te kunnen overtuigen dat het nieuwe belastingstelsel dat wordt voorgesteld in ieder geval over het geheel rechtvaardiger uitwerkt dan het huidige stelsel, al hebben wij er begrip voor, dat deze leden op een aantal terreinen, gegeven hun levensovertuiging, een andere afweging maken dan wij.

De leden van de SGP-fractie geven aan met gemengde gevoelens te hebben kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel, omdat naar het oordeel van deze leden enkele funderende beginselen die ten grondslag liggen aan het huidige stelsel ontbreken. Deze leden missen een duidelijk leidend beginsel en zeggen dat het erop lijkt, dat het de regering primair te doen is een stabiele belastingopbrengst veilig te stellen en dat de in het wetsvoorstel neergelegde fiscale en niet-fiscale doelstellingen hieraan duidelijk ondergeschikt zijn. De leden van de SGP-fractie stemmen echter wel in met een aantal van de doelstellingen die in het voorliggende wetsvoorstel naar voren worden gebracht. Zij noemen in dat verband de nagestreefde evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de belasting- en premiedruk en de vergroening.

Wij zijn uiteraard blij met de instemming van deze leden met een aantal belangrijke doelstellingen van deze belastingherziening. Wij menen dat bij de vormgeving van het stelsel stabiele opbrengsten, een redelijke verdeling van de druk en de economische gevolgen leidende uitgangspunten moeten zijn. Waar daarbij spanning zou optreden met een fiscaal theoretische fundering, dan prevaleren deze doelstellingen.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de regering de financiële deugdelijkheid van het wetsvoorstel ook door het CPB of een andere instantie heeft laten doorrekenen. Zo ja, wat zijn hier de uitkomsten van?

De regering heeft de budgettaire en economische gevolgen van de belastingherziening door het CPB laten doorrekenen. Deze berekeningen zijn onlangs gepubliceerd in werkdocument nr. 115 van het CPB. Het CPB concludeert net als de regering dat de stelselherziening zoals geschetst in het wetsvoorstel een budgettair beslag heeft van 5 miljard. Dat werkdocument is als bijlage bij deze nota gevoegd.1

De leden van de PvdA-fractie en de VVD-fractie vragen een overzicht van de regelingen waarbij nadere regels moeten worden uitgewerkt, die nu niet in het wetsvoorstel staan. Zowel in het wetsvoorstel voor de Wet inkomstenbelasting 2001 als in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 staan een groot aantal delegatiebepalingen. Bij het wetsvoorstel voor de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn enkele bepalingen die onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 waren opgenomen in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, nu opgenomen in het wetsvoorstel voor de Wet inkomstenbelasting 2001. Het betreft bepalingen die zodanig zijn uitgekristalliseerd dat zij zonder bezwaar kunnen worden opgenomen in de wet.

In het wetsvoorstel wordt in de volgende artikelen verwezen naar bij Algemene maatregel van bestuur te stellen regels:

• artikel 2.2.3 (keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen);

• artikel 3.2.2.2 (vrijstelling voor bosbedrijf);

• artikel 3.3.4 (pensioenen in grensoverschrijdende situaties);

• artikel 3.7.5 (in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten);

• artikel 4.7.2.7 (verkrijgingsprijs bij het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht);

• artikel 5.2.1 (vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen);

• artikel 5.2.5 (vrijstelling groen beleggen);

• artikel 5.3.3 (waardering genotsrechten);

• artikel 5.3.4 (waardering: aanvullende regels);

• artikel 6.6.1 (weekenduitgaven voor een gehandicapt kind);

• artikel 9.3 (voorlopige teruggaaf) en

• artikel 10.2.2 (rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen).

Verder wordt in een groot aantal bepalingen verwezen naar bij ministeriële regeling te stellen regels. Daarbij gaat het voornamelijk om voorschriften van administratieve aard, uitwerking van (technische) details van een regeling of voorschriften die dikwijls wijziging behoeven. Veel delegatiebepalingen zijn ontleend aan de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en zijn nu uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 en de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de voorstellen van de regering relatief ongunstig uitpakken voor: middeninkomens, alleenverdieners (met kinderen), uitkeringsgerechtigden, AOW-ers met een pensioen en wat vermogen en ondernemers. Het CDA betreurt het dat de regering bij dit wetsvoorstel geen rekening heeft gehouden met de relatief ongunstige inkomenseffecten die reeds bij de parlementaire behandeling van het regeerakoord en de regeringsverklaring duidelijk waren. De leden van de CDA-fractie denken voorlopig aan een verbetering van de inkomenspositie van de middeninkomens, alleenverdieners en ouderen. Dit kan door aanpassingen van schijflengtes en de hoogte van de tarieven. Hun definitieve voorstellen hangen af van de verdere gedachtewisseling met het kabinet. De leden van de fracties van GPV en RPF herinneren de regering aan haar toezegging om met name voor de middeninkomens aanvullende maatregelen te nemen.

Ook de regering wil de inkomenseffecten voor de middeninkomens, met name de alleenverdieners, verbeteren. Momenteel is de regering bezig met het uitwerken hiervan.

Ten aanzien van de relatieve kleine inkomenseffecten van uitkeringsgerechtigden wijst de regering erop dat een van de belangrijkste doelstellingen van de belastingherziening het bevorderen van de arbeidsparticipatie is. Dit geldt met name voor uitkeringsgerechtigden. Door werken meer lonend te maken verbetert de zogenoemde replacement rate en wordt het voor uitkeringsgerechtigden aantrekkelijker om een baan te accepteren.

De leden van de CDA-fractie hebben grote twijfels over de hoogte van de arbeidskorting, die maar liefst 8 tot 9 miljard zou kosten. De hoogte van de arbeidskorting leidt volgens de leden tot een vergroting van de verschillen tussen werkenden en niet-werkenden, waaronder gepensioneerden. Dat leidt weer tot verschraling van de kwaliteit van de samenleving. Een deel van het budget zou daarom anders ingezet moeten worden. De arbeidskorting zou bovendien van toepassing moeten zijn vanaf de eerst-verdiende gulden, dus ook ten behoeve van kleine deeltijdbanen.

De stelling van de leden van de CDA-fractie dat een arbeidskorting leidt tot een groter financieel verschil tussen werken en niet-werken is juist. Sterker nog, dit is de bedoeling van de arbeidskorting. De regering is van mening dat momenteel het verschil tussen een netto uitkering en het netto loon van een laag betaalde baan te klein is. Dit betekent dat het in bepaalde situaties onvoldoende lonend kan zijn om een betaalde baan te accepteren vanuit een uitkeringsituatie. Het aanbod van arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt wordt hierdoor geremd. Door de invoering van de arbeidskorting wordt werken lonender. De in de economische literatuur breed ondersteunde verwachting is dat dit het arbeidsaanbod stimuleert, de werkgelegenheid vergroot, en de werkloosheid verkleint. Volgens de regering is dat geen verschraling van de kwaliteit van de samenleving, integendeel.

Deze leden stellen verder voor om de arbeidskorting te laten gelden vanaf de eerst-verdiende gulden. Het moge duidelijk zijn dat deze keuze op zichzelf leidt tot een groter budgettair beslag, en daarmee moeilijk te verenigen is met de wens om minder middelen in te zetten voor de arbeidskorting.

De leden van de CDA-fractie vinden dat de aftrek van de werkelijke beroepskosten gehandhaafd dient te worden. Reeds hier willen wij erop wijzen dat het voorstel van het kabinet om, alles afwegende, deze mogelijkheid voor belastingplichtigen in dienstbetrekking inderdaad te beëindigen, mede op afspraken berust zoals deze zijn neergelegd in het thans geldende regeerakkoord. Met name in paragraaf 4.2.1 Arbeidskosten zal op dit onderdeel van de belastingherziening nader worden ingegaan.

De CDA-fractieleden vragen om een reactie over de behandeling van de hypotheekrenteaftrek en bepleiten de daling van het huurwaardeforfait. De reactie wordt gegeven in § 4.3.1. Algemeen (§ 4.3. Eigen woning).

De leden van de CDA-fractie vragen met betrekking tot de forfaitaire rendementsheffing om een reactie over het bevorderen van de spaarzin en het meer rekening houden met de draagkracht. Deze reactie wordt gegeven in § 6.1. Inleiding (Inkomen uit sparen en beleggen).

De leden van de CDA-fractie bepleiten overname van het voorstel van de Sociaal-Economische Raad ten aanzien van de oudedagsvoorziening. Hierop wordt een reactie gegeven in § 7.2 Advies Sociaal-Economische Raad.

De vragen van de CDA-fractie over de eerbiedigende werking met betrekking tot aangegane langdurige verlichtingen zullen we bespreken in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet.

De leden van de CDA-fractie pleiten voor een verbetering van de positie van de vrijwilligers en noemen enkele mogelijkheden. Wij wijzen erop dat de positie van vrijwilligers de laatste jaren regelmatig op de politieke agenda heeft gestaan en dat binnen het verantwoorde daar ook maatregelen uit zijn voortgevloeid. In het onderhavige kader zien wij geen mogelijkheden tot het treffen van nadere maatregelen. Verhoging van vergoedingen is een zaak die primair de organisaties zelf aangaat. Zolang het gaat om echte kostenvergoedingen zijn er geen belemmeringen op het terrein van de belasting- en premieheffing of de bijstand. Een zogenoemde «activiteiten»-aftrek lijkt ons nog los van moeilijke controle-aspecten direct in strijd te komen met de plicht tot gelijke behandeling van belastingplichtigen. In antwoord op de kritiek van deze ledenmerken wij op dat wij de afgelopen jaren verschillende maatregelen hebben getroffen om het fiscale klimaat voor verenigingen en non-profitorganisaties te verbeteren.

De vragen en opmerkingen van de verschillende fracties over de voorgestelde delegatiebepaling bespreken we hierna in paragraaf 1.2.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom voor de parlementaire behandeling van de huidige belastingherziening zoveel minder tijd beschikbaar is als destijds voor de Oort-wetgeving. Aan de Oort-wetgeving lag een rapport ten grondslag dat is gevolgd door een afzonderlijk regeringsstandpunt. In dit geval zijn er tal van aanlopen naar de Verkenning geweest (zie de bijlagen bij de Verkenning) en vervolgens de omvangrijke Verkenning zelf die in veel opzichten al aanzetten tot het wetgevingsproces bevat. Vervolgens is in het regeerakkoord een vrij gedetailleerde opzet opgenomen van de voorgestelde belastingherziening. Uit het omvangrijke verslag van de zijde van de Kamer leiden wij af dat het krappe tijdschema een intensieve behandeling van de voorstellen niet in de weg staat. Dat geeft ons het vertrouwen dat wij niettegenstaande de omvang van dit project te maken hebben met een proces dat verantwoord verloopt.

De vragen van de leden van de fracties van GPV en RPF over de exacte invulling van de boxen en de tariefstructuur zullen we bespreken bij de desbetreffende onderdelen van het verslag. Daarbij zullen we ook aandacht besteden aan de rechtvaardige uitwerking van het voorgestelde stelsel.

De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat belastingplichtigen die in bijzondere situaties verkeren als gevolg van de voorgestelde maatregelen met onverwachte, onbedoelde en onredelijke effecten kunnen worden geconfronteerd. Wij komen daarop later in deze nota terug aan de hand van de door deze leden ter sprake gebrachte punten.

1.2. De belastingherziening 2001

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de grenseffecten en mogelijke ontduiking beoordeeld bij een verhoging van de indirecte belastingen. Waarom is gekozen voor 10 miljard grondslagverbredende maatregelen en 8 miljard aan indirecte belastingmaatregelen? Wat zijn de gevolgen van een andere verhouding, bijvoorbeeld 12 miljard grondslagverbredende maatregelen en 4 miljard aan indirecte belastingmaatregelen, of 7 miljard aan grondslagverbredende maatregelen en 11 miljard aan grondslagverbredende maatregelen. Kan het kabinet nauwkeurig aangeven welke effecten deze verhoudingen hebben voor werk, inkomen en internationale concurrentiepositie? Pleit het kabinet met het blok op bladzijde 21 van de Memorie van Toelichting voor gerichte lastenverlichting, of houdt hij toch vast aan de algemene lastenverlichting van het kabinet?

Het kabinet verwacht dat bij de voorgestelde verhogingen van de indirecte belastingen de grenseffecten en mogelijke ontduiking beperkt zullen blijven. In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat de stelselherziening resulteert in een robuuste belastingopbrengst. Ten aanzien van de omzetbelasting geldt dat het voorgestelde BTW-tarief van 19% internationaal niet uit de toon valt. Ook dan zal het BTW-tarief van België bijvoorbeeld met 21% nog steeds hoger zijn.

Voorts stellen de leden van de CDA-fractie vragen over de gekozen verhouding tussen de grondslagverbredende maatregelen en indirecte belastingmaatregelen. Een van de uitgangspunten bij de stelselherziening is dat de verhoging van de indirecte belastingen en de verbreding van de grondslag de mogelijkheid biedt om de lastendruk op arbeid te verminderen en de marginale tarieven te verlagen. De afzonderlijke maatregelen zijn daarbij steeds op hun eigen merites beoordeeld. Deze gang van zaken heeft uiteindelijk geresulteerd in een samenhangend pakket van maatregelen zoals dat is beschreven in het wetsvoorstel. De effecten die dit pakket heeft op werk, inkomen, en internationale concurrentiepositie zijn uitvoerig beschreven in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel en elders in deze nota. Daarnaast verwijzen wij naar CPB-werkdocument no. 115 dat als bijlage bij deze nota is gevoegd. Het is volgens het kabinet weinig zinvol om te speculeren over de effecten zoals die zouden zijn geweest indien het resulterende pakket een andere budgettaire verhouding zou hebben gehad tussen grondslagverbredende maatregelen enerzijds en indirecte belastingmaatregelen anderzijds. Hiervoor is het nodig dat expliciet wordt gemaakt hoe, dat wil zeggen met welke concrete maatregelen, deze andere verhouding wordt bereikt. Zonder die nadere explicitering is het niet mogelijk om uitspraken te doen over mogelijke effecten.

In het door het CDA gememoreerde blok op bladzijde 21 van de Memorie van Toelichting wordt uiteengezet dat de stelselherziening nieuwe instrumenten biedt om gericht inkomenbeleid te voeren. De lastenverlichting die ook in het verleden is doorgevoerd is feitelijk altijd in meer of mindere mate gericht op een bepaalde groep. De voor 2000 voorgestelde verhoging van het arbeidskostenforfait is bij voorbeeld specifiek gericht op werkenden. Het nieuwe belastingstelsel biedt voor een dergelijk beleid nieuwe instrumenten.

De leden van de CDA-fractie vinden het mooi dat de stelselherziening 65 000 banen oplevert, maar vragen zich af of er wel mensen zijn om die banen te kunnen vullen.

De lastenverlichting die wordt ingezet bij de stelselherziening draagt juist in belangrijke mate bij aan de bevordering van het aanbod van arbeid. Het kabinet is ervan overtuigd dat er nog steeds sprake is van een omvangrijk onbenut arbeidsaanbod. Zo geven ramingen van het Centraal Planbureau aan dat er in 2000 nog steeds 725 duizend personen zijn met een werkloosheids- of bijstandsuitkering. Ook de participatiegraad van de leeftijdsgroep 55 tot 64 jaar is in internationaal perspectief nog steeds beduidend onder het gemiddelde. Het beleid van het kabinet is erop gericht deze onbenutte arbeidsreserve te activeren. Met name door de introductie van de arbeidskorting wordt het bijvoorbeeld voor mensen in een uitkeringssituatie aantrekkelijker om werk te gaan zoeken.

De leden van de CDA-fractie merken op dat overeenstemming bij regeerakkoord over hoofdpunten niet als een rechtvaardiging naar voren kan worden gebracht voor een korte behandelingstermijn. Wij begrijpen deze opmerking maar wijzen erop dat het uitgewerkte karakter van het regeerakkoord op het punt van belastingherziening zeker bevorderlijk is voor een voorspoedig verlopend wetgevend proces. Dat geldt uiteraard ook voor de parlementaire debatten die er zijn geweest over de belastingherziening. In de eerste plaats naar aanleiding van de Verkenning maar ook die in het kader van de recente belastingplannen en over het regeerakkoord. Voor de beoordeling van de behandelingstermijn spelen ook andere factoren mee. Hiervoor gaven wij al enkele overwegingen die daarbij spelen.

De aan het woord zijnde leden vragen of wij kunnen aangeven hoe het tijdschema van het ontstaan en de behandeling in het parlement is geweest van vorige majeure belastingherzieningen. Wij geven hierna enkele feiten met betrekking tot de duur van de parlementaire behandeling van de herzieningen die in 1965, 1973 en 1990 zijn ingegaan. Wij wijzen erop dat een vergelijking met het huidige traject weinig inhoudelijk inzicht verschaft door de eigensoortigheid van de afzonderlijke herzieningen vooral de verschillende voortrajecten. Om een voorbeeld te noemen: de in 1958 ingediende algemene herziening die tot de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft geleid, is in zekere zin opgestart met een in 1948 ingestelde commissie. Na de indiening in 1958 zijn er weer verschillende tussenstappen in het wetgevend proces geweest.

Algemene herziening 1965:  
indiening/aanvaarding Tweede Kamer 67 maanden
indiening/aanvaarding Eerste Kamer 5,5 maanden
Tariefstructuur c.a. 1973:  
indiening/aanvaarding Tweede Kamer 3,5 maanden
indiening/aanvaarding Eerste Kamer 1,5 maanden
Oort-wetgeving 1990:  
indiening/aanvaarding Tweede Kamer 7,5 maanden
indiening/aanvaarding Eerste Kamer 3 maanden

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie of het kabinet kan aangeven wanneer de Tweede Kamer het pakket vergroeningsmaatregelen kan verwachten merken wij het volgende op. In Bijlage 13 bij de Miljoenennota is beschreven wat de stappen zijn die de regering op het traject van vergroening van het fiscale stelsel wil zetten in de jaren 2000 en 2001. De maatregelen voor het jaar 2000, zijn opgenomen in het Belastingplan 2000. Het betreft de tweede tranche van de verhoging van de energiebelastingen, de invoering van een belasting op leidingwater, waarbij water weer onder het lage BTW-tarief wordt gebracht, de eerste stap in de verhoging van de belasting op het storten van brandbaar afval, de eerste stap in het gelijktrekken van het tarief in de grondwaterbelasting voor zelfonttrekkers, de maatregelen in de sfeer van de motorrijtuigenbelasting en de belasting op personenauto's en motorrijwielen in het kader van de optimale brandstofmix en het brengen van bestrijdingsmiddelen en meststoffen onder het algemene BTW-tarief. In het Belastingplan 2001 zullen – zo is de opzet – de overige maatregelen worden opgenomen. Het gaat hierbij om de derde tranche van de verhoging van de energiebelastingen, de tweede stap in de verhoging van de belasting op het storten van brandbaar afval, de tweede stap in het gelijktrekken van het tarief in de grondwaterbelasting voor zelfonttrekkers, de invoering van een belasting op het inzamelen van huishoudelijk afval en van een belasting op oppervlaktedelfstoffen.

Overigens zijn in tabel 13.4.1. van genoemde bijlage 13 de desbetreffende maatregelen opgenomen, inclusief het budgettaire beeld.

De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet om een reactie op de suggestie van de Federatie van Belastingadviseurs die concluderen dat voor de werkgelegenheid de 5 miljard lastenverlichting beter rechtstreeks aan werkgevers gegeven zou kunnen worden.

Het zal de leden van de D66 fractie niet verbazen, dat wij deze suggestie van de Federatie geen goed idee vinden. In de eerste plaats gaat deze suggestie uit van de veronderstelling dat een impuls geven aan de werkgelegenheid de enige doelstelling van de belastingherziening zou zijn, terwijl wij met deze belastingherziening meer doelstellingen nastreven. Maar bovendien is het ook hoogst twijfelachtig of een minder gerichte inzet van de lastenverlichting op verlaging van de lastendruk op arbeid wel tot vergelijkbare werkgelegenheidseffecten leidt, omdat er langs deze weg in beginsel geen incentive in zit voor werkgevers om (meer) gebruik te maken van de productiefactor arbeid in plaats van te investeren in kapitaal.

De leden van de fractie van GroenLinks refereren aan de opmerking aan het begin van de memorie van toelichting, dat de nadruk bij deze belastingherziening moet liggen bij de loon- en inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen en vragen of het Kabinet de vergroening goeddeels als voltooid beschouwd. Ook vragen deze leden de regering nog eens aan te geven wat de doorslaggevende elementen zijn geweest bij het ter hand nemen van een nieuwe Wet op de Inkomstenbelasting en daarbij een verbinding te leggen tussen de lastenverschuiving en de vergroening van de belastingheffing.

De nadruk die in deze belastingherziening wordt gelegd bij de loon- en inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen vloeit voort uit de bevindingen in de Verkenning, dat vooral de lastendruk op arbeid een probleem vormt. Deze leidt, zoals in de memorie van toelichting al is aangegeven, tot een groot verschil tussen de loonkosten voor werkgevers en het bijbehorende netto besteedbaar inkomen van de werknemer. De werking van de arbeidsmarkt wordt hierdoor belemmerd. Mede met het oog op de toenemende vergrijzing van de bevolking en de mondialisering van de economie, acht de regering het van groot belang dat deze belemmeringen worden weggenomen. Een ander belangrijk knelpunt dat bij de verkenning van het huidige belastingstelsel naar voren kwam is dat vermogensinkomsten niet adequaat in de heffing kunnen worden betrokken. Deze elementen hebben voor de regering zwaar gewogen bij de beslissing om een nieuwe Wet op de inkomstenbelasting op te stellen. Gegeven de noodzaak de hoge lastendruk op arbeid te verlichten, is in de Verkenning gekeken naar de mogelijkheid en wenselijkheid de lastendruk te verschuiven van directe naar indirecte belastingen. De belangrijkste conclusie van deze verkenning was, dat een dergelijke verschuiving niet alleen bijdraagt aan de beoogde verlichting van de lastendruk op arbeid, maar tevens het belastingstelsel als geheel robuuster zou maken. Tevens is in de Verkenning, in het licht van de gesignaleerde knelpunten van het huidige stelsel, gekeken naar de mogelijkheden en wenselijkheid van een verhoging van de milieubelastingen. Geconcludeerd is dat ook een verhoging van deze belastingen leidt tot een versterking van de robuustheid van het belastingstelsel en tegelijkertijd ook vruchten afwerpt op milieugebied. De resultaten van de Verkenning zijn vervolgens vertaald in een win-win-situatie waarbij de gewenste lagere lastendruk op arbeid voor een belangrijk deel wordt gefinancierd uit een verschuiving van de directe naar de indirecte belastingen en verhoging van de milieubelastingen, het belastingstelsel als geheel robuuster wordt en tevens bijdraagt aan verbetering van het milieu. De oplossing van het andere belangrijke knelpunt dat vermogensinkomsten in het huidige stelsel niet adequaat in de heffing worden betrokken vindt plaats via de invoering van de vermogensrendementsheffing.

In reactie op de vraag van de leden van de GroenLinks fractie of met de voorstellen in het kader van deze belastingherziening de regering de vergroening van het belastingstelsel als voltooid beschouwd, zouden wij de leden van de GroenLinks fractie in de eerste plaats willen wijzen op het feit dat uit internationale vergelijking blijkt, dat Nederland bij de vergroening van het belastingstelsel duidelijk een koppositie inneemt. En ook in Europees verband spant de Nederlandse regering zich in voor groenere belastingen. De mogelijkheden voor een verdere vergroening van het Nederlandse belastingstelsel zijn mede afhankelijk van de vorderingen die op dat terrein in Europa worden geboekt.

De leden van de GroenLinks fractie merken op dat het met de gesignaleerde belemmering van de werking van de arbeidsmarkt, gelet op de huidige krapte, nogal meevalt. Men kan immers niet volhouden dat de algehele belasting- en premiedruk momenteel te hoog is. Wel zijn specifieke knelpunten zichtbaar die evenwel niet nopen tot algehele tariefsverlaging. De knelpunten die de gang naar de arbeidsmarkt verhinderen, liggen – behoudens de armoedeval – op een ander vlak. De leden van de fractie zijn van mening dat van hoge loonkosten in Nederland geen sprake meer is. De mondialisering van de economie heeft ook betekenis, maar welke dat is wordt niet vermeld. De leden van GroenLinks hechten aan een nadere onderbouwing want juist het mondialiseringsthema wordt veel gebruikt maar is weinig kritisch doordacht.

De Nederlandse arbeidsmarktsituatie laat momenteel een toenemende krapte aan de arbeidsaanbodzijde zien. Het aantal openstaande vacatures is gestegen tot een recordniveau. Tegelijkertijd is er sprake van een forse onbenutte arbeidsreserve. Het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering is nog steeds fors. De netto arbeidsparticipatie van vrouwen en oudere werknemers ligt, ook vanuit een internationaal perspectief, laag. Deze paradoxale situatie is een van de belangrijkste uitdagingen van het arbeidsmarktbeleid.

De regering is van mening dat de voorgestelde stelselherziening eraan zal bijdragen een deel van deze problematiek op te lossen. De geconstateerde fricties op de arbeidsmarkt zijn ten dele het gevolg van het feit dat werk vanuit de uitkeringssituatie niet lonend genoeg is. De hoge marginale tarieven vormen een belemmering voor de opwaarste mobiliteit op de arbeidsmarkt. Om deze knelpunten te ondervangen wordt in het nieuwe stelsel een arbeidskorting geïntroduceerd en worden de marginale tarieven over vrijwel de hele linie verlaagd. Daarnaast wordt de overdraagbare belastingvrije som omgezet in een heffingskorting. Dit zijn forse ingrepen in de structuur van het stelsel.

Voorwaarde daarbij is dat de herziening resulteert in een evenwichtig inkomensbeeld. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de vergroting van het verschil tussen laag betaalde banen en een netto uitkering niet ten koste van de koopkracht van uitkeringsgerechtigden mag gaan. Ook deze laatste groep profiteert nu van de voorgestelde stelselherziening. Het uitgangspunt van een verbeterde arbeidsmarktwerking én een evenwichtig inkomensbeeld zijn alleen door een netto lastenverlichting met elkaar te verenigen. Hetzelfde geldt indien rekening wordt gehouden met de beoogde vergroening en verbreding van het stelsel. Daarnaast is de regering van mening dat door de lastenverlichting de lastendruk op arbeid wordt verminderd en bijdraagt aan een beheerste loon(kosten) ontwikkeling. Dit maakt de productiefactor arbeid relatief aantrekkelijker hetgeen de werkgelegenheid te goede komt. De ervaringen in de afgelopen jaren ondersteunen deze veronderstelling. Gegeven de mondialisering van de economie heeft juist de gematigde loonkostenontwikkeling in Nederland ertoe bijgedragen dat de werkgelegenheid hier sneller is toegenomen dan in de ons omringende landen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar een reactie op de vraag of de vermogensrendementsheffing de grondslag biedt om vermogensinkomsten adequaat in de heffing te betrekken. Deze reactie wordt besproken in § 6.1. Inleiding (Inkomen uit sparen en beleggen).

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de conclusies van de gedragscode groep onder leiding van staatssecretaris Primarolo van het Verenigd Koninkrijk en naar de beleidsreactie daarop van Nederland. De gedragscode groep heeft – met een Nederlands voorbehoud – een rapport afgerond dat wordt gestuurd naar de Ecofin Raad. Het is de bedoeling dit rapport op 29 november in de Ecofin te bespreken.

Verder vragen de leden van de fractie van GroenLinks in hoeverre de conclusies van de gedragscode groep invloed hebben op het vraagstuk van fiscale coördinatie. In dat kader vragen deze leden of het kabinet de mening deelt dat lastenverschuiving van arbeid naar kapitaal bereikt moet worden via fiscale coördinatie en wat het standpunt van het kabinet is over het veto-recht bij besluitvorming over Europese belastingdossiers. Het kabinet is van mening dat bij belastingen het subsidiariteitsbeginsel het uitgangspunt is. Het subsidiariteitsbeginsel verschaft individuele lidstaten aanpassingsvermogen, biedt ruimte voor beleidsvernieuwing, stimuleert het zoeken naar effectieve en efficiënte vormen van beleid en sluit aan bij de huidige democratische instituties. Bij volledige fiscale beleidsautonomie bestaan er niettemin in een aantal gevallen duidelijke minpunten.Genoemd kunnen worden:

– bij belastingheffing met het oog op gedragsregulering bij grensoverschrijdende dan wel nationale (milieu)problemen;

– er systeemverschillen bestaan die het functioneren van de interne markt belemmeren;

– er sprake is van steun of gedifferentieerde behandeling van binnen- of buitenlandse ondernemingen;

– er sprake is van belastingontwijking en -ontduiking door mobiele grondslagen.

In dat kader kunnen Europese initiatieven behulpzaam zijn bij de verschuiving van de lasten van arbeid naar kapitaal. Een dergelijke gewenste verschuiving was een van de redenen achter de totstandkoming van het belastingpakket tijdens de Ecofin van 1 december 1997. Voor hetstandpunt van het kabinet over het veto-recht bij Europese belastingdossiers kan verwezen worden naar de regeringsnotitie die zal worden voorbereid ten behoeve van de komende Intergouvernementele Conferentie. In die notitie zal onder meer worden ingegaan op de besluitvorming op het gebied van de Europese belastingdossiers.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar een overzicht van de (effectieve) belastingdruk op (privé-)vermogensinkomsten in Europese landen en de V.S. Een dergelijk overzicht zou volgens deze leden wellicht enig licht kunnen scheppen in het moeilijk te doorgronden concept van de kapitaalvlucht. Dit overzicht is opgenomen in paragraaf 6.3.4.

Veel leden hebben vragen over de voorgestelde bepaling voor tijdelijke aanvullende delegatie (artikel 10.2.1). Ook verschillende maatschappelijke organisaties hebben hierover opmerkingen gemaakt. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid in de eerste twee jaren na de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor de goede uitvoering van die wet bij ministeriële regeling nadere, zo nodig van die wet afwijkende, regels te stellen.

Vooropgesteld wordt dat de voorgestelde bepaling niet is ingegeven door de vrees dat het voorliggende wetsvoorstel niet voldoende doordacht is, zoals de leden van de VVD-fractie suggereren. Evenmin hangt de voorgestelde bepaling samen met de snelheid waarmee de invoering van het voorliggende wetsvoorstel is voorzien, zoals de leden van de fracties van GPV en RPF lijken te veronderstellen. Het voorgestelde tijdschema staat naar onze overtuiging een fundamentele behandeling van het wetsvoorstel niet in de weg, hetgeen ook blijkt uit het verslag van de vaste commissie.

De voorgestelde delegatiebepaling is ingegeven door de omstandigheid dat de belastingherziening 2001 een omvangrijke wetgevingsoperatie is met aanzienlijke implicaties voor de uitvoering, onder meer op het vlak van de automatisering. Het opnemen van een delegatiebepaling is bij omvangrijke belastingwetgeving gebruikelijk. Ongeacht het tijdschema voor de behandeling van het wetsvoorstel, kan later worden gestuit op onduidelijkheden die pas bij de toepassing van de bepalingen in concrete situaties naar voren komen. De voorgestelde tijdelijke delegatie heeft het oog op dergelijke praktische onduidelijkheden, waarbij spoedige aanpassing gewenst is om een goede werking van deze wet in de praktijk te verzekeren. In antwoord op de desbetreffende vraag van de SGP-fractie merken we op dat de voorgestelde delegatiebepaling zou kunnen worden gebruikt om technische en voor belastingplichtige gunstige correcties aan te brengen. De voorgestelde bepaling is daartoe qua formulering niet beperkt. Het gaat wel uitdrukkelijk om een tijdelijke delegatie voor de eerste twee jaren na de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het is daarbij niet de bedoeling om de Tweede Kamer als medewetgever buiten spel te zetten, zoals de leden van de fracties van CDA en GroenLinks lijken te vrezen. Mocht de delegatiebepaling worden toegepast voor een punt dat niet van ondergeschikt belang is, dan ligt het in de rede dat voorafgaand aan het uitvaardigen van de ministeriële regeling overleg met de Tweede Kamer plaats vindt dan wel dat de Tweede Kamer vooraf wordt geïnformeerd, zodat de Kamer de controlerende taak tijdig kan uitoefenen.

De voorgestelde delegatie is bovendien geclausuleerd in die zin dat de ministeriële regeling moet worden gevolgd door een wetsvoorstel. Mocht dat wetsvoorstel niet worden aanvaard door de Staten-Generaal dan zal de regeling onmiddellijk worden ingetrokken. Dat betekent dat wij niet beogen om het primaat van de wet aan te tasten, zo merken wij op naar aanleiding van opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA. De voorgestelde delegatiebepaling is ook niet in strijd met artikel 104 van de Grondwet, zoals de leden van de fractie van CDA vragen.

Met de algemene delegatiebepaling wordt niet beoogd, zo merken wij op in reactie op opmerkingen van de VVD-fractie, om te komen tot terugwerkende kracht van wetgeving. Wel maakt de voorgestelde delegatiebepaling regelgeving met onmiddellijke werking mogelijk.

De delegatiebepaling is uitdrukkelijk bedoeld om nu niet voorziene omstandigheden op te lossen binnen het kader van de tot stand te komen wetgeving. Ons staat ook een uitermate terughoudend gebruik van de delegatiebepaling voor ogen.

De nu voorgestelde delegatiebepaling is geen noviteit. Soortgelijke bepalingen zijn bijvoorbeeld opgenomen in de Wet van 24 december 1992 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen en in de Wet overgang belastingheffing in euro's. Hierbij kan echter de kanttekening worden gemaakt dat het bij deze bestaande delegatiebepalingen gaat om vrij specifieke regelingen. Bij de nu voorgestelde bepaling gaat het daarentegen om een meer algemene delegatiebepaling met als reikwijdte de hele inkomstenbelasting. Een meer algemene delegatiebepaling is echter ook geen onbekend fenomeen. Zo is in in de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964 een algemene delegatiebepaling opgenomen met een algemene reikwijdte, die niet in de tijd is beperkt. Het voorgestelde artikel 10.2.1 is qua formulering echter meer geënt op de hiervoor genoemde meer recente en meer specifieke delegatiebepalingen.

Het is evenwel goed denkbaar om de voorgestelde delegatiebepaling in overeenstemming te brengen met de bepaling van artikel 67 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dat wil zeggen dat ook in de tekst van de delegatiebevoegdheid wordt omschreven dat deze is beperkt tot in het kader van de wet passende regels ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen. De delegatiebepaling zou dan als volgt kunnen luiden: «In de eerste twee jaar na inwerkingtreding van deze wet kunnen bij Algemene maatregel van bestuur in het kader van deze wet passende regels worden gesteld ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen».

De leden van de SGP-fractie vragen of het in verband met een zorgvuldige invoering en een adequate en vroegtijdige voorlichting aan belastingplichtigen niet beter is om de ingangsdatum met een jaar uit te stellen.

Ook wij streven naar een verantwoorde invoering. Wij menen dat het implementatietraject als geschat voor burgers en bedrijven en ook voor de belastingdienst voldoende is. Wij geven de voorkeur aan invoering per 2001. Een jaar later zou de omvang van het werk niet verminderen en alleen maar langer beslag leggen op de wetgevingscapaciteit. Het zou tegelijk de evidente verbeteringen een jaar opschorten.

1.3. Hoofdlijnen van de Wet inkomstenbelasting 2001

1.3.1. Naar een nieuwe inkomstenbelasting

De leden van de PvdA-fractie wijzen op de relatief positieve inkomenseffecten van de belastingherziening voor met name de lagere inkomens. Deze leden achten dit ook van belang, omdat juist de lagere inkomens beschermd moeten worden tegen de negatieve effecten van de vergroening. Dat is ook daarom belangrijk, zo vinden deze leden, om zeker te stellen dat waar individuele situaties al snel niet gemiddeld zijn, juist de mensen met lagere inkomens er gemiddeld zo veel op vooruit gaan dat ook zij die «niet gemiddeld» zijn nog steeds mee profiteren van de belastingherziening. Deze noties hebben ook bij de afwegingen die de regering heeft gemaakt een belangrijke rol gespeeld.

De leden van de PvdA en CDA fracties plaatsen vraagtekens bij de timing van de fiscale stelselherziening, gegeven het huidige gunstige economische tij. Voorop in deze discussie dient te staan dat de stelselherziening een structurele aanpassing betreft. Voorspelbaarheid, het verschaffen van tijdige zekerheid en betrouwbaarheid zijn daarbij cruciaal. Het is derhalve ongewenst om de timing van de structurele aanpassing afhankelijk te maken van het conjunctuurverloop. Daar komt bij dat de gunstige conjuncturele situatie van nu, niets zegt over de stand van de conjunctuur in 2001. Het verloop van de conjunctuur is met tal van onzekerheden omgeven, waarvan voor een klein land een goed deel uit het buitenland komt. Dit maakt het conjunctuurverloop en de verwachtingen daaromtrent bijzonder grillig.

Voorts kan via de vormgeving van de lastenverlichting ingespeeld worden op de actuele knelpunten in de economie. In de belastingherziening wordt een introductie van een arbeidskorting voorgesteld om de paradox tussen krappe arbeidsmarkt en lage participatiegraad weg te nemen. De lastenverlichting is zodoende een tweesnijdend zwaard: het stimuleert, via de introductie van een arbeidskorting, het arbeidsaanbod, zodat het economisch draagvlak kan worden vergroot en de verhitting tegengegaan. Tegelijkertijd neemt daarmee de spanning op de arbeidsmarkt af waardoor de lonen zich gematigd kunnen blijven ontwikkelen.

De CDA fractie spreekt zijn zorgen uit over de loonontwikkeling in het licht van de oplopende inflatie. De verschuiving van de directe naar de indirecte belastingen zal tot een hogere inflatie leiden in 2001. Het CPB heeft dit berekend op 1,2%. Deze hogere inflatie behoeft geen negatieve implicaties te hebben voor de loonontwikkeling en daarmee werkgelegenheidsgroei. De vakbonden gaan in de loononderhandelingen namelijk uit van de afgeleide consumentenprijsindexcijfer, dat is het consumentenprijsindexcijfer geschoond voor de verhoging van de indirecte belastingen.

Daar kan aan worden toegevoegd, mede inspelend op de vragen van de GPV en RPF fracties over de te verwachten werkgelegenheidseffecten, dat de gunstige economische ontwikkeling van de Nederlandse economie gedurende de afgelopen jaren mede is gebaseerd op een, door lastenverlichting ondersteunde, gematigde ontwikkeling van de lonen. Dit beleid heeft een breed draagvlak onder de sociale partners en de belastingherziening geeft hier verder handen en voeten aan. Dit geschiedt op tweeërlei wijze. Direct via de beoogde lastenverlichting van 5 miljard en indirect via de verschuiving van de directe naar indirecte belastingen, oftewel de verschuiving van lasten op arbeid naar lasten op consumptie. Dit laatste zal de arbeidskosten van ondernemingen drukken zodat de vraag naar arbeid op een structureel hoger niveau zal komen te liggen. Het CPB heeft berekend dat de werkgelegenheid – gemeten in personen – op lange termijn met ca. 70 000 personen toeneemt.

Resteert op dit vlak de vraag van de GPV en RPF fracties over het effect van loonmatiging op de inkomenspositie. Het kabinet is bij het berekenen van de inkomenseffecten, die positief uitvallen, uitgegaan van een loonneutraal beeld.

De leden van de PvdA fractie steunen de voorgestelde lastenverlichting als een zinnige en noodzakelijke investering in de toekomst. Wel hechten zij eraan van de regering een reactie te vernemen op van diverse zijden geopperde bezwaren tegen een impuls van deze omvang voor de economie, gegeven de betrekkelijke gunstige ontwikkeling van de economische groei in 1998, 1999 en naar verwachting latere jaren.

Een aantal fracties heeft vragen gesteld over de mogelijkheid dat bepaalde onderdelen van de voorstellen in strijd zouden zijn met het beginsel van gelijke behandeling zoals dat onder andere is verwoord in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke rechten en politieke rechten en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Zo verwijzen de leden van de fracties van PvdA in dit verband naar het afschaffen van bepaalde aftrekposten en naar mogelijk daardoor optredende asymmetrische behandeling bij voorbeeld in de sfeer van de behandeling van reiskostenvergoedingen en reiskostenaftrek. De leden van de CDA-fractie verwijzen in dit verband naar de afschaffing van de aftrekbaarheid van de werkelijke kosten (artikel 3.3.7).

In de Wet inkomstenbelasting 2001 is de symmetriegedachte – kosten aftrekbaar dan vergoeding onbelast, kosten niet aftrekbaar dan vergoeding belast – die reeds onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 was doorbroken, verlaten. De opzet van de nieuwe wet leent zich niet langer voor onverkorte toepassing van deze benadering die in de praktijk in het verleden tot de nodige problemen en soms gewrongen doelredeneringen aanleiding heeft gegeven.

In de nieuwe opzet is mede uitgangspunt het zoveel mogelijk beperken en afschaffen van aftrekposten waaronder aftrekbare kosten, teneinde met de daarmee gepaard gaande grondslagverbreding de tarieven te verlagen. Deze tariefsverlaging komt ten goede aan iedereen hetgeen tevens geldt voor de vereenvoudiging van de toepassing van de fiscale regelgeving die van deze, meer gestroomlijnde opzet het gevolg is. Daar waar, op zelfstandige gronden, reden is voor een bijzondere regeling, is daaraan tegemoet gekomen. In de sfeer van specifieke onderwerpen als aftrekbare kosten, reiskosten, scholingsaftrek, buitengewone lasten en giften, uitgaven voor kinderopvang etc. hebben wij steeds op basis van de bijzondere situatie van het geval overwogen of er aanleiding was voor een bijzondere regeling en aftrek wel toe te staan. Uiteraard hebben wij daarbij mede in de afweging betrokken dat gelijkwaardige situaties zoveel mogelijk op dezelfde wijze worden behandeld.

Bij het onderdeel van de regeling dat betrekking heeft op reiskosten hebben voorgaande overwegingen ertoe geleid het reiskostenforfait af te schaffen. Achtergrond hiervan is, naast vereenvoudiging van de regeling, de wens het fiscale stelsel aan te passen aan het regeringsbeleid op het punt van terugdringing van het woon–werkverkeer per auto. Het oude forfait vormde hiervoor een obstakel. Aangezien reiskosten desalniettemin voor grote groepen werkenden een kostenpost vormen, is handhaving van een aangepast forfait in geval van gebruik van openbaar en andere vormen van vervoer aangewezen. Dit forfait komt voor de categorie niet openbaar vervoer gebruikers te vervallen en wordt met een daaraan evenredig deel (circa een derde ten opzichte van de bestaande situatie) verlaagd voor de openbaar vervoer gebruikers. In lijn met de behandeling van kostenvergoedingen bij inkomen uit werk, wordt ook hier voorgesteld dat reiskostenvergoedingen voor werkelijk gemaakte kosten – met een maximering voor kosten gemaakt met de privé-auto – onbelast vergoed kunnen worden. De voorgestelde regeling is derhalve zorgvuldig op de verschillende relevante aspecten geanalyseerd. Het voorstel biedt thans zowel wat de verschillende onderdelen betreft, als bezien in haar geheel en in relatie met vergelijkbare voorstellen inzake specifieke kosten in het wetsvoorstel een afgewogen geheel. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een geïsoleerde, louter juridische weging van specifieke onderdelen van de belastingherziening afbreuk doet aan het bredere, integrale kader daarvan en de financiële, sociaal-economische afweging die daarin een rol hebben gespeeld. Ook wijzen wij op de budgettaire en inkomenspolitieke aspecten van de herziening. Het hoeft geen nader betoog dat hier sprake is van compromissen tussen de fracties die het regeerakkoord rechtstreeks hebben ondertekend. Mede in het licht van het hiervoor reeds gestelde omtrent de betekenis van het leerstuk van de symmetrische behandeling in de context van het huidige wetsvoorstel, is er geen aanleiding te veronderstellen dat de voorgestelde bepalingen geen recht doen aan het gelijkheidsbeginsel.

De leden van de PvdA-fractie vragen of ook op andere plaatsen sprake is van asymmetrische behandeling. Zoals uit het voorgaande blijkt geven wij er de voorkeur aan niet langer dit begrip te hanteren, aangezien dit in de nieuwe wet niet langer een toetsingscriterium is. Dit laat uiteraard onverlet de toepassing van beginselen als het gelijkheidsbeginsel. De problematiek waar deze leden het oog op hebben kan zich in beginsel op meer plaatsen voordoen. In dit verband zou kunnen worden gewezen op de behandeling van kosten in verband met arbeid en kosten in verband met werkzaamheden waar ook de leden van de CDA-fractie op wijzen. In de MvT op de Wet IB'01 hebben wij onder punt 4.2 (blz. 29–30) aangegeven waarom aftrek van werkelijk gemaakte kosten naast het forfait in de nieuwe opzet dient te worden uitgesloten. Wanneer daarentegen sprake is van overige werkzaamheden en niet wordt geopteerd voor de loonbelasting, is sprake van werkzaamheden die veeleer het karakter hebben van winst uit onderneming dan van inkomen uit dienstbetrekking. Voor deze aktiviteiten en belastingplichtigen creëert het voorstel een nieuwe fiscale positie met nieuwe rechten en verplichtingen. Een aantal bepalingen van het winstregime worden daarbij van overeenkomstige toepassing verklaard. Een van de aspecten daarbij is dat ook in de sfeer van de aftrek van kosten aansluiting is gezocht bij het regime dat terzake geldt voor winst uit onderneming en niet bij dat voor inkomen uit werk. Dit heeft tot gevolg dat bij de onderhavige categorie belastingplichtigen in beginsel alle kosten voor aftrek in aanmerking komen terwijl, op dit punt in contrast met loontrekkers, belastingvrije vergoedingen niet mogelijk zijn.

Deze leden vragen zich in dit verband af hoe een kwalitatief zo goed mogelijke wet kan worden afgeleverd en verwijzen in dit verband naar de suggestie van Happé opgenomen in het Weekblad voor Fiscaal Recht van 4 november 1999. Ook de leden van de GPV en RPF-fractie doen de suggestie om de Hoge Raad op grond van artikel 22 van de Wet op de rechterlijke organisatie op onderdelen advies te vragen voorafgaand aan invoering van de wet mede vanuit de gedachte een eventueel beroep op de delegatiebepaling van artikel 10.2.1 te beperken. Aan deze suggestie zijn bezwaren verbonden. Het is de taak van regering en parlement in onderling overleg en optredend als formele wetgever wetten tot stand te brengen. Het volledige spectrum van relevante aspecten komt daarbij aan de orde en kan en behoort in de overwegingen te worden betrokken. Hetzelfde geldt voor de rol van de Raad van State die als adviesorgaan zijn inbreng in dit proces heeft. Hiervoor is aangegeven dat er geen dwingende redenen zijn te veronderstellen dat de voorgestelde bepalingen geen recht doen aan het gelijkheidsbeginsel. In dit verband verwijzen wij nogmaals naar de bredere afwegingen die aan de herziening ten grondslag liggen. Ook de Hoge Raad heeft aangegeven dat de wetgever op dit punt ruimte heeft. Zo overwoog de Hoge Raad in de vakatiebonnenarresten van 16 juni 1999 (BNB 1999/286 en 1999/287) dat gelet op de rechtvaardigingsgronden (d.w.z. motieven van sociaal-economisch-politieke aard) en de beoordelingsvrijheid die de regelgever te dezen toekomt, niet kan worden gezegd dat de werknemers worden behandeld op een door de Grondwet of internationale verdragen verboden wijze. Een ander belangrijk aspect dat hierbij een rol speelt is dat vanuit juridisch oogpunt zeer zorgvuldig dient te worden omgegaan met een mogelijke adviesaanvraag aan de Hoge Raad, nu deze instantie tevens recht doet in juridische geschillen. Artikel 6 van het Europees Verdrag inzake bescherming van de rechten van de mens voorziet in geschilbeslechting door een onpartijdige rechter. In de zaak Procola (EVRM 28 september 1995, series A vol. 326) overwoog het Europees Hof dat, waar de betrokken adviesinstelling in eerste instantie een advies aan de desbetreffende overheid had verstrekt, daarmee, in de voorliggende zaak, de schijn van partijdigheid was gewekt, waardoor niet langer sprake kon zijn van onpartijdige rechtspraak.

De leden van de PvdA-fractie en de fractie van GroenLinks vragen of ook wij ons oordeel willen geven over de vraag of het nieuwe belastingstelsel in zijn uitwerking progressiever is dan het huidige. Deze vraag kan op verschillende wijze worden benaderd omdat bij de beoordeling van de progressiviteit van het nieuwe stelsel in vergelijking met het huidige stelsel verschillende elementen een rol spelen. Naast de verlaging van de (geïntegreerde) tarieven van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen wordt de grondslag voor deze belastingen verbreed, wordt het zogenoemde boxen-systeem ingevoerd, worden de milieubelastingen en de BTW verhoogd en worden de lasten per saldo met een bedrag van 5 miljard verlicht. Indien wordt gekeken naar de gemiddelde belastingdruk van een standaardwerknemer kan worden geconcludeerd dat de progressiviteit is toegenomen. Zoals uit de onderstaande tabel volgt is het verschil tussen de gemiddelde druk van een werknemer met een minimumloon enerzijds en een werknemer met een inkomen van 3 * modaal anderzijds toegenomen.

Gemiddelde belasting- en premiedruk uitgedrukt in belastbaar inkomen

 alleenstaandalleenverdiener
 huidigIB 2001huidigIB 2001
minimumloon24,8%17,9%14,7%7,1%
modaal29,4%25,3%23,6%19,1%
1,5 * modaal32,5%28,4%28,8%25,6%
2* modaal36,2%31,3%33,4%29,2%
3*modaal42,1%37,2%39,8%35,9%

Wij menen voorts dat het geïntegreerde beeld van de koopkrachteffecten zoals wij dat in de memorie van toelichting hebben gegeven een goed beeld geeft van de uitwerking van het nieuwe stelsel. De gunstige effecten voor lage inkomens die daaruit blijken, zijn ook een indicatie dat het nieuwe belastingstelsel in zijn totaliteit wat progressiever is dan het huidige. Het geïntegreerde beeld laat echter ook andere bewegingen, zoals de verhoging van de lastendruk op vermogensinkomsten zien die niet te vangen zijn onder de noemer van een tariefstructuur die wel of niet progressiever is.

De leden van de VVD vragen of wij kunnen aangeven waarom er niet is gekozen bij de vormgeving van dit wetsvoorstel om rekening te houden met inflatie. In de huidige vormgeving van de inkomstenbelasting is op verschillende manieren rekening gehouden met inflatie. Wij noemen de verschillende indexeringsmechanismen waardoor de tariefstructuur en andere regelingen worden geneutraliseerd voor inflatie. Deze regelingen komen terug in de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarnaast zijn er nieuwe regelingen die ook voor inflatie worden gecorrigeerd.

De leden van de VVD-fractie en de CDA-fractie vragen naar de geldingskracht van de criteria «deelname aan het economische verkeer» en «het voordeel moet beoogd en redelijkerwijs te verwachten zijn». Bij de bepaling van inkomen uit werk en woning en inkomen uit aanmerkelijk belang onder het regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet met zoveel woorden een wijziging beoogd van deze criteria ten opzichte van het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, al zal de betekenis wellicht verder afnemen daar waar de grens tussen belastbaarheid en onbelastbaarheid vaker aan de hand van meer objectieve criteria valt te trekken. Bij de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen geldt echter een nieuw inkomensbegrip, waarbij de relevantie van deze criteria ontbreekt. Uitgangspunt bij het inkomen uit sparen en beleggen is namelijk dat in beginsel alle bezittingen van een belastingplichtige, voorzover zij niet zijn begrepen in box I of II, die in economische zin rendement kunnen opleveren, onder de reikwijdte van het forfaitaire rendement vallen.

De leden van de VVD fractie plaatsen een kritische kanttekening bij de eenvoud van het belastingstelsel die met het voorliggende wetsvoorstel wordt bereikt. De introductie van analytische elementen in het belastingstelsel vinden deze leden op zich helder vorm gegeven via de introductie van de boxen systematiek, maar deze leden verwachten toch dat er nog arbitrage mogelijkheden blijven bestaan. Ook bij de pensioenparaplu zijn er volgens deze leden vragen te stellen over de eenvoud en uitvoerbaarheid. De VVD fractie geeft aan dat daar waar meer eenvoud alsnog in het wetsvoorstel zou kunnen worden gebracht, dit sterk zou moeten worden overwogen. Ook geven deze leden aan de voorstellen te willen beoordelen op de administratieve lasten die daaruit voortvloeien, Zij verwijzen in dat verband onder meer op de activiteiten van de Commissie Slechte.

Ook voor de regering is bij de uitwerking van de voorstellen eenvoud een belangrijke toetssteen geweest. Zoals de leden van de VVD fractie echter ook al zelf aangegeven, is het een illusie dat binnen de huidige complexe (inter)nationale context nog een echt simpele belastingwet opgesteld kan worden. Het streven naar eenvoud en zo min mogelijk administratieve lasten blijft evenwel leidraad. In dat licht participeert Financiën als vervolg op de aanbevelingen van de Commissie Slechte op dit moment actief in een commissie onder leiding van de voorzitter van MKB-Nederland om via (meer) uniformering van het loonbegrip een vermindering van de administratieve lasten te realiseren.

De leden van de CDA-fractie zien het goed als zij opmerken dat het wetsvoorstel op een aantal punten voor belastingplichtigen bezwarende regelingen treft. De leden van de SGP-fractie maken een overeenkomstige opmerking en noemen daarbij het vervallen van de reserve assurantie eigen risico voor bedrijven die zich om principiële redenen niet willen verzekeren, het vervallen van de stakingsvrijstelling en de positie van eenverdieners met een gezin.

In een grote herzieningsoperatie is het naar onze mening een zaak van goed rentmeesterschap als ook de gelegenheid wordt benut om bepaalde regelingen die minder belang hebben gekregen of om andere redenen een opfrisbeurt nodig hebben, aan te passen. In het vervolg van deze nota komen wij hier uiteraard op terug en wel bij de specifieke onderwerpen die deze leden op het oog hebben met hun opmerking.

De leden van de CDA-fractie maken enkele algemene opmerkingen over het accent dat zij zien gelegd op bestrijding van misbruik door middel van het kiezen voor eenvoudige regelingen. Zij zien dit als een boemerang terugkomen door een gebrek aan maatschappelijke acceptatie. Wij merken daarover op dat discussies over het woord misbruik gemakkelijk kunnen verzanden in semantiek. Naar onze mening kan echter niet worden berust in bijv. de feitelijke uitholling van de heffing over inkomsten uit vermogen die al geruime tijd kan worden waargenomen. Ook dat is een vraag van maatschappelijke acceptatie waarbij wij uiteraard sympathie hebben voor de belastingbetaler die niet de uiterste grenzen van de huidige wetgeving heeft opgezocht. Overigens hebben wij geenszins het oogmerk om wezenlijke wijzigingen in de belastingwetgeving door middel van lagere regelgeving tot stand te brengen.

De leden van de CDA-fractie achten de kritiek van de RvS dat met het voorgestelde systeem afbreuk wordt gedaan aan het draagkrachtbeginsel fundamenteel. De luchthartige relativering van het kabinet dat het kwantitatieve belang gering is en dat de stap minder ingrijpend is dan de RvS voorstelt, bieden in de ogen van de leden niet genoeg verdediging. Zij vragen een reactie.

Wij geven graag een verduidelijking van onze reactie naar aanleiding van de bedoelde opmerking van de Raad van State. De discussie over het draagkrachtbeginsel kan vele kanten uitgaan. Hier was in geding de vraag of niet onverkort zou moeten worden vastgehouden aan het synthetische inkomensbegrip van de inkomstenbelasting. Het antwoord kan duidelijk zijn. Wij menen dat onverkort vasthouden aan dat synthetische karakter nadelen heeft. Het boxensysteem geeft mogelijkheden tot gewenste accentverschuivingen en doet dat op een transparante wijze. Naar onze mening zullen deze accentverschuivingen de belastingbetaler zeker niet het gevoel geven dat de draagkrachtgedachte met voeten wordt getreden. Er worden juist verschuivingen voorgesteld die gevoelens van onvrede over bepaalde rechtvaardigheidstekorten zullen wegnemen. Ook de leden van de GroenLinks-fractie wijzen op het draagkrachtbeginsel. Deze leden menen dat wij in het voorgestelde wetsvoorstel afstappen van een inkomstenbelasting waarbij het draagkrachtbeginsel op progresieve wordt vormgegeven. Wij delen deze mening niet. Een centraal element in ons voorstel blijft een rechtvaardige verdeling van de lastendruk. In de eerste plaats merken wij op dat onder de huidige inkomstenbelasting het draagkrachtbeginsel sterk aan betekenis heeft ingeboet. Zo merkt bijvoorbeeld L.G.M. Stevens terecht op (Belastingmagazine, oktober 1999) dat «het voor manipulatie vatbare fiscale inkomensbegrip als maatstaf van draagkracht zijn geloofwaardigheid heeft verloren.» Het fiscale inkomensbegrip is met name in de sfeer van inkomsten uit vermogen uitgehold door een scala aan belastingbesparende beleggingsvormen en gekunstelde fiscale constructies. Ook de huidige structuur, waarin aftrekposten en belastingvrije sommen belangrijke elementen zijn, leidt in zijn praktische uitwerking tot uitkomsten die afbreuk doen aan de draagkrachtgedachte. Dat geldt ook voor de ruimte die deze structuur biedt voor belastingarbitrage. Ons wetsvoorstel leidt ten opzichte van de huidige situatie tot een versterking van de draagkrachtnotie. De opzet en (tarief)structuur van de inkomstenbelasting 2001 biedt minder ruimte voor belastingbesparende beleggingsvormen, gekunstelde constructies en vormen van belastingarbitrage. In box I, die circa 97% van de belastingopbrengsten van de inkomstenbelasting 2001 omvat, neemt de progressie uitgedrukt in gemiddelde belastingdruk tussen minimumloon en drie keer modaal toe. In dit verband verwijzen wij ook naar gemiddelde inkomenseffecten van de voorgestelde belastingherziening voor alleenstaanden en tweeverdieners: minimumloon 6,3% en drie keer modaal 2,7%. Box III bewerkstelligt dat belastingplichtigen die onder de huidige inkomstenbelasting in de sfeer van inkomsten uit vermogen geen of weinig belasting betalen belasting gaan betalen op basis van een forfaitair rendement. Ten opzichte van de bestaande situatie wordt hier een bijdrage geleverd aan de draagkrachtgedachte. De leden van de fractie van GroenLinks menen dat wij in dit verband hadden moeten kiezen voor een vermogenswinstbelasting/vermogensaanwinstbelasting. Op zich is het juist dat in de fiscale wetenschap vrij algemeen een vermogenswinstbelasting als de theoretisch beste oplossing wordt gezien, om het draagkrachtbeginsel te versterken. Deze optie hebben wij verkend, gewogen en te licht bevonden. In de bijlage bij het wetsvoorstel hebben wij aangegeven dat een dergelijke belasting slechts op papier tot deze versterking leidt en daarbij sprake is van schijnrechtvaardigheid.

De leden van de CDA-fractie merken terecht op dat de verhoging van de BTW ook zijn invloed zal hebben op de prijzen van de overheid en semi-overheid. Het gaat hier om een van vele indirecte effecten van de belastingherziening. Daar passen geen algemene neutraliserende maatregelen bij, ook niet ten behoeve van non-profit organisaties, zoals verenigingen, sportorganisaties en kerken. Deze leden merken op dat deze organisaties vaak worden gerund door vrijwilligers en dat de kosten moeten worden opgebracht door de leden. Zij vragen of deze kostenverhoging niet tot een onevenredig zware druk op vrijwilligers en de leden van de organisaties leidt. Wij denken dat de positie van deze organisaties niet substantieel anders wordt door de belastingherziening. Blijft over de – vaker opkomende – vraag of het vrijwilligerswerk niet een duwtje in de rug moeten hebben? Wij menen dat in de voorliggende belastingherziening geen voor de hand liggende maatregelen kunnen worden gevonden die aan de door deze leden gestelde vraag tegemoet zouden kunnen komen. Los daarvan onderschrijven wij met deze leden het belang van het vrijwilligerswerk. Voorzover de fiscaliteit hier knelpunten oplevert, zijn wij gaarne bereid bij te dragen aan oplossingen terzake.

De vragen van de leden van PvdA-fractie en de CDA-fractie met betrekking tot de algemene delegatiebepaling bespreken wij in paragraaf 1.2.

De leden van de CDA fractie vragen naar het verschil tussen een robuust belastingsysteem en een stabiel belastingsysteem en waarnaar de regering in eerste instantie streeft.

De regering streeft naar een robuust belastingsysteem met stabiele belastingopbrengsten. Een belastingsysteem dat minder vatbaar is voor verschillende ontwikkelingen draagt bij aan stabiele opbrengsten.

De leden van de CDA fractie zijn van mening dat de instrumentele functie van het belastingsysteem zo veel mogelijk beperkt dient te blijven. Deze leden vragen hierover de zienswijze van de regering. De regering heeft deze zienswijze nog zeer recent uiteengezet in de Miljoenennota 2000. Tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen is toegezegd dat wij over de instrumentele inzet in de vorm van belastinguitgaven – mede naar aanleiding van het betreffende Rekenkamerrapport – begin volgend jaar nog een aparte notitie naar de Tweede Kamer zullen sturen.

De leden van de CDA-fractie vragen een overzicht te geven van alle belastinguitgaven en de bedragen die hiermee gemoeid zijn. In bijlage 4 van de Miljoenennota 2000 is in tabel 4.2.1. een overzicht opgenomen van de belastinguitgaven in de loonbelasting, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting met vermelding van de bij iedere afzonderlijke belastinguitgave behorende derving aan belastingen en premies volksverzekeringen voor het jaar 1999. Het budgettaire belang van al deze belastinguitgaven gezamenlijk is niet gelijk aan het totaal van de afzonderlijke regelingen. Dit is met name het gevolg van de progressieve tariefstructuur. Hoewel er derhalve bezwaren zijn verbonden aan het totaliseren van de verschillende posten kan, om een indicatie te geven van het belang van belastinguitgaven, een totaaltelling worden gemaakt. Een dergelijke totaaltelling komt uit op een totaal budgettaire belang van 16,6 miljard, waarvan circa 95% bestaat uit loonbelasting, inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en 5% uit vennootschapsbelasting.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoeveel de tarieven van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting zouden kunnen dalen indien deze belastinguitgaven voor 50%, 75% en 100% zouden worden geschrapt. Met een budgettaire inzet van 16,6 miljard zouden in theorie de tarieven van de inkomstenbelasting (in iedere schijf) met bijna 5%-punt en van de vennootschapsbelasting met bijna 1%-punt kunnen worden verlaagd. Bij een gedeeltelijke inzet van dit bedrag is de tariefdaling evenredig kleiner.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze het belastingstelsel in de verschillende EU-landen en OESO-landen wordt ingezet om niet-fiscale doelen te verwezenlijken. Het zou te ver voeren om hier in dit kader uitgebreide beschouwingen aan te wijden. Naast een meer algemene vergelijking betreffende de belastingheffing in Europa bevat bijlage 1 van de Verkenning een overzicht van fiscale stimuleringsregelingen ter bevordering van de werkgelegenheid in de belangrijkste Westeuropese landen alsmede in de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland. Een overzicht van het gebruik van belastinguitgaven in de OESO-landen wordt staat in het OESO-rapport Tax expenditures, recent experiences uit 1996. Deze rapporten geven een beeld van de instrumentele inzet van fiscale regelgeving in andere landen.

De leden van de CDA-fractie vragen of zij er vanuit mogen gaan dat alle bedragen in de wet geïndexeerd worden. Zo nee, dan willen zij graag weten, welke wel en welke niet. Ook vragen zij naar de reden voor het niet indexeren van bedragen en of wij bereid zijn dit alsnog te doen.

In de nieuwe Wet IB 2001 zijn niet alle bedragen geïndexeerd. In het algemeen zijn die bedragen geïndexeerd die ook onder de Wet IB64 reeds waren geïndexeerd. Voorts zijn de bedragen geïndexeerd die kunnen worden gezien als opvolger van geïndexeerde bedragen onder de Wet IB64. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bedragen van de reisaftrek van artikel 3.3.9. Onder de Wet IB64 werden de bedragen van het reiskostenforfait jaarlijks aangepast aan de nieuwe tarieven van het openbaar vervoer. Nu door de korting op de bedragen de band met die tarieven is losgelaten worden die bedragen in de nieuwe wet jaarlijks aangepast met de inflatiecorrectie. Zoals is aangegeven bij de beantwoording van de vragen over artikel 5.1.3b zullen ook de vrijstellingsbedragen van de forfaitaire rendementsheffing worden geïndexeerd. Niet geïndexeerd zijn onder andere bedragen waarbij indexering in het recente verleden is afgeschaft, zoals het maximaal in aanmerking te nemen kilometerbedrag van de autokosten in de artikelen 3.2.2.6, zesde lid en 3.2.2.8, eerste lid, onderdeel b. Andere voorbeelden van niet geïndexeerde bedragen zijn het maximaal in aanmerking te nemen bedrag aan verhuiskosten voor de ondernemer van f 12 000 (artikel 3.2.2.8, eerste lid, onderdeel a), het bedrag van f 1000 waar beneden investeringen zijn uitgesloten van de investeringsaftrek (artikel 3.2.2.34, eerste lid, onderdeel a), het maximum van het zonder meer in aftrek te brengen bedrag aan afsluitprovisie bij hypothecaire leningen (artikel 3.6.11, vijfde lid) en het drempelbedrag voor de middelingsteruggaaf van f 1201 (artikel 3.13.1, derde lid). Wij zien thans geen aanleiding om het aantal geïndexeerde bedragen uit te breiden.

Ten aanzien van het Nederlandse belastingregime voor ondernemingen wordt in de memorie van toelichting onder meer opgemerkt, dat het van belang is nog bestaande knelpunten op te lossen (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 727, nr. 3, blz. 3). De leden van de CDA fractie vragen op welke knelpunten het kabinet hier doelt.

De regering verwijst hiermee onder meer naar de knelpunten die door de werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers (Oort II) zijn geïnventariseerd en waarvoor door de werkgroep «Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw» voorstellen zijn gedaan om deze op te lossen. Deze voorstellen worden voor het grootste deel opgenomen in een apart wetsvoorstel Ondernemerspakket 21e eeuw, dat zo snel mogelijk bij de Raad van State aanhangig gemaakt zal worden. In hoofdstuk 4 van deze nota wordt hierop nader ingegaan.

De leden van de fractie van D66 kwalificeren de hoofdstukken 1,2 en 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting als «nogal chaotisch». Deze leden geven aan een duidelijke hiërarchie qua toelichtende betekenis te missen en geven het kabinet in overweging zich bij de afronding van het wetgevingsproces nogmaals te zetten aan het schrijven van een toegankelijkere toelichting.

Uiteraard betreuren wij het oordeel van de D66 fractie over de toelichting bij dit wetsvoorstel. Zonder ons daar overigens achter te willen verschuilen, willen wij er deze leden wel op wijzen, dat aan een toelichting bij een wetsvoorstel andere eisen worden gesteld, dan aan bijvoorbeeld een persbericht waarbij meer vrijheid bestaat om voorstellen echt op de grote hoofdlijnen heel duidelijk over het voetlicht te brengen. Het herschrijven van de memorie van toelichting is geen optie meer, omdat deze nu eenmaal is ingediend zoals deze is ingediend, maar wij zullen in het verdere traject van deze belastingherziening met de kritische noties van deze leden op het punt van de toelichting wel rekening houden.

Het komt de leden van de fractie van GroenLinks voor dat bij deze herziening meer accent moet worden gelegd op de herverdelende mogelijkheden van de inkomstenbelasting. Zij zien wel het belang van grondslagverbredende maatregelen maar zien minder in de uitruil in de vorm van lagere tarieven. Wij hebben de overtuiging dat een zodanig accent op herverdeling contraproductief is in verschillende opzichten. Wij wijzen op belangrijke doelen die met de belastingherziening worden nagestreefd waartoe ook behoort verlaging van lastendruk op arbeid en ook overigens verbetering van de internationale concurrentiepositie van Nederland. De opmerking van deze leden dat de inkomstenbelasting in feite een proportioneel tarief heeft miskent naar onze mening de feitelijke situatie zoals die nu is en zoals deze beoogd wordt met de belastingherziening.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of wij de analyse delen dat het herverdelingspotentieel van de Nederlandse belastingheffing de afgelopen jaren is uitgehold, zoals De Kam, Becker en Kalma naar voren brengen in «Draagkracht onder druk» en vragen welke belastinginstrumenten wij geschikt achten voor het voeren van (her)verdelingsbeleid.

Wij merken op dat in het kader van de voorgestelde belastingherziening maatregelen worden getroffen om de uitholling tegen te gaan. Daarnaast biedt het voorgestelde belastingstelsel meer mogelijkheden om lagere inkomens fiscaal doelmatiger tegemoet te komen. In dit verband doelen wij onder meer op de heffingskorting en de geknipte eerste schijf. Wij zien overigens geen aanleiding voor het voeren van een herverdelingsbeleid door middel van hogere tarieven in de inkomstenbelasting. Aan hogere tarieven kleven belangrijke nadelen.

De leden van de GroenLinks fractie zijn van oordeel, dat de voorstellen van het kabinet geen belangrijke correctie aanbrengen in de lastendrukverdeling tussen arbeid en vermogen. Volgens deze leden lekt de verlaging van de lastendruk op arbeid deels weg naar winst- en pensioeninkomens, terwijl de kosten van deze verlaging voornamelijk gedragen worden door de factor arbeid. Deze leden zeggen dit te betreuren.

De analyse van deze leden delen wij niet. De directe lastendruk op arbeid wordt in het nieuwe belastingstelsel in betekenende mate verlaagd. Door invoering van de vermogensrendementsheffing zullen vermogenden in ieder geval meer gaan bijdragen aan de algemene middelen dan binnen het huidige stelsel waar in beginsel belaste vermogensinkomsten via allerlei constructies kunnen worden omgezet in onbelaste vermogenswinsten. Macro bezien neemt de belastingdruk op vermogen met circa 10% toe, terwijl de lastendruk op arbeid daalt. Ook de stelling van deze leden dat de kosten van de verlaging van de lastendruk op arbeid voornamelijk gedragen worden door de factor arbeid is een vertekening van de werkelijkheid, omdat de hogere lasten voortvloeiend uit de verhoging van de BTW en milieubelastingen mede ook door vermogenden worden gedragen.

Zoals uit vorenstaande uiteenzettingen van onze kant naar voren is gekomen, kan niet worden geconcludeerd dat het kabinet feitelijk afstapt van een inkomstenbelastingheffing waarbij het draagkrachtbeginsel op progressieve wijze wordt vorm gegeven. De door ons voorgestelde belastingherziening legt juist accenten die wel passen in de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de regering de gelegenheid van een belastingherziening niet heeft aangegrepen om meer dan in het wetsvoorstel is voorgesteld de thans bestaande aftrekposten te vervangen door een breed stelsel van heffingskortingen. Naar het oordeel van deze leden zou hiermee een einde kunnen worden gemaakt aan het naar hun mening als oneigenlijk te kwalificeren voordeel dat de hogere inkomens al sinds jaar en dag genieten als gevolg van de aftreksystematiek. In dit verband wijzen zij op de aftrek van hypotheekrente ter zake van de eigen woning, de aftrek van pensioenpremies, maar ook op de omstandigheid dat de faciliteit voor de kosten van voor kinderopvang is vormgegeven als faciliteit in box I in plaats van als heffingskorting. Zij vragen het kabinet te beargumenteren waarom het nieuwe belastingstelsel een dubbele verrekeningssystematiek van kosten zal kennen en wensen per aftrekpost te vernemen waarom gekozen is voor verrekening met het inkomen in plaats van verrekening met de te betalen belasting. De leden van de fractie van het CDA vragen in dit verband welk beleid de bewindslieden in de toekomst zullen voeren ter zake van «credit-regelingen» en of toepassing daarvan op het terrein van de buitengewone uitgaven in de verwachting ligt.

In antwoord op de door de fractie van GroenLinks gestelde vragen merken wij op dat in de gevallen waarin aftrekbedragen het karakter hebben van kosten, het voor de hand ligt om deze aftrekbedragen tegen hetzelfde tarief in aanmerking te nemen als waartegen de daarmee corresponderende inkomsten worden belast. Hypotheekrente ter zake van de eigen woning en pensioenpremies zijn derhalve aftrekbaar tegen het tarief van box I, aangezien inkomsten uit eigen woning respectievelijk ontvangen pensioenuitkeringen eveneens tegen het tarief van box I in de belastingheffing worden betrokken. Eenzelfde gedachtegang ligt ten grondslag aan de gedeeltelijke omzetting van het huidige arbeidskostenforfait in een arbeidskorting. Het deel van het huidige arbeidskostenforfait dat in het nieuwe stelsel onder de naam algemene aftrek is gehandhaafd ziet op een forfaitaire tegemoetkoming voor werknemers voor kleine kostenposten die niet door een werkgever worden vergoed. Het deel van het huidige arbeidskostenforfait dat in het nieuwe stelsel is omgezet in een arbeidskorting heeft daarentegen geen kostenkarakter, maar heeft betrekking op de in de loop van de jaren negentig toegepaste verhogingen van het arbeidskostenforfait die als doel hadden werken aantrekkelijker te maken. Aangezien in zoverre derhalve niet sprake is van kosten, maar van een stimuleringsregeling is in het nieuwe stelsel – onder meer op grond van overwegingen van effectiviteit – gekozen voor het instrument van de heffingskorting. De reden waarom het nieuwe belastingstelsel – de leden van de fractie van GroenLinks vragen hiernaar – een dubbele verrekeningssystematiek zal kennen, vindt derhalve zijn grondslag in het verschil in karakter tussen een aftrekpost en een heffingskorting.

In reactie op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks hoe de opvatting van de regering dat de faciliteit voor kinderopvang is te kwalificeren als een stimuleringsregeling voor arbeidsmarktparticipatie zich verhoudt tot het feit dat deze faciliteit is ondergebracht in box I, merken wij op dat weliswaar sprake is van een stimuleringsregeling, maar dat – anders dan bij de arbeidskorting – de aftrekbedragen gerelateerd zijn aan het maken van kosten. Voor de door het kabinet voorgestelde maatregelen inzake kinderopvang verwijzen wij overigens naar paragraaf 8.5 van deze nota.

In reactie op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks om per aftrekpost aan te geven waarom gekozen is voor verrekening met het inkomen in plaats van verrekening met de te betalen belasting merken wij op dat voor stimuleringsregelingen die primair een stimulerend en niet zozeer een kostengerelateerd karakter hebben, op zichzelf beschouwd een systematiek van heffingskortingen denkbaar zou kunnen zijn. Zoals ook al in het nader rapport is opgemerkt, is met de belastingherziening echter geen integrale heroverweging van de thans bestaande stimuleringsregelingen beoogd. Dit neemt overigens niet weg dat de heffingskortings- of ook wel «tax credit»-gedachte een onderdeel vormt van de lopende discussie over belastinguitgaven. Deze gedachte kan aan de orde kan komen bij de – onder meer in het nader rapport vermelde – ontwikkeling van een toetsingskader voor fiscale instrumenten.

In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van het CDA merken wij op dat wij thans geen voornemens hebben om andere dan de thans in het wetsvoorstel opgenomen heffingskortingen in te voeren, derhalve ook niet in de sfeer van de buitengewone lasten.

De leden van de CDA-fractie vragen nader in te gaan op de theoretische grondslag van de belastingherziening 2001. Een enkel beroep op doelmatigheid is in de ogen van de leden van de CDA-fractie niet voldoende waar het ook gaat om vragen van draagkracht en rechtvaardigheid. Ook de leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de fiscaal-theoretisch fundering van de nieuwe wet.

Wij geven de leden van de CDA-fractie gaarne toe dat redenen van doelmatigheid, hoe belangrijk ook, niet de ratio kunnen leveren achter de vormgeving van de huidige inkomstenbelasting en evenmin achter de inkomstenbelasting zoals die thans wordt voorgesteld. Beide vormgevingen worden gedomineerd door de notie dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Bij die notie gaat het niet om een theoretische grondslag waaruit met een wiskundige precisie een vorm kan worden afgeleid. In de afgelopen decennia is de inkomstenbelasting voortdurend aangepast. Niet langs de lijnen van een ideale theoretische grondslag maar in een voortdurend streven naar maatschappelijke consensus over kleine en grote lastenverzwaringen en -verlichtingen binnen afgesproken budgettaire kaders. Uitkomsten van discussies over koopkrachtplaatjes en andere discussies over inkomenseffecten zijn daarbij telkens weer gestolde noties over een rechtvaardige verdeling van de belastingdruk. Bij de voorgestelde herziening wordt die empirisch gevormde grondslag niet verlaten maar wordt een nieuw evenwicht gezocht met een bewuste accentverlegging. De lastendruk op arbeid neemt belangrijk af terwijl de lastendruk op inkomen uit vermogen – naast die op milieugebruik – toeneemt. Het eerste effect is onder meer zichtbaar in de verlaging van de hoogste tarieven. Die verlaging is een wezenlijk onderdeel van de verlaging van de lastendruk op arbeid.

Aan het adres van de leden van de fractie van GroenLinks merken wij nogmaals op dat in het voorstel sprake is van een belangrijke verhoging van de druk op vermogen. Mogelijk geeft dat deze leden een andere kijk op de daling van de tarieven van de tweede en de derde schijf die mede invulling geven aan de voorgesteld verlaging van de druk op arbeidsinkomen. Mede aan het adres van de leden van de fractie van GroenLinks merken wij op dat daarnaast de belastingdruk op vermogensinkomsten toeneemt. In dit verband verwijzen wij ook naar CPB-werkdocument no. 115.

De leden van de GroenLinks fractie vragen een toelichting van het kabinet hoe de introductie van de vermogensrendementsheffing zich verhoudt tot de doelstelling van het kabinet om een rechtvaardigere heffing te realiseren. Ook vragen zij het kabinet een toelichting op de zinsnede over de mogelijkheid van een gerichter inkomensbeleid.

De invoering van een vermogensrendementsheffing beschouwen wij als een bijdrage aan een rechtvaardigere heffing, omdat, zoals de Verkenning heeft aangetoond, binnen het huidige stelsel de belastingheffing op inkomsten uit vermogen via diverse constructies wordt ontgaan. Onderdelen van het nieuwe belastingstelsel die een gerichter inkomensbeleid mogelijk maken zijn onder meer de knip die is aangebracht in de eerste schijf en de omzetting van de belastingvrije som in een heffingskorting.

Anders dan de leden van GroenLinks zien wij in de vermogensrendementsheffing geen nieuwe vermogensbelasting. Er is een lange rij van argumenten die duidelijk maakt dat de vermogensrendementsheffing de huidige heffing over vermogensinkomsten vervangt. De heffing is onderdeel van de inkomstenbelasting 2001 en wordt niet geheven over het vermogen maar over de zogenoemde rendementsgrondslag. Ch. P. A. Geppaart merkt in WFR 1999/6354 het volgende op: «Naar mijn mening gaat het om een inkomstenbelasting over vermogen als gestolde draagkracht. De heffing treedt in de plaats van de thans bestaande heffing naar inkomsten uit vermogen, zodat zij ook naar doel en strekking van de wet als een inkomstenbelasting dient te worden aangemerkt».

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of wij kunnen aangeven welke bestaande regelingen omwille van de afweging van praktische aard ongewijzigd zijn gelaten. Deze vraag lat zich niet beantwoorden met een opsomming van een aantal regelingen. De opmerking hierover in de memorie van toelichting moet vooral worden gelezen als een reactie op de stelling van de Raad van State dat alle bijzondere regelingen van de inkomstenbelasting bij deze gelegenheid hadden kunnen worden getoetst om te voorkomen dat deze belastingherziening een gemiste kans wordt. Onze mening daarover in het nader rapport is kortweg dat ook een mega-operatie als de onderhavige zijn begrenzingen heeft en dat het betere niet de vijand van het goede moet zijn. Terugkomend op de vraag van deze leden merken wij op dat wij in de artikelsgewijze toelichting systematisch hebben aangegeven welke regelingen en in welke mate regelingen vrijwel ongewijzigd zijn overgenomen in de nieuwe wet.

De leden van de fractie van de SP stellen dat de belastingherziening afbreuk doet aan het draagkrachtbeginsel omdat het in de Wet Inkomstenbelasting 1964 gehanteerde uitgangspunt – elke gulden inkomen is gelijk en dient gelijk te worden belast – wordt verlaten. Wij menen dat tegenover deze visie ook de uitgangspositie voor de onderhavige belastingherziening in beschouwing moet worden genomen.Wij durven de stelling aan zoals hiervoor bleek dat door de belastingherziening de verschillende draagkrachtnoties die aan ons de belastingstelsel ten grondslag liggen beter tot hun recht gaan komen.

Het verheugt ons dat de fracties van GPV en RPF hun sympathie uitspreken voor de keuze van de regering voor een lagere belasting op arbeid gekoppeld aan een verhoging van de belasting op milieu en dat zij aangeven onder een aantal voorwaarden een verdere vergroening van het belastingstelsel te steunen. De voorwaarden die deze leden aan dezesteun verbinden vormen in beginsel ook het uitgangspunt van beleid, namelijk dat de opbrengst van de vergroening één op één naar gezinnen en bedrijven wordt teruggesluisd.

De leden van de fracties van GPV en RPF zetten vooralsnog vraagtekens bij het grote bedrag aan lastenverlichting dat de regering wil gebruiken bij de invoering van het voorgestelde herziene belastingstelsel. Het lijkt er volgens deze leden op dat eventuele bezwaren tegen het nieuwe stelsel door de regering worden afgekocht. Zij vragen of het de bedoeling is om iedereen er in financiële zin op vooruit gaat. De genoemde leden zijn van mening dat de voorgestelde structuur op haar merites moet worden beoordeeld.

Met deze belastingherziening worden verschillende doelstellingen nagestreefd. In de Verkenning is geconcludeerd dat het niet mogelijk is om door middel van een budgettair neutrale herziening van het belastingstelsel tegemoet te komen aan zowel de werkgelegenheidsdoelstelling als aan het vereiste van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de belasting- en premiedruk. De inzet van additionele budgettaire middelen wordt daarvoor noodzakelijk geacht. Ook in het SER-advies «Naar een robuust belastingstelsel» wordt geconcludeerd dat het noodzakelijk is om enkele miljarden guldens lastenverlichting in te zetten om binnen de randvoorwaarde van inkomensneutraliteit substantiële vooruitgang te boeken naar een robuust en toekomstbestendig belastingstelsel.

De leden van de SGP-fractie vragen de regering de stelling op pagina 4 en 5 van memorie van toelichting dat meer nog dan onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 sprake zal zijn van afstemming op de feitelijke draagkracht, nader toe te lichten.

Hiervoor is in deze paragraaf daarover al het nodige toe gelicht. Wij voegen daaraan toe dat alles wat in de inkomenseffecten wordt samengevat onder niet-standaardeffecten in beginsel bijdraagt aan een beter rekening houden met feitelijke draagkracht. Dat betreft niet allen de verhoging van de druk op vermogen op die plaatsen waar hij nu te laag is maar bijv. ook de differentiatie van de autokostenfictie.

De leden van de CDA-fractie zien het goed als zij opmerken dat het wetsvoorstel op een aantal punten voor belastingplichtigen bezwarende regelingen treft. De leden van de SGP-fractie maken een overeenkomstige opmerking. In een grote herzieningsoperatie is het naar onze mening een zaak van goed rentmeesterschap als ook de gelegenheid wordt benut om bepaalde regelingen die minder belang hebben gekregen of om andere redenen een opfrisbeurt nodig hebben, aan te passen. In het vervolg van deze nota komen wij hier uiteraard op terug en wel bij de specifieke onderwerpen die deze leden op het oog hebben met hun opmerking.

1.3.2. Boxenstructuur

De vraag van de leden van de fractie van de PvdA over de heffing van premie volksverzekeringen over het inkomen in box II en III bespreken wij in paragraaf 3.6 (»gecombineerde belasting- en premieheffing).

De leden van de VVD-fractie vragen of het de opzet van de regering is dat als een persoon slechts inkomen in box II of III heeft, hij geen premie volksverzekering betaalt. Deze vraag bespreken we hierna in paragraaf 3.6.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom door het kabinet is gekozen voor een analytische inkomstenbelasting en waarom dit in de ogen van het kabinet leidt tot een meer rechtvaardige heffing. Zij vragen of een synthetisch stelsel niet beter aansluit bij het beginsel van draagkracht.

De leden van de fractie van D66 zijn het eens met iedereen die stelt dat de introductie van de boxenstructuur noopt tot een heldere verantwoording met betrekking tot het draagkrachtbeginsel. Zij vragen om op dit punt alsnog te voorzien in een afdoende toelichting.

De leden van GroenLinks geven een drietal richtingen aan waartoe toepassing van het draagkrachtbeginsel kan leiden en vragen op basis van welke argumentatie wij onze keuze hebben gemaakt.

De leden van de SGP zien heffing via drie inkomensboxen met eigen regels voor inkomensbepaling, met een eigen verliescompensatie en met een eigen tarief als een uitholling van het draagkrachtbeginsel. Zij vragen of deze uitholling gerechtvaardigd wordt door de daarvoor aangevoerde argumenten.

Hiervoor hebben wij al veel overwegingen gegeven met betrekking tot de oppportuniteit van de bij de belastingherziening gemaakte keuzes. Deze overwegingen spelen in meerdere of mindere mate ook mee voor het antwoord op de door deze leden gestelde vragen. Als wij even afzien van de totale context van de belastingherziening en van de specifieke aanleidingen voor de boxenstructuur zoals die in de memorie van toelichting zijn toegelicht, kan worden gezegd dat de boxenstructuur vooral een helder onderscheid geeft tussen drie afzonderlijke onderdelen van de tariefstructuur. Dat maakt het mogelijk ook de afzonderlijke onderdelen op eigen merites te bezien en juist te voorkomen dat de inkomstenbelasting als draagkrachtheffing wordt uitgehold. Is dat in strijd met draagkrachtopvattingen of een synthetische benadering? Wij menen van niet. In de eerste plaats liggen in de huidige wet al kiemen voor het voorgestelde heldere onderscheid. Denk aan het bijzondere tarief voor aanmerkelijk belang. In de voorgestelde wet blijft voorts sprake van synthese met betrekking tot het inkomensbegrip en de in totaal verschuldigde inkomstenbelasting. Dat is ook belangrijk voor de toepassing van draagkrachtbenaderingen via het fiscale inkomensbegrip buiten de sfeer van de inkomstenbelasting. Al met al ziet het kabinet in de voorgestelde structuur vooral voordelen uit oogpunt van transparantie en waardeert het de mogelijkheid de inkomstenbelasting op onderdelen beter te kunnen bijstellen mogelijk is in de huidige structuur. Die bijstelling op onderdelen is dan vrijwel steeds voorgesteld om de inkomstenbelasting beter te laten functioneren als draagkrachtheffing. Op alle drie richtingen die de leden van de fractie van GroenLinks noemen (samenhang, reële heffing en progressieve tariefstructuur) wordt naar ons oordeel dan ook winst geboekt.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de toepassing van gesloten boxensystemen in andere EU-landen en de ervaringen die deze landen met een analytisch stelsel hebben. Voorzover ons bekend wordt alleen in de Scandinavische landen een boxensysteem toegepast. Hieronder wordt nader ingegaan op dit zogenoemde Scandinavische duale stelsel.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de bewindslieden vinden van de gedachten van prof. S. Cnossen om te komen tot een duale inkomstenbelasting naar Scandinavisch model met één box voor arbeidsinkomen en één box voor kapitaalinkomen en waarom niet voor een dergelijk model is gekozen. Zij vragen of het systeem van de regering niet het nadeel heeft dat vermogen is verdeeld over alle drie de boxen. Meer in het algemeen vragen de leden van de fractie van GroenLinks in dit kader om een reactie van de regering op de – in zijn commentaar «De Inkomstenbelasting in 2001» op bladzijde 17 opgenomen – stelling van prof. dr. R.E.C.M. Niessen dat de betekenis van de analytische revolutie in het wetsvoorstel bescheiden is en dat liever van een duaal stelsel gesproken kan worden.

Bij de totstandkoming van de Verkenning is eveneens aandacht besteed aan de duale inkomstenbelastingen zoals die – in verschillende varianten – in de Scandinavische landen voorkomen. Kenmerk van deze duale inkomstenbelastingen is dat zij een tweedeling tussen arbeids- en kapitaalinkomen tot uitgangspunt hebben. Aan het einde van de jaren tachtig (Denemarken) en het begin van de jaren negentig (Zweden, Noorwegen en Finland) zijn de Scandinavische landen overgestapt van een synthetische inkomstenbelasting, waarbij alle inkomenscomponenten tezamen naar een progressief tarief worden belast, naar een variant van een analytische inkomstenbelasting, waarbij kapitaalinkomen naar een relatief laag proportioneel tarief en arbeidsinkomen progressief wordt belast. De feitelijke uitwerking van deze duale inkomstenbelasting verschilt overigens nogal naar plaats en tijd. Voor een overzicht van relevante ontwikkelingen verwijzen wij naar het bij de Verkenning gevoegde literatuuroverzicht, waarin onder meer 31 artikelen (inclusief korte samenvatting) zijn opgenomen over de belastinghervormingen in Scandinavië.

Hoewel de analytische duale inkomstenbelastingen naar Scandinavisch model mede als inspiratiebron hebben gefunctioneerd bij de vormgeving van de thans voorgestelde inkomstenbelasting, is niet voor een dergelijke duale inkomstenbelasting gekozen. Voornaamste bezwaar is dat in een dergelijke duale inkomstenbelasting ook voor de zelfstandige ondernemer een onderscheid gemaakt zal moeten worden tussen arbeidsinkomen enerzijds en kapitaalinkomen anderzijds. Dit noopt tot ondernemingswinstbelastingachtige varianten waarin deze twee componenten – al dan niet forfaitair – zullen moeten worden gesplitst. In de Scandinavische stelsels worden daartoe verschillende «modellen» gehanteerd die elk hun bijzondere problemen kennen. Wat betreft de Nederlandse situatie kan gewezen worden om de moeizame discussies die in het verleden in de fiscale literatuur zijn gevoerd over de mogelijkheid van een (rechtsvormneutrale) ondernemingswinstbelasting.

Gelet op het karakter van de thans voorgestelde belastingherziening is niet gekozen voor een dergelijke ingrijpende omvorming van het fiscale stelsel, maar is besloten de huidige systematiek te handhaven. Slechts waar zich in het huidige stelsel problemen voordoen, namelijk bij de belastingheffing van particuliere vermogensinkomsten (exclusief inkomsten uit eigen woning), is gekozen voor een afzonderlijke belastingheffing in box III. Dat als consequentie daarvan kapitaalinkomen in feite over drie boxen is verdeeld (kapitaalinkomenscomponent van de ondernemingswinst in box I; winst uit aanmerkelijk belang in box II en particuliere vermogensinkomsten in boxIII) achten wij – dit in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van het CDA – op geen enkele wijze bezwaarlijk.

In reactie op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van GroenLinks merken wij op dat prof. dr. R.E.C.M. Niessen het in zijn bedoelde reactie aldus verwoordt dat het nieuwe stelsel zijns inziens moet worden gekarakteriseerd als een duaal stelsel, namelijk als een synthetische inkomstenbelasting naar progressief tarief waarin door afzonderlijke, proportionele belasting over de vermogensinkomsten analytische elementen zijn ingebracht. Dat prof. Niessen tot een duaal stelsel concludeert heeft naar ons inzicht slechts te maken met het feit dat hij een tweedeling maakt tussen vermogensinkomen met een proportioneel tarief (box II en box III) enerzijds en overig inkomen met een progressief tarief anderzijds (box I). Dat hij met het oog daarop spreekt van een duaal stelsel – wat overigens niet verward moet worden met de hiervoor beschreven duale inkomstenbelasting naar Scandinavisch model – neemt verder niet weg dat sprake blijft van drie inkomensboxen en heeft aldus geen materiële maar slechts fiscaalwetenschappelijke betekenis.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een vergelijking van het voor Nederland voorgestelde boxenstelsel met de stelsels in de ons omringende landen. Voor een antwoord op deze vraag worden deze leden verwezen naar het rapport «Belastingen in de 21e eeuw» waar in de bijlagen een uitgebreid overzicht is opgenomen van de fiscale stelsels in België, Duitsland, Engeland en Frankrijk. Daar wordt tevens ingegaan op de fiscale positionering van Nederland.

De leden van de fractie van het CDA gaan in een aantal vragen in op belastingarbitrage. Zij vermoeden een aantrekkende werking van box III vanwege het lage tarief ten opzichte van de boxen I en II. Daarnaast voorzien zij vermogensetiketteringsproblemen waardoor de vraag opkomt of de schotten tussen de boxen voldoende waterdicht zijn. Verder vragen zij zich aan de hand van een voorbeeld af hoe bronkosten worden behandeld onder het voorgestelde belastingstelsel. In het voorbeeld is sprake van een aanmerkelijkbelanghouder die een lening verstrekt aan zijn BV uit door middel van een financiering aangetrokken gelden.

Hoewel de neiging bij belastingplichtigen zal bestaan het laagst belaste punt op te zoeken zitten er voldoende waarborgen in het voorstel om er voor te zorgen dat belastingheffing in de juiste box plaatsvindt. De problemen met vermogensetikettering zijn niet anders dan onder het huidige belastingstelsel. Aan de hand van de regels van goed koopmansgebruik wordt bepaald welk vermogensbestanddeel tot het ondernemings- dan wel privévermogen worden gerekend. Naar ons oordeel is de scheiding tussen de boxen op een zodanige wijze aangebracht dat belastingarbitrage op een adequate wijze wordt voorkomen.

Met betrekking tot het door de leden aangedragen voorbeeld geldt dat de rente die is verschuldigd op de geldlening die is aangegaan om een geldlening aan de eigen BV te verschaffen, behoort tot de aftrekbare kosten die drukken op de reguliere voordelen die worden getrokken uit de tot het aanmerkelijk belang behorende vordering.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen voor het boxensysteem ten aanzien van de samenloopregeling. Zij willen weten of hierdoor betalingsproblemen kunnen ontstaan en of de gesloten boxenstructuur voor de gevallen waarin betalingsproblemen ontstaan is te verdedigen.

Wij nemen aan dat de leden doelen op de regeling die thans in de Wet op de vermogensbelasting 1964 is opgenomen en – kort gezegd – moet voorkomen dat belastingplichtigen meer dan 68% van hun inkomen betalen aan inkomsten- en vermogenbelasting.

Door het vervallen van de Wet op de vermogensbelasting per 1 januari 2001 is per definitie geen sprake meer van een samenloop in de zin van de zogeheten samenloopregeling. Ook overigens is door de introductie van het boxensysteem een samenloopregeling overbodig geworden.

De leden van de fractie van het CDA vragen of belastingplichtigen voldoende liquide middelen hebben om de vermogensrendementsheffing van box III te kunnen betalen. De leden van de D66-fractie bepleiten dat het van belang is dat het draagkrachtbeginsel en de praktische doeltreffendheid van het belastingstelsel bijdraagt aan het rechtsgevoel van de burgers. Deze vragen zijn besproken in § 6.1. Inleiding (Inkomen uit sparen en beleggen).

Het verheugt de regering dat de leden van de D66 fractie, hoewel een aantal kanttekeningen wordt geplaatst bij de exacte vormgeving (zie verderop in deze nota), dat de vervanging van de belastingvrije som en het arbeidskostenforfait in een algemene heffingskorting, respectievelijk een arbeidskorting, alsmede de alleenstaande-ouderkorting, de ouderenkorting en een aanvullende ouderenkorting uit een oogpunt van rechtvaardigheid en doeltreffendheid goed te verdedigen vinden.

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen op de kritiek vanuit de fiscale wereld, bijvoorbeeld van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, dat aan de nieuwe Wet IB 2001 geen heldere rechtsgrond ten grondslag ligt. Gesproken wordt over een overdaad aan pragmatisme en de behoefte aan stabiele belastingopbrengsten. De leden van de GroenLinks fractie vinden stabiele belastingopbrengsten wel van groot belang, maar vinden dat dit element wel in evenwicht met andere elementaire belangen van een goede fiscale wetgeving gewogen dient te worden. Zij roepen de staatssecretaris op niet op de stoel van de minister te gaan zitten en vragen de rechtsgrond van de nieuwe Wet IB 2001 nader te expliciteren. Hier past de kanttekening dat de ondertekenaars optreden als leden van de regering. De opinies in deze stukken vervat zijn derhalve geen strikt persoonlijke. Daarenboven zouden wij ook willen waarschuwen schijn-tegenstellingen te zoeken tussen de bewindslieden van Financiën. Het moge duidelijk zijn dat belangen van goede fiscale wetgeving zijn meegewogen. Ik noem de doelstellingen van een evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk en vereenvoudiging van het belastingstelsel. Zelf denken wij dat het nieuwe belastingstelsel nog het best kan worden gekwalificeerd als een synthetisch stelsel met een aantal analytische elementen. Om die reden vinden wij dan ook niet dat het element van de draagkracht met deze belastingherziening met voeten wordt getreden. Gelukkig vinden wij de GroenLinks fractie wat dit punt betreft deels aan onze zijde. Het is echter wel zo dat daar waar spanning optreedt met een fiscaal theoretische fundering, voor ons de doelstellingen die met deze belastingherziening worden nagestreefd prevaleren.

Door de leden van de fractie van GroenLinks worden ook enkele kanttekeningen geplaatst bij de in hun ogen vermeende robuustheid van het nieuwe stelsel. Zij geven de staatssecretaris in overweging om zijn, zoals deze leden het noemen, uitdagende houding ten aanzien van de beweerde robuustheid in heroverweging te nemen. Volgens deze leden is geen enkel stelsel altijd en volledig bestand tegen vormen van ontduiking, ontwijking en creatief misbruik en worden zo zeggen deze leden met een verwijzing naar da gang van zaken rond het rapport van de Primarolo-groep, in Nederland, net als andere landen in de Europese Unie, nog wel eens concessies gedaan aan het primaat van een robuuste heffing. Onze nieuwe belastingsysteem is er nu juist mede op gericht om ontduiking, ontwijking en creatief misbruik wel zoveel mogelijk tegen te gaan, en hoewel wij ons natuurlijk best realiseren, dat ook dit nieuwe systeem niet volledig waterdicht zal blijken te zijn, zijn wij er wel van overtuigd, dat het systeem in dat opzicht een duidelijke verbetering is ten opzichte van het huidige stelsel.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar het aanwenden van de hypotheek voor andere doeleinden dan de eigen woning om de drempel in box III te boven te blijven. Zij vrezen voorts een oneigenlijk gebruik van de hypotheekrenteaftrek bij tussentijdse overgesloten of tweede hypotheek en omdat er geen maximum hypotheekbedrag is gesteld die gekoppeld is aan de waarde van de eigen woning. De leden willen een reactie over de «noodzakelijke hypotheek» en op het «Lek van Vermeend» (d.w.z. hypotheek aftrek in box I in relatie met belastingdruk in box III). Deze vragen en reacties zijn besproken in § 4.3.1.

Op de opmerking van de leden van de SP-fractie dat zij teleurgesteld zijn dat het kabinet niet heeft geprobeerd de huidige inkomstenbelasting te herzien (bijvoorbeeld met een vermogenswinstbelasting) komen wij later in deze nota terug.

Het verheugt ons dat de leden van de fracties van GPV en RPF het een goede zaak vinden dat ontwijkgedrag via het boxenstelsel wordt aangepakt. Zoals hiervoor bleek gaat dit niet ten koste van het principe dat belastingheffing behoort plaats te vinden naar draagkracht. Integendeel zouden wij willen zeggen. Het aanpakken van ontwijkgedrag is ook een aspect van heffing naar draagkracht. Deze leden hebben de indruk dat met de voorstellen vooral is gekozen voor inningsgemak en dat om dit gemak te te dienen is afgestapt van het draagkrachtprincipe. Die indruk willen wij graag wegnemen. Zoals hiervoor is uiteengezet worden op verschillende punten verbeteringen aangebracht in het functioneren van de inkomstenbelasting als draagkrachteffing. Wij zien voorts geen verband met het onderwerp inningsgemak ook al vinden wij dat een nastrevenswaard doel dat zowel de belastingplichtige als de belastingheffer ten goede komt.

Ook de leden van de fracties van GPV en RPF stellen vragen over de wijze waarop in het nieuwe stelsel vermogensinkomsten worden belast in relatie tot de lastendruk op arbeid. Elders in deze nota is nog eens uitvoerig uiteengezet waarom de regering heeft gekozen voor invoering van een forfaitaire rendementsheffing. Wij zouden op deze plaats hier kortheidshalve naar willen verwijzen.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fracties van GPV en RPF of de regering de fiscaal theoretische onderbouwing van de voorstellen ondergeschikt acht aan het streven naar stabiele opbrengsten, zouden wij willen verwijzen naar hetgeen wij hierover in de inleiding van de nota hebben opgemerkt.

De leden van de fracties van VVD, CDA, SGP en GroenLinks hebben vragen en kanttekeningen bij het systeem van gesloten boxen, waarin verliesverrekening tussen boxen niet mogelijk is.

De leden van de CDA-fractie vragen wat het bezwaar is belastingplichtigen de mogelijkheid te bieden een verlies uit bijvoorbeeld box II te verrekenen met inkomen van box I. De leden van de SGP-fractie vragen of met de maatregel dat verliezen slechts per box mogen worden verrekend geen onnodige beperking in de verliesverrekening wordt gebracht. Tevens vragen deze leden de voor- en nadelen uiteen te zetten van de invoering een alternatieve mogelijkheid waarbij de potentiële belastingteruggave op grond van een verlies in een box met de verschuldigde inkomstenbelasting uit de andere boxen mogelijk wordt (tax-credit). Ook de leden van de VVD- en CDA-fractie vragen naar dit alternatief.

Een systeem van gesloten boxen impliceert dat er geen verliesverrekening tussen de verschillende boxen kan plaatsvinden. Dit systeem is gekozen omdat het tevens een dam opwerpt tegen belastingbesparende constructies. De structuur van de belastingberekening per box is zo verschillend dat onderlinge verrekening ongewenste effecten heeft. Bovendien zijn daaraan budgettaire consequenties verbonden.

Het hiervoor gegeven argument tegen verliesverrekening tussen de boxen is eveneens relevant voor het door deze leden gegeven alternatief. Dit alternatief komt in feite neer op verliesverrekening tussen boxen, niet op het niveau van het inkomen, maar op het niveau van de belasting. Als bijkomend nadeel geldt nog dat het niet goed mogelijk is om de potentiële belastingteruggave op grond van een verlies in box I te bepalen. In deze box geldt immers een progressief tarief. De hoogte van dit tarief is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en kan variëren van 15,0% voor 65-plussers en 32,9% voor 65-minners in de laagste schijf tot 52% in de hoogste schijf. Aangezien in het desbetreffende jaar het inkomen van box I nihil is, is dit tarief niet te bepalen. De vraag van de VVD-fractie naar de omvang van de budgettaire consequenties van een dergelijke verrekening is daarom niet goed te beantwoorden.

De leden van de CDA-fractie vragen of het redelijk is dat een stelsel van gesloten boxen altijd ten voordele werkt van de fiscus, nu een dergelijk stelsel impliceert dat verliesverrekenening tussen de boxen onderling is uitgesloten. Deze leden vragen voorts wie het kabinet in gedachte had bij de stelling dat het uitsluiten van verliesverrekening tussen de boxen gunstig is voor de meerderheid van de belastingplichtigen.

Een stelsel van gesloten boxen werkt «in het voordeel van de fiscus» als niet alle verliezen binnen dezelfde box gecompenseerd kunnen worden. In de praktijk zal dat slechts in uitzonderingssituaties voorkomen. Verrekening van verliezen uit werk en woning binnen box I is in de meeste gevallen voordeliger dan verrekening met inkomen van de boxen II en III, omdat verrekening met progressief belast inkomen in een ander jaar (maximaal 52%) meestal voordeliger is dan verrekening met proportioneel belast inkomen uit aanmerkeljk belang of inkomen uit vermogen in hetzelfde jaar (30%). Het kabinet denkt hierbij met name aan ondernemers die een incidenteel verlies leiden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de verrekening van verlies uit werk en woning in stand blijft, gelet op de argumenten van het kabinet voor een analytische benadering, namelijk de problemen die de mogelijkheid tot verrekening van verliezen met zich brengen.

In het huidige stelsel worden de problemen met name veroorzaakt door de inkomsten uit vermogen. Deze worden niet adequaat in de heffing betrokken doordat particuliere vermogenswinsten niet belast zijn, terwijl financieringskosten wel aftrekbaar zijn. Door de vermogensinkomsten in een aparte box te plaatsen wordt voorkomen dat deze financieringskosten ten laste van het overige inkomen worden gebracht. Het is echter niet nodig voor de bestanddelen van box I aparte boxen te creëren, waartussen verliesverrekening niet mogelijk is. Verliesverrekening binnen de boxen is onderdeel van een rechtvaardig belastingstelsel en doet geen afbreuk aan de robuustheid van het nieuwe stelsel. Dit beantwoordt tevens een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks naar de verliesverrekening binnen de boxen. De leden van de GroenLinks-fractie geven aan dat in het GroenLinks voorstel voor een vermogenswinstbelasting in box III geen buitenjaarse verliesverrekening mogelijk is. In het wetsvoorstel leidt de vermogensrendementsheffing ertoe dat in box III geen verlies kan ontstaan, zodat aan binnenjaarse of buitenjaarse verliesverrekening geen behoefte bestaat.

1.3.3. Een nieuw regime voor inkomen uit sparen en beleggen

De leden van de GroenLinks fractie herinneren aan een uitspraak van de staatssecretaris van Financiën van medio september 1999 dat in het nieuwe belastingstelsel «de rijken gaan betalen» en confronteren deze uitspraak met een uitspraak van de minister van Financiën dat naar zijn oordeel «de rijken terugkomen uit België». Wie heeft nu gelijk, vragen deze leden.

Ook wijzen de leden van de GroenLinks fractie erop, dat invoering van de nieuwe vermogensrendementsheffing ten opzichte van de huidige situatie maar een schatkistvoordeel oplevert van 450 miljoen. Zo robuust is de nieuwe rendementsheffing dus niet, zo concluderen deze leden.

In reactie hierop merken wij in de eerste plaats op, dat vermogenden geen homogene groep vormen. Voor vermogenden die onder het huidige stelsel gebruik maken van belastingbesparende constructies zal de belastingdruk op het vermogen als gevolg van de grondslagverbreding fors toenemen. Het gaat hierbij niet alleen om de invoering van de forfaitaire rendementsheffing, maar ook om de beperking van de aftrek voor lijfrentepremies (opbrengst 1,5 miljard) en het vervallen van de aftrek van consumptieve rente (opbrengst 1,2 miljard). In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat ook vermogenden de gevolgen ondervinden van de verhoging van de BTW en de milieubelastingen en – afhankelijk van de omstandigheden – van de grondslagverbredende maatregelen in de sfeer van de inkomsten uit arbeid. De conclusie van deze leden dat in het nieuwe stelsel mensen met een vermogen enigszins worden ontzien is in ieder geval niet juist; de macro-lastendruk op vermogen neemt onder het voorgestelde stelsel met circa 10% toe, terwijl de macro-lastendruk op arbeid met circa 12% daalt.

Voor belastingplichtigen die onder het huidige stelsel naar het buitenland zijn gegaan, kan de drempel om naar Nederland terug te komen door de invoering van de forfaitaire rendementsheffing met een vast tarief van 30% en het vervallen van de vermogensbelasting lager worden.

De leden van de fractie van GroenLinks komen tot de conclusie dat de belastingdruk op particulier vermogen negatief is als het eigen huis als onderdeel van het vermogen wordt beschouwd. Een rekensom op basis van box 2.4 van de Verkenning geeft de volgende opstelling weer volgens de leden van de fractie van Groen Links.

Belasting op particulier vermogen: 
Grondslag vermogen in IB (exclusief eigen huis):f 11,4 mld
Grondslagvermindering eigen huis:f 17,6 mld -
Derving belastingopbrengsten IB (bij een tarief van 50%)– f 3,1 mld
Opbrengst vermogensbelasting:f 1,4 mld
Saldo fiscale behandeling particulier vermogen:– f 1,7 mld

De leden van de fractie van GroenLinks vragen een reactie op deze berekening, waarbij de gegevens worden geactualiseerd en een schatting wordt gegeven van de diverse posten tot aan de periode 2010.

Voor een overzicht van de belastingdruk op particulier vermogen, mag niet alleen worden gekeken naar de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting, maar moeten ook de overdrachtsbelasting en de onroerende zaakbelasting worden meegenomen. Voor 1999 kan, met behulp van de raming die is gehanteerd bij de doorrekening van de stelselherziening, het volgende overzicht van de belastingdruk op particulier vermogen en vermogensinkomsten worden gegeven.

Tabel: Budgettaire belang van de belasting op vermogen en met vermogen verband houdende belastingen (belastingen en premies volksverzekeringen), in miljarden guldens

Opbrengst inkomstenbelasting over inkomsten uit vermogen3,25
Hypotheekrente aftrek– 13,5
Huurwaardeforfait3,5
Vermogensbelasting1,55
Overdrachtsbelasting (van eigen woningen)3,5
Onroerende zaak belasting (van eigen woningen)2,2
Saldo0,5

Gezien de vele onzekerheden in de vermogensmarkt en met name de woningmarkt is geen raming te geven over de periode tot 2010.

De leden van de fractie van GroenLinks staan in hun bijdrage stil bij het verschijnsel dat vermogensbezit een steeds normaler verschijnsel wordt en toegankelijk wordt voor brede groepen in de samenleving. Zij verbinden daaraan de vraag of de volgende eeuw in het teken zou kunnen staan van rechtvaardige vermogensverhoudingen. Wij menen met de vermogensrendementsheffing een goede start te maken in de volgende eeuw, omdat het forfaitaire rendement in de praktijk rechtvaardiger uitwerkt dan het huidige sterk juridisch georiënteerd regime voor vermogensinkomsten. Het thans voorgestelde regime heeft een sterk structureel, economisch getint karakter. Wij zien geen aanleiding om te speculeren over toekomstige veranderingen in dit regime in de volgende eeuw.

De leden van de fractie van GroenLinks brengen hun twijfels over op het punt van een evenwichtige verdeling van de belastingdruk Zij constateren dat momenteel geen sprake is van een evenwichtige benadering van verschillende inkomensbronnen. Zij geven als voorbeeld dat een rente van 3% straks een belastingdruk van 50% ontmoet en een aandelenrendement van 10–12% een druk ondergaat van 10%. Bij deze vergelijking gaan deze leden voorbij aan het feit dat er bij aandelen ook nog sprake is van een voordruk van de vennootschapsbelasting. Daarnaast vergeten zij te vermelden dat de rente bij enige omvang meestal meer zal bedragen dan 3% en nu veelal tegen 50–60% wordt belast, terwijl het aandelenrendement thans veelal (vrijwel) onbelast blijft. De vermogensrendementsheffing brengt hierin een duidelijke verbetering aan naar ons oordeel. Dit komt ook tot uiting in het feit dat de macrodruk op vermogen in de nieuwe opzet toeneemt. Wij verwachten dan ook niet het nadelig effect op de belastingmoraal dat deze leden vrezen. Als er een nadelig effect optreedt verwachten wij dat eerder bij de groepen belastingplichtigen die meer moeten betalen over vermogensinkomsten dan tot nu toe. Wij verwachten overigens dat de nieuwe vermogensrendementsheffing uit een oogpunt van fraudebestendigheid goed zal scoren.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om een nadere verklaring of uit het oogpunt van draagkracht sprake is van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie als eenvoudige rendementen uit spaarrekeningen die momenteel minder dan 4% doen «overbelast» worden door de forfaitaire rendementsheffing, terwijl dividenden en koerswinsten ruim boven deze 4% uitkomen. Voor dat aspect verwijzen wij naar paragraaf 6.3 van deze nota.

2. ACHTERGROND

2.1. Doelstellingen belastingherziening

De leden van de D66 fractie geven aan, dat voor hen het vertrekpunt bij het denken over een nieuwe inkomstenbelasting begint bij de meest eenvoudige vorm, i.c. een voor iedereen procentueel dezelfde procentuele heffing op alle inkomsten, ook wel flat tax genoemd. Volgens deze leden kan hierop alleen een uitzondering worden gemaakt als het nodig, uitlegbaar en uitvoerbaar is. De uitzonderingen in de voorstellen van de regering op deze naar het oordeel van de D66 fractie meest eenvoudige inkomstenbelasting, voldoen naar ons stellige oordeel aan de criteria die de D66 fractie daarvoor aanlegt.

De leden van de D66 fractie geven aan het nuttig te achten om in het licht van het streven naar eenvoud en inzichtelijkheid en mede met het oog op de wetsgeschiedenis, daar waar relevant alsnog een toelichting te geven op het bestaansrecht van elk van de artikelen die van de Wet IB 1964 naar de nieuwe Wet IB 2001 zijn getransplanteerd. Zij verwijzen hiervoor ook mede naar de opmerkingen van de Raad van State op dit punt.

Gegeven het door de D66 fractie zelf gekozen vertrekpunt voor beoordeling van de voorstellen van de regering, begrijpen wij het verzoek van deze leden. Gezien echter het feit dat voor heel veel artikelen geldt, dat alleen formuleringen meer in overeenstemming zijn gebracht met de taal die wij heden ten dage en waarschijnlijk ook morgen nog wel zullen spreken en schrijven, achten wij het uit een oogpunt van doelmatigheid niet wenselijk om deze monnikenarbeid te verrichten. Ook de suggestie van een apart evaluatieprogramma voor ongewijzigd overgenomen regelingen uit de Wet IB 1964 omarmen wij niet, omdat wij vinden dat de hoeveelheid werk die daarmee is gemoeid, in geen verhouding staat tot de kwaliteitsverbetering van de wet inkomstenbelasting die daarmee kan worden bereikt. Dat alles neemt overigens geenszins weg, dat wij ons blijven inzetten voor vereenvoudiging van regelingen. Een goed voorbeeld in dat verband is ons voorstel de belastingdienst te belasten met het informeren van burgers over de aanwezigheid van een eventueel pensioentekort.

De leden van de D66 fractie constateren dat vooral als gevolg van de relatief hoge tarieven, belastingplichtigen vrij massaal gaan proberen die tarieven te ontgaan, onder meer door belastingheffing langdurig uit te stellen, hetgeen tot uitholling van de grondslag leidt. Deze leden beschouwen met name de voorstellen voor de vermogensrendementsheffing en de «oudedagsparaplu» als de belangrijkste onderdelen van de voorstellen om deze dreigende uitholling tegen te gaan. De dreigende uitholling van de grondslag is ook voor de regering een van de belangrijkste redenen geweest om met de gedane voorstellen voor aanpassing van het huidige belastingstelsel te komen.

De GL-fractie vindt de lastenverlichting een ongewenste ontwikkeling, omdat tegelijkertijd sprake is van een beperkte ruimte is voor uitgavenintensiveringen. Groen Links vraagt zich af of het kabinet bij het doorvoeren van de 5 miljard lastenverlichting heeft verdisconteerd dat daarmee het publieke pakket aan dienstverlening wordt verkleind, waardoor de «private lastendruk» in de vorm van wachtlijsten in de zorg, kwalitatief minder onderwijs, eigen kosten voor gezondheidszorg, onderwijs en veiligheid stijgt. Het verschijnsel van publieke armoede en private rijkdom wordt volgens GroenLinks door de begrotingssystematiek van Paars in de hand gewerkt.

In het regeerakkoord is voor 9¼ miljard aan uitgavenintensiveringen opgenomen. Aanvullende op het regeerakkoord zijn nog 1½ miljard aan extra intensiveringen gedaan. Deze extra uitgaven zijn vooral bestemd voor zorg (2½ miljard), onderwijs (2 miljard) en veiligheid (1 miljard). Spreken van een verkleining van het publieke pakket aan dienstverlening en een dreiging van publieke armoede is gezien deze forse intensiveringen opmerkelijk.

De fractie van GL heeft zoals gezegd moeite met de omvangrijke lastenverlichting in 2001. Door de meevallerformule bij de inkomsten kan volgens de GL-fractie de ruimte voor lastenverlichting nog verder oplopen tot – bij begrotingsevenwicht in 2002 – 14 miljard. Dit is 8½ miljard meer dan nu in de boeken staat.

De door GL geschetste situatie wordt pas bereikt als de economische groei in de jaren 2000, 2001 en 2002 meer dan 3% per jaar bedraagt. Historisch gezien is dit een uitzonderlijk hoog groeipad. Verder heeft het beleid van lastenverlichting in de vorige kabinetsperiode zeer goed gewerkt voor onder andere de werkgelegenheidsgroei. De inzet van extra lastenverlichting ter stimulering van het arbeidsaanbod zal – helemaal als de economische groei hoger uitvalt dan verwacht – naar verwachting bijdragen aan het verlichten van spanningen op de arbeidsmarkt.

De GL-fractie bepleit een nieuw begrotingskader, waarin de balans tussen uitgavenversterking en lastenverlichting wordt hersteld en het uitgavenkader wordt vastgesteld op basis van reële ramingen van de loonstijgingen.

De regering ziet geen directe relatie tussen dit pleidooi en het voorliggende wetsontwerp.

Een herziening van de huidige begrotingssystematiek is volgens de GL-fractie ook noodzakelijk omdat door de lastenverlichting het gevaar van verhitting van de economie bestaat. Ook de CDA-fractie vindt de timing van de lastenverlichting ongewenst. Verder vraag de CDA-fractie zich af hoe het bedrag van de 5 miljard aan lastenverlichting tot stand is gekomen en hoe dit bedrag zich verhoudt met de belastingherziening naar aanleiding van de commissie-Oort. Ook leden van de GPV en RPF zijn van mening dat er andere prioriteiten denkbaar zijn voor de besteding van de genoemde gelden en vragen waarom er niet is gekozen voor een lager bedrag aan lastenverlichting. Wat is de noodzaak van dit omvangrijk pakket en kan dit worden afgezet tegen de behoefte aan extra zorg en onderwijs?

De inzet van lastenverlichting en het gevaar van oververhitting hangt vooral af van de vormgeving van de lastenverlichting. De lastenverlichting in 2000 en 2001 wordt vooral ingezet om het arbeidsaanbod te vergroten. Omdat de capaciteit van de economie hierdoor wordt vergroot, gaat dit de verhitting en mogelijke resulterende inflatie tegen. De timing van ingrijpend project als een herziening van het belastingstelsel kan niet afhankelijk worden gesteld van de (verwachte) stand van de conjunctuur. Een belastingherziening vergt een uitgebreide voorbereiding en invoeringstraject. Deze invoering laten afhangen van de conjuncturele situatie is ongewenst en komt bovendien de betrouwbaarheid van de overheid niet ten goede.

Verder lijkt een lastenverlichting van 5 miljard in 2001 bijna onontkoombaar bij het doorvoeren van zo'n grote belastinghervorming met tegelijkertijd aanvaardbare inkomenseffecten. De lastenverlichting bij de belastingherziening naar aanleiding van de plannen van de Commissie bedroeg 4 miljard in prijzen 1990. Vertaald naar de huidige prijzen zou een omvang van de Oort-lastenverlichting resulteren van 6 miljard.

De GL-fractie verwacht dat door de huidige begrotingssystematiek het niet bij 5 miljard aan lastenverlichting blijft. De CDA-fractie wil dat er meer werk wordt gemaakt van de reductie van de staatsschuld, met name om buffers te creëren voor toekomstige vergrijzingskosten. Verder willen de leden van de CDA fractie het standpunt van de regering op het idee van lastenmaximering uit het rapport «De moeite waard».

Zoals elders is aangegeven heeft de mee- en tegenvallerformule voor de overheidsinkomsten invloed op het totaal aan lastenverlichting in deze kabinetsperiode. Met de mee- en tegenvallerformule komen meevallende overheidsinkomsten voor een aanzienlijk deel (afhankelijk van het overheidstekort voor driekwart of voor de helft) ten gunste van een reductie van het overheidstekort en daarmee ten gunste van een reductie van de staatsschuld. De regering denkt dat met deze mee- en tegenvallerformule een evenwichtige verdeling van eventuele inkomstenmeevallers tot stand komt tussen tekortreductie en lastenverlichting.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering nader aan te geven wat de nieuwe wet beoogt en welke doelstellingen de hoogste prioriteit hebben.

In de inleiding van deze nota hebben wij aangegeven dat wij met deze nieuwe Wet IB 2001 een stabiele belastingopbrengst nastreven, waarbij de lasten over burgers en bedrijven evenwichtig en rechtvaardig zijn verdeeld. Het Regeerakkoord vermeldt de volgende doelstellingen:

• verbreding en versterking van de belastinggrondslag

• bevordering van de werkgelegenheid en de economische structuur, versterking van de concurrentiekracht van Nederland

• verlaging van de lastendruk op arbeid

• bevordering van een duurzame economische ontwikkeling («vergroening»)

• een evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk

• bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid

• vereenvoudiging van het belastingstelsel.

Een prioriteitstelling in doelstellingen is niet aangebracht. De doelstelling van rechtvaardige inkomensverhoudingen ligt besloten in de doelstelling van een evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen een nadere toelichting op de inhoudelijke argumentatie van de regering voor de verschuiving van directe naar indirecte belastingen.

Die argumentatie is gebaseerd op de resultaten van de Verkenning. Daarin is geconcludeerd, dat in Nederland in vergelijking met andere landen, vooral de directe lastendruk op arbeid hoog is. De zware belasting- en premiedruk op arbeid veroorzaakt een groot verschil tussen de loonkosten voor de werkgever en het bijbehorende netto besteedbaar inkomen van de werknemer. Dit grote verschil (de zogenoemde wig) belemmert de werking van de arbeidsmarkt. De hoge loonkosten ontmoedigen werkgevers om meer mensen in dienst te nemen en door het in verhouding lage netto loon potentiële werknemers om tot de arbeidsmarkt toe te treden. Mede om die reden en in het licht van het feit dat een verschuiving van directe naar indirecte belastingen het belastingstelsel als geheel robuuster kan maken zoals elders in deze nota wordt toegelicht en onderbouwd, wordt als onderdeel van deze belastingherziening een verhoging van de BTW voorgesteld. Natuurlijk leidt een verhoging van de BTW indirect ook tot enige afwenteling naar de factor arbeid, maar de economische effecten daarvan zijn wezenlijk anders dan een directe belasting van de factor arbeid.

De reden dat een vorige regering begin jaren negentig het BTW-tarief verlaagde, de leden van de GroenLinks fractie vragen hiernaar, was, dat deze maatregel paste bij de conjuncturele situatie van dat moment.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de regering in het kader van deze belastingherziening de lastendruk met 5 miljard wil verlagen. Is een herschikking van de lastendruk door middel van een breder grondslag niet voldoende, zo vragen deze leden.

De reden waarom de regering deze belastingherziening met 5 miljard lastenverlichting begeleidt, is naast de gunstige effecten op de werkgelegenheid vooral ingegeven door de politieke en beleidsmatige wens een evenwichtig inkomensbeeld te realiseren.

De leden van de SP fractie merken op, dat ook in hun visie het belastingstelsel een bijdrage kan leveren aan het stimuleren van milieuvriendelijk gedrag en het bevorderen van emancipatie en economische bedrijvigheid. Wij beschouwen de introductie van een individueel toekenbare heffingskorting bijvoorbeeld als een belangrijke bijdrage aan de emancipatie. En ook kan – afgezien van de discussie over een ecotax voor grootverbruikers – de SP fractie er niet omheen dat drie tranches vergroening van het belastingstelsel, zeker in Europees perspectief bezien, niet onbelangrijk is in het kader van de door deze leden gewenste bevordering van milieuvriendelijk gedrag.

2.2. Niet-fiscale doelstellingen

De D66-fractie stelt dat een van de doelstellingen van de belastingherziening, gerichter inkomensbeleid, onvoldoende wordt bereikt. Als instrumenten voor dit inkomensbeleid wordt in de Memorie van Toelichting (pag. 21) aangegeven: de algemene heffingskorting, de ouderenaftrek, de arbeidskorting en de knip in de eerste schijf. De D66-fractie stelt dat alleen de knip in de eerste schijf echt nieuw is en dat de andere varianten zijn op bestaande instrumenten. De D66-fractie wil graag door middel van een rekenvoorbeeld meer inzicht krijgen of het gerichtere inkomensbeleid voor de lage inkomens ook daadwerkelijk optreedt door de invoering van de knip in de eerste schijf.

Ook de leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar een nadere onderbouwing van het gerichtere en effectiever inkomensbeleid. Ook zijn zij er nog niet van overtuigd dat de voordelen van de knip in de eerste schijf opwegen tegen het verlaten van de eenvoud door deze knip in te voeren. Hiervoor zien zij graag een betere onderbouwing. Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie zich af op welke onderdelen het inkomensbeleid gerichter moet worden en wat daarvan de consequenties voor verschillende groepen in de samenleving zijn. Ook stellen zij de vraag wat daarvan de gevolgen voor huishoudens zijn en waarom een sterker accent wordt gelegd op de individuele inkomensgevolgen in plaats van inkomensgevolgen in huishoudverband. Hoe verhoudt dit laatste zich met het draagkrachtbeginsel?

Door de introductie van de heffingskorting, ouderenkorting, arbeidskorting en de knip in de eerste schijf bij de belastingherziening wordt een gerichter inkomensbeleid voor mensen met een laag inkomen en ouderen mogelijk. Het is hierdoor mogelijk om met dezelfde budgettaire inzet voor deze groepen een hogere inkomensverbetering te realiseren. Dit wordt bijvoorbeeld veroorzaakt doordat de belastingvrije som in een heffingskorting wordt omgezet. Hierdoor ontstaat voor vrijwel iedereen hetzelfde netto inkomensvoordeel, namelijk 3321 gulden. Dit in tegenstelling tot de belastingvrije som die, afhankelijk van het tarief waarin het belastbaar inkomen valt, per individu een ander netto inkomensvoordeel oplevert.

Een voorbeeld: Indien het doel is de minima er 100 gulden op vooruit te laten gaan, moet na de belastingherziening de heffingskorting met 100 gulden worden verhoogd. Zowel de hoge als de lage inkomens ondervinden dan een netto inkomensvooruitgang van 100 gulden. In het huidige stelsel moet echter de belastingvrije som met 270 gulden worden verhoogd om voor de minima een netto inkomensvooruitgang van 100 gulden te bereiken. Iemand die met zijn inkomen in het hoogste tarief valt ondervindt van deze verhoging van de belastingvrije som van 270 gulden echter een netto inkomensvooruitgang van 162 gulden. Het budgettaire beslag van de maatregel valt daardoor navenant hoger uit. Door het omzetten van de belastingvrije som in de heffingskorting treedt dit effect niet meer op. Hetzelfde geldt voor de ouderenkorting en de arbeidskorting.

De knip in de eerste schijf is bij de belastingherziening zodanig vormgegeven dat de lengte van de eerste schijf rond het minimuminkomen ligt. Ook hierdoor is het mogelijk gerichter inkomensbeleid voor deze groepen te voeren. In de onderstaande tabel wordt een voorbeeld gegeven van een inkomensmaatregel zonder een knip in de eerste schijf en met de knip in de eerste schijf. Hierbij is uitgegaan van een budgettaire inzet van 2,6 miljard. Hiermee kan voor de invoering van de knip in de eerste schijf het tarief van de eerste schijf met 1% worden verlaagd. Na de invoering van de knip in de eerste schijf kan het tarief 1A door de inzet van 2,6 miljard worden verlaagd met 1,8%.

De inkomenseffecten zijn voor alleenverdieners met kinderen berekend op basis van 1999. Daarbij is een vergelijking gemaakt tussen de inkomenseffecten in de variant zonder knip en de inkomenseffecten van de feitelijke situatie waarbij de knip wel is ingevoerd.

Tabel: Inkomenseffecten alleenverdiener met kinderen met en zonder knip in de eerste schijf (uitgaande van een lastenverlichting van 2,6 miljard)

 voor invoering knipna invoering knip
sociale minima½1
WML½¾
modaal¾¾
2x modaal¾½

Uit de tabel blijkt duidelijk dat door invoering van de knip in de eerste schijf een tariefsdaling gerichter neerslaat bij lagere inkomens. Anders gezegd; een gewenste koopkrachtverbetering voor een bepaalde inkomensgroep kan met minder middelen worden gerealiseerd. Mochten de inkomenseffecten uit de linker kolom wenselijker worden geacht, dan zijn die ook in het huidige stelsel nog steeds te realiseren door een evenredige verlaging van tarief 1a en tarief 1b.

Naar aanleiding van de opmerkingen van het CDA kan worden gesteld dat in de standaard koopkrachtplaatjes wordt gekeken naar de inkomensontwikkeling op huishoudensniveau en niet op individueel niveau. Als bijvoorbeeld de inkomensontwikkeling van een alleenverdiener met kinderen wordt weergegeven dan betreft dit een huishouden met een kostwinner, een partner die niet werkt en twee kinderen tussen de 6 en 12 jaar. Dit is in overeenstemming met het draagkrachtbeginsel omdat het huishouden daarvoor de meest relevante eenheid is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering aan te geven hoe de belastinguitgaven zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld en om een nadere kwalificatie van deze ontwikkeling in het licht van de nagestreefde grondslagverbreding. Deze leden herhalen tevens hun tijdens de afgelopen Algemene Financiële beschouwingen gehouden pleidooi voor een uitgavenkader voor belastinguitgaven. Verder zeggen de leden van de GroenLinks fractie dat thans te gemakkelijk de indruk ontstaat, dat belastinguitgaven op onvoldoende beleidsrationaliteit stoelt en het om die reden te waarderen dat de staatssecretaris heeft toegezegd een analysekader te ontwikkelen waarbinnen de noodzaak van fiscale prikkels kan worden aangetoond. Zij zien dit analysekader met belangstelling tegemoet.

In reactie hierop zouden wij de leden van de GroenLinks-fractie voor wat betreft de ontwikkeling van de belastinguitgaven willen verwijzen naar bijlage 4 van de Miljoenennota 2000. Daarin hebben wij ook uiteengezet waarom wij een uitgavenkader voor de belastinguitgaven niet nodig en wenselijk achten. Tijdens de Algemene Finaciële Beschouwingen is toegezegd dat wij een poging willen doen om in een brede notitie over belastinguitgaven onze opvattingen hieromtrent helder(der) voor het voetlicht te brengen. Deze notitie is toegezegd voor begin volgend jaar. Ten aanzien van de relatie met de door ons nagestreefde verbreding van de grondslag, willen wij er deze leden alvast op wijzen, dat hier altijd sprake is van een afweging in termen van doeltreffendheid en doelmatigheid van een belastinguitgave. En periodiek wordt via evaluatie van specifieke fiscale regelingen bezien of voortzetting (nog) wenselijk is dan wel in verband met verander(en)de omstandigheden of doelbereiking aangepast of beëindigd dient te worden.

2.3. Arbeidsmarktaspecten

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de stelselherziening voorziet in het verschil tussen uitkeringen en loon, alsmede welk verschil benodigd is om de arbeidsmarkt aan de onderkant goed te laten functioneren. Deze vraag is besproken in 3.3. Inwonerschap: twee groepen belastingplichtigen.

Aan de nevendoelstelling bevordering van de werking van de arbeidsmarkt geeft het kabinet volgens de leden van D66 ook invulling door de introductie van de arbeidskorting en door de omzetting van de belastingvrije som in de algemene heffingskorting. De leden van de fractie van D66 kunnen zich in principe vinden in de gedachten die aan deze maatregelen ten grondslag liggen, ook al zijn die moeilijk te destilleren uit de toelichting op blz. 10–12 van de Memorie van Toelichting.

In de Memorie van Toelichting is aangegeven hoe de regering de werking van de arbeidsmarkt wil bevorderen en welke gedachten daaraan ten grondslag liggen. Zowel de introductie van de arbeidskorting als de omzetting van de belastingvrije som in een algemene heffingskorting maken werken financieel aantrekkelijker. Dit stimuleert het aanbod van arbeid hetgeen, zeker in de huidige krappe arbeidsmarkt, een positief effect heeft op de werkgelegenheid. Deze redenering wordt ondersteund door berekeningen van het CPB die eveneens wijzen op een substantieel werkgelegenheidseffect.

Ten aanzien van de genoemde instrumenten, de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, kan meer concreet het volgende worden opgemerkt. De arbeidskorting levert een gerichte bijdrage aan het oplossen van de problematiek rond de werkloosheidsval. Momenteel is het zo dat de overgang van een uitkering naar een laag betaalde baan slechts een beperkt financieel voordeel oplevert. Indien rekening wordt gehouden met inkomensafhankelijke regelingen resteert in sommige gevallen zelfs een inkomensverslechtering op. Het moge duidelijk zijn dat dit ten koste gaat van de prikkel om te gaan werken vanuit een uitkeringssituatie. Dit gegeven biedt teven een verklaring voor de paradoxale situatie die momenteel op de arbeidsmarkt waarneembaar is, namelijk een toenemende krapte aan personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van een aanzienlijke arbeidsreserve. De arbeidskorting resulteert in een forse verkleining van de werkloosheidsval zoals ook uit de onderstaande figuur blijkt.

Figuur: Netto inkomensverbetering in guldens voor sociale minima die een baan vindt op minimumloonniveau (alleenverdiener)kst-26727-7-1.gif

De omzetting van de belastingvrije som in een heffingskorting betekent een belangrijke stimulans op voor niet-werkende partners en voor partners met een belastbaar inkomen beneden de huidige belastingvrije som. In het huidige stelsel kan toetreding van de arbeidsmarkt, dan wel een stijging van het bruto inkomen van de minstverdienende partner, leiden tot een netto inkomensdaling op huishoudensniveau. Voor een concrete uitwerking met cijfervoorbeeld wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting (bladzijde 13). De overgang op een heffingskorting zorgt ervoor dat deze rem op de arbeidsparticipatie van partners wordt weggenomen. Ook dit heeft een positief effect op het arbeidsaanbod, en daarmee op de werkgelegenheid.

De leden van de fractie van GroenLinks betreuren dat het belang van de belastingkortingen voor de vorm van de tariefstructuur is gereduceerd door de verlaging van tarieven van de tweede en derde schijf. Wij menen dat sprake is van een evenwichtig totaalbeeld. Per saldo resteert namelijk een ander beeld dan deze leden suggereren. Wij wijzen op het eerder gegeven antwoord aan het adres van onder meer de leden van de fractie van de PvdA. In dat antwoord is een overzicht opgenomen waaruit naar voren komt dat de voorgestelde herziening een progressiever totaalbeeld dan het huidige laat zien.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen op welke wijze de belastingkortingen zullen worden benut in het inkomensbeleid, bijvoorbeeld in het kader van de terugsluis van de derde tranche vergroening in het «kleine»belastingplan 2001. Ook vragen zij naar de effecten op de koopkracht. Voorts vragen deze leden welk lot de nieuwe arbeidskorting is beschoren en of deze korting vanaf 2001 wordt benut voor het verder vergroten van de afstand tussen betaald en niet-betaald werk. Voorts vragen deze leden ons of wij het redelijk vinden om in het kader van het bestrijden van de armoedeval voor mensen die de stap maken van uitkering naar betaald werk de voordelen ook «automatisch» toekomen aan werknemers met een riant inkomen. Zij vragen of het langs deze weg stimuleren van het arbeidsaanbod niet buitengewoon duur en inefficiënt is.

In reactie hierop zij opgemerkt dat de eventuele inzet en maatvoering van de belastingkortingen in het kader van het koopkrachtbeeld 2001, waarvan de derde tranche vergroening onderdeel uitmaakt, pas in augustus volgend jaar aan de orde is in het kader van de afrondende besluitvorming over de inkomstenkant van de begroting voor het jaar 2001. Dan is ook de vraag aan de orde of een eventuele verdere verhoging van de arbeidskorting, mede in het licht van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, wenselijk en budgettair inpasbaar is. Wij zijn het nadrukkelijk niet eens met de kwalificaties die de leden van de GroenLinks-fractie teokennen aan dit belangrijke instrument voor de stimulering van het arbeidsaanbod. In de eerste plaats willen wij deze leden erop wijzen, dat verhoging van de arbeidskorting tot aanzienlijk minder weglek leidt dan verhoging van het huidige arbeidskostenforfait. De reden waarom het goed is dat ook hogere inkomensniveaus, zij het relatief minder, deelhebben aan een verhoging van de arbeidskorting is nu juist gelegen in het voorkomen van de armoedeval wanneer sprake is van doorgroei in de functie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af welk kwantitatief doel het kabinet nastreeft ten aanzien van de arbeidsparticipatie van ouderen, vrouwen en allochtonen. De participatiegraad stijgt immers dus waarom de grote urgentie. In welke mate heeft het kabinet zijn doel nog niet bereikt?. Ook herhalen de leden de vraag naar het kabinet naar de precieze consequenties van de opvattingen van het kabinet ten aanzien van het participatievraagstuk voor de inrichting van het fiscale stelsel. De leden van de GroenLinks-fractie hebben behoefte aan een nadere onderbouwing omdat het kabinet nadrukkelijk de indruk wekt dat het huidige fiscale stelsel niet goed functioneert en het aanbod van arbeid belemmert. De leden zijn een andere mening toegedaan. Op basis van de bovenstaande analyse zou men forsere maatregelen verwachten: een grootschalige tariefsverlaging van de eerste schijf – te financieren uit een brede energieheffing – ten einde de gemiddelde en marginale druk op arbeid te verminderen; heffing van zorgpremies (ZFW/AWBZ) over een langer inkomenstraject; gedeeltelijke financiering van de AOW uit een steviger fiscale behandeling van vermogen; een gerichte arbeidskorting voor laaggeschoolden (laagbetaalden) ten einde de replacement rate te verlagen.

De arbeidsparticipatie van vrouwen is in ons land, vergeleken met de ons omringende landen, nog steeds relatief laag. De werkloosheid als percentage van de werkloze beroepsbevolking onder allochtonen is ruim drie keer zo hoog als onder autochtonen. Tevens bedraagt de arbeidsmarktparticipatie van mensen tussen de 55 en 64 jaar als percentage van de beroepsbevolking ongeveer 30%. In vergelijking met de andere leeftijdsgroepen is de arbeidsparticipatie ongeveer 2,5 keer zo klein (met uitzondering van de groep 15–24 jaar). Deze cijfers zijn aanleiding voor de regering om de participatie van deze groepen te stimuleren. Vooral op het terrein van de arbeidsparticipatie van ouderen is nog geen stijgende lijn waar te nemen. Dit moet in samenhang worden bezien met de huidige krapte op de arbeidsmarkt. Ook uitkeringsgerechtigden worden daarom via onder meer de arbeidskorting gestimuleerd tot de arbeidsmarkt toe te treden.

De regering heeft bij de vormgeving van het nieuwe belastingstelsel een aantal doelstellingen nagestreefd: verbreding en versterking van de belastinggrondslag, bevordering van de werkgelegenheid, verlagen van de lastendruk op arbeid, een evenwichtige inkomensverdeling, bevorderen van emancipatie en economische zelfstandigheid, vergroening van het belastingstelsel en vereenvoudiging van het belastingstelsel. De regering is van mening dat deze doelstellingen evenwichtig worden benaderd in het nieuwe belastingstelsel.

De leden van de GroenLinks-fractie stellen dat een belastingstelsel niet compleet is zonder aandacht te schenken voor de groep «anders-actieven». De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet deze gevolgen alsnog in beeld te brengen en daarbij de feitelijke onjuiste term «inactieven» te vermijden.

De inkomensgevolgen voor de groep «anders-actieven» zijn op diverse plaatsen in de Memorie van Toelichting beschreven. Voorzover het binnen deze groep gaat om 65-plussers worden de inkomenseffecten beschreven op bladzijde 63 van de MvT. De inkomenseffecten voor niet-verdienende partners van kostwinners zijn meegenomen in de berekeningen van tabel 4 op bladzijde 62 van de MvT. In deze tabel zijn ook de inkomensgevolgen voor sociale minima vermeld. In bijlage II bij de MvT worden de inkomensgevolgen beschreven voor belastingplichtingen met een jaarinkomen beneden het sociaal minimum.

Uit de toelichting van de regering maken de leden van de fracties van GPV en RPF op dat de regering van mening is dat een verdere toename van zowel de arbeidsdeelname als de werkgelegenheid moet worden gestimuleerd. De leden wijzen erop dat behalve betaalde arbeid er ook andere maatschappelijke verantwoordelijkheden bestaan die economisch geen prijs hebben. Kan de regering aangeven of de voorstellen ook prikkels bevatten om in plaats van voor betaalde arbeid, te kiezen voor andere verantwoordelijkheden.

De regering erkent dat er behalve betaalde arbeid ook andere niet-economische activiteiten bestaan die voor het functioneren van de maatschappij van groot belang zijn. De maatregelen in het voorliggende wetsvoorstel zijn echter niet specifiek gericht op het stimuleren van deze activiteiten. Op andere beleidsterreinen wordt wel specifiek aandacht besteed aan deze maatschappelijke verantwoordelijkheden. In dat verband kan bijvoorbeeld worden verwezen naar maatregelen die zijn genomen op het terrein van de «Arbeid en Zorg» of de «Sociale activering».

De SGP-fractie vraagt de regeringen de volgende stellingen nader te onderbouwen:de netto participatiegraad onder vrouwen is nog steeds lager dan in andere landen, laagopgeleiden en allochtonen zijn oververtegenwoordigd in de WW en bijstand, de arbeidsdeelname van ouderen is laag en het potentieel van WAO-gerechtigden die gedeeltelijk kunnen en willen werken wordt onvoldoende benut. Tevens vraagt de SGP-fractie of aangegeven kan worden wat onder de netto participatiegraad wordt verstaan. Daarnaast vraag de SGP-fractie zich af in welke mate er effecten optreden door de belastingherziening in de arbeidsparticipatie van de genoemde groepen ten opzichte van de huidige behoefte op de arbeidsmarkt en de plaatsen waar de groei van de werkgelegenheid te verwachten valt.

Onder de netto participatiegraad van vrouwen wordt verstaan het aantal werkende vrouwen gedeeld door de beroepsbevolking. Bij de bruto participatiegraad worden ook de werklozen meegenomen. In vergelijking met de ons omringende landen is de netto participatiegraad van vrouwen in 1998 relatief laag (zie onderstaande tabel).

Tabel: Netto participatiegraad van vrouwen in voltijdequivalenten (in % van de bevolking van 15–64 jaar)

 1998
Nederland35
Belgie40
Duitsland43
Frankrijk46
Groot-Brittannië48

Uit bijlage 8 van de Sociale Nota 2000 blijkt dat de werkloosheid als percentage van de werkloze beroepsbevolking onder allochtonen ruim drie keer zo hoog is als onder autochtonen en dat de werkloosheid onder laagopgeleiden (Basisonderwijs en MAVO) ook ongeveer drie keer zo hoog is als onder hoogopgeleiden (HBO en WO).

Uit bijlage 7 van de Sociale Nota 2000 blijkt dat de arbeidsmarktparticipatie van mensen tussen de 55 en 64 jaar als percentage van de beroepsbevolking ongeveer 30% bedraagt. In vergelijking met de andere leeftijdsgroepen is de arbeidsparticipatie ongeveer 2,5 keer zo klein (met uitzondering van de groep 15–24 jaar).

Op 30 september heeft de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid een algemeen overleg gevoerd met Staatssecretaris Hoogervorst. Hierin heeft de Staatssecretaris aangegeven dat uit cijfers van het LISV blijkt dat van de 215 000 gedeeltelijk arbeidsongeschikten ongeveer de helft, vaak bij de eigen werkgever, werkt (Kamerstuk 22 187 nr. 97). Door middel van het plan van aanpak WAO wordt ernaar gestreefd de uitstroom uit de WAO te bevorderen.

In principe zullen ook de genoemde groepen profiteren van de arbeidsmarkteffecten van de belastingherziening. Daarnaast zijn er tal van andere maatregelen die proberen arbeidsdeelname van deze groepen te bevorderen (Wet SAMEN, Plan van aanpak WAO). De belastingherziening richt zich onder andere op de arbeidsparticipatie van vrouwen. Doordat de belastingvrije som (overdraagbaar) bij de belastingherziening wordt vervangen door een heffingskorting, wordt het voor een niet-werkende partner aantrekkelijker om te gaan werken. Hij/zij houdt in het nieuwe stelsel immers netto meer over dan in huidige stelsel. (De overdraagbaarheid van) de belastingvrije som vormt een drempel voor arbeidsparticipatie van partners. Zie hiervoor ook pagina 13 van de Memorie van Toelichting.

In het licht van de toch vrij forse kritiek van de SP fractie op deze belastingherziening, zijn wij verheugd, dat de SP fractie aangeeft tevreden te zijn met het voorstel voor omzetting van de algemene belastingvrije som in een heffingskorting, mede in het licht van het emanciperende effect op de arbeidsmarkt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich af waarom een deel van de kosten van de nieuwe arbeidskorting, of – beter nog – het resterende arbeidskostenforfait, aanwend voor een EITC. Waarom heeft de familie Boonstra deze arbeidskorting nodig? Kan het kabinet uitleggen waarom een meer instrumenteel gebruik van de arbeidskorting hiertoe aanleiding geeft?

Ook de leden van de fractie van GroenLinks verzoeken het kabinet nogmaals het belang van de EITC in overweging te nemen, temeer daar de kosten van de EITC belangrijk lager zijn dan die van de arbeidskorting.

D66 heeft er ten tijde van de formatie geen geheim van gemaakt veel te zien in de EITC-gedachte (Earned Income Tax Credit): een fiscale tegemoetkoming die hoger is naarmate het verdiende inkomen lager is.

De SP-fractie vindt het jammer dat er niet voor is gekozen om de arbeidskorting langzaam af te toppen voor de hogere inkomens zoals dat ook door het IMF is geadviseerd. Waarom benadrukt het kabinet dat dit een stijging van de marginale wig tot gevolg heeft terwijl dit toch moet worden afgewogen tegen het bestrijden van de armoedeval?

Zowel de door het kabinet voorgestelde arbeidskorting als de EITC hebben tot doel om het verschil tussen een uitkering en het netto loon te vergroten. In tegenstelling tot de EITC blijft de arbeidskorting boven het minimumloon gelijk voor alle werkenden. De EITC wordt vanaf een bepaald inkomen, in de regel het minimumloon of iets hoger, geleidelijk afgebouwd tot nul. Dit heeft tot gevolg dat bij een gegeven maximum de budgettaire kosten van een EITC lager zijn dan van een arbeidskorting.

Het kabinet kiest echter uitdrukkelijk voor een arbeidskorting en niet voor een EITC. Bij invoering van een EITC zou de marginale wig tot een onverantwoord niveau stijgen voor werknemers met een baan op of net boven het minimumloonniveau. Momenteel bedraagt de marginale wig (nog exclusief inkomensafhankelijke regelingen) voor deze groep werknemers ongeveer 62%. Dat wil zeggen dat van elke gulden die een werkgever extra uitgeeft aan de loonkosten van een werknemer, de werknemer hiervan 38 cent overhoudt. Als gevolg van de voorgestelde stelselherziening daalt de marginale wig op minimumloonniveau met ca. 3%-punt tot 59%. Voor inkomens net boven het minimumloon blijft de marginale wig gelijk.

De introductie van een EITC zou juist tot gevolg hebben dat de marginale wig fors stijgt. Bij een toename van het bruto loon neemt de EITC immers af, waardoor de toename van het netto loon lager uitvalt. Dit effect kan worden geïllustreerd met een cijfervoorbeeld. Stel dat een EITC zou worden ingevoerd met een maximum van 2 400 gulden op minimumloonniveau, aflopend naar nul bij 150% van het minimumloon. In dat geval zou de marginale wig vanaf minimumloonniveau tot 150% van het minimumloon met ca. 10%-punt toenemen. Anders gezegd: van de eerder genoemde 38 cent zou nog eens 10 cent afgaan. Bij een loon(kosten) stijging van 1 gulden blijft er dus maar 28 cent netto voor de werknemer over. Het moge duidelijk zijn dat dit substantiële effecten heeft op de opwaartse dynamiek in de arbeidsmarkt. Een dergelijke marginale wig belemmert de doorstroming, vermindert de prikkels voor bijscholing, en resulteert in een extra stimulans voor het zwart uitbetalen van lonen.

Ook het Centraal Planbureau heeft op deze effecten gewezen. Bij een eerdere doorrekening van de EITC constateerde het CPB dat het arbeidsaanbod in uren daalt «omdat werken wordt ontmoedigd». In dit verband kan ook gewezen worden op Onderzoeks Memorandum nr. 150 van het CPB (An Earned Income Tax Credit in the Netherlands: Simulations with the MIMIC model) waarin wordt ingegaan op arbeidsmarkteffecten van de hoge marginale wig die optreedt bij een EITC. In het Onderzoeks Memorandum worden de resultaten samengevat van empirische studies naar de Amerikaanse ervaringen met een EITC. De meeste studies bevestigen de stelling dat in de afbouwfase van de EITC de hoge marginale wig leidt tot een afname van het arbeidsaanbod. Hierbij moet nog worden vermeld dat de Amerikaanse gemiddelde en marginale druk aanzienlijk lager is dan de Nederlandse. Ten aanzien van de effecten van een hogere marginale wig op scholingsactiviteiten kan verwezen worden naar publicaties van Dupor e.a. (1996)1 en Groot en Oosterbeek (1995)2. Uit beide studies kan worden afgeleid dat een stijging van de marginale wig negatieve effecten heeft op scholingsactiviteiten.

Op grond van bovengenoemde overwegingen heeft het kabinet ervoor gekozen geen EITC in te voeren maar een arbeidskorting. Overigens moet er op gewezen worden dat vervanging van de arbeidskorting door een EITC in een ander inkomensbeeld zou resulteren dan nu is weergegeven in de Memorie van Toelichting. Met name de middeninkomens en, in mindere mate, de hogere inkomens zouden er in het inkomensbeeld behoorlijk op achteruit gaan. Ook dit gegeven speelt een rol in de overwegingen van het kabinet.

De leden van de fractie van GroenLinks merken op dat de veranderende economische omstandigheden zouden moeten leiden tot herbezinning van het gekozen instrumentarium. Zo zou vanuit het oogpunt van de krappe arbeidsmarkt een omzetting van de SPAK die arbeidsvraagbevorderend werkt, naar een EITC die arbeidsaanbodbevorderend werkt overwogen moeten worden. De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet om een reactie.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom het kabinet wel de SPAK in stand wil houden die tenslotte ook tot een hogere marginale (werkgevers) wig leidt in het afbouwtraject.

Het kabinet is het met de fractie van GroenLinks eens dat de economische omstandigheden op de arbeidsmarkt vragen om een beleid dat in toenemende mate de nadruk legt op stimulering van het arbeidsaanbod. Met het oog hierop wordt een verlaging van de marginale tarieven en een verkleining van de werkloosheidsval voorgesteld. Het kabinet is echter niet van mening dat een EITC hiervoor het meest aangewezen instrument is. Elders in deze nota wordt ingegaan op de overwegingen die hierbij een rol spelen.

Ten aanzien van de suggestie van zowel GroenLinks als de SP om, gegeven de veranderende situatie op de arbeidsmarkt, de SPAK af te schaffen merkt het kabinet het volgende op. De introductie van de SPAK en de verhogingen daarvan hebben de afgelopen jaren geresulteerd in een forse verlaging van de werkgeverslasten op minimumloonniveau en daar net boven. Het nu terugdraaien van die verlagingen zou belangrijke consequenties hebben voor het bestand werknemers waarop de SPAK momenteel van toepassing is en voor werkgevers die veel laag betaalde werknemers in dienst hebben. De ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met de SPAK zijn onderzocht door het NEI. Dit onderzoek is onlangs naar de Kamer gezonden. Het kabinet onderschrijft overigens de constatering dat de SPAK op het relevante inkomenstraject leidt tot een hogere marginale wig, zoals dat voor alle inkomensafhankelijke regelingen geld.

De leden van de CDA-fractie stellen dat mede met het oog op het verlaagde arbeidskostenforfait het niet-actievenforfait is aangepast. Zij vragen waarom voor werkenden tegenover deze verlaging de invoering van de arbeidskorting staat en er voor niet-actieven niet iets dergelijks is geregeld?

Het arbeidskostenforfait en het inactievenforfait zijn sinds 1989 enkele malen verhoogd uit inkomenspolitieke overwegingen en vanuit het streven de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren. Deze verhogingen worden thans geëlimineerd zodat de nieuwe algemene en bijzondere aftrek weer beantwoorden aan hun oorspronkelijke bedoeling: het op forfaitaire wijze rekening houden met kosten die verband houden met de verwerving van de inkomsten. De verhogingen van het arbeidskostenforfait worden vervangen door de invoering van de arbeidskorting waardoor het verschil tussen netto loon en netto uitkering groter wordt. Op die wijze wordt gestimuleerd dat mensen vanuit een uitkeringssituatie toetreden tot de arbeidsmarkt. Een extra voorziening ter compensatie voor het verlagen van het inactievenforfait zou de stimulerende werking van de arbeidskorting weer afzwakken. De verlaging van het niet-actievenforfait wordt opgevangen in het totaal van de inkomenseffecten.

De leden van de D66-fractie verzoeken het kabinet alsnog inzicht te geven in de verwachte effecten van louter de arbeidskorting en de algemene heffingskorting op de werkgelegenheid zonder de invloed van 5 miljard lastenverlichting en de effecten van verschuiving/vergroening.

De effecten van de belastingherziening zijn voor de lange termijn berekend met het algemeen evenwichtsmodel van het CPB (MIMIC). Daarbij is het wetsvoorstel ex-post budget-neutraal gemaakt met een compenserende verandering in de materiële overheidsconsumptie. Dat wil zeggen dat de bestedingseffecten van de 5 miljard lastenverlichting op lange termijn geen rol spelen omdat deze in de analyse ongedaan worden gemaakt door een neerwaarste aanpassing van de overheidsuitgaven. De berekende lange termijneffecten worden dus volledig bepaald door de lagere gemiddelde wig en door de gewijzigde structuur van het belastingstelsel.

Voor een inschatting van de effecten van de arbeidskorting zelf kan verwezen worden naar een eerdere publicatie van het Centraal Planbureau. In onderzoeksmemorandum nr. 140 van het CPB (Analyzing Fiscal Policy in the Netherlands) worden de kwantitatieve effecten geschetst van een variant waarbij een constante arbeidskorting wordt ingevoerd. De vormgeving van de arbeidskorting in de variant komt niet helemaal overeen met de arbeidskorting zoals beschreven in het wetsvoorstel omdat daar de arbeidskorting vanaf 50% van het wettelijk minimumloon oploopt naar het maximum bij 100% van het minimumloon. De effecten zullen echter in grote lijnen vergelijkbaar zijn. Uit de cijfers van het CPB blijkt dat invoering van een arbeidskorting met een budgettair effect van 7,9 miljard de volgende partiële effecten op lange termijn tot gevolg heeft: de werkgelegenheid stijgt met 1,8%-punt (ca. 112 000 personen), het arbeidsaanbod neemt toe met 1,0%-punt (ca. 68 000 personen) en de werkloosheid daalt in deze variant met 1,0% (ca. 68 000 personen).

Kijkend naar de huidige arbeidsmarktsituatie vinden de leden van de fracties van PRF en GPV het wenselijker als de voorstellen vooral gericht zijn op de inschakeling van langdurig werklozen en het voorkomen dat met name oudere werknemers voortijdig de arbeidsmarkt verlaten. Kan de regering uiteenzetten of en in welke mate de voorstellen hieraan een bijdrage leveren.

Kijkend naar de arbeidsmarkt constateert de regering toenemende kraptes aan de aanbodzijde en een stijgend aantal vacatures. Prognoses voor langere termijn geven aan dat deze krapte voor een deel een structureel karakter heeft. Om deze krapte tegen te gaan stimuleert de regering het arbeidsaanbod door invoering van een arbeidskorting en verlaging van de marginale tarieven. Uiteraard is de regering met genoemde leden van mening dat de toenemende kraptes niet het enige probleem op de arbeidsmarkt zijn. Evenmin heeft de regering de illusies dat de voorliggende voorstellen alle problemen op de arbeidsmarkt zullen doen verdwijnen. Wel is het zo dat het wetsvoorstel een bijdrage zal leveren aan het oplossen van genoemde problemen. Voor oudere werknemers maken de arbeidskorting en zeker ook de lagere marginale tarieven het financieel aantrekkelijker om langer door te werken. Dit zal de arbeidsparticipatie van oudere werknemers ten goede komen. De lagere lastendruk op arbeid die het gevolg van het wetsvoorstel zal ook in het voordeel werken van langdurig werklozen. Ongeacht de vormgeving van het toekomstige belastingstelsel zal flankerend arbeidsmarktbeleid nodig blijven. Voor een beschrijving hiervan wordt verwezen naar de Sociale Nota.

De leden van de fracties van PvdA en CDA vragen hoeveel personen buiten het bereik van de arbeidskorting vallen. Tevens vragen deze leden of de regering deze groep kan uitsplitsen naar sekse, aantal gewerkte uren, status van de werknemer en leefvorm.

Volgens het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 wordt de arbeidskorting toegekend bij een inkomen uit tegenwoordige arbeid van 50% van het wettelijk minimumloon (WML) en is maximaal bij 100% van het WML op jaarbasis. Bij ongeveer 1,8 miljoen personen is het inkomen uit tegenwoordige arbeid kleiner dan 50% WML op jaarbasis. In de memorie van toelichting (tabel 7) is aangegeven dat deze groep weliswaar niet aanmerking komt voor de arbeidskorting, maar niettemin als gevolg van de heffingskorting en de nieuwe tariefstructuur toch een positief inkomenseffect heeft. Naar aanleiding van de vraag van de leden van de PvdA-fractie over de samenstelling van deze groep merken wij op dat deze voor circa 40% bestaat uit mannen en voor 60% uit vrouwen. Voorts blijkt dat circa 54% ongehuwd is, 39% is gehuwd, 2% is weduwnaar of weduwe, en 5% is gescheiden. Een uitsplitsing van deze groep naar sociaal-economische positie leert dat ongeveer 7% zelfstandig ondernemer is, circa 65% is werknemer of ambtenaar, en bijna 10% ontvangt een pensioenuitkering. Daarnaast is er een categorie «overig» waarvan de sociaal-economische positie niet eenduidig op basis van de beschikbare gegevens van de Belastingdienst kan worden vastgesteld. Een uitsplitsing naar status van de werknemer en het aantal gewerkte uren is niet beschikbaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de kosten zijn van het doortrekken van de heffingskorting voor werkende alleenstaande ouders van kinderen van 12 naar 16 jaar.

Met deze maatregel zou naar verwachting een budgettair belang van circa 30 mln gemoeid zijn.

2.4. Vergroening

De leden van de CDA-fractie geven aan dat voor hen nog steeds niet helder is wat precies onder «vergroening» wordt verstaan. Gaat het niet meer om het aanboren van een nieuwe grondslag dan om het beïnvloeden van gedrag zo vragen deze leden zich af.

Zoals in paragraaf 13.1 van bijlage 13 bij de Miljoenennota 2000 is aangegeven vormt de vergroening van het belastingstelsel onderdeel van de herziening van het belastingstelsel. Daarbij is de achterliggende gedachte dat daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de duurzaamheid van de economische groei. Verhoging van milieubelastingen draagt er toe bij dat het milieubeslag van goederen en diensten beter in de prijs tot uitdrukking wordt gebracht, waardoor een wezenlijke verbetering van de marktwerking wordt bereikt. Vergroening levert voorts een bijdrage aan de verschuiving van directe naar indirecte belastingen, hetgeen een kernelement vormt van de herziening van het belastingstelsel. Door de belastingdruk op milieubelastende gedragingen te verzwaren ontstaat ruimte voor lastenverlichting, waarbij ook de belastingdruk op milieuvriendelijke activiteiten kan worden verlicht. Ook op deze wijze draagt een herzien belastingstelsel bij aan een meer duurzame economische ontwikkeling. Het gaat hier dus zowel om een verschuiving in de belastinggrondslag als om het beïnvloeden van gedrag via een betere werking van het marktmechanisme.

De leden van de CDA-fractie vragen welke gedragseffecten verbonden zijn aan de verhoging van de bestaande energie- en milieubelastingen, de introductie van nieuwe milieubelastingen, het indexeren van de milieubelastingen en het treffen van fiscale faciliteiten voor milieuvriendelijke activiteiten. Deze leden vragen zich voorts af of vergroeningsmaatregelen zullen leiden tot minder gebruik van grondstoffen en dus tot lagere belastingontvangsten. Zij vragen hoe dat zich verhoudt tot de ingecalculeerde belastingontvangsten tot nu toe. Voorts vragen zij welke belasting als echte vergroeningsmaatregel kan worden genoemd en hoeveel gedragsbeïnvloeding er plaats moet vinden om de maatregel als succesvol te beschouwen.

In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat verhoging van milieubelastingen, waaronder het indexeren daarvan, en de introductie van nieuwe milieubelastingen er toe bijdragen dat het milieubeslag van goederen en diensten (schaarste van het milieu) beter in de prijs tot uitdrukking wordt gebracht. Daardoor is sprake van een verbetering van de marktwerking. Ook de fiscale faciliteiten waarmee de belastingdruk op milieuvriendelijke activiteiten wordt verlicht dragen langs die weg bij aan een meer duurzame economische ontwikkeling. De voorstellen van het kabinet met betrekking tot de verdere vergroening van het belastingstelsel bouwen voort op de Nota Belastingen in de 21e eeuw: Een verkenning en zijn in belangrijke mate gebaseerd op onderzoeken die hebben plaatsgevonden door de Werkgroep vergroening van het fiscale stelsel. In de rapportages van deze Werkgroep wordt uitvoerig ingegaan op de op grond van wetenschappelijk onderzoek te verwachten gedragseffecten van de voorgestelde maatregelen. De milieueffecten van de verschillende maatregelen zijn in meer specifieke zin aan de orde bij de wetsvoorstellen die het kabinet ten behoeve van de vergroening van het belastingstelsel bij de Kamer heeft ingediend en met het oog op de derde tranche van de vergroening nog zal indienen.

Het kabinet deelt de opvatting van de leden van de CDA-fractie dat gedragsreacties met betrekking tot vergroeningsmaatregelen, afhankelijk van de aard van de maatregel, leiden tot een afremming van het gebruik van grondstoffen en met name ook van energie waardoor, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, sprake zal zijn lagere belastingontvangsten dan wanneer dergelijke gedragsreacties niet optreden. Overigens spelen ten aanzien van het feitelijk beloop van de belastinguitkomsten ook andere factoren een belangrijke rol, zodat het ex post vaak moeilijk is een eenduidig verband te leggen tussen deze uitkomsten en de getroffen beleidsmaatregel en de daarmee mede beoogde gedragsreactie. Niet alleen vormen de vergroeningsmaatregelen vaak onderdeel van een groter geheel van beleidsmaatregelen, zoals bij voorbeeld ten aanzien van energiebesparing, tevens spelen externe ontwikkelingen een rol zoals de mate van economische groei en de prijsvorming op de wereldmarkt voor grondstoffen en energie. Door deze moeilijkheid om gedragseffecten van bepaalde maatregelen concreet in de praktijk vast te stellen valt evenwel de waarde van de prijsprikkel waarmee het milieubeslag beter in de prijs tot uitdrukking wordt gebracht niet weg. Het kabinet ziet geen aanleiding alleen bepaalde belastingmaatregelen uit het pakket vergroeningsmaatregelen als «echte» vergroeningsmaatregelen te onderscheiden. Alle maatregelen die in dit pakket zijn opgenomen leveren een bijdrage aan de versterking van het milieu. Het kabinet hanteert daarbij geen meetlat aan de hand waarvan voor iedere maatregel is vastgelegd welke mate van gedragsbeïnvloeding dient plaats te vinden om de maatregel als succesvol te beschouwen. Wel wordt door middel van evaluaties waar mogelijk getracht een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de effectiviteit van het beleidsinstrumentarium. De methoden van evaluatie vormen daarbij een belangrijk aandachtspunt.

De leden van de CDA-fractie geven aan bevreesd te blijven dat de kosten van de vergroening van ons belastingsysteem het zwaarste zullen drukken op de lagere inkomensgroepen. Immers: een inkomen van vijf maalmodaal betekent nog niet dat er vijf keer zoveel energie verbruikt wordt. Zij vragen op dit punt een reactie.

Het kabinet is het in zoverre eens met de door deze leden opgeworpen bedenkingen dat aspecten ten aanzien van de inkomensverdeling van de herziening van het belastingstelsel nadrukkelijk de aandacht verdienen. In dit verband biedt allereerst de vormgeving van individuele maatregelen een aangrijpingspunt, bij voorbeeld door de wijze waarop een belastingvrije voet wordt gehanteerd zoals bij de regulerende energiebelasting en de belasting op leidingwater. Voorts wordt bij de vormgeving van terugsluismaatregelen met verdelingsaspecten rekening gehouden. De inkomenseffecten van de vergroeningsmaatregelen worden per tranche grosso modo ingepast in het totale koopkrachtbeeld met betrekking tot het desbetreffende jaar. Daarnaast dient niet uit het oog te worden verloren dat de stapsgewijze vergroening van het belastingstelsel slechts een onderdeel vormt van de bredere structurele herziening van het belastingstelsel. Het kabinet is van oordeel dat het, mede met gebruikmaking van de middelen die in dit kader beschikbaar zijn voor lastenverlichting ook vanuit oogpunt van inkomensverdeling voor een evenwichtige benadering heeft gekozen. Het past in de zorgvuldigheid van deze benadering om, rekeninghoudend met de dan bestaande inzichten in de economische ontwikkeling, bij de definitieve vaststelling van de belastingtarieven in het kader van het belastingplan voor het jaar 2001 opnieuw naar de gevolgen van de voorstellen voor de inkomensverdeling te kijken.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie naar de vorderingen inzake de uitvoering van de motie Van der Vaart c.s. (kamerstukken 1992/93 22 843, nr. 14) betreffende de afschaffing van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken mogen wij deze leden verwijzen naar hetgeen daarover naar voren is gebracht bij de schriftelijke en mondelinge behandeling van het Belastingplan 2000.

De leden van de D66 fractie achten het legitiem dat met het belastingstelsel, naast het generen van inkomsten voor de overheid, ook ander doelstellingen worden nagestreefd. Zij ondersteunen in dat kader de nevendoelstellingen die worden nagestreefd met het tweesnijdende zwaard van de verschuiving en vergroening: verlaging van de belastingdruk op arbeid ter wille van het functioneren van de arbeidsmarkt en verhoging van de druk op consumptie in het algemeen en milieu-ongevallige consumptie in het bijzonder ter wille van een bewust en duurzaam leefpatroon van de Nederlandse samenleving. Het verheugt ons zeer dat de hiervoor aangegeven doelstellingen die de regering beschouwt als een van de hoofdlijnen van deze belastingherziening door de D66 fractie worden gesteund.

De leden van de D66-fractie merken terecht op dat de vormgeving van de vergroening voor een belangrijk deel al aan de orde is geweest bij de belastingplannen voor de jaren 1999 en 2000.

De leden van de D66 fractie refereren aan een zinsnede in de memorie van toelichting waarin met betrekking tot de voorgestelde verhoging van het BTW-tarief wordt opgemerkt, dat deze ertoe leidt, dat een groter deel van de belastingopbrengst minder gevoelig wordt voor economische ontwikkelingen. De leden van de D66 fractie zeggen in de veronderstelling te leven dat dit niet de primaire reden is voor de voorgenomen verschuiving van directe naar indirecte belastingen en spreken daarnaast hun twijfel uit of een dergelijke verschuiving tot een substantieel stabielere opbrengst leidt. Het realiseren van een stabielere opbrengst is inderdaad niet de enige reden voor het voorstel de BTW te verhogen. Het voorstel de lastendruk te verschuiven van de directe naar de indirecte belastingen is vooral ook ingegeven door de uit de Verkenning naar voren gekomen notie dat het om meerdere redenen wenselijk is de directe lastendruk op arbeid te verlagen.

De constatering in de memorie van toelichting dat deze verschuiving er mede toe bijdraagt dat de belastingopbrengst minder gevoelig wordt voor economische ontwikkelingen kan worden onderbouwd met de zogenaamde progressiefactor. De progressiefactor geeft weer in welke mate de belastingontvangsten afhankelijk zijn van de ontwikkeling van het nominale bruto binnenlands produkt (bbp). Een progressiefactor van 1,1 wil zeggen dat een toename van het bbp met 5% resulteert in een toename van de belastingopbrengst met 5,5%. Dit voorbeeld geeft aan dat een hoge progressiefactor wijst op een conjunctuur gevoelige belastingsoort.

Realisatiecijfers over de afgelopen 25 jaar wijzen uit dat de progressiefactor voor direct belastingen gemiddeld hoger is dan de progressiefactor van indirecte belastingen. Een verschuiving van direct naar indirect, zoals nu wordt voorgesteld, heeft dus tot gevolg dat de gemiddelde progressiefactor voor het totaal van de belastingontvangsten afneemt. De gevoeligheid van de belastingopbrengst voor economische ontwikkelingen neemt daardoor af.

De leden van de fractie van GroenLinks herhalen hun waardering voor het kabinetsbeleid inzake de vergroening van het belastingstelsel. Wij nemen daar met genoegen kennis van en noteren daarbij dat zij andermaal aangeven dat zij kritisch zijn over tempo en omvang van de vergroeningsoperatie. Wij respecteren hun kritische standpunt maar delen dat niet.

Naar aanleiding van de opmerking van deze leden dat het wat hen betreft geen wet van Meden en Perzen is dat de heffingsopbrengsten in het kader van de vergroeningsoperatie te allen tijde volledig moeten terugvloeien naar de betreffende heffingsplichtigen of degenen aan wie de lasten uiteindelijk worden doorberekend, merken wij het volgende op. Het beleid voor deze kabinetsperiode is erop gericht om te voorkomen dat vergroening tot lastenverzwaring leidt. Dat betekent dat de heffingsopbrengsten in het kader van de vergroening in ieder geval op macro-niveau volledig dienen te worden teruggesluisd en wel door verlaging van andere (directe) belastingen, waardoor er een verschuiving van de belastingdruk naar de indirecte sfeer ontstaat. Daarbij zal er overigens op micro-niveau vaak wel sprake kunnen zijn van een lastenverzwaring, namelijk waar door het achterwege blijven van een gedragsaanpassing de vergroting van de heffingslast niet volledig gecompenseerd wordt door de belastingverlaging(en). Dit laatste is dan een voortvloeisel uit het ook door deze leden onderschreven beginsel dat de vervuiler dient te betalen.

De leden van de fractie van GroenLinks geven vervolgens een uiteenzetting van hun groene beleidshierarchie, die ertoe leidt dat in principe niet gesubsidieerd wordt tenzij er geen reële alternatieven voorhanden zijn om het gewenste milieu-effect te behalen. Zij vragen of wij terughoudendheid betrachten bij nieuwe belastinguitgaven en daartoe slechts overgaan nadat een goede beleidsanalyse de noodzaak daartoe heeft aangetoond. Bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake de energiepremies (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998/99, 16 532) is daar door de tweede ondergetekende al het een en ander over opgemerkt, waarbij ook is verwezen naar de toegezegde notitie naar aanleiding van de gedachtewisseling over het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake belastingsubsidies die de Kamer in het voorjaar van 2000 tegemoet kan zien.

De leden van de fractie van GroenLinks spreken hun teleurstelling uit over de wijze waarop grootverbruikers in de energieheffing worden betrokken. Zij wijzen in dat kader ook op het convenant benchmarking energie-efficiency op basis waarvan de overheid zal bevorderen dat er geen specifieke energiebelasting voor de ondernemingen komt die aan het convenant deelnemen. Ook de leden van de fractie van de SP verwonderen zich over de positie van de grootverbruikers.

Zoals in bijlage 13 bij de Miljoenennota 2000 «Verschuiving en vergroening voor de jaren 2000 en 2001» is uiteengezet, kan een verhoging van de energiebelastingen met een bedrag van rond de f 3,4 miljard als economisch inpasbaar worden aangemerkt. Het kabinet wenst hieraan aan vast te houden. Wel blijft de beleidsmatige wens overeind om ook voor grootverbruikers de energiebelasting te verhogen. Hieraan wordt echter wel de voorwaarde gesteld dat dit minstens op Europees niveau dient te geschieden. Als de overheid zou besluiten voor grootverbruikers een specifieke energiebelasting, gebaseerd op Europese regelgeving, in te voeren dan zullen de partijen van het convenant benchmarking energie-efficiency met elkaar in overleg treden over de gewijzigde omstandigheden en over het al dan niet wijzigen van het convenant. Zoals in antwoord op vragen over de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid is gesteld bestaat de mogelijkheid voor elke convenantspartij om, indien dat overleg niet tot overeenstemming leidt, het convenant gemotiveerd en met onmiddellijke ingang op te zeggen (Kamerstukken II, vergaderjaar 1999–2000, 26 603, nr.4, vraag 105).

Wij wijzen er tenslotte op dat in vorengenoemde bijlage bij de Miljoenennota is toegezegd dat aan de werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II zal worden gevraagd om de mogelijkheden voor verdere fiscale vergroening bij grootverbruikers in vervolg op de in deze regeringsperiode gerealiseerde maatregelen te verkennen. Daarbij zullen ook de internationale aspecten alsmede de relatie met de meerjaren- en benchmark-afspraken kunnen worden betrokken.

Op zichzelf kunnen de nieuwe kortingen, deze leden vragen hiernaar, ook in het nieuwe stelsel uiteraard een rol spelen bij eventuele toekomstige terugsluisoperaties door deze bijvoorbeeld te verhogen. Bij de terugsluis derde tranche, die samenvalt met de introductie van het belastingstelsel 2001, is echter sprake van één groot pakket waarbij de terugsluis niet meer afzonderlijk is toe te rekenen aan specifieke maatregelen.

De leden van de fractie van GroenLinks willen graag vernemen of wij de gedachte in overweging nemen het vergroenen van de belastingheffing als een meer expliciet en te kwantificeren beleidsdoel op te nemen in het financieel-economische beleid. Zij denken hierbij aan een streefpercentage waarmee de belastingmix jaarlijks vergroend moet worden.

Naar aanleiding hiervan merken wij op dat in de derde rapportage van de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel (zie paragraaf 3.4 en 3.5) wordt geconcludeerd dat het streven naar absolute ontkoppeling tot gevolg heeft dat het niet mogelijk of wenselijk is het aandeel van groene belastingen bij wijze van doelstelling op een exact percentage van de belastingmix te fixeren. In de rapportage wordt aangegeven dat naar de huidige situatie een aandeel van 30% haalbaar lijkt indien wereldwijd belastingstelsels in dezelfde mate zouden worden vergroend, maar bij een succesvol milieubeleid zal de grondslag van groene belastingen steeds absoluut teruglopen, of in elk geval relatief ten opzichte van de grondslagen van belastingen die positief zijn gekoppeld aan de economische groei. Het procentuele aandeel van groene belastingen in de belastingmix zal bij een voldoend succesvol milieubeleid steeds een tendens tot daling vertonen. Het kabinet onderschrijft deze zienswijze. Dit doet evenwel niets af aan de inspanningen van het kabinet om, als onderdeel van de herziening van het fiscale stelsel, door het inzetten van het fiscale instrumentarium een duurzame economische ontwikkeling te bevorderen. In dit verband kan worden verwezen naar bijlage 13 van de Miljoenennota 2000 waarin de plannen van de regering voor de jaren 2000 en 2001 zijn opgenomen. Daarnaast zal de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel II worden gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken voor verdere vergroening van het fiscale stelsel in vervolg op de in deze kabinetsperiode gerealiseerde fiscale maatregelen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of wij nogmaals kunnen uiteenzetten wat onze inzet is voor verdere Europese vergroening. Zonder in te gaan op alle afzonderlijke dossiers die in Europees verband op dit terrein spelen kan als algemene lijn worden aangegeven dat het kabinet zich ervoor beijverd het nationale beleid inzake vergroening en verschuiving steeds meer geaccepteerd te krijgen en waar Europese kaders daar (nog) problemen voor opwerpen deze ter discussie te stellen. Dat is echter een zaak van lange adem en van veel geduld, zoals duidelijk wordt geïllustreerd door dossiers als de Europese ontwerp-energierichtlijn en de kerosine-accijns. Zoals al in eerder overleg met de Kamer is gemeld overwegen wij om op het gebied van de europese energieheffing, waar door de trage besluitvorming geen volledig Europese oplossing te verwachten is en waar mogelijkheden aanwezig zijn om binnen de Europese kaders in kleiner verband tot maatregelen te komen, die mogelijkheden ook daadwerkelijk te gaan benutten.

De leden van de SP-fractie vragen, wat de prijsverschillen voor aardgas en elektriciteit zijn met de ons omringende landen. Hieronder volgt een overzicht van aardgas- en elektriciteitsprijzen voor enkele andere Europese landen per 1 januari 1999.

Vergelijking gemiddelde tarieven: peildatum januari 1999 bron: Eurostat/Energiened.

AardgasBelgiëDuitslandFrankrijkUKZwedenNederland
gemiddeld kleinverbruik47,452,453,638,865,550,0
gemiddeld 1,32 mln m320,932,424,323,130,525,3
gemiddeld 13,23 mln m317,228,419,720,920,6
gemiddeld 132,26 mln m317,317,7
       
Electriciteit      
gemiddeld kleinverbruik26,328,122,721,316,923,3
gemiddeld 1,25 mln kWh19,221,115,015,39,815,6
gemiddeld 10 mln kWh14,917,012,812,47,012,6
gemiddeld 24 mln kWh12,212,511,16,110,7

Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen, dat de grootverbruikers van aardgas in een liberaliserende markt vooral geïnteresseerd zullen zijn in de prijsontwikkeling van aardgas in het Verenigd Koninkrijk en België. De markt voor elektriciteit wordt wat Nederland betreft vooral gedomineerd door de prijsontwikkeling in Frankrijk.

Tevens vragen de leden van de SP-fractie, welke opbrengst kan worden bereikt met een verhoging van de ecotax op aardgas en elektriciteit voor grootverbruikers met 3,9 cent /m3 resp. 3,6 cent / kWh. Indien ervan wordt uitgegaan dat al het verbruik vanaf 170 000 m3 en 50 000 kWh in de verhoging wordt betrokken, dan bedraagt de opbrengst 2250 mln.

De leden van de SP-fractie hadden graag gezien dat een begin wordt gemaakt met het aanpakken van de fiscale subsidies voor de luchtvaartsector. Zij vragen tot welk bedrag de kosten stijgen van de BTW-vrijstelling voor vliegtickets.

Naar aanleiding van de vraag van deze leden merken wij op dat de Nederlandse inzet er op is gericht om in internationaal verband te komen tot een beëindiging van de gunstige fiscale uitzonderingspositie voor de luchtvaart. De Europese Commissie heeft inmiddels aangekondigd te zullen komen met een discussiestuk over harmonisatie van BTW op personenvervoer voor alle vervoersmodaliteiten inclusief luchtvervoer. Helaas is nog niet aan te geven wanneer dit document zal verschijnen. In de derde rapportage van de Werkgroep vergroening van het fiscale stelsel wordt in paragraaf 4.4 uitvoerig ingegaan op de kosten van BTW-vrijstelling voor vliegtickets in het intra-Europees vliegverkeer. Daarin wordt allereerst gewezen op het rapport van het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven uit 1993 inzake financiële steun aan de luchtvaart, waarin voor de zogenaamde Europese variant bij een BTW-heffing van 6% een opbrengst voor de Nederlandse schatkist wordt berekend van 68 miljoen gulden per jaar (situatie 1990, exclusief gedragseffecten als gevolg van de resulterende prijsstijging van het vliegverkeer). De Werkgroep heeft ook zelf een dergelijke variant doorgerekend. Voor de BTW gaat het dan om vliegtickets die zijn afgegeven voor vliegreizen die beginnen en eindigen binnen de binnenruimte van de Europese Unie. Onder een aantal veronderstellingen komt de Werkgroep tot de conclusie dat bij een BTW-heffing van 17,5% een extra BTW-opbrengst voor de Nederlandse schatkist zou mogen worden verwacht van ongeveer 225 miljoen gulden, oplopend naar 760 miljoen gulden in 2020.

De leden van de SP vragen om de budgettaire opbrengst van een accijns op kerosine van 99 cent per liter. Indien voor de berekening van de opbrengst wordt uitgegaan van het binnenlandse verbruik in liters – i.c. het verbruik van kersosine voor binnenlandse vluchten – dan kan een budgettaire opbrengst worden becijferd van 180 mln. Indien al het vliegverkeer dat de Nederlandse luchthavens aandoet, zou worden belast met een accijns – hetgeen zoals bekend op grond van verdragen en EU-richtlijnen niet mogelijk is – zou de opbrengst, zonder uitwijkgedrag maximaal ongeveer f 4 mld bedragen.

2.5. Emancipatie en economische zelfstandigheid

Wij zijn verheugd dat de leden van de PvdA-fractie veel van de voorstellen die de regering doet mede van een positief oordeel voorzien omdat zij vanuit het perspectief van emancipatie een grote vooruitgang vormen. Zij denken dan met name aan de vervanging van de overdraagbare belastingvrije som door een individueel toe te kennen heffingskorting – ook de leden van de fracties van de GroenLinks en D66 en de SP spreken hierover hun waardering uit – en aan de participatiebevorderende verlaging van de marginale tarieven. Niettemin vragen de leden van de PvdA-fractie zich af of de voorstellen op een aantal punten niet op gespannen voet staan met het streven om de economische zelfstandigheid van met name vrouwen te bevorderen. In dit kader dringen zij allereerst aan op een eenduidiger benadering van de effecten van de regeringsvoorstellen op de arbeidsmarkten inkomenspositie van deeltijders, onder welke groep zich met name vrouwen bevinden.

Opgemerkt kan worden dat voorzover een deeltijder meer verdient dan het minimumloon, de inkomenseffecten van de indirecte belastingen en de niet-standaardeffecten niet veel zullen afwijken van de effecten zoals gepresenteerd in de memorie van toelichting. Wat betreft deeltijders met een inkomen beneden het minimumloon is het moeilijk een algemene uitspraak te doen over de inkomensgevolgen, aangezien deze groep zeer divers is. Het betreft onder meer schoolverlaters, studenten en alfahulpen. In tabel 7 van de budgettaire paragraaf van de memorie van toelichting zijn de inkomenseffecten van werknemers met een laag inkomen weergegeven. Op de inkomenseffecten voor alfahulpen wordt overigens elders in deze nota naar aanleiding van het verslag ingegaan. Voorzover het gaat om partners in tweeverdienershuishoudens zijn de inkomenseffecten weergegeven in tabel 5 van de budgettaire paragraaf van de memorie van toelichting. Wat betreft de arbeidsmarkteffecten van de belastingherziening voor deeltijders verwijzen wij naar blz. 19 van de CPB-publicatie «Economische gevolgen van de Belastingherziening». Daar wordt onder meer opgemerkt dat de arbeidsmarkteffecten met name gunstig zijn voor partners met een inkomen tussen de 50% en 100% WML.

De leden van de PvdA-fractie constateren met instemming dat het percentage WML waarbij de arbeidskorting wordt toegekend ten opzichte van het regeerakkoord is verlaagd van 70% naar 50%. Zij vragen zich echter af of dit genoeg is en verzoeken de regering te motiveren waarom de arbeidskorting niet is toegekend aan alle werkenden. Ook de leden van de fracties van het CDA en GroenLinks vragen hiernaar.

De arbeidskorting is in de huidige opzet gericht op het stimuleren van de overstap van een uitkering naar werk. Van belang hiervoor zijn met name de «grotere» banen, waarvan het inkomen boven het relevante sociale minimum ligt. Om deze reden is de faciliteit onder de 50% WML afwezig. Hierdoor wordt de uitstroom uit de uitkeringssituatie, ook gegeven de beschikbare budgettaire ruimte, optimaal bevorderd. Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat indien de arbeidskorting aan alle werknemers zou worden toegekend de inkomenspositie van met name tweeverdieners zou verbeteren ten koste van die van alleenstaanden en alleenverdieners.

De leden van de PvdA-fractie vinden dat de Emancipatie Effect Rapportage (EER) een nuttige bijdrage heeft geleverd aan de toetsing van de regeringsvoorstellen voor zover dit het bevorderen van emancipatie en economische zelfstandigheid betreft. Het verheugt ons dat zij daarbij constateren dat een groot aantal van de voorstellen overeenkomt met de richting die in deze rapportage als voorkeur wordt aangegeven. Zij merken evenwel op dat onder meer de aanbeveling op bladzijde 133 om een aftrekpost in de loon- en inkomstenbelasting in het leven te roepen voor het aankopen van diensten niet is overgenomen. Zij vragen of de regering deze optie (in de vorm van een heffingskorting) heeft overwogen en of de regering kan aangeven waarom hier niet voor is gekozen.

Voor deze optie is niet gekozen. De belangrijkste reden daarvoor is dat een dergelijke regeling zal leiden tot nieuwe administratieve verplichtingen en – als gevolg van de noodzaak van extra controle-inspanningen – een verzwaring van de uitvoeringslast tot gevolg zal hebben. De VVD-fractie vraagt of uitvoeringsproblemen zijn te verwachten om vast te stellen wie recht hebben op de heffingskorting. Tevens is deze fractie benieuwd of de Belastingdienst reeds beschikt over een bestand van mensen die recht hebben op de heffingskorting.

In het geval de belastingplichtige in dienstbetrekking is of een aanslag inkomstenbelasting ontvangt loopt de toepassing van de heffingskorting automatisch mee in de inhouding of de aanslag. Dit is anders indien bijvoorbeeld sprake is van een niet-verdienende partner die recht heeft op de heffingskorting. Deze heeft veelal thans geen rechtstreekse relatie met de Belastingdienst. De Belastingdienst kan deze partners traceren aan de hand van de gegevens van de verdienende partners. De verdienende partner is bij de Belastingdienst bekend aan de hand van de gegevens in het bestand met loongegevens. Aangezien deze gegevens niet volledig actueel zijn, wordt thans bezien of aanvullende akties mogelijk zijn. Daarbij is het inschakelen van de werkgever, die over actuele gegevens van werknemers beschikt, een optie.

Bijzondere uitvoeringsproblemen, andere dan de gebruikelijke aanloopproblemen, worden niet verwacht.

De leden van de fractie van D66 zien een onevenwichtigheid als het gaat om toerekening van inkomensbestanddelen en belastingvrije voeten aan partners in een «samenverdieners» verband. Deze leden zijn van mening dat het gewenst is de toerekening vorm te geven vanuit het principe van economische zelfstandigheid. De leden van de GroenLinks fractie vragen of het vanuit het oogpunt van individualisering en emancipatie wel verstandig is om een vrije keuze te laten.

Het uitgangspunt bij de toerekening van inkomensbestanddelen is dat de belastingheffing zoveel mogelijk wordt geïndividualiseerd. Dit sluit aan bij het principe van economische zelfstandigheid en emancipatie. Een volledige individualisering van belastingheffing waarbij inkomsten worden belast bij de partner die genieter is van de inkomsten en aftrekbare uitgaven in aanmerking komen bij de partner die de uitgaven (verschuldigd) betaalt c.q. op wie de uitgaven drukken kan echter leiden tot toerekeningsproblemen bij de verdeling tussen partners van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en aftrekposten, zoals de gemeenschappelijke eigen woning, de gezamenlijke spaar- en beleggingsrekeningen en ziektekosten voor de kinderen. Bovendien kan volledige individualisering onevenwichtig uitpakken in een alleenverdienerssituatie. Dan zouden bijvoorbeeld de ten behoeve van een partner gemaakte scholingsuitgaven niet te gelde kunnen worden gemaakt.

De toerekening tussen partners kan dan een juridisch complexe problematiek meebrengen, die de uitvoering zowel voor belastingplichtigen als voor de belastingdienst onnodig belast. De regeling voor de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen is dus met name ingegeven door praktische overwegingen. Dit aspect lichten we nader toe in paragraaf 3.4 van deze Nota.

De leden van de VVD-fractie zien de individuele heffingskorting als een belangrijke stap in de richting van verzelfstandiging van het belastingstelsel. Zij merken overigens wel op dat zij de nieuwe heffingskorting niet zien als een opstapje richting een basisinkomen. Eerder moet er naar hun oordeel aan worden gedacht dat er in de toekomst naar gestreefd moet worden dat de individuele heffingskorting alleen verkregen kan worden als hier betaalde arbeid en derhalve belastingheffing tegenover staat. Ook de leden van de fractie van GroenLinks verzoeken het kabinet in te gaan op de betekenis van de heffingskorting voor de niet-betaald-werkende partner. Zij vragen in dit verband of het zinvol is een dergelijke korting te verbinden aan de eis van het verrichten van vrijwilligerswerk. In het laatste geval zou naar hun oordeel zelfs een kleine extra heffingskorting overwogen kunnen worden: een onbetaalde arbeidskorting. Zij vragen hoe het kabinet hierin staat. Tevens vragen deze leden hoe het kabinet staat tegenover de suggestie van het CISA (Centrum voor Individu en Samenleving) om de algemene heffingskorting voor de niet-verdienende partner alleen uit te keren aan partners met de zorg voor kinderen tot 18 jaar en of deze maatregel vanuit participatie-oogpunt niet zeer wel te overwegen is. Ook de leden van de fractie van D66 pleiten ervoor om alleen die niet-verdienende partners die de zorg voor (jonge) kinderen hebben in aanmerking te laten komen voor de algemene heffingskorting. Hun argument hiervoor is dat de financiële consequenties van de zorg voor kinderen moeten worden verwerkt in de regels volgens welke burgers worden aangeslagen voor de belasting, waarbij het er volgens deze leden niet toe zou moeten doen hoe de ouders de zorgtaak invullen. Tevens wijzen zij in dit verband naar de passage in het regeerakkoord dat de nieuwe structuur het ook mogelijk maakt om generieke faciliteiten voor mensen die geen betaalde arbeid verrichten met een verdienende partner om te zetten in specifieke faciliteiten voor mensen die de zorg voor kinderen dragen.

De individueel uit te betalen heffingskorting is niet aan te merken als (een opstapje) naar een basisinkomen. In het voorgestelde systeem zal de gezamenlijk door de minst- en meestverdienende partner verschuldigde belasting toereikend moeten zijn om de uitbetaling van de individuele heffingskorting te financieren. Voorzover dat niet het geval is blijft uitbetaling van de heffingskorting achterwege. De maatschappelijke ontwikkelingen omtrent de (voortschrijdende) individualisering van de belastingheffing zullen moeten uitwijzen in hoeverre de gedachte van de leden van de VVD-fractie, om de individuele heffingskorting alleen toe te kennen voorzover daar betaalde arbeid tegenover staat, ingang zal vinden. Het kabinet acht dit – met het oog op de negatieve inkomenseffecten die dit voor alleenverdieners met zich zou brengen – niet opportuun. Problematisch is vooral dat er geen allesomvattend vangnet is voor categorieën partners van alleenverdieners voor wie betaalde arbeid geen reëel alternatief is. In het bijzonder gaat het om arbeidsongeschikte/onvrijwillig werkloze partners zonder zelfstandig recht op sociale verzekeringsuitkering. Het is in dergelijke situaties niet uitgesloten dat een alleenverdiener op minimumniveau netto minder verdient dan de voor hem/haar relevante bijstandsnorm.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de suggestie van de leden van de fractie van GroenLinks om de individuele heffingskorting (en eventueel zelfs een extra onbetaalde arbeidskorting) alleen toe te kennen voorzover daar onbetaalde vrijwilligersarbeid tegenover staat. Evenzo er categorieën van partners van alleenverdieners bestaan voor wie betaalde arbeid geen reële optie is, bestaan er categorieën van partners van alleenverdieners voor wie onbetaalde vrijwilligersarbeid geen reële optie is. Daarnaast zal de beantwoording van de vraag of sprake is van vrijwilligerswerk in de uitvoering op praktische bezwaren stuiten. In tegenstelling tot betaalde arbeid zal bij vrijwilligersarbeid in de regel een controlereferentiekader (zoals bijvoorbeeld een loonadministratie) ontbreken waaraan het al dan niet van toepassing zijn van de heffingskorting kan worden getoetst.

De hiervoor genoemde bezwaren gelden mutatis mutandis evenzeer voor de door de leden van de fractie van D66 en het, door de leden van de fractie van GroenLinks aangehaalde, CISA geopperde variant om de algemene heffingskorting voor de niet-verdienende partner alleen uit te keren aan partners met de zorg voor (jonge) kinderen c.q. kinderen tot 18 jaar. Hier zijn het met name de reële categorieën van alleenverdienerhuishoudens op minimumniveau zonder de zorg voor kinderen onder de 18 jaar (bijvoorbeeld de «oudere» generatie) die nadeel van een zodanige clausulering van de algemene heffingskorting zouden ondervinden. Tevens valt niet in te zien dat – de leden van de fractie van GroenLinks vragen daarnaar – een dergelijke variant zal bijdragen aan de arbeidsparticipatie van partners van alleenverdieners. De toekenning van de heffingskorting is in die variant immers niet tevens gekoppeld aan de eis dat de niet-verdienende partner betaalde arbeid verricht. Aldus zou een dergelijke variant juist kunnen stimuleren dat de niet-verdienende partner thuis blijft om voor de kinderen te zorgen. In paragraaf 8.5 (positie van gezinnen met kinderen) gaan wij overigens nader in op de gedachte van een zorgkostenforfait in verband met de zorg voor kinderen.

De leden van de fracties van de RPF en de GPV vragen of de regering het gewenst vindt dat in plaats van de nog bestaande informele, en dus onbetaalde, dienstverlening, als gevolg van een verdere stijging van de arbeidsdeelname steeds vaker een beroep moet worden gedaan op professionele arbeidskrachten.

Door de stelselherziening wordt werken financieel aantrekkelijker ten opzichte van een uitkering. Voor niet-werkende partners wordt een barrière weggenomen door de omzetting van de overdraagbare belastingvrije som in een heffingskorting. Indien door niet-werkende partners de voorkeur wordt gegeven aan andere onbetaalde dienstverlening in plaats van een betaalde baan dan is dat uiteraard ook mogelijk.

De leden van de fractie van D66 hechten nadrukkelijk aan de nevendoelstelling emancipatie en economische zelfstandigheid van alle burgers. Het valt hen echter op dat het kabinet deze nevendoelstelling pas na het advies van de SER expliciet als nevendoelstelling is gaan noemen. In reactie hierop merken wij op dat aan het verschillend formuleren van de doelstellingen in de Verkenning, het regeerakkoord en de memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel minder betekenis valt toe te schrijven dan de leden van de fractie van D66 wellicht denken. Ook in de Verkenning spelen de aspecten emancipatie en economische zelfstandigheid een belangrijke rol, zij het wellicht meer impliciet.

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat het fiscaal stelsel zo neutraal mogelijk moet zijn ten opzichte van de relatie- en huishoudenssituatie, zij het dat zij onderkennen dat de overheid natuurlijk niet ontkomt – en ook niet moet willen ontkomen – aan het op zijn minst impliciet stellen van een norm. Die norm moet naar hun oordeel dan wel de goede kant op wijzen. Het ontgaat de leden van de D66-fractie waarom het kabinet – ondanks de ontwikkelingen in relatie- en huishoudenssituaties – met de wijze waarop de individueel uit te keren heffingskorting is vormgegeven, het zogenoemde kostwinnersvoordeel handhaaft. Onder verwijzing naar de uitgangspunten van de sociale zekerheid wijzen zij erop dat zij het weliswaar volstrekt legitiem is als mensen ervan afzien om inkomen te verwerven, maar dat het de vraag is of de samenleving daar ongeclausuleerd geld op toe moet leggen. Wat genoemde ontwikkelingen betreft wijzen zij verder op de zogenoemde 1990-maatregel in de Toeslagenwet die er vanuit gaat dat iedere burger die na dat jaar 18 jaar wordt geacht wordt in het eigen onderhoud te kunnen voorzien, het feit dat de statistieken laten zien dat in het merendeel van de meerpersoonshuishoudens met twee volwassenen sprake is van een twee-verdienersituatie en het feit dat inmiddels zo'n 2,2 miljoen Nederlanders een eenpersoonshuishouden vormen.

Met betrekking tot de opvatting van de leden van de D66-fractie dat het fiscale stelsel neutraal moet zijn ten opzichte van de relatie- en huishoudenstypes moet worden opgemerkt dat over de neutraliteit van het stelsel in termen van draagkracht verschillend kan worden gedacht. Het gaat hierbij dan met name om de vraag op welke wijze het zijn van alleenstaande of het hebben van een partner of kinderen van invloed is op de draagkracht. Het nieuwe stelsel werkt – mede gelet op de daarvoor berekende inkomenseffecten – in termen van draagkracht evenwichtig uit, ook ten opzichte van de verschillende relatieen huishoudenstypes. Zoals hiervoor ook al aan de leden van de VVD-fractie is geantwoord is bestaat er thans geen aanleiding om af te zien van het toekennen van de heffingskorting aan de partner zonder inkomen, gelet op de daarmee gepaard gaande inkomenseffecten en de stand van de maatschappelijke ontwikkelingen inzake de individualisering van het belastingstelsel De leden van de fractie van D66 geven voorts aan het verwarrend te vinden dat gesproken wordt over «alleenverdieners» als het gaat om samenwonenden met een niet-werkende partner. Zij menen dat het meer voor de hand ligt om in/rond een nieuwe Wet inkomstenbelasting bijvoorbeeld te spreken van «alleenverdieners» voor wie alleen woont en «samenverdieners» voor wie niet alleen woont. In reactie hierop merken wij op dat de begrippen «alleenverdiener» en «alleenstaande» in de voorlichting naar particulieren inmiddels vertrouwde begrippen zijn geworden. Het veranderen van het begrippenkader zoals gesuggereerd door de leden van de fractie van D66 zou onnodige verwarring veroorzaken. Tevens merken wij op dat bij de presentatie van de inkomenseffecten van in het nieuwe stelsel in hoofdstuk 10 van de memorie van toelichting duidelijk gedifferentieerd wordt naar verschillende typen meest- en minstverdiener, zodat ook daarover geen onduidelijkheid kan ontstaan.

Tevens is het de leden van de D66-fractie opgevallen dat afgezien blijft worden van een alleenstaandetoeslag. Zij vragen een reactie van het kabinet op de stelling van het CISA dat achterwege laten van deze discussie alleen verdedigbaar is als tegelijkertijd wordt afgestapt van een algemene tegemoetkoming aan kostwinners en van een extra aanvullende tegemoetkoming aan alleenstaande ouders. In dit kader vragen de leden van de fractie van GroenLinks hoe het kabinet denkt over de kritiek van alleenstaanden-organisaties die erop wijzen dat in hun geval verwantschapverbanden en onderlinge zorgrelaties niet fiscaal gehonoreerd worden, in tegenstelling tot gehuwden en samenwonenden.

Met de voorgestelde omzetting van de mogelijkheid van overdracht van de basisaftrek in een individueel uit te betalen algemene heffingskorting wordt in principe afgestapt van het uitgangspunt dat aan de alleenverdienende partner een tegemoetkoming moet worden geboden voor de aanwezigheid van een partner zonder inkomen. De niet-verdienende partner krijgt zijn of haar algemene heffingskorting immers zelf uitbetaald. Vanuit die optiek bezien werkt het voorgestelde stelsel ten aanzien van alleenstaanden en samenwonende partners neutraal uit. Hierboven hebben wij bovendien reeds uiteengezet dat aan de afschaffing van de individuele heffingskorting voor de niet-werkende partner belangrijke bezwaren zijn verbonden. Dat aan alleenstaande ouders een aanvullende tegemoetkoming wordt geboden in de vorm van een alleenstaande-ouderkorting en/of een aanvullende alleenstaande-ouderkorting is inherent aan het feit dat de zorg voor kinderen voor alleenstaande ouders een draagkrachtverminderende factor vormt.

De leden van de CDA-fractie vragen of het verschil verklaard kan worden tussen de uitkomsten van de Emancipatie Effect Rapportage (EER) wat betreft de effecten van de heffingskorting op de arbeidsparticipatie en de modelberekeningen die het CPB ter zake heeft verricht?

In de EER is beschreven wat de mogelijke effecten zijn van een aantal opties zoals beschreven in de nota «Belastingen in de 21e eeuw – een verkenning». Daarbij is gebruik gemaakt van een model dat afwijkt van het model dat door het CPB wordt gehanteerd. Het model van het CPB (MIMIC) is een algemeen evenwichtsmodel waarin zowel de vraag- als de aanbodzijde van de arbeidsmarkt zijn gemodelleerd. In de EER is een arbeidsaanbodmodel gebruikt, waarbij effecten aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt buiten beschouwing zijn gebleven. Het gebruik van verschillende modellen brengt met zich met dat de resultaten kunnen afwijken en dat deze moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. In paragraaf V.4.4 van de EER wordt nader op deze materie ingegaan.

Overigens moet worden opgemerkt dat de berekeningen in de EER betrekking hebben op opties die in eerder genoemde nota (de verkenning) zijn geschetst. De voorstellen van het kabinet die thans aan de orde zijn wijken hiervan af. Voor een beschrijving van de effecten van de voorliggende stelselherziening wordt verwezen naar werkdocument 115 van het CPB.

Ook de leden van de fracties van D66 en GroenLinks vragen het kabinet om nader in te gaan op de EER en de daarin opgenomen suggesties. De leden van de fractie van GroenLinks vragen daarbij of hun beeld klopt dat de EER geen rol van betekenis heeft gespeeld, voornamelijk omdat het Belastingplan bij het Regeerakkoord al zo goed als afgekaart was. Zo niet, vragen deze leden tot welke wijzigingen de EER aanleiding heeft gegeven.

De indruk van de leden van de fractie van GroenLinks dat de EER geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de totstandkoming van de voorstellen is niet juist. Gedurende de totstandkoming van het wetsvoorstel kon immers reeds beschikt worden over tussenen conceptrapportages met betrekking tot de uiteindelijk op 8 juni 1999 naar de Tweede Kamer verzonden EER. Aldus hebben de in de EER opgenomen bevindingen mede een rol gespeeld bij de nadere vormgeving van de voorstellen. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de aanpassing om de arbeidskorting niet bij 70% WML, zoals in het regeerakkoord tot uitgangspunt is genomen, maar bij 50% WML te laten aanvangen. Tevens moet bedacht worden dat, zoals ook wordt opgemerkt door de leden van de fractie van de PvdA, een groot aantal van de in het wetsvoorstel opgenomen voorstellen overeenkomt met de richting die in de EER als voorkeur wordt aangegeven. In zoverre geeft de EER geen aanleiding tot aanpassingen. Zo wordt opgemerkt dat de introductie van een individuele heffingskorting in plaats van de overdraagbare basisaftrek vanuit het emancipatiebeleid als een zeer positief te waarderen punt kan worden beschouwd en duidelijk als een doorbraak in de Nederlandse belastingwetgeving valt te kwalificeren. Volgens de EER heeft het kabinet hiermee aan het eind van deze eeuw een cruciale stap gezet in de richting van verzelfstandiging in het kader van de inkomensvorming. In de EER wordt voorts de conclusie getrokken dat de in het regeerakkoord gekozen variant, waarbij de heffingskorting individueel wordt uitbetaald, in termen van een vanuit emancipatieoogpunt wenselijke inkomensverdeling het beste scoort en als gevolg daarvan van alle onderzochte varianten het meeste bijdraagt aan vergroting van de economische zelfstandigheid van vrouwen. Ook wordt in de EER wordt geconcludeerd dat de techniek van de arbeidskorting vanuit emancipatoire overwegingen is te prefereren. De arbeidskorting als techniek elimineert immers de invloed van de marginale tarieven op de netto waarde van de arbeidskorting. Toegepast als netto korting is het resultaat voor iedereen daardoor mutatis mutandis gelijk. Ook het – als gevolg van het vervallen van de invorderingsvrijstelling – verdwijnen van de zogenoemde alfahulp-constructie, die leidt tot afhankelijkheid van een hoofdkostwinner, wordt in termen van emancipatiebeleid als een stap vooruit gekwalificeerd.

Wat betreft nadere inhoudelijke reacties op de EER verwijzen wij naar de memorie van toelichting en naar paragraaf 8.5 (Positie van gezinnen met kinderen) van deze nota.

De leden van de fracties van GPV en RPF wensen een overzicht van het verschil in belastingdruk tussen alleenverdieners en tweeverdieners bij een gezamenlijk bruto inkomen van f 90 000, zowel voor de huidige als in de nieuwe situatie. Onderstaande tabel geeft dit overzicht.

Overzicht belastingdruk tussen alleenverdieners en tweeverdieners Bij een gezamenlijk bruto inkomen van f 90 000

 HuidigNieuw
Alleenverdiener: 90 000 bruto31,7%27,9%
Tweeverdieners: elk 45 000 bruto27,1%22,3%
verschil in druk4,6%5,6%

2.6. De Europese dimensie

De leden van de PvdA fractie wijzen op het belang van een verdere coördinatie op het gebied van belastingen binnen Europa, bijvoorbeeld bij de belastingheffing van inkomsten uit spaartegoeden. Deze leden zouden met betrekking tot dit dossier willen vernemen of de voorgestelde forfaitaire vermogensrendementsheffing te verenigen valt met de Europese voorstellen voor de invoering van een bronheffing of een renseigneringsverplichting. De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de voorstellen van het kabinet zich verhouden tot de ontwikkelingen in Brussel op het fiscale vlak. De leden van de fractie van GroenLinks vragen in dit verband naar de consequenties van de nieuwe Europese richtlijn voor spaartegoeden.

Mochten de lidstaten van de Europese Unie overeenstemming bereiken over het richtlijnvoorstel voor de belastingheffing van inkomsten uit spaartegoeden, dan zal de in te voeren bronheffing of renseigneringsverplichting van toepassing zijn op particulieren uit andere lidstaten die in Nederland spaartegoeden aanhouden. Deze particuliere spaarders vallen echter niet onder de werking van de vermogensrendementsheffing. In deze situatie speelt de vraag naar de verenigbaarheid dan ook geen rol. Deze vraag zou wel op kunnen komen in de situatie waarin een Nederlandse particulier spaartegoeden in het buitenland aanhoudt. Een samenloop van buitenlandse bronheffing en vermogensrendementsheffing zal zich daar wel kunnen voordoen. De in het buitenland geheven bronheffing zal dan echter kunnen worden verrekend met de belasting over het forfaitaire rendement. Problemen met dubbele belastingheffing – de leden van de fractie van GroenLinks vragen daarnaar – zullen zich dan ook niet voordoen. Op het moment dat de inhoud van de ontwerprichtlijn spaartegoeden definitief is vastgesteld, kan een nadere uiteenzetting van de verrekeningsmethodiek worden gegeven.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de grootte van de groep inwoners van Nederland, die er netto op achteruitgaan doordat zij in Nederland niet premieplichtig zijn en daarom geen recht hebben op de heffingskorting voor de volksverzekeringen. Dienaangaande zij opgemerkt dat er verschillende groepen inwoners zijn, die in Nederland niet zijn verzekerd voor de volksverzekeringen vanwege het verrichten van arbeid buiten Nederland, en dus niet premieplichtig zijn. In de eerste plaats kan worden gewezen op inwoners van Nederland die werkzaamheden verrichten in België of Duitsland en in hun werkland zijn verzekerd in verband met de Verordening (EEG) nr. 1408/71. Aangezien het heffingsrecht over hun salaris op grond van het Nederlands-Duitse belastingverdrag aan Duitsland toekomt, zijn zij over hun salaris ook geen belasting in Nederland verschuldigd. Hun salaris zal derhalve geen nadeel ondervinden van de invoering van een gesplitste heffingskorting.

Wat betreft de inwoners van Nederland die in België werken, zijn er twee situaties te onderscheiden : degenen die grensarbeider zijn in de zin van het Nederlands-Belgische belastingverdrag, en degenen die dat niet zijn. Degenen die geen grensarbeider zijn in de zin van het verdrag, zijn in Nederland geen belasting en geen premies volksverzekeringen verschuldigd. Hun positie is derhalve gelijk aan de hiervoor bedoelde personen die in Duitsland werkzaam zijn. Degenen die wel grensarbeider zijn in de zin van het verdrag (het merendeel), zijn thans nog belasting verschuldigd in Nederland, terwijl ze in Nederland geen premies volksverzekeringen verschuldigd zijn.

In de huidige situatie verkeren deze grensarbeiders in een wat voordeliger positie doordat de belastingheffing en de premieheffing volksverzekeringen uiteenlopen. Ze betalen in Nederland belasting, die in de eerste tariefschijf lager is dan in België, en in België sociale premies, welke lager zijn dan in Nederland.

Bij de voorgestelde heffingskorting is de hoogte van de individuele heffingskorting gekoppeld aan de aanwezigheid van belasting- en premieplicht. Op vergelijkbare wijze als 65-plussers die een lagere heffingskorting krijgen omdat zij niet premieplichtig zijn voor de AOW, krijgen grensarbeiders die in Nederland in het geheel niet premieplichtig zijn een lagere heffingskorting, die alleen uit een belastingcomponent bestaat. Hierdoor zullen met name grensarbeiders met een inkomen uit werk en woning dat hoger is dan circa 54 000 – dat gedeeltelijk wordt belast in de derde en vierde tariefschijf die geheel uit belasting bestaat – nadeel ondervinden van de omstandigheid dat zij alleen in aanmerking komen voor de heffingskorting voor de inkomstenbelasting. Dit effect is inherent aan de voorgestelde systematiek van heffingskortingen. De hierdoor optredende inkomenseffecten moeten niet geïsoleerd worden bezien, maar moet worden bezien over het totale pakket aan voorgestelde maatregelen, waartoe ook de verlaging van de tarieven in de hoogste tariefschijven behoort, die ook aan deze groep grensarbeiders die geen premie volksverzekeringen betalen ten volle ten goede komen.

Voor inwoners van Nederland die in andere EU-lidstaten of in landen buiten de EU werkzaam zijn in dienst van een aldaar gevestigde werkgever, geldt in het algemeen ook dat zij voor hun salaris geen belasting en geen premies volksverzekeringen verschuldigd zijn in Nederland. In die gevallen zal met betrekking tot hun salaris het door u geschetste nadeel zich dan ook niet voordoen.

De leden van de fracties van PvdA, VVD, CDA en D66 hebben een aantal vragen gesteld over de optie voor buitenlandse belastingplichtigen om te kiezen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Ook de Orde heeft hierover een aantal vragen en opmerkingen. Naar aanleiding van deze vragen kan het volgende worden opgemerkt. Wij zijn verheugd dat de leden van de fractie van D66 positief staan tegenover het keuzerecht. De keuzeregeling heeft ten doel buitenlandse belastingplichtigen voor hun Nederlands inkomen op dezelfde wijze te behandelen als binnenlandse belastingplichtigen. Het blijft echter gaan om buitenlandse belastingplichtigen van wie alleen het Nederlands inkomen in de belastingheffing wordt betrokken. Met andere woorden de buitenlandse belastingplichtige die kiest voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen, wordt daardoor geen binnenlands belastingplichtige. Op de vraag van de leden van de CDA-fractie kan dan ook worden geantwoord dat deze regeling in overeenstemming is met de Nederlandse belastingverdragen; de niet aan Nederland toegewezen inkomensbestanddelen worden in Nederland niet in de belastbare grondslag betrokken. De reden van de systematiek is niet alleen dat optanten dan een beroep zouden kunnen doen op de Nederlandse belastingverdragen; de leden van de VVD-fractie vragen hiernaar. Een andere reden is dat indien de Nederlandse belastingverdragen op dergelijke personen van toepassing zouden zijn, dit ook zou gelden voor het verdrag tussen Nederland en de woonstaat van de optant, maar dan in spiegelbeeldige zin. Dit zou voor inkomsten waarvoor in dat verdrag is voorzien in de verrekeningsmethode ter voorkoming van dubbele belasting tot problemen kunnen leiden. Op de vraag van de leden van de CDA-fractie in hoeverre de kans bestaat dat een belastingplichtige zich met succes op de voordelen van deze bepaling beroept en de nadelen kan vermijden, kan worden geantwoord dat dat uitgesloten is.

Ingevolge de keuzeregeling vinden de Nederlandse belastingverdragen met andere landen dan met de woonstaat van de kiezende buitenlandse belastingplichtige geen toepassing. Deze belastingplichtige kan van de Nederlandse autoriteiten ook geen woonplaatsverklaring krijgen. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, bestaat daartoe overigens ook geen aanleiding. Uitsluitend het Nederlandse inkomen dat in Nederland mag worden belast in overeenstemming met het belastingverdrag van Nederland met het land waarin de kiezende buitenlandse belastingplichtige woonachtig is, wordt in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Inkomsten uit derde landen genoten door een buitenlandse belastingplichtige kunnen op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en die woonstaat, niet in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken. Derhalve kan er geen sprake zijn van toepassing van Nederlandse belastingverdragen alsof de kiezende buitenlandse belastingplichtige inwoner van Nederland is. De vraag van de leden van de VVD-fractie of het keuzerecht de verplichting met zich meebrengt dat de optant bij voorbaat afstand doet van rechten die hij aan belastingverdragen kan ontlenen, moet in het licht van het voorgaande dan ook ontkennend worden beantwoord.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat de kiezende buitenlandse belastingplichtige in eerste aanleg zijn wereldinkomen in Nederland moet aangegeven. Hij wordt dan deze persoonlijke aftrekken en heffingskorting op gelijke wijze deelachtig als geldt met betrekking tot binnenlandse belastingplichtigen. Sluitstuk van de exercitie is dat aan belanghebbende een tegemoetkoming (vrijstelling met progressievoorbehoud) wordt verleend voor alle inkomsten die in verband met het bepaalde in hoofdstuk 7 en het belastingverdrag tussen Nederland en de woonstaat van de belastingplichtige niet in Nederland kunnen worden belast.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen naar de inhoud van de algemene maatregel van bestuur waarin deze tegemoetkoming zal worden opgenomen. De algemene maatregel van bestuur die gebaseerd is op artikel 2.2.3, vierde lid, zal voor die inkomsten die niet in Nederland kunnen worden belast omdat zij niet tot het Nederlandse inkomen behoren met inachtneming van het belastingverdrag tussen Nederland en de woonstaat van de belastingplichtige, een tegemoetkoming bevatten die voor wat betreft de techniek vergelijkbaar is met de vrijstellingsmethode die onder het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 wordt toegepast voor bepaalde inkomsten genoten door binnenlandse belastingplichtigen. Wel zal het gaan om een overall benadering die niet tot een negatief bedrag kan leiden.

Het effect van de keuzeregeling is dat het Nederlandse inkomen in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken voorzover dit is toegestaan onder het belastingverdrag van Nederland met de woonstaat van de belastingplichtige, terwijl deze inkomsten worden belast tegen het gemiddeld over het wereldinkomen verschuldigde tarief rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige. Gelet op deze systematiek is de keuzeregeling niet strijdig met het grensambtenaren-arrest (BNB 1980/170) dat overigens zag op een beperkt binnenlandse belastingplichtige, een categorie belastingplichtigen die in het nieuwe stelsel niet meer voorkomt.

De leden van de VVD-fractie vragen of de keuzeregeling in het licht van de in artikel 2.2.3, derde lid, opgenomen sanctiebepaling in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Dit is het geval; de sanctiebepaling heeft uitsluitend ten doel te voorkomen dat buitenlandse negatieve inkomsten in Nederland worden gedumpt. De reikwijdte van de sanctiebepaling blijft daartoe beperkt en heeft geen gevolgen voor de aftrekposten die in verband met de persoonlijke en gezinssituatie van de kiezende buitenlandse belastingplichtige in aanmerking worden genomen. Evenmin ziet de sanctiebepaling op lasten en afschrijvingen van een Nederlandse onderneming, ongeacht of deze per saldo leiden tot een positief of een negatief resultaat. Verder wordt ook niet teruggekomen op negatief Nederlands inkomen. Bij nota van wijziging zal de sanctiebepaling worden aangepast om buiten elke twijfel te stellen dat na beëindiging van de toepassing van de keuzeregeling niet zal worden teruggekomen op aftrekposten die verband houden met die persoonlijke en gezinssituatie en op negatieve inkomsten die deel uitmaken van het Nederlandse inkomen dan wel zijn ontstaan in een periode waarin de optant binnenlands belastingplichtige was. De sanctiebepaling is dan ook niet strijdig met het EG-recht en bevat evenmin overkill, zoals door de Orde is gesteld.

De leden van de fracties van D66 en CDA vragen een toelichting waarom alleen binnenlandse belastingplichtigen in aanmerking komen voor de heffingskorting. In dit verband kan er op worden gewezen dat in de loonbelasting geen afzonderlijke tabellen zullen gelden voor buitenlandse belastingplichtigen. Buitenlandse belastingplichtigen die inkomen uit Nederland ontvangen dat onder de loonbelasting valt, worden op basis van tijdsevenredigheid de heffingskorting deelachtig. In verband met het bepaalde in artikel 9.4, eerste lid, zal de inhouding van loonbelasting in het overgrote gedeelte van de gevallen niet in de inkomstenbelasting worden gecorrigeerd. Deze systematiek voorkomt dat buitenlandse belastingplichtigen die in een groot aantal gevallen maar een beperkt gedeelte van het jaar in Nederland werkzaam zijn geweest een behandeling deelachtig worden die gunstiger is dan die van binnenlandse belastingplichtigen. De gelijke behandeling van belastingplichtigen is juist gebaat met deze benadering. Daarbij komt nog dat het in beginsel aan de woonstaat van belastingplichtigen is om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van zijn belastingplichtigen. Eerst indien de belastingplichtige in die woonstaat onvoldoende inkomsten heeft om aldaar gebruik te kunnen maken van de aftrekposten in verband met de persoonlijke en gezinssituatie van de belanghebbende, is het aan de werkstaat om met deze omstandigheden rekening te houden. De leden van de VVD- en CDA-fractie vragen of het feit dat buitenlandse belastingplichtigen geen recht hebben op de heffingskorting, niet in strijd is met de non-discriminatiebepalingen in de belastingverdragen en met name met artikel 25, § 3, van het belastingverdrag met België. Ook de Orde heeft deze vraag gesteld. Het antwoord op deze laatste vraag luidt in beginsel ontkennend. In de met het OESO-modelverdrag overeenkomende verdragsbepalingen strekt het discriminatieverbod zich alleen uit tot onderdanen van de andere verdragsluitende staat die «in dezelfde omstandigheden» verkeren (vergelijk artikel 24, eerste lid, OESO-modelverdrag). Onderdanen die in een ander land wonen dan wel gevestigd zijn, verkeren niet in dezelfde omstandigheden, zodat een eventueel verschil in behandeling op basis van woonplaats wel is toegestaan. In artikel 24, derde lid, OESO-modelverdrag is – terzake van het verbod om vaste inrichtingen van een onderneming van de andere staat aan een ongunstiger belastingheffing te onderwerpen dan ondernemingen van de eigen staat – bovendien opgenomen dat dit discriminatieverbod zich niet uitstrekt tot de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van samenstelling van het gezin of gezinslasten. De conclusie is derhalve dat onder de door Nederland overeengekomen belastingverdragen die op dit punt overeenkomen met het OESO-modelverdrag het uitsluiten van buitenlandse belastingplichtigen van de heffingskorting niet strijdig is met de non-discriminatiebepaling. Onder twee door Nederland gesloten verdragen luidt de conclusie echter anders: de verdragen met België en Suriname. De non-discriminatiebepaling in deze verdragen is ruimer geformuleerd dan de hiervoor genoemde bepalingen uit het OESO-modelverdrag. Artikel 25, derde lid, van het verdrag met België en artikel 25, tweede lid, van het Verdrag met Suriname bepalen dat natuurlijke personen die voor de verdragstoepassing inwoner zijn van een van de verdragsluitende staten in de andere staat dezelfde persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of gezinssamenstelling genieten als de desbetreffende staat aan zijn eigen inwoners verleent. Tot deze «persoonlijke aftrekken en tegemoetkomingen» behoort ook de in hoofdstuk 8 opgenomen persoonsgebonden heffingskorting. Inwoners van België en Suriname kunnen derhalve de heffingskorting deelachtig worden zonder dat een keuze voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen moet worden gedaan. Overigens kan in dit verband erop worden gewezen dat ernaar wordt gestreefd met België een nieuw belastingverdrag tot stand te brengen (zie mijn brief van 18 november 1999, nr. IFZ1999/2285M).

De leden van de PvdA-fractie vragen of de invoering van de keuzeregeling budgettaire consequenties heeft en in de praktijk zal leiden tot manipulaties. Gelet op de verplichtingen die thans reeds voortvloeien uit het Schumacker-arrest en de 90%-regeling, zal de invoering van de keuzeregeling niet tot belangrijke budgettaire consequenties leiden. Zoals altijd zullen er belastingplichtigen zijn die zullen trachten de belastingdruk op huishoudniveau te minimaliseren. De vormgeving van de keuzeregeling biedt voldoende waarborgen om manipulatie tegen te gaan. Meer in zijn algemeenheid kan altijd in de uitvoering nog bestrijding plaatsvinden met de bijzondere rechtsmiddelen zoals fraus legis en schijnhandeling.

De CDA-fractie vraagt om bevestiging dat de fictie van artikel 2, derde lid, Wet LB 1964 niet geldt voor de toepassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989. Dit kan worden bevestigd; het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 is alleen van toepassing op binnenlands belastingplichtigen en de fictie van artikel 2, derde lid, Wet LB 1964 geldt ook na de aanpassing ingevolge de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 juist voor werknemers die niet in Nederland wonen.

De leden van de fractie van D66 en de fractie van het CDA merken terecht op dat de WAZ-premie voor buitenlandse belastingplichtigen die niet opteren voor toepassing van de regels van de binnenlandse belastingplicht, niet langer aftrekbaar is. Zij vragen om dit nader toe te lichten.

Dienaangaande zij opgemerkt dat het niet langer aftrekbaar zijn van de WAZ-premie samenhangt met de nieuw gekozen systematiek van de optieregeling voor buitenlandse belastingplichtigen. In beginsel hebben buitenlandse belastingplichtigen in de Wet IB 2001 geen recht meer op aftrekposten, noch voor de aftrekposten die op grond van de Wet IB 1964 mogelijk waren voor buitenlandse belastingplichtigen (zoals de WAZ-premie), noch voor aftrekposten die op grond van een goedkeurende regeling (90%-regeling) in mindering konden worden gebracht op het belastbare binnenlandse inkomen. Door evenwel gebruik te maken van de optieregeling komt de buitenlandse belastingplichtige alsnog in aanmerking voor de aftrekposten die van toepassing zijn op de binnenlandse belastingplichtige. Ten overvloede zij er nogmaals op gewezen dat in de gevallen waarin het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend in de praktijk vrijwel altijd gebruik zal worden gemaakt van de keuzeregeling. Het past niet in de nieuwe systematiek om enerzijds bepaalde aftrekposten aan een buitenlandse belastingplichtige in aftrek toe te staan, ook als men niet geopteerd heeft voor de regels van de binnenlandse belastingplicht, en anderzijds andere aftrekposten slechts in aftrek toe te laten als men geopteerd heeft.

De leden van de CDA-fractie vragen of met betrekking tot de verschillen tussen heffing en vrijstelling ter zake van uitkeringen vanuit het buitenland in het nieuwe stelsel een verbetering wordt aangebracht. Onder het nieuwe stelsel zal de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van uit het buitenland afkomstige uitkeringen evenals nu het geval is in beginsel plaatsvinden door middel van de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud. Deze methode heeft als kenmerk dat geen bijheffing tot het Nederlandse niveau plaatsvindt. Voor zowel de vrijstellingsmethode als de verrekeningsmethode geldt dat nooit met meer buitenlandse belasting rekening wordt gehouden dan de Nederlandse inkomstenbelasting die ter zake van de buitenlandse inkomsten verschuldigd is. Door het lage belastingtarief in de eerste en tweede schijf kan het blijven voorkomen dat in het buitenland meer belasting is geheven dan in Nederland het geval zou zijn geweest.

De leden van de CDA-fractie vragen waar de raming ter zake van de beperking van de 35%-regeling tot een 30%-regeling op is gebaseerd. Voorts vragen deze leden of andere veranderingen worden beoogd en of de bestaande 35%-regeling wordt gecontinueerd na 2001 voor belastingplichtigen aan wie deze regeling is toegekend.

Naast het beperken van de 35%-vergoeding tot een 30%-vergoeding worden geen andere wijzigingen beoogd. Met ingang van 2001 is de oude resolutie niet langer van toepassing op het punt van de 35%-vergoeding zodat ook voor lopende gevallen maximaal een 30%-vergoeding mogelijk zal zijn. De inperking van de 35%-vergoeding tot een 30%-vergoeding is namelijk een onderdeel van de grondslagverbreding en de daarbij behorende tariefverlaging. Omdat ook expatriates als gevolg van de tariefverlaging met ingang van 2001 te maken zullen hebben met een onmiddellijke lastenverlichting, zullen deze expatriates in het algemeen per saldo geen negatieve inkomenseffecten van de belastingherziening ondervinden. Hierdoor wordt het doel van de regeling – Nederland als werkland aantrekkelijk te houden – recht gedaan.

De raming die ziet op het verlagen van de 35%-vergoeding naar een 30%-vergoeding is gebaseerd op de situatie onder het regime van de Wet IB 1964. Het gevolg van het verlagen van de tarieven onder het regime van de Wet IB 2001 is vervolgens meegenomen bij het ramen van de post tariefsverlaging.

De leden van de PvdA fractie vragen met betrekking tot de forfaitaire vermogensrendementsheffing voorts of de regering het zinvol acht ook andere Europese landen voor een dergelijke heffing te interesseren. Vooropgesteld zij dat de wijze waarop de heffing van inkomsten uit vermogen wordt vorm gegeven, primair tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort. Zoals deze leden ook zelf aangeven, speelt het subsidiariteitsbeginsel op dit terrein een grote rol. Dit neemt niet weg dat de regering desgevraagd aan andere lidstaten informatie verschaft over de door Nederland gekozen benadering. Andere lidstaten hebben daarvoor bij diverse gelegenheden belangstelling getoond.

De leden van de PvdA fractie vragen of de vermogensrendementsheffing tevens een geschikt model zou zijn om het probleem van de Europese kapitaalvlucht op te lossen. Een belangrijke oorzaak van deze kapitaalvlucht is het door een aantal landen, zowel binnen als buiten Europa, gehanteerde bankgeheim. Ook bij een brede toepassing van de vermogensrendementsheffing in Europa zou dit bankgeheim een oplossing in de weg kunnen staan.

De leden van de PvdA fractie vragen nadere informatie over de ruimte die Europa biedt om het huidige beleid inzake commanditaire vennootschappen in met name film en scheepsbouw in een andere vorm voort te zetten. De leden van de fractie van het CDA vragen eveneens om een nadere uiteenzetting over de Europeesrechtelijke kant van de belastingherziening, in het bijzonder waar het gaat om de melding van de kabinetsvoornemens in Brussel.

De onderdelen van het wetsvoorstel die daarvoor in aanmerking komen, zullen zoals gebruikelijk na afronding van de behandeling door de Tweede Kamer – dus wanneer de tekst van het wetsvoorstel definitief is – ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Daarbij kan met betrekking tot het beleid inzake film en scheepsbouw worden opgemerkt dat het verbod op staatssteun, zoals dat is neergelegd in art. 87, eerste lid, EG-Verdrag, geen absoluut verbod is. Er zijn namelijk verschillende gevallen waarin categorieën steunmaatregelen als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd (art. 87, tweede en derde lid, EG-Verdrag). Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of deze steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijk markt en voor uitzondering in aanmerking kunnen komen. De criteria die de Commissie bij deze beoordeling hanteert, zijn vastgelegd in kaderregelingen en richtsnoerenStaatssteun is slechts in een specifiek aantal gevallen geoorloofd. Steunmaatregelen ten behoeve van cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed kunnen onder voorwaarden worden toegestaan (bijvoorbeeld steunmaatregelen voor de film). De criteria voor steunverlening in de zeescheepvaart zijn vastgelegd in de richtsnoeren inzake overheidssteun voor het zeevervoer (Pb. 97/C 205/05).

Gelet op het belang dat het kabinet hecht aan (fiscale) stimulering van de financiering van film en zeevaart bestaat het voornemen om ook onder het nieuwe belastingstelsel een tegemoetkoming voor de film en de zeescheepvaart te treffen. De gedachten gaan ernaar uit om de fiscale faciliëring van de film en zeescheepvaart op te nemen in de kaderregeling maatschappelijk beleggen. In eerste instantie kan worden gedacht aan een vrijstelling van het forfaitaire rendement met mogelijk een aanvullende aftrek.

Een dergelijke tegemoetkoming zal wellicht kunnen worden aangemerkt als staatssteun en derhalve bij de Europese Commissie moeten worden aangemeld voor de toets op staatssteun. Het is de verwachting dat de Commissie de maatregelen zal toetsen aan de verschillende kaderregelingen en richtsnoeren. De steunmaatregelen kunnen pas in werking treden na de noodzakelijke goedkeuring door de Europese Commissie. De Kamer zal van de reactie van de Europese Commissie op de hoogte worden gebracht.

De vraag van de leden van de CDA-fractie of de uitbreiding van de anti-misbruikbepaling uit de EG-Fusierichtlijn tot uitstel van belastingheffing en de conserverende aanslag compatibel zijn met het EU-recht en de belastingverdragen, is beantwoord in de onderdelen 4.1.3 en 7.4.4 van deze nota.

De leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere toelichting of de belastingherziening gevolgen heeft voor de verdragen die Nederland heeft gesloten en of dit kan leiden tot verdragopzegging door de verdragspartner. Een nadere toelichting wordt gegeven in § 6.3.8. Internationale inpasbaarheid.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het voorgenomen overgangsrecht met betrekking tot lijfrenten en kapitaalverzekeringen in zijn algemeenheid houdbaar is in het licht van het Europese recht. Deze vraag zal worden beantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

Voorts vragen de leden van de fracties van de PvdA en de VVD in hoeverre het beleid inzake conserverende aanslagen bij pensioenen is getoetst aan het Europese recht. Voor emigrerende belastingplichtigen zou het recht van vrij verkeer door de conserverende aanslagen worden belemmerd. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen of een exitheffing feitelijk een belemmering vormt op de vrije vestiging binnen de EG.

Reeds eerder hebben wij met betrekking tot deze problematiek betoogd dat een conserverende aanslag gerechtvaardigd is in situaties waarin een samenhang dient te bestaan tussen de fiscaal gefacilieerde opbouw van pensioen in Nederland en het terugnemen van het voordeel indien het pensioenkapitaal wordt aangewend voor andere doeleinden dan bedoeld. Een dergelijke samenhang ontbreekt op dit moment op Europees niveau. Nederland heeft bij herhaling gepleit voor het treffen van een Europese regeling voor deze problematiek. In de conclusies van de Ecofin Raad van 1 december 1997 inzake het belastingbeleid is op Nederlands verzoek vastgelegd dat de problemen die zich voordoen bij de belasting op pensioenen en verzekeringsuitkeringen zullen worden onderzocht. Naar aanleiding hiervan is het onderwerp sindsdien verschillende keren in het kader van de Europese Raad besproken in de Werkgroep Belastingbeleid. De vooruitgang in de Europese discussie op dit terrein– de leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen daarnaar – is echter traag. Nederland zal waar mogelijk echter aandacht blijven vragen voor de wenselijkheid van een Europese oplossing.

Doordat een Europese regeling tot dusver ontbreekt, dient de coherentie van het Nederlandse heffingsstelsel via nationale maatregelen te worden verzekerd. Uiteraard dient bij het treffen van dergelijke maatregelen te worden gewaarborgd dat deze proportioneel zijn in relatie tot het te bereiken doel. In het nader rapport is uiteengezet waarom het instrument van de conserverende aanslag de toets van de proportionaliteit kan doorstaan (zie nader rapport, punten 61 en 62).

De vraag van de leden van de fractie van het CDA of het de bedoeling van het kabinet is om een en ander via de rechter tot verdere klaarheid te brengen, beantwoorden wij op grond van het voorgaande dan ook ontkennend. Uiteraard staat het belastingplichtigen vrij om aan de rechter een oordeel te vragen over het standpunt van de regering dat zich bij het opleggen van een conserverende aanslag geen strijd met het Europees recht voordoet.

De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie op de arresten van het Europese Hof van Justitie omtrent de relatie tussen «premie-betalen» en «heffing op de uitkeringen». Deze leden zullen daarbij vermoedelijk vooral het oog hebben op het arrest van 28 januari 1992, C204/90, beter bekend als het Bachmann-arrest. Onder meer bij de parlementaire behandeling van de Wet tot wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioenlichamen (Brede Herwaardering I) is aandacht besteed aan de gevolgen van dit arrest. Kortheidshalve verwijzen wij u naar de parlementaire stukken, in het bijzonder de memorie van antwoord bij de Wet van 12 december 1991, Kamerstukken I, 21 198, nr. 3a, blz. 7–8.

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie of het voornemen bestaat het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 te wijzigen in verband met de uitbreiding van de buitenlandse belastingplicht met het «resultaat uit overige werkzaamheden» in de Wet IB 2001, kan worden geantwoord dat in de nabije toekomst zal worden bezien in hoeverre het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 in verband met de invoering van de Wet IB 2001 aanpassing behoeft.

De leden van de fractie van het CDA vragen op welke onderdelen en op welke wijze rekening is gehouden met de positie van grensarbeiders en of een uitsplitsing kan worden gegeven ten aanzien van een genoemde categorie grensarbeiders. Zij vragen hetzelfde ten aanzien van ondernemers in de grensstreek. Deze vragen en uitsplitsing worden besproken in § 3.3. Inwonerschap: twee groepen belastingplichtigen.

De leden van de CDA-fractie vragen of in artikel 2.1.2 niet als eis zou moeten gelden dat sprake is van «onderworpenheid als inwoner». Deze vraag berust vermoedelijk op een misverstand nu artikel 2.1.2 reeds «onderworpenheid als inwoner» eist. Ter voorkoming van misbruik is in dat kader overigens mede de voorwaarde gesteld dat Nederland met dat andere land een regeling ter voorkoming van dubbele belasting moet zijn overeengekomen dat voorziet in de uitwisseling van inlichtingen.

2.7. Belastingontwijking

De leden van de fractie van GroenLinks brengen ook op deze plaats weer naar voren, dat zij het niet eens zijn met de keuze van één uniform forfaitair tarief voor het belasten van vermogen. Omdat wij elders in deze nota al uitvoering hebben uiteengezet waarom het kabinet voor deze benadering heeft gekozen, willen wij hier volstaan met daarnaar te verwijzen.

De leden van de fracties van VVD, CDA, D66, GPV en RPF hebben vragen gesteld over de werking van de voorgestelde bepaling die belastingontwijking door het overhevelen van vermogensbestanddelen tussen de boxen moet voorkomen.

Zowel de leden van de fractie van de VVD als de leden van de fracties van CDA en D66 vragen een toelichting op de keuze voor de periode van drie maanden in het voorgestelde artikel 2.4.1, derde lid, onderdeel b. Naast de vraag over de periode van drie maanden stellen de leden van de fractie van het CDA nog de vraag of er uitholling van de fictieve rendementsheffing optreedt omdat rond de jaarwisseling vermogen in de «oude sok» zal verdwijnen. De fracties van de VVD en D66 willen weten of die periode per kalenderjaar geldt en willen zij enkele voorbeelden van zakelijke overwegingen die van zodanige doorslaggevende betekenis zijn dat de voorgestelde bepaling op die grond geen toepassing vindt. In het voorgestelde artikel 2.4.1, derde lid, onderdeel b, wordt bepaald dat het moet gaan om vermogensbestanddelen die gedurende een periode van niet langer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit woning en werk of aanmerkelijk belang genereren. De leden van de fractie van de VVD vragen wat wordt bedoeld met «generen».

Ten aanzien van de periode van drie maanden vragen de leden van de fractie van de VVD zich af hoe deze periode moet worden toegepast in het geval van emigratie of immigratie. Verder vragen zij zich af waarom dubbele heffing noodzakelijk is om ongewenste overheveling van vermogensbestanddelen te voorkomen.

Het verheugt ons te vernemen dat bij de leden van de fracties van GPV en RPF de overtuiging leeft dat het voorgestelde belastingstelsel minder ontwijkmogelijkheden biedt. Zij stellen desalniettemin een situatie aan de orde die in hun visie tot ontwijking van belastingheffing leidt. Het gaat om de situatie waarin een belastingplichtige een bedrag van 1 miljoen gulden aan zijn BV leent gedurende de periode 31 december tot 1 april. Vervolgens zet hij het bedrag van 1 april tot 30 september op een spaarrekening en van 1 oktober tot en met 2 januari leent hij het bedrag weer uit aan zijn BV. Verondersteld wordt dat de rente zowel bij de bank als bij de BV 4% bedraagt. De leden van de fracties veronderstellen in dit geval een wenselijke heffing van 30% van 4% over 1 miljoen gulden. Deze heffing kan echter in hun visie niet worden gerealiseerd omdat in dit geval het voorgestelde artikel 2.4.1, derde lid, onderdeel b, toepassing mist omdat het geld langer dan drie maanden is uitgeleend.

In het voorgestelde artikel 2.4.1, derde lid, onderdeel b, is een regeling getroffen om te voorkomen dat vermogensbestanddelen rond de peildatum van 1 januari tijdelijk worden overgeheveld van de ene naar de andere box om de hoogte van de verschuldigde belasting te kunnen beïnvloeden. Het onderbrengen van vermogen in de «oude sok» , zoals de leden van de fractie van het CDA suggereren, leidt niet tot uitholling van de grondslag voor de vermogensrendementsheffing omdat ook de «oude sok» tot de bezittingen wordt gerekend. Indien wordt bedoeld dat het vermogensbestanddeel rond de jaarwisseling in box I of II wordt ondergebracht, biedt de voorgestelde bepaling soelaas.

Uit de aard van de regeling volgt dat de periode van drie maanden ook over de grens van het kalenderjaar geldt voor de toepassing van de voorgestelde bepaling. Als periode waarin kan worden gesproken van een tijdelijke omzetting is een periode van drie maanden gekozen. Bij overschrijding van deze periode behoeft de voorgestelde bepaling niet te worden toegepast omdat dan het uitgangspunt geldt dat geen sprake meer is van fiscaal geïndiceerde overheveling van vermogensbestanddelen. In de vakliteratuur is opgemerkt dat het formele criterium van drie maanden kwetsbaar kan zijn. In dat verband bezien wij de mogelijkheid van een langere termijn dan wel introductie van een materieel criterium. Daarbij kan ook worden gedacht aan een nadere oplossing die erin bestaat dat de inspecteur bij transacties na de periode van drie maanden maar binnen zes maanden een zakelijkheidstoets legt. Hiernaast geldt voor overhevelingssituaties buiten de periode van drie maanden dat het standpunt kan worden ingenomen dat deze situaties louter om belastingheffing te ontwijken tot stand zijn gebracht. In voorkomende gevallen kan bestrijding plaatsvinden met bijzondere rechtsmiddelen. Wij overwegen op dit punt een wijziging.

Met het opnemen van de term «genereren» is tot uitdrukking gebracht dat de desbetreffende vermogensbestanddelen in de periode van maximaal drie maanden tot de boxen I of II behoren. De voorgestelde bepaling is immers opgenomen als een anti-misbruikbepaling die moet voorkomen dat de heffingsgrondslag in box III, inkomen uit sparen en beleggen, wordt uitgehold doordat vermogensbestanddelen tijdelijk tot de boxen I of II, inkomen uit aanmerkelijk belang, worden gerekend. Vanuit deze gedachte dient ook de positie van de immi- en emigrant te worden bezien. Bij emigratie en immigratie zal sprake zijn van andere peildata dan 1 januari en 31 december. Om in deze situaties misbruik tegen te kunnen gaan dient de periode van drie maanden ook over de emigratierespectievelijk immigratiedatum heen te kunnen worden toegepast.

De anti-misbruikbepaling is zodanig vorm gegeven dat dubbele heffing zoveel mogelijk wordt voorkomen. De inschatting is dat het aantal gevallen waarin het daadwerkelijk tot dubbele heffing zal komen gering zal zijn. In die gevallen zal de uiteindelijke dubbele heffing absoluut gezien ook zeer gering zijn omdat het inkomen zal betreffen dat op een korte periode betrekking heeft.

In het voorbeeld dat wordt aangedragen door de leden van de fractie van GPV en RPF valt de peildatum van 1 januari in de periode van tijdelijke omzetting. De voorgestelde bepaling is in dat geval in beginsel van toepassing. Hierna volgt de toets of sprake is van een tijdelijke omzetting aan de hand van de periode van drie maanden. Van een tijdelijke omzetting isstrikt genomen- geen sprake. De voorgestelde bepaling vindt in die situatie dan geen toepassing. Gelet op het hiervóór vermelde kan de in het voorbeeld geschetste situatie echter wel worden bestreden. De vordering levert overigens gedurende de periode waarin de vordering tot het aanmerkelijk belang van de belastingplichtige behoort inkomsten op die behoren tot het inkomen uit een aanmerkelijk belang. Dit kan een nadeel omdat in dit geval het werkelijke voordeel wordt belast en niet het forfaitaire rendement van 4%.

Om te voorkomen dat de anti-misbruikbepaling een te ruwe uitwerking heeft is een tegenbewijsregeling opgenomen voor die gevallen waarin weliswaar sprake is van een tijdelijke omzetting, maar waarbij zakelijke redenen van doorslaggevende aard ten grondslag liggen aan die tijdelijke omzetting. Hierbij gaat het om situaties die niet fiscaal zijn geïndiceerd. Als voorbeeld van een dergelijke situatie kan worden genoemd het noodgedwongen tijdelijk aanwenden van eigen vermogen ten behoeve van de onderneming.

3. VORMGEVING

3.1. Grondslag en tarief

De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie over het boxshoppen door belastingplichtigen. Deze reactie is besproken in § 1.3.2. Boxenstructuur.

De leden van de CDA-fractie vragen of het voor belastingplichtige niet ondoenlijk is om het pensioentekort aan te tonen. Deze vraag wordt besproken in hoofdstuk 7 Oudedagsvoorzieningen.

De mening van de leden van de CDA-fractie dat de Belastingdienst de groep van niet of weinig verdienende partners niet kan traceren wordt niet gedeeld. De Belastingdienst kan de partners van verdienende belastingplichtigen traceren aan de hand van de gegevens van de verdienende partners. De verdienende partner is bij de Belastingdienst bekend aan de hand van de gegevens in het bestand met loongegevens. Aangezien deze gegevens niet volledig actueel zijn, wordt thans bezien of aanvullende akties mogelijk zijn. Daarbij is het inschakelen van de werkgever, die over actuele gegevens van werknemers beschikt, een optie.

De opmerkingen van de leden van de CDA-fractie in verband met maaltijdvergoedingen bespreken wij in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de CDA-fractie over de administratieve lasten die zijn verbonden aan het voeren van een rittenregistratie, wat volgens deze leden met name voor bedrijven met wisselende chauffeurs op een auto ondoenlijk is, wordt vooropgesteld dat de ondernemer ervoor kan kiezen van de (bestel)auto's geen privé-gebruik te (laten) maken. Als duidelijk en aantoonbaar is dat de bestelauto's niet privé gebruikt mogen worden (en ook niet worden), dan wordt aan bijtelling niet toegekomen. Indien de auto's wel voor privé-doeleinden worden benut of ter beschikking gesteld, zal voor het waarderen van de onttrekking/bijtelling net als in andere situaties de autokostenfictie van toepassing zijn. Het ligt naar onze mening ook voor de hand deze – gelijke – gevallen ook gelijk te behandelen. Beleidskaders zullen worden ontwikkeld voor bepaling van de onttrekking/bijtelling indien aan de ondernemer en zijn gezin of aan de werknemers een gehele voorraad auto's of steeds verschillende auto's ook voor privé-doeleinden ter beschikking staan.

In verband met het schrappen van de consumptieve rente-aftrek wijzen de leden van de SGP-fractie nog op de positie van erfgenamen die een lening hebben afgesloten om de successierechten over een nalatenschap die zij in natura hebben gekregen te betalen. Deze leden zouden voor dergelijke gevallen graag een consumptieve rente-aftrek zien.

Dergelijke schulden komen in mindering op de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. Op die manier bestaat er indirect recht op een ongelimiteerde (forfaitaire) rente-aftrek.

3.1.1. Verbreding, verschuiving, vereenvoudiging

De leden van de PvdA-fractie merken op dat ten gevolge van de verhoging van de BTW het grensbedrag in de kleine-ondernemersregeling in de omzetbelasting sneller zal worden bereikt, en stellen de vraag of dit een beoogd effect is of dat de regering ernaar streeft om het grensbedrag in deze regeling evenredig met het tarief te verhogen. Het verhogen van de tegemoetkoming in de kleine-ondernemersregeling om de reden van een verhoging van het BTW-tarief is op grond van de zesde BTW-richtlijn Europeesrechtelijk niet toegestaan. In dit verband wijzen wij erop dat het algemene BTW-tarief in de loop der jaren is verlaagd van 20% in 1988 naar 17,5% nu, zonder dat daarbij de hoogte van de tegemoetkoming in de kleine-ondernemersregeling naar beneden toe is aangepast. Het ligt dan ook niet voor de hand deze tegemoetkoming te verhogen nu het tarief naar 19% gaat.

Naar aanleiding van de vragen van de leden van de GroenLinks-fractie over de grondslagverbreding in de Belastingherziening 2001 is in de onderstaande tabel een overzicht opgenomen van de grondslagverbredende maatregelen:

Tabel: Overzicht grondslagverbredende maatregelen (bedragen in de structurele situatie in miljarden guldens)

Maatregelbudgettair belang
versobering arbeidskostenforfait bij inkomsten uit tegenwoordige arbeid (algemene aftrek)4,20
verlaging niet-actievenforfait (bijzondere aftrek)0,75
vervallen aftrek werkelijke kosten0,45
beperking reiskostenforfait0,40
beperking aftrek buitengewone lasten0,05
oudedagsparaplu/aanpassing lijfrenteregime1,50
invoering forfaitaire rendementsheffing2,00
aanpassing spaarloonregeling0,50
beperking aftrek consumptieve rente1,20
beperking 35%-regeling voor expatriates0,10
verlaging zelfstandigenaftrek0,40

Naast de in de tabel opgenomen bedragen leidt ook de omzetting van de belastingvrije sommen in heffingskortingen in beginsel tot een forse verbreding van de grondslag.

Voor de vermogensgrondslag van de forfaitaire rendementsheffing en het commentaar op het door de leden van de GroenLinks-fractie gepresenteerde voorstel met betrekking tot de belastingheffing over vermogen wordt verwezen naar de elders in deze nota opgenomen antwoorden en opmerkingen.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen een toelichting op de zinsnede op pagina 21 van de memorie van toelichting dat door verhoging van het algemene BTW-tarief de belastingopbrengst minder gevoelig wordt voor economische ontwikkeling. Wij verwijzen hiervoor naar het antwoord dat gegeven is op dezelfde vraag die hierover is gesteld door de leden van de D66 fractie.

3.1.2. Tarief

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe redelijk het is de uitsmeerregeling af te schaffen zonder garantie voor de belastingplichtige dat de problemen die aanleiding vormden om een uitsmeerregeling in het leven te roepen ook daadwerkelijk worden opgelost. Ook de leden van de CDA-fractie vragen naar de uitsmeerregeling.

De oplossing van de problemen die door de vertraagde nabetaling zijn ontstaan horen primair door de uitbetalende instantie en de belastingplichtige zelf te worden opgelost. Voor de belastingdienst is hier geen taak weggelegd. Wel kan in deze situaties in beginsel de middelingsregeling worden toegepast. De leden van de CDA-fractie doen de suggestie voor een bijzonder tarief in deze situaties van nabetaalde inkomsten. Om de uitbetalende instantie te stimuleren de extra verschuldigde belasting voor zijn rekening te nemen zou er echter eerder aan kunnen worden gedacht om in de Wet op de loonbelasting 1964 de mogelijkheid op te nemen dat de uitbetalende instantie de extra verschuldigde belasting als eindheffing voor zijn rekening neemt. De suggestie van de leden van de CDA-fractie de middelingsregling voor deze gevallen te verruimen door een middelingstijdvak van 5 jaar te introduceren is niet overgenomen. Vanwege afbakeningsproblematiek zal de verruiming voor alle gevallen moeten gelden, waardoor ook de «normale» gevallen van sterk wisselende inkomens van de verruiming zouden profiteren, terwijl voor hen de huidige regeling adequaat wordt geacht. In combinatie met de verlengde indieningstermijn van het middelingsverzoek van 12 naar 36 maanden betekent een middelingstijdvak van 5 jaar dat de belastingdienst aanslaggegevens 10 jaar zou moeten bewaren. Bovendien zouden belastingplichtigen langer op de teruggave moeten wachten, hetgeen een systeem van «voorlopige middeling» wenselijk zou maken. Een en ander zou derhalve een aanzienlijke verzwaring van de uitvoeringspraktijk betekenen.

De leden van de VVD fractie wijzen ons op het CPB rapport «Tax reform and the Dutch Labour Market» waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen de vermindering van de inkomstenbelasting via een algemene belastingkorting en een vermindering via verlaging van schijftarieven met hetzelfde bedrag. Hieruit blijkt dat een verlaging van de tarieven zwart werken veel sterker tegengaat dan een algemene heffingskorting. Zij vragen de regering, mede in het kader van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik, om een reactie en tevens hoe de resultaten van bovengenoemd onderzoek in grotere mate kunne worden vertaald in beleid.

De redenen waarom de regering nu kiest voor een combinatie van tariefsverlaging en een belastingkorting zijn uitvoerig in de memorie van toelichting en elders in deze nota uiteengezet. Vooralsnog gaan wij ervan uit dat de vraag of een verdergaande tariefsverlaging mogelijk en wenselijk is, pas echt weer aan de orde zal zijn na de Tweede-Kamerverkiezingen in 2002. De discussie over de richting van een eventuele vervolgstap zou, naar onze mening eerst aan de orde zijn als deze stap is gezet.

De leden van de CDA-fractie vragen een toelichting op de verlaging van de tarieven van 65-plussers in relatie tot 65-minners. Deze vraag lijkt te berusten op een misverstand. De tarieven worden voor beide groepen met evenveel procent-punten verlaagd.

In antwoord op de desbetreffende vraag van de CDA-fractie wordt opgemerkt dat de heffingskorting naar verwachting in circa 2 miljoen gevallen zal worden uitbetaald. De hiermee samenhangende uitvoeringskosten worden geraamd op bijna f 10 miljoen.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de effecten zijn op de werkloosheid, de replacement rate, de gemiddelde en marginale belastingdruk en het prijseffect (volgens MIMIC) van een verlaging van het derde schijftarief met 1 procent respectievelijk van een verlenging van de tweede schijf met 5 000 gulden.

Met het MIMIC-model van het CPB kunnen de effecten op lange termijn van een aanpassing van het belastingstelsel worden berekend. De effecten op de replacement rate, de gemiddelde en de marginale druk worden daarbij berekend als gemiddelde voor een steekproef. Voor individuen kunnen de effecten dus van dit gemiddelde afwijken. Om deze effecten te berekenen zal een rekeninstructie aan het CPB moeten worden gegeven. Het CPB heeft aangegeven op deze korte termijn geen antwoord te kunnen geven. Wel kan worden opgemerkt dat de effecten, gegeven het beperkte karakter van de aanpassingen, waarschijnlijk nihil zijn.

Naar aanleiding van de vragen van zowel de leden van de VVD-fractie als de CDA-fractie wat de inkomenseffecten voor huishoudens zijn bij (1) diverse verlagingen van het belastingtarief 3e schijf en (2) diverse schijfverlengingen van de 2e schijf volgen nu twee tabellen met daarin opgenomen de gevraagde effecten.

Tabel inkomenseffecten door verlaging van het tarief derde schijf in procenten van besteedbare inkomens 1999.

  effect tariefverlaging 3e schijf met 0,5%effect tariefverlaging 3e schijf met 1%effect tariefverlaging 3e schijf met 2%
Budgettair effect 275 mln550 mln1 100 mln
     
Alleenstaande    
 30 630000
 40 000000
 50 000000
 53 560000
 60 0000,10,10,3
 70 0000,10,30,6
 80 0000,20,50,9
 80 3400,20,50,9
 90 0000,30,61,2
 100 0000,40,71,4
 107 1200,40,81,6
 125 0000,40,71,4
 150 0000,30,61,2
 160 6800,30,61,2
     
Alleenverdiener    
 30 630000
 40 000000
 50 000000
 53 560000
 60 0000,10,10,2
 70 0000,20,30,6
 80 0000,20,50,9
 80 3400,20,50,9
 90 0000,30,61,2
 100 0000,40,71,4
 107 1200,40,81,5
 125 0000,30,71,3
 150 0000,30,61,2
 160 6800,30,61,1
     
Ouderen alleenstaand    
 AOW000
 AOW + 5 000000
 AOW + 10 000000
 AOW + 20 000000
 AOW + 30 000000
 AOW + 40 0000,10,20,3
 AOW + 50 0000,20,30,7
Ouderen gehuwd    
 AOW000
 AOW + 5 000000
 AOW + 10 000000
 AOW + 20 000000
 AOW + 30 000000
 AOW + 40 000000,0
 AOW + 50 0000,10,20,4

Tabel inkomenseffecten door verlenging lengte tweede schijf in procenten van besteedbare inkomens 1999.

  effect verlenging schijf 2 met 1 000,–effect verlenging schijf 2 met 5 000,–effect verlenging schijf 2 met 10 000,–
Budgettair effect 180 mln1 000 mln1 820 mln
Alleenstaande    
 30 630000 
 40 000000  
 50 000000 
 53 560000  
 60 0000,10,70,7
 70 0000,10,61,2
 80 0000,10,61,1
 80 3400,10,51,1
 90 0000,10,51,0
 100 0000,10,50,9
 107 1200,10,40,9
 125 0000,21,12,2
 150 0000,21,01,9
 160 6800,20,91,8
     
Alleenverdiener    
 30 630000
 40 000000
 50 000000
 53 560000
 60 0000,10,60,6
 70 0000,10,61,1
 80 0000,10,51,0
 80 3400,10,51,0
 90 0000,10,50,9
 100 0000,10,40,9
 107 1200,20,71,1
 125 0000,21,02,1
 150 0000,20,91,8
 160 6800,20,91,8
     
Ouderen alleenstaand    
 AOW000
 AOW + 5 000000
 AOW + 10 000000
 AOW + 20 000000
 AOW + 30 000000
 AOW + 40 0000,52,43,7
 AOW + 50 0000,42,24,4
     
Ouderen gehuwd    
 AOW000
 AOW + 5 000000
 AOW + 10 000000
 AOW + 20 000000
 AOW + 30 000000
 AOW + 40 0000,40,40,4
 AOW + 50 0000,41,93,8

De leden van de fracties van PvdA, VVD, CDA, D66, GroenLinks, GPV, RPF en SGP hebben vragen en kanttekeningen bij het vervallen van de bijzondere tarieven. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of de regering per bijzonder tarief uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kan aangeven waarom destijds hiervoor gekozen is.

In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zijn bijzondere tarieven opgenomen in de artikel 57 (45%) 57a (25%), 57b (20%), 58 (10%), 78a (45%) en 75 (40%). Het hoge bijzondere tarief (artikel 57: 45%) is in de volgende gevallen van toepassing:

a. winst door onteigening;

b. winst door staking van de gehele onderneming of een deel daarvan;

c. winst bij eindafrekening op grond van artikel 16 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

d. afkoop van kleine pensioenen;

e. rente begrepen in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering;

f. premies op premie-obligaties en liquidatie-uitkeringen op aandelen;

g. afkoop, inkoop of vervreemding van winstbewijzen;

h. schadeloosstelingen in de inkomenssfeer (artikel 31 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964);

i. afnemingen van de oudedagsreserve.

Als rechtvaardiging voor het hoge bijzondere tarief in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldt dat matiging van de progressie, – toen met een toptarief van 70% en een laagste tarief van 16% – over inkomensbestanddelen die aan een bepaald kalenderjaar worden toegerekend, maar in wezen op meer dan een jaar betrekking hebben en een a-periodiek karakter dragen. In de memorie van antoord bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (blz. 88) is voorts opgemerkt dat zij tevens een gemengd karakter vertonen.

In verband met de indeling van de desbetreffende inkomensbestanddelen in de boxen II of III kan het het hoge bijzondere tarief voor de hiervoor genoemde onderdelen e, f en g in de Wet inkomstenbelasting 2001 geen functie vervullen. Over het inkomen in die boxen wordt namelijk een vaste tarief van 30% berekend.

Het tarief voor winst uit aanmerkelijk belang is in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (artikel 57a: 25%) aangemerkt als een bijzonder tarief. In het wetsvoorstel wordt dit inkomen in box III ook belast naar een vast tarief (30%).

Het lage bijzondere tarief (artikel 57b: 20%) is in de volgende gevallen van toepassing:

a. overlijdenswinst;

b. uitkeringen en verstrekkingen ineens wegens overlijden of invaliditeit van de werknemer ten gevolge van een ongeval;

c. inkoop van krachtens erfrecht opgekomen aandelen;

d. afkoopsommen ingevolge de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 en toeslagen ingevolge de Wet ambtelijke grondslagen Wuv en Wubo.

De rechtvaardiging voor het bijzondere tarief, voor wat de overlijdenswinst betreft was de zich veelal voordoende samenloop met het successierecht.Dit aspect kan het komend jaar aan de hand van het rapport van de Werkgroep Moltmaker nogmaals worden bezien, in die zin dat als de successierechten te zwaar zouden drukken een directe aanpak meer voor de hand ligt dan een indirecte via een bijzonder inkomstenbelastingtarief.

In het nieuwe stelsel is geen behoefte meer aan een bijzonder tarief voor onderdeel c. Inkomsten uit aandelen vallen immers in het nieuwe stelsel in de boxen II en III. Voor deze boxen geldt een vast tarief van 30%. De onderdelen a, b, en d vallen in box I, waarbij het de vraag is in hoeverre situaties als bedoeld onder d vanaf het jaar 2001 nog voorkomen.

De strekking van het herhapitalisatietarief (artikel 58: 10%) was de verbetering van de kapitaalsstructuur van een lichaam te stimuleren. Inkomsten uit aandelen die niet tot een aanmerkelijk belang behoren, vallen in het nieuwe belastingstelsel in box III. Bij het forfaitaire rendement in die box past geen speciaal tarief bij herkapitalisatie. Voor aanmerkelijk-belanghouders is het herkapitalisatietarief al sinds 1 januari 1997 niet meer van toepassing.

Dit tarief van artikel 75 (40%) is onderdeel van de overgangsregeling voor oude kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule. Het betreft hier contracten die afgesloten zijn vóór 1 juli 1964. Het tarief van artikel 78a (45%) is onderdeel van de overgangsregeling voor oude kapitaalverzekeringen. Op deze tarieven kan in het nieuwe stelsel geen beroep meer worden gedaan.

De leden van de PvdA-fractie zijn het eens met de door de regering gegeven argumentatie voor de afschaffing van de bijzondere tarieven. Ook de leden van de Groenlinks-fractie staan sympathiek tegenover die afschaffing. De leden van de fracties van CDA, GPV, RPF en SGP menen dat er, gegeven het progressieve karakter van het tarief in box I, onverkort behoefte blijft bestaan een bijzonder tarief.

Zoals in het algemeen deel van de memorie van toelichting is opgemerkt worden de tarieven over de gehele linie verlaagd waardoor de behoefte aan bijzondere tarieven afneemt. Bovendien neemt ook het aantal situaties waarin een bijzonder tarief van toepassing zou zijn af, doordat in box II en III geen progressieve tarief, maar een vast tarief geldt. Deze situaties- de leden van de GroenLinks-fractie vragen daarnaar – zijn hierboven voor elk tarief aangegeven.

De matiging van de progressie, waar veel leden naar verwijzen als doelstelling van de bijzondere tarieven, kan ook bereikt worden door de middelingsregeling die in het wetsvoorstel gehandhaafd blijft. De bijzondere tarieven en de middelingsregeling hebben dezelfde achtergrond, namelijk het matigen van de progressie in het tarief. Hoewel de middelingsregeling het vervallen van de bijzondere tarieven niet in alle gevallen zal kunnen compenseren, wordt met het afschaffen van de bijzondere tarieven overlap van twee regelingen met dezelfde achtergrond voorkomen. Met het oog op het vervallen van de bijzondere tarieven is het bereik van de middelingsregeling uitgebreid. Ook het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt kan met ingang van het kalenderjaar 2001 in de middeling worden betrokken. Dit is speciaal van belang voor ondernemers die op 65 jarige leeftijd de onderneming staken, waardoor de winst van dat jaar (inclusief stakingswinst) gemiddeld kan worden. In dit verband wordt opgemerkt dat de indieningstermijn van het middelingsverzoek ook is verruimd van 12 maanden naar 36 maanden, zodat een optimale keuze van het middelingstidvak kan worden gemaakt.

Voorts wijzen wij erop dat de verruimde doorschuiffaciliteit er voor zal zorgen dat het in een groter aantal gevallen dan thans het geval is, niet tot een fiscale afrekening zal komen.

Voorts hebben wij in de memorie van toelichting op het Belastingplan 2000 aangegeven, dat ter uitvoering van het regeerakkoord het afgelopen voorjaar intensief is overlegd met de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven (VNO/NCW, MKB Nederland en LTO Nederland) over een integraal pakket fiscale maatregelen, kortweg aangeduid als het ondernemerspakket 21e eeuw. Van dit pakket waarover overeenstemming is bereikt maakt deel uit het vervallen van de bijzondere tarieven. De opbrengst van het afschaffen van de bijzondere tarieven ad f 300 mln. wordt benut voor maatregelen uit het ondernemerspakket 21e eeuw. De gedachte daarbij was dat de middelen die beschikbaar zijn voor ondernemers beter kunnen worden aangewend voor maatregelen gericht op de continuiteit en versterking van het ondernemerschap. Het handhaven van een of meer bijzondere tarieven zal tot een herschikking van dit ondernemerspakket leiden.

De leden van de fracties van PvdA, CDA, GPV en RPF hebben moeite met het vervallen van het 20%-tarief bij overlijden. De leden van de PvdA-fractie noemen met betrekking tot het vervallen van het 20%-tarief de grote financiële verschillen met de huidige regeling. De leden van de fracties van CDA, GPV en RPF vragen of wel rekening is gehouden met de cumulatie van inkomstenbelasting en successierecht. Zij zouden het 20%-tarief willen handhaven, indien er geen opvolger is. Ook de leden van de CDA-fractie zijn voor handhaving van het overlijdenstarief.

Naast het feit dat de voorgestelde wetgeving over de gehele linie lagere tarieven heeft, zijn er ook andere voorzieningen om de cumulatie van inkomstenbelasting en succesierecht te matigen. Indien de onderneming bijvoorbeeld door (een van) de erfgenamen wordt voortgezet kan cumulatie van successierecht en inkomstenbelasting over de overlijdenswinst worden voorkomen door een beroep te doen op de doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting. Indien er geen bedrijfsopvolger is, kan cumulatie worden voorkomen of beperkt door het bedingen van een stakingslijfrente. In dit verband merken wij op dat die cumulatie soms bewust wordt opgezocht. Ingeval de onderneming door (een van) de erfgenamen wordt voortgezet, wordt veelal niet gekozen voor doorschuiving, maar voor afrekening tegen het 20%-tarief, omdat op de door afrekening verhoogde boekwaarde vervolgens kan worden afgeschreven tegen het progressieve tarief. Ook het voortzetten van de onderneming in de vorm van het volledig verhuren ervan, vindt veelal plaats met het oog op het 20%-tarief bij overlijden. Het vervallen van de bijzondere tarieven zal dus een afname tot gevolg hebben van constructies op het gebied van uitstel van winstneming om het bijzonder tarief deelachtig te worden.

Wat betreft de heffing van successierecht is verder van belang dat de Werkgroep modernisering successiewetgeving (Werkgroep Moltmaker) de modernisering van de successiewetgeving onderzoekt. In elk geval wordt daarbij onderzocht in hoeverre die wetgeving aanpassing behoeft in verband met mogelijke fiscale knelpunten bij bedrijfsopvolging. Zoals hiervoor reeds opgemerkt ligt – als de successierechten te zwaar zouden drukken – een directe aanpak meer voor de hand dan een indirecte via een bijzonder inkomstenbelastingtarief.

Indien geen gebruik kan worden gemaakt van de (verruimde) doorschuiffaciliteit en de mogelijkheid een stakingslijfrente te bedingen geen of onvoldoende soelaas biedt, kan het vervallen van het 20% tarief in individuele gevallen een forse lastenverzwaring betekenen. Deze individuele lastenverzwaring is echter onderdeel geweest van de afweging die in de werkgroep Belastingen 21e eeuw is gemaakt.

De leden van de PvdA-fractie menen dat juist in sectoren als de intensieve landbouw waar de komende jaren veel bedrijfsbeëindigingen worden verwacht fiscale wijzigingen geen extra belemmeringen mogen vormen voor bedrijfsbeëindiging. De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over het schrappen van de stakingsfaciliteiten voor met name ondernemers die niet van de nieuwe doorschuiffaciliteit gebruik kunnen maken vanwege overheidsmaatregelen, zoals de Wet herstructurering varkenshouderij, de reconstructiewet of anderszins. De leden van de CDA-fractie vragen of de bedrijfsoverdrachten in het midden- en kleinbedrijf en in de agrarische sector niet sterk worden bemoeilijkt. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op de argumenten van de werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw en de Raad van State om wel enigerlei van bijzondere tarieven te handhaven voor situaties van bedrijfsbeëindiging.

Met betrekking tot deze vragen merken wij op dat de gevolgen bij bedrijfsoverdrachten niet onoverkomelijk zullen zijn. Daarbij moet worden bedacht dat deze ondernemers ook gebruik kunnen maken van de in het ondernemerspakket 21e eeuw opgenomen geruisloze doorschuifregeling voor mede-ondernemers. Kunnen zij daar geen gebruik van maken – de leden van de fracties van PvdA en VVD noemen die situatie – dan kunnen zij wellicht een stakingslijfrente bedingen waardoor tegenover de stakingswinst een lijfrentepremieaftrek staat. Is een de stakingslijfrente niet mogelijk dan profiteren zij van de lagere tarieflijn in de inkomstenbelasting en kunnen zij gebruik maken van de middelingsregeling. De werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw is het eens met het laten vervallen van de bijzondere tarieven. Wel acht de werkgroep een ratio aanwezig voor handhaving van een beperkte stakingsvrijstelling.

De leden van de CDA-fractie menen dat de problemen in de praktijk zich onder meer zullen voordoen bij de uitbetaling van schadeloosstellingen bij ontslag uit een dienstbetrekking. Ook de leden van de VVD-fractie snijden dit punt aan.

Het hoge bijzondere tarief voor schadeloostelingen in de inkomenssfeer betreft voornamelijk de «gouden handdrukken» die bij ontslag uit een dientsbetrekking worden meegegeven. Schadeloosstellingen bij ontslag uit een dienstbetrekking zijn niet veel anders dan lopende inkomsten. Er is geen reden om op grond van een inkomenszwak karakter een bijzonder tarief toe te passen. Integendeel, onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is in vele gevallen het 45%-tarief aanzienlijk te laag, namelijk in die gevallen waarin de bijzondere bate bij een normale spreiding in de tijd tegen het 60%-tarief zou zijn belast. Met het vervallen van het bijzondere tarief voor schadeloosstellingen ter vervanginging van inkomsten zou een belangrijke vereenvoudiging worden bereikt. De talloze procedures waarin belastingplichtigen trachten een dergelijke bate onder het bijzondere tarief te wringen zullen in het nieuwe stelsel immers tot het verleden behoren. Voor gevallen waarin het a-periodieke karakter van de ontslaguitkeringen meebrengt dat een hoger marginaal tarief van toepassing is, kan de middelingsregeling veelal uitkomst bieden.

Het EIM heeft de inkomenseffecten van de Belastingherziening 2001 en het ondernemerspakket 21e eeuw voor zelfstandigen – de leden van de fractie van de SGP vragen daarnaar – onderzocht. Dit rapport is als bijlage bij deze nota gevoegd.1 De budgettaire consequenties van een op de verlaagde progressieve tarieven gebaseerd bijzonder tarief – de leden van de VVD-fractie vragen daarnaar – zijn f 300 mln, namelijk het voor het ondernemerspakket 21e eeuw ingeboekte bedrag als opbrengst van het vervallen van de bijzondere tarief, vermeerderd met f 25 mln per procentpunt dat het hoge bijzondere tarief lager wordt dan 45%.

De vraag van de leden van de fracties van GPV en RPF naar de lastenverzwaring voor ondernemers die met hun onderneming stoppen, hebben wij in paragraaf 4.1.3 beantwoord.

Door de leden van de VVD-fractie worden onder het thema «arbeidsmarktdoelstellingen en effecten» diverse vragen gesteld. Gesteld wordt dat fiscale instrumenten relatief inefficiënt zijn voor het beperken van de inactiviteit aan de «onderkant»van de arbeidsmarkt. Voorts stellen de leden dat de oploop van de gemiddelde wig tussen het minimumloon en modaal aanzienlijk blijft. Zij roepen de regering op om de gemiddelde wig rond modaal en 2x modaal te betrekken bij de aangekondigde nadere voorstellen ter verbetering van de positie van middeninkomens.

De regering wordt gevraagd bovenstaande constateringen uitvoerig van commentaar te voorzien. Meer specifiek stellen de leden van de VVD-fractie de volgende vragen:

• Hoeveel wordt de armoedeval op minimumloonniveau door de voorgestelde maatregelen verkleind en hoeveel wordt het verschil in guldens tussen nettoloon en netto-uitkering vergroot? De leden van de VVD verzoeken de regering aan te geven welk verschil tussen uitkering en loon nodig is om de arbeidsmarkt aan de onderkant goed te laten functioneren en in hoeverre voorziet de stelselherziening in het creëren van dit verschil.

• Hoe verklaart de regering het relatief geringe effect van de plannen op de werkgelegenheid onder minima? Hoe beoordeelt de regering het kosten-baten effect van fiscale stimulering «aan de onderkant» per te creëren arbeidsjaar?

• Hoe verhoudt qua beoogde effecten het onderhevige pakket zich tot de SPAK (Afdrachtsvermindering lage lonen)? Wat zijn tot nog toe de ervaringen met de SPAK voor wat betreft het aan het werk krijgen van werklozen rond het minimumloon?

De armoedeval houdt in dat als mensen bruto meer gaan verdienen hun beschikbaar inkomen er nauwelijks op vooruitgaan. Dit wordt onder andere veroorzaakt door inkomensafhankelijke regelingen als huursubsidie en kwijtschelding. De armoedeval verschilt per individu omdat het mede afhankelijk is van het gebruik van inkomensafhankelijke regelingen. Geconcludeerd kan in ieder geval worden dat door het verlagen van de tarieven de armoedeval wordt verkleind. Door de tariefsverlaging zal voor de meeste mensen de marginale wig dalen. Dit betekent dat de bruto inkomensverbetering netto meer oplevert dan voor de belastingherziening.

Zoals de regering reeds heeft toegezegd is het de bedoeling om de inkomenseffecten voor de middeninkomens te verbeteren. Hieraan wordt momenteel gewerkt. Hierdoor zal de gemiddelde wig voor de middeninkomens afnemen.

Daarnaast wordt door de introductie van de arbeidskorting het verschil tussen een netto-uitkering en het netto minimumloon vergroot. Hierdoor worden uitkeringsgerechtigden meer geprikkeld om een baan te accepteren. Door de belastingherziening stijgt het verschil tussen de netto-uitkering van een alleenverdiener en het netto minimumloon door de belastingherziening van ca. 550 gulden naar bijna 1 700 gulden per jaar. Door het verschil te vergroten wordt de werking van de arbeidsmarkt aan de onderkant verbeterd. Het is echter per individu verschillend hoeveel het verschil tussen uitkering en een baan moet zijn voordat hij/zij een baan accepteert. Dit hangt af van de individuele situatie (inkomensafhankelijke regelingen, preferenties van het individu) of deze inkomensvooruitgang voldoende is om een baan op minimumloonniveau te accepteren. In de huidige uitgangssituatie zal een vergroting van dit verschil zeker bijdragen tot een hogere arbeidsmarktparticipatie.

De berekeningen van het Centraal Planbureau geven aan dat de stelselherziening een substantieel effect heeft op de werkgelegenheid (zie werkdocument 115: «Economische gevolgen van de Belastingherziening 2001). Volgens het CPB zal op lange termijn de werkgelegenheid met 1,1% (ca. 70 000 personen) toenemen. De werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt neemt met 1,2% (ca. 10 000 personen) toe. Ook de werkloosheidsdaling is aan de onderkant van de arbeidsmarkt met 0,8%-punt (ruim 5 000 personen) relatief groot. De totale werkloosheid daalt met 0,5 %-punt (ca. 35 000 personen). De cijfers geven aan dat de onderkant van de arbeidsmarkt relatief juist veel profiteert van de stelselherziening. Een kosten-baten analyse per gecreëerd arbeidsjaar «aan de onderkant» is moeilijk te maken. Daarvoor zou immers een onderscheid moeten worden gemaakt tussen het deel van de totale lastenverlichting van 5 miljard dat wordt ingezet voor werkgelegenheid aan de onderkant en het deel dat wordt ingezet voor andere doeleinden (zoals het tot stand brengen van een evenwichtig inkomensbeeld). Een dergelijk onderscheid is niet te maken.

Het CPB heeft met hetzelfde model waarmee de belastingherziening is doorgerekend (MIMIC) ook bekeken wat de arbeidsmarkt-effecten van de SPAK zijn. Bij een gelijke budgettaire inzet (5 miljard) resulteert de SPAK volgens dit model in een werkgelegenheidseffect van 1,1% (ca. 70 000 personen). De werkloosheid daalt met 0,8%-punt (ca. 55 000 personen). De berekende werkgelegenheidseffecten zijn dus redelijk in lijn met de effecten zoals berekend voor de stelselherziening, zij het dat de daling van de werkloosheid bij de SPAK wat groter is. Daarbij moet echter wel nadrukkelijk worden opgemerkt dat in de MIMIC-berekeningen wordt verondersteld dat de economie zich in evenwicht bevindt. In de huidige situatie, met toenemende kraptes op de arbeidsmarkt, lijkt een instrument dat juist de aanbodzijde stimuleert (de arbeidskorting) effectiever dan een instrument dat de vraag naar arbeid stimuleert (de SPAK).

De ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met de SPAK zijn onlangs onderzocht door het NEI. De Kamer zal op korte termijn separaat over de resultaten van dit onderzoek worden geïnformeerd.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de overwegingen uit het Regeerakkoord zijn geweest om het aangrijpingspunt van de arbeidskorting te laten plaatsvinden vanaf 70% van het minimumloon. Waarom heeft de regering ervoor gekozen de grens voor toepassing van de arbeidskorting te verlagen tot 50% van het minimumloon? Welke arbeidsmarktoverwegingen hebben tot dit besluit geleid? Tevens vragen de leden wat de lange termijneffecten zijn van deze aanvullende maatregel?

In het Regeerakkoord is gekozen voor een arbeidskorting die bij 70% van het minimumloon begint omdat op deze wijze de stimulans volledig wordt gericht op de overstap van uitkering naar werk. Het sociaal minimum voor alleenstaanden ligt immers ook op 70% van het minimumloon. In het Regeerakkoord is echter tevens opgenomen dat de 70% zo nodig zal worden aangepast in het licht van inkomenseffecten en gewenste activerende werking. In het voorliggende wetsvoorstel heeft de regering ervoor gekozen het aangrijpingspunt van de arbeidskorting te verlagen tot 50% van het minimumloon. De overwegingen die tot deze keuze hebben geleid zijn van inkomenspolitieke aard. Door het lagere aangrijpingspunt profiteert ook een groot aantal deeltijders (meer) van de arbeidskorting. Dit versterkt tevens de positie van de deeltijder die deels ook zorgtaken heeft.

In werkdocument 115 van het CPB zijn de lange termijneffecten van het wetsvoorstel doorgerekend. Omdat het wetsvoorstel op onderdelen (bijvoorbeeld wat betreft de arbeidskorting) iets afwijkt van het Regeerakkoord vallen de berekende effecten ook iets anders uit. Ten opzichte van het regeerakkoord neemt het arbeidsaanbod in personen sterker toe omdat de opbouw van de arbeidskorting eerder start (toename bedraagt nu ca. 25 000 personen in plaats van 15 000 personen). De groei van het arbeidsaanbod in jaren uitgedrukt valt iets lager uit (40 000 jaar i.p.v. 45 000 jaar).

De leden van de VVD-fractie vragen wat de verwachte macro-economische effecten zijn van de verkorting van de derde schijf en een beperking van het arbeidskostenforfait ten opzichte van het jaar 2000 voor de kwaliteit van het arbeidsaanbod, de arbeidsproductiviteit?

In kwalitatieve zin kan worden opgemerkt dat een verkorting van de derde schijf ertoe leidt dat belastingplichtigen met een hoger inkomen te maken krijgen met een hoger belastingtarief over een deel van hun inkomen. Voor de betrokken groep (met een inkomen boven de 100 000 gulden per jaar) heeft dit uiteraard een negatief inkomenseffect waarvan de omvang afhankelijk is van de mate van schijfverkorting. Voorts zal een deel van deze groep door de schijfverkorting geconfronteerd worden met een hoger marginaal tarief. Dit heeft voor deze groep negatieve effecten op de arbeidsmarktparticipatie zoals elders in deze nota aan de orde is gesteld. De effecten van een beperking van het arbeidskostenforfait ten opzichte van het jaar 2000 zijn afhankelijk van de vraag wat met de budgettaire opbrengst wordt gedaan. Wordt deze opbrengst ingezet voor een verhoging van de arbeidskorting dan kan er per saldo sprake zijn van een positief effect op het arbeidsaanbod.

Een verlaging van het arbeidskostenforfait zal in de eerste plaats tot gevolg hebben dat werken financieel minder aantrekkelijk zal worden. Dit zal een negatief effect hebben op de arbeidsmarktparticipatie.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de algemene heffingskorting voor ouderen.

De algemene heffingskorting voor ouderen bedraagt f 1 514. Het bedrag van f 1 609 is te distilleren uit voorbeeld 1 van de artikelgewijze toelichting op artikel 8.1.6. Daarbij is echter aangegeven dat in het voorbeeld gedeeltelijk fictieve bedragen en percentages zijn gebruikt. Het in het algemeen deel van de memorie van toelichting genoemde bedrag van f 1 701 berust op een vergissing. De algemene heffingskorting voor belastingplichtigen van 65 jaar of ouder is een lager bedrag dan het bedrag dat geldt voor jongere belastingplichtigen, doordat zij in een lager gecombineerd tarief vallen (in de eerste en tweede schijf), dan belastingplichtigen jonger dan 65 jaar. Overigens zij hierbij opgemerkt dat de meeste 65-plussers geen nadeel hebben van de lagere heffingskorting. Als gevolg van de netto netto koppeling van de AOW wordt de lagere heffingskorting gecompenseerd door een hogere bruto AOW.

De leden van de fracties van VVD, CDA, D66 en SGP vragen naar de werking van de standaardheffingskorting bij een 65-plusser met een laag inkomen. Zij vragen of het juist is dat een deel van de op grond van artikel 8.1.7, tweede lid, verlaagde standaardheffingskorting dient te worden toegerekend aan de heffingskorting voor de AOW, die de belastingplichtige niet kan effectueren, waardoor een 65-plusser, hoe laag zijn inkomen ook is, altijd een bedrag ter grootte van de heffingskorting AOW dient te betalen. Ook de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs stelt deze vraag.

De desbetreffende bepalingen in het wetsvoorstel zouden inderdaad in het nadeel van de 65-plusser uitvallen. Dit is echter niet beoogd. Door middel van een Nota van wijziging zal de wettekst worden aangepast waardoor de wettekst in overeenstemming zal zijn met de bedoeling. Daarmee wordt duidelijk dat een 65-plusser niet altijd een bedrag ter grootte van de heffingskorting voor de AOW moet betalen.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de arbeidskorting, die wordt geïntroduceerd om een incentive voor betaalde arbeid in te bouwen, niet geldt voor 65-plussers. Deze gedachte van deze leden moet op een misverstand berusten. Aan het recht op arbeidskorting is geen leeftijdsgrens verbonden.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts een nadere toelichting op het verschil tusen de arbeidsaftrek voor actieven en niet-actieven, waarom de post-actieven worden gekort en welke redelijkheid daar achter zit.

Deze leden zullen doelen op het verschil in arbeidskorting tussen personen jonger dan 65 jaar en personen van 65 jaar en ouder die in beide situaties met actuele arbeid meer dan f 15 316 aan inkomen verwerven. Het bedrag van de arbeidskorting zoals dat op grond van de wet wordt bepaald, bestaat, net als de andere heffingskortingen (uitgezonderd de ouderenkortingen), uit vier elementen: een deel voor elk van de premies AOW, Anw en AWBZ en een deel voor de belasting. Op elk element van de heffingskorting bestaat recht voor zover de daarbij behorende premie of belasting wordt geheven. Voor personen van 65 jaar en ouder betekent dit dat in het bedrag van de arbeidskorting niet dat deel is begrepen wat betrekking heeft op de premie AOW. Uitgaande van de in de memorie van toelichting opgenomen veronderstelling met betrekking tot de samenstelling van de eerste tariefschijf betekent dit dat de arbeidskorting voor personen van 65 jaar en ouder 15/32,9 ofwel ongeveer 45,6% bedraagt van de arbeidskorting voor personen jonger dan 65 jaar.

De leden van de CDA-fractie vragen of gekwantificeerd kan worden welke invloed de overdraagbaarheid van de basisaftrek heeft op de werking van de arbeidsmarkt? Moeten arbeidsmarkt motieven prevaleren boven draagkrachtbeginsel en belastingdruk in huishoudensverband?

In de Memorie van Toelichting wordt geschetst op welke wijze de huidige overdraagbare basisaftrek de arbeidsmarktparticipatie van partners belemmert. Door de omzetting in een heffingskorting vervalt deze barrière waardoor meer partners zullen toetreden tot de arbeidsmarkt.

In onderzoeksmemorandum nr. 140 van het CPB (Analyzing Fiscal Policy in the Netherlands) worden de kwantitatieve effecten geschetst van een variant waarbij de basisaftrek wordt omgezet in een heffingskorting tegen het tarief van de eerste schijf, en waarbij de budgettaire besparing hiervan wordt ingezet voor een verlenging van de eerste schijf. Deze variant komt min of meer overeen met hetgeen op dit onderdeel wordt voorgesteld in het voorliggende wetsvoorstel. Het CPB berekent dat bij deze variant de werkgelegenheid en het arbeidsaanbod met respectievelijk met 0,2%-punt (ca. 13 000 personen) en 0,5%-punt (ca. 34 000 personen) toenemen.

In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd of arbeidsmarktmotieven dan wel het draagkrachtbeginsel en de belastingdruk in huishoudensverband dienen te prevaleren. Het kabinet heeft beide aspecten in de afwegingen betrokken. de leden van de fractie van CDA merken op dat de hoge marginale wig een negatief effect heeft op de werking van de arbeidsmarkt. Hoe verhoudt deze zin zich met de krapte op de arbeidsmarkt bij met name modaal en twee keer modaal?

Zoals elders in deze nota opgemerkt heeft een hoge marginale wig een negatief effect op opwaartse doorstroming op de arbeidsmarkt en op scholingsactiviteiten. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat er tegelijkertijd sprake is van werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt en kraptes aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. De huidige situatie op de arbeidsmarkt lijkt heel goed verenigbaar met deze constatering.

De leden van de fractie van het CDA vragen zich af of door het verhogen van het arbeidskostenforfait in de afgelopen jaren en de introductie van de arbeidskorting straks, de verhouding uitkeringsgerechtigden en loontrekkers niet te veel scheef wordt getrokken. De leden van de CDA-fractie vragen om een cijfermatige vergelijking van de verschillen voor werknemers en niet-werkenden jonger dan 65 jaar in de huidige belastingwetgeving en in de herziening. In het onderstaande overzicht zijn deze verschillen in kaart gebracht.

 WerkendenNiet-werkenden < 65 jaarWerkenden Niet-werkenden < 65 jaar
 Huidig stelselBelastingherziening
Arbeidskostenforfait3 174 1 262 
Niet-actievenforfait 1 055 308
Arbeidskorting  1 5350

Hierbij moet opgemerkt worden, dat zowel het arbeidskostenforfait als het niet-actievenforfait het belastbare inkomen verlagen, terwijl de arbeidskorting netto in mindering op de te betalen belasting wordt gebracht.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het inkomenseffect van het afschaffen van de overdraagbare voet onvoldoende wordt gecompenseerd ten opzichte van groepen die geen gebruik maken van de overdraagbaarheid van de belastingvrije voet. Naar aanleiding hiervan merken wij op dat, zoals blijkt uit tabel 4 op pagina 62 van de Memorie van toelichting, de inkomenseffecten van de voorgestelde wijzigingen in de tariefstructuur voor alleenverdieners positief zijn. Bij de berekening van deze inkomenseffecten is niet slechts gekeken naar de inkomensgevolgen die optreden voor de alleenverdiener zelf, maar is ook rekening gehouden met het feit dat de niet verdienende partner de niet langer overdraagbare heffingskorting krijgt uitgekeerd. De weergegeven effecten hebben derhalve betrekking op het hele huishouden.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie of de overheid via het belastingstelsel beïnvloedend moet werken, om partners te bemoedigen of ontmoedigen om te werken. Zij menen dat deze keuze toch niet los van het fiscale stelsel gemaakt kan worden en dat deze keuze toch geheel vrijwillig dient plaats te vinden. Ook de regering is van mening dat de keuze om al dan niet te gaan werken vrijwillig dient te zijn. Dit neemt niet weg dat partners van alleenverdieners via het belastingstelsel niet ontmoedigd moeten worden om te gaan werken. Om die reden stelt de regering voor de fiscale drempel om te gaan werken, die door het huidige systeem van overdraagbare belastingvrije sommen onder omstandigheden wordt opgeworpen, weg te nemen door dit systeem te vervangen door een systeem van heffingskortingen. De regering streeft er ook meer in het algemeen naar de arbeidsparticipatie te vergroten. De introductie van de arbeidskorting, die het financieel aantrekkelijker maakt om te gaan werken, draagt hiertoe bij.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de omzetting van belastingvrije som in heffingskorting leidt tot verbijzonderingen in de samenloop tussen belasting- en premieheffing en waarom deze verbijzonderingen leiden tot een verdergaande integratie van belasting- en premieheffing. Voorts vragen deze leden waarom de regels waarin deze bijzonderheden zijn vervat zijn opgedeeld tussen de Wet IB 2001 en de Wet financiering volksverzekeringen. De leden van de fractie van Groen links vragen waarom zo'n ingewikkelde vormgeving van het stelsel van heffingskortingen voor ouderen is gekozen. Omdat de presentatie van de heffingskortingen in de tabel op pagina 23 bij hen de suggestie doet postvatten dat er geen aparte heffingskorting voor ouderen geldt (hetgeen wel het geval is) vragen zij of het geheel der kortingen niet op een andere, eenvoudiger wijze kan worden gepresenteerd.

Basis voor de vormgeving van het stelsel van heffingskortingen is dat de heffing steeds bij hetzelfde bedrag moet aangrijpen ook als er sprake is van het niet verschuldigd zijn van de premie voor alle drie de volksverzekeringen, zoals bij voorbeeld bij ouderen het geval is. Om die reden is bepaald dat de totale heffingskorting bestaat uit een deel dat betrekking heeft op de belasting en drie delen voor de volksverzekeringen AOW, Anw en AWBZ in de verhouding van de onderliggende heffingspercentages in de eerste tariefschijf. Omdat de onderlinge verhouding tussen het belastingpercentage en de premiepercentages voor de drie volksverzekeringen jaarlijks wijzigt is het niet praktisch om per heffingskorting een bedrag in de wet op te nemen. Dit zou leiden tot een ingewikkelde indexeringsbepaling voor de verschillende bedragen van de heffingskortingen om te voorkomen dat het aangrijpingspunt voor de verschillende heffingen uiteen gaat lopen. De bedragen van de ouderenkortingen bestaan uit een deel heffingskorting dat betrekking heeft op de belasting en twee delen heffingskorting voor de volksverzekeringen Anw en AWBZ. Hiermee is voorkomen dat in de wet een relatief hoog bedrag voor de ouderenkortingen is opgenomen waarin een component voor de algemene ouderdomsverzekering is begrepen waar de belastingplichtige vervolgens geen recht op kan doen gelden. Dat deze verbijzonderingen leiden tot een verdergaande integratie van belasting- en premieheffing zoals de leden van de CDA-fractie menen, kunnen wij niet onderschrijven. De regels waarin deze verbijzonderingen zijn vervat zijn verdeeld over de Wet IB 2001 en de Wet financiering volksverzekeringen omdat de bepalingen op grond waarvan wordt vastgesteld of iemand de premie voor de algemene ouderdomsverzekering, de algemene nabestaandenverzekering of de algemene verzekering bijzondere ziektekosten verschuldigd is en daarmee of hij recht heeft op de daaraan gekoppelde heffingskorting thuishoren in de Wet financiering volksverzekeringen en niet in een belastingwet.

In de tabel op pagina 23 van de memorie van toelichting waar de leden van de fractie van GroenLinks naar vragen zijn inderdaad voor de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting alleen bedragen opgenomen voor de situatie van volledige belasting- en premieplicht voor personen jonger dan 23 jaar. Onderstaand een tabel waarin ook de bedragen voor personen van 65 jaar en ouder zijn opgenomen:

 personen jonger dan 65 jaar personen van 65 jaar en ouder
algemene heffingskorting&euro; 1 507 (f 3321) &euro; 687 (f 1514)
arbeidskorting&euro; 697 (f 1536) maximaal &euro; 318 (f 701) maximaal
alleenstaande-ouderkorting&euro; 1 206 (f 2658)&euro; 550 (f 1212)
aanvullende alleenstaande-ouderkorting&euro; 1 206 (f 2658) maximaal&euro; 550 (f 1212) maximaal
ouderenkortingN.V.T.&euro; 171 (f 377) of &euro; 44 (f 97)
aanvullende ouderenkortingN.V.T. &euro; 251 (f 553) of &euro; 44 (f 97)

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Belastingdienst in het kader van de uitbetaling van de heffingskorting omgaat met de niet-verdienende partner.

Het ligt in de bedoeling de niet-werkende partners uiterlijk eind september 2000 een aanvraagformulier voor de heffingskorting toe te zenden. Op basis van het ingevulde aanvraagformulier wordt de heffingskorting in de vorm van een voorlopige teruggaaf toegekend. Deze wordt, overeenkomstig de voorlopige teruggaaf voor aftrekposten, in maandelijke termijnen aan de belanghebbende uitbetaald. In de meeste gevallen kan met de voorlopige teruggaaf worden volstaan. Blijkt na afloop van het jaar dat de belanghebbende recht heeft op een hogere of lagere heffingskorting dan via de voorlopige teruggaaf is genoten, dan vindt correctie plaats door het opleggen van een negatieve of positieve aanslag inkomstenbelasting.

De heffingskorting heeft geen bijzondere gevolgen voor studenten, scholieren en hun ouders. Hebben deze personen een verdienende partner, zonder zelf inkomen te genieten, dan bestaat in het nieuwe belastingstelsel een zelfstandig recht op heffingskorting.

De leden van de fracties van PvdA en CDA vragen de regering om een overzicht van de omvang en de samenstelling van de groep personen die thans onder de invorderingsvrijstelling vallen. De leden van PvdA-fractie merken op dat bijzondere aandacht op zijn plaats is voor de groep kleine deeltijders die thans onder de invorderingsvrijstelling vallen. Deze leden schatten dat het hier om meer dan 100 000 personen gaat. Deze leden vragen of de regering deze schatting kan preciseren en tevens kan aangeven hoeveel uren per week deze personen werken. Tevens vragen de leden van de CDA-fractie naar het budgettair belang van de bestaande invorderingsvrijstelling. In totaal zijn er in 1999 naar schatting circa 125 000 personen die vallen onder de invorderingsvrijstelling. Een verdeling naar sociaal-economische positie leert dat circa 56% zelfstandig ondernemer is. Ongeveer 13% geniet hoofdzakelijk inkomsten uit tegenwoordige arbeid en 21% geniet hoofdzakelijk inkomsten uit vroegere arbeid. Van de overige 10% kan de sociaal-economische positie niet eenduidig op basis van gegevens van de belastingdienst worden vastgesteld. Het budgettair belang van de invorderingsvrijstelling bedraagt naar schatting circa 125 miljoen gulden. Zoals eerder opgemerkt geldt de invorderingsvrijstelling bij het opleggen van een aanslag voor de inkomstenbelasting. Het is echter inherent aan de regeling dat niet alle personen met lage – niet aan loonbelasting onderworpen – inkomsten daadwerkelijk aangifte zullen doen. Aangenomen mag worden dat dit met name geldt voor personen met kleine deeltijdbanen (o.a. alphahulpen, gast-ouders en overblijfmoeders) die hun basisaftrek aan hun meer verdienende partner overdragen. Over de exacte omvang en samenstelling van deze groep kunnen wij op basis van de gegevens van de belastingdienst derhalve geen exacte uitspraken doen. Er zijn naar schatting circa 67 000 à 70 000 alphahulpen, zo blijkt uit gegevens van VWS en de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg. Gemiddeld werken de alphahulpen 4 à 5 uur per week, tegen een (bruto=netto) vergoeding op WML-niveau. Gelet op de bovengrens van het belastbaar inkomen voor overdracht van de basisaftrek aan de meer verdienende partner zal een dienstverband van meer dan 10 uur per week naar verwachting nauwelijks voorkomen.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom buitenlandse belastingplichtige niet in aanmerking komen voor een heffingskorting. Deze vraag is besproken in § 9 Europeesrechtelijke aspecten.

De leden van de VVD-fractie vragen of het juist is dat de aanvankelijk over een bepaald jaar aan een belastingplichtige toegekende heffingskorting wordt teruggenomen als het inkomen van dat jaar door verliesverrekening alsnog op nihil wordt gesteld. Ook de leden van de fracties van CDA en D66 vragen hiernaar.

Dit is inderdaad juist. Een belastingplichtige die in een jaar, vóór de toepassing van de heffingskorting, geen belasting is verschuldigd kan de heffingskorting – afgezien van de specifieke regeling voor de niet of weinig verdienende partner – niet effectueren (artikel 8.1.7). Dit is niet anders indien de belastingplichtige door voor- of achterwaartse verliesverrekening geen belasting is verschuldigd. Overigens verschilt de systematiek van de heffingskorting op dit punt niet van de huidige systematiek van de belastingvrije sommen.

Voorts vragen de leden van de fracties van VVD en CDA of het juist is dat de aan de niet of weinig verdienende partner toegekende heffingskorting wordt teruggenomen, indien het inkomen van de partner door achterwaartse verliesverrekening alsnog op nihil wordt gesteld.

Ook deze vraag beantwoorden wij bevestigend. Als de verdienende partner geen belasting is verschuldigd, heeft de niet of weinig verdienende partner geen recht op een uit te betalen heffingskorting. Dit is niet anders indien de belastingplichtige door voor- of achterwaartse verliesverrekening geen belasting is verschuldigd. Indien de definitieve aanslag al is vastgesteld, zal de heffingskorting bij de niet of weinig verdienende partner door middel van een navorderingsaanslag in voorkomende gevallen worden teruggenomen. Hierbij zijn de regels van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing, waaronder de regels omtrent de heffingsrente.

De leden van de fracties van VVD en CDA vragen of het juist is dat bij de toepassing van de middelingsregeling als over een jaar geen aanslag is vastgesteld, het bedrag van de ingehouden loonbelasting verhoogd moet worden met de heffingskorting waarmee bij de heffing van loonbelasting rekening gehouden is.

Het antwoord op de door deze leden gestelde vraag luidt bevestigend. Door middel van een Nota van wijzging zal dit expliciet in de tekst van het wetsvoorstel worden opgenomen.

De leden van de CDA-fractie vragen of het niet redelijk is de gedachte achter «credit-regelingen» ook in de batesfeer toe te passen. Deze suggestie staat haaks op ons voorstel het bijzondere tarief voor bijzondere baten te laten vervallen. Ons voorstel past zoals wij hiervoor hebben uiteengezet in een verbetering van de inkomstenbelasting als draagkrachtheffing terwijl de suggestie van deze leden het tegenovergestelde zou bereiken. Deze leden suggereren in dit kader dat er bij de belastingheffing verschil wordt gemaakt tussen inkomsten uit vrijwilligerswerkzaamheden en neveninkomsten in het algemeen. Wij zijn ons niet bewust van een zodanig verschil. Dat verschil zou er wel komen als gevolg zou worden gegeven aan de hiervoor door deze leden ter sprake gebrachte activiteiten-aftrek De leden van de fractie van D66 zien graag een toelichting waarom, onder de benaming bijzondere aftrek, een niet-actievenforfait wordt gehandhaafd en hoe de hoogte ervan is gekozen.

Zoals is uiteengezet in de memorie van toelichting op artikel 3.3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dekt de bijzondere aftrek op forfaitaire wijze de gemiddelde werkelijke kosten in verband met inkomsten uit vroegere arbeid van belastingplichtigen. Dit is eenzelfde ratio als geldt voor de algemene aftrek in verband met inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Voor de omvang van de bijzondere aftrek is aangesloten bij het bedrag van het niet-actievenforfait onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat was vastgesteld vóór de diverse beleidsmatige ingrepen sinds 1990, verhoogd met de jaarlijkse indexatiebedragen overeenkomstig artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Opgemerkt zij dat de eliminatie van de hiervoor bedoelde beleidsmatige ingrepen in het totaalbeeld van de inkomenseffecten is opgevangen.

De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat de afschaffing van de overheveling van de basisaftrek aan de meestverdienende partner niet goed mogelijk is zonder de invoering van een op de lagere inkomensgroepen gerichte arbeidskorting. Anders zou volgens deze leden inkomensschade voor bijvoorbeeld gezinnen met alfahulpen ontstaan. Zij vragen of het kabinet bereid is op deze wijze tot inkomensreparatie over te gaan.

Zoals blijkt uit de in de memorie van toelichting gepresenteerde inkomenseffecten leidt de omzetting van de mogelijkheid van overdracht van de basisaftrek in een individueel uit te betalen algemene heffingskorting in combinatie met de overige effecten van de wijziging van de tariefstructuur op huishoudensniveau beschouwd niet tot negatieve inkomensgevolgen voor de lagere inkomensgroepen. Voor de specifieke problematiek van het vervallen van de invorderingsvrijstelling en de daarmee verband houdende inkomensgevolgen voor onder meer gezinnen met alfahulpen en de mogelijkheden om de arbeidskorting meer te richten op de lagere inkomensgroepen verwijzen wij naar elders in deze nota.

Het valt de fractie van D66 op dat de gekozen hoogte van de arbeidskorting nergens expliciet wordt toegelicht. Zij verzoeken dit alsnog te doen.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is uitgegaan van een arbeidskorting van maximaal 1 535 gulden. Bij het vaststellen van dit bedrag hebben diverse overwegingen een rol gespeeld. In de eerste plaats moet er sprake zijn van een substantiële verkleining van de werkloosheidsval, rekening houdend met de voorgestelde versobering van het arbeidskostenforfait. In de tweede plaats geldt als uitgangspunt dat de stelselherziening, en de arbeidskorting als onderdeel daarvan, resulteert in een evenwichtig inkomensbeeld. Tenslotte dienen de voorgestelde maatregelen inpasbaar te zijn in de beschikbare budgettaire ruimte.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom voor de parlementaire behandeling van de huidige belastingherziening zoveel minder tijd beschikbaar is als destijds voor de Oort-wetgeving feiten. Aan de Oort-wetgeving lag een rapport ten grondslag dat is gevolgd door een afzonderlijk regeringsstandpunt. In dit geval zijn er tal van aanlopen naar de Verkenning geweest (zie de bijlagen bij de Verkenning) en vervolgens de omvangrijke Verkenning zelf die in veel opzichten al aanzetten tot het wetgevingsproces bevat. Vervolgens is in het regeerakkoord een gedetailleerde opzet van de belastingherziening opgenomen. Uit het omvangrijke verslag van de zijde van de Kamer leiden wij af dat het tijdschema een intensieve behandeling van de voorstellen niet in de weg staat. Dat geeft ons het vertrouwen dat wij niettegenstaande de omvang van dit project te maken hebben met een proces dat verantwoord verloopt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet heeft overwogen het inactievenforfait om te zetten in een aparte heffingskorting en vragen wat de consequenties daarvan zouden zijn.

Het bedrag van de bijzondere aftrek, zoals het inactievenforfait in het nieuwe regime wordt genoemd, dat resteert na eliminatie van de verhogingen sinds 1989 die daarop om inkomenspolitieke redenen zijn toegepast, heeft ten doel op forfaitaire wijze rekening te houden met kleine kostenposten in verband met de verwerving van inkomsten. Omdat de bijzondere aftrek geen instrumentele regeling is, ligt het niet voor de hand deze kosten fiscaal te vergelden door middel van een heffingskorting. Technisch is omzetting van de bijzondere aftrek in een heffingskorting geen probleem. Wat de consequenties zouden zijn van het omzetten van de bijzondere aftrek in een heffingskorting is afhankelijk van de wijze waarop de daardoor vrijkomende middelen worden ingezet. Er van uitgaande dat omzetting in een heffingskorting zou geschieden tegen het percentage van de eerste tariefschijf, zou dit, zonder compenserende maatregel, voor belastingplichtigen met een inkomen boven die eerste schijf in elk geval leiden tot een negatief inkomenseffect.

De leden van de fractie van Groenlinks vragen waarom het kabinet de middelingsregeling heeft verruimd.

Onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen ook 65-plussers de middelingsregeling toepassen. Alleen het jaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt, kan niet in een middelingstijdvak worden betrokken. Op dit verschil in behandeling is kritiek geuit. Ook de Raad van State adviseerde de middelingsregeling te herzien. De argumenten die destijds tot de uitsluiting van het jaar waarin de 65e jarige leeftijd werd bereikt hebben geleid, te weten de brutodaling van het inkomensniveau waarmee de pensionering gepaard gaat is een maatschappelijk aanvaard gegeven dat niet als een hardheid wordt ervaren en het probleem van splitsing van het herrekende inkomen in een deel dat betrekking heeft op de periode tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd (dat tegen het volle gecombineerde eerste en tweede-schijftarief is belast) en een deel dat betrekking heeft op de periode daarna (dat tegen het gereduceerde gecombineerde eerste en tweede-schijftarief is belast) zijn achterhaald. Het eerste argument is achterhaald vanwege de omstandigheid dat de datum van pensionering steeds meer flexibel wordt en niet meer vanzelfsprekend gekoppeld is aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Voor het tweede argument is in artikel 3.13.1, achtste lid, een oplossing gevonden. Ondernemers die in het jaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt, de onderneming staken, en daardoor eenmalig een hoog inkomen, hebben in het nieuwe stelsel de mogelijkheid ook dat jaar te middelen. De verruiming is mede ingegeven door het vervallen van de bijzondere tarieven. Deze ondernemers zouden immers door de uitsluiting van juist dit jaar het verval van de bijzondere tarieven als een aanscherping kunnen ervaren.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre de heffingskorting jaarlijks aan de hand van een (consumenten)prijsindex zal worden aangepast. Net als thans het geval is met betrekking tot de belastingvrije sommen, zullen de bedragen van de heffingskortingen jaarlijks worden aangepast aan de hand van een prijsindexcijfer. Dit is geregeld in de artikel 10.1.1 en 10.1.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de standaardheffingskorting bij de minstverdienende partner door toepassing van artikel 8.1.8 van het wetsvoorstel slechts wordt verhoogd tot het bedrag van de algemene heffingskorting. Bij de verhoging van de standaardheffingskorting is aangesloten bij de systematiek die geldt voor overdracht van de basisaftrek in het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In dat systeem is de overdracht beperkt tot de basisaftrek waarvoor de algemene heffingskorting in de plaats treedt.

3.2. Aftrekposten

De leden van de CDA fractie twijfelen aan de werking van de arbeidskorting. Deze leden zeggen voorstander te zijn van een meer gericht arbeidsmarktbeleid. Bovendien zijn zij voorstander van arbeidsmarktinstrumenten buiten de fiscaliteit. Zij vragen of een bedrag van 8 miljard voor de invoering van een arbeidskorting niet heel veel is.

De regering heeft na een zorgvuldige afweging gekozen voor invoering van de arbeidskorting, omdat dit instrument een belangrijke impuls levert aan de, mede in verband met de vergrijzing noodzakelijke, toename van de arbeidsparticipatie. Vooral door de invoering van deze arbeidskorting stijgt het aantal personen met een betaalde baan met circa 65 000. Dat leidt tevens tot meer economische zelfstandigheid. Invoering van de arbeidskorting leidt tevens tot een vermindering van de armoedeval, zoals deze zich thans op verschillende inkomensniveaus voordoet. Het bedrag dat voor de invoering van deze arbeidskorting wordt ingezet is alleszins te verdedigen gegeven de positieve effecten op het arbeidsaanbod en mede in het licht van de bijdrage die invoering van de arbeidskorting levert aan het door de regering beoogde inkomensbeeld. Voor de regering is het overigens – in tegenstelling tot de CDA fractie zo lijkt het – geen principieel punt of een arbeidsmarktinstrument al dan niet fiscaal is vormgegeven. Doorslaggevend is de effectiviteit en doelmatigheid van het instrument.

De leden van de CDA-fractie vragen wat het effect is van de arbeidskorting bij de krapte op de arbeidsmarkt. Wat zijn de sociale gevolgen van de daling van de replacement rate en de toetreding van niet-werkende partners tot de arbeidsmarkt. Gaan de werkgelegenheidseffecten wel op voor de oudere generatie, de langdurig werklozen, de mensen in de WAO etc.? Welk flankerend beleid is hierbij vereist? Wat zijn de kosten van dit flankerende beleid?

Juist bij de huidige krapte op de arbeidsmarkt is de arbeidskorting een geschikt instrument. De arbeidskorting is namelijk specifiek gericht op het stimuleren van het arbeidsaanbod, hetgeen de geconstateerde kraptes beperkt en de werkgelegenheid stimuleert. Het kabinet is van mening dat de verhoging van het arbeidskostenforfait in de introductie van de arbeidskorting de verhouding tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden niet scheef trekt. Het tegenovergestelde is eerder waar. De huidige situatie waarin het vinden van een laag betaalde baan vanuit een uitkeringssituatie nauwelijks resulteert in een hoger inkomen is eerder scheef te noemen. Deze zogenoemde werkloosheidsval zet een rem op het arbeidsaanbod en daarmee op de arbeidsparticipatie. De introductie van de arbeidskorting maakt werken financieel aantrekkelijker, leidt tot een verlaging van de replacement rate, en verkleint de werkloosheidsval. Elders in deze nota wordt uitvoerig ingegaan op de effecten hiervan. Het sociale gevolg dat het kabinet verwacht is dan ook in de eerste plaats een afname van het hoge niveau van inactiviteit. Het is uiteraard niet zo dat flankerend beleid, ook voor specifieke probleemgroepen daarmee overbodig wordt. Het bestaande beleid gericht op participatie en reïntegratie wordt voortgezet. Voor de kosten hiervan wordt verwezen naar de Sociale Nota 2000.

Overigens moet worden opgemerkt dat ook sociale minima een behoorlijke inkomensverbetering ondervinden als gevolg van de stelselherziening. De daling van de replacement rate gaat dus niet ten koste van de sociale minima. Een generieke verhoging van uitkeringen zou, afhankelijk van de gekozen vormgeven, een averechts effect hebben op de werkloosheidsval.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat de in dit wetsvoorstel opgenomen algemene heffingskorting gelding heeft voor iedereen en onlosmakelijk is verbonden aan de tarieven. Zij constateren vervolgens dat het omzetten van aftrekposten als het arbeidskostenforfait in een belastingkorting – gedoeld wordt met name op de arbeidskorting – een fundamenteel andere ingreep is. Wij tekenen hierbij aan dat de arbeidskorting weliswaar ten dele wordt gefinancierd uit een versobering van het genoemde forfait, maar dat de versobering zich alleen uitstrekt tot dat deel van het forfait dat daarin door de wetgever met het oog op de werking van de arbeidsmarkt is opgenomen. Overigens geven de leden van de fractie van D66 aan dat zij het terecht vinden dat deze, door hen fors genoemde, verhogingen van het arbeidskostenforfait worden teruggedraaid.

Het arbeidskostenforfait voorzover dit thans dient ter vergelding van op de werknemer drukkende kosten blijft ongewijzigd. Een omzetting van het arbeidskostenforfait op een wijze zoals deze leden lijken te veronderstellen doet zich derhalve niet voor.

De leden van de CDA-fractie vragen of het onderscheid tussen aftrekposten gerelateerd in box I en de aftrekposten die samenhangen met de persoonlijke situatie wel altijd scherp te trekken is. Tevens vragen zij of er hybride vormen van aftrekposten mogelijk zijn.

Ook de leden van de fracties van PvdA en D66 hebben gevraagd of het mogelijk is om voor bepaalde aftrekposten een andere indeling te kiezen dan uit het wetsvoorstel voortvloeit. Zo vragen zij om de uitgaven voor kinderopvang niet in box I op te nemen, maar in de categorie persoonsgebonden uitgaven. In zoverre zou deze aftrekpost wellicht als een hybride vorm kunnen worden gezien. Zoals wij elders in deze Nota uiteen hebben gezet menen wij echter goede argumenten te hebben voor de gemaakte keuze.

De leden van de CDA-fractie vragen naar een eventuele overgangsregeling voor het niet langer toestaan van renteaftrek in specifieke situaties, zoals studie, ziekte en overbedeling.

De overgangsregeling met betrekking tot overbedelingsrente zullen we afzonderlijk bespreken in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

Met betrekking tot de rente ter zake van schulden die zijn aangegaan voor studiekosten en ziektekosten geldt dat die onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet onder de studiekosten en ziektekosten vallen, omdat deze in een te ver verwijderd verband staan tot de ziekte of scholing. Ze vallen onder de renteaftrek ter zake van persoonlijke verplichtingen. Het ligt niet voor de hand om in de Wet inkomstenbelasting 2001 – al dan niet bij wijze van overgangsregeling – de rentekosten wel onder de ziektekosten of de scholingsuitgaven te brengen.

Om de belastinggrondslag te verbreden en te verstevigen is er in het regeerakkoord en in het wetsvoorstel voor gekozen de renteaftrek ter zake van persoonlijke verplichtingen af te schaffen. Onderdeel hiervan is de aftrek van rente van studiefinancieringsschulden, rente van schulden voor scholing en rente van schulden in verband met ziektekosten.

Opgemerkt zij dat bovengenoemde schulden wel in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de rendementsgrondslag waardoor, indien er sprake is van bezittingen, een aftrek ter grootte van 4% van de schuld wordt bewerkstelligd. In paragraaf 8.2 op bladzijde 53 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is aangegeven dat door het vervallen van de renteaftrek ter zake van consumptieve leningen studenten minder snel geneigd zullen zijn studieleningen aan te gaan. Om dit effect te voorkomen, wordt voor nieuw af te sluiten leningen – buiten de fiscaliteit – een tegemoetkoming geboden.

De leden van de fracties van VVD en CDA vragen hoe een belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen kan voelen tot het doen van fictieve uitgaven, als bedoeld in artikel 6.1.1, tweede lid, onderdelen c, d en e. Ook de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs stelt deze vraag.

Bij de in artikel 6.1.1, tweede lid, onderdelen c, d en e vermelde uitgaven, te weten de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, de buitengewone uitgaven en de weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen zijn twee eisen opgenomen. Enerzijds moeten de uitgaven op de belastingplichtige drukken. Dat houdt in dat de uitgaven uit eigen middelen moeten worden voldaan, zonder verhaalsmogelijkheid. Door deze eis is geen aftrek mogelijk voor uitgaven die (kunnen) worden bestreden uit tegemoetkomingen van een ander die worden verkregen in verband met de gebeurtenissen die de uitgaven hebben veroorzaakt en die in beginsel niet tot het loon behoren. Voorbeelden hiervan zijn een verzekeringsuitkering, een sociale uitkering of verhaal op derden. Anderzijds moet de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen kunnen voelen tot het doen van de uitgaven. Hiermee wordt beoogd aan te sluiten bij de betekenis van het begrip «drukken» voor de buitengewone lasten onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Afhankelijk van de aftrekpost moet sprake zijn van een morele verplichting of noodzaak tot het doen van de uitgaven.

Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen drukken indien de belastingplichtige te zijnen laste ten minste in belangrijke mate in het onderhoud van het kind voorziet. Om redenen van doelmatigheid wordt hiervoor een bedrag van ten minste f 56 per week gehanteerd. Dit betreft een bedrag aan werkelijke uitgaven. Indien aan de «in belangrijke mate-eis» wordt voldaan kunnen vervolgens forfaitaire aftrekbedragen in aanmerking worden genomen. Deze forfaitaire uitgaven kunnen echter niet in aanmerking worden genomen indien de belastingplichtige zich niet redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de hiervoor bedoelde werkelijke uitgaven. Hierbij speelt onder meer een rol of het kind zelf voldoende inkomen of vermogen heeft dan wel of sprake is van een civielrechtelijke onderhoudsverplichting. Uitgaven uit vrijgevigheid leiden niet tot aftrek.

Sommige deelposten van de aftrekpost buitengewone uitgaven zijn zo vorm gegeven dat indien de belastingplichtige aan de voorwaarden voldoet hij forfaitair een bedrag in aanmerking kan nemen. Een voorbeeld hiervan zijn de uitgaven wegens ouderdom (artikel 6.5.6). Indien een belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is, kan hij &euro; 463 in aanmerking nemen. In de toelichting op artikel 6.5.6 is aangegeven dat deze forfaitaire aftrekpost een tegemoetkoming biedt voor uitgaven die werkelijk zijn gedaan maar die niet direct aan de ouderdom kunnen worden gerelateerd of die niet goed kunnen worden gekwantificeerd. Indien dergelijke uitgaven samen met andere buitengewone uitgaven boven de inkomensafhankelijke drempel uitkomen, kan voor uitgaven wegens ouderdom worden aangenomen dat ze drukken en dat ze noodzakelijk zijn.

De post weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen wordt definitief vormgegeven bij ministeriële regeling. Bij de definitieve vormgeving van de regeling zal ook aandacht besteed worden aan de invulling van de eis dat de uitgaven moeten drukken en de eis dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de persoonsgebonden aftrek, bij onvoldoende inkomen in box I, verrekend mag worden met inkomens van de boxen II en III en waarom voor de persoonsgebondenaftrek is gekozen. Ook vragen zij of deze verrekeningssystematiek niet in strijd is met de geest van de boxensystematiek en naar de invloed daarvan op de robuustheid van het stelsel.

Er is voor gekozen om de persoonsgebonden aftrek niet-box gebonden te maken omdat het hier gaat om met de belastingplichtige persoonlijk en zijn gezin samenhangende kosten die invloed hebben op zijn draagkracht. Doordat de persoonsgebonden aftrek een niet-box gebonden aftrek is, is verrekening met de inkomens van alle boxen niet in strijd met het stelsel van gesloten boxen. Ook onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen de persoonlijke verplichtingen en de buitengewone lasten – waaruit de persoonsgebonden aftrek is voortgekomen – ten laste van het gehele inkomen worden gebracht. Daarbij is niet gebleken dat op ruime schaal belastingbeparende constructies worden toegepast. De verrekeningsystematiek heeft derhalve geen invloed op de robuustheid van het stelsel.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie waarom de persoonsgebonden aftrek voorzover die niet verrekend kan worden in het jaar zelf, alleen verrekend kan worden met inkomens van toekomstige jaren en niet – zoals onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 – met inkomens van voorafgaande jaren. Door verrekening van de persoonsgebonden aftrek als niet-box gebonden aftrek met inkomens van de verschillende boxen in voorafgaande jaren mogelijk te maken, kan cumulatie optreden met de achterwaartse verliesverrekening van verliezen van de boxen I en II. Voor die gevallen zou moeten worden bepaald welke regeling voorrang heeft. Het ligt voor de hand dat de verrekening van verliezen van de boxen I en II voorrang zullen hebben boven de verrekening van de persoonsgebonden aftrek en de verrekening van de verliezen van box I boven de verliezen van box II. Dit zou de volgende consequenties hebben. Een belastingplichtige heeft in 2005 een over dat jaar niet verrekenbare persoonsgebonden aftrek van f 5000. Deze wordt achterwaaarts verrekend met het box I-inkomen van het jaar 2003 ad f 10 000. Vervolgens heeft deze belastingplichtige in 2006 een verlies van box I ad f 10 000. Op grond van de voorrangsregel moet de verrekening van de persoonsgebonden aftrek uit 2005 met het box I-inkomen over het jaar 2003 worden teruggenomen. Vervolgens vindt verrekening van het box I-verlies uit 2006 ad f 10 000 met het box I-inkomen van 2003 ad eveneens f 10 000 plaats. De verrekening van de persoonsgebonden aftrek kan vervolgens met inkomen van box II in het jaar 2003 of met inkomen van de boxen I en II in het jaar 2004 plaatsvinden. Dit voorbeeld laat zien dat achterwaartse verrekening van persoonsgebonden aftrek tot een aanzienlijke verzwaring van de veliesverrekeningsproblematiek zou leiden. Daarom is niet voor die variant gekozen. De leden van de VVD-fractie geven als voorbeeld een belastingplichtige die alimentatie afkoopt. Als deze belastingplichtige onmiddellijk daarna emigreert zonder in Nederland inkomen te genieten, dan zou inderdaad de persoonsgebonden aftrek niet (volledig) kunnen worden verrekend. Het is niet wenselijk een uitvoeringstechnisch ingewikkelde regeling te creëren alleen om de nadelige gevolgen in een uitzonderingssituatie te voorkomen.

3.3. Inwonerschap: twee groepen belastingplichtigen

De leden van de VVD-fractie vragen of een niet-inwoner die geopteerd heeft voor binnenlandse belastingplicht, zijn hypotheekrente ten laste van zijn Nederlandse salaris kan brengen. Zij vragen hoe deze situatie zich verhoud tot het grensambtenaren-arrest (BNB 1980/170). Voorts vragen de leden een nadere toelichting op de regeling voor de voorkoming van dubbele belastingheffing voor de niet-inwoner die geopteerd heeft voor binnenlandse belastingplicht. De leden vragen reactie of de regeling Euro-proof is en wat de inhoud wordt van de algemene maatregel van bestuur. Deze vragen en reactie zijn besproken in § 9 Europeesrechtelijke aspecten.

De leden van de fracties van PvdA en VVD vragen om een voorbeeld ter illustratie van de werking van de keuzeregeling.

Voorbeeld 1

X woont in Duitsland. X is premieplichtig in Duitsland. Zijn belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland bedraagt f 80 000,–. Ter zake van het inkomen uit werk en woning in Nederland heeft geen inhouding van loonbelasting plaatsgevonden. In Duitsland geniet X nog f 10 000,– aan inkomsten uit arbeid. X heeft verder nog beleggingen in de vorm van aandelen in diverse vennootschappen ter waarde van f 137 500,– (geen aanmerkelijk belang).

Indien X niet kiest voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen wordt hij als volgt in de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting betrokken.

Belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland:f 80 000,– 
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in Nederland:0,– 
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland:0,– +
Nederlands inkomenf 80 000,–.
  
In verband met het bepaalde in artikel 2.3.2 is verschuldigd: f 13 652,–. Belanghebbende heeft geen recht op de heffingskorting.

Indien X kiest voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen wordt de belasting over zijn Nederlands inkomen als volgt berekend.

Belastbaar inkomen uit werk en woning: f 80 000,– + f 10 000,–=f 90 000,– 
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang:0,– 
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (f 137 500 -/- 37 500) x 4 percent =4 000,– 
  
In verband met het bepaalde in de artikelen 2.3.2 en 2.3.4 is X aan inkomstenbelasting verschuldigd:
over het belastbare inkomen uit werk en woning:f 17 852,– 
over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen:1 200,– +
Verschuldigd voor aftrek heffingskorting:f 19 052,– 
Heffingskorting (belastingdeel)485,–/–
Verschuldigd na heffingskortingf 18 567,– 

Van de heffingskorting heeft (17 852/19 052) X 485 = 93,7 % X 485 = f 454,– betrekking op het belastbaar inkomen uit werk en woning en (1200/19 052) X 485 = f 31 heeft betrekking op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Tegemoetkoming wegens elders belast:

1. Terzake van belastbaar inkomen uit werk en woning:

buitenlands inkomen uit werk en woning X (belasting over bel. inkomen uit werk en woning – proportioneel deel heffingskorting) belastbaar inkomen uit werk en woning.

Dit betekent in het gegeven voorbeeld ter zake van het belastbaar inkomen uit werk en woning een tegemoetkoming van 10 000/90 000 x (17 852 – 454) = f 1 933.

2. Terzake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: buitenlands inkomen uit sparen en beleggen X (belasting over bel. ink. sparen/beleggen – proportineel deel heffingskorting) belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

In het gegeven voorbeeld betekent dit 100 000/100 000 X (1200/- 31) = f 1169,–

Aan belasting over het Nederlandse inkomen is, indien wordt gekozen verschuldigd: f 18 567,– -/- 1933 -/- 1169,– = f 15 465,–. In dit voorbeeld zal belanghebbende dus niet kiezen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen.

In het bovenstaande voorbeeld is uitgegaan van een situatie waarin X in Nederland niet was verzekerd voor de volksverzekeringen. Indien X wel in Nederland verzekerd zou zijn en inhouding van loonbelasting zou hebben plaatsgevonden ter zake van het inkomen uit werk en woning zou het beeld overigens hetzelfde zijn.

Voorbeeld 2

Gelijk aan voorbeeld 1 maar X betaalt aan zijn ex-vrouw f 20 000,– aan alimentatie.

Als X niet kiest voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen geldt hetzelfde als in voorbeeld 1. X is f 13 652 aan Nederlandse inkomstenbelasting verschuldigd.

Indien X in dit voorbeeld wel kiest voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen geldt

Belastbaar inkomen uit werk en woning f 80 000 + 10 000-/- 20 000 (alimentatie) = f 70 000,–

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang: f 0,–

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (137 500 -/- 37 500) x 4 percent = f 4 000,–

In verband met het bepaalde in de artikelen 2.3.2 en 2.3.4 is in beginsel verschuldigd:

over het belastbare inkomen uit werk en woning: f 9 452,–

over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen: 1 200,– +

Totaal in beginsel verschuldigd voor heffingskorting f 10 652,–

Af: heffingskorting (belastingdeel)  485,– -/-

Totaal in beginsel verschuldigd na heffingskorting f 10 167,–

De heffingskorting houdt voor (9452/10 652) x f 485 = f 430,– verband met het belastbaar inkomen uit werk en woning en voor (1200/10 652) x f 485 = f 55 met het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

De tegemoetkoming die wordt verleend, bedraagt:

1. Terzake van het belastbaar inkomen uit werk en woning: 10 000 x (9452 -/- 430) = f 1002,– 90 000

2. Terzake van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: 100 000 x (1200 -/- 55) = f 1145,– 100 000

Aan belasting is verschuldigd: f 10 167 -/- 1002 -/- 1145 = f 8020. In dit voorbeeld zal X kiezen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplicht.

Indien in plaats van de keuzeregeling een 75%-regeling in de lijn van de 90%-regeling zou gelden, zou dit in casu betekenen dat belanghebbendes Nederlands inkomen f 80 000, – -/- 20 000 = f 60 000,– zou bedragen waarover belanghebbende f 5252,aan belasting verschuldigd zou zijn voor aftrek van de heffingskorting. Na aftrek van de heffingskorting zou een bedrag resteren van f 4767,– aan te betalen Nederlandse inkomstenbelasting.

De leden van de fracties van VVD en CDA vragen hoe en wanneer de keuze voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen moet worden gemaakt en tot welk moment daarop kan worden teruggekomen. De keuze dient te worden gemaakt bij de aangifte inkomstenbelasting. Zolang de aanslag inkomstenbelasting over het jaar waarvoor gekozen is voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen, niet onherroepelijk vaststaat, kan worden teruggekomen op de gemaakte keuze.

De leden van de VVD-fractie vragen of de invoering van de buitenlandse belastingplicht voor niet in Nederland werkende employés van Nederlandse werkgevers niet leidt tot een verslechtering van de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven en of deze uitbreiding niet wezenlijk strijdig is met het territorialiteitsbeginsel. Bij nadere overweging ben ik van mening dat de desbetreffende bepalingen, gelet op doel en strekking daarvan, nader kunnen worden afgebakend. Artikel 7.2.1, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 2, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 zal daarom bij nota van wijziging worden aangepast. De in artikel 7.2.1, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en in artikel 2, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen fictie dat de werkzaamheden geacht worden in Nederland te worden verricht, vinden ingevolge die nota van wijziging geen toepassing indien sprake is van een niet-inwoner in privaatrechtelijke dienstbetrekking bij een Nederlandse inhoudingsplichtige die uitsluitend werkzaamheden verricht binnen het gebied van een andere mogendheid waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft en die mogendheid het loon uit die dienstbetrekking niet aan een belasting naar het inkomen onderwerpt. Voor binnenlandse belastingplichtigen geldt overigens dat de fictieve onderworpenheid op grond van artikel 38, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van belang is voor artikel 2, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit is in de tekst van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij de nota van wijziging verduidelijkt. De leden van de CDA-fractie vragen een reactie op de veronderstelling dat ten gevolge van de uitbreiding van de buitenlandse belastingplicht bij het verrichten van werkzaamheden voor een in Nederland gevestigde inhoudingsplichtige in verdragssituaties steeds een zogeheten artikel 27-lid-7-verklaring zou moeten worden aangevraagd of onderworpenheid in de andere mogendheid moeten worden aangetoond. De veronderstelling van deze leden is in beginsel juist. Gelet op het zeer beperkte aantal gevallen, kan niet gesproken worden over een forse uitbreiding van de administratieve lasten. Overigens zij er op gewezen dat het aan de belastingplichtige is om de onderworpenheid aan te tonen. In de uitwerking van de regeling zal worden gestreefd naar een voor belastingplichtigen zou eenvoudig mogelijke regeling zonder afbreuk te doen aan doel en strekking van deze regeling. Het CDA vraagt naar welk misbruik wordt bestreden. De uitbreiding ziet zoals reeds eerder is opgemerkt niet alleen op misbruikbestrijding maar ook op situaties waarin Nederland op basis van de gesloten belastingverdragen een heffingsrecht heeft maar dit heffingsrecht niet ten volle kan benutten in verband met de nationale wetgeving. Dit zou op termijn kunnen leiden tot discussies met de verdragspartners in verband met het ontstaan van een dubbele vrijstelling. In dit verband kan worden verwezen naar de antwoorden op de vraag van de VVD-fractie en de Orde over dit onderwerp. De uitbreiding houdt geen specifiek verband met de remittance base belastingheffing die in met name Angelsaksische landen plaatsvindt zo kan de leden van de CDA-fractie op hun vraag worden geantwoord. Uiteraard heeft een afweging plaatsgevonden tussen de verschillende effecten van de bepaling, waaronder die voor het bedrijfsleven. De leden van de CDA-fractie stellen dat de bepaling eenvoudig te ontgaan is door werknemers in dienst te laten treden bij een niet in Nederland gevestigde werkgever. Wij delen deze stelling niet omdat in die gevallen geen sprake zal zijn van een eventueel Nederlands heffingsrecht onder de belastingverdragen, waardoor geen dubbele vrijstelling zal optreden. Het feit dat in die situatie geen Nederlandse belastingheffing plaatsvindt, betekent naar mijn mening niet dat geen resultaat wordt bereikt dat overeenkomt met de doelstellingen van de bepaling, te weten het kunnen benutten van op grond van belastingverdragen verkregen heffingsrechten en bestrijding van misbruik zoals hiervoor reeds is aangegeven. Nederland ziet, anders dan de leden van de CDA-fractie menen niet eenzijdig af van heffingsrechten over bestuurders- en commissarisbeloningen voor zover deze toe te rekenen zijn aan buitenlandse werkdagen. Van een beleidswijziging op dit punt is dan ook geen sprake. De zorg van de CDA-leden dat de nieuwe regels voor een heffingsvacuüm kunnen zorgen is dan ook onterecht. Voorts delen wij het standpunt van de CDA-fractie niet dat de regeling in de loonbelasting niet juist is uitgewerkt. Deze leden zij erop gewezen dat de bepalingen van artikel 7.2.1, zesde lid, tweede (en na de nota wijziging ook de derde) volzin inhoudelijk gelijk is aan het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De vraag van deze leden waarom binnenlandse belastingplichtigen een beroep kunnen doen op artikel 38, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen terwijl buitenlandse belastingplichtigen worden belast, is niet meer van belang nu de regeling voor buitenlandse belastingplichtigen die zijn aangenomen om werkzaamheden te verrichten in landen waarop artikel 38, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ziet, van de regeling uit te sluiten. De wijziging ter zake van buitenlands personeel op scheep- en luchtvaartuigen leidt er toe dat Nederland op dit punt een internationaal gebruikelijke benadering kiest. De aantrekkelijkheid van Nederlandse (lucht)havens die overigens door een veelvoud van factoren wordt veroorzaakt, is niet in het geding. Niet vergeten moet worden dat sprake moet zijn van een dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. De overwegingen die destijds ten grondslag hebben gelegen aan de invoering van het thans geldende stelsel, zijn in het licht van de ontwikkelingen sedertdien waarbij onder meer moet worden gedacht aan internationale ontwikkelingen in EU en OESO-verband minder sterk. In dit verband kan worden gewezen op de toewijzingsregels in artikel 15, derde lid, van het OESO-modelverdrag over de arbeidsbeloningen in verband met werkzaamheden verricht aan boord van schepen en luchtvaartuigen in het internationale verkeer.

De leden van de VVD-fractie vragen, evenals de Orde, of de uitsluiting van buitenlandse belastingplicht voor een individu die een aanmerkelijk belang heeft dat tot een ondernemingsvermogen behoort met opzet niet is gecontinueerd dan wel of dit reeds uit de toepassing van de rangorderegeling volgt.

Op dit punt is niet beoogd een wijziging aan te brengen ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel 7.3.1 zal daartoe bij nota van wijziging worden verduidelijkt.

Ook artikel 7.4.1 is aangepast teneinde duidelijk te maken dat de bepaling alleen ziet op die winstrechten voor zover die winstrechten niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking. Met artikel 7.4.1, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 is geen uitbreiding van de winstrechten beoogd in vergelijking met die welke onder de reikwijdte van artikel 49, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, van de Wet IB 1964 vallen.

De vraag van de leden van de VVD-fractie of de eindafrekening bij overbrenging van ondernemingsvermogen naar het buitenland binnen de Europese Unie niet een disproportionele maatregel is om de Nederlandse fiscale claim te beschermen, beantwoorden wij ontkennend. Dit kan als volgt worden toegelicht. In de situatie waarin vermogensbestanddelen door een belastingplichtige die inwoner van Nederland is, worden overgebracht naar het buitenland, terwijl de belastingplichtige inwoner van Nederland blijft, vindt er geen eindafrekening plaats. De meerwaarden die gedurende de Nederlandse periode van de onderneming zijn aangegroeid, komen in de Nederlandse heffing tot uitdrukking door de wijze waarop in Nederland vrijstelling van de aan het buitenland toe te rekenen winst plaatsvindt. Dit vloeit voort uit de omstandigheid dat voor de berekening van de vrij te stellen winst wordt uitgegaan van de boekwaarde van de vermogensbestanddelen.

In de situatie dat er vermogensbestanddelen naar het buitenland worden overgebracht en de belastingplichtige ophoudt inwoner van Nederland te zijn, dient wel te worden afgerekend. Dit is gerechtvaardigd omdat de waardeaangroei van die vermogensbestanddelen die is toe te rekenen aan de Nederlandse periode van de onderneming, de Nederlandse fiscale invloedssfeer verlaat. Indien niet zou worden afgerekend zou heffing over deze claim illusoir worden. Deze situatie is vergelijkbaar met die waarin een binnenlands belastingplichtige vermogensbestanddelen van zijn onderneming overhevelt naar privé. Alsdan moet eveneens worden afgerekend over het verschil tussen waarde in het economische verkeer en de boekwaarde van deze vermogensbestanddelen. Tenslotte wijzen wij erop dat heffing op het tijdstip dat een claim de heffingssfeer van een land verlaat, internationaal gebruikelijk is. In verband met het laatste is het eveneens gebruikelijk dat in het land waarnaar de vermogensbestanddelen worden overgebracht een step up wordt verleend.

De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de invoering van een definitie van het begrip «uiteindelijk gerechtigde» in de Wet op de dividendbelasting 1969. Deze vragen betreffen de aanpassing van de fiscale wetgeving naar aanleiding van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze vragen zullen worden beantwoord in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

De leden van de CDA-fractie vragen of de driemaandsperiode voldoende is om overheveling van vermogensbestanddelen tussen de boxen te voorkomen. Deze vraag is besproken in § 2.7 Belastingontwijking.

De leden van de D66-fractie vragen of bevestigd kan worden dat de uitkomst van de Nota grensarbeid wordt meegenomen in de vormgeving van de Wet IB 2001.

Deze leden hebben vermoedelijk het oog op de notitie inzake de socialeverzekeringspositie van grensarbeiders (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26 834, nr. 1) die op 20 september jl. door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangeboden. Deze notitie behandelt aspecten op het terrein van sociale zekerheid in geval van grensarbeid. Voor zover uit de discussies over deze nota aspecten aan de orde komen die van belang kunnen voor de inkomstenbelasting, zal hiermee uiteraard rekening worden gehouden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de laatste stand van zaken met betrekking tot het verdrag met België. Deze vraag wordt besproken in § 4.2.3. Loon.

3.4. Individualisering

Het verheugt ons dat de leden van de VVD-fractie toejuichen dat er op het gebied van de inkomenstoerekening een meer individuele belastingheffing komt. Zij vragen of de regering kan aangeven welke overige opties met betrekking tot een verdere individualisering zijn overwogen, maar uiteindelijk niet in het wetsvoorstel zijn verwerkt. In de Verkenning is aangegeven dat er met betrekking tot de nog niet verzelfstandigde inkomensbestanddelen voor gekozen kan worden de mogelijkheid te bieden maximaal te individualiseren op het terrein van de inkomenstoerekening. In het wetsvoorstel is dit aldus vormgegeven dat partners volledig vrij kunnen kiezen bij wie de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten worden aangegeven. Als gevolg van deze keuzevrijheid kunnen er geen problemen ontstaan bij de toerekening: iedere gewenste verdeling is mogelijk, mits beide partners gezamenlijk het totaal van de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten aangeven. Een andere vorm van toerekening zou, wanneer geen keuzevrijheid wordt geboden, een juridisch complexe afbakeningsproblematiek meebrengen, die in de uitvoering zowel belastingplichtigen als de belastingdienst onnodig zwaar zou belasten. Om deze reden is geen andere wijze van individualisering op het gebied van de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen overwogen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de geboden vrije keuzemogelijkheid bij de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag niet strijdig is met de individualiseringsgedachte. De leden van de SGP-fractie zien deze vrije toerekening op zich als een positieve ontwikkeling. Zij zien hierin een klein stukje splitsingsstelsel, maar zien het als een gemiste kans dat de vrije toerekening niet meer inkomensbestanddelen omvat, zodat het splitsingsstelsel in veel verdergaande mate zou worden gerealiseerd.

Het uitgangspunt van de in artikel 2.4.4 neergelegde regeling is dat de belastingheffing zoveel mogelijk wordt geïndividualiseerd. Bij een aantal inkomstensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag zou volledige individualisering – zoals we elders in deze paragraaf nader toelichten – kunnen leiden tot complexe toerekeningsproblemen bij partners, met name indien sprake is van een gezamenlijk vermogen. Toerekeningsproblemen kunnen ook ontstaan indien het uitgaven betreft die verband houden met de kinderen van de partners. Omwille van de uitvoerbaarheid is gekozen voor een praktische regeling.

De leden van de fractie van CDA vragen waarom ten behoeve van de eenvoud niet is gekozen voor een splitsingsstelsel. De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is overgegaan tot het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt.

Het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt achten wij niet opportuun. Immers, een vrije toerekening van inkomensbestanddelen die opkomen bij een van de partners en waarbij toerekening geen problemen oplevert zou strijdig zijn met de individualiseringsgedachte. In het wetsvoorstel ligt dus geen keuze voor het splitsingsstelsel besloten. Voor een beschouwing over het splitsingsstelsel verwijzen wij deze leden naar de Bouwstenennotitie deel I (juli 1994), blz. 252 tot en met 262.

Een aantal vragen van de CDA-fractie over de partnerregeling worden hierna besproken in paragraaf 3.5. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat met de belastingherziening de gedachte van de huishoudensdraagkracht definitief verlaten wordt en dat wordt overgeschakeld naar een individuele benadering van het draagkrachtbegrip. De individueel uitbetaalde heffingskorting, maar ook de nieuwe regels omtrent de inkomenstoerekening zijn daarvan naar hun oordeel een uitwerking. Met deze individuele benadering wordt in de ogen van de CDA-fractie geen recht gedaan aan het feit dat mensen leven in huishoudenverband. Zij vragen of verdere individualisering niet leidt tot aantasting van het draagkrachtbeginsel. Ook de leden van de fracties van GPV en RPF zijn niet overtuigd van de noodzaak om met de voorgestelde maatregelen een verdere individualisering te bevorderen. Zij zijn bevreesd dat een verdere individualisering ten koste zal gaan van die gezinnen waarin in het belang van de opvoeding is gekozen voor het alleenverdienerschap. Tenslotte voorzien ook de leden van de fractie van de SGP dat de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot een verdergaande en ongewenste individualisering. Onder verwijzing naar de zinsnede in de memorie van toelichting dat met het voorliggende wetsvoorstel «een stap wordt gezet op weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel waarbij draagkrachtbepalende factoren zoals het hebben van een partner zonder inkomen niet worden veronachtzaamd» vragen zij of de regering kan ingaan op het stelsel dat uiteindelijk wordt beoogd. Tevens vragen zij hoe de aangehaalde zinsnede zich verhoudt tot de in het wetsvoorstel gepresenteerde inkomenseffecten voor alleenverdieners.

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting wordt met het nieuwe belastingstelsel aansluiting gezocht bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Het fiscale stelsel in zijn maatschappelijke omgeving kan daarbij niet los worden gezien van andere stelsels zoals bijvoorbeeld het stelsel van de sociale zekerheid. Het geheel van de relevante beleidsterreinen overziende kan worden vastgesteld dat de maatschappelijke ontwikkelingen nog immer tenderen naar verdergaande individualisering. Bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid vormt om die reden dan ook een belangrijke doelstelling van dit wetsvoorstel. Dit betekent echter niet – zoals de leden van de CDA-fractie veronderstellen – dat de gedachte van huishoudensdraagkracht definitief verlaten wordt. Dit zou pas het geval zijn indien in het fiscale stelsel op geen enkele wijze rekening zou worden gehouden met de aanwezigheid van een partner. In het onderhavige wetsvoorstel is dat niet het geval. Zo is bijvoorbeeld niet gekozen voor de optie om de afschaffing van de mogelijkheid van overdracht van de basisaftrek in het nieuwe stelsel om te zetten in een variant waarin de algemene heffingskorting niet wordt toegekend aan partners van alleenverdieners. Met de gekozen vormgeving, waarbij de algemene heffingskorting individueel wordt uitbetaald aan de niet-werkende partner, wordt bereikt dat het streven naar vergroting van de economische zelfstandigheid van niet-werkende partners (veelal vrouwen) kan worden vergroot, zonder dat de gedachte van huishoudensdraagkracht volledig wordt losgelaten. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de wijze waarop de verdergaande individualisering op het gebied van de toerekening van gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten in het wetsvoorstel is vormgegeven. De geboden keuzemogelijkheid om zelf te kunnen kiezen bij welke partner gemeenschappelijke inkomensbestanddelen worden aangegeven, houdt immers de mogelijkheid in stand om de gemeenschappelijke aftrekposten toe te rekenen aan de partner met het hoogste persoonlijke inkomen. Wij zijn dan ook niet bevreesd dat – zoals de leden van de fracties van RPF en GPV vrezen – de in het wetsvoorstel doorgevoerde maatregelen ten koste zullen gaan van die gezinnen waarin in het belang van de opvoeding is gekozen voor het alleenverdienerschap.

De wijze waarop de tendens van verdergaande individualisering zich in de toekomst in het belastingstelsel zal voortzetten is afhankelijk van de maatschappelijke ontwikkelingen. Doel van het kabinet is – dit in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van de SGP – om het belastingstelsel af te stemmen op ontwikkelingen in de samenleving zoals die thans kunnen worden waargenomen. De omstandigheid dat de inkomenseffecten van de belastingherziening voor alleenverdieners globaal genomen achterblijven bij die van alleenstaanden en tweeverdieners doet – dit eveneens in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de SGP – geen afbreuk aan het in de memorie van toelichting vermelde uitgangspunt dat draagkrachtbepalende factoren zoals het hebben van een partner zonder inkomen niet worden veronachtzaamd worden. De voorstellen leiden er immers toe dat ook alleenverdieners er in het nieuwe stelsel over de gehele linie op vooruit gaan.

De leden van de CDA-fractie vragen welke inkomensbestanddelen nog niet zijn geïndividualiseerd in het kader van de inkomenstoerekening. Het uitgangspunt in dit wetsvoorstel is dat bij de toerekening van inkomensbestanddelen de belastingheffing zoveel mogelijk wordt geïndividualiseerd. Omwille van de uitvoerbaarheid is gekozen voor een praktische regeling voor bepaalde gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en alle bestanddelen van de rendementsgrondslag. De gemeenschappelijke, niet geheel geïndividualiseerde, inkomensbestanddelen worden opgesomd in het vijfde lid van artikel 2.4.4.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de keuzevrijheid inhoudt. De keuzevrijheid in verband met de toerekening van de inkomensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag houdt in dat partners kunnen kiezen bij wie, en voor welk deel, de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag in aanmerking worden genomen. Indien partners niet tot een volkomen verdeling komen (er wordt niet 100% van een bepaald inkomensbestanddeel aangegeven) treedt voor de toerekening van het betreffende bestanddeel het wettelijke vermoeden van het vierde lid van artikel 2.4.4 in werking. Alsdan wordt het inkomensbestanddeel dat door de beide partners niet volledig is aangegeven verdeeld over beide partners. De leden van de fractie van het CDA vragen of een dergelijke fiftyfifty verdeling wel houdbaar is in het kader van de voorgestelde systematiek waarbij centraal staat dat een ieder voor zijn eigen inkomen wordt aangeslagen. Wanneer het wettelijke vermoeden wordt toegepast kan het inderdaad zo zijn dat een belastingplichtige wordt aangeslagen voor inkomen waarop hij zelf geen recht kan doen gelden, de leden van de CDA-fractie vragen daarnaar. In het stelsel van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (artikel 5), waarbij niet-persoonlijk inkomen wordt toegerekend aan de meestverdienende echtgenoot, doet zich de situatie dat een belastingplichtige inkomen moet aangeven dat uitsluitend aan zijn echtgenoot toekomt voor, zonder dat sprake is van een keuze. Dit is in de praktijk en de rechtspraak geen onhoudbare regeling gebleken. Wij verwachten dan ook niet dat het wettelijke vermoeden van het vierde lid van artikel 2.4.4 niet houdbaar zal blijken te zijn.

Naar aanleiding van de vraag van de CDA-fractie wordt opgemerkt dat niet wordt verwacht dat de introductie van de (individueel) uitbetaalde heffingskorting er toe zal leiden dat meer belastingplichtigen zich zullen melden voor het partnerbegrip. Ook onder het huidige stelsel is het onder omstandigheden fiscaal aantrekkelijk om een gezamenlijke huishouding te voeren. Indien de ene partner geen of een laag inkomen heeft kan deze de belastingvrije som immers overdragen aan de andere partner. De vervanging van dit systeem door het voorgestelde systeem van (individueel) uit te betalen heffingskortingen leidt ten opzichte van het huidige systeem niet tot een additioneel fiscaal voordeel voor partners.

De CDA-fractie leden vragen hoe de voorlopige teruggave van de heffingskorting te behandelen indien na het verzoek de aanvrager zijn/haar partner verlaat en met een ander gaat samenwonen. Deze vraag is besproken in § 3.5. Partnerbegrip.

De leden van de fracties van CDA en D66 vragen om een toelichting op de keuze voor de expliciete volgorde waarin de persoonsgebonden aftrek achtereenvolgens met de inkomens uit de verschillen boxen wordt verrekend. Tevens vragen zij waarom – met het oog op de tariefsveschillen – niet de mogelijkheid gegeven wordt de verrekening van de persoonsgebonden aftrek uit te stellen om deze in een later jaar alsnog tegen het progressieve tarief van box I geldend te maken of voor een doorschuifsysteem waarbij gebruik wordt gemaakt van een tax-credit. Ook de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs stelt deze vraag.

De in het wetsvoorstel opgenomen expliciete volgorde van verrekening houdt in dat de persoonsgebonden aftrek op de eerste plaats in mindering wordt gebracht op het inkomen van box I, vervolgens op het inkomen van box III en tenslotte op het inkomen van box II. Voor deze volgorde is gekozen omdat verrekening tegen het progressieve tarief van box I meestal voordeliger is dan verrekening met de proportionele tarieven van de boxen II en III. Verrekening met het inkomen van box III gaat vóór verrekening met het inkomen van box II omdat zo de tussenjaarse verliesverrekeningscapaciteit van box II pas in laatste instantie wordt beperkt.

De leden van deze fracties geven twee alternatieven voor de in het wetsvoorstel opgenomen verrekeningsregels. In de eerste plaats noemen zij het systeem waarbij de belastingplichtige – voorzover verrekening met het inkomen van box I in het desbetreffende jaar niet mogelijk is – , in plaats van verrekening van de persoonsgebonden aftrek met de inkomens van de boxen II en III, kan kiezen voor verrekening met het inkomen van box I in een later jaar. Dit alternatieve voorstel is overwogen maar niet in het wetsvoorstel verwerkt vanwege de daarmee samenhangende verzwaring van de uitvoeringspraktijk. Niet alleen zal steeds aan de belastingplichtige gevraagd moeten worden naar de te maken keuze, ook zou een belastingplichtige door omstandigheden, zoals correcties op de aangifte of een navorderingsaanslag, de gerechtvaardigde wens kunnen hebben om terug te komen op een gemaakte keuze. Een belastingplichtige heeft er bijvoorbeeld voor gekozen de persoonsgebonden aftrek in het jaar 2002, bij het ontbreken van een positief inkomen van box I, te verrekenen met inkomens van box I in de jaren 2003 en 2004 en niet met het inkomen van box III in het jaar 2002. Vervolgens worden de inkomens van box I over 2003 en 2004 – in het voordeel van belastingplichtige – gecorrigeerd, waardoor verrekening van de persoonsgebonden aftrek met het inkomen van box III in het jaar 2002 toch gunstiger blijkt. De belastingplichtige zal daarop verzoeken zijn keuze te mogen herzien, als gevolg waarvan de inkomens van box I in de jaren 2003 en 2004 en het inkomen van box III in het jaar 2002 moeten worden gecorrigeerd. Een dergelijke keuzeregeling kan daarom, zeker in gevallen waarin ook sprake is van achterwaartse verliesverrekening, tot complexe verrekeningsvragen leiden die de uitvoering flink zouden verzwaren.

In de tweede plaats stellen de leden van deze fracties als alternatief voor een systeem waarbij de persoonsgebonden aftrek die niet met het inkomen van box I kan worden verrekend, doorschuift naar de boxen II of III in de vorm van een belastingcreditering (tax-credit). In het wetsvoorstel komen geen belastingcrediteringen voor. Verlies uit aanmerkelijk belang dat onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 via een belastingcreditering wordt verrekend, wordt in het wetsvoorstel verrekend op inkomensniveau, dezelfde systematiek als die voor de verliezen van box I geldt. Het verdwijnen van de belastingcreditering bij aanmerkelijk-belangverliezen is mogelijk geworden door het boxensysteem, waardoor – anders dan onder het huidige regime – inkomen uit aanmerkelijk belang afgescheiden kan worden van overig inkomen en kan als een vereenvoudiging worden aangemerkt. Deze vereenvoudiging zou teniet worden gedaan door de belastingcreditering bij aanmerkelijk-belangverliezen in te ruilen voor een belastingcreditering bij de verrekening van de persoonsgebonden aftrek. Daar komt nog een belangrijk technischprobleem bij. Het is namelijk niet goed mogelijk om de potentiële belastingteruggave op grond van de verrekening van persoonsgebonden aftrek in box I te bepalen. In deze box geldt immers een progressief tarief. De hoogte van dit tarief is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en kan variëren van 15,0% voor 65-plussers en 32,9% voor 65-minners in de laagste schijf tot 52% in de hoogste schijf. Aangezien in het desbetreffende jaar het inkomen in box I nihil is, is dit tarief niet te bepalen.

De vraag van de leden van de fractie van het CDA of het juist is dat de aan een ouder toegerekende inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag van een minderjarig kind als bedoeld in artikel 2.4.2, tweede lid, per definitie vrij toerekenbaar zijn als bedoeld in artikel 2.4.4 aan de ouder en zijn partner kan bevestigend worden beantwoord. Dit geldt ook voor de situatie waarin deze partner niet de andere ouder is.

De leden van de fractie van het CDA menen dat het niet moeilijk is vast te stellen op wiens naam een bepaald activum staat. De leden van de fractie van D66 zijn er niet van overtuigd dat de gekozen «praktische benadering» bij de niet volledig geïndividualiseerde inkomensbestanddelen de meest voor de hand liggende is. Zij krijgen graag toegelicht waarom een voorgeschreven toerekening zou leiden tot een juridisch complexe problematiek. Ook de leden van GroenLinks vragen (bij de artikelsgewijze toelichting) een nadere onderbouwing van de keuzevrijheid. Zij wijzen op de gevallen waarbij overduidelijk is wie genieter is van een inkomensbestanddeel.

Bij een wettelijk voorgeschreven toerekening, waarbij inkomsten worden belast bij de partner die genieter is van de inkomsten en aftrekbare uitgaven in aanmerking worden genomen bij de partner die de uitgaven (verschuldigd) betaalt c.q. op wie de uitgaven drukken, zou het geldende huwelijksgoederenregime, de eventuele huwelijkse voorwaarden of het samenlevingscontract alsmede de niet schriftelijk vastgelegde afspraken tussen partners van belang zijn om te bepalen bij welke partner een inkomst of aftrekpost in aanmerking genomen moet worden. Daarbij hebben de partners feitelijk de mogelijkheid om afspraken te maken over de onderlinge verdeling van inkomensbestanddelen en aftrekposten. Controle van niet schriftelijk vastgelegde afspraken tussen partners door de belastingdienst is vrijwel ondoenlijk. Toetsing van huwelijkse voorwaarden en samenlevingscontracten door de belastingdienst zou er toe leiden dat deze in ieder individueel geval moeten beoordeeld; dit zou vervolgens aanleiding kunnen geven tot geschillen met de belastingplichtigen. Huwelijkse voorwaarden en samenlevingscontracten zijn namelijk niet altijd eenduidig. Al met al geven wij er de voorkeur aan om voor de in artikel 2.4.4 bedoelde gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag aan te sluiten bij de onderlinge verdeling die de partners bij het doen van aangifte kiezen.

De leden van de CDA-fractie vragen verder of het gewenst is om het voorgestelde vijfde lid van artikel 2.4.4 aan te passen zodat de werking beperkt blijft tot slechts een partner van de belastingplichtige. Bij Nota van wijziging zal de bepaling conform het voorstel van de leden van de fractie van het CDA worden aangepast.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie naar de vorderingen inzake de uitvoering van de motie Van der Vaart c.s. (kamerstukken 1992/93 22 843, nr. 14) betreffende de afschaffing van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken mogen wij deze leden verwijzen naar hetgeen daarover naar voren is gebracht bij de schriftelijke en mondelinge behandeling van het Belastingplan 2000.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de betekenis is van de bepaling inzake het verhaalsrecht van de ouders op het minderjarig kind aangezien de ouders toch het wettelijk vruchtgenot hebben indien zij het gezag over het kind uitoefenen. Ouders hebben niet altijd het wettelijk vruchtgenot en de aan de ouders toegerekende inkomsten vallen niet steeds onder het wettelijk vruchtgenot. Zo kunnen ouders afstand doen van het wettelijk vruchtgenot, het wettelijk vruchtgenot kan bij testament zijn uitgesloten voor bepaalde vermogensbestanddelen, en vallen vervreemdingsvoordelen van de winst uit aanmerkelijk belang over het algemeen niet onder het wettelijk vruchtgenot.

De leden van de fracties van GPV en RPF constateren dat de regering met het voorstel om in plaats van de basisaftrek een heffingskorting te introduceren verder invulling wil geven aan de door haar gewenste individualisering. Deze leden merken op dat zij het niet juist vinden dit doel met fiscale middelen na te streven. De regering is verheugd dat desondanks deze leden het verdedigbaar achten om in plaats van een belastingvrij bedrag te kiezen voor een heffingskorting, omdat daarmee een voor eenieder gelijk belastingvoordeel ontstaat, dus onafhankelijk van de marginale tarieven. Deze leden vragen of de regering kan beargumenteren, waarom de hoogte van de heffingskorting is gebaseerd op de basisaftrek tegen het laagste tarief? Naar aanleiding hiervan merken wij op dat de hoogte van de heffingskorting bij benadering is omgezet tegen het tarief van de nieuwe tweede schijf en niet tegen het tarief van de eerste schijf. Op deze wijze ontstond tezamen met de overige wijzigingen in de tariefstructuur een evenwichtig inkomensbeeld.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of de minstverdienende partner in het wetsvoorstel de ruimte krijgt om te kiezen voor overdracht van de heffingskorting.

Met de invoering van het systeem van heffingskortingen, met in begrip van de individueel uit te betalen heffingskorting, wordt een bijdrage geleverd aan het beleid inzake de bevordering van economische zelfstandigheid en emancipatie. De invoering van de individueel uit te betalen heffingskorting leidt tevens tot een vereenvoudiging van de inhouding van loonheffing door werkgevers. Zo kan de huidige indeling in tariefgroepen verdwijnen en heeft de werkgever niets meer te maken met individuele omstandigheden (privacy). Met betrekking tot de mogelijkheid de uitbetaling van de heffingskorting over te dragen aan de meestverdienende partner, waarnaar deze leden vragen, is van belang dat belastingplichtigen die in aanmerking komen voor een uit te betalen heffingskorting zelf de keuze kunnen maken op welke rekening het bedrag wordt uitbetaald. Desgewenst kan de belastingplichtige er dus voor kiezen het bedrag te laten uitbetalen op het rekeningnummer van de partner.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich af in welke mate individualisering samen gaat met het voluit erkennen van de draagkrachtverminderende factor van het hebben van een partner zonder inkomen. Zij vragen wat het kabinet met deze zinsnede bedoelt. Tevens vragen zij of het werkelijk gevolg geven aan de trend naar individualisering niet betekent dat het systeem waarbij negatieve inkomensbestanddelen worden toegerekend aan de meest-verdienende partner tot het verleden behoort en of deze problematiek niet zou kunnen worden opgelost door middel van een aftreksysteem op basis van tax-credits. Voorts vragen zij of het door het kabinet voorgestelde systeem niet in het nadeel werkt van twee deeltijdwerkers met lagere marginale tarieven.

Wat betreft de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks naar de betekenis van de zin in de memorie van toelichting dat draagkrachtbepalende factoren zoals het hebben van een partner zonder inkomen niet worden veronachtzaamd, verwijzen wij naar hetgeen wij in dit kader naar aanleiding van gelijksoortige vragen van de leden van de fracties van CDA, GPV, RPF en SGP hebben geantwoord. Wat betreft hun vraag bij de wijze waarop de verdergaande individualisering op het gebied van inkomenstoerekening in het wetsvoorstel is vormgegeven merken wij op dat door de geboden keuzevrijheid de meest praktische oplossing is gekozen om maximale individualisering op het gebied van de inkomenstoerekening te realiseren. Voorts merken wij op dat – in tegenstelling tot hetgeen de leden van de fractie van GroenLinks met hun desbetreffende vraag suggereren – het voorgestelde systeem juist in het voordeel werkt van deeltijders met lagere marginale tarieven. Door de geboden keuzevrijheid bij de toerekening van gemeenschappelijke aftrekposten kan immers worden bereikt dat deze – in tegenstelling tot het huidige systeem – steeds tegen het hoogste marginale tarief in aftrek kunnen worden gebracht.

De leden van de fracties van GPV en RPF achten het verdedigbaar om in plaats van een belastingvrij bedrag te kiezen voor een heffingskorting, omdat daarmee een voor eenieder gelijk belastingvoordeel ontstaat, dus onafhankelijk van de marginale tarieven. Kan de regering beargumenteren, waarom de hoogte van de heffingskorting is gebaseerd op de basisaftrek tegen het laagste tarief?

De regering heeft ervoor gekozen om de heffingskorting te baseren op het tarief in de laagste schijf omdat op deze wijze, gegeven de inkomenspolitieke randvoorwaarden, maximaal ruimte wordt gecreëerd voor verlaging van de belastingtarieven. Verlaging van die tarieven heeft, zoals elders betoogd, een positief effect voor de werking van de arbeidsmarkt.

De leden van de SGP-fractie zien de vrije toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag op zich als een positieve ontwikkeling. Zij zien hierin een klein stukje splitsingsstelsel, maar zien het als een gemiste kans dat de vrije toerekening niet meer inkomensbestanddelen omvat, zodat het splitsingsstelsel in veel verdergaande mate zou worden gerealiseerd.

Het uitgangspunt van de in artikel 2.4.4 neergelegde regeling is dat de belastingheffing zoveel mogelijk wordt geïndividualiseerd. Bij een aantal inkomstensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag zou individualisering kunnen leiden tot toerekeningsproblemen bij partners, met name indien sprake is van een gezamenlijk vermogen. Deze toerekeningsproblemen kunnen ook ontstaan indien het uitgaven betreft die verband houden met de kinderen van de partners. Omwille van de uitvoerbaarheid is gekozen voor een praktische regeling. Het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt achten wij niet opportuun. Immers, een vrije toerekening van inkomensbestanddelen die opkomen bij een van de partners en waarbij toerekening geen problemen oplevert zou strijdig zijn met de individualiseringsgedachte. In het wetsvoorstel ligt dus geen keuze voor het splitsingsstelsel besloten. Voor een beschouwing over het splitsingsstelsel verwijzen wij deze leden naar de Bouwstenennotitie deel I (juli 1994), blz. 252 tot en met 262.

3.5. Partnerbegrip

De leden van de VVD-fractie vragen of het juist is dat artikel 3.6.9, zesde lid, niet van toepassing kan zijn als de samenlevingspartner overlijdt in de eerste helft van het jaar. Zij wijst er in dit kader op dat geen gebruik kan worden gemaakt van de optieregeling voor partners omdat niet gedurende tenminste zes maanden in het kalenderjaar is samengewoond.

Strikt genomen is de uitleg van de VVD-fractie juist. Het moge echter duidelijk zijn dat een dergelijk gevolg niet is beoogd. Ook in het geval dat de samenlevingspartner in de eerste helft van het jaar overlijdt, heeft de achtergebleven partner het recht om het ongebruikte gedeelte van de vrijstelling van de overleden partner voor de toekomst te gebruiken. We bereiden op dit punt een wettelijke aanvulling voor.

De leden van de CDA-fractie vragen of de partnerregeling voor ongehuwd samenwonenden niet gemakkelijk aanleiding kan geven tot fraude.

Voor het in aanmerking komen van de partnerregeling gelden als voorwaarden dat de partner meerderjarig is, meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd en de partners op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie zijn ingeschreven. Deze voorwaarden zijn bedoeld om fraude te voorkomen. Deze voorwaarden spelen eveneens een rol bij de bijstand, ter voorkoming van bijstandsfraude. De gestelde voorwaarden zijn voor de Belastingdienst eenvoudig en goed controleerbaar.

De leden van de CDA-fractie en van de fracties GPV en RPF stellen dat de norm in de fiscale wetgeving, waarbij als samenlevingsvorm werd uitgegaan van echtgenoten met dit wetsvoorstel is verlaten. Hoewel wij deze stelling niet op alle punten onderschrijven, hebben wij er kennis van genomen dat deze leden een en ander betreuren. Verder maken de leden van de SGP-fractie vanuit een principieel gezichtspunt bezwaar tegen de voorgestelde partnerregeling. De leden van de fractie van GroenLinks menen dat het algehele welbevinden in de samenleving is gediend met het binnen de fiscaliteit meer begrip tonen voor partners en zij steunen de gelijkstelling tussen gehuwden en ongehuwden.

Met de introductie van het begrip partner wordt beoogd een meer gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenlevenden te bewerkstelligen. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zijn bepaalde faciliteiten niet toegankelijk voor ongehuwd samenlevenden. Tevens doet zich nu de situatie voor dat inkomen van de ongehuwd samenlevende partner niet in alle gevallen wordt meegenomen bij het berekenen van drempelbedragen. Met de introductie van het partnerbegrip wordt een meer consistente behandeling van met name ongehuwd samenlevenden bereikt. Indien men kiest voor het partnerschap, geldt men als partner voor de heffing van inkomstenbelasting. Alle partnerregelingen zijn dan van toepassing ongeacht of deze in een concreet geval gunstig of ongunstig uitwerken.

De leden van de fractie van D66 vragen of er een noodzaak is om in het wetsvoorstel specifieke zaken vast te leggen met betrekking tot een partnerbegrip, aangezien zij menen dat er inmiddels algemeen geldende wetgeving is inzake de gelijkschakeling tussen ongehuwd samenwonenden en gehuwden.

Bij wet van 17 december 1997 zijn diverse wetten aangepast in verband met de invoering van het geregistreerde partnerschap. Dit heeft ook geleid tot een aanpassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarbij aan artikel 2 een vijfde lid is toegevoegd. Deze bepaling behelst een gelijkschakeling van het geregistreerde partnersschap met het huwelijk. In het onderhavige wetsvoorstel wordt echter een ruimer partnerbegrip gebruikt. Dit is al een gegeven in de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964 waar niet geregistreerde ongehuwden ook voor bepaalde partnerregelingen in aanmerking kunnen komen. Voor de toepassing van dit wetsvoorstel kunnen niet geregistreerde ongehuwd samenlevenden nog steeds kwalificeren als partner.

De leden van de fracties van CDA, GPV, RPF en SGP hebben ook vragen over het keuzerecht voor ongehuwd samenlevenden. Met dit keuzerecht wordt niet beoogd om de groep niet-geregistreerde ongehuwd samenlevenden te bevoordelen. Dit keuzerecht is ingegeven door het feit dat de relaties tussen ongehuwd samenlevenden in zo vele variëteiten voorkomen dat dat niet in een simpele wettekst is te vormgeven, noch dat hiervoor uitvoerbare regels zijn te geven. Het is daarom, bij gebrek aan objectieve maatstaven, aan ongehuwden zelf om aan te geven hoe hun relatie (fiscaal) gekwalificeerd dient te worden. In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fracties van GPV en RPF merken wij op dat hierbij -in de huidige opzet- niet de wettelijke eis wordt gesteld dat men een zorgplicht voor elkaar aanvaardt.

Met de passage in de memorie van toelichting waar wordt vermeld dat het bij ongehuwd samenlevenden ontbreekt aan objectief controleerbare duurzaamheidseisen – de leden van de SGP-fractie vragen hiernaar – wordt bedoeld dat het enkele feit dat men op een gezamenlijk adres staat ingeschreven gedurende een bepaalde periode nog onvoldoende inzicht geeft in de aard van de relatie. Ongehuwd samenlevenden kunnen woningdelers zijn zonder enige financiële binding met elkaar. Ongehuwd samenlevenden kunnen echter ook samenleven, waarbij de financiën van beide partners in meer of mindere mate met elkaar zijn verweven. Er is geen objectief criterium waarmee zonder grote uitvoeringsproblemen en privacygevoelige controle bepaald kan worden welke vorm van samenleven in een concreet geval aan de orde is.

De leden van de fractie van CDA en SGP vragen ook of ongehuwd samenwonende op de door hen uitgebrachte keuze kunnen terugkomen. Ongehuwden maken de keuze bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte. Het past niet in het voorlopige karakter van het systeem van voorlopige teruggaven om belastingplichtigen bij een verzoek om voorlopige teruggaaf keuzen te laten maken waarop zij niet kunnen terugkomen.

Bij keuzen die gemaakt worden bij de aangifte geldt als uitgangspunt dat belastingplichtigen, tot aan het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat, hierop kunnen terugkomen. Gelet op het karakter van de keuze voor het partnerschap is er echter aanleiding om de mogelijkheid om terug te kunnen komen op de gemaakte keuze uit te sluiten. Om de onduidelijkheid op dit punt weg te nemen zal door middel van Nota van wijziging aan artikel 1.3 een vierde lid worden toegevoegd, waarbij de mogelijkheid om op de bij aangifte gemaakte keuze voor het partnerschap terug te komen wordt uitgesloten.

Met het gebruik van het begrip duurzaam gescheiden levende echtgenoot in bijvoorbeeld artikel 4.3.1 van het wetsvoorstel wordt beoogd, zo antwoorden we deze leden, om ook echtgenoten en geregistreerde partners die niet als «partner» zijn aan te merken in de relevante familiegroep te betrekken voor de bepaalde regelingen, zoals de aanmerkelijk-belangregeling. Hiermee wordt beoogd oneigenlijk gebruik en misbruik tegen te gaan. In het wetsvoorstel zijn namelijk een aantal regelingen opgenomen die onafhankelijk van de keuze voor het partnerschap van toepassing zijn bij bepaalde leefvormen. Daarbij wordt bijvoorbeeld aangesloten bij het materiële criterium van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Dit geldt bijvoorbeeld voor uitgesloten verplichtingen voor investeringsaftrek indien het een verplichting betreft die is aangegaan tussen personen die behoren tot het huishouden van de ondernemer en de aftrekbaarheid van rente in verband met de eerste eigen woning op grond van een overeenkomst van geldlening tussen de belastingplichtige en degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. In het Nader rapport punt 7 tot en met 11 is naar aanleiding van vragen van de Raad van State over dit onderwerp ingegaan op de fiscale behandeling van gehuwden, ongehuwd samenlevenden en de relevante familiegroep van de belastingplichtige.

De introductie van een partnerbegrip zal naar verwachting niet leiden tot nieuwe juridische complicaties en zal naar verwachting geen extra bezwaarprocedures meebrengen. De leden van de CDA-fractie vragen hiernaar. De reden hiervan is dat de gebruikte terminologie en begrippen zijn gebaseerd op die van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; deze zullen niet tot nieuwe fiscale problematiek aanleiding geven. Het belangrijkste verschil met de huidige wetgeving is dat de begrippen zijn samengevoegd tot een bepaling zodat er zoveel mogelijk een eenduidige benadering van met name ongehuwd samenlevenden wordt bereikt. Een ongehuwd samenlevende is partner voor de gehele wet of hij is dat niet. De leden van de CDA-fractie en de leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de faciliteiten die verbonden zijn aan het partnerschap. Partners kunnen voor verschillende regelingen in aanmerking komen, waarbij zij opgemerkt dat dit niet alleen faciliteiten betreft maar ook regelingen waarvoor het partnerschap tot een ongunstiger fiscale positie kan leiden. De belangrijkste regelingen die voor partners gelden zijn de volgende: de mogelijkheid om als niet belastingplichtige te kunnen kiezen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen (artikel 2.3.3), de toerekening van inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner (artikel 2.4.4), doorschuivingen in de familiesfeer (artikel 3.2.2.53), het slechts in aanmerking nemen van één hoofdverblijf als eigen woning (artikel 3.6.2), de regeling voor nabestaandenlijfrenten (artikel 3.7.3), het bepalen van de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang (artikel 4.3.1), de meetrekregeling (artikel 4.3.5), verhoging van het heffingsvrije vermogen voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen (artikel 5.1.3b), het uitsluiten van geldleningen tussen partners (artikel 6.3.4), de mogelijkheid van aftrek van buitengewone uitgaven voor een partner (artikel 6.5.1), het meetellen van het inkomen van de partner voor berekening van drempelbedragen (de artikelen 6.5.9 en 6.9.8) en de mogelijkheid van uitbetaling van de heffingskorting (artikel 8.1.8).

In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de CDA fractie en de SGP-fractie merken we op dat het partnerbegrip zoals dat in dit wetsvoorstel vorm heeft gekregen bij overige fiscale wet- en regelgeving als model kan dienen. Specifieke wet- of regelgeving kan echter meebrengen dat daarvan wordt afgeweken. De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de gelijkstelling tussen gehuwden en ongehuwden. Zij verwijzen daarbij naar het afwijkende «partnerbegrip» in de Algemene Bijstandswet. Met de voorgestelde regeling is echter niet beoogd een algemene, ook buiten de fiscale wet- en regelgeving geldende, regeling te treffen voor leefvormen. Voor de meer algemene regelingen met betrekking tot leefvormen wordt verwezen naar de brieven van onze ambtgenoten van Justitie met betrekking tot leefvormen (kamerstukken II, 22 700, nr. 1- 23).

De leden van de CDA-fractie vragen nog of er problemen zijn te verwachten nu er geen eenduidig partnerbegrip is die ook voor andere belastingen geldt. Deze problemen verwachten wij niet aangezien het begrip inhoudelijk niet zozeer afwijkt van de begrippen in de huidige wet. Op dit punt wordt geen nieuwe problematiek verwacht.

Overigens nemen wij aan dat de Commissie Moltmaker bij zijn adviezen acht zal slaan op deze wetgeving.

De leden van de D66-fractie vragen hoe moet worden omgegaan met de eis van inschrijving op hetzelfde woonadres, tegen de achtergrond van de recentelijk gebleken mogelijkheid dat die eis voor gehuwden gaat worden verlaten. De D66-fractie doelt hiermee op het vervallen van de civielrechtelijke plicht tot samenwonen van gehuwden. Een aanvullende eis dat sprake moet zijn van een gemeenschappelijke huishouding heeft bij gehuwden weinig of geen waarde, en leidt slechts tot extra administratieve rompslomp. Daarbij is van belang dat gehuwden en geregistreerde partners op grond van het Burgerlijk Wetboek een juridische zorgverplichting jegens elkaar hebben. De eis van inschrijving op hetzelfde woonadres is daarom alleen gesteld bij niet-geregistreerde ongehuwd samenlevenden.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom een buitenlandse belastingplichtige die vrijwel zijn gehele wereldinkomen in Nederland geniet, maar niet voor een behandeling als binnenlandse belastingplichtige kiest, niet als partner kan worden aangemerkt. Een belangrijk gevolg van de keuze voor de partnerregeling is dat belastingplichtigen een vrije keuze krijgen van de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag. Het gevolg van de keuzevrijheid bij toerekening mag echter niet zijn dat inkomensbestanddelen vrij kunnen worden verdeeld over de landsgrenzen heen.

3.6 Gecombineerde belasting- en premieheffing

De D66-fractie merkt op dat alleen premieheffing plaatsvindt in box I en niet in de boxen II en III, waardoor iemand met alleen inkomen in box II of III geen premie afdraagt, maar wel gerechtigd is tot uitkeringen ingevolge de volksverzekeringen. Hierbij dient te worden bedacht dat het ook in het huidige systeem mogelijk is dat iemand feitelijk geen premie afdraagt, maar wel gerechtigd is tot uitkeringen ingevolge de volksverzekeringen. Hierbij kan worden gedacht aan belastingplichtigen die geen of slechts in beperkte mate inkomsten genieten of die door middel van het gebruik van aftrekposten het inkomen minimaliseren.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom het – gelet op de gunstige ervaringen met de gezamenlijke belastingen premieheffing – eigenlijk nog van belang is om in de tarieven van de eerste en tweede schijf een apart premiedeel te onderkennen. Het niet meer onderkennen van een apart premiedeel impliceert een verdergaande fiscalisering van de premieheffing van de volksverzekeringen; dit wordt thans niet voorgesteld. Het onderkennen van een apart premiedeel is ook materieel van belang, zo antwoorden we deze leden, in die situaties waarin sprake is van gedeeltelijke belasting- en premieplicht. Daarbij kan in de eerste plaats gedacht worden aan 65-plussers die geen AOW-premie verschuldigd zijn. De aanwezigheid van een afzonderlijk bestanddeel aan AOW-premie in de eerste twee tariefschijven brengt voor deze bevolkingsgroep een lager heffingspercentage mee; 65-plussers zijn namelijk niet premieplichting voor de AOW. Verder is het onderscheid tussen premie en belasting bijvoorbeeld van belang in situaties van grensoverschrijdende arbeid waarbij sprake is van gedeeltelijke belasting- of premieplicht.

De leden van de fracties van PvdA, VVD, D66, GPV en RPF vragen waarom premie volksverzekeringen alleen wordt geheven over inkomen uit box I. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of een nadere vorm van premieheffing over box III voor de hand ligt. De leden van de D66-fractie vragen verder of het niet betalen van premie volksverzekeringen over inkomen van box II en III niet een risico van ongeoorloofde discriminatie inhoudt.

Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is overwogen om niet alleen premie volksverzekeringen te heffen over het inkomen in box I, maar ook over het inkomen in de boxen II en III. Gelet op de geldende maximumbedragen aan premie-inkomen, zou de verschuldigdheid van premie volksverzekeringen over inkomen uit aanmerkelijk belang en inkomen uit sparen en beleggen dan afhankelijk zijn van het bedrag aan premie dat verschuldigd is over het inkomen uit werk en woning. Dit is ook het alternatief dat de leden van de PvdA-fractie voorleggen.

Uitgaande van een vast gezamenlijk tarief van 30 procent over het inkomen in box II en III – waarvan in het Regeerakkoord is uitgegaan – zou het bedrag aan verschuldigde belasting over box II en III veranderen afhankelijk van de verschuldigdheid van premie volksverzekeringen over het inkomen uit werk en woning. Indien het inkomen uit werk en woning zou worden verlaagd door verrekening van een verlies uit een volgend jaar, zou vervolgens het bedrag aan premie berekend over het inkomen uit box II en III kunnen wijzigen. Dit zou de uitvoering verzwaren. Een andere complicatie zou zich voordoen in situaties van grensoverschrijdende arbeid, waarbij sprake is van belastingplicht zonder premieplicht of premieplicht zonder belastingplicht. De bepaling van het in dergelijke situaties geldende heffingspercentages zou – gelet op de werking van het gelijkheidsbeginsel en de mensenrechtenverdragen – moeten zijn afgestemd op de in de binnenlandse situaties geldende tarieven, hetgeen moeizaam is aangezien in binnenlandse situaties geen vaste premie- en belastingtarieven zouden gelden.

Indien daarentegen zou worden gekozen voor een vaste verdeling van belasting en premie binnen de vaste tarieven van 30 %, zou dat betekenen dat het feitelijke heffingstarief over het inkomen en box II en III lager zou zijn indien het premiemaximum is bereikt in box I. Dit achten wij ongewenst.

Op grond van deze overwegingen hebben wij gekozen voor een heffing over het inkomen in box II en III die geheel uit belasting bestaat. Om hieruit voortvloeiende ongewenste inkomenseffecten te voorkomen voor 65-plussers met een laag inkomen in box I, die onder het huidige regime een laag heffingspercentage verschuldigd zijn over hun inkomen uit vermogen is voorzien in een verhoging van het heffingsvrije vermogen in box III voor ouderen met een laag inkomen uit werk en woning en een beperkte rendementsgrondslag (artikel 5.1.3a).

Wij aanvaarden de consequentie, die de leden van D66 schetsen, dat degene die in een specifieke situatie alleen inkomen hebben in box II en III geen premie afdragen, maar wel gerechtigd zijn tot uitkeringen op grond van de volksverzekeringen. Het gaat daarbij om een uitzonderingssituatie. Aangenomen mag worden dat de meeste belastingplichtigen met een inkomen in box II en III ook een premieplichtig inkomen hebben in box I. Daarbij is van belang dat de fictiefloonregeling voor houders van een aanmerkelijk belang er toe leidt dat deze belastingplichtigen ook premie volksverzekeringen verschuldigd zijn. De gemaakte keuze is daarom goed te rijmen met de overwegingen die hebben geleid tot de fictiefloonregeling, zo antwoorden wij op vragen van de fracties van GPV en RPF.

Verder zijn twee kanttekeningen te maken. De eerste is dat zo'n belastingplichtige wel bijdraagt aan de collectieve middelen en ook zelf wellicht het onderscheid tussen premie en belasting niet zal omderkennen. De tweede is dat er in het huidige en in het toekomstige regime mogelijk is v is dat iemand feitelijk geen premie afdraagt, maar wel gerechtigd is tot uitkeringen ingevolge de volksverzekeringen. Hierbij kan worden gedacht aan personen die geen of slechts in beperkte mate inkomsten genieten, waaronder vakantiewerkers en deeltijders. Verder is van belang dat onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kan voorkomen dat een belastingplichtige door negatieve inkomsten uit vermogen de premiegrondslag uitholt. Dit is in het voorgestelde stelsel niet langer mogelijk.

De leden van de GPV en RPF zien het niet heffen van premie volksverzekeringen over het inkomen uit box II en III als een verdere fiscalisering van de volksverzekeringen. We hebben er – zoals uit het voorgaande blijkt – niet voor gekozen om in de boxen II en III premie volksverzekeringen te heffen, mede om complexe regelgeving en uitvoeringsproblemen te voorkomen. Hierbij heeft ook een rol gespeeld dat de grondslagverbreding voor de volksverzekeringen vanuit de boxen II en III beperkt zou zijn, mede omdat de premieheffing in box II en III achterwege zou blijven als er voldoende (premieplichtig) inkomen in box I is. De gemaakte keuze is dus niet ingegeven door een wens om te komen tot fiscalisering van de premie volksverzekeringen. Het feit dat de grondslag voor de heffing van premie volksverzekeringen wordt bepaald op het inkomen uit werk en woning betekent dan ook niet dat het verzekeringskarakter wordt uitgehold. Overigens zien we , anders dan kennelijk de leden van de fractie van D66, in de voorgestelde systematiek geen aanleiding om de premie volksverzekeringen te fiscaliseren.

De berekening van de heffingskortingen, de leden van de PvdA-fractie vragen hiernaar, is gekoppeld aan de aanwezigheid van belasting- en premieplicht, zodat de hoogte van de heffingskorting afhankelijk is van de feitelijke belasting- en premieplicht. Gevolg van deze systematiek is ook dat iemand die volledig belasting- en premieplichtig is en die in enig jaar uitsluitend inkomen in de boxen II en III heeft recht heeft op een volledige heffingskorting. Wie zien niet dat deze systematiek van belasting- en premieheffing in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of men een min of meer vast deel van de opbrengsten van box III zou moeten bestemmen voor de sociale fondsen. Daarbij is van belang dat als gevolg van de belastingherziening 2001 een verschuiving optreedt van premie volksverzekeringen naar belastingen. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen hier naar. Deze verschuiving wordt vooral veroorzaakt doordat de heffingskortingen worden verrekend in de verhouding van belasting en premie volksverzekeringen in de eerste schijf, terwijl de huidige belastingvrije sommen bij belastingplichtigen met een inkomen hoger dan het maximum van de eerste schijf (in elk geval gedeeltelijk) worden verrekend tegen het tarief van de tweede of derde schijf, dat geheel uit belasting bestaat. De opgenomen grondslagverbredende maatregelen wegen niet op tegen deze premieverlagende maatregelen. Volgens indicatieve berekeningen zou de opbrengst van de premieheffing bij gelijkblijvende premiepercentages per saldo met 12 – 14 miljard gulden afnemen. De vermindering van de premie-opbrengst wordt gecompenseerd door een even grote verhoging van belastingopbrengst.

Thans worden de mogelijkheden bestudeerd om de fondsen voor deze premiederving te compenseren.

4. INKOMEN UIT WERK EN WONING

4.1. Ondernemerschap en economische dynamiek

4.1.1. Algemeen

De leden van de fracties van het CDA en de SGP geven er de voorkeur aan de voorstellen voor de winstsfeer met betrekking tot de nieuwe inkomstenbelasting integraal te behandelen. In dit verband vragen de leden van de eerstgenoemde fractie waarom in de belastingherziening 21e eeuw een beperkt aantal maatregelen is opgenomen en of het mogelijk is de voorstellen voor het bedrijfsleven alsnog in het onderhavige wetsvoorstel op te nemen. Voorts vragen deze leden of het kabinet kan aangeven wanneer de Tweede Kamer de tweede tranche van het ondernemerspakket 2001 kan verwachten. De leden van de SGP-fractie vragen de gekozen handelwijze toe te lichten. De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar meer duidelijkheid omtrent de afstemming tussen de bepalingen in dit wetsvoorstel die betrekking hebben op de onderneming en het ondernemerspakket 21e eeuw.

Naar aanleiding hiervan merken wij op dat in het Regeerakkoord is aangegeven dat de belastingen van het bedrijfsleven in samenhang met de bevindingen van de commissie Oort-II zullen worden bezien. Daarnaast is in het Regeerakkoord een taakstelling opgenomen uit hoofde van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving van structureel f 500 mln (opbrengst f 100 mln in 2000, via f 150 mln in 2001, oplopend naar f 500 mln structureel vanaf 2002). Ter uitvoering van beide afspraken uit het Regeerakkoord is het afgelopen voorjaar intensief overlegd met de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven (VNO/NCW, MKB Nederland en LTO Nederland). Dit overleg heeft geresulteerd in overeenstemming met het bedrijfsleven over een integraal pakket fiscale maatregelen, kortweg aangeduid als het ondernemerspakket 21e eeuw. Het rapport van de commissie Oort-II «Een duwtje in de rug» vormde het uitgangspunt bij de uitwerking van dit ondernemerspakket.

Het integrale ondernemerspakket bestaat uit de aanbevelingen uit het rapport Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw. In paragraaf 4.1 van de nota naar aanleiding van het verslag bij het belastingplan 2000 (kamerstukken II 26 820) is ingegaan op de stand van zaken en verdere procedure van het ondernemerspakket 21e eeuw. In het Belastingplan 2000 zijn 9 aanbevelingen verwerkt; er is reeds één maatregel gerealiseerd. In het onderhavige voorstel van de Wet inkomstenbelasting 2001 is in de winstsfeer een beperkt aantal maatregelen opgenomen, deels direct verbonden met de invoering van het boxensysteem of voortvloeiend uit jurisprudentie van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen. Een aantal maatregelen uit dit wetsvoorstel maakt tevens deel uit van het ondernemerspakket. Wij verwachten het wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche waarin de resterende aanbevelingen zijn verwerkt, in het voorjaar van 2000 bij de Tweede Kamer in te dienen. De vraag van de leden van de fractie van het CDA of het mogelijk is alsnog de voorstellen voor het bedrijfsleven in het onderhavige wetsvoorstel IB2001 op te nemen, beantwoorden wij ontkennend, ook al omdat wij er geen voorstander van zouden zijn zulke voorstellen niet eerst voor te leggen aan de Raad van State.

In het onderstaande overzicht wordt verduidelijkt op welke wijze het totale ondernemerspakket verdeeld is over de verschillende wetsvoorstellen. Dit overzicht is ook verstrekt bij de schriftelijke beantwoording van vragen gesteld tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het Belastingplan 2000.

Belastingplan 1999 (staatsblad)

• Afschaffing van de vrijstelling van accijns op alcoholhoudende producten en tabaksproducten, bestemd om te worden gebruikt aan boord van schepen in het kader van de binnenvaart

Belastingplan 2000 (ingediend)

• Afschaffing assurantiereserve eigen risico

• Afschaffing exportrisicoreserve

• Bestrijding katvangersconstructie bij motorrijtuigenbelasting

• Reparaties in de BTW-sfeer

• Verlaging Vpb-tarief van 35 % naar 30% over winst tot f 50 000,–

• Verlaging tarief kapitaalsbelasting (eerste stapje met 0,1%)

• Constructiebestrijding afvalstoffenbelasting

Voorstel van Wet IB 2001

• Fusie en splitsing: aanpassing regelgeving naar aanleiding van Leur-Bloem arrest

• Aanpassing ondernemersbegrip IB

• Wijziging behandeling (onder)maatschappen (aanpassing urencriterium)

• Afschaffing bijzondere tarieven

• Afschaffing stakingsvrijstelling (NB zie hierna voor invoering nieuwe stakingsaftrek)

Wetsvoorstel Ondernemerspakket (nog in te dienen; voorjaar 2001)

• Omvorming vervangingsreserve in herinvesteringsreserve

• Verlaging kapitaalsbelasting (tweede stapje met 0,2%)

• Regeling venture capital (maatschappelijk beleggen)

• Fiscale begeleiding herstructurering land- en tuinbouw

• Verruiming van de doorschuifregeling

• Invoering beperkte stakingsaftrek

• Regeling terugkeer uit de BV

• Verruiming investeringsaftrek vooral gericht op het midden- en kleinbedrijf

• Bestrijding ongewenste handel in verliezen en vervangingsreserves

• Niet meer toestaan commerciële herwaardering

• Reparatie landbouwvrijstelling (bestemmingswijzigingswinst)

• Kleine reparaties in de Vpb-sfeer

Tenslotte geldt voor het schrappen van de in het Regeerakkoord voorziene ombuiging op de WBSO en de investeringsaftrek dat daarvoor geen wetgeving nodig is (iets blijft bestaan wat al bestaat).

Met betrekking tot de vraag van de leden van de fractie van het CDA hoe het kabinet kan concluderen dat de wijzigingen in de winstsfeer van beperkte omvang zullen zijn, nu bekend is dat 850 mln gemoeid is met deze operatie, antwoorden wij dat deze uitspraak op blz. 27 van de memorie van toelichting geen betrekking heeft op dit wetsvoorstel maar op het integrale ondernemerspakket 21e eeuw. Van dat ondernemerspakket 21e eeuw maakt tevens deel uit, dit in antwoord op de desbetreffende vraag van deze leden, de invulling van de reparatietaakstelling van structureel f 500 miljoen uit het regeerakkoord. Dit verklaart dan ook dat voor de overheid met de opbrengstgenererende maatregelen in het pakket een bedrag van f 1 350 miljoen is gemoeid.

Voorts vragen deze leden of een overzicht gegeven kan worden van alle maatregelen voor fiscale tegemoetkoming van ondernemers (cie Oort II), welke daarvan worden overgenomen en in welk wetsvoorstel deze worden opgenomen. In onderstaande tabel is het antwoord op deze vragen opgenomen waarbij de aanbevelingen in verkorte vorm zijn weergegeven. Voor de precieze inhoud van de aanbevelingen zij verwezen naar het rapport van de werkgroep Oort-II.

Overzicht follow-up aanbevelingen Oort-II (welke aanbevelingen worden overgenomen en in welk wetsvoorstel)

Nr. AanbevelingVervolg en zo ja, in welk wetsvoorstel
1.Voorkeur huidige ondernemersbegrip boven subjectief ondernemerschapDit is overgenomen in wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001.
2.Geen fiscale regeling seedersVergt geen vervolg.
3.Bezien administratieve lasten directe Tante Agaath-lening en voortzetting indirecte Tante Agaath-leningOnderzoek door belastingdienst is gaande.
4.Verdeeldheid over termijn startersfaciliteiten (handhaving huidige termijnen of één termijn van 5 jaar voor startersaftrek en tante-AgaathIn het wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 is uitgegaan van de bestaande termijnen, d.w.z. 3 jaar startersaftrek en 7 jaar (14 jaar) tante-Agaath.
5.Geen startersovernamereserveVergt geen vervolg.
6.Verdeeldheid over stakingsvrijstelling (handhaven, eens per leven of afschaffen)Stakingsvrijstelling in dit wetsvoorstel afgeschaft, maar beperkte stakingsvrijstelling f 8 000 per leven zal deel uitmaken van wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche.
7.Verruiming doorschuiffaciliteit art. 17 tot elke koper en verkoperVerruiming doorschuiffaciliteit art. 17 naar mede-ondernemers wordt opgenomen in wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche.
8.Faciliteit voor terugkeer uit de B.V.Faciliteit voor terugkeer uit de B.V. wordt opgenomen in wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche
9.Vervangingsreserve versoepelen (vervallen vervangingsvereiste) en repareren (zoals bij artikel 20 lid 5 Vpb)Omvorming in herinvesteringsreserve voor zover het geen onroerende zaken betreft, alsmede reparatie (zoals bij artikel 20 lid 5 Vpb) wordt opgenomen in wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche
10.Afschaffen reserve-assurantie-eigen-risicoDit is opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2000
11.Afschaffen kostenegalisatiereserve bij vervallen eis rechtsverhouding bij de vorming van een voorzieningDe eis van rechtsverhouding bij de vorming van een voorziening blijft gehandhaafd (wetsvoorstel continuering regime inzake voorzieningen); derhalve ook de kostenegalisatiereserve
12.Afschaffen exportrisicoreserveDit is opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2000.
13.Verruiming zelfstandigenaftrek door vervallen urennorm en korting met arbeidsinkomsten, vervallen leeftijdsgrens van 65 jaarIn wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 is bestaande urencriterium aangevuld met gebruikelijkheidstoets. Geen korting met arbeidsinkomsten. Leeftijdsgrens van 65 jaar gehandhaafd.
14.Ten aanzien van de oudedagsreserve (in de winst, geen koppeling zelfstandigenaftrek en overtollige liquiditeiten mogen in onderneming blijven)In wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 is oudedagsreserve opgenomen in de winst. Voor dotatie geldt urencriterium Overtollige liquiditeiten mogen niet in de onderneming blijven.
15.Afschaffen accountantscontrole EIA, VAMIL en willekeurige afschrijvingAls proef vervalt accountantsverklaring WBSO per 1–1-2000. Bij positieve uitkomst wordt dit doorgetrokken naar accountantsverklaring VAMIL, EIA en willekeurige afschrijving.
16.Aftrekbaarheid bijdragen scholingsfondsenDit is gerealiseerd bij Belastingplan 1999
17.Geen landbouwvrijstelling voor bestemmingswijzigingswinstenDit wordt opgenomen in wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche.

Voor de budgettaire effecten van de implementatie van de aanbevelingen van de werkgroep Oort-II, dit in antwoord op de vraag dienaangaande van de leden van de fractie van het CDA, verwijzen wij naar de budgettaire aspecten van het ondernemerspakket welke zijn opgenomen in het rapport «belastingen bedrijfsleven 21e eeuw». Daarbij moet overigens wel aangetekend worden dat sommige ramingen nog zullen worden geactualiseerd.

In antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie of ook uitvoerig overleg met het georganiseerde bedrijfsleven in het kader van de in voorliggende wetsvoorstel reeds opgenomen maatregelen, heeft plaatsgevonden, merken wij op dat dit inderdaad het geval is waar het gaat om de maatregelen die deel uitmaken van het ondernemerspakket 21e eeuw.

Met betrekking tot de vraag van deze leden in hoeverre het denkbaar is, dat de wijzigingen die in voorliggend wetsontwerp worden voorgesteld, als gevolg van het nog te verwachten pakket maatregelen in de ondernemingswinstsfeer alsnog zullen komen te vervallen, merken wij op dat dit op één punt tot op zekere hoogte het geval zal zijn. Het effect van de thans voorgestelde afschaffing van de stakingsvrijstelling zal ten dele worden opgevangen door in het nog in te dienen wetsvoorstel ondernemerspakket een beperkte stakingsaftrek op te nemen die per ondernemer ten hoogste f 8 000 per leven kan bedragen.

Zoals in het bovenstaande aangegeven, heeft het overleg over het ondernemerspakket 21e eeuw met het VNO/NCW, MKB Nederland en LTO plaatsgevonden. De vraag van de leden van de fractie van de SGP of bij voorbeeld ook de Reformatische Maatschappelijke Unie bij dit overleg betrokken is geweest, beantwoorden wij dan ook ontkennend. In reactie op de vraag van deze leden of dan met recht kan worden gesteld dat bij voorbeeld het voorstel tot het schrappen van de assurantierisicoreserve ondernemersbreed wordt gedragen, merken wij op dat, zoals in het nader verslag van het Belastingplan 2000 is aangegeven, de vertegenwoordigers van de werkgevers in beide werkgroepen – zowel in de commissie Oort-II als in de werkgroep «belastingen bedrijfsleven 21e eeuw» – met de afschaffing van de assurantiereserve hebben ingestemd. Dit laat onverlet dat daar door andere organisaties en individuele ondernemers anders tegen aan gekeken kan worden.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie of het nieuwe belastingstelsel niet erg ongunstig uitwerkt voor ondernemers merken wij op dat deze vraag reeds elders aan de orde is geweest. Daarbij is verwezen naar de EIM-rapportage.

In antwoord op de vraag van deze leden waarom er administratieve lastenverzwaringen optreden merken wij op dat de regering deze kabinetsperiode streeft naar een verdere verlaging van de administratieve lasten. Ook de belastingherziening 2001 bevat hiervoor elementen. Zoals reeds in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven betreft het met name de maatregelen in het kader van de heffingskortingen, die de huidige belastingvrije sommen vervangen. In het nieuwe belastingstelsel draagt de Belastingdienst zorg voor de uitbetalingen van enkele bijzondere heffingskortingen waardoor voor de inhoudingsplichtigen in de sfeer van de loonbelasting vereenvoudigingen kunnen worden aangebracht. Ook de systeemwijziging inzake het loonbegrip zoals opgenomen in het wetsvoorstel Invoeringswet IB 2001 zal een administratieve lastenverlichting met zich brengen. De belastingherziening bevat overigens ook enkele elementen die mogelijk als verzwarend zouden kunnen worden opgevat. Per saldo resteert echter naar ons inzicht een administratieve lastenverlichting van f 50 à 75 mln.

De fracties van de VVD, het CDA en D66 vragen een nadere toelichting waarom is afgezien van de introductie van een subjectief ondernemersbegrip en wijzen ook naar hetgeen daarover is opgemerkt in de Verkenning. De leden van de fracties van de VVD en het CDA wijzen in dit verband op de brief van de RZO van 21 oktober 1999 waarin wordt gesteld dat met een subjectief ondernemersbegrip bijvoorbeeld wordt voorkomen dat moet worden afgerekend bij bedrijfsverplaatsingen en verplaatsingen van vermogensbestanddelen tussen ondernemingen van dezelfde ondernemer. Verder merken deze leden op dat een subjectief ondernemersbegrip zeer goed past in de gekozen systematiek van het urencriterium en de oudedagsreserve, die beide in het voorgestelde regime bezien moeten worden in relatie tot alle door de ondernemer gedreven ondernemingen. De leden van de fracties van het CDA en D66 vragen in dit verband of onder handhaving van het huidige ondernemersbegrip wordt overwogen de vervangingsreserve om te vormen tot een herinvesteringsreserve. De leden van de CDA-fractie vragen in dit verband nog naar een combinatie van herinvesteringsreserve en doorschuifregeling. De leden van de fractie van D66 achten het gewenst om de vervangingsreserve over de ondernemingsgrenzen heen te tillen door de mogelijkheid te scheppen de reserve te laten overnemen door de opvolgende onderneming.

Met de leden van deze fracties zijn wij van mening dat een verder gesubjectiveerd ondernemingsbegrip afrekening kan voorkomen ingeval van bedrijfsverplaatsingen en bij overdracht van vermogensbestanddelen tussen de afzonderlijke ondernemingen van de belastingplichtige. Binnen het huidige ondernemingsbegrip in de inkomstenbelasting wordt de winst per onderneming van de belastingplichtige bepaald. De ondernemer kan meerdere van dergelijke ondernemingen hebben. Bij een verder gesubjectiveerd ondernemingsbegrip zouden ten behoeve van de winstbepaling de ondernemingen van de belastingplichtige beschouwd worden als één subjectieve onderneming.

Ten tijde van het uitbrengen van de Verkenning bestond inderdaad de idee om met behulp van een generieke aanpassing van het ondernemingsbegrip bepaalde knelpunten weg te nemen. Alvorens op die ideeën voort te borduren hebben wij de Werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers, ook wel aangeduid als werkgroep Oort II, ingeteld. Deze werkgroep heeft tot taak gehad de fiscale tegemoetkomingen voor ondernemingen in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting te evalueren. Deze werkgroep heeft daarbij aangegeven dat handhaving van het huidige ondernemersbegrip de voorkeur geniet. Naar het oordeel van deze werkgroep kan daarbij een oplossing worden gevonden voor bestaande knelpunten door omvorming van de vervangingsreserve in een herinvesteringsreserve gecombineerd met een doorschuifregeling die inhoudt dat de onderneming bij overdracht niet wordt geacht te zijn gestaakt. Daarmee wordt dan, aldus deze werkgroep, een oplossing geboden voor de motie Blauw waarin is «verzocht het daarheen te leiden dat de vervangingsreserve ex artikel 14 Wet IB kan worden toegepast op bedrijfsverplaatsingen in de agrarische sector. Gedacht wordt aan bedrijfsverplaatsingen vanwege het milieu, de natuur, ruimtelijke ordening en de bedrijfsstructuur».

Bij de keuze van het pakket aan maatregelen bestemd voor de ondernemers, het zogenoemde ondernemerspakket 21e eeuw, hebben wij de aanbevelingen van de werkgroep Oort-II op dit terrein als uitgangspunt genomen en gekozen voor de aanpak van concrete knelpunten in plaats van de invoering van een subjectief ondernemingsbegrip. Op dit moment wordt ter voorbereiding van het wetsvoorstel waarin de tweede tranche maatregelen uit het ondernemerspakket 21e eeuw zal worden opgenomen, bezien op welke wijze de vervangingsreserve kan worden omgevormd in een herinvesteringsreserve en hoe de regeling voor geruisloze overdracht van de onderneming aan mede-ondernemers kan worden ingevoerd. Voorts zullen door de werkgroep «Fiscale opties bij herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw» die naar verwachting binnen afzienbare tijd zal rapporteren, voorstellen worden gedaan die een oplossing te bieden voor de problematiek van de herstructurering waar ook de motie Blauw naar vraagt.

De leden van de fractie van het CDA voeren aan dat de regelingen inzake ondernemers voor belastingplichtigen het meest doorzichtig en daardoor meer aanvaardbaar zijn indien het ondernemersbegrip voor de heffing van de inkomstenbelasting niet of zo min mogelijk verschilt van het ondernemersbegrip in de omzetbelasting. Daarom achten de leden van deze fractie een beschouwing over dit punt gewenst. Zij vragen in dit verband een reactie op de ideeën uit het Weekblad voor Fiscaal Recht 6359 blz. 1370 e.v. waarin een verkorte versie is gepubliceerd van een inbreng van de Federatie van Belastingadviseurs ter zake van het ondernemersbegrip. Naar aanleiding hiervan merken wij op dat in het genoemde artikel terecht wordt gewezen op de (toenemende) invloed van het communautaire recht. De harmonisatie op het terrein van de omzetbelasting is het verst gevorderd. Zo heeft het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen op grond van de Zesde richtlijn inzake omzetbelasting aan het begrip «ondernemer» voor de omzetbelasting een communautaire invulling gegeven. De mogelijkheden van het (verder) naar elkaar toe brengen van het ondernemersbegrip in de inkomstenbelasting en de omzetbelasting lijken beperkt, gelet op het verschil in karakter van deze belastingen. Voor de omzetbelasting is voldoende dat een persoon deelneemt aan het economisch verkeer, om als ondernemer te worden aangemerkt hetgeen ook voor de hand ligt omdat ook de omzet van een structureel verliesgevende ondernemer omzet kan zijn. Voor de inkomstenbelasting wordt bovendien de eis gesteld dat winst redelijkerwijs is te verwachten en ook wordt beoogd. Dit om te voorkomen dat structurele verliezen van «hobby-ondernemers» met andere inkomsten worden verrekend. Meer mogelijkheden lijken er te liggen op het vlak van het ondernemersbegrip in de inkomstenbelasting respectievelijk sociale zekerheid. In het kader van de MDW-operatie is het project «Harmonisatie Ondernemers- en Zelfstandigenbegrip» onder voorzitterschap van prof.dr. L.G.M. Stevens geïnitieerd. Deze werkgroep is gevraagd om advies uit te brengen over de mogelijkheden om de ondernemers- en zelfstandigenbegrippen, die in de Nederlandse wetgeving worden gehanteerd, te harmoniseren en aan te geven welke gevolgen daaraan verbonden zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen in welke box de inkomsten van «huisjesmelkers» en speculanten zullen worden belast. Wij nemen aan dat hiermee in het bijzonder wordt gedoeld op de inkomsten uit de verhuur van onroerende zaken en vermogenswinsten op de aan- en verkoop van onroerende zaken.

Hierover merken wij het volgende op. In het voorstel van Wet Inkomstenbelasting 2001 zijn geen specifieke bepalingen opgenomen op dit punt. In welke box dergelijke inkomsten vallen, hangt daarom af van de vraag hoe de werkzaamheden die verband houden met de verhuur of vervreemding van onroerende zaken worden gekwalificeerd. Indien zij kunnen worden aangemerkt als een onderneming of als «overige werkzaamheden», zullen de inkomsten worden belast in box I. Dit betekent dat de daadwerkelijk genoten inkomsten, inclusief speculatiewinsten, tegen het progressieve tarief in de heffing zullen worden betrokken. De winst of het resultaat uit overige werkzaamheden zal in dat geval volgens de systematiek van de IB'01, op basis van winstregime met inachtneming van het goedkoopmansgebruik, worden bepaald. De afschrijvingen, onderhoudskosten en dergelijke zijn dan dus aftrekbaar. In overige gevallen zullen de inkomsten op forfaitaire basis worden belast in box III. De belastingplichtige zal dan over 4% van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak in de heffing worden betrokken tegen een tarief van 30%. Afschrijvingen, onderhoudskosten en dergelijke zijn in dat geval niet aftrekbaar.

Een vergelijkbare kwalificatievraag doet zich ook onder het huidige recht voor. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen de inkomsten behaald met de verhuur of vervreemding van onroerende zaken kwalificeren hetzij als «winst uit onderneming» of «inkomsten uit andere arbeid», hetzij als «inkomsten uit vermogen». In beginsel is geen sprake van inkomsten uit andere arbeid of winst uit onderneming als de werkzaamheden «normaal vermogensbeheer» niet te boven gaan. Volgens de jurisprudentie is van normaal vermogensbeheer geen sprake indien het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid welke de eigenaar van de onroerende zaken verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.

Het voorgaande betekent dat in het wetsvoorstel inkomsten uit de exploitatie van onroerende zaken onder omstandigheden worden belast in box III. Het betreft in dat geval onroerende zaken die niet reeds zijn begrepen in box I of II en door de belastingplichtige dus uitsluitend worden aangehouden met het oogmerk daaruit een normaal beleggingsrendement te behalen. Wel achten wij het van belang dat de belastingheffing over de exploitatie van onroerende zaken in box III ook daadwerkelijk beperkt blijft tot gevallen van zuiver normaal vermogensbeheer. In dit verband rijst de vraag of de criteria die onder het huidige recht in de jurisprudentie worden gehanteerd voor de afbakening van normaal vermogensbeheer ook onder het voorstel van Wet Inkomstenbelasting 2001 adequaat zijn. Ons inziens wordt in de jurisprudentie aan het begrip normaal vermogensbeheer in de praktijk een invulling gegeven die te ruim is voor de toepassing van de boxenstructuur in de Wet inkomstenbelasting 2001, met name ingeval van speculatie met of verhuur van onroerende zaken. Op dit punt zou een wijziging kunnen worden overwogen.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de toegankelijkheid van afdeling 3.2 over belastbare winst uit onderneming niet verbeterd wordt door onderafdelingen aan te brengen. Naar onze mening is daar reeds in voorzien door de desbetreffende afdeling onder te verdelen in een viertal paragrafen.

Daarnaast vragen deze leden of er niet een meer systematische opbouw van afdeling 3.2 mogelijk is en of het niet mogelijk is binnen bepaalde artikelen de verschillende onderdelen alfabetisch te rangschikken. De onderverdeling van de afdeling in een viertal paragrafen is gebaseerd op de samenstellende delen van het begrip belastbare winst uit onderneming en de daarbij behorende kenmerken. Een algemene paragraaf met de begripsbepalingen, wordt gevolgd door paragrafen met winst uit onderneming, oudedagsreserve en ondernemersaftrek. Voor een toelichting over de bijzondere plaats van de paragraaf met de oudedagsreserve zij verwezen naar het antwoord ter zake in paragraaf 4.1.3 van deze nota. De volgorde binnen de paragraaf 3.2.2 winst uit een onderneming is gebaseerd op de vergelijkbare indeling onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Tegen een alfabetisch volgorde van onderdelen binnen een artikel pleit dat bij toevoeging van een onderdeel aan een artikel, ook verlettering nodig zal zijn.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie over de aspecten van de fiscale vermogensetikettering. Deze reactie is besproken in paragraaf 1.3.2.

4.1.2. Aanpassing van het ondernemersbegrip

In de vragen die de leden van de verschillende fracties over dit onderwerp stellen, komen als hoofdthema's naar voren wie onder de Wet IB 2001 als genieter van winst uit onderneming in de belastingheffing wordt betrokken (Box I) en wie daarbij in aanmerking kunnen komen voor de ondernemingsfaciliteiten.

In de memorie van toelichting hebben wij uiteengezet dat het wenselijk is te komen tot een nieuwe afbakening van het ondernemersbegrip, waardoor alleen personen die in economisch en maatschappelijk opzicht als ondernemers zijn te beschouwen, ook fiscaal als ondernemer worden behandeld en personen die meer als belegger zijn aan te merken, voortaan ook als zodanig (in Box III) in de belastingheffing worden betrokken. Een belangrijke overweging daarbij is dat het fiscale ondernemerschap onder het huidige regime met het oog op de fiscale ondernemings- en ondernemersfaciliteiten (zoals de investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving en de stakingsvrijstelling) blijkt te worden opgezocht door personen die feitelijk toch vooral belegger zijn. Met name is dat het geval bij belastingplichtigen uit de hogere tariefschijven.

In het wetsvoorstel wordt het begrip «ondernemer» ingevuld als de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. De laatste voorwaarde houdt ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een aanscherping in. Met de voorwaarde wordt tot uitdrukking gebracht dat het ondernemerschap meer betekent dan het enkel ter beschikking stellen van vermogen aan een onderneming. Vereist is voortaan ook dat de belastingplichtige tegenover zakelijke crediteuren rechtstreeks aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming. In dat geval kan worden gesproken van een «echte» ondernemer, die met recht in aanmerking kan komen voor de verschillende fiscale ondernemers- en ondernemingsfaciliteiten. Het uitdrukkelijk voorbehouden van het gebruik van deze faciliteiten aan de «echte» ondernemer, voor wie deze faciliteiten ook primair zijn bedoeld, vormt een belangrijke drijfveer van de inperking van het ondernemersbegrip.

Een gevolg van de hiervoor omschreven inperking van het ondernemersbegrip is dat belastingplichtigen die alleen medegerechtigd zijn tot het vermogen van een onderneming zonder direct aansprakelijk te zijn voor de schulden daarvan, in beginsel niet langer onder het winstregime vallen, maar ter zake van hun kapitaalverstrekking als belegger, op basis van het forfaitaire rendement, in de heffing worden betrokken. Zo'n aanpak draagt bij aan de helderheid en inzichtelijkheid. Tevens wordt hiermee bereikt dat de toegankelijkheid tot de ondernemersfaciliteiten beperkt blijft tot «echte» ondernemers.

Natuurlijk is het van groot belang dat belastingplichtigen rechtstreeks geld in ondernemingen steken. Dit belang wordt onder meer met de «Tante Agaath» regeling ook fiscaal onderstreept. Maar wanneer de toegang tot de ondernemersfaciliteiten niet goed wordt begrensd, waardoor deze ook toegankelijk zijn voor personen waarvoor ze niet zijn bedoeld, gaat dat ten koste van de «echte» ondernemers en komt ook de budgettaire beheersbaarheid in het gedrang. Voorts komt daarmee het grote voordeel van het introduceren van Box III, te weten een grote mate van fiscale neutraliteit ten opzichte van verschillende beleggingsvormen, onder druk te staan.

Aan de andere kant beseffen wij ook dat er verschillende, en soms ook mooie, bloemen aan de rand van het ondernemerschap bloeien. Bij het opstellen van het wetsvoorstel is dan ook onderkend dat het in sommige situaties wenselijk is een uitzondering op de hiervoor toegelichte aanscherping te maken. Met name is dat het geval bij een bedrijfs- of erfopvolging of echtscheiding waarbij de opvolger niet (langer) voldoet aan het ondernemerscriterium. In antwoord op de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie op dit punt, wordt met het oog op het voorkomen van de eindafrekeningsproblematiek die kan ontstaan indien niet langer wordt voldaan aan het ondernemerscriterium, in het voorstel in die situaties, ingeval sprake is van medegerechtigdheid tot het vermogen van een onderneming, de mogelijkheid geboden te opteren voor de toepassing van het winstregime. Concreet betekent dit dat, zoals ook in de memorie van toelichting is aangegeven, de onderneming geacht wordt niet te zijn gestaakt of geruisloos aan de medegerechtigde wordt doorgeschoven, en de belastingheffing over de stille en fiscale reserves op het moment van de opvolging achterwege blijft.

Indien van deze keuzemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt de medegerechtigde voortzetter geacht belastbare winst uit onderneming te (blijven) genieten. Deze medegerechtigden komen echter niet in aanmerking voor de ondernemersaftrek, de willekeurige afschrijving, de investeringsaftrek, de scholingsaftrek en de toevoeging aan de oudedagsreserve. Zij zijn immers niet te beschouwen als «echte» ondernemers die rechtstreeks aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming. Voorts is het verlies dat door deze medegerechtigden in aftrek kan worden gebracht op het overige inkomen uit werk en woning gemaximeerd tot – kort gezegd – het bedrag van hun kapitaalinbreng.

Het verheugt ons dat de leden van de fracties van de PvdA, de VVD, en D66 de aanscherping van het ondernemersbegrip met het oog op het gebruik van de ondernemersfaciliteiten in zijn algemeenheid kunnen ondersteunen. Ook de leden van de CDA-fractie en de GroenLinks-fractie tonen hiervoor begrip. Wel plaatsen de leden van de verschillende fracties kanttekeningen bij de gevolgen die de voorgestelde aanpak kan hebben voor met name commanditaire vennoten. De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband hoe wij de suggestie beoordelen (commanditaire) vennoten die daadwerkelijk ondernemersrisico's lopen, altijd in Box I te belasten. De leden van de VVD-fractie vragen of er geen onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen «beleggende» en «ondernemende» vennoten, en ook de leden van de CDA-fractie wijzen op het ondernemersrisico dat commanditaire vennoten lopen. Voorts wijzen de leden van de CDA-fractie en de D66-fractie op mogelijke constructies met behulp van commanditaire vennootschappen ten einde het progressieve tarief van Box I te ontlopen.

Uiteraard zijn wij bereid om te bezien of de afbakening die wij hebben gekozen nog wat kan worden bijgesteld, door in meer gevallen van medegerechtigdheid dan thans in het wetsvoorstel zijn opgenomen, zonder dat van «echt» ondernemerschap kan worden gesproken, het winstregime toe te passen in plaats van het forfaitaire rendement van Box III. Voor de vraag of dat wenselijk is, is onder meer van belang dat een generieke uitsluiting van het winstregime van belastingplichtigen die mede-gerechtigden zijn tot het vermogen van een onderneming tot gevolg kan hebben dat constructies mogelijk worden die inhaken op het verschil in belastingdruk dat optreedt tussen de «echte» ondernemer die voor zijn winstinkomen progressief wordt belast in Box I en de commanditaire vennoot die in het wetsvoorstel onder het forfaitaire rendement valt zonder dat ten aanzien van hem sprake is van voordruk van vennootschapsbelasting zoals dat bij de belegger in aandelen wel het geval is. Hiermee zou de keuze voor het gebruik van een commanditaire vennootschap in belangrijke mate kunnen worden beïnvloed door het verschil in belastingheffing, wat uiteraard eveneens ongewenst zou zijn.

Bij een mogelijke uitbreiding van de kring van medegerechtigden die kwalificeren als «winstgenieter zonder ondernemersfaciliteiten», zou uiteraard moeten worden voorkomen dat bij voorbeeld het civielrechtelijk uitsluiten van de medegerechtigdheid tot de liquidatiewinst tot gevolg zou hebben dat de commanditaire vennoot voor zijn kapitaaldeelname toch in Box III zou worden belast en de hiervoor geschetste constructiemogelijkheden zouden blijven voortbestaan. Een evenwichtige aanpak zou ook vergen dat personen die aan ondernemingen geldleningen verstrekken die onder zodanige voorwaarden zijn aangegaan dat deze in feite functioneren als eigen vermogen van die onderneming of geldleningen verstrekken waarbij de vergoeding in grote mate winstafhankelijk is, ter zake van hun geldverstrekking onder het winstregime worden gebracht. Anders zouden manipulatiemogelijkheden blijven bestaan. Voorts mag het niet mogelijk zijn dat door de medegerechtigde verliezen worden afgetrokken die uitgaan boven zijn inbreng.

Bij een uitbreiding die op deze wijze wordt vormgegeven, blijft het uitgangspunt gehandhaafd dat het gebruik van de ondernemers- en ondernemingsfaciliteiten beperkt dient te blijven tot de «echte» ondernemers. Tegelijkertijd wordt een dam opgeworpen tegen belastingarbitrage via constructies met commanditaire vennootschappen. Voorts verdwijnt de overgangsproblematiek ten aanzien van commanditaire vennoten die op basis van het wetsvoorstel niet langer onder het winstregime zouden vallen.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de VVD-fractie over «beleggende» en «ondernemende» commanditaire vennoten, merken wij op dat er in het wetsvoorstel voor is gekozen alle commanditaire vennoten als genieter van inkomsten uit sparen en beleggen in de belastingheffing te betrekken. Dit om, zoals hiervoor is toegelicht, het ondernemersbegrip in de inkomstenbelasting meer in overeenstemming te brengen met de economische en maatschappelijke realiteit.

De leden van de CDA-fractie stellen in dit verband de positie van de «nijvere commanditaire vennoot» aan de orde. Daarbij gaat het om de commanditaire vennoot die naast de kapitaaldeelname ook nog arbeid verricht in de vennootschap zonder dat dit leidt tot externe aansprakelijkheid voor de schulden van de vennoot (derhalve zonder beherend vennoot te worden). Met deze leden zijn wij het eens dat de beloning voor deze arbeid in Box I is belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Een soortgelijke situatie kan ook onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 optreden. Onder de huidige wetgeving wordt de arbeidsbeloning van de beschreven nijvere commanditaire vennoot belast als inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte arbeid.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen zich af waarom in de toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel niet is ingegaan op de aangekondigde civielrechtelijke wetgeving betreffende de introductie van rechtspersoonlijkheid voor personenvennootschappen.

In antwoord op de vraag van deze leden merken wij op dat gezien het stadium waarin de voorbereiding van de aangekondigde wetgeving verkeert, daar nog geen rekening mee kon worden gehouden.

De leden van de fracties van het GPV en de RPF wijzen op de discrepantie tussen de passage in het algemene deel van de memorie van toelichting over het verrichten van ondernemerswerkzaamheden en het verbonden zijn voor verbintenissen zoals dat in artikel 3.2.1.2 opgenomen is. Zoals uit de algemene uiteenzetting aan het begin van deze paragraaf over het begrip ondernemer blijkt, leggen wij het zwaartepunt bij de aansprakelijkheid, dat wil zeggen in het verbonden zijn voor verbintenissen.

Het begrip «verbonden voor verbintenissen» is afkomstig uit het privaatrecht en dient voor de toepassing van artikel 3.2.1.2 op analoge wijze te worden uitgelegd, zo kunnen wij deze leden op hun desbetreffende vragen antwoorden. In zijn algemeenheid is daarmee vereist dat de belastingplichtige tegenover zakelijke crediteuren aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming. Met de term «rechtstreeks» wordt beoogd tot uitdrukking te brengen dat alleen een rechtstreekse («eigen») verbondenheid voldoende is. Een («afgeleide») medeverbondenheid betreffende een onderneming die voortvloeit uit de deelgerechtigdheid in een huwelijksgoederengemeenschap of een nalatenschap kwalificeert daardoor, net als thans, niet voor het ondernemerschap.

Het antwoord op de vraag van de leden van de fracties van het GPV en de RPF in welke gevallen sprake is van rechtstreekse verbondenheid zal afhangen van de feitelijke omstandigheden. In zijn algemeenheid zullen een commanditaire vennoot in een commanditaire vennootschap en een stille maat, die zelf geen verbintenissen betreffende de onderneming aangaat, in een stille maatschap of stille ondermaatschap niet voldoen aan het vereiste van verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming. Onze reactie op het concrete voorbeeld dat deze leden in dit verband aandragen, is als volgt. Een commanditaire vennoot die de waarde van een bedrijfspand – verminderd met een daarop betrekking hebbende geldlening – als commanditair aandeel in een commanditaire vennootschap inbrengt, zal daardoor geen ondernemer worden. Dat de commanditaire vennoot in privé garant staat voor de desbetreffende geldlening is daarvoor niet relevant. Zelfs al zou de garantstelling in het kader van de subjectieve onderneming van een commanditaire vennoot hebben plaatsgevonden, dan is dat niet relevant. Nog steeds ontbreekt immers het verbonden worden voor verbintenissen betreffende die commanditaire vennootschap.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de voor het ondernemerschap vereiste aansprakelijkheid steeds volledig moet zijn, of dat voor deelnemers aan een samenwerkingsverband ook een gedeeltelijke aansprakelijkheid voldoende is. Onze reactie hierop is dat vennoten in een vennootschap onder firma en beherend vennoten in een commanditaire vennootschap steeds hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap. Voor maten in een openbare maatschap geldt daarentegen als uitgangspunt dat zij ieder voor een gelijk deel aansprakelijk zijn voor zaaksschulden. Onder omstandigheden kunnen ook zij op grond van artikel 6:6, tweede lid, of artikel 7:407, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek overigens hoofdelijk aansprakelijk zijn. In alle genoemde gevallen voldoen de deelnemers aan het samenwerkingsverband aan het criterium dat zij rechtstreeks worden verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming. Dat de aansprakelijkheid niet altijd een hoofdelijke is, doet daar niet aan af, omdat hun aansprakelijkheid niet is gemaximeerd tot een bepaald bedrag. Een commanditaire vennoot is daarentegen in beginsel in het geheel niet aansprakelijk voor de schulden van de commanditaire vennootschap. Wel kan hij op grond van de vennootschapsovereenkomst in de interne verhouding tussen de vennoten onderling tot maximaal het bedrag van zijn inbreng meedragen in de verliezen. Verder is het mogelijk dat bij openbare personenvennootschappen in incidentele gevallen slechts de handelende vennoot is verbonden.

De leden van de CDA-fractie vragen of het in artikel 3.2.1.2 neergelegde criterium van aansprakelijkheid in het licht van artikel 7:404 van het Burgerlijk Wetboek bij grote maatschappen wel goed houdbaar is. Vooropgesteld moet worden dat artikel 7:404 van het Burgerlijk Wetboek de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer en daarmee van de grote maatschappen onverminderd laat. De mening dat de aansprakelijkheid erg klein is, onderschrijven wij derhalve niet. Voor het ondernemerschap van een belastingplichtige, zoals dat thans wordt voorgesteld, is de relatieve omvang van de aansprakelijkheid niet van belang. Ten aanzien van grote maatschappen is dat niet anders.

De volgende situatie die deze leden beschrijven is die van een gekunstelde constructie met een investering in maatschapsverband in een verhuurd schip, zonder dat op enigerlei wijze aansprakelijkheid ontstaat. Bedacht dient te worden dat er twee situaties onderscheiden dienen te worden. Als de deelnemers aan dit maatschapsverband nooit aangesproken kunnen worden voor de verbintenissen betreffende de maatschap, dan zijn deze deelnemers te beschouwen als stille maten die niet kwalificeren als ondernemer. Als de deelnemers aan dit maatschapsverband wel aangesproken kunnen worden voor de verbintenissen betreffende de maatschap, dan kwalificeren zij als ondernemer. Maar deze deelnemers lopen, hoewel de kans wellicht gering is, wel ondernemersrisico met hun gehele privé-vermogen.

De leden van de VVD-fractie vragen wie van de betrokkenen bij verhuur of huurkoop van een onderneming in het wetsvoorstel als ondernemer wordt beschouwd. Onze reactie hierop is dat de verhuurder of huurverkoper van een onderneming onder omstandigheden ondernemer kan zijn, indien de desbetreffende onderneming voor zijn rekening wordt gedreven. In dat opzicht verandert er niets ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor andere vormen van overdracht van een onderneming, zoals overdracht van een onderneming tegen een winstrecht of tegen een lijfrente, dat niet anders is. Aan het nieuwe vereiste van de rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen betreffende die onderneming zal in de regel zijn voldaan. Weliswaar treedt door het overgaan tot verhuur of huurverkoop een verandering in wijze van de bedrijfsuitoefening van de onderneming op, maar de verhuurder of huurverkoper blijft tegenover zakelijke crediteuren aansprakelijk voor de schulden betreffende die onderneming. De huurder of huurkoper van een onderneming zal in de regel eveneens ondernemer zijn, aangezien het ontbreken van de eigendom van de onderneming niet betekent dat een gehuurde onderneming niet voor zijn rekening wordt gedreven of dat hij niet is verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming.

In het verlengde van de aanpassing van het ondernemersbegrip stellen de leden van de fracties van de PvdA, de VVD en het CDA de positie aan de orde van commanditaire vennootschappen die actief zijn op het terrein van de zeescheepvaart en filmindustrie. De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband in hoeverre een belegger in een zeescheepvaart-CV er door deze aanscherping op achteruit zou gaan in vergelijking met de huidige situatie. Ook de leden van de CDA-fractie vragen naar de gevolgen voor de sector. Voorts vragen de leden van de drie genoemde fracties welk nieuw beleid ten aanzien van die sectoren wordt overwogen. De leden van de fractie van de PvdA dringen er op aan daarbij vooral bestaande uitwassen te vermijden.

Zoals hiervoor is opgemerkt, wordt met de aanscherping van het ondernemersbegrip in de inkomstenbelasting beoogd dit begrip meer in overeenstemming te brengen met de economische en maatschappelijke realiteit. Een uitvloeisel van deze aanpak is dat commanditaire vennoten, die niet als «echte» ondernemer kunnen worden aangemerkt, voortaan als belegger in box III in de belastingheffing zullen worden betrokken en geen gebruik meer kunnen maken van de faciliteiten in de winstsfeer, zoals de investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving en de van het ondernemerspakket deel uitmakende beperkte stakingsvrijstelling.

Het vervallen van de toepasbaarheid van deze faciliteiten heeft uiteraard een effect op het rendement na belastingheffing. Afgaande op folders waarbij potentiële kapitaalverstrekkers worden gestimuleerd te gaan participeren in genoemde CV-vormen, is thans het grootste deel van het nettorendement terug te herleiden op het effect van de fiscale ondernemersfaciliteiten. Dit betekent met andere woorden dat het rendement thans voor een groot gedeelte wordt bepaald door de fiscale behandeling van de commanditaire vennoot, en de fiscale neutraliteit ten opzichte van verschillende beleggingsvormen daardoor onder druk komt te staan. Deze fiscale neutraliteit is een belangrijke beweegreden voor de introductie van box III.

Zoals wij in de memorie van toelichting (blz. 38) hebben aangegeven, zijn wij voornemens om als onderdeel van het «ondernemerspakket 21e-eeuw» een kaderregeling voor maatschappelijk beleggingen te introduceren. De gedachten gaan er naar uit ook de fiscale faciliëring van de film en zeescheepvaart daarin op te nemen.

De ervaring bij voorafgaande belastingherzieningen leert dat nieuwe regels in het begin leiden tot extra procedures, maar dat het aantal na een aantal jaren weer afneemt tot de gebruikelijke proporties. Zoals in het algemene deel van de memorie van toelichting onder uitvoeringsaspecten is weergegeven, is daarmee rekening gehouden. Er is geen aanleiding te veronderstellen – de leden van de fractie van het CDA vragen hiernaar – dat de aanscherping van het ondernemersbegrip in dat opzicht andere consequenties zal hebben dan het hiervoor geschetste algemene beeld.

Wij verwachten niet dat de uitbreiding van het begrip belastbare winst uit onderneming in artikel 3.2.1.1a tot oneigenlijk gebruik zal leiden. Het gaat hier immers om bepaalde situaties van erfopvolging en echtscheiding. Dit in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de CDA-fractie.

De leden van de CDA-fractie gaan met een tweetal voorbeelden in op de reikwijdte van het begrip «rechtstreeks voortzetten» zoals dat in artikel 3.2.1.1a, tweede lid, is opgenomen als vereiste om als commandite aangemerkt te kunnen worden als genieter van winst uit onderneming. In het eerste voorbeeld, waarbij de moeder als commanditair vennoot verder gaat nadat vader (ondernemer) is overleden, voldoet de moeder aan het vereiste van rechtstreeks voortzetten. Op grond van artikel 3.2.1.1a, tweede lid, onderdeel b, is immers niet vereist dat de belastingplichtige zelf ondernemer is geweest ('een gerechtigdheid of medegerechtigdheid»). In het tweede voorbeeld, was de vader bij zijn overlijden geen ondernemer meer, maar medegerechtigde. Die situatie, waarin sprake is van het voortzetten van een medegerechtigdheid, kwalificeert niet voor doorschuiving op grond van het voorgestelde artikel 3.2.1.1a. De uitkomst van het tweede voorbeeld, waarbij afgerekend moet worden bij voortzetting door een echtgenoot, lijkt inderdaad onredelijk. Bezien zal worden – zo kunnen wij de leden van de VVD-fractie en de CDA-fractie toezeggen – op welke wijze het desbetreffende artikel aanpassing behoeft, in het bijzonder ten aanzien van een voortzetting door een echtgenoot.

Bij keuzen die gemaakt worden bij de aangifte geldt als uitgangspunt dat belastingplichtigen, tot aan het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat, hierop kunnen terugkomen. Gelet op de gevolgen van de keuze om op de voet van artikel 3.2.1.1.a, te opteren voor box I – gedacht kan worden aan het berekenen van de stakingswinst bij niet opteren, maar ook op het vlak van de uitvoerbaarheid en bijbehorende administratieve verplichtingen -, is die keuze, evenals in de huidige situatie de keuze met betrekking tot de toevoeging aan de oudedagsreserve, een onherroepelijke keuze. De wettekst op dit punt – in antwoord op vragen van de leden van de fracties van de VVD en het CDA – is niet eenduidig. Om de onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, zal bij nota van wijziging de mogelijkheid om op de bij aangifte gemaakte keuze terug te komen worden uitgesloten. In de sfeer van de uitvoering zal op een vergelijkbare wijze als bij de oudedagsreserve thans gebruikelijk is aan onbillijkheden, bijvoorbeeld bij afwijkingen van de aangifte door de inspecteur, tegemoet gekomen worden. In dat kader zal ook bezien worden onder welke omstandigheden in geval van erfopvolging – zoals de leden van de CDA-fractie schetsen – het tijdstip van een onherroepelijke keuze uitgesteld wordt tot kort na het moment van de boedelverdeling.

De vraag van de leden van de VVD-fractie en de CDA-fractie of het voor de mede-gerechtigdheid in de zin van artikel 3.2.1.1.a vereist is dat de belastingplichtige deelt in een eventueel liquidatieoverschot, kunnen wij bevestigend beantwoorden. Er is niet beoogd, zoals ook in de memorie van toelichting is opgemerkt, aan het begrip «medegerechtigdheid tot het vermogen van een onderneming» een andere inhoud te geven dan voor de toepassing van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het geval is. Vooral van belang daarbij is de betekenis die dit begrip in de jurisprudentie heeft gekregen. Gewezen wordt met name op het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1964, BNB 1964/259, waarin is komen vast te staan dat een commanditaire vennoot die slechts recht heeft op een aandeel in de (jaarlijkse) winst, maar niet deelt in een eventueel liquidatieoverschot, niet gerechtigd is tot het ondernemingsvermogen.

De leden van de fracties van het CDA, D66 en de SGP vragen om, mede met nadere voorbeelden, de regeling van het maximum verlies voor een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.2.1.1a nader toe te lichten. Wij illustreren de werking van de regeling aan de hand van een vennootschap onder firma, waarvan één der firmanten besluit om zich terug te trekken uit het ondernemerschap. In overleg met de andere firmanten wordt de vennootschap onder firma omgezet in een commanditaire vennootschap, waarin de teruggetreden firmant zijn aandeel in de vennootschap onder firma beschikbaar stelt als commanditair vermogen. Op het moment dat de teruggetreden firmant commanditair vennoot wordt, is hij geen ondernemer meer in de zin van artikel 3.2.1.2. Hij maakt echter gebruik van de mogelijkheid van artikel 3.2.1.1a om de opbrengst van zijn commanditair vermogen als winst uit onderneming in de belastingheffing te betrekken. Deze keuze houdt tevens in dat hij verondersteld wordt zijn onderneming niet te hebben gestaakt. Indien zijn aandeel in de vennootschap onder firma een boekwaarde had van f 600 000 en een werkelijk waarde van f 1 000 000, dan bedraagt zijn aansprakelijk vermogen f 1 000 000, waarop een fiscale claim rust van f 400 000. Om te voorkomen dat de commanditair vennoot bij tegenspoed verliezen tot f 1 000 000 in mindering kan brengen op zijn belastbaar inkomen, terwijl van dit bedrag f 400 000 nooit betrokken is geweest in de belastingheffing, geeft artikel 3.2.2.1a een beperking in de verliesverrekening. Het verlies kan in beginsel niet meer bedragen dan de boekwaarde van de onderneming op het moment van de beëindiging van het ondernemerschap, in casu f 600 000.

Wij merken op dat het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 1970, BNB 1970/152, de leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen daarnaar, in zijn algemeenheid bepaalt dat de commanditair vennoot tot het bedrag van zijn inbreng verlies in aftrek kan brengen. Voor een situatie zoals in het bovenstaande voorbeeld geschetst, biedt het arrest echter onvoldoende handvat.

De leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66 en de SGP brengen de ingewikkeldheid van de regeling ter sprake. In antwoord hierop stellen wij voorop, dat in beginsel van jaar tot jaar moet worden vastgesteld hoeveel verlies is geleden na de beëindiging van het ondernemerschap en hoe het saldo zich verhoudt tot het fiscaal niet beclaimde deel van het betrokken vermogen. De voorgestelde regeling beoogt echter te voorkomen dat ieder jaar vastgestelde verliezen en belastbare bedragen opnieuw moeten worden berekend. Om vast te stellen hoeveel verlies in een bepaald jaar kan worden verrekend is het dankzij de regeling voldoende om de vastgestelde belastbare bedragen van de jaren na beëindiging van het ondernemerschap te nemen minus het bedrag dat in het voorgaande jaar bij de winst is geteld. Door het saldo hiervan te vergelijken met de boekwaarde van de onderneming die is vastgesteld bij beëindiging van het ondernemerschap, is betrekkelijk eenvoudig vast te stellen welk verlies in aanmerking kan worden genomen.

De leden van de fractie van het CDA suggereren om in plaats van het eerste en derde lid van de regeling, te volstaan met een bepaling als «Indien het resultaat van een belastingplichtige, als bedoeld in artikel 3.2.1.1a in totaal en bezien gedurende het bestaan van de onderneming, negatief is en meer beloopt dan het referentiebedrag als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, worden deze verliezen niet in aanmerking genomen.» Naar ons oordeel is deze suggestie weliswaar in woorden eenvoudiger dan de voorgestelde regeling, maar uitvoeringstechnisch bewerkelijker. Zoals hierboven gesteld, zullen verliezen en belastbare bedragen zonder de voorgestelde regeling, van jaar tot jaar opnieuw moeten worden berekend. Daarnaast merken wij op dat in de tekstsuggestie niet tot uitdrukking komt, dat uitsluitend het resultaat van belang is dat is behaald na de beëindiging van de onderneming, gedurende de jaren dat wordt geopteerd voor belasting als winst uit onderneming.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de CDA-fractie naar de mogelijkheid van verrekening van een verlies waarop artikel 3.2.2.1a van toepassing is, merken wij het volgende op. Het genoemde artikel maximeert het verlies dat een belastingplichtige die op de voet van artikel 3.2.1.1.a belastbare winst uit onderneming geniet, als negatief inkomen uit werk en woning in aanmerking kan nemen. Voorzover het verlies echter minder bedraagt dan het volgens artikel 3.2.2.1a te berekenen bedrag, kan het worden verrekend met het overige in het jaar genoten Box I-inkomen van de belastingplichtige. Eventuele achter- of voorwaarts verrekening vindt plaats met in achtneming van de in hoofdstuk 3, afdeling 12, van het wetsvoorstel opgenomen bepalingen. Aangezien het daarbij gaat om de verrekening van een ondernemingsverlies, kan het verlies in de tijd onbeperkt voorwaarts worden verrekend De vraag van de leden van de fractie van het CDA of het juist is dat het gebruik maken van de keuzemogelijkheid van artikel 3.2.1.1a Wet IB 2001 onverlet laat dat de opgebouwde oudedagsreserve vrijvalt, beantwoorden wij ontkennend. In deze situatie mag de oudedagsreserve in stand blijven voorzover deze niet uitkomt boven het ondernemingsvermogen (artikel 3.2.3.4, eerste lid, onderdeel b, onder 2).

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af waarom is gekozen voor het zogenaamde gebruikelijkheidscriterium in relatie tot het urencriterium (artikel 3.2.1.4) en willen een toelichting over de verdeling van de bewijslast bij de toepassing van het gebruikelijkheidscriterium. Deze vragen worden beantwoord in paragraaf 4.1.3.

4.1.3. Overige wijzigingen winstbepaling zelfstandigen

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA en D66 vragen aandacht voor de fiscale behandeling van deeltijdondernemers. De leden van de PvdA-fractie noemen voorts de ondernemers die (vaak langzaam) starten vanuit een uitkeringspositie. De leden van deze fracties wijzen in dit verband op een van de aanbevelingen van de werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkoming en faciliteiten voor ondernemers (Commissie Oort-II). Deze behelst het laten vervallen van de urennorm als voorwaarde voor het verkrijgen van zelfstandigenaftrek, mits op andere wijze rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van ander inkomen dan winst. Naar aanleiding hiervan willen wij eraan herinneren dat de commissie Oort II tevens onderkent dat het laten vervallen van de urennorm een aanzuigende werking zal hebben op de status van het fiscale ondernemerschap. De aanzuigende werking kan een budgettair effect hebben in de vorm van belasting- en premiederving waarvan de omvang niet goed te overzien valt. Door de afschaffing zou weliswaar een volgens de commissie moeilijk controleerbare en administratief bezwaarlijke regeling verdwijnen, maar zou tevens het aantal geschillen met de fiscus over het ondernemerschap toenemen. Er is nog geen passende maatregel gevonden om deze ongewenste gevolgen van het laten vervallen van het urencriterium, te ondervangen. Alles overwegende zijn wij daarom van oordeel dat handhaving van de urennorm de voorkeur verdient.

Bepaalde ondernemersfaciliteiten zijn alleen van toepassing voor ondernemers die aan het urencriterium voldoen. In artikel 3.2.1.4, tweede lid, is nader bepaald dat voor het urencriterium niet alle werkzaamheden mogen worden meegeteld. Uitgesloten zijn ondermeer de werkzaamheden die worden verricht door een belastingplichtige in een samenwerkingsverband met directe familieleden of huisgenoten, indien die werkzaamheden zozeer verschillen van de overige werkzaamheden van het samenwerkingsverband, dat het ongebruikelijk is dat die belastingplichtige in een dergelijk samenwerkingsverband met niet-verbonden personen zou zijn opgenomen.

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA, het GPV, de RPF en de SGP spreken de vrees uit dat de in maatschappelijk opzicht gewenste ondernemersvorm van de man-vrouw-maatschap door deze uitsluiting van werkzaamheden haar aantrekkelijkheid verliest. De leden van de fracties van de VVD en D66 vragen meer in het algemeen toe te lichten waarom is gekozen voor het gebruikelijkheids-criterium.

Naar aanleiding van deze vragen merken wij op, dat wij ons bewust zijn van de betekenis de man-vrouw-maatschap voor de praktijk. Het is dan ook zeker niet de bedoeling dat deze vorm van samenwerking wordt beperkt waar zij voorziet in een maatschappelijke en bedrijfsmatige behoefte. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 komt het echter voor dat ondernemers directe familieleden of huisgenoten bij hun onderneming betrekken op een wijze die buiten de familieband of huiselijke relatie niet denkbaar zou zijn, waardoor die familieleden of huisgenoten toegang krijgen tot fiscale faciliteiten voor ondernemers. Het gebruikelijkheidscriterium moet voorkomen dat aldus op gekunstelde wijze belastingfaciliteiten worden gebruikt door belastingplichtigen voor wie ze niet zijn bedoeld. Het gebruikelijkheidscriterium maakt het mogelijk om van geval tot geval te toetsen of het gaat om een samenwerkingsvorm die past bij de aard van de werkzaamheden van de participanten. Dit is het geval als de samenwerkingsvorm gebruikelijk is bij samenwerkende ondernemers die onderling geen nauwe familieband of huiselijke relatie hebben, maar wel een vergelijkbare verdeling van werkzaamheden. Hierdoor wordt recht gedaan aan de maatschappelijke realiteit. Wat in de ene tak van bedrijvigheid gebruikelijk is, hoeft dat immers niet te zijn in een andere branche. Om deze reden is het niet mogelijk om, zoals de leden van de fracties van het GPV en de RPF vragen, de gevallen waarin sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband concreet te benoemen. In de memorie van toelichting op deze bepaling is een aantal voorbeelden opgenomen van situaties die worden bestreken door deze bepaling.

Het heeft de leden van de fracties van de VVD en het CDA verbaasd dat in het voorbeeld dat in de toelichting op artikel 3.2.1.4 is gegeven, het mede beslissen over voorgenomen investeringen als een ondersteunende werkzaamheid wordt aangemerkt. Met deze leden zijn wij het eens dat het nemen van investeringsbeslissingen in beginsel behoort tot de primaire ondernemerstaak. Investerings-beslissingen vergen een degelijke kennis van de activiteiten van het bedrijf, van de benodigde bedrijfsmiddelen, alsmede van de financiële positie van de onderneming. In het voorbeeld ging het echter om de situatie waarin de echtgenote binnen de maatschap uitsluitend ondersteunende werkzaamheden verricht. Het is zeer de vraag of de echtgenote in die situatie op inhoudsvolle wijze mee kan beslissen over het investeringsbeleid van de maatschap.

Werkzaamheden worden voor het urencriterium uitgesloten als een ondermaatschap is gericht op het verrichten van diensten ten behoeve van een nader aangeduide onderneming, de bovenmaatschap. De leden van de fractie van het CDA willen een toelichting over wat hieronder moet worden verstaan. Wij stellen vast dat de voorgestelde wetstekst niet uitsluit dat naast de diensten ten behoeve van de bovenmaatschap, ook diensten ten behoeve van derden worden verricht. Het is echter niet mogelijk om in een getalsverhouding aan te geven wanneer sprake is van het gericht zijn op het verrichten van diensten ten behoeve van de bovenmaatschap. Dit is te zeer afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen te bevestigen dat de werkzaamheden van een ondernemer die worden verricht in een ondermaatschap wel als werkzaamheden meetellen voor het urencriterium. In de beantwoording wordt ervan uitgegaan dat de leden van deze fracties bij het stellen van de vraag oog hebben op situaties als bijvoorbeeld een ondermaatschap tussen echtgenoten, waarbij de ondermaatschap diensten verricht voor een samenwerkingsverband van architecten (de bovenmaatschap), waarvan de man deel uitmaakt. Het antwoord op de vraag luidt dan ontkennend; de werkzaamheden van de man ten behoeve van de ondermaatschap tellen niet mee voor het urencriterium.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vrezen dat het gebruikelijkheidscriterium in de praktijk een bron van conflicten zal blijken te zijn en aanleiding voor veel fiscale procedures. Naar onze verwachting zal het aantal discussies met de fiscus over de «gebruikelijkheidstoets» beperkt zijn. De gebruikelijkheidstoets is geobjectiveerd doordat de aard van de werkzaamheden van de verbonden personen uitgangspunt is voor de gebruikelijkheidstoets. In de eerste plaats moet worden vastgesteld wat de hoofdactiviteiten zijn van het samenwerkingsverband en vervolgens door welke personen deze hoofdactiviteiten fysiek wordt uitgeoefend. Daarbij zullen beroepskwalificaties als vereiste om werkzaamheden te mogen verrichten in aanmerking worden genomen. Pas als blijkt dat de niet-ondersteunende werkzaamheden zeer ongelijk zijn verdeeld tussen de betrokken personen, kan tot ongebruikelijkheid kunnen worden geconcludeerd.

De suggestie van de leden van het CDA om te volstaan met een uitsluiting voor de ondernemersaftrek van de «extra partner» van een ongewenst samenwerkingsverband, zal naar onze mening tot veel meer geschillen met de fiscus leiden, omdat daarbij een criterium voor de ongewenstheid ontbreekt.

Overigens merken wij op dat een correctie van de winstverdeling niet voorkomt dat een «extra partner» in aanmerking komt voor de ondernemersaftrek. Het verkrijgen van de ondernemersaftrek is immers niet afhankelijk gesteld van de hoogte van de winst.

Op de vraag van de leden van de fracties van de VVD en het CDA met betrekking tot de bewijslast merken wij dat het aan de belastingplichtige is om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een fiscale faciliteit. Het door deze leden genoemde arrest van de Hoge Raad BNB 1980/74 dient hier niet als leidraad. In het genoemde arrest ging het om aftrek van kosten die waren gemaakt ten behoeve van het vervullen van een dienstbetrekking en niet om een belastingfaciliteit. Omdat het urencriterium een voorwaarde is voor het verkrijgen van bepaalde fiscale faciliteiten, zal de belastingplichtige aannemelijk moeten maken dat sprake is van werkzaamheden die meetellen voor het urencriterium. Daarbij zal hij, al dan niet op uitdrukkelijk verzoek van de inspecteur, ook aannemelijk moeten maken dat zijn deelname aan een samenwerkingsverband met directe familieleden of huisgenoten niet ongebruikelijk is. De belastingplichtige voldoet niet aan zijn bewijslast als hij slechts één samenwerkingsverband aanwijst met niet-verbonden personen waarbij soortgelijke werkzaamheden worden verricht.

De leden van de fractie van de VVD vragen om een definitie van samenwerkingsverband. In zijn algemeenheid kan daaronder worden verstaan de situatie waarin een (objectieve) onderneming voor rekening van meer dan één persoon of lichaam wordt gedreven. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het CDA kan worden aangegeven dat onder samenwerkingsverband zowel de ondermaatschap als de ondervennootschap onder firma is begrepen.

De leden van de fractie van het CDA menen dat het begrip «rechtspersoon» in artikel 3.2.1.4, vierde lid, beter vervangen kan worden door het ruimere begrip «lichaam». Wij onderschrijven deze mening. Het genoemd artikellid zal bij de nota van wijzigingen worden aangepast.

Bij de huidige vormgeving van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en de energie-investeringsaftrek is sprake van een bevoordeling van samenwerkingsverbanden. Dat is waarom in het voorstel voor de hoogte van het percentage van de aftrekken wordt uitgegaan van een bedrag per samenwerkingsverband. De leden van de fracties van het GPV en de RPF vrezen dat daardoor de drempel om te investeren voor deze veelal kleinschalige bedrijven fors wordt verhoogd.Naar ons oordeel is voor deze vrees geen reden. In de eerste plaats kunnen samenwerkingsverbanden als hier bedoeld een forse omvang aannemen. In de tweede plaats worden bij dergelijke samenwerkingsverbanden de investeringskosten gedragen door de gezamenlijke investeerders. Dat pleit ervoor voor het percentage uit te gaan van het investeringsbedrag van het samenwerkingsverband.

De leden van de CDA-fractie informeren of de rechtsvorm van een commanditaire vennootschap op het punt van de investeringsaftrek in het voorstel achtergesteld cq. negatief gediscrimineerd wordt ten opzichte van de rechtsvorm besloten vennootschap. Vooropgesteld moet worden dat de genoemde rechtsvormen elk op een eigen wijze in de belastingheffing betrokken worden en dat feitelijk en rechtens geen sprake is van gelijke gevallen. Discriminatie of achterstelling is dan ook niet aan de orde. Onderkend moet worden dat het gecumuleerde bedrag waarover de investeringsaftrek berekend wordt, voor de rechtsvorm commanditaire vennootschap doorgaans lager zal zijn dan voor de rechtsvorm van de besloten vennootschap. Dit komt doordat bij een commanditaire vennootschap in de regel alleen de beherende vennoten ondernemer zijn en derhalve in aanmerking komen voor de investeringsaftrek. Gelet op het aflopende percentage van in het bijzonder de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en het plafond voor het in aanmerking te nemen investeringsbedrag, behoeft een lagere grondslag waarover de investeringsaftrek berekend wordt echter niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een lager bedrag aan investeringsaftrek.

Daarnaast verzoeken deze leden inzicht te geven in de wijze van berekening van de investeringsaftrek voor een commanditaire vennootschap. Daartoe strekt het onderstaande voorbeeld, gebaseerd op het voorbeeld in de toelichting op artikel 3.2.2.30:

Voorbeeld

In een commanditaire vennootschap wordt in een kalenderjaar voor een bedrag van &euro; 200 000 geïnvesteerd. Er zijn 6 beherende vennoten en 2 commanditaire vennoten, met elk een gelijk aandeel in de winst en het vermogen. Volgens het derde lid van artikel 3.2.2.30 wordt het percentage kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bepaald alsof de investeringen van de beherende vennoten – alleen deze vennoten zijn ondernemer – voor rekening van één belastingplichtige wordt gedreven. Daardoor wordt het investeringsbedrag gesteld op &euro; 150 000 (6/8 van &euro; 200 000). Het daarmee corresponderende percentage investeringsaftrek bedraagt 11%. De investeringsaftrek die elke beherende vennoot als belastingplichtige in aanmerking kan nemen bedraagt dan 11% van &euro; 25 000 is &euro; 2 750. De commanditaire vennoten kunnen geen investeringsaftrek in aanmerking nemen.

De leden van de fractie van het CDA voeren aan dat de bepalingen van de investeringsaftrek en energie-investeringsaftrek (artikel 3.2.2.30 lid 3 respectievelijk 3.2.2.31 lid 4) een onderscheid lijken te maken tussen de toepasselijkheid van beide faciliteiten voor samenwerkingsverbanden. Het verschil ligt daarbij in het criterium van het feitelijk voor eigen rekening drijven van de onderneming. Naar aanleiding van de vraag van deze leden of dit ook bedoeld is, merken wij op dat in de opzet van het voorstel van Wet inkomstenbelasting 2001 de eis van het feitelijk voor eigen rekening drijven geen toegevoegde waarde meer heeft en derhalve kan vervallen. Bij nota van wijziging zal hierin worden voorzien.

Indien een ondernemer in een samenwerkingsverband zit en daarnaast investeringen e.d. «buitenvennootschappelijk» doet, wat is dan het regime voor deze investeringen, zo vragen de leden van de fractie van het CDA. Deze leden willen weten of deze investeringen apart moeten worden beoordeeld of moeten worden opgeteld bij het samenwerkingsverband. Onze reactie hierop is dat het percentage van de investeringsaftrek wordt bepaald op basis van het totale investeringsbedrag in een kalenderjaar binnen dezelfde onderneming van de ondernemer. Daarbij worden de investeringen van een samenwerkingsverband met andere ondernemers samengeteld.

Het voorgaande leidt ertoe dat indien binnen één onderneming zowel «buitenvennootschappelijke» investeringen als investeringen van het samenwerkingsverband plaatsvinden, de investeringsbedragen van de «buitenvennootschappelijke» investeringen moeten worden opgeteld bij de investeringsbedragen van het samenwerkingsverband teneinde de hoogte van de investeringsaftrek te bepalen.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de oudedagsreserve wordt geregeld in een aparte paragraaf 3 terwijl paragraaf 2 gaat over winst uit onderneming en de oudedagsreserve toch deel gaat uitmaken van het winstbegrip. Naar aanleiding daarvan merken wij op dat door het opnemen van de mogelijkheid tot het vormen van een oudedagsreserve in artikel 3.2.2.43, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 de oudedagsreserve inderdaad deel gaat uitmaken van het winstbegrip in paragraaf 2. Gelet evenwel op het grote aantal specifieke bepalingen betreffende de oudedagsreserve en in ogenschouw nemend dat de oudedagsreserve alleen van belang is voor de ondernemer in de inkomstenbelasting, zijn de specifieke bepalingen inzake de oudedagsreserve ondergebracht in een aparte paragraaf 3 voorafgaand aan paragraaf 4 waarin de ondernemersaftrek is opgenomen.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de leeftijdsgrens voor de dotatie aan de oudedagsreserve van 65 jaar niet wordt losgelaten. Dat zou namelijk passen in de flexibilisering van de arbeidsmarkt en het streven van het kabinet om ouderen langer in het arbeidsproces te houden. De leden van de fracties van D66, het GPV en de RPF zien niet in waarom toevoegingen aan de oudedagsreserve beperkt moeten zijn tot 65 jaar terwijl in de Wet fiscale behandeling pensioenopbouw tot het 70-ste levensjaar tot de mogelijkheden behoort.

Naar aanleiding hiervan merken wij op dat de overwegingen die ten grondslag lagen aan de Wet fiscale behandeling pensioenen onvoldoende reden geven om ook de leeftijdsgrens van 65 jaar in de oudedagsreserve te laten vervallen. Zonder leeftijdsgrens voor de dotatie aan de oudedagsreserve zou het karakter van fiscale begeleiding van een oudedagsvoorziening veranderen in een financieringsfaciliteit. Hoewel in het rapport van de werkgroep Witteveen voorstellen worden gedaan om de fiscale begeleiding van flexibele pensionering te verruimen, betekent dit nog niet dat de daarin genoemde mogelijkheid van pensioenopbouw na het 65-ste jaar maatschappelijk gangbaar is. Aangezien de oudedagsreserve geen zelfstandige pensioenregeling is, maar een maatregel om zelfstandigen wat betreft de fiscale behandeling van hun oudedagsvoorziening niet slechter te behandelen dan werknemers, ligt het voor de hand de regeling in de pas te laten lopen met de doorsnee pensioenregeling. In de notitie «Leeftijdsgrens van 65 jaar in de inkomstenbelasting» van de eerste ondergetekende (Kamerstukken II 1997/98, 25 942) is aangegeven dat het vervallen van de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de dotatie aan de oudedagsreserve tot een derving van naar verwachting maximaal f 55 mln aan belastingen en premies volksverzekeringen zou leiden. Naar onze mening staat het al dan niet kunnen doteren aan de oudedagsreserve voor personen van 65 jaar en ouder los van de flexibilisering van de arbeidsmarkt en het streven om ouderen langer in het arbeidsproces te houden.

De vraag van de leden van de fractie van de GPV en de RPF of artikel 3.2.3.4, eerste lid, onderdeel b, onder 2, ertoe kan leiden dat een ondernemer, die – bij voorbeeld als gevolg van ziekte, zwangerschaps- en overig verlof – niet aan het urencriterium voldoet en niet voldoet aan de vermogenstoets, wordt geconfronteerd met een verplichte afneming van de oudedagsreserve, beantwoorden wij bevestigend. Wij wijzen er echter op dat het feit dat de ondernemer in het daaropvolgende jaar gebruik kan maken van de inhaaldotatie, het effect van de verplichte afneming aanzienlijk beperkt. Daardoor heeft deze maatregel in het licht van de kwetsbare inkomenspositie van zelfstandigen naar verwachting nauwelijks nadelige effecten zo antwoorden wij de desbetreffende vraag van de leden van fractie van de PvdA. In antwoord op de vraag van de leden van de fracties van GPV en RPF of hier geen ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt met werknemers, kan worden opgemerkt dat een belangrijk verschil met werknemers is dat deze niet direct kunnen beschikken over hun pensioenvoorziening terwijl zelfstandigen de middelen van de oudedagsreserve binnen de onderneming kunnen aanwenden.

De verplichte vrijval van de oudedagsreserve in combinatie met de inhaaldotatie betekent inderdaad, de leden van de fracties van de GPV en de RPF vragen hiernaar, dat voor een ondernemer die indertijd een bedrijf met behulp van de doorschuiffaciliteit op basis van artikel 17 Wet IB 1964 heeft overgenomen en als gevolg daarvan een negatief fiscaal ondernemingsvermogen heeft, geen mogelijkheid bestaat om de bij voorbeeld op basis van het urencriterium vrijgevallen oudedagsreserve in te halen.

De leden van de fracties van de PvdA, de VVD, en D66 merken op dat de vermogenstoets bij de oudedagsreserve, die was afgeschaft per 1/1/98, nu toch weer terug lijkt te komen en verzoeken om een nadere toelichting op dit punt. Met betrekking tot deze vragen kan het volgende worden opgemerkt.

Sinds de invoering van de regeling in 1973 kende de oudedagsreserve een vermogenstoets. Deze hield in dat de oudedagsreserve aan het einde van het kalenderjaar moest afnemen met het bedrag waarmee deze het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar overtrof. Aangezien deze verplichte afname door ondernemers als een knelpunt werd ervaren, is deze met ingang van 1 januari 1998 opgeheven. Tijdens de parlementaire behandeling van het inmiddels tot wet verheven voorstel van wet tot aanpassing van de oudedagsreserve en de zelfstandigenaftrek alsmede vervallen van de vermogensaftrek (kamerstukken II 25 690, nr. 6, blz. 4 en 5) is aan de orde geweest dat met het vervallen van de vermogenstoets de invorderingsproblemen werden vergroot. Het ondernemingsvermogen kan door verliezen maar ook door onttrekkingen zijn gedaald.

Een groot verschil met de huidige regeling is dat in de voorgestelde regeling de oudedagsreserve in de winst wordt ondergebracht. Daardoor kunnen in principe ook buitenlands belastingplichtigen met een onderneming in Nederland in aanmerking komen voor dotatie aan de oudedagsreserve. Mede met het oog hierop dient rekening te worden gehouden met nieuwe invorderingsproblemen die zich zouden kunnen voordoen ingeval het feitelijke ondernemerschap wordt teruggebracht zonder dat sprake is van staking en door de ondernemer vermogen aan de onderneming wordt onttrokken. Daarbij zij bedacht dat het bij buitenlands belastingplichtigen moeilijker is om de fiscale claim op de oudedagsreserve te effectueren indien de onderneming zelf – hoewel niet gestaakt – geleidelijk wordt beëindigd. Het voorgaande heeft geleid tot de voorgestelde beperkte vermogenstoets, namelijk een vermogenstoets die uitsluitend van toepassing is indien de belastingplichtige niet voldoet aan de vereisten om te kunnen doteren aan de oudedagsreserve. Doch ook voor situaties waarin een ondernemer zijn feitelijke activiteiten gaat beperken – met als gevolg dat hij vanaf een bepaald moment niet meer voldoet aan het urencriterium – en ondernemingsvermogen onttrekt om van te leven, is de voorgestelde regeling van betekenis. De suggestie van de leden van de fractie van het CDA om slechts een verplichte vrijval te doen ontstaan indien een belastingplichtige gedurende twee aansluitende jaren niet voldoet aan het urencriterium, zou in situaties waarin tijdelijk niet aan het urencriterium wordt voldaan adequaat werken, doch in andere situaties de invorderingsproblematiek vergroten.

Bij geruisloze doorschuiving mag onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de stakingsvrijstelling in mindering worden gebracht op de stand van de oudedagsreserve. Het is de leden van de fractie van de PvdA niet duidelijk of en in hoeverre de zogenaamde inhaaldotatie (artikel 3.2.3.3) adequate compensatie voor het vervallen van de stakingsvrijstelling biedt. Naar aanleiding hiervan wijzen wij er allereerst op dat – zoals op eerdere vragen is geantwoord – het kabinet voornemens is een beperkte stakingsvrijstelling die éénmaal per leven benut kan worden, in stand te houden. Deze kan uiteraard ook worden benut voor de afname van de oudedagsreserve bij beëindiging van de ondernemingsactiviteiten. Voorts kan worden opgemerkt dat een inhaaldotatie niet is bedoeld voor de situatie van geruisloze doorschuiving. Een inhaaldotatie is immers slechts mogelijk indien in het jaar dat onmiddellijk volgt op een jaar waarin niet aan de criteria voor dotatie is voldaan, het ondernemingsvermogen is gestegen.

De leden van de CDA fractie vragen zich af of er een dubbele belastingheffing kan ontstaan in de volgende situatie. Een buitenlands belastingplichtige die heeft geopteerd om in de heffing te worden betrokken volgens de regels die gelden voor binnenlands belastingplichtigen, heeft een oudedagsreserve opgebouwd. Bij staking wordt de oudedagsreserve aangewend om een lijfrente aan te kopen. Vervolgens worden de uitkeringen uit de lijfrente genoten als buitenlands belastingplichtige. De belastingheffing zal in de hiervoor beschreven situatie als volgt plaatsvinden. Bij staking van de onderneming dient de oudedagsreserve aan de winst te worden toegevoegd. De stakingswinst kan worden aangewend voor de aankoop van een lijfrente. Binnen de daaraan gestelde grenzen kan de koopsom voor de lijfrente als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen ten laste van het inkomen worden gebracht. Bij een normale afwikkeling van de polis zullen de uitkeringen op de lijfrente volgens het pensioenartikel (artikel 18 van het Nederlands standaardverdrag) in de heffing worden betrokken. De heffing is in die situatie toegewezen aan het woonland, waardoor geen dubbele heffing zal plaatsvinden. In de uitzonderlijke situatie dat de lijfrente niet onder het pensioenartikel valt, zal de uitkering worden aangemerkt als nagekomen bate uit een onderneming waardoor de heffing zal zijn toegewezen aan Nederland. Heffing vindt ook dan niet plaats op grond van het restartikel.

De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt bij een afname van de oudedagsreserve die onder de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is gevormd. Voorts vragen deze leden zich af of door de nieuwe regeling veilig wordt gesteld dat die vrijval tot de winst wordt gerekend. Naar aanleiding van deze vragen merken wij het volgende op. De naar huidig recht gevormde oudedagsreserve wordt ingevolge het voorgestelde overgangsrecht (hoofdstuk 2, onderdeel K van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001) te boek gesteld bij de onderneming als oudedagsreserve in de zin van het voorgestelde artikel 3.2.2.43. Dit geldt zowel voor binnenlands als buitenlands belastingplichtigen. Daardoor zal bij een latere afname van de reserve de vrijval ten bate van de winst dienen te worden gebracht. Onder het huidige recht, de leden van de VVD fractie vragen daarnaar, wordt de afname van de oudedagsreserve ingevolge artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 tot het inkomen gerekend.

De leden van de SGP-fractie vragen of voor ondernemers die hun stakingswinst op principiële gronden niet willen omzetten in een oudedagsvoorziening, toch een vergelijkbare regeling in de zin van gebonden sparen wordt gefacilieerd. Deze vraag is besproken in § 7.3. Het voorgestelde lijfrenteregime.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom het voorstel van onder meer prof. Dietvorst om de oudedagsreserve af te schaffen niet is overgenomen. De leden van de fractie van GroenLinks merken in dit verband op dat in verschillende reacties uit de samenleving, bij voorbeeld van het Fiscaal Instituut Tilburg, het bestaansrecht van de oudedagsreserve ter discussie wordt gesteld. Daarbij wordt soms integratie van de oudedagsreserve in de zelfstandigenaftrek/korting voorgesteld. Deze leden vragen de regering in te gaan op de argumentatie die leidt tot afschaffing. Tevens vragen deze leden hoe reëel het probleem is dat de oudedagsreserve een regeling met een dubbele pet is. Voorts willen deze leden vernemen of het kabinet over deze regeling een fundamentele discussie wil aangaan. Met betrekking hiertoe kan worden opgemerkt dat in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel tot aanpassing van de oudedagsreserve en de zelfstandigenaftrek alsmede vervallen van de vermogensaftrek (kamerstukken II, 1997/98, 25 690, nr 3) hierop reeds is ingegaan. Daarbij is onder meer aangegeven dat er bij een budgettair neutrale omzetting van de oudedagsreserve in de zelfstandigenaftrek slechts een zeer beperkte verhoging van de zelfstandigenaftrek mogelijk zou zijn. Dit komt onder meer doordat de zelfstandigenaftrek een definitieve vermindering van het inkomen tot gevolg heeft, terwijl het bij de oudedagsreserve gaat om uitstel van belastingheffing. Daarnaast dient te worden bedacht dat het aantal belastingplichtigen dat recht heeft op de zelfstandigenaftrek aanzienlijk groter is dan het aantal belastingplichtigen dat gebruik maakt van de oudedagsreserve. Van de zijde van bij voorbeeld MKB-Nederland en het LTO-Nederland alsmede de Raad voor het zelfstandig ondernemerschap hebben ons geen signalen bereikt dat er behoefte is aan afschaffing van de oudedagsreserve.

De leden van de fracties van de PvdA, CDA, D66, GPV en RPF en SGP hebben vragen en kanttekeningen bij de afschaffing van de stakingsvrijstelling. De leden van de PvdA-fractie zijn het eens met de gegeven argumentatie en de in het wetsvoorstel geboden compensatie in de vorm van verruiming van de doorschuifregeling maar voeren aan dat deze voor bedrijven die niet worden overgedragen of geen gebruik kunnen maken van de doorschuifregeling en (noodgedwongen) hun bedrijfsactiviteiten staken, onvoldoende soelaas biedt. Met name het vervallen van het bijzondere tarief van 20% bij overlijden van de ondernemer kan in hun ogen leiden tot grote financiële verschillen in vergelijking met de huidige regeling. Juist in sectoren als de intensieve landbouw waar de komende jaren veel bedrijfsbeëindigingen worden verwacht, mogen fiscale wijzigingen geen extra belemmering vormen voor bedrijfsbeëindiging. Deze leden nodigen ons uit dit perspectief in overweging te nemen en op dit punt nadere voorstellen te doen. De leden van de fractie van de SGP bepleiten dat in dit soort situaties de mogelijkheid van een stakingsvrijstelling gehandhaafd blijft.

De leden van de fractie van het CDA zijn het niet eens met de overweging dat de bestaansgrond van de stakingsvrijstelling is komen te vervallen. Voorts wijzen deze leden erop dat de bij staking behaalde winst in een keer wordt gerealiseerd en belast tegen het progressieve tarief. Ook de leden van de fracties van D66, SGP en GPV en RPF wijzen hierop. De leden van de CDA-fractie merken bovendien op dat door de vrijstelling de heffing bij staking over het inflatie-element wordt verzacht. Daarnaast wijzen deze leden, evenals de leden van de fracties van D66, GPV en RPF en SGP op het sociale aspect van de stakingsvrijstelling namelijk een verzachting van de belastingheffing bij beëindiging van de ondernemingsactiviteiten.

De leden van de fractie van D66 wensen meer toelichting op het punt van het afschaffen van de stakingsvrijstelling. Deze leden vragen daarbij in te gaan op de suggestie van de werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw de stakingsvrijstelling één keer per leven te verlenen. De leden van de fracties van GPV en RPF zijn niet gelukkig met de voorgestelde afschaffing van de stakingsvrijstelling. Zij vinden dat voor afschaffing van de bijzondere tarieven en de stakingsvrijstelling geen aanleiding bestaat.

Naar aanleiding van deze reacties merken wij op dat de commissie Oort-II op het punt van de stakingsvrijstelling met een verdeeld advies is gekomen. Een deel van de werkgroep wilde de huidige vrijstelling handhaven, een deel van de werkgroep meende dat de vrijstelling beperkt dient te worden tot één maal per leven en een deel van de werkgroep bepleitte afschaffing van de vrijstelling. In het onderhavige wetsvoorstel wordt uitgegaan van afschaffing van de stakingsvrijstelling. Zoals wij echter in de memorie van toelichting op het Belastingplan 2000 hebben aangegeven, is ter uitvoering van het regeerakkoord het afgelopen voorjaar intensief overlegd met de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven (VNO/NCW, MKB Nederland en LTO Nederland) over een integraal pakket fiscale maatregelen, kortweg aangeduid als het ondernemerspakket 21e eeuw. Van dit pakket waarover overeenstemming is bereikt, maakt deel uit handhaving van een beperkte stakingsvrijstelling, namelijk in totaal f 8 000 per leven. Hiervoor is f 35 mln gereserveerd. De opbrengst van het beperken van de stakingsvrijstelling van f 115 mln wordt benut voor andere maatregelen uit het ondernemerspakket 21e eeuw. Een leidende gedachte bij deze andere aanwending was dat de middelen die beschikbaar zijn voor ondernemers beter kunnen worden aangewend voor maatregelen gericht op de continuïteit en versterking van het ondernemerschap.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat de oorspronkelijke doelstelling van de stakingsvrijstelling – het voorkomen van geschillen over kleinigheden – aan betekenis heeft ingeboet doordat het niet benutte deel van de stakingsvrijstelling mag worden aangewend voor een afname van de oudedagsreserve. De leden van de fractie van het CDA verzoeken hierop nader in te gaan. De leden van de fractie van D66 vinden deze reden, gelet op het verdeelde advies van de Commissie Oort-II, mager. Naar de mening van de leden van de fractie van de SGP wordt hier een cirkelredenering gehanteerd want de memorie van toelichting meldt vervolgens dat voor bepaling van het niet benutte deel van de stakingsvrijstelling de winst nog steeds exact moet worden vastgesteld, waardoor geschillen mogelijk blijven. Wij kunnen het argument uit de memorie van toelichting als volgt verduidelijken. In de situatie dat de stakingswinst hoger is dan de stakingsvrijstelling, komt de stakingsvrijstelling in mindering op de stakingswinst en is een belastingvrije afboeking op de oudedagsreserve niet aan de orde. In de situatie dat de stakingswinst lager is dan de stakingsvrijstelling, kan het restant van de stakingsvrijstelling daarentegen wel worden aangewend voor een belastingvrije afname van de oudedagsreserve. Dit betekent dat de precieze omvang van de stakingswinst moet worden vastgesteld. In de laatstgenoemde situatie heeft de vrijstelling dus geen betekenis om geschillen te voorkomen.

De leden van de fractie van het CDA hebben een vraag over de desinvesteringsbijtelling in dit verband. Bij overdracht van een onderneming wordt meestal voor enkele bedrijfsmiddelen ( bij voorbeeld «de inventaris») één prijs overeengekomen. Het is praktisch niet mogelijk, aldus deze leden, deze prijs ter berekening van de desinvesteringsbijtelling bij de verkoper toe te rekenen aan de verschillende investeringen. De stakingsvrijstelling leidt ertoe dat deze toerekening niet relevant is, indien de maximale bijtelling niet hoger is dan de stakingsvrijstelling en overigens geen stakingswinst wordt gerealiseerd. Naar aanleiding van het verzoek van deze leden te reageren op hun voorstel om een vrijstelling (eventueel gemaximeerd) op te nemen voor desinvesteringsbijtelling bij staking van een onderneming, wijzen wij er in de eerste plaats op dat een beperkte stakingsvrijstelling gehandhaafd blijft. Het ligt niet voor de hand om daarnaast een vrijstelling voor desinvesteringsbijtelling te introduceren. Voorts zou zo'n vrijstelling kunnen leiden tot investeringen in het zicht van staking. Tenslotte zij bedacht dat de desinvesteringsbijtelling uitsluitend van toepassing is in de vijf jaar na aanvang van het jaar waarin de investering heeft plaatsgevonden.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA om een reactie op een door hen aangedragen casus waarin sprake is van een commanditaire vennootschap tussen twee personen, welke commanditaire vennootschap vóór 1 januari 2001 is aangegaan met het oog op bedrijfsopvolging. In dit verband informeren deze leden of een overgangsregeling voor deze situaties is overwogen. Daarop kunnen wij als volgt reageren Op grond van het onderhavige wetsvoorstel zal de commanditaire vennoot per 1 januari 2001 niet langer worden aangemerkt als ondernemer/medegerechtigde in box I. Dat betekent dat hij geacht wordt de onderneming te hebben gestaakt. Zijn stakingswinst wordt bepaald maar daarbij geldt uitstel van betaling over de verschuldigde inkomstenbelasting van 10 jaar of tot het moment van vervreemding van zijn voormalige onderneming. Inderdaad kan in deze situatie nog geen gebruik worden gemaakt van de (nog in de maak zijnde) geruisloze doorschuiving aan mede-ondernemers. Wij zijn bereid de wenselijkheid van een overgangsregeling voor deze situatie te bezien.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het CDA welke gevolgen de afschaffing van de stakingsvrijstelling heeft voor ondernemers die een opvolger hebben, kan worden opgemerkt dat dit afhankelijk is van de vraag of de ondernemer gebruik maakt van de in het ondernemerspakket 21e eeuw op te nemen mogelijkheid tot geruisloze doorschuiving aan een mede-ondernemer en of er sprake is van een verplichte afneming van een eventuele oudedagsreserve. Indien de mogelijkheid tot geruisloze doorschuiving aan een mede-ondernemer geen soelaas biedt of er afrekening over de oudedagsreserve plaatsvindt, kunnen zij nadeel van de afschaffing van de stakingsvrijstelling ondervinden.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de GPV en het RPF hoe wij, ten opzichte van de huidige situatie, de lastenverzwaring taxeren voor ondernemers die met hun onderneming stoppen, merken wij op dat deze alleszins overkomelijk lijkt. Daarbij zij bedacht dat deze ondernemers ook gebruik kunnen maken van de in het ondernemerspakket 21e eeuw opgenomen geruisloze doorschuifregeling voor mede-ondernemers. Daarnaast profiteren zij ook van de lagere tarieflijn in de inkomstenbelasting en kunnen zij gebruik maken van de (verruimde) middelingsregeling.

Voorts vragen deze leden of wij kunnen ingaan op de gevolgen voor die ondernemers die bij de opbouw van hun oudedagsvoorziening rekening houden met de huidige bijzondere tarieven en de stakingsvrijstelling. Met betrekking tot deze vraag kan worden opgemerkt dat voor de oudedagsvoorziening niet alleen van belang is de belastingheffing over de stakingswinst maar ook de belastingheffing over het vermogen of inkomen in de periode daarna. Het is nog steeds mogelijk, net als onder het huidige regime, de stakingswinst (inclusief de oudedagsreserve) onbelast om te zetten in een lijfrente waardoor geprofiteerd kan worden van de lagere tarieven in de inkomstenbelasting over de lijfrente-uitkeringen. Bij een directe afrekening daarentegen zal de fiscale claim op de stakingswinst (inclusief de oudedagsreserve) veelal hoger zijn dan onder het huidige regime maar kan de belastingheffing over het vermogen of inkomen in de daaropvolgende periode gunstiger uitvallen. Verwacht mag worden dat ondernemers die van plan zijn binnen enkele jaren met hun onderneming te stoppen, rekening zullen houden met de consequenties van dit wetsvoorstel, dit in antwoord op desbetreffende vraag van de leden van de fracties van de GPV en RPF. Zo zullen ondernemers die van de doorschuifregeling voor mede-ondernemers gebruik willen maken, wachten met de staking tot na 2000.

De leden van de fractie van D66 vragen wat het budgettaire effect zou zijn van het instandhouden van de stakingsvrijstelling. De stakingsvrijstelling kost in zijn huidige vorm circa 150 miljoen per jaar. Met het niet door gaan van de voorgestelde afschaffing van de stakingsvrijstelling is een bedrag gemoeid van 150 miljoen per jaar.

Bij geruisloze doorschuiving mag onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de stakingsvrijstelling in mindering worden gebracht op de stand van de oudedagsreserve. Het is de leden van de fractie van de PvdA niet duidelijk of en in hoeverre de zogenaamde inhaaldotatie (artikel 3.2.3.3) adequate compensatie voor het vervallen van de stakingsvrijstelling biedt. Naar aanleiding hiervan wijzen wij er allereerst op dat – zoals op eerdere vragen is geantwoord – het kabinet voornemens is een beperkte stakingsvrijstelling die éénmaal per leven benut kan worden, in stand te houden. Deze kan uiteraard ook worden benut voor de afname van de oudedagsreserve bij beëindiging van de ondernemingsactiviteiten. Voorts kan worden opgemerkt dat een inhaaldotatie niet is bedoeld voor de situatie van geruisloze doorschuiving. Een inhaaldotatie is immers slechts mogelijk indien in het jaar dat onmiddellijk volgt op een jaar waarin niet aan de criteria voor dotatie is voldaan, het ondernemingsvermogen is gestegen.

De leden van de fractie van het CDA stellen dat het artikel «Overige vrijstellingen» (artikel 3.2.2.4) moeilijk toegankelijk blijft en dat een alfabetische rangschikking van kernwoorden in dit artikel maar ook in de volgende artikelen inzake al of niet gedeeltelijk beperkte aftrekposten het inzicht kan bevorderen. Ons inziens is met het splitsen van artikel 8 Wet op de inkomstenbelasting 1964 over een drietal artikelen al een belangrijke bijdrage aan de toegankelijkheid geleverd. Ditzelfde geldt voor de artikelen inzake al of niet gedeeltelijk beperkte aftrekposten.

De leden van de CDA fractie vragen of het mogelijk is om belastingheffing te ontgaan in de volgende situatie. Een onderneming houdt zich bezig met bosbouw. Bij bosbouw zal in het algemeen rekening moeten worden gehouden met een jarenlange verliessituatie na aanplant. Voor de verkoop van het bos, hetgeen zou leiden tot winst, verhuist de ondernemer naar het buitenland. In de door deze leden beschreven situatie kan de belastingheffing door verhuizing niet worden ontgaan. Er is blijkbaar sprake van een situatie waarin op verzoek de vrijstelling voor bosbouw buiten toepassing is gelaten. De verliezen worden immers ten laste van de winst gebracht. Indien de belastingplichtige, ondernemer vervolgens verhuist, wordt de belastingplichtige aangemerkt als buitenlands belastingplichtig en wordt de bosbouw onderneming aangemerkt als een Nederlandse onderneming (vaste inrichting) van de belastingplichtige. De belastingplichtige wordt, op de voet van het voorgestelde artikel 7.2.1. van de Wet inkomstenbelasting 2001, in de heffing betrokken voor de bij verkoop behaalde winst.

De vragen van de leden van de fracties van PvdA, CDA, D66, GPV, RPF en SGP naar het vervallen van de bijzondere tarieven hebben wij beantwoord in paragraaf 3.1.2.

De leden van de fractie van het CDA hechten eraan de landbouwvrijstelling te handhaven. Met betrekking tot de vraag van deze leden om duidelijkheid herinneren wij eraan dat wij in het nader rapport aan de Koningin (punt 35) hebben aangegeven de landbouwvrijstelling te continueren. De werkgroep belastingen bedrijfsleven 21e eeuw (evenals de commissie Oort-II) heeft aanbevolen de landbouwvrijstelling te beperken tot de agrarische waarde. Deze aanpassing van de landbouwvrijstelling zal deel uitmaken van het wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche.

De leden van de fractie van de PvdA zien weinig begrip voor de deeltijdondernemer die zijn onderneming drijft in en vanuit een werkruimte in zijn privé woning. Deze leden verwijzen naar artikel 3.2.2.7. waarin de aftrek voor kosten van een werkruimte die tot het privé vermogen hoort, wordt beperkt tot situaties waarin, kort gezegd, het winst- en arbeidsinkomen hoofdzakelijk in en vanuit die werkruimte wordt verworven dan wel grotendeels in die werkruimte. De deeltijdondernemer, zo stellen de leden, zal in verband met inkomsten naast de winst uit onderneming, niet in aanmerking komen voor kostenaftrek.

Onze reactie hierop is, dat het hoofdzakelijkheids- c.q. het grotendeelscriterium reeds voorkomt in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en beoogt te voorkomen dat belastingplichtigen die ter verwerving van hun arbeidsinkomen slechts bijkomstig gebruik maken van een werkruimte aan huis, ter zake kosten kunnen aftrekken. Dezelfde criteria worden onder de huidige wetgeving ook gehanteerd voor de aftrek van kosten voor een werkruimte in de loonsfeer. In het onderhavige wetsvoorstel vervalt deze aftrek voor genieters van inkomsten uit arbeid geheel, maar wordt de mogelijkheid gecreëerd om de kosten onbelast te vergoeden. Om het evenwicht tussen de winstsfeer en de loonsfeer te bewaren, zou een versoepeling van het hoofdzakelijkheids- c.q. het grotendeelscriterium ook moeten worden nagevolgd in de loonheffing. Daaraan zijn niet alleen budgettaire consequenties verbonden, maar het zal ook niet eenvoudig zijn om onbedoeld gebruik van een versoepelde regeling door personen die slechts bijkomstig gebruik maken van hun werkruimte, tegen te gaan.

Op de aanbeveling van de leden van de fractie van het CDA om voor het waarderen van het privé-gebruik van de auto van de zaak, gelet op de moeilijkheid of zelfs onmogelijkheid om gegevens te verifiëren, te abstraheren van het feitelijk gebruik, wordt ingegaan in paragraaf 8.1.2.

Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA naar een berekening van de variabele en vaste kosten voor een aantal categorieën auto's zij, ook omdat voor de hoogte van die kosten ook de brandstofsoort en de totale gebruiksduur bepalend is, verwezen naar de Autokostenbegrotingen die jaarlijks door de ANWB worden gepubliceerd. Op basis daarvan kan een belastingplichtige inschatten wat voordeliger is: een privé-auto met (deels belastingvrije) vergoeding van woon-werkverkeer en zakelijke kilometers, dan wel het ter beschikking stellen van een auto die ook voor privé-doeleinden mag worden gebruikt en waarvoor een bijtelling bij het inkomen plaatsheeft.

Het kabinet deelt niet de vrees van de leden van de fractie van het CDA dat een «dure» forfaitaire bijtelling een negatieve werking zou kunnen hebben in verband met de vestiging van buitenlandse ondernemingen hier te lande. Uit een studie van het NEI blijkt dat alle westerse landen (behalve Italië; van Spanje en Portugal is het niet bekend) een mildere of zwaardere vorm van bijtelling wegens privé-gebruik van de auto van de zaak kennen. Zo kent Duitsland een bijtelling van 1% per maand of bijtelling werkelijk privé-gebruik.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het – gelet op de omstandigheid dat het woon-werkverkeer per eigen auto niet meer volledig belastingvrij zal kunnen worden vergoed – niet beter zou zijn om de met een auto van de zaak voor het woon-werkverkeer afgelegde kilometers als niet-zakelijk aan te merken en daarvoor een bedrag van bijvoorbeeld &euro; 0,23 (f 0,50) per kilometer in aanmerking te nemen.

Wij verwijzen voor de redenen die gelden om voor een werknemer het woon-werkverkeer per auto van de zaak niet tot het loon te rekenen, naar paragraaf 8.1.2. Dezelfde argumenten gelden voor het niet tot de winst rekenen van het woon-werkverkeer dat de ondernemer aflegt met de auto van de zaak. Voor het antwoord op de suggestie om de helft van het autokostenforfait in de eindheffing van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 te betrekken, zij verwezen naar paragraaf 4.2.1.

De aanbeveling van deze leden om voor de ondernemer alleen de brandstofkosten in het buitenland bij de winstbepaling in aanmerking te nemen indien de zakelijkheid van de rit aannemelijk kan worden gemaakt, zouden wij niet willen overnemen. Juist om voor auto's van de zaak discussies over het karakter van de verreden kilometers te vermijden, is voor deze auto's de grove forfaitaire regeling van de autokostenfictie in het leven geroepen.

Wij delen overigens niet de kennelijke mening van deze leden dat tegen bijtelling van het autokostenforfait (met de eerder gemelde uitzondering van de 4%) veel weerstand bestaat.

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie, en ook van de leden van VVD-fractie in het artikelsgewijze deel van het Verslag bij artikel 3.2.2.10, of gebroken wordt met de thans geldende jurisprudentie dat de in aanmerking te nemen onttrekking voor het voor privé-doeleinden gebruiken van de auto van de zaak is gelimiteerd tot het werkelijke bedrag dat als kosten van die auto in de onderneming ten laste van de winst is gebracht, kan worden geantwoord dat inderdaad geen groter bedrag als onttrekking in aanmerking wordt genomen dan het bedrag van de ten behoeve van de onderneming gemaakte, aan het houden van een auto verbonden kosten. Wel wordt opgemerkt dat niet alleen de direct zichtbare autokosten in aanmerking behoren te worden genomen (zoals brandstof en de kosten van vervangen onderdelen) maar ook de minder zichtbare als een correcte afschrijving of de elders in de jaarrekening opgenomen afdracht omzetbelasting vanwege privé-gebruik.

De leden van de fractie van het CDA zijn van mening dat in het kader van de thans voorgestelde belastingherziening de aftrekbeperking van de in artikel 3.2.2.7 genoemde kostenposten moet komen te vervallen. Onze reactie hierop is dat de aftrekbeperking in 1990 is geïntroduceerd om in navolging van een soortgelijke aftrekbeperking in de loonsfeer, te komen tot een grondslagverbreding ten behoeve van tariefsverlaging. Dit argument is nog steeds actueel. In de sfeer van de arbeidskosten wordt voorgesteld om onder meer met oog op grondslagverbreding en tariefsverlaging, de band met de werkelijk gemaakte kosten te doorsnijden en te volstaan met een forfaitaire tegemoetkoming voor de doorsnee-situatie. Omdat een dergelijke forfaitaire aftrek zich niet goed laat denken in de winstsfeer, is de parallel met de loonsfeer die onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 weliswaar niet opgegeven, maar op een abstract niveau gelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de algemene aftrek moet worden verondersteld rekening te zijn gehouden met het feit dat sommige in redelijkheid nodige uitgaven ten behoeve van de dienstbetrekking, een dusdanig persoonlijk element kennen waardoor een zekere beperking in de aftrek gelegitimeerd is. Concluderend kan worden gesteld dat de argumenten van verbreding van de heffingsgrondslag en het instandhouden van een zekere parallel met de loonsfeer, op dit punt hebben geprevaleerd boven het streven naar eenvoud.

De leden van de CDA-fractie stellen voor de zinsnede «geschikt is om» in de omschrijving van het begrip werkkleding in artikel 3.2.2.7, vijfde lid, onderdeel a, te laten vervallen. Naar aanleiding daarvan merken wij op dat de tekst in het wetsvoorstel is ontleend aan de met ingang van 1 januari 1997 geldende tekst in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 waarmee toen een meer geobjectiveerd begrip werkkleding is bereikt. Het voorstel van de leden van de CDA-fractie zou betekenen dat het begrip werkkleding aan objectiviteit verliest, met als gevolg dat weer discussies kunnen ontstaan met betrekking tot kleding die ook door derden in het dagelijks (privé-)leven pleegt te worden gebruikt, zoals het trainingspak en de sportschoenen van de gymnastiekleraar en het «zwarte pak» van de dominee. Dat is naar onze mening ongewenst. Als de door de leden van de CDA-fractie genoemde zinsnede wordt geschrapt, zou dit ook betekenen dat het feitelijk gebruik van kleding van belang wordt, hetgeen niet controleerbaar is.

In het Besluit van 15 oktober 1998, nr. DON-LB8/44, BNB 1999/12, is onder meer opgemerkt dat kleding, dus ook als dit geen werkkleding in fiscale zin is, onbelast ter beschikking kan worden gesteld indien de kleding uitsluitend tijdens de bedrijfsuren wordt gedragen en na afloop van de werkdag op het bedrijf blijft. De leden van de CDA-fractie vragen waarom dit beleid niet wordt gecodificeerd. Naar aanleiding van deze vraag merken wij op dat in een dergelijk geval naar onze mening sprake is van een vrije verstrekking. In dat kader lijkt het mogelijk tot codificatie over te gaan, waarbij een bepaling in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 thans het meest voor de hand ligt.

Het leeftijdscriterium in de S&O-regeling is verdwenen. Ligt het niet voor de hand om mede gelet op het leeftijds-discriminatie argument het leeftijdsplafond, 65 jaar, te schrappen, zo vragen de leden van de fractie van het CDA. Zoals wij in punt 35 van het nader rapport aan de Koningin hebben aangegeven, is tegemoet gekomen aan het advies van de Raad van State om de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de speuren ontwikkelingswerk te laten vervallen. Wij nemen echter aan dat deze leden met hun vraag doelen op de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek. De vragen en opmerkingen over deze leeftijdsgrens zijn in paragraaf 4.1.3. Overige wijzigingen winstbepaling zelfstandigen van deze nota behandeld.

Een eis in de voorgestelde meewerkaftrek (artikel 3.2.4.5) is dat de meewerkende partner geen vergoeding voor zijn werk ontvangt. Daarbij gaat het uiteraard – dit in antwoord op een vraag dienaangaande van de leden van de fractie van het CDA – om een vergoeding in het economisch verkeer welke bij de ondernemer of bij een andere belastingplichtige ten laste van de winst (het inkomen) is gebracht. Een reisje naar bij voorbeeld Parijs, betaald uit de privémiddelen, behoeft de meewerkende partner niet onthouden te worden.

Ten aanzien van de ondernemersfaciliteiten c.q. stimuleringsregelingen verwijzen de leden van de fractie van GroenLinks naar hun kritische opmerking ten aanzien van belastinguitgaven in het algemeen. Het zou volgens deze leden van logica getuigen als het kabinet opnieuw bij gelegenheid van de Belastingherziening 2001 helder uiteenzet waarom deze bestaande faciliteiten continuering verdienen en welke doelstellingen ten grondslag liggen aan de betreffende regelingen. Het onderzoek naar de zin en effectiviteit van stimuleringsregelingen in het algemeen en ondernemersfaciliteiten in het bijzonder is een zinvolle aangelegenheid. Dit maakt dan ook deel uit van het bestaande evaluatieprogramma. Een integraal onderzoek naar alle bestaande belastinguitgaven schiet de doelstellingen van de huidige belastingherziening evenwel voorbij. Wat betreft de ondernemersfaciliteiten kan worden opgemerkt dat deze recentelijk zijn geëvalueerd door de commissie-Oort (1998) en dat de uitkomsten van dit onderzoek, zoals opgenomen in het rapport Een duwtje in de rug, zijn betrokken bij het totstandkomen van de voorstellen in het ondernemerspakket.

Voorts zijn de leden van de GroenLinks-fractie benieuwd te vernemen hoe de fiscale systematiek bij deze belastinguitgaven en andere aftrekregelingen in de winstsfeer zich verhoudt tot de bij de algemene heffingskorting en arbeidskorting gekozen tax-credit systematiek. Voor dit onderwerp zij verwezen naar de uitgebreide beschouwingen hierover in paragraaf 1.3.1. over de nieuwe inkomstenbelasting.

De leden van de fractie van de PvdA en van de fractie van GroenLinks vragen een reactie op de suggestie een aantal aftrekposten voor de ondernemer om te zetten in een heffingskorting. De leden van de PvdA-fractie denken daarbij met name aan de scholingsaftrek, de investeringsaftrek en de zelfstandigenaftrek. Een zelfstandigenkorting zou, aldus de leden van GroenLinks, de ondernemers die het hoofd maar net boven water kunnen houden, in een wat betere inkomenspositie brengen en hen wellicht in sommige gevallen in staat stellen het bedrijf voort te zetten.

De zelfstandigenaftrek vormt onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964, net als de wijzigingen in de oudedagsreserve en de meewerkaftrek, een van de zogeheten persoonlijke verminderingen en vermeerderingen van het onzuiver inkomen. In het onderhavige voorstel van wet maken de oudedagsreserve, de zelfstandigenaftrek en de meewerkaftrek deel uit van de winst uit onderneming. Door het onderbrengen van de oudedagsreserve in de winst wordt de wetgeving in lijn gebracht met het zogeheten Wielockxarrest. In het verlengde daarvan worden de zelfstandigenaftrek en de meewerkaftrek eveneens naar de winst uit onderneming overgebracht. Daarbij is van belang dat de zelfstandigenaftrek hoger is naarmate de winst lager is; het bedrag van de zelfstandigenaftrek loopt geleidelijk – in zeven stapjes – af van f 11 056 bij een winst van minder dan f 25 001 tot f 4 758 bij een winst van ten minste f 106 570. Dit laat onverlet dat het technisch mogelijk is de zelfstandigenaftrek respectievelijk ondernemersaftrek om te zetten in een heffingskorting. Deze omzetting zou uiteraard inkomenseffecten hebben. Daarnaast zou zo'n omzetting in een verliessituatie gevolgen hebben maar juist andersom als deze leden verwachten. De zelfstandigenaftrek heeft namelijk ook effect indien het belastbaar indien het belastbaar inkomen in box I negatief is, namelijk door verliesrekening. Een heffingskorting kan echter in beginsel alleen volledig worden benut indien in het desbetreffende jaar minimaal evenveel aan inkomstenbelasting is verschuldigd. Gelet op het vorenstaande is het dan ook de vraag of een dergelijke omzetting van de zelfstandigenaftrek in een heffingskorting wel voor de hand ligt.

De vragen van de leden van de fracties van PvdA, CDA, D66, GPV, RPF en SGP naar het vervallen van de bijzondere tarieven hebben wij beantwoord in paragraaf 3.1.2.

De leden van de SGP-fractie vragen of, en zo ja, onder welke nader beschreven voorwaarden de zogenoemde man/vrouw-maatschappen aan de gebruikelijkheidstoets voor het ondernemerschap voldoen. Deze vraag is besproken bij artikel 3.2.1.4 Begrip urencriterium.

De leden van de fracties van VVD, CDA, D66 en SGP vragen waarom de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek is gehandhaafd. De leden van de fractie van het CDA vragen tevens of wij bereid zijn de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek af te schaffen. De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat de commissie Oort-II zich heeft uitgesproken voor het laten vervallen van de leeftijdsgrens.

In dit verband herinneren wij eraan dat in de notitie «leeftijdsgrens van 65 jaar in de inkomstenbelasting» van de eerste ondergetekende (Kamerstukken II 1997/98, 25 942), die in het algemeen overleg van 10 juni 1998 is besproken, de redenen voor deze leeftijdsgrens zijn uiteengezet. De daar gegeven argumenten zijn nog steeds geldend. In het kort komen deze erop neer dat de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek niet op zichzelf staat maar nauw verband houdt met de leeftijdsgrens van 65 jaar in het arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht. Een zelfstandige die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zijn onderneming voortzet, gaat er (daardoor) bij een gelijkblijvend winstinkomen aanzienlijk in inkomen op vooruit. In de genoemde notitie is verder aangegeven dat het laten vervallen van de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek naar verwachting een structurele derving van f 100 mln aan belastingen en premies volksverzekeringen met zich zou brengen. Daar komt bij dat de zelfstandigenaftrek de afgelopen jaren is gebruikt om zelfstandigen te compenseren voor negatieve inkomenseffecten van bepaalde maatregelen zoals de regulerende energiebelasting en invoering van de WAZ terwijl ouderen voor de negatieve inkomenseffecten van de regulerende energiebelasting (de WAZ loopt tot 65 jaar) zijn gecompenseerd via de ouderenaftrek. Het vervallen van de leeftijdsgrens van 65 jaar in de zelfstandigenaftrek zou tot gevolg hebben dat doublures optreden in de compensatie.

De leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek is naar ons oordeel juridisch en maatschappelijk houdbaar, dit in antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de fractie van de VVD. In dit verband zij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 1990 (BNB1990/212) waarin de Hoge Raad heeft uitgesproken dat de leeftijdsgrens van 65 jaar in het licht van het met de zelfstandigenaftrek beoogde doel objectief en redelijkerwijs te rechtvaardigen is en dus niet in strijd is met artikel 26 BUPO. Dit oordeel is op 13 februari 1996 nog eens herhaald in een uitspraak van het Hof Leeuwarden.

De leden van de D66 fractie verwijzen voorts in dit verband naar het onlangs ingediende wetsvoorstel inzake leeftijdsdiscriminatie. Hoewel dit laatste wetsvoorstel een ruimer toepassingsgebied heeft dan het eerder ingediende wetsvoorstel Verbod tot het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij het aanbieden en het aangaan van een arbeidsverhouding (Wet verbod op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie bij de arbeid) (kamerstukken II 1997/98, 25 677 nrs. 1–2) is ook het nieuwe wetsvoorstel beperkt tot onderwerpen als arbeidsbemiddeling, scholing, bevordering, werving en selectie bij arbeid.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SGP of bekend is in hoeverre zelfstandige ondernemers op 65-jarige leeftijd stoppen met ondernemen, kan worden opgemerkt dat veel ondernemers voor hun 65-ste jaar stoppen met het drijven van hun onderneming; er zijn circa 37 000 belastingplichtigen van 65 jaar en ouder die een onderneming drijven.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een overzicht kan verstrekken van de budgettaire effecten bij de verschillende winstklassen die worden gehanteerd bij de zelfstandigenaftrek.

De bedragen van de zelfstandigenaftrek zijn neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de bedragen in de Wet inkomstenbelasting 1964. Dit is gedaan teneinde rekening te houden met de arbeidskorting die ook voor zelfstandige ondernemers van toepassing is. Hiermee is een bedrag gemoeid van circa 0,5 miljard. Daarnaast zijn drie extra winstklassen geïntroduceerd voor ondernemers met relatief lage winst, om de gevolgen van afschaffing van de invorderingsvrijstelling zoveel mogelijk te compenseren. In feite is hier sprake van een beperking van de verlaging van de zelfstandigenaftrek. Hiermee is een bedrag gemoeid van 0,1 miljard.

De leden van de fracties van het CDA en van D66 vragen waarom het advies van de commissie Oort-II om de startersaftrek voor een termijn van 5 jaar toe te staan, niet is overgenomen. Naar aanleiding daarvan wijzen wij erop dat de aanbeveling van de commissie Oort-II om de startersaftrek te handhaven, is overgenomen. Daarnaast bepleitte een groot deel van de Commissie Oort-II te komen tot één termijn voor alle startersfaciliteiten, namelijk 5 jaar, hetgeen een verlenging van de termijn voor startersaftrek en een verkorting van de tante-Agaathregeling zou inhouden. Een klein deel van de commissie was echter van mening dat de huidige termijnen – zeven jaar respectievelijk bij een gedeeltelijke overname veertien jaar – voor de tante-Agaathregeling gehandhaafd moeten blijven. Gelet op het voorgaande is besloten de huidige termijn van drie jaar voor de startersaftrek te continueren. Overigens zou een verlenging van de termijn van de startersaftrek tot vijf jaar gepaard gaan met extra budgettaire lasten van f 80 mln per jaar. Deze zouden volgens het advies binnen de startersaftrek kunnen worden opgevangen door deze te verlagen tot circa f 1 885.

De leden van het CDA vragen naar de wijze van verliescompensatie in het geval de winst van een voorgaand jaar op een ander bedrag wordt vastgesteld als gevolg van navordering, ambtshalve vermindering of door een beslissing in een procedure.

De belastingdienst stelt de verliezen als zodanig en de stand van de verliezen jaarlijks bij beschikking vast. Wijzigingen in de hoogte of de stand van de verliezen leiden tot herziening van de beschikking. Dat is onder meer het geval in de situaties waar de leden van de CDA-fractie naar verwijzen. Bijzondere uitvoeringstechnische complicaties, andere dan de reguliere handelingen in de vorm van een nieuwe verliesvaststelling bij beschikking, doen zich hierbij niet voor, zo kunnen wij deze leden antwoorden.

De leden van de fractie van de SGP wijzen op de gevolgen van het vervallen van de reserve assurantie eigen risico voor ondernemers die om principiële redenen niet zijn verzekerd. Zij vragen in dat kader om handhaving van deze reserve.

Dienaangaande merken wij op dat het voorstel om de reserve assurantie eigen risico te laten vervallen geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige wetsvoorstel, maar is opgenomen in het belastingplan 2000. In de toelichting op het belastingplan 2000 is ingegaan op de overwegingen die hebben geleid tot afschaffing van de reserve alsmede op de budgettaire consequenties daarvan. Overigens blijft voor deze categorie ondernemers als ook voor andere ondernemers die zich niet wensen te verzekeren, in beginsel de mogelijkheid bestaan om kosten die voortvloeien uit niet verzekerde schaden op de winst in mindering te brengen.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de mogelijkheid om voor afrekening te kiezen bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap niet in het wetsvoorstel is opgenomen. Zoals in de toelichting op artikel 3.2.2.49 reeds is vermeld zal een belastingplichtige alleen in uitzonderlijke gevallen belang hebben bij afrekening. De mogelijkheid om te kunnen beoordelen of doorschuiving in het betreffende geval de meest voordelige optie is, brengt voor vele belastingplichtigen, die zich in het algemeen laten bijstaan door een deskundige, extra kosten met zich mee. Gezien de omstandigheid dat belastingplichtigen in bijna alle gevallen doorschuiven, leidt een verplichte doorschuiving tot een vermindering van de administratieve lasten omdat bijstand door een deskundige dan niet meer nodig is.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom er geen maatregelen zoals een doorschuiffaciliteit, een conserverende aanslag of een uitstel van betaling zijn opgenomen, in plaats van de afrekenmomenten bij de overgang van een vermogensbestanddeel van de ene box naar de andere. Dergelijke maatregelen zouden mogelijke liquiditeitsproblemen kunnen voorkomen.

De winst uit onderneming omvat al hetgeen uit de onderneming wordt verkregen, maar de opvolgende jaarwinsten worden, in overeenstemming met het goed koopmansgebruik, op voorzichtige wijze berekend. In de fiscale waarderingen schuilen dientengevolge herhaaldelijk vooralsnog onbelast gebleven voordelen, die bij het staken van de onderneming moeten worden afgerekend. Een ondernemer die er voor kiest om een onroerende zaak aan zijn ondernemingsvermogen te onttrekken, om de zaak vervolgens aan te houden voor eigen gebruik of te gaan verhuren aan een derde, zal dus moeten afrekenen over de opgebouwde stille reserves in die zaak. Dit karakter van de stille reserves rechtvaardigt ons inziens geen uitstel van betaling of een andere maatregel waarmee de belastingheffing over de stille reserves voor onbepaalde tijd kan worden uitgesteld. Het bovenstaande geldt eveneens voor box II.

De vragen van de leden van de CDA-fractie waarom niet is voorzien in een doorschuiffaciliteit voor de overgang van winst uit onderneming naar resultaat uit overige werkzaamheden en of artikel 3.2.1.1a deze overgang regelt, worden beantwoord in paragraaf 4.2.2.

De leden van de fractie van het CDA vragen om verduidelijking van de artikel 3.2.2.1a Maximum verlies en doen een suggestie voor een vereenvoudiging van de regeling. Deze vragen zijn behandeld in paragraaf 4.1. Aanpassing van het ondernemersbegrip.

De leden van de fractie van D66 vragen om een reactie op signalen die hun bereiken dat in de sfeer van de commanditaire vennootschappen in combinatie met het overgangsrecht inkomstenbelasting nog de nodige aanlokkelijke constructies mogelijk zijn. Omdat het hier gaat over het overgangsrecht, zullen wij hierop in de nota naar aanleiding van het verslag op dat wetsvoorstel ingegaan.

De vraag van leden van de CDA-fractie omtrent het indirect aandeelhouderschap in artikel IV, onderdeel B, vierde lid, betreft een vraag van overgangsrecht. Deze vraag bespreken wij in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet.

De vragen van de CDA-fractie over de in het wetsvoorstel voor de Invoeringswet voorgestelde wijzigingen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zullen we bespreken in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet.

4.1.4. Fiscale begeleiding fusie en splitsing

Met betrekking tot de voorgestelde wijziging van de anti-misbruik bepaling die is opgenomen bij de fiscale begeleiding van de aandelenfusie, de bedrijfsfusie, de juridische fusie en de juridische splitsing vragen de leden van de fracties van de VVD, het CDA en D66 of het uitstellen van belastingheffing als belastingontwijking kan worden gekenschetst in de zin van de fusierichtlijn. In dit kader merken de leden van de VVD-fractie op dat het uitstellen van belastingheffing deel uitmaakt van de faciliteit. Ten aanzien van deze vragen wordt het volgende opgemerkt.

In artikel 11 van de fusierichtlijn (richtlijn van 23 juli 1990) betreffende de gemeenschappelijke regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lidstaten (90/434/EEG) is geregeld dat indien een fusie of splitsing als een van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft, de faciliteit kan worden geweigerd. Belastingontwijking kan zich voordoen door de belastingheffing te verschuiven naar een later tijdstip. Dit brengt echter in het algemeen niet mee dat er ook sprake is van een misbruik situatie. Onderdeel van de faciliteit vormt immers de mogelijkheid om de belastingheffing uit te stellen. Er kan in het licht van de voorgestelde regelingen slechts sprake zijn van misbruik indien herstructureringen plaatsvinden die in overwegende mate ten doel hebben om door toepassing van de faciliteit dit belastingvoordeel te verkrijgen. Dat er in een dergelijke situatie sprake kan zijn van misbruik blijkt eveneens uit de overwegingen van de considerans bij de fusierichtlijn. Uit de overwegingen blijkt dat de faciliteit ten doel heeft uitstel van belastingheffing te geven, maar dat deze faciliteit niet behoeft te worden verleend indien het belastinguitstel op zichzelf bezien een van de hoofddoelen is. De vrees van de leden van de VVD-fractie dat de anti-misbruik bepaling de faciliteit van de aandelenfusie tot een dode letter maakt, delen wij niet. In de situatie dat aan de aandelenfusie in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, kan de faciliteit worden verkregen waardoor de belastingheffing wordt uitgesteld.

Op de vraag van de leden van de fracties van de VVD en het CDA of de voorgestelde regelingen genade zullen vinden bij het Hof van justitie omdat daarin een vooropgestelde vorm van misbruik zou zijn opgenomen, merken wij het volgende op. De materiële fusie eis zoals deze aan de orde is gesteld in de zaak Leur /Bloem (C-28/95), de leden van de fracties van de VVD en het CDA verwijzen hiernaar, is niet binnengehaald in de voorgestelde regelingen. Immers, onder de voorgestelde regelingen is er geen sprake van een situatie waarin de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat er sprake is van het in financieel en economisch opzicht duurzaam in een eenheid brengen van de ondernemingen (materiële fusie eis) om de faciliteit te kunnen verkrijgen, waardoor bij het niet voldoen aan de voorwaarde, automatisch misbruik aanwezig wordt geacht zonder dat rechtelijke toetsing op dit punt mogelijk is. Wel is, net als in de in de anti-misbruik bepaling van de richtlijn, een aantal objectieve omstandigheden opgenomen wanneer een misbruik situatie aanwezig kan worden geacht. Het is aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat die objectieve omstandigheden zich voordoen. Dit heeft echter nog niet automatisch tot gevolg dat, indien de inspecteur slaagt in zijn bewijs, ook feitelijk geen gebruik van de faciliteit kan worden gemaakt. De belastingplichtige heeft in de voorgestelde bepalingen immers de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat, ondanks de omstandigheid dat wordt voldaan aan de objectieve omstandigheden, zijn subjectieve overwegingen om een fusie of een splitsing aan te gaan zodanig zakelijk zijn dat de fusie niet kan worden geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of het uitstellen van belastingheffing. Deze aanpak, waarbij de bewijslast in eerste instantie bij de inspecteur ligt, en de beslissing van de inspecteur kan worden voorgelegd aan de rechter, heeft tot gevolg dat de voorgestelde bepalingen in overeenstemming zijn met de richtlijn en met hetgeen door het Hof is opgemerkt in de zaak Leur/Bloem.

Op de vraag van de leden van de CDA fractie of bij een mogelijke uitspraak van het Hof dat uitstel van belastingheffing niet kan worden aangemerkt als belastingontwijking, aanleiding zal vormen om de voorgestelde bepaling te heroverwegen, is ons antwoord dat in dat geval zoals gebruikelijk zal worden beoordeeld wat de gevolgen zijn voor de in de belastingwetgeving opgenomen regelingen.

Op de opmerking van de leden van de CDA fractie dat de term activiteiten uit de richtlijn is vertaald met de term actieve vennootschappen wijzen wij er allereerst op dat deze term is vertaald met actieve werkzaamheden. De term activiteit is niet letterlijk overgenomen omdat deze term niet zonder meer toepasbaar is voor de heffing van vennootschapsbelasting. In de heffing van vennootschapsbelasting wordt, voor het onderscheid tussen ondernemingsactiviteiten en beleggingsactiviteiten, de terminologie van actieve en passieve werkzaamheden gehanteerd. Dat in de richtlijn de term activiteiten ziet op werkzaamheden die uitgaan boven het beheren van vermogen, blijkt onder meer uit de overwegingen die aan de richtlijn ten grondslag liggen. De richtlijn heeft immers volgens de overwegingen in de considerans ten doel de ondernemingen in staat te stellen zich aan te passen aan de eisen van de gemeenschappelijke markt, hun productiviteit te vergroten en hun concurrentiepositie te versterken. Juist deze aspecten spelen bij de reorganisatie van beleggingen geen rol. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat in dit kader onder beleggen niet wordt verstaan het bedrijfsmatig beheren van vermogen.

De vraag van de leden van de CDA-fractie of de bewijsvermoedens zoals deze zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 14a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en het voorgestelde artikel 3a, vierde lid, van de Wet op de dividendbelasting verenigbaar zijn met de fusie-richtlijn beantwoorden wij bevestigend. Immers, de ratio van de richtlijn en ook die van de voorgestelde regelingen is dat in een situatie van misbruik de faciliteit niet behoeft te worden gegeven. Van misbruik is naar ons oordeel bijvoorbeeld sprake ingeval de bedrijfsfusie dan wel de splitsing erop is gericht om belaste vervreemdingswinsten op vermogensbestanddelen om te zetten in onbelaste koerswinsten op aandelen. Dit geldt eveneens voor de situatie dat als gevolg van de splitsing beleggingen worden afgezonderd van de overige vermogensbestanddelen indien de beleggingen kunnen worden aangemerkt als een afzondering van ingehouden winst. In de laatste situatie zou het zonder nadere voorziening mogelijk zijn om uitdelingen waarop dividendbelasting zou moeten worden ingehouden om te zetten in een voor de heffing van dividendbelasting onbelaste vervreemdingswinst op aandelen. Aangezien deze vorm van misbruik zich slechts kan voordoen bij een juridische splitsing is de regeling dan ook tot die vorm van overgang onder algemene titel beperkt.

Ook voor deze anti-misbruik maatregel geldt dat er sprake is van een weerlegbaar vermoeden. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid om het tegendeel aannemelijk te maken en kan de beslissing van de inspecteur, deze wordt immers gegeven door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking, voorleggen aan de rechter. Ook hier geldt naar ons oordeel dat de ratio van de richtlijn – bij misbruik behoeft de faciliteit niet te worden gegeven – en de in de bepaling opgenomen mogelijkheid van tegenbewijs en rechtelijke toetsing betekenen dat de voorgestelde bepalingen in overeenstemming kunnen worden geoordeeld met het EU-recht.

Zoals de leden van de CDA-fractie opmerken is er bij een vervreemding van aandelen binnen drie jaar nadat de bedrijfsfusie of de splitsing heeft plaatsgevonden niet altijd sprake van misbruik. Om die reden wordt in die situatie de belastingplichtige de mogelijkheid geboden aannemelijk te maken dat ondanks de vervreemding van aandelen de bedrijfsfusie of de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Indien de overdrager een beursfonds is en er sprake is van een normale handel op de beurs in de overdrager zal de belastingplichtige eenvoudig in dit bewijs kunnen slagen. Is er daarentegen sprake van een overname van het betreffende beursfonds dan zal de belastingplichtige aannemelijk moeten maken dat, ondanks deze vervreemding van aandelen in hem, aan de splitsing dan wel de bedrijfsfusie in overwegende mate zakelijk overwegingen ten grondslag liggen. Om het anti-misbruik karakter van de maatregel te benadrukken is juist niet meer aangesloten bij een wijziging in de doorslaggevende zeggenschap, maar bij een vervreemding van de aandelen in de overdrager of de overnemer. Hierdoor komt duidelijker naar voren waar deze vorm van misbruik op ziet, namelijk het omzetten van vervreemdingswinsten in koerswinsten. Door de voorgestelde regeling wordt, anders dan in de huidige regeling, voorkomen dat bij voorbeeld in de situatie waarin de aandelen in de moedermaatschappij van de vennootschap van wie het vermogen door middel van een zogeheten uitzaksplitsing op een dochtermaatschappij is overgegaan, de anti-misbruik bepaling van toepassing wordt.

Indien er sprake is van een aandelenfusie in het kader van een bedrijfsopvolging zullen er in de regel zakelijke overwegingen aan de fusie ten grondslag liggen. In de door de leden van de VVD-fractie beschreven situatie, een bedrijfsopvolging op de voet van artikel 20g van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 juncto artikel 3f Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, maakt het aangaan van de fiscale eenheid deel uit van de wijze waarop aan de bedrijfsopvolging gestalte wordt gegeven. In dat kader is voor de beoordeling van de zakelijke overwegingen niet van belang of er een fiscale eenheid wordt aangegaan, maar de omstandigheid dat er sprake is van een bedrijfsopvolging. In dat opzicht treedt er geen wijziging op ten aanzien van de huidige regeling.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen of in de situatie dat de aandeelhouders van de splitsende vennootschap in het geheel geen aandelen krijgen uitgereikt, omdat er sprake is van een zogeheten «uitzaksplitsing» waarbij alle aandelen aan de splitsende vennootschap worden uitgereikt, de splitsing geen gevolgen heeft voor de aandeelhouders in de splitsende vennootschap. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. De aandeelhouders in de splitsende vennootschap zijn bij een dergelijke splitsing, in fiscale zin, niet betrokken bij de splitsing.

De vraag van de leden van de CDA-fractie vragen of een bijbetaling in contanten in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of juridische splitsing geen belastbare opbrengst van aandelen vormt in de zin van de Wet op de dividendbelasting kan, indien de gehele bijbetaling ten laste van het gestorte kapitaal wordt gebracht, bevestigend worden beantwoord.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke aandelen en voor welk bedrag een uitdeling, in de zin van het voorgestelde artikel 3a, vierde lid Wet op de dividendbelasting 1965, wordt genoten indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Het antwoord daarop luidt dat de uitdeling wordt genoten op de aandelen in de splitsende vennootschap en dat is aan de waarde van de waarde in het economische verkeer van de aandelen in het verkrijgend lichaam.

Op de vraag van de leden van de CDA fractie waarom het voorgestelde artikel 13i, eerste lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet alleen van toepassing is bij verbonden lichamen merken wij het volgende op. Het voorgestelde artikel 13i, eerste lid, ziet, net als in het huidige artikel 13d, zesde lid, op de vaststelling van het bedrag dat is opgeofferd voor de aandelen die in het kader van een aandelenfusie worden verkregen. Door het opgeofferde bedrag niet hoger vast te stellen dan hetgeen voor de aandelen die in het kader van de fusie zijn opgeofferd, wordt bereikt dat geen hoger liquidatieverlies kan worden genomen, dan het verlies dat had kunnen worden genomen indien geen aandelenfusie zou hebben plaatsgevonden. Dit is niet alleen van belang indien er sprake is van verbonden lichamen; het liquidatieverlies sluit immers niet aan bij verbondenheid doch bij de vraag of de verkregen aandelen een deelneming vormen. Het vaststellen van het opgeofferde bedrag conform hetgeen is voorgesteld in de artikel 13i, eerste lid past dan ook in de lijn om reorganisaties aan de ene kant niet door middel van belastingheffing in de weg te stand maar aan de andere kant niet te bevoordelen door in een dergelijke situatie een hoger toekomstig liquidatieverlies toe te staan.

4.2. Inkomsten uit arbeid

4.2.1. Arbeidskosten

Met betrekking tot de uitgangspunten van de belastingherziening houden wij ons aan het regeerakkoord. Overeenkomstig de daarin afgesproken uitgangspunten wordt thans voorgesteld om – naast versobering van het arbeidskostenforfait, introductie van de arbeidskorting, verbreding van de heffingsgrondslag in algemene zin en verlaging van de tarieven – de mogelijkheid voor werknemers om werkelijke kosten af te trekken te beëindigen. Met het voorliggende voorstel wordt de symmetriegedachte (kosten aftrekbaar, dan vergoeding onbelast) losgelaten, zo merken de leden van de fractie van D66 op onder verwijzing naar blz. 29 van de memorie van toelichting. Zij vragen naar een nadere onderbouwing op dit punt. Het vervallen van die mogelijkheid draagt bij aan de gewenste grondslagverbreding en moet, zoals in het regeerakkoord is overeengekomen, mede worden bezien in relatie tot een versterking van de fiscale impuls om werken méér lonend te maken (zie bijlage 1, punt 4, van het akkoord).

Het totaal aan voorziene maatregelen van de belastingherziening zal naar verwachting een positief effect op de werkgelegenheid hebben. Zoals ook is aangegeven in het nader rapport (bij punt 59), zijn er dientengevolge motieven van sociaal-economisch-politieke aard aan te voeren voor de in het wetsvoorstel gemaakte keuzen met inbegrip van de hier aan de orde zijnde afschaffing van werkelijke-kostenaftrek voor loontrekkenden. Volgens ons vormen deze motieven dan ook een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de thans voorgestelde inbreuk op de symmetriegedachte, een fiscaal-theoretische zienswijze overigens die, zo constateert de Verkenning, met name in ons land wordt bepleit en die, indien zij strikt en geïsoleerd zou worden toegepast, afbreuk doet aan andere belangrijke aspecten en doelstellingen van belastingheffing. Ook de toepassing van het draagkrachtbeginsel moet steeds worden afgewogen, zo willen wij de leden van de CDA-fractie die hierover een vraag stellen antwoorden, tegen de andere aspecten en doelstellingen die bij belastingheffing een rol spelen.

De leden van de D66-fractie wijzen erop dat de SER pleit voor behoud van de mogelijkheid van werkelijke-kostenaftrek en vragen dit gegeven in de beantwoording mee te nemen. De leden van de fractie van het CDA verwijzen eveneens naar dit element van het SER-advies, evenals de Stichting van de Arbeid.

Wij merken over het advies van de SER in dit verband het volgende op. De Raad acht afschaffing van de werkelijke-kostenaftrek niet aan te bevelen in het bijzonder op de volgende twee gronden. Enerzijds verwacht hij dat afschaffing voor een kleine groep belastingplichtigen een omvangrijk inkomensnadeel oplevert, anderzijds wordt verwacht dat werkgevers vaker vergoedingen zullen (moeten) verstrekken die (afhankelijk van de aard van de kosten) in een aantal gevallen onbelast zullen zijn. Met betrekking tot het eerste argument zij erop gewezen dat de SER in zijn advies nog geen rekening heeft kunnen houden met de in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen splitsing van de inkomsten uit arbeid in loon en resultaat uit overige werkzaamheden. Degenen die onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zogenoemde andere inkomsten uit arbeid genieten kunnen ook in de nieuwe opzet, tenzij zij daarin opteren voor de loonbelasting, hun werkelijke kosten in mindering brengen. Het tweede argument van de Raad spreekt ons niet aan omdat wij om vorengenoemde redenen niet aan de symmetriegedachte hechten en daarom, in het verlengde daarvan, bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 juist voorstellen om in de loonbelasting een zelfdragend regime inzake belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen te introduceren. Daarbij zijn de wettelijke voorwaarden waaronder werkgevers aan werknemers belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen mogen toekennen mede op aandringen van het bedrijfsleven verruimd. Het nieuwe regime zal dan ook naar wij vertrouwen beter dan het huidige stelsel aansluiten op de snelle maatschappelijke ontwikkelingen op dit terrein.

De leden van de fractie van de PvdA geven aan geneigd te zijn de regering te steunen met betrekking tot de afschaffing van de werkelijke kosten. Zij zouden evenwel graag meer gegevens willen hebben over het gebruik van deze aftrekpost. Ook de leden van CDA-fractie vragen hiernaar. In antwoord op deze vragen is hierna enige achtergrondinformatie opgenomen over de verdeling en de samenstelling van de aftrek van werkelijke kosten in verband met inkomsten uit arbeid. In de eerste plaats is in het onderstaand overzicht een verdeling opgenomen van de belastingplichtigen met werkelijke kostenaftrek over de tariefschijven. Het in de tabel vermelde budgettaire belang is om twee redenen hoger dan het in de budgettaire paragraaf van het wetsvoorstel vermelde bedrag voor het vervallen van deze aftrek:

– de aftrek van de kosten die betrekking hebben op de zogenoemde overige werkzaamheden blijft in stand;

– als gevolg van het handhaven van het arbeidskostenforfait blijft een deel van de aftrek (maximaal 1 262 per belastingplichtige) gehandhaafd.

Tabel: Verdeling belastingplichtigen met werkelijke kostenaftrek over de tariefschijven (raming 1999)

Marginaal tariefAantal bel.pl. (x 1 000)in %in % van alle bel.pl. in de schijfwerkelijke kostenaftrek (in mln)in %Gemid-delde aftrekBudgettair belang (in mln)
00,00%13,37%1%986%7 3680
35,75%22,111%1%1238%5 56644
37,05%58,829%1%43228%7 347160
50,00%85,942%5%65142%7 579325
60,00%24,712%9%24516%9 919147
totaal204,8100%2%1 548100%7 559676

Op basis van een steekproef voor de aangiften over 1994 kan de volgende indicatie worden gegeven over de samenstelling van de aftrek werkelijke kosten. Het is geen limitatieve opsomming; circa 8% van de totale aftrek viel buiten de onderscheiden categorieën. Uit de steekproef bleek verder dat circa 10% van de in de tabel genoemde kosten worden vergoed en uiteindelijk derhalve niet tot een aftrek leiden.

Tabel: Samenstelling aftrek werkelijke kosten

 aantal (x 1000)gemiddelde aftrektotaal (x 1000)
Werkelijke kosten1977 0291 381 921
waarvan:   
Studeer/werkkamer301 59648 044
Studiereizen91 0879 949
Cursus381 70364 863
Verhuizen105 93559 567
Reiskosten865 329456 155
Vakliteratuur7866251 594
Contributies8246738 018
Kleding3845717 417
Voedsel3728610 619
Representatie74543 081
Verzorging2512906
Huisvesting buiten de woonplaats24 3228 930
Computer4399342 805
Telefoonkosten7242730 755
Kosten auto zaak52 26511 368
Weekend reizen75 41039 925
Gereedschap3587830 570
Proceskosten145 12472 600
Sollicitatie241 97047 680
Zeedagen aftrek41 6715 918
Nedeco-regeling915 677138 832
Faciliteit zeevaart 35%313 19538 951
Reiskosten W.W.93 58630 695
Bijstand echtgenoot113 75416 240

Zoals uit het bovenstaande volgt bestaat de aftrek uit diverse, veelal ook incidentele kostenposten, zodat niet kan worden gesteld dat met name bepaalde beroepsgroepen worden getroffen door het vervallen van deze aftrekpost. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks op welke wijze het verdwijnen van de aftrek van de werkelijke kosten in de betreffende sectoren of beroepsgroepen naar verwachting zal worden gecompenseerd wordt opgemerkt dat de opbrengst van deze maatregel wordt aangewend voor een verlaging van de tarieven in de loon- en inkomstenbelasting. Daarnaast zal het verstrekken van onkostenvergoedingen wellicht toenemen. Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie hoe de stelling in de memorie van toelichting dat de betekenis van de aftrek beperkt is, zich verhoudt met de bijdrage aan de beoogde grondslagverbreding wordt het volgende opgemerkt. De stelling dat de betekenis van de aftrek beperkt is, is gebaseerd op het feit, dat niet meer dan 2% van de belastingplichtigen met inkomsten uit arbeid gebruik maakt van deze aftrek. Mede als gevolg van de relatief hoge gemiddelde aftrek leidt het vervallen van deze aftrekpost desalniettemin tot een grondslagverbreding met een bijbehorende budgettaire opbrengst van 450 mln. Bij deze berekening is rekening gehouden met de voorgestelde verlaging van het arbeidskostenforfait. Als gevolg van de laatstgenoemde maatregel, zouden meer belastingplichtigen in aanmerking komen voor deze aftrekpost, zodat het belang van deze aftrekpost toeneemt.

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA en GroenLinks vragen hoe het kabinet oordeelt over kosten van werknemers waarvoor zij niet snel een vergoeding van de werkgever zullen krijgen; zij denken met name aan uitgaven die samenhangen met arbeidsconflicten. Verwezen wordt naar onze reactie bij artikel 3.3.7. (algemene aftrek) op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie.

Het lijkt de leden van de PvdA-fractie in het licht van de afschaffing van de werkelijke-kostenaftrek niet langer nodig om aan het arbeidskostenforfait vast te houden. Zij zouden zich zelfs kunnen voorstellen, aldus deze leden, dat de juridische houdbaarheid van het schrappen van de werkelijke-kostenaftrek verbetert als ook het «restant arbeidskostenforfait» wordt geschrapt.

Met belangstelling hebben wij van deze zienswijze kennisgenomen. In het licht van het gegeven dat een individuele werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking met kosten kan worden geconfronteerd die door de werkgever niet worden vergoed, is ervoor gekozen het arbeidskostenforfait niet te schrappen. Met de afschaffing van de werkelijke-kostenaftrek wordt dan ook op microniveau – dat wil zeggen per individuele werknemer – alleen beoogd een accentverschuiving aan te brengen, in die zin dat met arbeidskosten nog slechts op een globale, geforfaiteerde wijze rekening kan worden gehouden. Hier staat de nieuwe tariefstructuur, met een arbeidskorting, onlosmakelijk tegenover.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het budgettaire beslag van het «restant arbeidskostenforfait» en hoe de regering de mogelijkheid beoordeelt om deze aftrekpost om te zetten in een verhoging van de arbeidskorting. Voorts wijzen deze leden op het bedrag van 650 miljoen gulden waarvan tijdens de algemene politieke beschouwingen is toegezegd dat het bedrag wordt ingezet om het arbeidskostenforfait te verhogen. Zij stellen dat dit bedrag in het nieuwe stelsel moet worden ingezet om de arbeidskorting te verhogen.

Het budgettaire beslag van de algemene aftrek onder het regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt f 2,55 miljard. Het omzetten van de algemene aftrek in een meer instrumentele heffingskorting tegen het tarief van de eerste schijf leidt tot inkomenseffecten. Dit komt doordat de algemene aftrek wordt vergolden tegen het marginale tarief, terwijl een meer instrumentele heffingskorting tegen het tarief van de eerste schijf leidt tot een belastingvermindering tegen het tarief van de eerste schijf.

Met betrekking tot het bedrag van 650 miljoen gulden waarvan tijdens de algemene politieke beschouwingen is toegezegd dat het bedrag wordt ingezet om het arbeidskostenforfait te verhogen, willen we aangeven dat het bedrag – zoals de andere belastingwijzigingen in 2000 – in ieder geval wordt aangewend bovenop de Belastingherziening 2001 met inkomensneutraliteit als uitgangspunt. Hierbij zullen de inzichten met betrekking tot het integrale inkomensbeeld 2001 te zijner tijd een belangrijke rol spelen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom toch een klein arbeidskostenforfait blijft voortbestaan en waarom hier de wens tot vereenvoudiging niet heeft gewonnen. Voorts stellen deze leden dat het deel van het oude arbeidskostenforfait dat wordt omgezet in de algemene aftrek, bij de invoering van het arbeidskostenforfait in 1990, evenals de beleidsmatige verhogingen in de jaren negentig, hetzelfde (arbeidsmarktpolitieke) doel heeft als de arbeidskorting onder het voorgestelde regime. Deze leden vragen of hieruit niet voortvloeit dat de inkomensvoordelen hieruit die sinds 1990 aan belastingplichtigen in de tweede en derde schijf zijn toebedeeld met terugwerkende kracht als oneigenlijk worden aangemerkt en niet voor tariefsverlaging kunnen worden aangewend.

De stelling dat de algemene aftrek evenals het arbeidskostenforfait in 1990 hetzelfde doel heeft als de in dit voorstel opgenomen arbeidskorting behoeft nuancering. Het arbeidskostenforfait is door een aantal beleidsmatige verhogingen gehanteerd als een instrument voor het voeren van arbeidsmarktpolitiek. De reden hiervoor is dat het arbeidskostenforfait het meest gerede fiscale instrument was. Wij willen hierbij opmerken dat door deze beleidsmatige verhogingen ook de drempel waarboven aftrek van werkelijke kosten mogelijk is steeds hoger is komen te liggen waardoor feitelijk de niet aftrekbaarheid van dergelijke kosten de facto al dichterbij is gebracht. Een uitvoeringsvoordeel van deze benadering was voorts dat steeds minder belastingplichtigen aan werkelijke kostenaftrek toekwamen, waardoor de uitvoeringslast kan worden beperkt. De inkomenseffecten die voortvloeien uit dit beleid zijn inherent aan het stelsel van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dat bij de onderhavige belastingherziening ervoor is gekozen naast de algemene aftrek een meer instrumentele bepaling op te nemen – de arbeidskorting – en deze arbeidskorting voornamelijk op de onderkant van de arbeidsmarkt te richten, betekent dus niet dat het toepassen van het arbeidskostenforfait door belastingplichtigen in de tweede en derde schijf in de jaren negentig oneigenlijk was, integendeel. Tot slot willen wij opmerken dat hoewel het opnemen van een algemene aftrek ook tot gevolg heeft dat het aanvaarden van betaald werk wordt gestimuleerd omdat het een forfaitaire aftrekpost betreft die alleen kan worden opgevoerd indien een belastingplichtige loon uit tegenwoordige arbeid geniet, deze post wordt een forfaitaire tegemoetkoming voor kleine kostenposten.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de reactie van de regering met betrekking tot kosten waarvoor de werkgever geen vergoeding zal willen geven. Als voorbeeld worden de kosten van rechtsbijstand bij een arbeidsconflict genoemd. Voorts vragen de leden van de D66-fractie waarom niet een aantal specifieke aftrekposten worden geïntroduceerd.

In het regeerakkoord zijn de grondslagen van de door te voeren belastingherziening neergelegd. Het versoberen van het in een algemene aftrek omgezette arbeidskostenforfait, het introduceren van een arbeidskorting, het verbreden van de grondslag in algemene zin en het verlagen van de tarieven, maken samen met het vervallen van de mogelijkheid voor werknemers om de werkelijke kosten af te trekken, deel uit van het totaalpakket. Met betrekking tot het vervallen van de mogelijkheid voor werknemers om de werkelijke kosten af te trekken, willen wij aangeven dat een individuele werknemer mogelijk wel kosten boven het kostenforfait heeft, maar dat daarmee buiten de algemene aftrek in het voorgestelde stelsel geen rekening wordt gehouden. Indien het gaat om uitgaven ten behoeve van de dienstbetrekking heeft de werkgever evenals onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de mogelijkheid hiervoor een onbelaste vergoeding of verstrekking te geven.

De leden van de D66-fractie vrezen dat de «algemene aftrek» verwarring zal oproepen met de «algemene heffingskorting». Deze leden stellen voor de term «algemene loonaftrek» te hanteren. Hoewel wij menen dat de termen «algemene aftrek» en «algemene heffingskorting» voldoende onderscheidend vermogen hebben, ligt het hanteren van de term «algemene loonaftrek», gelet op het feit dat de algemene aftrek alleen toepassing vindt bij werknemers, voor de hand. Wij zijn voornemens om bij nota van wijziging de term «algemene aftrek» te vervangen door de term «algemene loonaftrek». In het verlengde hiervan wordt de term «bijzondere aftrek» vervangen door de term «bijzondere loonaftrek».

De leden van de VVD-fractie bepleiten in het nieuwe belastingstelsel de werkgever in de gelegenheid te blijven stellen om een onbelaste kostenvergoeding voor de verschillende beroepskosten aan de werknemer te verstrekken. Zij zien de kostenvergoeding als een incentive om de werknemer te stimuleren zijn functie naar behoren te vervullen, waarbij een werkgever onder meer kan inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen en zich kan onderscheiden van anderen. In reactie hierop wijzen wij graag op de introductie in de loonbelasting in het kader van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van een zelfdragend stelsel van vrije vergoedingen (alsmede vrije verstrekkingen); zie hiervoor artikel V van de genoemde invoeringswet. Het nieuw geformuleerde vertrekpunt daarbij is dat vergoedingen (en verstrekkingen) niet tot het loon behoren, en derhalve ook voor de inkomstenbelasting onbelast blijven, voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Wij gaan ervan uit dat dit vertrekpunt aan de zienswijze van de leden van de VVD-fractie tegemoetkomt.

De leden van de fractie van de VVD merken op dat de voorgestelde afschaffing van de mogelijkheid van aftrek van werkelijke beroepskosten – voorzover de werkelijke kosten het arbeidskostenforfait te boven gaan – veel stof heeft doen opwaaien. Zij verwijzen naar reacties van een aantal (oud)hoogleraren. De leden van de GroenLinks-fractie vragen ons te reageren op de verschillende negatieve oordelen die over dit voorstel zijn gegeven. Wij menen op deze plaats te mogen volstaan met een verwijzing naar de bespreking van de diverse tegenargumenten elders in de onderhavige nota.

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd dat de door de Hoge Raad geconstateerde ongelijkheid in het arbeidskostenforfait wordt rechtgetrokken maar zetten wel vraagtekens bij de algemene arbeidskorting waarbij zij stellen dat via een andere weg het kabinet zo hetzelfde probeert te bewerkstelligen. Voorts vragen deze leden hoeveel geld exact is gemoeid met de arbeidskorting.

De stelling van deze leden begrijpen wij niet. Door de om arbeidsmarktpolitieke redenen toegepaste verhogingen van het arbeidskostenforfait daaruit nu te elimineren en onder te brengen in de arbeidskorting wordt in het nieuwe regime voorkomen dat een deel van de werknemers geen profijt heeft van deze faciliteit. Met de arbeidskorting is volgens tabel 1 in het hoofdstuk Budgettaire en inkomensgevolgen van de memorie van toelichting (pagina 57) een bedrag gemoeid van f 7,9 mld.

De vraag van de leden van de CDA-fractie hoe onze argumentatie betreffende het afschaffen van werkelijke-kostenaftrek zich verhoudt met de volgens deze leden gewijzigde visie op de belastbaarheid van door de werkgever verstrekte vergoedingen bespreken wij in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

Het niet meer kunnen aftrekken van kosten bij inkomsten uit arbeid en in box III zal zwartwerken in de hand werken; zien de bewindslieden dit gevaar ook? Ervan uitgaande dat de leden van de CDA-fractie, die deze vraag stellen, hier doelen op enerzijds de afschaffing van de werkelijke-kostenaftrek bij loon uit dienstbetrekking en anderzijds de introductie van een vermogensrendementsheffing, kunnen wij antwoorden dat wij geen aanleiding zien het door de leden als gevolg van deze maatregelen verwachte gevaar van toenemende belastingontwijking te onderschrijven gelet op de totale context van de belastingherziening.

De leden van de fractie van D66 zijn wat verbaasd over de opmerking op blz. 29 van de memorie van toelichting dat door de introductie van de arbeidskorting de band met de werkelijk gemaakte kosten wordt doorgesneden. Het komt deze leden voor dat deze doorsnijding louter het gevolg is van de bewuste keuze het huidige arbeidskostenforfait niet alleen te verlagen maar tegelijkertijd de mogelijkheid van aftrek van werkelijk gemaakte kosten af te schaffen. Dat o.a. uit de opbrengst van deze operatie een arbeidskorting wordt gefinancierd staat daar in hun ogen in principe los van.

Wij hebben er begrip voor dat de leden over deze opmerking in de memorie van toelichting ietwat verbaasd zijn. Beoogd is aan te geven dat op het moment dat er naast een arbeidskostenforfait voor werkenden een zelfstandig fiscaal stimuleringsinstrument in de vorm van een algemene arbeidstoeslag (nader vormgegeven als een belastingkorting) wordt ingevoerd, het thans wetssystematisch aanwezig geachte directe verband tussen het om arbeidsmarktpolitieke redenen opgenomen gedeelte van het arbeidskostenforfait en de aftrekbaarheid van werkelijke kosten definitief wordt doorgesneden. Aan de arbeidskorting ligt nog slechts zijdelings de notie ten grondslag dat men voor het verwerven van inkomsten doorgaans ook zekere kosten maakt. In de arbeidskorting weegt veel zwaarder dat met dit instrument het verrichten van betaald werk (ten opzichte van een uitkering) fors aantrekkelijker wordt gemaakt.

De leden van de fractie van D66 hebben wel begrip voor de overwegingen die ten grondslag liggen aan het voorstel de werkelijk gemaakte kosten die boven de algemene aftrek uitgaan niet langer aftrekbaar te laten zijn, maar houden daar toch nog vragen bij. De werkelijke-kostenaftrek is conflictgevoelig en leidt tot uitvoeringsproblemen en procedures, zo valt te lezen in de Verkenning (blz. 39). Dat is op zichzelf reden om er vanaf te stappen, zo merken zij op.

Echter, de leden van de D66-fractie zijn er nog niet van overtuigd dat bij afschaffing er niet een groep belastingplichtigen zal ontstaan die tussen wal en schip valt. Vooral mensen die deels in loondienst en deels zelfstandig werken zouden huns inziens tekort gedaan kunnen worden ten opzichte van degenen die 100% in loondienst zijn. Wij moeten deze leden antwoorden dat wij niet goed zien hoe deze groep tekort gedaan zou kunnen worden ten opzichte van belastingplichtigen die uitsluitend in loondienst zijn.

Kosten die in het kader van het drijven van een onderneming of in verband met het verrichten van overige werkzaamheden ontstaan, zijn aftrekbaar, en wel volgens de regels zoals deze gelden voor respectievelijk winst uit een onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden.

De leden van de D66-fractie stellen dat wij er voetstoots van uitgaan dat de werkgever wel zal voorzien in de kosten die in betekenende mate boven het maximum van de algemene aftrek uitgaan. Waarop is dit optimisme gebaseerd, zo vragen zij. Ook de leden van de CDA-fractie betrekken een dergelijke stelling door op te merken dat het optimisme dat werkgevers en werknemers er gezamenlijk wel uit zullen komen niet gerechtvaardigd is. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de veronderstelling dat werkgever en werknemer het «samen wel oplossen» reëel is.

Wij willen benadrukken dat dergelijke stellingen op een misverstand moeten berusten. Wij verdedigen niet het standpunt dat «de werkgever wel zal voorzien in de kosten»; wij zijn in dezen optimistisch noch pessimistisch, maar neutraal. De vermelding in de toelichting op artikel 3.3.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 dat waar de werkgever het niet nodig vindt om noodzakelijke kosten voor de dienstbetrekking te vergoeden, geen taak wordt gezien voor de belastingwetgever om alsnog voor dergelijke kosten een tegemoetkoming te verstrekken, geeft dit met zoveel woorden aan. Hiermee wordt tevens op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA gereageerd waarom het verantwoord wordt geacht geen compensatiemogelijkheid te scheppen, in de vorm van een tegenbewijsregeling bijvoorbeeld.

Hoewel de leden van de fracties van GPV en RPF oog hebben voor de argumenten van de regering om de werkelijke-beroepskostenaftrek te laten vervallen, bestaan er hierover bij hen nog wel enkele vragen. Een belangrijk argument dat door de regering wordt genoemd, namelijk dat het slechts gaat om 2% van de werknemers vinden ze niet overtuigend. Betekent dit dat de regering van mening is dat alle aftrekposten waarvan door minder dan 2% van de belastingplichtigen gebruik wordt gemaakt kunnen worden geschrapt? Tevens vinden de genoemde leden het merkwaardig dat het vervallen van de aftrekmogelijkheid voor werkelijke kosten alleen geldt voor werknemers en dat voor ondernemers en degenen die een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genieten (art. 3.4.1.1) wel een ruimere aftrekmogelijkheid blijft bestaan. Kan de regering dit gemaakte onderscheid nader toelichten?

Wij zijn niet van mening dat alle aftrekposten waarvan door minder dan 2% van de belastingplichtigen gebruik wordt gemaakt, kunnen worden geschrapt. In het bijzonder niet, wanneer ook de positieve inkomensbestanddelen waarop de aftrekpost betrekking heeft slechts een gering percentage uitmaken. Maar schrappen van de werkelijke-kostenaftrek in relatie tot looninkomsten achten wij wel goed verdedigbaar.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of het niet onevenwichtig is voor uitgaven van kinderopvang niet dezelfde redenering te volgen als voor de aftrekbaarheid van beroepskosten is gevolgd. Hierbij doelen deze leden op de in de toelichting op artikel 3.3.7 gevolgde redenering. In de toelichting op artikel 3.3.7 is aangegeven dat waar er sprake is van kosten die uitgaan boven het maximum van de algemene aftrek, er vanuit wordt gegaan dat indien deze kosten noodzakelijk zijn voor het vervullen van de dienstbetrekking, hierin door de werkgever zelf wordt voorzien. Waar de werkgever dit niet nodig vindt, bestaat geen taak meer voor de wetgever om voor dergelijke kosten een aftrekmogelijkheid te bieden. De in artikel 3.3.7 bedoelde kosten betreffen kosten die noodzakelijk zijn voor het vervullen van de dienstbetrekking ofwel beroepskosten. Deze kosten vinden hun oorsprong in de dienstbetrekking en zijn daardoor zeer nauw verbonden met de dienstbetrekking. Daarentegen vinden uitgaven voor kinderopvang niet rechtstreeks hun oorsprong in de dienstbetrekking. Hoewel uitgaven voor kinderopvang een relatie hebben met het verrichten van betaalde arbeid, is de band niet dusdanig nauw dat deze kosten kwalificeren als beroepskosten. Daarom is bij uitgaven voor kinderopvang een ander uitgangspunt gehanteerd als bij beroepskosten. Bij uitgaven voor kinderopvang staat centraal dat deze uitgaven aftrekbaar zijn om de deelname aan het arbeidsproces te stimuleren.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen de regering wat zij van de suggestie vindt om de voorgestelde arbeidskorting naar beneden bij te stellen en de resterende middelen in te zetten voor bijvoorbeeld verhoging van de algemene heffingskorting. Zij vragen of daarmee niet meer recht wordt gedaan aan huishoudens waar sprake is van een eenverdienersituatie.

Hoewel wij de suggestie van deze leden, zeker ook in het licht van hun levensovertuiging, goed kunnen plaatsen, zal de regering toch niet op deze suggestie ingaan, omdat bewust is gekozen voor de arbeidskorting als instrument voor vergroting van het arbeidsaanbod, waarbij wij overigens wel wensen aan te tekenen dat wij wel degelijk ook oog hebben voor de situatie van de alleenverdiener. Ook bij de verkenning die thans plaatsvindt naar de mogelijkheden om de positie van de middeninkomens te verbeteren wordt met nadruk naar de inkomenspositie van de alleenverdiener gekeken.

De leden van de PvdA-fractie vragen of bij samenloop van belastbaar loon en resultaat uit overige werkzaamheden kosten, voorzover zij niet exclusief aan één van beide bronnen kunnen worden toegerekend, over de bronnen moeten worden verdeeld.

Ingevolge de rangorderegeling van artikel 2.4.1, eerste lid, van het wetsvoorstel worden voordelen die bij meer dan één bron in de heffing kunnen worden betrokken, bij de eerstgenoemde bron in aanmerking genomen. Het begrip voordelen dient daarbij te worden opgevat als inkomsten verminderd met de daarop betrekking hebbende kosten. Kosten zijn de uitgaven buiten de privé-sfeer die noodzakelijk zijn om de inkomsten te verwerven. Bij het bepalen van het bedrag aan voordelen uit een bron is het voor die bron geldende regime van toepassing. Indien bepaalde inkomsten zijn vrijgesteld of uitgaven in aftrek zijn beperkt, kunnen deze inkomsten en uitgaven niet in aanmerking worden genomen bij een volgende bron.

Het is mogelijk dat een bepaalde uitgave als kosten van meer dan één van de op de hierboven wijze onderscheiden bronnen kan worden aangemerkt. Een voorbeeld hiervan is vakliteratuur die een auteur zowel voor zijn dienstbetrekking als voor zijn werkzaamheid als free-lance auteur raadpleegt. Deze uitgave zal zoveel mogelijk als kosten aan de bronnen moeten worden toegerekend. In beginsel zou daarbij de toerekening moeten plaatsvinden op basis van het voor de desbetreffende bronnen afgeworpen nut. In de praktijk zal een dergelijke toerekening vaak niet mogelijk of niet uitvoerbaar zijn. In dat geval kan worden aangesloten bij een andere verdeelsleutel, zoals bijvoorbeeld de uit de desbetreffende bronnen verkregen inkomsten.

De leden van de CDA-fractie vinden onze in het nader rapport (kamerstukken II 1998/99, 26 727, A, punt 56) gegeven onderbouwing voor het niet tot het loonbegrip voor de loonbelasting rekenen van het voordeel in verband met een ook voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto weinig overtuigend. Zou het in de loonbelasting betrekken van dit voordeel, zo vragen zij, niet grote nabetalingen in de sfeer van de inkomstenbelasting en fraude voorkomen. Graag vestigen wij er de aandacht op dat in het kader van de voorbereiding van de onderhavige belastingherziening de wenselijkheid van het eventueel onder de loonbelasting rangschikken van het hier bedoelde voordeel uitvoerig is besproken met de organisaties van het bedrijfsleven. Deze hebben ervoor gepleit dit niet te doen omdat aldus een belangrijke administratieve lastenverzwaring voor het bedrijfsleven wordt voorkomen. Werkgevers voelen zich niet betrokken bij het daadwerkelijke privé-gebruik dat werknemers van de auto van de zaak maken. Hiermee is tevens een deel van de argumentatie aangegeven waarom wij de suggestie van de leden, verwoord in paragraaf 4.1.3 van het verslag, over het in de eindheffing van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 betrekken van de helft van het autokostenforfait niet volgen. Voorts zou een (gedeeltelijke) eindheffing ten onrechte geen doorwerking hebben naar de inkomensafhankelijke regelingen.

Wij zijn het niet eens met de opmerking van de leden van de CDA-fractie dat het argument van conflictgevoeligheid door ons selectief is gebruikt. Naar aanleiding van de in dit verband door deze leden gemaakte opmerking over de voorgestelde regeling van het privé-gebruik auto wijzen wij erop dat in het regeerakkoord is neergelegd dat deze regeling beter moet aansluiten op het feitelijke privé-gebruik waarop fiscaal thans nauwelijks een rem zit. Bij de vormgeving van de voorgestelde regeling is de kans op conflicten beperkt door te werken met een gering aantal klassen privé-gebruik, waarbij «sprongen» in de bijtelling – afgezien van de eerste sprong bij een privé-gebruik van 500 kilometer – beperkt zijn gehouden. Naar aanleiding van de opmerking van deze leden over de integrale kostenaftrek bij het resultaat uit overige werkzaamheden, merken wij op dat kostenaftrek voortvloeit uit de overeenkomstige toepassing van het begrip totale winst. Bij diverse kosten worden conflicten overigens voorkomen doordat de artikelen 3.2.2.5 tot en met 3.2.2.8a bij de bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden van overeenkomstige toepassing zijn.

4.2.2. Resultaat uit overige werkzaamheden

De leden van de CDA-fractie achten het van overeenkomstige toepassing verklaren van bepalingen uit de winstsfeer ten aanzien van het resultaat uit overige werkzaamheden eenzijdig. Zij voeren aan dat de voor de belastingplichtige verzwarende artikelen van toepassing worden verklaard, maar de ondernemersfaciliteiten, zoals landbouwvrijstelling, de willekeurige afschrijving, de investeringsaftrek, de vervangingsreserve en de kostenegalisatiereserve, niet. Deze leden wijzen erop dat als gevolg van de redactie van artikel 3.4.2.1 positieve en negatieve voordelen worden belast die worden behaald op (de vervreemding of onttrekking van) vermogensbestanddelen die worden gebruikt bij het behalen van het resultaat uit overige werkzaamheden. Daarbij worden ook autonome waardestijgingen die niet het directe gevolg zijn van de verrichte werkzaamheid, in de heffing betrokken. Zij vragen op dit punt om een reactie. De leden van de VVD-fractie vragen om een reactie op een vergelijkbaar betoog van de Orde. De leden van de PvdA-fractie vragen meer specifiek waarom de doorschuiffaciliteit van artikel 3.2.2.52 niet van toepassing is.

Naar ons oordeel is het van toepassing verklaren van het winstregime op het resultaat uit overige werkzaamheden niet onevenwichtig. Dit kan worden verduidelijkt door een onderscheid te maken tussen de verschillende situaties die onder het voorgestelde regime van resultaat uit overige werkzaamheden vallen. Dit betreft de inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de inkomsten die als gevolg van de anti-arbitragemaatregelen in het resultaat uit overige werkzaamheden worden betrokken.

Voor de personen die inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking genieten betekent het van toepassing verklaren van het winstregime enerzijds dat zij gemaakte kosten in aftrek kunnen brengen. Daar staat tegenover dat alle voordelen uit de werkzaamheid in aanmerking moeten worden genomen, ook die welke het gevolg zijn van waardeveranderingen van vermogensbestanddelen. In die zin is dus sprake van een meer evenwichtige belastingheffing dan onder de huidige wet. Dat waardeveranderingen van vermogensbestanddelen die worden aangewend voor de werkzaamheid in de heffing worden betrokken, ligt mede voor de hand omdat waardeveranderingen, die zowel positief als negatief kunnen zijn, als een (gedeeltelijke) correctie op eerder genomen kosten (met name afschrijvingen en onderhoud) kunnen worden beschouwd. Gelet op de aard van de inkomsten zullen de vermogensbestanddelen ofwel van geringe betekenis zijn, denk aan de computer van een auteur, ofwel het karakter van voorraad hebben, denk aan de panden van de onroerend goed handelaar. In het laatste geval is het in de heffing betrekken van het verschil tussen de aan- en verkoopprijs vanzelfsprekend. Door het toepassen van goed koopmansgebruik wordt een juiste toedeling van baten en lasten aan de heffingstijdvakken bereikt. Na een zekere gewennings- en aanpassingsperiode zal dit regime dan ook tot een vereenvoudiging leiden en bijdragen aan het afnemen van geschillen. De ervaring leert immers dat er over toedeling van kosten veel minder geschillen ontstaan dan over een jaarlijks terugkerende vraag of kosten aftrekbaar zijn of niet.

Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt niet op dezelfde wijze belast als winst uit onderneming, omdat het niet voortvloeit uit een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid. Er is dan ook weinig reden voor de toepassing van de ondernemings- en ondernemersfaciliteiten die immers gericht zijn op de continuïteit van de onderneming. Zo is er voor doorschuiffacilitieten geen reden omdat er geen sprake is van een onderneming die als zelfstandige organisatie kan worden overgedragen.

De gedachte van de leden van de CDA-fractie dat het van toepassing verklaren van de vervangingsreserve en de kostenegalisatiereserve een verzachting zou betekenen voor de afrekening over stille reserves bij het beëindigen van de werkzaamheid, onderschrijven wij niet. Bij staking moeten deze reserves immers in de winst worden opgenomen.

Wij zijn het met de leden van de fracties van de VVD en het CDA eens dat naast inkomsten die onder het resultaat uit overige werkzaamheden vallen, ook inkomsten die worden belast in de sfeer van belastbaar loon, kunnen fluctueren en niet bij voorbaat zeker zijn. Deze leden noemen verkoopbonussen, commissiegelden en dergelijke. Het kenmerkende onderscheid tussen deze inkomsten en inkomsten die onder het resultaat uit overige werkzaamheden vallen, is echter dat ze worden verkregen uit een dienstbetrekking.

Voor de anti-arbitragemaatregelen ligt het van toepassing verklaren van het winstregime voor de hand omdat daarmee in beginsel evenwicht ontstaat tussen het tarief en de grondslag bij degene die de vergoeding voor de terbeschikkingstelling ontvangt en degene die de vergoeding in aftrek brengt. De vraag van de leden van de PvdA-fractie in dit verband of het niet voldoende zou zijn om slechts de ontvangen vergoeding in het resultaat uit overige werkzaamheden te betrekken, beantwoorden wij ontkennend. Indien het desbetreffende vermogensbestanddeel rechtstreeks tot het vermogen van de onderneming zou behoren, zou een waardeverandering van het vermogensbestanddeel eveneens – als winst uit onderneming – in aanmerking zijn genomen. Een ander aspect dat in dit kader van belang is, is dat door het van overeenkomstige toepassing verklaren van het winstregime, de aan de vermogensbestanddelen of de daarop ontvangen vergoeding toe te rekenen kosten, zoals financieringsrente, afschrijvingen en onderhoud, in mindering kunnen worden gebracht.

De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie omtrent de verplichting om af te rekenen over een eventuele meerwaarde in een pand dat aan de huisgenoot/ondernemer is verhuurd, als partners scheiden of de samenwoning beëindigen en als de huisgenoot/ondernemer de onderneming staakt of vervreemdt. De leden van de PvdA-fractie vragen of het ophouden van het verhuren van een pand aan de onderneming van een echtgenoot, leidt tot een verplichte afrekening. De leden van de fracties van het CDA en D66 vragen hoe wordt omgegaan met deze verplichting om af te rekenen, indien de ondernemer zijn onderneming omzet in een vennootschap. De leden van de CDA-fractie vragen of dan niet een doorschuiffaciliteit als die van artikel 3.2.2.52 van toepassing moet zijn.

Wij onderkennen dat in een deel van de genoemde gevallen de verplichting om af te rekenen onredelijk kan uitwerken. Zo is het mogelijk dat bij scheiding of overlijden, de ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen overgaan naar de ondernemer omdat hij de vermogensbestanddelen nodig heeft voor zijn onderneming. In een dergelijk geval lijkt een geruisloze doorschuiving redelijk. Bij de meesleep- en meetrekregeling van het aanmerkelijk belang zijn de mogelijkheden voor een geruisloze doorschuiving in de genoemde gevallen ruimer. Wij zijn dan ook bereid te bezien of het wenselijk is om het aanmerkelijkbelangregime en het regime voor personen die onder artikel 3.4.1.2, eerste lid, onderdelen b en c vallen, op het punt van de doorschuiffaciliteiten meer op elkaar af te stemmen.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen voorts wat de rechtvaardiging is voor het onthouden van de ondernemersfaciliteiten aan degenen die door de anti-arbitragemaatregelen in het resultaat uit overige werkzaamheden worden betrokken.

Ons antwoord hierop is, dat het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een onderneming op zichzelf beschouwd niet als een onderneming kan worden aangemerkt. Het betreft immers een vorm van rendabel maken van vermogen die alleen vanwege arbitragemogelijkheden wordt betrokken in het resultaat uit overige werkzaamheden in plaats van in box III. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is uiteengezet, dienen naar ons oordeel alleen «echte» ondernemers in aanmerking te komen voor de ondernemersfaciliteiten. Ook medegerechtigden tot een onderneming in de zin van artikel 3.2.1.1a komen niet in aanmerking voor ondernemersfaciliteiten als de investeringsaftrek, willekeurige afschrijvingen en de scholingsaftrek.Wij zien geen reden om de groep belastingplichtigen die vanwege arbitragemogelijkheden wordt betrokken in het resultaat uit overige werkzaamheden, in dit opzicht gunstiger te behandelen dan medegerechtigden tot een onderneming.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het betrekken van het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen in het resultaat uit overige werkzaamheden, de structuur van het inkomensbegrip in het wetsvoorstel geweld aandoet en verzoeken om deze maatregel ongedaan te maken. Ook is het in hun ogen zeer de vraag of de maatregel wel nodig is, aangezien belastingplichtigen niet of nauwelijks tot arbitrage zullen overgaan doordat zij in box III geen kosten en omzetbelasting in aftrek kunnen brengen.

Zoals in de toelichting bij het wetsvoorstel is opgemerkt worden vermogensbestanddelen die ter beschikking worden gesteld aan de onderneming van personen die tot het huishouden van de belastingplichtige behoren, door wetsfictie in het resultaat uit overige werkzaamheden betrokken om ongewenste arbitrage tegen te gaan. Bij het aanmerkelijkbelangregime is met de meetrekregeling van artikel 4.3.5 een soortgelijke maatregel getroffen. Het achterwege laten van deze maatregelen zou leiden tot de mogelijkheid voor belastingplichtigen om op een gekunstelde wijze inkomensbestanddelen die in feite behoren tot de grondslag van box I en box II, over te brengen naar box III. Naast een tariefvoordeel kan deze overbrenging door het aansluiten bij een forfaitair rendement in box III leiden tot een lagere heffingsgrondslag.

Wij zijn het met de leden van de CDA-fractie eens dat de ondernemer in een aantal gevallen niet snel geneigd zal zijn om de aanschaf van vermogensbestanddelen buiten de onderneming via de gelieerde persoon te laten lopen, aangezien de gelieerde persoon geen aftrek van kosten en omzetbelasting zou hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval bij panden met achterstallig onderhoud en machines. In veel andere gevallen is het echter wel aantrekkelijk om tot arbitrage over te gaan, zoals bij nieuwe panden die geen achterstallig onderhoud hebben en bij het lenen van geld. Tegen die achtergrond zijn de anti-arbitragemaatregelen van dit wetsvoorstel dan ook op hun plaats.

De leden van de CDA-fractie hebben bezwaar tegen het begrip «genereren» zoals dat is gebruikt in artikel 3.4.1.1 en stellen een alternatief voor.

Omdat voor de redactie van dit artikel aansluiting is gezocht bij de rangorderegeling van artikel 2.4.1, tweede lid, van het voorstel van wet, zien wij geen aanleiding de tekst op dit punt aan te passen.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA verwijzen naar de opmerking in de toelichting bij artikel 3.4.1.2, eerste lid, onderdelen b en c, van het voorstel van wet, dat incidentele gevallen van gering belang niet kwalificeren als het rendabel maken van vermogensbestanddelen en derhalve niet onder het resultaat uit overige werkzaamheden vallen. Deze leden vragen om een toelichting op deze opmerking.

Een terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen kwalificeert eerst als een werkzaamheid indien hiermee vermogen rendabel wordt gemaakt. Met de door deze leden aangehaalde opmerking in de toelichting wordt gedoeld op gevallen waarin geen sprake is van het rendabel maken van vermogen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de situatie dat een ondernemer tegen een kleine vergoeding gebruik mag maken van de privé-auto van een huisgenoot.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen verder wanneer sprake is van werkzaamheden van dezelfde aard als bedoeld in het artikel 3.4.1.2, derde lid.

Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. In de toelichting is hieromtrent reeds een voorbeeld opgenomen. Hieruit blijkt dat op dit punt kan worden gedacht aan werkzaamheden die in elkaars verlengde liggen of werkzaamheden die elkaar logisch aanvullen. Op de vraag van deze leden waar de grens ligt tussen zodanige werkzaamheden en het drijven van een onderneming, kunnen wij hen antwoorden dat een dergelijke grens niet op voorhand valt te trekken. Op dit punt kan in voorkomend geval aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie met betrekking tot de afbakening tussen het regime van inkomsten uit andere arbeid en het winstregime onder de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De leden van de fracties van het CDA en D66 vragen of het van toepassing verklaren van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het begrip goed koopmansgebruik niet een aanzienlijke verzwaring van de administratieve lasten voor belastingplichtige met zich meebrengt.

Natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in de artikelen 3.4.1.1 en 3.4.1.2 verrichten zullen – net als de belastingplichtigen die onder het winstregime vallen – de aangifte- en informatieverplichtingen slechts naar behoren kunnen nakomen, indien zij kunnen steunen op een, afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheid ingerichte, administratie. Eenvoudig gezegd, wie slechts enkele opdrachtgevers heeft en niet veel kosten maakt, kan volstaan met een eenvoudige administratie die niet of nauwelijks zal afwijken van wat veel particulieren thans al hebben. Gezien het van overeenkomstige toepassing zijn van een aantal bepalingen uit het winstregime – die zowel rechten als verplichtingen omvatten – ligt het, dit in antwoord op een vraag van deze leden, voor de hand dat ook belastingplichtigen met resultaat uit overige werkzaamheden aan de adminstratieve verplichtingen op grond van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moeten voldoen.

De omvang van de administratieplicht wordt bepaald door het uitgangspunt dat de gegevens die voor de belastingheffing over het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden van belang zijn uit de administratie moeten kunnen blijken. Deze omvang wordt bepaald door de concrete omstandigheden van het geval en is mede afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheid.

In het door de leden van de CDA-fractie genoemde voorbeeld van een werknemer die naast zijn dienstbetrekking incidenteel een artikel publiceert en daarvoor een vergoeding ontvangt van een uitgever, zullen in de praktijk, evenals voor kleine ondernemers, geen zware eisen gesteld worden aan de administratie. Een eenvoudige vastlegging van de baten en lasten en het bewaren van de relevante bescheiden en gegevensdragers is doorgaans voldoende.

De leden van de fracties van de VVD, het CDA en D66 vragen zich af wanneer een administratie op kasbasis kan worden gevoerd.

Zoals hiervoor vermeld, wordt voor de bepaling van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de fiscale behandeling van winst uit onderneming. Daarmee gelden voor het resultaat uit overige werkzaamheden dezelfde criteria die binnen de winstsfeer gelden voor voeren van een administratie op kasbasis. Alleen in het geval de werkzaamheden een bescheiden omvang hebben en zich van jaar op jaar geen grote verschillen in de vorderingen en schulden voordoen, kan een eenvoudige administratie op basis van het kasstelsel worden bijgehouden.

Deze leden merken verder op dat juist bij de bron resultaat uit overige werkzaamheden niet altijd van aanvang af voor de belastingplichtige duidelijk zal zijn dat zijn activiteiten onder die bron vallen, en daarmee de kans bestaat dat hij niet van aanvang af aan de administratieve verplichtingen voldoet en vragen af of de inspecteur dan een beroep kan doen op omkering van de bewijslast.

Deze vrees delen wij niet, aangezien het voor belastingplichtige doorgaans duidelijk is dat een vergoeding voor werkzaamheden voor hem een belaste bate vormt en, als het resultaat uit overige werkzaamheden betreft, administratieve verplichtingen ontstaan. Bij twijfel kan eventueel contact worden opgenomen met de inspecteur. Als de belastingplichtige administratieplichtig is en niet volledig aan de administratieve verplichtingen is voldaan, komt op hem de bewijslast te rusten dat de aanslag of de beschikking onjuist is.

De mening van de leden van de CDA-fractie dat het leerstuk van goed koopmansgebruik niet zonder meer kan worden toegepast binnen een andere categorie inkomen en dat aanzienlijke interpretatiemoeilijkheden ontstaan, delen wij niet. Het leerstuk van goed koopmansgebruik ziet op een juiste toedeling van baten en lasten aan het tijdvak waarop deze betrekking hebben. Wij zien niet in waarom zich bij die toedeling bij resultaat uit overige werkzaamheden heel andere problemen zouden voordoen dan bij winst uit onderneming. Ook de waardering van activa en passiva en de vermogensetikettering – zo kunnen wij deze leden beantwoorden – zal plaatsvinden overeenkomstig de regels zoals die bij winst uit onderneming gelden.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen of wij zijn teruggekomen van het standpunt dat belastingheffing bij fusies niet achterwege wordt gelaten in de situatie waarin de aandelenruil bij de aandeelhouder zou leiden tot inkomsten uit andere arbeid.

Indertijd is opgemerkt (Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 7, blz. 9) dat een dergelijke situatie zich in de praktijk niet snel zal voordoen en dat het niet de bedoeling van de richtlijn kan zijn om aandelentransacties met voorwetenschap te faciliëren. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 blijft dit standpunt van kracht. Onder de voorgestelde Wet inkomstenbelasting 2001 wordt het mogelijk dat aandelen langdurig tot het vermogen van een overige werkzaamheid behoren, waarbij op grond van de fusierichtlijn de bepalingen inzake aandelenfusie, juridische fusie en juridische splitsing van overeenkomstige toepassing dienen te zijn.

De leden van de genoemde fracties vragen nog of de faciliteit van fusie en splitsing onder het thans geldende wettelijke systeem op alle vormen van vervreemding van aandelen wordt toegepast.

Omdat ons niet duidelijk is welke concrete problematiek deze leden hierbij voor ogen hebben, menen wij te mogen verwijzen naar de uitvoerige behandeling in het parlement van de bepalingen inzake aandelenfusie, juridische fusie en juridische splitsing, onder meer bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 17 juni 1998, Stb. 350.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen waarom niet is voorzien in een doorschuiffaciliteit voor de overgang van winst uit onderneming naar resultaat uit overige werkzaamheden.

Bij een overgang van resultaat uit overige werkzaamheden naar ondernemerschap vindt, zoals deze leden constateren, op grond van het wetsvoorstel geruisloze doorschuiving plaats. Daaraan ligt onder meer de gedachte ten grondslag dat een zodanige overgang vanuit het oogpunt van het stimuleren van het ondernemerschap niet dient te worden belemmerd. Voor een dergelijke regeling bestaat in de omgekeerde situatie echter weinig reden. Ten eerste zal in die situatie in het algemeen sprake zijn van een duurzame inkrimping van de onderneming. Een dergelijke inkrimping leidt volgens de jurisprudentie tot een (gedeeltelijke) staking van de onderneming. Ten tweede zal zich een situatie waarbij van winst uit onderneming wordt overgegaan naar resultaat uit overige werkzaamheden niet vaak voordoen. De ondernemer zal vaak ondernemer blijven of als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming in de zin van artikel 3.2.1.1a worden aangemerkt.

Deze leden vragen verder waarom in het wetsvoorstel geruisloze doorschuiving verplicht wordt gesteld, en niet de mogelijkheid wordt geboden te kiezen tussen een geruisloze doorschuiving en afrekening bij overgang van een werkzaamheid in een onderneming.

Het antwoord daarop is, dat het slechts in uitzonderlijke situaties voor een belastingplichtige voordelig is te opteren voor een afrekening. Daarnaast zou de mogelijkheid om af te rekenen afbreuk doen aan de gedachte van een vloeiende overgang van resultaat uit een werkzaamheid naar winst uit onderneming.

De vraag van de leden van de CDA-fractie naar de geldingskracht van de criteria («deelname aan het economische verkeer» en «het voordeel moet beoogd en redelijkerwijs te verwachten zijn») is beantwoord in paragraaf 1.3.1.

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie omtrent de stakende werknemer, kunnen wij antwoorden dat uitkeringen uit een stakingskas ingevolge artikel 3.2.2.4, eerste lid, onderdeel f, van het voorstel van wet niet tot de grondslag van het resultaat uit overige werkzaamheden behoren.

De leden van de CDA-fractie vragen of in het wetsvoorstel personen met een semi-dienstbetrekking, zoals politieke en geestelijke ambtsdragers, hun niet gebruikte onkostenvergoedingen tot het resultaat uit overige werkzaamheden moeten rekenen en of niet een regeling voor pensioenrechten moet worden getroffen.

Onder het resultaat uit overige werkzaamheden worden alle voordelen uit de werkzaamheid, dus ook onkostenvergoedingen, voor het gehele bedrag, tot het resultaat gerekend. Daar staat tegenover dat de werkelijk gemaakte kosten in aftrek komen. Per saldo wordt derhalve het verschil tussen de onkostenvergoeding en de gemaakte kosten in de heffing betrokken. Verder is artikel 3.2.2.4, eerste lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op het resultaat uit overige werkzaamheden. Daarin worden aanspraken die berusten op een pensioenregeling vrijgesteld.

De genoemde personen kunnen verder opteren voor een fictieve dienstbetrekking (artikel 4, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 2g van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965). Dan zijn de bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing waaronder de bepalingen omtrent de kostenvergoedingen en de behandeling van pensioenen.

In artikel 3.4.1.2, eerste lid, onderdelen b en c, is bepaald dat vermogensbestanddelen die ter beschikking worden gesteld aan de onderneming van personen die tot huishouden van de belastingplichtige behoren, in het resultaat uit overige werkzaamheden worden betrokken. De leden van de fracties van de PvdA, het CDA, D66, het GPV en de RPF vragen of het verstrekken van een lening aan een thuiswonend kind, die thans als Agaathlening wordt aangemerkt, op grond van die bepaling onder het resultaat uit overige werkzaamheden valt.

Een dergelijke lening valt in beginsel onder de in artikel 3.4.1.2, eerste lid, onderdelen b en c getroffen anti-arbitrage maatregelen. Bij die maatregelen is gekozen voor de groep personen die tot het huishouden van de ondernemer behoren, omdat vermogensverschuivingen tussen die personen relatief eenvoudig zijn te realiseren. Dit geldt in beginsel ook voor thuiswonende kinderen.

Zoals in het algemeen deel van de toelichting (blz. 38) bij het wetsvoorstel is vermeld, zal in de voorstellen voor ondernemers in de 21e eeuw een kaderregeling voor maatschappelijke beleggingen worden geïntroduceerd. De gedachten gaan ernaar uit om ook de fiscale faciliëring van de Agaathlening daarin op te nemen. Aan de uitwerking van de regeling wordt thans gewerkt. Daarbij kan het betrekken van een Agaathlening aan een thuiswonend kind in het resultaat uit overige werkzaamheden, nader worden bekeken.

Voorts zijn wij bereid te bezien in hoeverre het wenselijk is om voor bestaande tante Agaathleningen aan inwonende kinderen overgangsmaatregelen te treffen.

De leden van de D66-fractie vragen waarom de scholingsaftrek en de ondernemersaftrek niet van toepassing zijn voor het resultaat uit overige werkzaamheden. In dit verband verwijzen wij naar de passage aan het begin van deze paragraaf, waar is uiteengezet waarom de ondernemingsfaciliteiten niet van toepassing zijn verklaard.

De leden van de fracties van het CDA en D66 vragen hoe het ter beschikking stellen van vermogen door de ondernemer zelf aan zijn onderneming wordt behandeld en waarom de ondernemer kan kiezen om vermogensbestanddelen tot het ondernemingsvermogen te laten behoren, terwijl zijn partner die vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan onderneming van de belastingplichtige, die keuzemogelijkheid niet heeft. De leden van de CDA-fractie vragen of een vermogenswinst op het privé-vermogen dat een ondernemer aan zijn onderneming ter beschikking stelt, niet ook in de heffing moet worden betrokken.

De mogelijkheid voor een ondernemer om vermogensbestanddelen die hij aanwendt voor zijn onderneming als ondernemingsvermogen of als privé-vermogen aan te merken, wordt beheerst door het in de jurisprudentie ontwikkelde leerstuk van de vermogensetikettering. Volgens dit leerstuk zijn de keuzemogelijkheden voor de ondernemer beperkt. Alleen voor zogeheten keuzevermogen heeft hij een keuzemogelijkheid. Voor het overgrote deel van de vermogensbestanddelen staat onomwonden vast dat dit hetzij verplicht ondernemingsvermogen, hetzij verplicht privé-vermogen is. Er is voor gekozen om geen wettelijke bepalingen omtrent het leerstuk van de vermogensetikettering op te nemen. Zoals in punt 22 van het nader rapport aan de Koningin is opgemerkt, zou dit geen recht doen aan de verscheidenheid van de ondernemingen en de ondernemers en zouden de bepalingen de ondernemer de vrijheid ontnemen om zich te kunnen aanpassen aan maatschappelijke ontwikkelingen. Het belangrijkste voorbeeld van een vermogensbestanddeel dat als keuzevermogen wordt aangemerkt, is het pand voor gemengd gebruik, als woning en als bedrijfspand. Indien de ondernemer dit pand tot zijn privé-vermogen rekent zal hij slechts het deel van de kosten van het pand dat betrekking heeft op het bedrijfsgedeelte, op zijn ondernemingswinst in mindering kunnen brengen.

De leden van de CDA-fractie vragen of het ter beschikking stellen van een deel van een monumentenpand aan de onderneming van de samenwonende partner, leidt tot splitsing van de aftrekbare kosten, namelijk een deel dat bij de persoonsgebonden aftrek en een deel dat bij het resultaat uit overige werkzaamheden in aftrek komt.

Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. Indien het voor de onderneming gebruikte deel van het pand niet als zelfstandig deel kan worden onderscheiden, zullen de kosten op basis van bijvoorbeeld de oppervlakte van het ter beschikking gestelde bedrijfsgedeelte aan de werkzaamheid moeten worden toegerekend.

Verder vragen deze leden of deze splitsing van kosten ook geldt indien de eigen woning ten dele wordt gebruikt voor de onderneming van de partner die geen eigenaar is van de woning en of in dat geval het gehele huis of het alleen het ter beschikking gestelde bedrijfsgedeelte in het resultaat uit overige werkzaamheden wordt betrokken.

Zoals in de tekst van artikel 3.4.1.2, eerste lid, onderdeel b, is vermeld wordt een vermogensbestanddeel alleen in het resultaat uit overige werkzaamheden betrokken «voorzover» dat ter beschikking wordt gesteld aan de onderneming van een huisgenoot. Dit gedeelte wordt verplicht vermogen van de werkzaamheid. De kosten dienen, zoals hiervoor opgemerkt, te worden gesplitst en aan de werkzaamheid te worden toegerekend De vraag van deze leden of de uitvoering van de wet door deze splitsing niet te zeer wordt belast, beantwoorden wij ontkennend. Naar verwachting zal het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen, onder meer vanwege de anti-arbitragemaatregelen, slechts in een beperkt aantal gevallen zal voorkomen en in de gevallen dat wel gesplitst moet worden, de uitvoering daarvan niet zal afwijken van de splitsing van kosten door de ondernemer zelf.

4.2.3. Loon

De vraag van de leden van de PvdA-fractie of hun indruk juist is dat de verstrekking van een Agaathlening door een thuiswonend kind wordt belast in box I, wordt beantwoord in paragraaf 4.2.2.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat werknemers in de grensstreek bij een verschuiving van de heffing naar het werkland onder de belastingherziening wel de hogere indirecte belastingen zouden betalen maar niet de lagere directe belastingen zouden genieten. Voorts vragen zij of deze constatering reden geeft tot nadere maatregelen. Uit onze brief van 13 augustus 1997, nr. AFP97/207 (inventarisatie grensarbeidersproblematiek), komt naar voren dat bij de beoordeling van de positie van grensarbeiders rekening moet worden gehouden met zeer veel factoren, zowel op het vlak van de belastingheffing als de premieheffing. De constatering dat een verschuiving van de heffing naar het werkland voor werknemers in de grensstreek (welke verschuiving zich overigens alleen in de relatie met België, waarin thans een woonstaatheffing geldt, voor zou kunnen doen) onder de Wet IB 2001 mee zou brengen dat zij de hogere indirecte belastingen gaan betalen en niet van de lagere directe belastingen genieten, moet dan ook, hoewel op zich zelf bezien juist, in het totale kader worden bezien. Nadere maatregelen in de Wet IB 2001 worden niet overwogen. Wel merken wij in dit verband nog op dat het vorenstaande wat betreft grensarbeid niet geheel los gezien kan worden van de positie van grensarbeiders in een nieuw belastingverdrag tussen Nederland en België. Zie in dat verband mijn brief van 18 november, nr. IFZ1999/2285 M. In deze brief wordt tevens ingegaan op de laatste stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over een nieuw belastingverdrag met België, waarnaar door de leden van de fractie van GroenLinks wordt gevraagd.

Voorts wensen de leden van de PvdA-fractie in dit verband een toelichting op de vraag in hoeverre artikel 3.7.1, onderdeel c, voor grensarbeiders leidt tot beperkingen, daar waar in het huidige stelsel aftrek van premies van een partner die uitsluitend buitenlands inkomen geniet bij de andere partner plaats kan vinden. Vooropgesteld moet worden dat de toerekeningsregeling waarop deze leden doelen (Besluit van 1 augustus 1991, nr. IFZ91/432, nadien gewijzigd bij Besluit van 31 januari 1996, nr. DB96/357M) alleen geldt voor niet-verzelfstandige inkomensbestanddelen, terwijl premies als bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel c, onder het huidige stelsel persoonlijke verminderingen van het onzuiver inkomen betreffen. Indien dergelijke premies derhalve worden betaald door een belastingplichtige met uitsluitend buitenlands inkomen, dan leidt dat voor hem niet tot een directe belastingvermindering.

De Wet IB 2001 brengt in dit opzicht geen wijziging omdat dergelijke premies ingevolge artikel 2.4.4, eerste lid, uitsluitend in aanmerking worden genomen bij degene op wie zij drukken. Zowel onder het huidige stelsel als onder de Wet IB 2001 zou dit gevolg ook gaan gelden voor grensarbeiders indien de heffing over het arbeidsinkomen verschuift naar het werkland. Ook in dit verband zij verwezen naar hetgeen wij hiervóór hebben opgemerkt over de negatieve inkomenseffecten voor grensarbeiders bij een nieuw belastingverdrag tussen Nederland en België.

De vragen van leden van de CDA-fractie over de zogenoemde 35%-regeling en over de in de Invoeringswet voorgestelde bepaling van artikel 15, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, bespreken wij in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet.

De leden van de PvdA-fractie vragen om een overzicht van de punten waarbij wordt verwezen naar nadere regelgeving. Hiervoor verwijzen we naar het in paragraaf 1.1. gegeven overzicht van de artikelen waarin wordt verwezen naar bij Algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

De leden van de fractie van de PvdA, van de VVD en van GroenLinks vragen naar de coördinatie van het loonbegrip. De leden van de PvdA fractie memoreren dat zij van verschillende kanten hebben vernomen dat het een gemiste kans zou zijn dat de regering dit moment niet heeft benut om te komen tot een verdere coördinatie van het loonbegrip en vragen om commentaar op deze zienswijze. De VVD-fractie vraagt wanneer een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden waarbij de coördinatie van het loonbegrip zal worden vormgegeven. De VVD-fractie is van mening dat als de regering in staat is een wetsvoorstel van het formaat van het onderhavige wetsvoorstel af te leveren, zij zeker in staat moet zijn te komen tot coördinatie van het loonbegrip enerzijds en dat van de premieheffing anderzijds. De VVD-fractie vindt het bizar dat dit nog niet tot stand is gekomen en vraagt hoe lang de regering nog nodig denkt te hebben om het ijzeren gordijn tussen het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid af te breken. De VVD-fractie stelt dat als wij met zijn allen streven naar eenvoud in de wetgeving dit zeker op dit terrein waargemaakt kan worden. Ook volgens de fractie van GroenLinks zou werkelijk belangrijke vereenvoudigingswinst behaald kunnen worden via coördinatie van het loonbegrip. De op dit punt zeer nieuwsgierige leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer het kabinet dit ter hand neemt.

Wij onderschrijven de noodzaak tot een zo groot mogelijke coördinatie van het loonbegrip voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen aan de ene kant en het loonbegrip voor de werknemersverzekeringen aan de andere kant met name vanuit een oogpunt van eenvoud en lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Het streven is er dan ook steeds op gericht en dat geldt in feite al vanaf 1953, om nieuwe wetgeving zo veel mogelijk te coördineren. Dit streven moet mede worden bezien vanuit hetoogpunt van uniformering van premieloon en uitkeringsloon Een herijking is zeker op zijn plaats. Op dit moment is vanuit de Commissie Administratieve Lasten (CAL) de Werkgroep Loonbegrip onder voorzitterschap van drs. H. de Boer (voorzitter van MKB-Nederland) geformeerd met het doel om te komen tot een zo uniform mogelijk loonbegrip. In deze werkgroep zijn naast het bedrijfsleven, wetenschap en CAL ook de ministeries van EZ, SZW en Fi, alsmede het LISV vertegenwoordigd. De planning van de commissie is nog dit jaar de laatste plenaire vergadering te houden om daarna met een beknopt eindrapport te komen. Het ligt in de bedoeling dat dit rapport suggesties zal bevatten voor meer coördinatie op de korte termijn en een verkenning van de mogelijkheden en randvoorwaarden om op iets langere termijn tot meer afstemming te komen. Naar aanleiding van dit rapport zal het kabinet een standpunt bepalen en afhankelijk van de gekozen oplossingsrichtingen de termijn aangeven waarop een en ander kan worden geëffectueerd. Onze inzet zal daarbij zijn tot een zo volledig mogelijke coördinatie en uniformering van én het heffingsloon én het premieloon én het uitkeringsloon te komen.

De leden van de GroenLinks-fractie hadden graag gezien dat met deze ingrijpende herziening enkele problemen in de uitvoering opgelost zouden kunnen worden door het op elkaar afstemmen van de verschillende loonbegrippen die er in de uitvoeringspraktijk bestaan. Zij geven aan dat het gelijk maken van het fiscaal loonbegrip met het loonbegrip dat nu voor allerlei inkomensafhankelijke regelingen wordt gehanteerd veel uitvoeringsproblemen zou oplossen. Wij merken hierbij op dat de interdepartementale werkgroep Harmonisatie inkomensafhankelijke regelingen voorstellen op dit terrein ontwikkelt. Voorts vragen de leden van de GroenLinks-fractie waarom geen volledige afstemming van het loonbegrip voor de loonheffing enerzijds en de premie werknemersverzekeringen anderzijds plaatsvindt. Het ontbreken van volledige afstemming tussen deze loonbegrippen tot nu toe houdt verband met verschillende aspecten zoals bijvoorbeeld het equivalentiebeginsel tussen premieloon en uitkeringsloon bij de sociale verzekeringen en het voorheffingskarakter van de loonbelasting en mogelijke doorwerking van het gelijkheidsbeginsel naar de inkomstenbelasting. In de Werkgroep Loonbegrip onder voorzitterschap van drs. H. de Boer, waarover wij in paragraaf 1.1 van deze nota hebben bericht, zal worden bezien in hoeverre zonder dergelijke beginselen geweld aan te doen toch gecoördineerd kan worden. Wij zijn bereid waar mogelijk tot een oplossing van de problemen te komen en streven een zo volledig mogelijke coördinatie en uniformering na van én het heffingsloon én het premieloon én het uitkeringsloon.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen ook in hoeverre er wordt gewerkt aan een eenduidig begrip werknemer voor beide heffingen. Aan een eenduidig begrip werknemer wordt thans niet gewerkt. Het begrip werknemer wordt in de context van afbakening ten opzichte van het ondernemerschap wel bezien door de Commissie Harmonisatie Ondernemers- en Zelfstandigenbegrip onder voorzitterschap van prof. dr. L.G.M. Stevens. In hoeverre het mogelijk is dat de aanbevelingen van deze commissie nog worden meegenomen in dit belastingplan, zodat invoering per 2001 geëffectueerd kan worden, de leden van de GroenLinks-fractie vragen hiernaar, is thans niet te bezien. Dit hangt mede af van de inhoud en strekking van de aanbevelingen van de Commissie.

De fractie van GroenLinks vraagt verder naar de mogelijkheden om de loonheffing en de heffing van de premies werknemersverzekeringen te laten uitvoeren door de Belastingdienst. In dat verband is van belang de keuze in het kabinetsstandpunt Structuur Uitvoering Werk en Inkomen dat in maart jl. aan de Tweede Kamer is aangeboden. In het kabinetsstandpunt is vastgelegd dat de uvi's – conform het Regeerakkoord – belast zijn met de premie-inning. Wel wordt in het kabinetsstandpunt nader overleg toegezegd over de vraag of de Ziekenfondswetpremie in de toekomst door de uvi's dan wel door de Belastingdienst zal worden geïnd. Dit overleg is nog gaande.

4.3. Eigen woningen

4.3.1. Algemeen

De leden van alle fracties hebben opmerkingen gemaakt over de fiscale behandeling van de eigen woning. Zo merken de leden van de fractie van de PvdA op dat zij met grote belangstelling kennis hebben genomen van de in het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen voorstellen inzake de fiscale behandeling van de eigen woning. Wij constateren met genoegen dat deze leden het als verstandig beschouwen dat enerzijds de mogelijkheid om betaalde rente die betrekking heeft op de financiering van de eigen woning af te trekken gehandhaafd blijft, maar dat anderzijds in het nieuwe stelsel wel nadrukkelijk(er) zal worden getoetst of de financiering daadwerkelijk betrekking heeft op aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning. Ook de leden van de fractie van de VVD gaan uitgebreid in de op de fiscale behandeling van de eigen woning. Deze leden geven aan van mening te zijn dat de aftrek van hypotheekrente ter zake van de eerste eigen woning volledig in stand dient te blijven. Het verheugt ons dat deze leden in dat verband aangeven dat zij de in 1997 ingezette lijn dat de hypotheek ook daadwerkelijk gebruikt dient te worden voor aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning, ondersteunen.

Door de leden van de fractie van het CDA worden eveneens diverse opmerkingen gemaakt over de fiscale behandeling van de eigen woning. Deze leden geven in dat verband aan van mening te zijn dat de aftrek van hypotheekrente onverkort dient te worden gehandhaafd. Met instemming constateren wij dat deze leden zich kunnen vinden in de voorstellen om het oneigenlijke gebruik dat daar thans van wordt gemaakt aan te pakken en de tweede woning in box III te plaatsen. De leden van de fractie van het CDA geven voorts aan uitdrukkelijk voorstander te zijn van een daling van het huurwaardeforfait.

Het verheugt ons dat de leden van de fractie van D66 de in het wetsvoorstel tot uitdrukking gebrachte keuze onderschrijven om de aan de eerste eigen woning verbonden inkomsten en kosten tegen het progressieve tarief van box I in de heffing te betrekken. Wel lijkt het deze leden nuttig indien wordt onderzocht in hoeverre de fiscale behandeling van de eigen woning qua systematiek meer in lijn kan worden gebracht met het voorgestelde boxenstelsel, teneinde daarmee de inzichtelijkheid en de eenvoud van het stelsel te bevorderen en de arbitragemogelijkheden te beperken. Deze leden refereren in dit verband voorts aan hun eerder gedane verzoek om een breder verhaal over de hypotheekrente-aftrek, met daarin enkele cijfermatige voorbeelden inzake een vergelijking tussen kopen en huren bij verschillende inkomensniveau's.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben eveneens diverse opmerkingen gemaakt over en vragen gesteld bij de keuze om de eigen woning via box I in de heffing te betrekken. Deze leden vragen in dat verband nadrukkelijk aandacht voor de aftrek van hypotheekrente, die naar hun oordeel een te ruimhartig karakter heeft. In dat kader vragen deze leden – die overigens aangeven van mening te zijn dat de eerste eigen woning niet via box I maar via box III in de heffing zou moeten worden betrokken – ons voorts in te gaan op hun voorstel om ter voorkoming van mogelijk oneigenlijk gebruik voortaan nog slechts rente-aftrek toe te staan over de «noodzakelijke» hypotheek. Onder een dergelijke noodzakelijke hypotheek verstaan deze leden in dat verband een hypotheek die eerst moet worden verminderd met het vermogen dat via box III feitelijk in de heffing wordt betrokken. De leden van de fractie van GroenLinks vragen tevens een reactie op het eerder dit jaar door hen gepresenteerde voorstel om de eigen woning via box III in de heffing te betrekken. In dat verband merken zij voorts nog op dat plaatsing van de eigen woning in box III tot een grotere grondslagverbreding en tot een verdere verlaging van de tarieven in box I had kunnen leiden.

Ook de leden van de fractie van de SP vragen aandacht voor de fiscale behandeling van de eigen woning. Deze leden geven aan teleurgesteld te zijn over het gebrek aan fiscale durf dat uit de voorstellen voor de eigen woning spreekt. Het stimuleren van het eigen woningbezit wordt door deze leden ondersteund, maar dat sluit naar het oordeel van deze leden geenszins uit dat grenzen worden gesteld aan de maximale aftrek van hypotheekrente. In dat verband refereren deze leden aan het stijgende budgettaire beslag van deze aftrek. Deze leden vragen voorts of de onbeperkte aftrek een prijsopdrijvend effect heeft op de woningmarkt en of deze onbeperkte aftrek tot een verstoring in de keuze tussen huren en kopen leidt.

De leden van de fracties van de SGP, het GPV en de RPF gaan eveneens in op de positie van de eigen woning. De leden van deze fracties merken op dat de fiscale behandeling van de eerste eigen woning – mede op basis van de daaromtrent in het regeerakkoord gemaakte afspraken – ongewijzigd is overgenomen uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De leden van de fractie van de SGP vragen in dat verband waarom uit een oogpunt van rechtvaardigheid niet is gekozen voor een maximering van de aftrek van hypotheekrente door de schuld aan een bepaald maximum, bijvoorbeeld f 500 000, te binden. Ook de leden van de fracties van het GPV en de RPF refereren aan een beperking van de aftrek van hypotheekrente en stellen in dat verband dat het van durf en realiteitszin zou hebben getuigd indien er door de regering ruimte zou worden geboden om dit onderwerp ten minste ter discussie te stellen. In dat verband vragen deze leden voorts of de regering zich kan vinden in de veronderstelling van deze leden dat het regeerakkoord een beperktere houdbaarheidsdatum heeft dan het onderhavige wetsvoorstel. Naar aanleiding van deze vragen en opmerkingen, merken wij het volgende op.

De fiscale behandeling van de eerste eigen woning is een kwestie die velen raakt. Uit de bestaande fiscale systematiek vloeit voort dat de voordelen die samenhangen met het bezit van de eigen woning belast zijn en dat de kosten die op de eigen woning betrekking hebben aftrekbaar zijn. Voorts worden renten van schulden die samenhangen met de financiering in beginsel volledig als aftrekbare kosten aangemerkt. Dit uitgangspunt – dat reeds was opgenomen in het Besluit Inkomstenbelasting 1941- geldt derhalve ook voor de eigen woning. In verband daarmee zijn ook de renten van schulden die samenhangen met aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning, in beginsel volledig aftrekbaar.

Omdat het bepalen van de omvang van de inkomsten uit de eigen woning in de praktijk tot nogal wat complicaties leidde, wordt voor de bepaling van deze inkomsten sinds 1971 – met name omwille van eenvoud en uitvoerbaarheid – gebruik gemaakt van een forfaitaire benadering. In dat jaar heeft het zogenoemde (netto) huurwaardeforfait zijn intrede gedaan. Met ingang van 1997 – de aanvang van het eerste WOZ-tijdvak, dat loopt van 1997 tot en met 2000 – bedraagt de hoogte van het (netto) huurwaardeforfait voor de eerste eigen woning 1,25%. Voor eerste eigen woningen met een WOZ-waarde tot en met f 150 000 geldt overigens een lager percentage. In 1997 is in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vastgelegd dat de hoogte van het (netto) huurwaardeforfait voortaan mede wordt bepaald door de gemiddelde huurontwikkeling in de huursector en de gemiddelde waardeontwikkeling in de koopsector. Op de opmerking van de leden van de fractie van het CDA dat zij vraagtekens plaatsen bij het feit dat het huurwaardeforfait door de waardestijging van woningen al maar stijgt, en de in dat verband gestelde vraag waarom deze opbrengststijging niet is teruggegeven in de vorm van belastingverlaging, wordt later in deze nota ingegaan.

Met het wettelijk vastleggen van deze systematiek is tot uitdrukking gebracht dat de positie van de eigen woning – en de fiscale behandeling daarvan – niet op zichzelf staat, maar onderdeel uitmaakt van een geïntegreerd en samenhangend beleid op het terrein van de volkshuisvesting, waarbij binnen de randvoorwaarde van een evenwichtige behandeling van huurders en eigenaar-bewoners zo veel mogelijk ruimte wordt geboden aan individuele wensen en mogelijkheden van belastingplichtigen. Overigens zijn wij tegen deze achtergrond bezien, anders dan de leden van de fractie van de SP, van mening dat de fiscale behandeling van de eigen woning niet tot een verstoring van de keuze tussen kopen en huren leidt.

Veel belastingplichtigen zijn met de aankoop van een eigen woning zeer langlopende en omvangrijke financiële verplichtingen aangegaan. Inmiddels bestaat ruim de helft van de woningvoorraad in Nederland uit een eigen woning. Tegen deze achtergrond is continuïteit en bestendigheid van de geformuleerde beleidsdoelen voor velen van groot belang, ook in financiële termen. Daar ook op de lange termijn een evenwichtige behandeling van huurders en eigenaar-bewoners uitgangspunt blijft van het volkshuisvestingsbeleid – de leden van de fractie van GroenLinks vragen naar een inhoudelijk argument voor de gemaakte keuze – heeft het kabinet er zeer bewust voor gekozen om de huidige fiscale behandeling van de eigen woning op hoofdlijnen over te nemen in het wetsvoorstel inzake de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze keuze is in het regeerakkoord vastgelegd om daarmee op voorhand duidelijkheid te verschaffen richting met name de eigenaar-bewoners. Vanuit dit perspectief bezien hebben wij met begrip kennis genomen van de opvatting van de leden van de fracties van GPV en RPF – die anders dan wij van mening zijn dat een wijziging van de fiscale behandeling wenselijk is – dat burgers die onder het huidige fiscale stelsel verplichtingen zijn aangegaan, als gevolg van eventuele fiscale ingrepen niet met problemen zouden mogen worden geconfronteerd. Dat geldt ook voor de opmerking ter zake van de leden van de fractie van het CDA, die aangeven langdurig aangegane verplichtingen te willen respecteren.

Naar aanleiding van de opmerking die de leden van deze fracties in het kader van de fiscale behandeling van de eigen woning plaatsen dat het voorliggende wetsvoorstel een langere houdbaarheidsdatum heeft dan het regeerakkoord, wordt in zijn algemeenheid opgemerkt dat bij de uitwerking en vormgeving van het wetsvoorstel inzake de Wet inkomstenbelasting 2001 de thans geldende inzichten op diverse beleidsterreinen tot uitdrukking zijn gebracht. Veel van deze inzichten zijn ook in het regeerakkoord verwoord. Dat betekent echter geenszins dat daarmee voor vele jaren een status-quo ontstaat. De Wet inkomstenbelasting 2001 krijgt een functie die past bij de beleidsopvattingen van het begin van de 21e eeuw.

Uitgangspunt van de fiscale behandeling van de eigen woning is en blijft dat zowel de bijtelling van het huurwaardeforfait – een benaming die in de Wet inkomstenbelasting 2001 overigens wordt vervangen door eigenwoningforfait – als de aftrek van financieringsrente wordt gecontinueerd, beide tegen het progressieve tabeltarief van box I. Een maximering van de hypotheekrente-aftrek – de leden van de fracties van GroenLinks, de SP en de SGP vragen daarnaar en ook de leden van de fracties van GPV en RPF refereren daaraan – is daarbij niet overwogen en is wat het kabinet betreft in het kader van de belastingherziening 2001 ook niet aan de orde. Hetzelfde geldt overigens voor de door de leden van de fractie van het CDA bepleitte verlaging of afschaffing van het huurwaardeforfait. In het verlengde daarvan wordt voorts opgemerkt dat wij het niet eens zijn met de opvatting van de leden van de fractie van GroenLinks dat de eigen woning niet in box I maar in box III zou moeten worden ondergebracht. Daarmee is reeds onze eerste reactie gegeven op de vraag van deze leden om nader in te gaan op het door de leden van deze fractie gepresenteerde plan inzake de behandeling van de eigen woning. Op diverse plaatsen verderop in deze nota worden specifieke elementen van deze voorstellen besproken, zoals de «noodzakelijke hypotheek» en de inbouw van de eigen woning in de vermogensrendementsheffing.

Tegelijkertijd is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de eigen-woningregeling in de Wet inkomstenbelasting 2001 qua reikwijdte meer toe te spitsen op eigen woningen die door belastingplichtigen daadwerkelijk als hoofdverblijf worden gebruikt. Een dergelijke stap maakt het systeem minder kwetsbaar voor oneigenlijk gebruik, en past bij het streven om te komen tot een meer robuuste inkomstenbelasting. Het bijzondere karakter van de eigen-woningregeling brengt immers met zich dat deze regeling niet ruimer hoeft te zijn dan strikt nodig is. Op grond daarvan is er onder de werking van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen ruimte meer om een tweede woning onder de eigen-woningregeling te laten vallen; tweede woningen zullen met ingang van 1 januari 2001 via het forfaitaire rendement in de heffing worden betrokken. Tegen deze achtergrond wordt voorts voorgesteld de fiscale spelregels inzake de aftrekbaarheid van rente die verband houdt met de eigen woning te beperken tot uitsluitend die renten van schulden die samenhangen met aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning. Verdere fiscale faciliëring van zogenoemde bijleenhypotheken zal met ingang van 1 januari 2001 dan ook komen te vervallen. Voor zover belastingplichtigen de rente die betrekking heeft op de eigen woning niet uit eigen middelen betalen, maar (door middel van bijschrijven op de hoofdsom van de lening) bijlenen, ontstaat – anders dan onder het huidige systeem – niet langer een (extra) schuld die voor de bepaling van de fiscale rente-aftrek verband houdt met de eigen woning, maar een schuld die door de werking van de in de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen rangorderegeling doorschuift naar box III. In deze box kan de bijgeleende schuld in mindering worden gebracht op de grondslag waarover het forfaitaire rendement wordt berekend. Ook zullen belastingvrij genoten uitkeringen uit na 31 december 2000 gesloten kapitaalverzekeringen op een zodanige wijze fiscaal worden geoormerkt dat daar bij de financiering van een volgende eigen woning rekening mee moet worden gehouden (zie ook hierna).

De leden van de VVD-fractie vragen om een overzicht van alle soorten hypotheken die op de Nederlandse hypotheekmarkt worden verstrekt plus de aantallen zoals ze zijn afgesloten. Uit het Woningbehoeftenonderzoek 1998, dat onder verantwoordelijkheid van het Centraal Bureau van de Statistiek en het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt uitgevoerd, blijkt dat het totaal van de in Nederland bestaande hypothecair gefinancierde woningen als volgt kan worden onderverdeeld naar hypotheekvorm:

Tabel: Onderverdeling van hypothecair gefinancierde woningen naar hypotheekvorm, 1998

Hypotheekvormaantal x 1000aandeel in %
lineaire hypotheek2087,6%
annuïteitenhypotheek50118,4%
groeihypotheek150,5%
hypotheek op levensverzekering41915,4%
spaarhypotheek94434,6%
aflossingsvrije hypotheek47817,5%
andere hypotheken1625,9%

Bron: Woningbehoeftenonderzoek 1998.

Bij deze onderverdeling naar hypotheekvorm is bij de 341 duizend woningen waarop meer dan één hypotheek rust, uitgegaan van de hypotheek op grond waarvan men het meeste betaalt aan rente en aflossing. De categorie «andere hypotheken» kan niet nader worden gespecificeerd, maar bestaat volgens het Woningbehoeftenonderzoek 1998 waarschijnlijk voor een groot deel uit beleggingshypotheken alsmede uit bijleenhypotheken.

Daarnaast wenst de VVD-fractie informatie over hoeveel er gemiddeld op dit moment is gespaard in deze hypotheken, dit in relatie tot de waarde van de woningen. De VVD-fractie vraagt voorts of het juist is dat de gemiddelde woning in Nederland is aangeschaft voor drie ton waar gemiddeld een hypotheek van twee ton op rust en waarin door middel van die hypotheek een vermogen van één ton is opgebouwd. Uit cijfers van het CBS valt af te leiden dat de gemiddelde hypotheekschuld per woning die met een hypothecaire lening is gefinancierd aan het eind van het derde kwartaal van 1999 circa f 198 000 bedroeg. Uit cijfers van het Kadaster kan worden geconcludeerd dat de gemiddelde koopprijs van bestaande woningen over de eerste drie kwartalen van 1999 circa f 305 000 bedroeg. Het eigen vermogen in met hypothecaire leningen gefinancierde woning bedraagt per woning derhalve volgens deze ruwe benadering gemiddeld ruim een ton.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts of de volgende cijfers met betrekking tot de budgettaire effecten van de behandeling van de eigen woning alsmede de budgettaire effecten van huurwoningen, waar ook de leden van de D66-fractie en van de GroenLinksfractie om vragen, juist zijn:

Tabel 1: Budgettaire effecten behandeling eigen woning (belastingen en premies volksverzekeringen), in miljarden

 199019951999Mutatie 90–99Mutatie 95–99
Hypotheekrente aftrek– 7,5– 11,6– 13½80%16%
Bijdragen eigen woning– 0,7– 0,4– 0,1– 85%– 75%
Objectsubsidies– 0,9– 0,7– 0,3– 70%– 60%
Huurwaardeforfait1,33,2170%10%
Vermogensbelasting0,20,2¼25%25%
Overdrachtsbelasting1,223½190%75%
Onroerende zaakbelasting1,21,72,2120%30%
Saldo– 5,2– 5,6– 4,5– 13%– 20%
Aantal eigen woningen (in miljoenen)2,633,430%15%
Saldo per woning (in guldens)2 0001 8701 310– 35%– 30%

Tabel 2: Budgettair belang huurders, in miljarden guldens

 199019951999Mutatie 90–99Mutatie 95–99
Uitgekeerd bedrag huursubsidie– 1,7– 2,2– 375%35%
Objectsubsidie– 6,3– 4,7– 4,3– 30%– 8%
Onroerendezaakbelasting0,70,81,160%40%
Saldo– 7,3– 6,1– 6,2– 15%2%
Aantal huurwoningen (in miljoenen)3,13,23,10%– 3%
Saldo per woning (in guldens)2 3551 9052 000– 15%5%

Deze gegevens sporen met becijferingen van Financiën. In die becijferingen waren diverse veronderstellingen noodzakelijk.

De leden van de VVD-fractie vragen of de constatering juist is dat het saldo per eigen woning in de loop der jaren sterk is gedaald en het saldo per huurwoning stijgende is. Deze constatering lijkt, met inachtneming van de gehanteerde veronderstellingen, juist voor wat betreft de periode 1995–1999. Voor de periode 1990–1999 blijkt dat voor beide woningtypen sprake is van een daling, zij het dat de daling voor de eigen woning sterker is.

Zoals reeds vermeld is bij deze becijferingen uitgegaan van diverse veronderstellingen. Bij de vermogensbelasting is getracht het aandeel van de eigen woningen zo goed mogelijk af te splitsen van de totale opbrengst. Bij de overdrachtsbelasting zijn veronderstellingen gemaakt ten aanzien van de omvang van de opbrengst uit de zakelijke en uit de particuliere markt. Bij de onroerendezaakbelasting is een verdeling gemaakt tussen eigen woningen en huurwoningen, waarbij naast de verdeling tussen pariculiere markt en zakelijke markt een zekere prijsveronderstelling is gemaakt ten aanzien van de waarde van de eigen woning in vergelijking tot huurwoningen. Met betrekking tot de objectsubsidies bij huurwoningen in 1999 moet worden opgemerkt dat een zeer belangrijk deel van deze subsidies in 1995 is afgekocht voor een totaalbedrag van 37 miljard. Ter vergelijking met andere jaren is met behulp van de netto-contante waardemethode het deel hiervan berekende dat betrekking heeft op 1999. Ook is van belang dat bepaalde aspecten in bovenstaande plaatjes niet zijn meegenomen, zoals de BTW op nieuwbouwwoningen en het onderhoud van woningen. Evenmin is rekening gehouden met de belastingheffing over winsten van hypotheekverstrekkers en andere activiteiten met betrekking tot het eigen woningbezit.

Uit bovenstaande veronderstellingen blijkt dat de cijfers uit de tabel met onzekerheid zijn omgeven, met name gezien het relatief grote belang van de onroerendezaakbelasting en de overdrachtsbelasting.

De VVD-fractie verzoekt de regering tevens een beschouwing te geven over de waardestijging van de eigen woningen in ons land. Zij vraagt daarbij of dit naar het oordeel van de regering papieren waardestijgingen zijn of niet. Verschillende studies laten zien dat de stijging van de huizenprijzen voornamelijk kan worden verklaard door de groei van het aantal huishoudens in verhouding tot de achterblijvende groei van het aanbod van koopwoningen. Andere verklarende factoren zijn de stijging van de reële beschikbare inkomens, rente-ontwikkelingen en de ontwikkeling van de huren. Ter nuancering van de prijsstijgingen moet worden bedacht dat deze voor een deel samenhangen met kwaliteitsverbeteringen in de zin van meer voorzieningen en comfort. De ontwikkeling op de huizenmarkt heeft geleid tot een substantiële toename van vermogen in handen van gezinnen, indirect leidend tot hogere consumptieve bestedingen. De regering is dan ook van mening dat niet gesproken kan worden van papieren waardestijgingen.

Ook vraagt de VVD-fractie of de regering van mening is dat het een goede zaak is dat de gemiddelde Nederlander vermogen opbouwt als gevolg van het bezit van een eigen woning. De regering staat positief tegenover vermogensopbouw via de eigen woning. Om uitvoering te geven aan de in het Regeerakkoord opgenomen doelstelling om het eigen woningbezit onder mensen met lage inkomens te bevorderen, heeft het kabinet aan het begin van 1999 aan de Tweede Kamer een brief gestuurd met de kabinetsvoorstellen voor een wet ter bevordering van het eigen woningbezit.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de waardestijging van de woningen in de jaren 1995–1999 is geweest en hoeveel deze waardestijging afwijkt van de inflatie. Hoeveel de waardestijging van woningen precies is geweest, kan niet met worden aangegeven, omdat het CBS thans geen index van de waardeontwikkeling van de gehele woningvoorraad publiceert.

Volgens gegevens van de Nederlandse Vereniging van Makelaars is de gemiddelde verkoopprijs over de eerste helft van 1999 met ruim 47% gestegen ten opzichte van de gemiddelde verkoopprijs over heel 1995. Deze cijfers geven een indicatie van de opgetreden waardestijging, maar hebben een beperkte waarde omdat dat het daarbij alleen gaat om verkochte woningen. Op dit moment worden de mogelijkheden bezien voor het samenstellen van een bruikbare waarde-index voor alle eigen woningen. Naar verwachting zal deze index hoe dan ook aanmerkelijk hoger uitkomen dan de consumentenprijsindex van het CBS die over de periode van 1995 tot juli 1999 een prijsstijging van 8,3% aangeeft.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie waarom het verschil tussen de waardeontwikkeling en de inflatie niet in de vorm van belastingverlaging terug is gegaan door middel van verlaging van het huurwaardeforfait, verlaging van de overdrachtsbelasting, verlaging van successierechten en dergelijke. Bij de vaststelling van het vernieuwde systeem van het huurwaardeforfait dat per 1-1-1997 in werking is getreden, is wel degelijk rekening gehouden met de waardestijging van eigen woningen. Mede op grond daarvan is het huurwaardeforfait verlaagd tot 1,25%. Aangezien over de jaren daarna steeds is uitgegaan van dezelfde WOZ-waarden met waardepeildatum 1-1-1995 is er als gevolg van het huurwaardeforfait geen lastenverzwaring – eerder een relatieve lastenverlichting – opgetreden. In deze periode waarin de huren wel stegen is de bijtelling constant gebleven. Ook in de vermogensbelasting en de onroerendezaakbelasting wordt uitgegaan van de zogenoemde WOZ-waarden. Tegenover de hogere opbrengsten uit heffingen die niet uitgaan van WOZ-waarden, zoals bij de overdrachtsbelasting en de heffing van successierechten, staat de hogere belastingderving als gevolg van de toegenomen aftrek van hypotheekrente.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts om een gemotiveerd oordeel over de discussienota van de heer G.M.W. Palm: «de eigenwoning verlangt een andere fiscale structuur (het Belastingplan 21e eeuw en de eigenwoning – box 4)».

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven blijft de fiscale behandeling van de eerste eigen woning in het belastingstelsel voor de 21e eeuw – conform het regeerakkoord – gelijk aan de regeling uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In genoemde discussienota worden naast het aspect van de fiscale rechtsgronden tevens aspecten zoals sociale rechtvaardigheid en wonen in de 21e eeuw zeer uitvoerig belicht. Gelet op de uitgangspunten die in het wetsvoorstel zijn gehanteerd en die in deze Nota uitvoerig worden toegelicht in het kader van de vragen van de diverse fracties, moge duidelijk zijn dat wij geen voorstander zijn van de in genoemde discussienota opgenomen gedachten.

De leden van de SP-fractie vragen hoe het kabinet het stijgend beslag van de hypotheekrenteaftrek op de collectieve middelen beoordeelt. Ook de leden van de GroenLinks-fractie zijn verontrust over de stijging van de hypotheekrenteaftrek in verhouding tot het huurwaardeforfait. Zoals blijkt uit de in paragraaf 4.3.1. opgenomen tabel met cijfers over het budgettair belang van de fiscale behandeling van de eigen woning is het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek de laatste jaren flink gestegen. Daar staat tegenover dat de opbrengst uit het huurwaardeforfait, uit de overdrachtsbelasting, en uit de onroerendezaakbelasting is toegenomen en de totale kosten van subsidies met betrekking tot de eigen woning zijn afgenomen. Onder de bij deze tabel gehanteerde veronderstellingen kan per saldo gesproken worden van een daling van de kosten voor de overheid van de behandeling van de eigen woning. De stijging van het budgettaire belang dient mede bezien te worden in dit licht. De enkele stijging van de hypotheekrenteaftrek heeft niet geleid tot een onevenwichtige situatie.

Op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks naar maatregelen ter beperking van de hypotheekrenteaftrek kan dan ook worden geantwoord dat het wetsvoorstel niet voorziet in een aantasting van de aftrekbaarheid van hypotheekrente voor de eigen woning. De voorgestelde aanscherpingen zien daarbij op het aanpakken van onbedoeld gebruik van de regeling.

De leden van de SP-fractie vragen of de onbeperkte hypotheekrenteaftrek een prijsopdrijvend effect heeft op de woningmarkt. De ontwikkelingen op de woningmarkt zijn afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de groei van het aantal huishoudens in verhouding tot de groei van het aanbod van koopwoningen, de stijging van de reële beschikbare inkomens, rente-ontwikkelingen en de ontwikkeling van de huren. Ook de hypotheekrenteaftrek kan hierbij een rol spelen. In de praktijk blijkt echter niet eenvoudig vast te stellen aan welke factor hoeveel gewicht toekomt. Aangezien er ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek de laatste jaren niets is gewijzigd, staan de ontwikkelingen die de laatste jaren hebben plaatsgevonden op de woningmarkt hier in ieder geval geheel los van. Uit verschillende onderzoeken blijkt dan ook dat hiervoor andere oorzaken zijn aan te wijzen.

De leden van de GPV-fractie en de RPF-fractie vragen in welke mate de stijging van het aantal en de hoogte van hypotheken verantwoordelijk is voor de groei van de hypotheekrenteaftrek. Uit het Woningbehoeftenonderzoek 1998 blijkt dat het aantal koopwoningen in de periode 1994–1998 is gestegen van 47,6% naar 50,8% van de woningvoorraad. Een belangrijke oorzaak van de groei van de hypotheekrenteaftrek is de toename van het totaal aantal hypothecair gefinancierde woningen in deze periode met bijna 440 000.

Ook vragen de leden van de GPV-fractie en de RPF-fractie hoe de regering de mogelijkheid taxeert dat een stijgende hypotheekrente tot een verdere erosie van de grondslag kan leiden. De rente van hypothecaire leningen wordt vaak voor lange tijd vastgelegd. Hierdoor is de extra belastingderving door een stijging van de rente zeker op korte termijn beperkt. Wel zal een stijgende hypotheekrente invloed hebben op de derving op grond van nieuwe hypotheekleningen.

4.3.1.1. Hypotheekrente

De leden van de fractie van de PvdA merken op dat de fiscale consequenties van de regeringsvoorstellen voor tal van hypotheekvormen naast de spaarhypotheek die momenteel op de markt worden aangeboden niet duidelijk zijn en vragen zich af wat de gevolgen voor bijvoorbeeld de bijleenhypotheek, de beleggingshypotheek, de aflossingsvrije hypotheek en de doorloophypotheek. Ook de leden van de fractie van GroenLinks vragen aan te geven welke hypotheekvormen wel en niet worden toegelaten in aftrek en verzoeken daarbij het kabinet een oordeel over de fiscale toelaatbaarheid van de verschillende hypotheekvormen, in het bijzonder over de doorloophypotheek. Voorts vragen deze leden of ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken en bijleenhypotheken niet nadere regels moeten worden gesteld om excessief en consumptief gebruik te voorkomen.

De voorgestelde eigenwoningregeling is zodanig vormgegeven dat de hypothecaire rente die daadwerkelijk samenhangt met de financiering van de verwerving, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning in aftrek kan worden gebracht, ongeacht de hypotheekvorm. De regeling die is getroffen ten aanzien van de kapitaalverzekering ten behoeve eigen woning ziet specifiek op situaties waarin belastingplichtigen naast een hypothecaire lening een gemengde kapitaalverzekering hebben afgesloten met de bedoeling om de uitkering bij leven of vooroverlijden te gebruiken om de hypothecaire lening af te lossen. Met het aangaan van een dergelijke kapitaalverzekering neemt de eigenwoningbezitter de verplichting op zich periodiek betalingen te verrichten aan een professionele verzekeraar. Wanneer de kapitaalverzekering te zijner tijd tot uitkering komt is de rente die in de kapitaalsuitkering is begrepen, vrijgesteld voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan &euro; 121 500 en gedurende de looptijd van de verzekering steeds aan alle voorwaarden van artikel 3.6.9 is voldaan. Voor gehuwden (partners) is dit bedrag het dubbele.

Rentebetalingen op hypothecaire leningen die zijn afgesloten zonder kapitaalverzekering, maar wel zijn aangegaan ter financiering van de verwerving, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning, worden aangemerkt als op de voordelen uit de eigen woning drukkende kosten en zijn derhalve aftrekbaar. De gevolgen voor de aangehaalde voorbeelden kunnen als volgt worden beschreven.

Voor bijleenhypotheken wordt het bedrag dat wordt bijgeleend en bijgeschreven bij de hoofdsom om de verschuldigde hypothecaire-rente te betalen, niet als geldlening ten behoeve van de verwerving van de eigen woning in aanmerking genomen. Ter zake van dat gedeelte vindt geen renteaftrek in box I plaats.

Wat beleggingshypotheken betreft zijn twee vormen van beleggingshypotheken te onderscheiden. Ingeval onder een beleggingshypotheek wordt verstaan een geldlening die onder het verstrekken van hypothecaire zekerheid op de eigen woning is afgesloten om beleggingen mee te financieren dan wordt die geldlening evenals onder het huidige systeem niet aangemerkt als een schuld met betrekking tot de eigen woning. Een dergelijke schuld is een schuld die in box III thuis hoort. De schuld behoort tot de grondslag (negatief) van het forfaitaire rendement terwijl de over de schuld te betalen rente niet voor aftrek in aanmerking komt. Tegenover deze schuld staat dan natuurlijk de (positieve) waarde van de aangekochte effecten. Als daarentegen onder een beleggingshypotheek wordt verstaan een hypotheek voor de eigen woning met daaraan gekoppeld een kapitaalverzekering eigen woning met een rendement op basis van een aandelenpakket (bij voorbeeld fractieverzekeringen) is de fiscale behandeling conform de spaarhypotheek. In wezen is namelijk slechts de wijze waarop de kapitaalsuitkering wordt berekend afwijkend (vast gegarandeerd bedrag versus waarde van een pakket aandelen). Voor rentebetalingen op aflossingsvrije hypotheken vindt renteaftrek plaats in box I.

De doorloopconstructies waarbij op het tijdstip dat de kapitaalverzekering tot uitkering zou komen door belastingplichtigen geopteerd wordt voor verlenging van zowel de looptijd van de kapitaalverzekering als de aflossingsdatum van de hypothecaire lening, door de leden van de fractie van de PvdA aangeduid als de «doorloophypotheek», zullen voor belastingplichtigen hun aantrekkelijkheid verliezen, omdat na 30 jaar de kapitaalverzekering geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen. In dat geval wordt de rente die op dat moment is begrepen in de totale waarde van de polis integraal belast tegen het progressieve tarief. De verzekeringspolis behoort dan, zo de belastingplichtige deze wil laten doorlopen, vanaf dat moment tot box III. Wil de belastingplichtige echter in aanmerking komen voor de vrijstelling dan zal hij de kapitaalverzekering tot uitkering moeten laten komen en deze uitkering moeten aanwenden voor de aflossing van de hypotheekschuld. Al met al kan dus worden gezegd dat met de kapitaalverzekering eigen woning een doorloopconstructie onder de voorgestelde bepaling niet tot aftrek van hypotheekrente leidt.

Voorts vragen de leden van de fractie van de PvdA naar de gevolgen van het aangaan van een hypothecaire lening voor een bedrag dat hoger is dan 100% van de aankoopsom (inclusief kosten koper) alsmede of het niet in de regel ligt hier nadere regels voor te stellen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het gelet op het feit dat de rente die betaald wordt op bijleenhypotheken niet in box I in aftrek kan worden gebracht, zoals hiervoor ook reeds is opgemerkt, voor de hand ligt dat bij de aanvang van een hypotheek een hogere som geleend zal worden.

Het uitgangspunt is dat de rente op hypothecaire leningen van meer dan 100% van de koopsom als aftrekbare kosten in aanmerking kan worden genomen, mits aan de hand van schriftelijke bewijzen is te staven (artikel 3.6.14) dat de rente die ziet op het gedeelte van de geldlening dat uitgaat boven de 100% van de koopsom volledig dient voor onderhoud of verbetering van de woning. Zolang de koopsom daadwerkelijk is aangewend voor onderhoud of verbetering, is het vooralsnog niet nodig om nadere regels te stellen aan de vorm waarin de geldlening ter verwerving van een eigen woning is gegoten. In artikel 3.6.11, tweede lid, worden wel beperkingen gesteld aan de rente die als aftrekbare kosten in aanmerking kan worden genomen.

Het baart de leden van de fractie van de PvdA zorgen dat er gevolgen ontbreken voor de zogeheten aflossingsvrije hypotheken. Bij hypotheekvormen zoals spaar- en gemengdlevenhypotheken worden stimulansen in het stelsel gebracht om mensen te bewegen hun geldlening af te lossen terwijl dit bij andere hypotheken, met name bij aflossingsvrije hypotheken niet het geval is. Een groep fiscalisten verwacht ten gevolge van het nieuwe stelsel zelfs een groeiende populariteit van dergelijke hypotheken. Acht de regering dit een wenselijk gevolg? Is de regering het eens met deze leden dat overheidssteun bij het aangaan van een hypothecaire geldlening mede wordt gemotiveerd door doeleinden van bevordering van het eigen woningbezit? Is de regering het niet met deze leden eens dat alleen maar sprake is van daadwerkelijke bezitsvorming als de hypothecaire geldlening wordt afgelost? Zou de regering maatregelen willen overwegen die verplichten tot aflossen, dan wel die niet aflossen onaantrekkelijk maken, dan wel die versneld aflossen belonen?

Het nieuwe belastingstelsel beoogt overeenkomstig het Regeerakkoord geen wijziging te brengen in de belastingheffing met betrekking tot de eigen woning. Evenals in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt aan belastingplichtigen ook in het nieuwe stelsel zoveel als mogelijk de vrije keuze gelaten om die hypotheekvorm te kiezen die het beste aansluit bij zijn persoonlijke omstandigheden. Deze keuzevrijheid ligt in de lijn van de aan partijen toekomende contractsvrijheid die met zich brengt dat het in beginsel aan partijen is te bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden een hypothecaire lening (ter financiering van de eigen woning) wordt afgesloten.

De leden van de fractie van de PvdA vergelijken twee hypotheekvormen met elkaar die wezenlijk anders in elkaar zitten. In beide gevallen gaat het om hypothecaire leningen waarvan de rente aftrekbaar is en de hypotheekschuld de volle periode openstaat, zodat de rente-aftrek gedurende de looptijd van de hypotheek is gemaximaliseerd. Bij spaar-en gemengdlevenhypotheken wordt daarnaast rente opgebouwd in het kader van een kapitaalverzekering belastingvrij gelaten. Deze fiscale begeleiding dient uiterlijk na 30 jaar gevolgd te worden door een feitelijke aflossing ten einde op deze wijze een evenwicht aan te brengen. Een aflossingsvrije hypotheek die eenzelfde looptijd heeft en daarna wordt afgelost vergt de opbouw van een kapitaal in eigen beheer. Deze vermogensvorming die plaatsvindt in box III wordt jaarlijks in de belastingheffing betrokken, maar biedt tegelijkertijd gedurende die periode anders dan bij de kapitaalverzekering volledige vrijheid voor de belegger. Lopen de spaarhypotheek en de aflossingsvrije hypotheek beide even lang, dan wordt de eerste hypotheekvorm wel beschouwd fiscaal soepeler begeleid dan de tweede.

Indien een aflossingsvrije hypotheek zo wordt opgezet dat de hypotheekschuld onbeperkt lang in stand wordt gehouden, kan de verhouding anders liggen.

In 1997 is de Wet op de inkomstenbelasting 1964 aldus gewijzigd dat de aftrek van rente als persoonlijke verplichting is beperkt. Daardoor werd het verschil in fiscale behandeling van deze rente ten opzichte van de rente als aftrekbare kosten, die integraal aftrekbaar is gebleven, belangrijker. De VVD-fractie vraagt of er naast deze regeling een aanscherping nodig is om het doel te bereiken dat de hypothecaire geldlening ook voor de (eerste) eigen woning wordt gebruikt.

In aanvulling op het antwoord op de hiervoor opgenomen vraag van de leden van de fractie van de PvdA kan nog het volgende worden opgemerkt. Sinds 1 januari 1997 is het belang van het onderscheid tussen rente ter zake van de financiering van de eigen woning en andere rentekosten (w.o. rente als persoonlijke verplichting) aanzienlijk toegenomen. Vanaf dat moment ook heeft de Belastingdienst scherper gelet op de aanwending van de gelden die werden verkregen door (hypothecaire) geldleningen. Dit heeft ertoe geleid dat enkel nog als rente ter zake van de eigen woning beschouwd wordt dat gedeelte van de (hypothecaire) geldlening dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor de verwerving, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning. Daarmee is reeds het doel bereikt dat de (hypothecaire) geldlening ook voor de (eerste) eigen woning wordt gebruikt.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoeveel spaarhypotheken er zijn met een looptijd korter dan 20 jaar of langer dan 30 jaar. Uit het Woningbehoeftenonderzoek 1998 komt naar voren dat in 1998 op 34,6% van alle hypothecair gefinancierde woningen een spaarhypotheek rustte. Dit komt neer op circa 944 000 woningen. In geval er op een woning meerdere hypotheken rustten, is daarbij uitgegaan van de hypotheek waaraan het hoogste bedrag aan rente en aflossing werd betaald. De looptijd van spaarhypotheken bedraagt veelal tussen de 20 en 30 jaar. Hoe lang de totale looptijd van de bestaande hypotheken was, is in het Woningbehoeftenonderzoek 1998 niet onderzocht.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben diverse vragen gesteld die betrekking hebben op de reikwijdte van de mogelijkheid om hypotheekrente af te trekken van het inkomen. Deze leden suggereren nadrukkelijk dat de hypotheek – die als enige schuldvorm in box I wordt toegelaten – bij uitstek geschikt is en benut zal worden als financieringsinstrument voor andere doelen dan het eigen huis. In box I kan immers de werkelijke rente tegen het progressieve tarief worden afgetrokken. Van deze mogelijkheid zal naar de stellige indruk van deze leden massaal gebruik gemaakt gaan worden. In dat kader stellen deze leden dat de met ingang van 1997 – in verband met de introductie van een beperking van de aftrek van persoonlijke verplichtingenrente – aangescherpte regels voor aftrek van hypotheekrente zich in de praktijk nog moeten bewijzen. Voorts zien deze leden een nieuwe mogelijkheid voor oneigenlijk gebruik door op het moment van de aankoop van een nieuwe eigen woning een ruimer bedrag te lenen dan nodig is. Naar aanleiding van deze vragen merken wij het volgende op.

Met ingang van 1 januari 1997 is een beperking van de aftrek van persoonlijke verplichtingenrenten geïntroduceerd. Vanaf dat moment heeft het onderscheid tussen volledig aftrekbare rente en de beperkt aftrekbare persoonlijke verplichtingenrente fiscaal een veel groter gewicht gekregen. In verband daarmee wordt sindsdien in de uitvoering nadrukkelijk toegezien op dit onderscheid. Bij het afsluiten van een tweede hypotheek of het verhogen van een bestaande hypotheek wordt door de belastingdienst nagegaan waaraan het geleende geld is besteed. Dat de eigen woning bij een dergelijke lening als onderpand fungeert, zegt als zodanig immers niets over de plaats waar en de wijze waarop de rente kan worden afgetrokken. In het verlengde daarvan dient overigens ook een onderscheid gemaakt te worden tussen (de groei van) het aantal en de totale omvang van de afgesloten hypotheken, en de (groei van het totale bedrag aan) rente die in het kader van de eigenwoningregeling kan en mag worden afgetrokken.

Bij de hiervoor genoemde toets wordt door de belastingdienst globaal onderscheid gemaakt in drie categorieën, te weten de eigen woning, overige bronnen van inkomen en aanwendingen die in de consumptieve sfeer liggen.

Indien het geleende geld is aangewend in de sfeer van aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning, zal de rente op de desbetreffende lening bij de eigen woning in aftrek kunnen worden gebracht. Daarbij geldt overigens nadrukkelijk als uitgangspunt dat ingeval bij aankoop van een woning een hypothecaire lening wordt afgesloten voor een hoger bedrag dan nodig is om aankoop, onderhoud en verbetering te bekostigen, het bedrag dat «over blijft» niet aan de eigen woning kan en mag worden gekoppeld.

Voor zover de lening samenhangt met de verwerving van een andere bron van inkomen, zoals een effectenportefeuille of een onroerende zaak die wordt verhuurd, is sprake van een lening waarvan de rente – onder de werking van het huidige stelsel – bij de desbetreffende bron van inkomen aftrekbaar is (in dit voorbeeld dus bij de effecten of bij de verhuurde onroerende zaak). Onder de werking van het forfaitaire rendement zal deze schuld in mindering kunnen worden gebracht op de bezittingen waarover de forfaitaire heffing wordt berekend. Overigens is nog van belang dat de aftrek van financieringsrente die verband houdt met onder andere effectenportefeuilles met ingang van 1999 uitsluitend nog mogelijk is voor zover deze belastbare inkomsten genereren. Hierdoor kan globaal worden gesteld dat door beleggen met vreemd vermogen niet langer per saldo een aftrekpost kan worden gecreëerd.

Indien de lening niet kan worden gekoppeld aan een eigen woning en ook niet aan een andere bron van inkomen – hetgeen bijvoorbeeld het geval is bij een lening ter bekostiging van een nieuwe televisie, een vakantie of een pleziervaartuig – wordt de daarop betrekking hebbende rente aangemerkt als persoonlijke verplichtingenrente. Deze rente is aftrekbaar tot een bepaald maximum. In 1999 geldt daarvoor een bedrag van f 5202 per persoon. Bij een rentepercentage van 5% hebben belastingplichtigen onder de werking van het huidige stelsel derhalve nog de mogelijkheid om de rente op een persoonlijke lening van maximaal f 100 000 (afgerond) in aftrek te brengen. Anders dan de leden van de fractie van GroenLinks suggereren, gaat het daarbij niet om leningen waarbij niet getoetst zou worden of er een samenhang is met aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning. Tegen deze achtergrond bezien delen wij niet de vrees van de leden van GroenLinks dat er door overfinanciering van de eigen woning oneigenlijk gebruik van de hypotheekrenteaftrek zal ontstaan. Het met een (extra) hypotheek op de eerste eigen woning financieren van een effectenportefeuille, een personenauto of een tweede woning kan immers niet worden gekwalificeerd als oneigenlijk gebruik zolang de rente die op dergelijke leningen wordt betaald niet bij de eigen woning (tegen het progressieve tarief) wordt afgetrokken. Achtergrond van het met een hypothecaire lening op de eerste eigen woning financieren van dergelijke uitgaven is veelal dat belastingplichtigen daarmee op een relatief goedkope wijze over geleend geld kunnen beschikken omdat het rentepercentage dat op hypothecaire leningen moet worden betaald doorgaans (aanzienlijk) lager ligt dan bij niet-hypothecaire leningen. De leden van de fractie van GroenLinks wijzen in dit verband voorts nog op een op 15 mei 1999 in de Volkskrant verschenen artikel van de heer Kalshoven, waarin uiteen wordt gezet hoe in de praktijk optimaal gebruik kan worden gemaakt van de fiscale mogelijkheden, ook na 2001. Voorts suggereren deze leden in dit verband om bij de eigen woning voortaan nog slechts renteaftrek toe te staan die verband houdt met een «noodzakelijke hypotheek». Onder een noodzakelijke hypotheek verstaan deze leden de hypotheek op de eigen woning nadat die is verminderd met het bedrag dat in box III wordt belast (dat wil zeggen: de rendementsgrondslag voor zover die het heffingvrije vermogen te boven gaat). Hierdoor ontstaat naar het oordeel van deze leden een eenvoudige en flexibele aftopping die de voorkeur verdient boven een gefixeerde aftopping bij een bepaald maximumbedrag en die tevens maatwerk zou bereiken doordat in elke individuele situatie sprake is van een fiscale stimulans die precies doet waarvoor de hypotheekrenteaftrek bedoeld is. Dit zou er naar het oordeel van deze leden – die in dat verband een vraagteken plaatsen bij het toekennen van onbeperkte hypotheekrenteaftrek voor belastingplichtigen met een groot eigen vermogen – toe leiden dat het instrument van de hypotheekrenteaftrek beter tot zijn recht komt.

Naar aanleiding hiervan merken wij op dat de belastingdienst ook onder de werking van de Wet inkomstenbelasting 2001 nieuwe en tweede hypotheken die op een eigen woning worden afgesloten op de hiervoor bedoelde wijze zal blijven toetsen. Hierdoor zal een hypothecaire lening waarvan de opbrengst van meet af aan buiten de sfeer van de eigen woning wordt aangewend, met ingang van 2001 binnen box III als schuld in mindering mogen worden gebracht op de grondslag van het forfaitaire rendement. In zoverre kan er derhalve geen oneigenlijk gebruik ontstaan van de aftrek van hypotheekrente. Vanuit dat perspectief bezien zijn wij geen voorstander van het door de leden van de fractie van GroenLinks geopperde idee inzake de «noodzakelijke hypotheek». Een dergelijke salderingsbenadering gaat namelijk indirect uit van de gedachte dat zodra een belastingplichtige de beschikking heeft over vermogen dat in box III in de heffing wordt betrokken, hij dit te gelde dient te maken en te gebruiken voor de bekostiging van de eerste eigen woning. Impliciet wordt hiermee een jaarlijks verplichte aflossing voorgeschreven. Hierdoor zal deze benadering ten opzichte van de huidige situatie in de praktijk vaak tot een – onder omstandigheden forse – beperking van de hypotheekrenteaftrek leiden, ook in situaties waarbij van oneigenlijk gebruik geen sprake is. Een dergelijk effect achten wij ongewenst. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is wat het kabinet betreft een beperking van de hypotheekrenteaftrek in het kader van de belastingherziening 2001 niet aan de orde.

De leden van de fractie van de SGP vragen in dit verband voorts of, gelet op het brede kader van de discussie over aftrekposten rond de eigen woning en de oudedagsvoorzieningen, is nagedacht over de mogelijkheid om elke belastingplichtige een vrije aftrekruimte te geven waarbinnen naar eigen keuze aftrekposten zouden kunnen worden opgenomen. De belastingdienst zou daarbij dan hooguit op hoofdlijnen hoeven te toetsen op het realiteitsgehalte van de aftrekposten. Een dergelijke benadering past niet goed bij het karakter van de Wet inkomstenbelasting 2001. Ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt door het schrappen of beperken van aftrekposten een substantiële grondslagverbreding bereikt. Het vrijwel zonder nadere toets kunnen benutten van een dergelijke vrije aftrekruimte zou – mede afhankelijk van de omvang daarvan – aanzienlijke budgettaire gevolgen kunnen hebben. Daarenboven zou ook van het slechts op hoofdlijnen toetsen het realiteitsgehalte van aftrekposten een ongewenst signaal kunnen uitgaan.

De leden van de fractie van de PvdA vragen verder aandacht voor ouderen die de leeftijd van 65 jaar zijn gepasseerd en met een onvoldoende pensioen zitten. In hoeverre kunnen zij met consumptieve renteaftrek – onder hypothekering van de eigen woning – dit pensioentekort aanvullen.

Ouderen die in een dergelijke situatie verkeren kunnen de overwaarde van hun eigen woning verhypothekeren – in het algemeen tegen lagere rente dan bij een consumptieve lening – en de desbetreffende gelden gebruiken om te voorzien in hun pensioentekort. Aangezien de hypothecaire geldlening niet wordt aangewend ter verwerving, verbetering of het onderhoud van de eigen woning, is de rente op de desbetreffende geldlening niet aftrekbaar op het inkomen uit werk en woning. Uiteraard kan de hypotheekschuld wel in mindering komen op de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. Per saldo bestaat derhalve voor die schulden als er ook voldoende positieve vermogensbestanddelen in box III zijn, recht op een forfaitaire renteaftrek van 4%.

De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen over de met ingang van 1997 ingezette lijn dat hypotheken ook daadwerkelijk gebruikt moeten worden voor de aanschaf c.q. verbetering van de eigen woning.

In verband met de nieuwe regeling geeft de Belastingdienst vanaf het belastingjaar 1997 extra aandacht aan de aftrek van hypotheekrente. Bij alle nader te toetsen aangiften gaat de Belastingdienst na of de hypotheekrente terecht als rente voor de eigen woning is aangegeven. In voorkomende gevallen wordt de rente aangemerkt als rente die verband houdt met andere bron van inkomen (bijvoorbeeld als de hypotheek is gebruikt voor het kopen van aandelen) of als rente van schulden, waarvoor een aftrekbeperking geldt. In deze gevallen weigert de Belastingdienst de aftrek als zijnde rente voor de eigen woning. Het aantal weigeringen alsmede het aantal beroepsprocedures dat hieruit voortvloeit is, nu de acties nog in volle gang zijn, momenteel nog niet aan te geven. Op basis van de opgedane ervaringen wordt aanscherping van de per 1 januari 1997 ingevoerde regeling niet nodig geacht.

De leden van de fractie van de VVD vragen vervolgens aan te geven welke aanscherpingen worden voorgesteld met betrekking tot de aftrekbaarheid van hypotheekrente.

Benadrukt wordt dat de hoofdlijn is dat de fiscale behandeling van de eigen woning in beginsel niet wijzigt. Slechts onbedoeld gebruik dat in de loop der jaren in toenemende mate onder de regeling is opgetreden, is weggenomen. Het betreft daarbij verschillende situaties. Hiervoor is reeds uitgebreid ingegaan op de bijleenhypotheken en de doorloopconstructies. Ook opzetjes waarbij tussen partners leningen worden aangegaan om enerzijds rente-aftrek in box I te creëren en anderzijds belastbaarheid onder de forfaitaire rendementsregeling, zijn onmogelijk gemaakt.

De leden van de VVD-fractie vragen om een reactie op een brief van de SNS-bank van 20 oktober 1999 aan de vaste commissie van Financiën waarin zij aandacht vragen voor de positie van de hypotheekvormen met beperkte rentebijschrijving in het voorgestelde belastingstelsel. Met name vraagt de SNS-bank zich af hoe de besluiten van 11 mei 1998, nr. DB98/1978M en van 14 april 1999, nr. DB99/982M zich verhouden tot de bepaling in het voorgestelde artikel 3.6.11, tweede lid, onderdeel a.

In artikel 3.6.11, tweede lid, onderdeel a, is voorgesteld de rente op een schuld die is aangegaan ter financiering van de rente op een schuld die is aangegaan ter verwerving van de eigen woning niet in aftrek te laten. Hierbij zal het in de meeste gevallen gaan om een verhoging van de schuld die is aangegaan ter verwerving van de eigen woning met bijgeschreven rente. Door middel van het voorgestelde artikel wordt bereikt dat de schuld die is aangegaan om hypotheekrente te financieren in box III in aanmerking zal worden genomen. Het karakter van de schuld brengt met zich dat deze schuld niet thuishoort in box I. De schuld is immers niet aangegaan ter verwerving van de eigen woning. Op het tijdstip waarop het wetsvoorstel kracht van wet krijgt hebben de door de VVD vermelde besluiten dan ook hun belang verloren.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het verschil tussen een spaarhypotheek en een annuïteitenhypotheek en waarom deze in dezelfde box vallen.

Bij een spaarhypotheek wordt de geldlening afgelost met het geld dat vrijkomt uit de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering. Tussentijds wordt niet afgelost. Bij de annuïteitenhypotheek wordt regelmatig afgelost met in beginsel gelijkblijvende bedragen. Beide hypotheekvormen vallen in box 1 indien en voor zover zij zijn aangewend voor de aanschaf, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de aftrek van periodieke erfpachtcanons gehandhaafd is. De aftrek van periodieke erfpachtcanons is onderdeel van de huidige regeling met betrekking tot de eigen woning. Gelet op het regeerakkoord is een beperking van deze aftrek niet aan de orde.

4.3.1.2. Eigenwoningforfait

Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de fractie van het CDA dat zij vraagtekens plaatsen bij het feit dat het huurwaardeforfait door de waardestijging van woningen al maar stijgt, wordt het volgende opgemerkt.

Met ingang van 1997 bedraagt het percentage van het huurwaardeforfait voor de eerste eigen woning – zoals hiervoor is aangegeven – (in de meeste gevallen) 1,25% van de waarde van die woning. De waarde van de eigen woning wordt sinds 1997 bepaald op basis van de regels van de Wet WOZ. Voor de toepassing van het huurwaardeforfait betekent dit dat in het eerste WOZ-tijdvak – dat loopt van 1997 tot en met het jaar 2000 – gebruik wordt gemaakt van waardegegevens per 1 januari 1995. Deze waardegegevens blijven het gehele WOZ-tijdvak ongewijzigd als uitgangspunt fungeren. Wel is wettelijk vastgelegd dat het huurwaardeforfait met ingang van 1997 wordt geïndexeerd. In de structurele situatie komt deze indexering er op neer dat het percentage van het huurwaardeforfait jaarlijks wordt aangepast aan de huurontwikkeling, en dat eens in de vier jaar – bij aanvang van een nieuw WOZ-tijdvak – tevens een aanpassing plaatsvindt aan de hand van de waardeontwikkeling van woningen (artikel 66e van de Wet op de inkomstenbelasting 1964). Voor het eerste WOZ-tijdvak is echter bepaald dat de jaarlijkse aanpassing van het huurwaardeforfait wel plaatsvindt, maar feitelijk pas met ingang van het jaar 2001 effectief zal doorwerken in de hoogte van het percentage van het huurwaardeforfait. Gevolg daarvan is dat niet alleen het percentage van het huurwaardeforfait sinds 1997 niet is gewijzigd, maar de grondslag evenmin. Er is dan ook geen meeropbrengst, zodat ook het in de vorm van belastingverlaging teruggeven daarvan niet aan de orde kan zijn.

4.3.1.3. Eigenwoningdefinitie

D168 / K 120 / D179 / F 276

De leden van de fracties van het CDA en de VVD vragen waarom niet in de wet is vastgelegd welke woning als «eigen woning» moet worden aangemerkt als partners een verschillende keuze maken. Welke aangifte is maatgevend voor de kwalificatie eigen woning? Bovendien vraagt de CDA-fractie of het juist is dat in situaties waarin partners er onderling niet uit kunnen komen welke woning als eigen woning wordt bestempeld, de eigen woningfaciliteit komt te vervallen. Tenslotte merken de leden van de fractie van het CDA op dat naar hun mening volgens de tekst van de wet de keuze met betrekking tot het aanwijzen van welke woning als de eigen woning heeft te gelden, moet worden gedaan bij de aangifte. De tekst van artikel 3.6.2, vijfde lid, lijkt ruimte te bieden om daar bijvoorbeeld door een aanvulling op terug te komen. Volgens de toelichting is de keuze echter op geen enkele wijze te herzien. De fractieleden vragen waarom is gekozen voor zo een strak stelsel en waarom de tekst van de wet daarover niet eenduidig is.

Partners met meer dan één woning die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, komen slechts voor één van die woningen in aanmerking voor de eigen woningregeling. Zij moeten in dat geval gezamenlijk bij de aangifte van één van de partners kiezen voor welke woning zij de faciliteit willen genieten. De aangifte die het eerste bij de belastingdienst binnenkomt, is doorslaggevend. Het uitgangspunt dat de aangifte die het eerste binnenkomt wordt gevolgd, is van zuiver praktische aard. Het voordeel zowel voor de belastingplichtige als voor de belastingdienst is dat de afhandeling van de aangifte van de belastingplichtige terstond ter hand kan worden genomen zonder dat eerst de ontvangst van de aangifte van de partner behoeft te worden afgewacht. Indien partners in hun eigen aangiften niet gezamenlijk een woning kiezen, betekent dat in wettelijke termen geen zij geen keuze hebben gemaakt en derhalve geen van de woningen als hoofdverblijf wordt aangemerkt (artikel 3.6.2, zesde lid, onderdeel b).

Indien partners tezamen over meer dan één woning beschikken, maar onderling geen overeenstemming kunnen bereiken over de vraag welke woning zij in aanmerking willen nemen voor de toepassing van de eigen woningregeling, zal met betrekking tot geen van de woningen uiteindelijk het eigen woningforfait worden toegepast. De reden voor het opnemen van deze bepaling is dat partners de vrijheid moeten hebben om in situaties waarin beide woningen in aanmerking zouden kunnen komen voor de eigen woningregeling, zelf te bepalen voor welke woning zij wensen te kiezen of juist bewust niet te kiezen. Bovendien behoort het niet tot de taak van de belastingdienst om een dergelijk verschil van mening tussen belastingplichtigen te beslechten.

De keuze welke woning als eigen woning moet worden aangemerkt wordt zoals gezegd door de belastingplichtigen gezamenlijk bij de aangifte gemaakt. Op deze keuze kan niet worden teruggekomen (artikel 3.6.2, zesde lid, onderdeel a). Op deze wijze kan, zoals hiervoor al opgemerkt, een snelle afhandeling van de aangifte worden gewaarborgd.

De leden van de fractie van het CDA vragen zich af of het tweede en derde lid van artikel 3.6.2 wel goed doordacht zijn. Welke woning, is indien beide partners na het verbreken van de relatie een andere woning betrekken en de voorheen gezamenlijke woning wordt te koop aangeboden, de «oude woning»? Hoe is de situatie indien een van de partners vertrekt terwijl de gezamenlijk woning nog niet aan de aan de in de woning achterblijvende partner is verkocht? Is het redelijk om er in dergelijke situaties rekening mee te houden dat de woning de ex-partner in eigendom toebehoort.

Het tweede en derde lid van artikel 3.6.2 hebben tot doel het aankopen van een nieuwe woning door belastingplichtigen niet te bemoeilijken. Omdat een dergelijke regeling een afwijking van het wettelijke systeem – de eigen woningfaciliteit wordt slechts voor één woning van belastingplichtigen of partners toegestaan – betekent, worden hieraan nadere beperkende voorwaarden gesteld.

Als beide partners na het verbreken van de relatie elk een andere woning betrekken dan zal voor elk van hen sprake zijn van een eigen woning, mits ook aan de overige voorwaarden is voldaan. De beperking dat zij tezamen maar één eigen woning voor de eigen woningregeling in aanmerking kunnen nemen, is op hen niet langer van toepassing omdat zij geen partners meer zijn. De leeggekomen woning zal als deze leeg te koop wordt aangeboden voor een van hen of voor hen beiden (gedeeltelijk) een eigen woning zijn in de zin van artikel 3.6.2, tweede lid. Als echter een van hen in de woning achterblijft dan is voor de achterblijvende partner slechts sprake van een eigen woning voor het gedeelte dat hem toebehoort. Voor het andere gedeelte is sprake van een woning die in box III thuishoort. In een dergelijke situatie kan er geen rekening mee worden gehouden dat de woning eigendom is van de voormalige partner omdat dan het beginsel van slechts één eigen woning voor een belastingplichtige of voor partners zou worden verlaten.

De leden van de fractie van het CDA stellen de vraag voor wie de nieuw te bouwen woning is aan te merken als een eigen woning in het geval waarin twee aanstaande partners met ieder een eigen woning samen een nieuwe woning laten bouwen.

Gelet op de feitelijke situatie dat er bij hen nog geen sprake is van partnerschap zal voor ieder van hen gelden dat de beantwoording van de vraag of sprake is van een eigen woning afhankelijk is van de mate van zijn gerechtigdheid tot de nieuwe woning. Voor zijn deel zal voor hem sprake zijn van een nieuwe eigen woning als bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid.

De leden van de fractie van het CDA merken vervolgens op dat als mensen gaan samenwonen en men had voorheen ieder een eigen woning dat vaak de «tweede woning» nog gedurende enige tijd wordt aangehouden.

Deze leden merken terecht op dat als mensen als partner gaan samenwonen de woning die niet als hoofdverblijf gaat dienen een tweede woning is waarop artikel 3.6.2, tweede lid, niet van toepassing is. Anders dan in de huidige wet wordt immers eenduidig vastgelegd dat partners samen slechts één eigen woning kunnen hebben. De eventuele andere woning verschuift naar box III, waarbij de bepalingen van de vermogensrendementsheffing van toepassing worden.

De leden van de PvdA-fractie, de CDA-fractie en de leden van de fracties van GPV en RPF constateren – in navolging van MKB-Nederland en LTO-Nederland – dat voor de overdracht van de eigen woning onder voorbehoud van vruchtgebruik e.d. door ouders aan hun kinderen in het wetsvoorstel geen specifieke uitzonderingsregeling geldt zoals in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vastgesteld wordt dat dit enerzijds tot gevolg heeft dat bij de ouders de eigenwoningregeling niet meer van toepassing is, anderzijds dat de blote eigendom van de kinderen onder de forfaitaire rendementsheffing valt. De fractieleden vragen zich af waarom overgangsrecht ontbreekt. Ten aanzien van de eigenwoningregeling wordt gewezen op het vervallen van de mogelijkheid om financieringsrente te kunnen aftrekken, zowel bij de ouders als bij de kinderen. De leden van de CDA-fractie concluderen dat hierdoor in een groot aantal gevallen langlopende financieringsverplichtingen niet meer tot aftrekbaarheid leiden. Voorts vragen de leden van het CDA of er een overgangsregeling komt voor bijvoorbeeld mensen die niet meer onder de eigen woningregeling vallen maar dat wel deden onder het oude regime. Bijvoorbeeld in het geval ouders een recht van vruchtgebruik hebben bedongen op het pand van de kinderen en daarvoor een schuld zijn aangegaan.

Als de eigendom van de eigen woning door de ouders wordt overdragen onder voorbehoud van vruchtgebruik, is de eigenwoningregeling niet van toepassing bij de vruchtgebruiker, in casu de ouders. Dit vloeit voort uit het feit dat een woning die de belastingplichtige krachtens vruchtgebruik ter beschikking staat niet als eigen woning kwalificeert (behoudens de uitzondering voor vruchtgebruik dat krachtens erfrecht is verkregen). Ook is de financieringsrente niet aftrekbaar bij de blote eigenaar, het kind. Dit gevolg past in de opzet van het nieuwe stelsel om de eigenwoningregeling toe te snijden op die gevallen waarin echt sprake is van een eigen woning. In dit verband past ook dat de eigenwoningregeling bij partners is beperkt tot één woning. Indien een woning ter beschikking staat op grond van een recht van vruchtgebruik is er een sterke overeenkomst met gebruik of huur van een woning en is er in feite geen sprake van een eigen woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat en waarvan zowel de voordelen en de lasten als ook de waardeverandering van de woning hem aangaat. Bovendien is sprake van een bewuste keus van de ouder om de blote eigendom van de woning over te dragen. Er wordt slechts een uitzondering gemaakt voor de situatie waarin de langstlevende ouder overeenkomstig het versterferfrecht dan wel een uiterste wilsbeschikking in de woning blijft. In alle andere gevallen waarin het recht van vruchtgebruik door middel van een overeenkomst wordt gevestigd, worden de vruchtgebruiker en de bloot eigenaar belast in box III.

De reden voor het vervallen van de ouder-kind vrijstelling zoals opgenomen in artikel 25b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt verband met de systeemwijziging inzake genotsrechten in box III. De blote eigenaar en de genotsgerechtigde worden beide naar rato van de waarde in het economische verkeer van respectievelijk de blote eigendom en het genotsrecht in de forfaitaire rendementsheffing betrokken. Dit geldt zowel voor blote eigendommen die betrekking hebben op tijdelijke genotsrechten als voor blote eigendommen die betrekking hebben op niet-tijdelijke genotsrechten. Een en ander vloeit voort uit de systematiek van de forfaitaire rendementsheffing, waarbij het onderscheid tussen een (belaste) inkomstensfeer en een (onbelaste) vermogenssfeer niet langer bepalend is voor de vraag of sprake is van fiscaal belastbare vermogensinkomsten. Bepalend is de wetsfictie dat tot de rendementsgrondslag behorende vermogensbestanddelen geacht worden rendement in economische zin op te leveren. Dit geldt derhalve ook voor blote eigendommen van tot box III behorende vermogensbestanddelen. Daar waar de blote eigendom betrekking heeft op een tijdelijk genotsrecht, treedt door het verloop van een vastgestelde periode een waardegroei op van blote naar volle eigendom. In dergelijke situaties is het economisch rendement derhalve nadrukkelijk zichtbaar. Het past niet langer om in dergelijke situaties een uitzondering te creëren op de forfaitaire rendementsheffing, ook niet indien het tijdelijke genotsrecht is ontstaan in ouder-kind situaties. Wij merken daarbij op dat het oorspronkelijke belang van de ouder-kind vrijstelling voor een belangrijk deel is weggevallen. Dit houdt verband met het vervallen van de vermogenstoets voor de bepaling van de eigen bijdrage van een bejaardenwoning. Deze toets was een belangrijke oorzaak van de behoefte van ouders om tijdens hun leven de blote eigendom van de woning aan hun kinderen over te dragen.

Wij merken overigens op dat de in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 opgenomen defiscalisering voor genotsrechten die krachtens erfrecht zijn verkregen in het wetsvoorstel wordt voortgezet door de toerekeningsbepaling van artikel 5.1.3a. Het gaat dan om blote eigendommen die ontstaan door de werking van het nieuwe ab intestaat erfrecht of een daarmee inhoudelijk overeenkomend testament, die door de werking van de genoemde bepaling worden toegerekend aan de vruchtgebruiker (de langstlevende ouder).

Het opnemen van een overgangsregeling voor bestaande ouder-kind sitiuaties ligt overigens niet voor de hand. De forfaitaire rendementsheffing is een heffing ter zake van economisch rendement. Van dubbele heffing is in de onderhavige gevallen geen sprake, aangezien de overdracht van de woning voor de ouders een onbelaste vermogenstransactie is geweest onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Wel is sprake van een andere verdeling van de heffing. Door de gesplitste benadering die aan artikel 5.3.3 ten grondslag ligt, worden de ouder en het kind beiden in de forfaitaire rendementsheffing betrokken. Mocht sprake zijn van restfinanciering, dan komt deze in mindering op de rendementsgrondslag. Er is dan ook geen overgangsregeling opgenomen in de Invoeringswet voor belastingplichtigen die onder de huidige wet wel in aanmerking komen voor de eigen woningregeling en hiervoor niet meer in aanmerking komen in het nieuwe stelsel. In het voorbeeld van de leden van de CDA-fractie zal doorgaans de eigendom van een onroerende zaak onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik zijn overgedragen. Indien een woning ter beschikking staat op grond van een recht van vruchtgebruik is er een sterke overeenkomst met gebruik of huur van een woning en is er in feite geen sprake van een eigen woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat en waarvan zowel de voordelen en de lasten als de waardeverandering hem aangaat.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat in echtscheidingssituaties ten gevolge van de beperking van de eigen woningregeling tot slechts één woning een overkill optreedt. Gedurende de periode voor de definitieve boedelverdeling zal veelal de vrouw met de kinderen in de woning verblijven. De vrouw zal in sommige gevallen geen en in andere gevallen deels eigenaar zijn. Bij de vrouw is in het laatste geval deels het eigenwoningforfait van toepassing. De door de man verschuldigde rente is bij hem niet aftrekbaar, omdat er geen sprake is van een hoofdverblijf. Eenzelfde situatie doet zich voor in alimentatiesituaties, waarbij in het kader van een echtscheidingsconvenant een recht van vruchtgebruik ten behoeve van de ex-echtgenoot, meestal de vrouw, is of wordt gevestigd.

Daarnaast stellen de leden van de fractie van het CDA vast dat ten aanzien van de alimentatie-ontvanger de eigen woningregeling niet van toepassing is op grond van de beperking in artikel 3.6.2, eerste lid, onderdeel b, tot vruchtgebruiken e.d. krachtens erfrecht. De fractieleden vragen zich af waarom aan laatstgenoemd onderdeel niet de «verdeling van een huwelijksgemeenschap als gevolg van ontbinding van het huwelijk» wordt toegevoegd.

Tenslotte vragen de leden van de fractie van het CDA zich af of het klopt dat het gedogen van de bewoning door de ex-echtgenoot niet valt onder de regeling voor alimentatie in de vorm van woongenot en hoe in dergelijke gevallen de heffing dient plaats te vinden.

Een belastingplichtige die zijn woning ter beschikking stelt aan zijn ex-echtgenoot komt niet in aanmerking voor de aftrek van hypotheekrente in box I, omdat zoals de leden met recht opmerken voor hem de woning geen eigen woning meer is. De woning en de hypotheekschuld voor die woning verschuiven naar de forfaitaire rendementsheffing van box III. Dit is een gevolg van het beginsel dat uitsluitend echte eigen woningen in aanmerking kunnen komen voor de eigen woningregeling. Ook valt een andere benadering moeilijk te voegen in het uitgangspunt dat een belastingplichtige of partners maar voor één woning in aanmerking kunnen komen voor de eigen woningregeling.

Wanneer het woongenot van de woning wordt verstrekt in het kader van alimentatieverplichtingen verschuift, zoals gezegd, de woning onder aftrek van de eventuele hypotheekschuld naar box III. In artikel 5.3.3, vierde lid, is geregeld dat de woning voor de volle waarde in box III valt. De belastingplichtige kan wel in het kader van alimentatie het bij die woning behorende eigenwoningforfait aftrekken (artikel 6.2.1, tweede lid) als onderhoudsverplichting.

Ten aanzien van de alimentatie-ontvanger, in casu de vrouw, wordt het woongenot op basis van artikel 2.5.2, tweede lid, als periodieke verstrekking belast op basis van het eigenwoningforfait. Deze regeling die een voortzetting vormt van de systematiek van artikel 30 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, maakt toepassing van de eigenwoningregeling bij de vrouw overbodig. Dit geldt eveneens voor situaties waarbij in het kader van het echtscheidingsconvenant een recht van vruchtgebruik ten behoeve van de ex-echtgenoot wordt gevestigd. Het vruchtgebruik kwalificeert als periodieke verstrekking van woongenot, waarop artikel 3.5.2, tweede lid, in combinatie met de artikelen 5.3.3, vierde lid, en 6.2.1, tweede lid, van toepassing is. De door de leden van de CDA-fractie aangevoerde suggestie om de eigenwoningdefinitie in artikel 3.6.2, eerste lid, onderdeel b, uit te breiden met «vruchtgebruik e.d. verkregen krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap als gevolg van ontbinding van het huwelijk» past niet in deze systematiek.

De leden van de fractie van het CDA stellen de vraag of het begrip economisch belang in het besluit van 4 maart 1999 gelijk is aan het begrip economisch eigendom in het voorgestelde artikel 3.6.2, eerste lid, onderdeel a. Verder willen zij weten of de uitzonderingen die in het besluit worden genoemd eveneens gelden.

In het voorgestelde artikel 3.6.2, eerste lid, onderdeel a, wordt de woning die in economisch eigendom wordt gehouden in bepaalde omstandigheden aangemerkt als een eigen woning. Het begrip economisch eigendom dient hierbij volgens de gangbare juridische definitie te worden geïnterpreteerd. Doel van deze gelijkstelling is om ook gevallen waarin de belastingplichtige alle risico's loopt en kosten voor zijn rekening neemt doch niet de juridische eigendom heeft, onder de eigenwoningregeling te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan een woning op erfpachtgrond of een appartementsrecht van een woning.

Daarnaast is in onderdeel a van artikel 3.6.2 voor alle soorten eigendom een aanvullende voorwaarde opgenomen inzake de mate waarin de waardeverandering de belastingplichtige aangaat. Deze voorwaarde houdt in dat de waardeverandering de belastingplichtige grotendeels moet aangaan. Genoemde voorwaarde is in lijn met het Besluit van 4 maart 1999, nr. DB99/669, waarin wordt aangegeven dat – kort gezegd – voor de toepassing van de eigenwoningregeling in voldoende mate sprake moet zijn van belang bij de waardeontwikkeling van de gehele woning. De uitzonderingssituaties die in dit besluit zijn opgenomen, gelden eveneens onder de voorgestelde wetgeving.

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA vragen of voor de toerekening van vermogensbestanddelen die door de anti-arbitragemaatregelen in het resultaat uit overige werkzaamheden worden betrokken, het huwelijksgoederenregime van belang is.

Bij een algehele gemeenschap van goederen is het ter beschikking stellen van vermogen tussen de echtgenoten zonder betekenis en wordt ook niet in het resultaat uit overige werkzaamheden betrokken. Indien een vermogensbestanddeel wordt aangewend voor een onderneming van een van de echtgenoten, kan deze echtgenoot op dit vermogensbestanddeel de normale regels van vermogensetikettering van toepassing.

Bij andere vormen van huwelijksvermogensrecht is het wel mogelijk dat echtgenoten over vermogensbestanddelen buiten de goederengemeenschap bezitten. Aangezien het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen tussen de echtgenoten dan wel betekenis heeft, worden deze wel in het resultaat uit overige werkzaamheden betrokken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen in hoeverre de recent naar buiten gekomen voorstellen van de regering inzake het vervallen van de verplichting tot samenwonen voor gehuwden gevolgen heeft voor de belastingheffing inzake de eigen woning. De leden van de fractie van D66 vragen of de principes van de voorgestelde eigen woningregeling ondermijnd zouden kunnen worden door de recente voorstellen om gehuwden niet langer te verplichten op hetzelfde adres te wonen. Deze leden vragen zich af of er dan twee hoofdverblijven ontstaan.

Het kabinetsvoorstel inzake het vervallen van de verplichting tot samenwonen van gehuwden zal geen gevolgen hebben voor het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001. Thans kunnen echtgenoten in onderling overleg reeds afwijken van deze plicht, in zoverre verandert er dus materieel eigenlijk niets. Het vervallen van de verplichting tot samenwonen zal bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij gehuwden met meer dan één eigen woning niet tot gevolg hebben dat zij voor meer dan één van die woningen in aanmerking kunnen komen voor de eigen woningregeling van box I.

4.3.2. Tweede eigen woning

Het doet ons genoegen dat de leden van de fractie van de PvdA instemmen met het voorstel de hypotheekrente met betrekking tot de tweede woning niet meer in mindering te brengen op de belastbare inkomsten uit eigen woning, maar het saldo van die woning te brengen onder de forfaitaire rendementsheffing. Het verheugt ons dat ook de leden van de VVD-fractie instemmen met de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek met betrekking tot de tweede eigen woning.

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel eigenwoningbezitters er in Nederland zijn. Dit aantal bedroeg in 1998 circa 3,2 miljoen. Dit blijkt uit nog niet gepubliceerde cijfers van het Woningbehoeftenonderzoek 1998, dat onder verantwoordelijkheid van het Centraal Bureau van de Statistiek en het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt uitgevoerd. De VVD-fractie vraagt vervolgens aan te geven hoeveel personen met een tweede eigen woning deze woning verhuren en hoeveel personen de tweede woning voor eigen gebruik hebben. Het aantal personen met een tweede eigen woning in de zin van artikel 42a, elfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedraagt ruim 60 duizend. Op grond van fiscale gegevensbestanden valt niet precies aan te geven welk deel hiervan de woning mede verhuurt.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of de constatering juist is dat gemiddeld genomen een tweede woningbezitter die zijn woning verhuurt er in het nieuwe systeem gemiddeld op vooruit gaat in tegenstelling tot iemand die zijn eigen woning voor eigen gebruik heeft. Gezien het feit dat hypotheekrente betaald ter financiering van de tweede eigen woning in het nieuwe systeem niet langer aftrekbaar is, hangt de vraag of personen met een tweede eigen woning er in het nieuwe systeem op vooruit gaan in belangrijke mate af van de vraag of deze woning met eigen vermogen dan wel met vreemd vermogen is gefinancierd. Ook is daarbij van belang in hoeverre men nog aanspraak kan maken op de vrijstelling in box III. Omdat de inkomsten uit de tweede eigen woning in het nieuwe systeem forfaitair bepaald worden, geldt voorts dat naarmate de feitelijke opbrengsten uit verhuur hoger liggen, de overgang naar het nieuwe systeem voordeliger zal zijn. Voor zover de fiscaal in aanmerking te nemen opbrengsten uit verhuur hoger liggen dan het huurwaardeforfait voor de tweede woning van 2,05% is de overgang naar box III gunstiger indien men ook verhuurt en het pand weinig onderhoud behoeft.

Ook vraagt de VVD-fractie of mensen met een tweede woning, bijvoorbeeld in een vakantiepark, nog geconfronteerd zullen worden met een vermogensverlies als gevolg van het feit dat de hypotheekrenteaftrek voor de tweede woning vervalt. De effecten die uitgaan van de belastingherziening op de prijzen van tweede woningen, voorzover betrekking hebbend op woningen niet bedoeld voor permanent verblijf, zijn niet eenduidig aan te geven. Tegenover het vervallen van de hypotheekrenteaftrek voor de tweede woning staat niet alleen dat tegelijkertijd ook het huurwaardeforfait van 2,05% niet meer van toepassing is maar ook dat de inkomsten uit verhuur voortaan niet langer progressief worden belast. Van deze laatste verandering zal een prijsverhogend effect uitgaan. Er kan derhalve niet op voorhand worden gesteld dat hier sprake zal zijn van vermogensverliezen.

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek voor de tweede woning ook geldt voor woningen die ter uitvoering van de functie worden gebruikt. De aftrek van hypotheekrente is uitsluitend mogelijk voor de eigen woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat. Uit welke hoofde een belastingplichtige ertoe overgaat een tweede woning op na te houden is niet van belang. Deze tweede woning wordt altijd in box III belast.

De leden van de CDA-fractie stellen een aantal vragen onder de noemer «tweede huis en mobiliteit». De eerste vraag heeft betrekking op vergoedingen van de kosten van huisvesting buiten de woonplaats van de werknemer. Naar aanleiding daarvan kunnen wij opmerken dat de thans geldende regeling (artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel j, 2°, in verbinding met artikel 15, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964) inhoudelijk ongewijzigd wordt overgenomen in artikel 15b, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze bepaling is opgenomen in het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Dit betekent dat ook na inwerkingtreding van de onderhavige belastingherziening een vergoeding door de werkgever van huisvestingskosten buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking bij de werknemer onbelast blijft voorzover de vergoeding betrekking heeft op een periode van niet meer dan twee jaar. Voorzover over een langere periode dan twee jaar een vergoeding wordt genoten, wordt deze belast.

De tweede vraag heeft betrekking op de kosten die bij een verhuizing van de werknemer naar de buurt van zijn werk vallen op de aankoop van een woning. Dergelijke kosten kunnen naar vaste rechtspraak niet onbelast worden vergoed omdat zij geheel tot de vermogenssfeer behoren. Met ingang van 1 januari 1997 is overigens bepaald dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen met betrekking tot vergoedingen van de aanen verkoopkosten van de woning van de werknemer bij bedrijfsverplaatsingen en andere zakelijke verhuizingen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 door de werkgever bij wijze van eindheffing is verschuldigd, en wel tegen het enkelvoudige tarief (artikel 31, tweede lid, onder e, van de Wet op de loonbelasting 1964 in verbinding met artikel 36a, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990). Deze regeling, die het midden houdt tussen een vrijstelling (die niet zou zijn te verdedigen ten opzichte van andere belastingplichtigen die een huis kopen) en een onverkorte heffing (die bezwaarlijk is omdat het gaat om loon met een bestemmingskarakter), zal worden gecontinueerd.

De derde vraag heeft betrekking op belastingplichtigen die een tweede woning aanhouden in de buurt van hun werk. Naar aanleiding daarvan merken wij op dat de aan huisvesting buiten de woonplaats verbonden kosten thans in de regel niet aftrekbaar zijn en in het nieuwe stelsel in het geheel niet. Kostenaftrek is nu nog slechts onder bijzondere omstandigheden mogelijk, met name als van de werknemer in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij naar de buurt van zijn werk gaat verhuizen, zoals tijdens de proeftijd of als van tevoren vaststaat dat het werk slechts tijdelijk is. In de bijzondere gevallen dat kostenaftrek mogelijk is, is deze genormeerd tot een periode van ten hoogste twee jaar. Indien een werknemer om zakelijke redenen een tweede woning in de buurt van zijn werk in eigendom moet aanschaffen – zo begrijpen wij althans het door de leden van de CDA-fractie geschetste voorbeeld – gaan wij ervan uit dat de daardoor opgeroepen extra huisvestingskosten door de werkgever worden vergoed. Zoals hierboven al is uiteengezet, wordt de wettelijke regeling met betrekking tot vergoedingen van extra huisvestingskosten niet gewijzigd. Dat de hier bedoelde tweede woning tevens in box III valt, vloeit voort uit de opzet van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Wij delen om vorenstaande redenen dan ook niet de zienswijze – de leden van de CDA-fractie informeren hiernaar – dat de belastingherziening op dit punt zou bijdragen aan het mobiliteitsprobleem.

De leden van de fractie van het CDA informeren onder welk regime een koopwoning valt die niet het hoofdverblijf van de belastingplichtige is, maar wel zijn enige eigen woning.

Een belastingplichtige die wel eigenaar is van een hem ter beschikking staande woning terwijl die woning niet zijn hoofdverblijf is, zal op grond van artikel 3.6.2, eerste lid, die woning niet als eigen woning kunnen aanmerken. De woning valt dan onder het regime van box III.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om een reactie dat de aftrek van schulden ten aanzien van een tweede woning slechts toekomt aan grote vermogensbezitters.

Het aanschaffen van een tweede woning met volledige financiering heeft, onafhankelijk van de vraag of iemand een groot of een klein vermogen heeft, geen enkele invloed op de rendementsgrondslag. Tegenover het belaste vermogensbestanddeel kan namelijk altijd exact de schuld in aftrek worden gebracht. We onderschrijven deze stelling van GroenLinks dan ook niet.

4.3.3. Kapitaalverzekering voor eigen woning als hoofdverblijf

De leden van de fracties van de PvdA, VVD, het CDA (op een aantal plaatsen) en D66 constateren een verschil tussen de bezitters van een eigen woning, die gebruik kunnen maken van de vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning, en huurders die daarvan geen gebruik kunnen maken. Zij vragen zich af in hoeverre huurders worden benadeeld en met name zij de kapitaalverzekeringen afsluiten met de bedoeling deze te gebruiken voor de studie van de kinderen of de oude dag. De PvdA-fractie vraagt zich overigens af of kopers in dit opzicht net zo hard worden getroffen. De leden van de fracties van VVD en CDA merken nog op dat in het wetsvoorstel Brede Herwaardering I een afzonderlijke vrijstelling in verband met de eigen woning is afgewezen omdat deze discriminerend zou zijn ten opzichte van huurders. De fractie van de VVD vraagt zich af hoe hierop in het nieuwe regime wordt geanticipeerd. De leden van de fractie van GroenLinks vragen meer in zijn algemeenheid waarom niet alle kapitaalverzekeringen in box III worden ondergebracht. Zij vragen waarom er een onderscheid wordt gemaakt tussen de kapitaalverzekering eigen woning en overige kapitaalverzekeringen en waarom eerstgenoemde kapitaalverzekeringen fiscaal gesubsidieerd worden ten opzichte van een annuïteitenhypotheek.

Gezien hun spaar- of beleggingskarakter behoren kapitaalverzekeringen in beginsel in box III. Dergelijke kapitaalverzekeringen worden allemaal behandeld in box III, ook- dit als reactie op de vraag van de PvdA – als de desbetreffende belastingplichtige een eigen woning ter beschikking staat. Er is slechts een uitzondering gemaakt voor de kapitaalverzekering eigen woning. Deze kapitaalverzekering heeft naar onze mening een dusdanig nauwe relatie met de eigen woning – de uitkering moet verplicht worden aangewend voor de aflossing van de financieringsschulden ter zake van de verwerving van de eigen woning – dat de kapitaalverzekering eigen woning tezamen met de eigen woning en de daarbij behorende financieringsschulden een plaats in box I heeft gekregen. Indien niet steeds aan alle ter zake gestelde voorwaarden wordt voldaan, vervalt de faciliteit en de plaatsing in box I en wordt de verzekering, nadat daarover is afgerekend in box I, overgebracht naar box III. Belastingplichtigen met een eigen woning kunnen ter aflossing van de financieringsschulden tevens een kapitaalverzekering eigen woning afsluiten. Belastingplichtigen zijn hierin vrij. Hierdoor wordt geen ongelijke behandeling tussen kopers en huurders gecreëerd. De fiscale behandeling van een eigen woning is immers afwijkend van die van een gehuurde woning. Evenmin is er een ongerechtvaardigde discriminatie van de annuïteitenhypotheek. Bij deze hypotheekvorm wordt immers gedurende de looptijd van de geldlening, in elke termijn een gedeelte van de hypotheekschuld afgelost. Deze hypotheekvorm wijkt daarmee voldoende af van die van de hypotheekvorm waarbij de geldlening wordt afgelost door de uitkering uit de kapitaalverzekering eigen woning, dat het geen ongelijke behandeling is van gelijke gevallen. Voor een nadere en meer diepgaande onderbouwing van het feit dat er geen sprake is van een discriminerende faciliteit, wordt verwezen naar het nader rapport aan de Koningin waar onder punt 76 uitgebreid op deze materie is ingegaan. De vraag van D66 over de kritiek uit de samenleving dat de burger die, aangemoedigd door de overheid, voor een langere periode gelden afzondert in een kapitaalverzekering, erop mag rekenen dat de overheid de spelregels niet verandert, zal behandeld worden in de nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fracties van GPV en RPF waarom wat betreft de fiscale begeleiding een onderscheid wordt gemaakt tussen de kapitaalverzekering eigen woning en het buiten een dergelijke kapitaalverzekering om sparen voor aflossing van een lening die verband houdt met de eigen woning, wordt het volgende opgemerkt. Via de kapitaalverzekering eigen woning kan, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, een belastingvrije uitkering worden genoten. Een van de belangrijkste voorwaarden in dat verband is dat de uitkering daadwerkelijk wordt aangewend voor de aflossing van een (al dan niet onder hypothecair verband afgesloten) schuld die heeft gediend ter financiering van de eigen woning. Door deze directe economische koppeling is een andere bestemming van de uitkering, wil men in aanmerking komen voor de vrijstelling, dus niet mogelijk. Zoals ook in het nader rapport (punt 76) is aangegeven, is een dergelijke kapitaalverzekering eigen woning niet vergelijkbaar met andere, meer vrijblijvende spaarvormen waarmee (op termijn) een eigenwoningschuld zou kunnen worden afgelost. In dat verband zijn in het nader rapport twee belangrijke verschillen genoemd. In de eerste plaats is daar aangegeven dat een kapitaalverzekering eigen woning een levensverzekering is; van veel andere spaarvormen kan dat niet worden gezegd. Het levensverzekeringskarakter is in dezen van belang omdat daarmee bereikt wordt dat bij vooroverlijden de erfgenamen niet achterblijven met een (gedeelte van de) hypotheekschuld. Hiermee vervult deze kapitaalverzekering een maatschappelijk doel, passend ook binnen de fiscale behandeling van de eigen woning. Als tweede belangrijke verschil is aangegeven dat het vermogen dat als premie op een kapitaalverzekering is gestort – inclusief het aangegroeide rendement – niet vrij beschikbaar is. Dit vermogen komt pas vrij op momenten waarop het maatschappelijk bezien gebruikelijk is om de geldlening af te lossen. Overigens biedt ook de vermogensvorming in box III, onder andere vanwege de genoemde vrije beschikbaarheid en het feit dat niet gedwongen via een verzekeringsmaatschappij behoeft te worden gespaard, haar eigen specifieke voordelen.

De VVD-fractie vraagt waarom bestaande kapitaalverzekeringen, waaronder de polissen van vóór 1 januari 1992 die thans vallen onder de overgangsregeling van artikel 76 Wet IB 1964, met een looptijd korter dan 20 jaar of langer dan 30 jaar niet in aanmerking kunnen komen voor een behandeling als kapitaalverzekering eigen woning.

Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet kunnen polissen met een looptijd van langer dan 30 jaar, ook oude polissen van vóór 1 januari 1992, wél het regime van de kapitaalverzekering eigen woning deelachtig worden. Voor polissen met een looptijd van minder dan 20 jaar geldt dit niet. Deze polissen kunnen echter tot en met 31 december 2002 op een dusdanige wijze worden aangepast, bijvoorbeeld verlenging van de premie- en looptijd, dat ze alsnog gebruik kunnen maken van de regeling voor de kapitaalverzekering eigen woning. Overigens is het overgangsregime dusdanig dat de rente-aangroei tot en met 31 december 2002, ongeacht de hoogte van de uitkering, altijd volledig is vrijgesteld als de polis wordt afgewikkeld conform de eisen die daaraan in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden gesteld.

Evenals de PvdA-fractie vragen de leden van de fracties van de VVD en CDA waarom nieuwe kapitaalverzekeringen met een looptijd korter dan 20 jaar of langer dan 30 jaar niet als kapitaalverzekering eigen woning kunnen fungeren. De leden van de fracties van de PvdA en CDA vragen of dit de prikkel tot aflossing van hypotheken binnen 20 jaar niet wegneemt.

Polissen met een voorziene looptijd van minder dan 20 jaar kunnen niet in aanmerking komen als kapitaalverzekering eigen woning. Dit houdt verband met het feit dat de meeste kapitaalverzekeringen die gebruikt worden in het kader van de financiering van de eigen woning tenminste een dergelijke looptijd hebben. Deze termijn is veelal noodzakelijk, mede gezien de bandbreedte-eis van 1:10, om een dergelijke bedrag aan premies te voldoen dat de uitkering voldoende is om de hypothecaire geldlening af te lossen. De looptijd houdt mede verband met de looptijd van de geldlening die in de meeste gevallen ook een termijn van tenminste 20 jaren kent. Voorts komt bij kortere looptijden de verzekeringsgedachte in het gedrang. Overigens betekent dit nog niet dat er bij een uiteindelijke looptijd van minder dan 20 jaren geen recht zou bestaan op de vrijstelling. In artikel 3.6.9, tweede lid, is immers bepaald dat bij verhuizingen, ongeacht de feitelijke looptijd van de polis, toch recht bestaat op de vrijstelling. Polissen met een looptijd van meer dan 30 jaar kunnen eveneens aangemerkt worden als een kapitaalverzekering eigen woning. Echter, als de polis de feitelijke looptijd van 30 jaar overschrijdt, wordt deze geacht fictief tot uitkering te zijn gekomen. Hiervoor is gekozen om een vorm van oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is het mogelijk om de kapitaalverzekering te laten doorlopen om daarmee optimaal gebruik te maken van de (jaarlijks verder geïndexeerde) vrijstelling terwijl de renteaftrek op de hypothecaire geldlening in stand blijft. Door invoering van de fictieve uitkering na 30 jaar, wordt de belastingplichtige min of meer gedwongen om de kapitaalverzekering tot uitkering te laten komen en deze aan te wenden voor aflossing van de hypothecaire geldlening. Slechts in dat geval bestaat recht op de vrijstelling. Als hij de polis gewoon laat doorlopen gaat deze, met heffing over het rente-element, over naar box III zodat er op geen enkele wijze gebruik is gemaakt van de vrijstelling. Op de vraag van de fractie van het CDA waarom er geen uitzondering wordt gemaakt voor reeds lopende contracten, zal in de nota naar aanleiding van het verslag van de Invoeringswet nader worden ingegaan.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat kapitaalverzekeringen tot eind 2003 aan de eigen woning gekoppeld kunnen worden. Zij vragen zich af of dit betekent dat partners twee verschillende kapitaalverzekeringen kunnen behouden die beiden gekoppeld zijn aan hun gezamenlijke eigen woning.

Het is voor partners zonder meer mogelijk om afzonderlijk een kapitaalverzekering af te sluiten en deze beide polissen te koppelen aan de gezamenlijke eigen woning. Dit kan bijvoorbeeld door de partner als verzekerd lijf aan te wijzen en de uitkering te zijner tijd aan te wenden ter aflossing van de (eventueel gezamenlijk aangegane) hypothecaire geldlening. Als aan de overige voorwaarden van artikel 3.6.7, tweede lid, wordt voldaan is sprake van een kapitaalverzekering eigen woning en bestaat onder de gebruikelijke voorwaarden recht op de vrijstelling. Overigens gebeurt het in de praktijk geregeld dat er in een kapitaalverzekeringscontract wordt overeengekomen dat bij overlijden van een van de partners er een kapitaalsuitkering plaatsvindt tot het bedrag van van de helft van de hypotheekschuld terwijl het restant wordt uitgekeerd bij overlijden van de andere partner of als deze in leven is op de einddatum. Hoewel in dit geval sprake is van één polis van levensverzekering kan er – in ieder geval fiscaal – van worden uitgegaan dat is voldaan aan artikel 3.6.7, tweede lid, onderdeel c, en is, als voorts voldaan is aan de overige voorwaarden, sprake van een kapitaalverzekering eigen woning.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het juist is dat ouderen die hun hypothecaire geldlening ten behoeven van de eigen woning reeds hebben afgelost, niet langer van de vrijstelling van de kapitaalverzekering eigen woning gebruik kunnen maken.

Ouderen zullen gezien hun leeftijd over het algemeen geen kapitaalverzekering meer bedingen met een premielooptijd van 20 jaar of meer. Reeds onder het huidige regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 maken zij derhalve nog weinig gebruik van de vrijstellingsregelingen. Dit geldt ook voor ouderen die hun woning schuldenvrij hebben zodat hun positie in het nieuwe stelsel materieel niet wezenlijk wijzigt.

De PvdA vraagt voorts of de ouderentoeslag in het forfaitaire rendement bedoeld is om te compenseren dat ouderen die hun hypothecaire geldlening hebben afgelost geen gebruik meer kunnen maken van de vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning.

De ouderentoeslag in het forfaitaire rendement heeft geen relatie met de vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning. De ouderentoeslag biedt op globale wijze compensatie voor het feit dat ouderen die naast een relatief laag inkomen uit werk en woning ook vermogensinkomsten hebben, die thans in de eerste schijf (circa 19%) worden belast, door introductie van het vaste tarief van 30% voor inkomen uit sparen en beleggen per saldo met nadelige koopkrachteffecten zouden kunnen worden geconfronteerd.

De VVD-fractie vraagt hoe de fiscale behandeling is van een kapitaalverzekering waarvan de uitkering bij in leven zijn gebruikt wordt voor aflossing van de hypothecaire geldlening op de eigen woning en de overlijdensuitkering niet. Zij stelt deze vraag omdat belastingplichtigen de behoefte kunnen hebben om deze uitkering, nu deze in de Wet IB 2001 niet meer ongelimiteerd is vrijgesteld, onbelast in box III te genereren.

Indien de wens bestaat om het gedeelte van een kapitaalverzekering dat ziet op de uitkering bij overlijden buiten de behandeling van de kapitaalverzekering eigen woning te houden, kan gekozen worden voor het afsluiten van twee verzekeringen waarbij één het recht geeft op een uitkering bij leven en één op een uitkering bij overlijden. De polis die recht geeft op een uitkering bij leven kan gekoppeld worden aan de eigen woning en heeft vervolgens, onder voorwaarden, recht op de vrijstelling van artikel 3.6.9. De polis die recht geeft op een uitkering bij overlijden kan op een eenvoudige wijze de behandeling in box III ondergaan, bijvoorbeeld door niet in die polis op te nemen dat de uitkering aangewend moet worden ter aflossing van de hypothecaire geldlening.

Hoe is de fiscale behandeling van een kapitaalverzekering eigen woning, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, als een belastingplichtige verhuist van de ene eigen woning naar een huurwoning en de kapitaalverzekering eigen woning wordt voortgezet. De VVD-fractie is in dit kader benieuwd wat de fiscale gevolgen zijn bij de verhuizing naar een nieuwe eigen woning als men in de tussentijd een aantal maanden in een huurwoning woont. De fracties van GPV en RPF vragen hoe met de vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning wordt omgegaan als de eigen woning binnen 20 jaar wordt verkocht. Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of het nog van belang is of er in de huurperiode een jaarwisseling valt.

Op het moment dat de belastingplichtige geen eigen woning meer ter beschikking staat door de verhuizing naar een huurwoning, vervalt de status van kapitaalverzekering eigen woning. Dit geldt ook als de eigen woning verlaten is nog voordat de kapitaalverzekering eigen woning 20 jaren heeft gelopen. Bij het verlaten van de eigen woning wordt er een fictieve uitkering in aanmerking genomen en wordt het tot op dat moment aangegroeide rente-element in de belastingheffing betrokken. Aangezien echter in al die gevallen voldaan zal zijn aan de voorwaarden van artikel 3.6.9, eerste lid, in combinatie met het tweede lid, bestaat er recht op de vrijstelling. Bij een dergelijke verhuizing treedt er tot het vrijgestelde bedrag dus geen belastingheffing op. Na het verlaten van de eigen woning wordt de kapitaalverzekering op de reguliere wijze in de belastingheffing van het inkomen uit sparen en beleggen betrokken. Deze systematiek geldt ook voor het geval dat men, in afwachting van het betrekken van de nieuwe eigen woning, tijdelijk in een huurwoning verblijft. Indien de belastingplichtige vervolgens zijn nieuwe eigen woning betrekt en de kapitaalverzekering aan deze woning koppelt, is de polis vanaf dat moment weer een kapitaalverzekering eigen woning. De renteaangroei van de polis gedurende de huurperiode is onderhevig geweest aan de belastingheffing in box III. Om een dubbele heffing over dit rente-element in box I te voorkomen wordt de tussentijdse aangroei als premie in aanmerking genomen (artikel 3.6.7, zevende lid). Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat de vrijstelling ter zake van de uitkering te zijner tijd op de juiste wijze wordt berekend. Dit is geregeld in artikel 3.6.9, vijfde lid; een regeling waarmee wordt bereikt dat de reeds verleende vrijstelling geen invloed heeft op de uiteindelijk te verlenen levenslange vrijstelling. Voorts is er in artikel 3.6.13, tweede lid, een regeling opgenomen voor tijdelijke (huur)perioden waarbij binnen 3 jaar de nieuwe eigen woning wordt betrokken. Deze regeling zorgt er voor dat, ondanks dat ter zake van de fictieve uitkering gebruik is gemaakt van de vrijstelling, de rente op de hypothecaire geldlening aftrekbaar blijft. Voor voorbeelden ter zake van deze regelingen wordt verwezen naar pagina 153 e.v. en de pagina's 158 en 159 van de Memorie van Toelichting. Het maakt voor de toepassing van de genoemde regelingen in beginsel niet uit of de huurperiode over een jaarwisseling heen gaat. Uiteraard is het wel zo dat als de huurperiode niet over een jaarwisseling heen gaat de kans bestaat dat de waarde van de kapitaalverzekering geen invloed heeft op de rendementsgrondslag van box III. Deze wordt immers bepaald op de peildata; veelal het begin en het einde van het jaar.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regeling van artikel 3.6.13 betrekking heeft op de gehele uitkering en niet enkel op het daarin vrijgestelde rentegedeelte. Slechts in zoverre is er in hun ogen een fiscale faciliteit genoten. Dit sluit, volgens de VVD-fractie, ook aan bij de opmerking in de Memorie van Toelichting dat «een eerder genoten vrijstelling van een kapitaalsuitkering uit een levensverzekering in mindering wordt gebracht».

Het feit dat de regeling van artikel 3.6.13 betrekking heeft op de gehele uitkering en niet enkel op het daarin vrijgestelde bedrag is ook al opgeworpen door de Raad van State (punt 81 van het Advies van de Raad van State van 12 augustus 1999). Aldaar is er op gewezen dat de vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning beoogt om de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden om belastingvrij te sparen voor de (aflossing van de financiering van de) eigen woning. Het bijeen sparen van een bepaald bedrag gaat onverbrekelijk samen met het inleggen van eigen geld; in casu het spaar- of kapitaalselement. Iedere belastingplichtige moet ook zelf een bijdrage leveren aan de aflossing van de hypothecaire geldlening. De vrijstelling geeft daarbij een fiscale begeleiding. Die begeleiding behelst niet alleen het onder voorwaarden vrijstellen van de renteaangroei, maar ook – in het verlengde daarvan – het voor de toepassing van het forfaitair rendement buiten aanmerking laten van het eigen vermogen dat als premie in een kapitaalverzekering is gestort. Tegen deze achtergrond achten wij het gerechtvaardigd dat deze stimulans wordt verstrekt onder de voorwaarde dat het eigen geld duurzaam in de eigen woning wordt geïnvesteerd. Zonder een duurzame aanwending van het eigen geld voor de eigen woning, zoals thans ook door de VVD-fractie wordt gesuggereerd, zou de (aflossing van de financiering van de) eigen woning uitsluitend met fiscaal vrijgestelde rente gefinancierd behoeven te worden. Daarmee wordt naar ons oordeel te veel afbreuk gedaan aan het bijzondere karakter van de aan de eigen woning gekoppelde kapitaalverzekering. Verder dient bedacht te worden dat de belastingplichtige – in de tijd aansluitend – telkens één eigen woning kan hebben. Weliswaar kunnen dit door verhuizingen opeenvolgend verschillende woningen zijn, maar deze hebben allen (ook fiscaal) dezelfde functie. De vrijstelling beoogt een faciliteit te geven voor (de aflossing van de financiering van) die ene eigen woning. Dat dit opeenvolgend verschillende huizen kunnen zijn, is hierbij niet van belang. Voorts wijzen wij er op dat als de eis van artikel 3.6.13 niet zou worden gesteld, de belastingplichtige – zonder repercussies – in feite terug kan komen op de aflossing die hij bij de verkoop van de vorige eigen woning gedaan heeft op de hypothecaire geldlening.

De opmerking uit de Memorie van Toelichting die de leden van de VVD-fractie aanhalen, spreekt over de vrijstelling voor de uitkering uit de kapitaalverzekering eigen woning; een vrijstelling die wordt toegepast op de gehele uitkering, dus op het rente-element én het kapitaalselement. Ook deze passage wijst er dus op dat het kapitaalselement in de uitkering, voor zover deze onder de vrijstelling is gevallen, invloed heeft op de regeling van artikel 3.6.13.

De fracties van de VVD en het CDA vragen zich af waarom de kapitaalverzekering eigen woning niet bij de eigen BV kan worden afgesloten. De CDA-fractie vraagt hoe het zit met reeds bestaande verzekeringen bij de eigen BV. De VVD-fractie is van mening dat het afsluiten van een dergelijke verzekering vaak voordeliger kan bij de eigen BV. Bovendien spreekt het haar niet aan om mensen te dwingen naar een externe financier te gaan als de eigen BV over geld beschikt.

Het afsluiten van de kapitaalverzekering bij de eigen BV houdt in zich dat het risico dat inherent is aan een verzekering in materiële zin, niet aan een derde wordt overgedragen. Immers, in economische zin verlaten de premies die aan de eigen BV worden betaald het vermogen – in ruime zin – van de belastingplichtige niet; er is feitelijk sprake van een spaarpot. Men kan zich nu eenmaal niet bij zichzelf verzekeren. Een dergelijke rechtsverhouding vloeit dan ook veelal voort uit het nastreven van een fiscaal aantrekkelijk resultaat. Onder deze omstandigheden is er geen enkele reden om bij een faciliteit als een vrijstelling de mogelijkheid van een dergelijk fiscaal resultaat in stand te laten. Evenals bij lijfrentevoorzieningen is er bij de kapitaalverzekering eigen woning daarom voor gekozen om de eis te stellen dat de verzekering is afgesloten bij een professionele verzekeraar. Een tweede belangrijk argument hiervoor is dat op deze wijze een zo optimaal mogelijke zekerheid wordt verkregen dat de verzekeraar zijn verplichtingen kan nakomen zodat min of meer gegarandeerd is dat de hypothecaire geldlening afgelost kan worden. Kapitaalverzekeringen die thans bij de eigen BV zijn afgesloten waarvan men de wens heeft deze als kapitaalverzekering eigen woning te gebruiken, dienen derhalve overgedragen te worden aan een professionele verzekeraar. Dergelijke kapitaaverzekeringen vallen in het normale overgangsregime. Tenslotte merken wij op dat het feit dat de eigen BV over geld beschikt, in dit kader niet van belang is omdat de belastingplichtige (en dus niet de eigen BV) over de nodige gelden moet beschikken om de premies te voldoen op de kapitaalverzekering.

De VVD-fractie merkt op dat de uitkering bij overlijden van een kapitaalverzekering in box III geheel belastingvrij is als deze toekomt aan de kinderen. Zij acht het dan niet juist dat een uitkering voor de echtgenoot c.q. partner in box I gemaximeerd is vrijgesteld. Zij constateert voorts dat de overlijdensuitkering ook ongeclausuleerd is vrijgesteld in box III als men is verhuisd naar een huurhuis en de polis korte tijd na de verhuizing tot uitkering komt. De leden van de VVD-fractie vragen in dit kader of de regeling van de kapitaalverzekering eigen woning heroverwogen kan worden.

De leden van de fractie van de VVD constateren terecht dat er een verschil in fiscale behandeling is voor uitkeringen uit een kapitaalverzekering als de polis in box I behandeld wordt als kapitaalverzekering eigen woning of in box III als een «gewone» kapitaalverzekering. De afwijkende fiscale behandeling vloeit voort uit het verschil in heffingssystematiek tussen box I en box III en het feit dat in box I onder omstandigheden recht bestaat op een vrijgestelde uitkering. Het onderscheid dat de VVD-fractie maakt tussen een ongelimiteerde vrijstelling bij uitkeringen aan kinderen en een gelimiteerde vrijstelling bij uitkeringen aan de echtgenoot c.q. partner is niet geheel juist. Indien de polis behandeld wordt als kapitaalverzekering eigen woning is de uitkering aan de echtgenoot c.q. partner inderdaad gelimiteerd vrijgesteld, maar kan de uitkering aan de kinderen – als deze tot de huishouding van de ouders behoren – eveneens gelimiteerd vrijgesteld zijn. Als de polis tot de rendementsgrondslag van box III behoort, wordt er jaarlijks een forfaitair rendement in acht genomen zodat een heffing over de uitkering als zodanig niet meer nodig is. Dit systeem geldt voor polissen die uitkeren aan de echtgenoot c.q. partner alsmede aan de kinderen. Het verschil in begunstiging leidt op dit punt dus niet tot een verschil in fiscale behandeling. Voorts is het juist dat de uitkering als zodanig uit een kapitaalverzekering niet in de heffing wordt betrokken als men kort daarvoor is verhuisd naar een huurwoning. Echter, op het moment dat de eigen woning wordt verlaten is er sprake van een fictieve uitkering van een kapitaalverzekering eigen woning in de zin van artikel 3.6.7, zodat de aangegroeide rente in beginsel in de belastingheffing wordt betrokken. Onder omstandigheden bestaat recht op de vrijstelling van artikel 3.6.9. Als de eigen woning is verlaten valt de polis in de rendementsgrondslag van box III en is er een op forfaitaire wijze berekend inkomen waarbij, evenals in andere gevallen, niet meer wordt geheven over de uitkering zelf. Nu er hierbij sprake is van een in zichzelf sluitend systeem van heffing is er geen reden om de regelingen te heroverwegen.

De VVD-fractie en de CDA-fractie vragen of het niet beter is om een ongelimiteerde vrijstelling in te voeren voor de uitkering bij overlijden zonder specifieke eisen aan de looptijd en koppeling aan de eigen woning. Als alternatief doen de leden van de VVD-fractie de suggestie om de vrijstelling voor uitkeringen bij overlijden te maximeren op drie maal de uitkering bij leven. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.6.7, zesde lid, onderdeel a, dat onder premies ter zake van de kapitaalverzekering worden begrepen premies voor uitkeringen bij overlijden voor zover die niet meer bedragen dan drie maal het verzekerde kapitaal bij leven. De leden van de CDA-fractie zijn verder benieuwd hoe de regeling uitwerkt voor de achterblijvende partner.

In het stelsel van de kapitaalverzekering eigen woning is ervoor gekozen om de hoogte van de vrijstelling op uitkeringen bij leven en overlijden gelijk te trekken. De vrijstelling is dusdanig hoog dat deze – met inachtneming van de indexatie – in het overgrote deel van de gevallen voldoende is om de hypothecaire geldlening zonder belastingheffing af te lossen. Er is geen aanleiding om de vrijstelling in hoogte aan te passen voor belastingplichtigen met hogere hypotheekschulden en duurdere woningen. Tevens is er op deze wijze ook enig evenwicht tussen kopers en huurders.

Met de gelimiteerde vrijstelling wordt, in combinatie met het voorgaande, tevens een in de praktijk gesignaleerd ontwijkingsgedrag met overlijdensrisicoverzekeringen voorkomen. Deze verzekeringsvorm wordt in het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 nogal eens gebruikt in verband met enerzijds de onbeperktheid van de vrijstelling en anderzijds de mogelijkheid op betrekkelijk eenvoudige wijze vermogens vrij van successierecht te vererven (door de premies aan de erfgenamen te schenken en deze erfgenamen als begunstigden aan te wijzen). De achterblijvende partner heeft terzake van de uitkering derhalve recht op de vrijstelling, zodat de uitkering tot het maximum van de vrijstelling onbelast is. Voor het meerdere wordt hij in de belastingheffing betrokken op basis van de zogenoemde saldomethode.

De leden van de CDA-fractie vragen of gesproken kan worden van een fictieve uitkering indien een hypotheekpolis na echtscheiding door blijft lopen op het leven van de ex-echtgenote.

In artikel 3.6.7, tweede lid, onderdeel e, wordt de kring van personen genoemd die kunnen fungeren als het verzekerd lijf voor de kapitaalverzekering voor de eigen woning. Deze kring van personen omvat de verzekeringnemer, zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. In het derde lid van artikel 3.6.7. wordt bepaald dat de kapitaalverzekering fictief tot uitkering komt indien niet meer aan de voorwaarde met betrekking tot het verzekerd lijf wordt voldaan. De door de leden geschetste situatie leidt dus inderdaad tot een fictieve uitkering, ware het niet dat de kapitaalverzekering kan worden omgezet. In artikel 3.6.10. is een bepaling opgenomen waardoor omzettingen van kapitaalverzekeringen geruisloos kunnen verlopen. Het is dus mogelijk in dit geval de fictieve uitkering te vermijden door een wijziging van het verzekerd lijf.

De leden van de CDA-fractie vragen of een onherroepelijke begunstiging van de geldgever van de hypothecaire geldlening leidt tot de sanctie van artikel 3.6.7, derde lid, slotzin.

In artikel 3.6.7, derde lid, is bepaald onder welke voorwaarden de kapitaalverzekering eigen woning fictief tot uitkering komt. Hiervan is echter geen sprake als een begunstiging onherroepelijk wordt. Dit aspect is slechts van belang voor de persoon aan wie de inkomsten worden toegerekend als er zich een omstandigheid voordoet zoals genoemd in het desbetreffende artikellid. Overigens wordt de begunstiging van de geldgever en de uitkering uit hoofde van die begunstiging aan die geldgever – uit praktische overwegingen – fiscaal beschouwd als een begunstiging/uitkering van/aan de geldnemer, dus de belastingplichtige van wie de hypotheekschuld wordt gedelgd.

De leden van de fractie van het CDA vragen tevens om een toelichting op artikel 3.6.7, zevende lid. Het is voor hen onduidelijk of de premies die betaald zijn gedurende de periode dat een kapitaalverzekering in box III behandeld wordt, als premies in de zin van de regeling voor de kapitaalverzekering eigen woning hebben te gelden.

Dergelijke premies worden, evenals de premies die betaald worden in de periode dat de polis in box I in aanmerking wordt genomen, inderdaad beschouwd als reguliere premies op de desbetreffende kapitaalverzekering. Daarnaast bestaat er nog een speciale regeling voor de rente die is aangegroeid in de box III-periode als de polis vervolgens behandeld wordt als kapitaalverzekering eigen woning. In artikel 3.6.7, zevende lid, is namelijk geregeld dat dit bedrag eveneens als premie in aanmerking wordt genomen voor de kapitaalverzekering eigen woning.

Is er voor de toepassing van de vrijstelling, zo vragen de leden van de CDA-fractie, in de partnersituatie vereist dat beide partners verzekeringnemer zijn of is het voldoende dat beide partners begunstigde zijn.

Bij een feitelijke uitkering uit de kapitaalverzekering eigen woning komt deze toe aan de begunstigde. De rente in die uitkering wordt in beginsel bij hem belast. Als recht bestaat op de vrijstelling wordt de vrijstelling aan de begunstigde verleend. Bij een fictieve uitkering in de zin van artikel 3.6.7, derde lid, vindt er echter geen feitelijke uitkering plaats. In dat geval vindt de belastingheffing plaats bij de persoon die in civielrechtelijke zin de polis tot zijn vermogen rekent. In beginsel is dit de verzekeringnemer. Als de begunstiging echter onherroepelijk is, is dit de desbetreffende begunstigde. De persoon die de inkomsten krijgt toegerekend heeft uiteraard, als voldaan wordt aan de voorwaarden, recht op de vrijstelling.

De leden van de CDA-fractie vragen of het de bedoeling is dat de uitkering uit een zuivere overlijdensrisicoverzekering behandeld wordt als kapitaalverzekering eigen woning.

Een dergelijke overlijdensrisicoverzekering kan leiden tot periodieke uitkeringen in welk geval geen sprake is van een kapitaalverzekering. Deze polissen kunnen dus niet behandeld worden als kapitaalverzekering eigen woning. Daarnaast is het mogelijk dat een dergelijke verzekering een éénmalige uitkering bij overlijden verzekert. Een dergelijke polis kan wel voldoen aan de eisen van de kapitaalverzekering eigen woning. In dat geval is, evenals onder de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964, de rentecomponent in de uitkering onbelast voorzover de uitkering beneden het bedrag van de vrijstelling blijft.

De CDA-fractie vraagt zich af of de regelingen van de kapitaalverzekering eigen woning ertoe kunnen leiden dat belastingplichtigen die de verwachting hebben om binnen drie jaren een nieuwe eigen woning aan te schaffen, maar dit uiteindelijk niet doen, min of meer gedwongen worden om hun kapitaalverzekering tussentijds af te kopen terwijl een dergelijke afkoop duur kan zijn voor de belastingplichtige.

De belastingplichtige die zijn oude eigen woning verlaat en de bedoeling heeft om binnen drie jaren een nieuwe eigen woning aan te schaffen, heeft de vrijheid om de kapitaalverzekering in het kader van de verhuizing af te kopen of om deze in stand te laten. In beide gevallen valt de rentecomponent in de vrijstelling. Indien de kapitaalverzekering in stand wordt gelaten zal de opbrengst uit de verkoop van de oude eigen woning over het algemeen voldoende zijn om de hypotheekschuld af te lossen. Er is dus geen noodzaak om tussentijds een – mogelijk dure – afkoop te verrichten.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen hoe een belastingplichtige kan voorkomen dat een kapitaalverzekering waarmee hij zijn eigen woning financiert belast wordt in box III. Zij vragen of hiervoor een verklaring door de verzekeraar moet worden afgegeven dat de uitkering daarvoor wordt aangewend. Bovendien willen zij een reactie op de suggestie om de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden hun keuze voor box I of box III kenbaar te maken op de aangifte; een mogelijkheid die vanuit het streven naar een beperking van de administratieve lastendruk in hun ogen beter zou zijn.

Indien de belastingplichtige een kapitaalverzekering wil aangaan die behandeld wordt in box I, dient hij er met zijn contractspartner (de verzekeraar) voor te zorgen dat de overeenkomst voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.6.7, tweede lid, onderdelen a tot en met d. In het kader van onderdeel a, zal bijvoorbeeld in de kapitaalverzekeringsovereenkomst (of een aanhangsel daarvan) opgenomen moeten worden dat de uitkering wordt aangewend ter aflossing van de hypothecaire geldlening. Een verpanding of betalingsopdracht (weduwenverklaring) in de overeenkomst volstaat daarvoor. Voorts dient hem, zijn echtgenoot of zijn huisgenoten een eigen woning ter beschikking te staan. In het kader van dit onderdeel zal vastgelegd moeten worden welke eigen woning het in casu betreft. Daarvoor dienen tenminste de adresgegeven vermeld te worden of, als daarover onduidelijkheid zou kunnen bestaan, een kadastraal nummer. Een specifieke verklaring van de verzekeraar is dus niet nodig. Evenmin is er een onderzoeksplicht voor de verzekeraar om te verifiëren of de verzekerde tot de kring van artikel 3.6.7, tweede lid, onderdeel c behoort. Een andere vraag is of de renseignering door de verzekeraar in de toekomst moet aansluiten bij het onderscheid tussen box I en box III-polissen. Aangezien het op een betrekkelijk eenvoudige wijze te controleren is of de polis al of niet voldoet aan de voorwaarden van genoemd artikellid, is het niet nodig om de keuze kenbaar te maken in de aangifte. Deze keuze blijkt uit de vormgeving van de polis. Het moge voorts duidelijk zijn dat de vrijheid van partijen dusdanig is dat de keuze voor één van beide fiscale regimes als zodanig voor de verzekeraar niet leidt tot een verzwaring van de administratieve lastendruk.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen een nadere uitleg van artikel 3.6.9, eerste lid, en zijn met name benieuwd of er geen cumulatie van vrijstellingen optreedt.

De regelingen omtrent de kapitaalverzekering eigen woning (artikelen 3.6.7 tot en met 3.6.10) zijn dusdanig opgebouwd dat in artikel 3.6.7 wordt bepaald onder welke omstandigheden de rente in de kapitaalverzekering eigen woning wordt belast en hoe de belaste rentecomponent wordt berekend. In artikel 3.6.9 wordt vervolgens geregeld onder welke voorwaarden recht bestaat op vrijstelling van belastingheffing over de– in beginsel belaste – rentecomponent. Er treedt dus geen cumulatie van vrijstellingen op.

De leden van de PvdA-fractie vragen tenslotte om inzicht te geven in de samenstelling van de huidige portefeuille kapitaalverzekeringen zoals die momenteel in Nederland wordt aangehouden. Zij vragen of het juist is dat ongeveer 2 van de 4,5 miljoen spaarverzekeringen zijn vrijgesteld en straks onder het nieuwe regime vallen (zie Theo Mebius, Telegraaf van 27/9/1999). Voorts vragen zij of reeds 2,5 miljoen van dergelijke polissen aan de eigen woning zijn verbonden (bedoeld zal zijn 2 miljoen polissen die niet aan de eigen woning zijn verbonden) en hoeveel van deze polissen alsnog aan de eigen woning gekoppeld kunnen worden.

De in het bovengenoemde artikel genoemde cijfers komen overeen met schattingen van het Verbond van Verzekeraars. Voor zover deze kapitaalverzekeringen zijn afgesloten door belastingplichtigen met een relevant vermogen (inclusief de waarde van de polis) van minder dan 37 463 (of 74 926 voor gehuwden) blijft de kapitaalverzekering buiten de belastingheffing. De overige belastingplichtigen dienen de kapitaalverzekering voor 1 januari 2003 aan de eigen woning te hebben gekoppeld om te voorkomen dat de waarde van de polis in de grondslag voor de forfaitaire rendementsheffing valt. In beginsel zal dat in veel gevallen ook mogelijk zijn. Een deel van de belastingplichtigen zal echter kiezen voor ongewijzigde voortzetting van de polis. Tegenover het nadeel van de belastingheffing over de waarde van de polis staat immers een grotere vrijheid met betrekking tot de besteding van het verzekerde bedrag en de looptijd van de polis. Bovendien dient bij polissen met een verzekerd bedrag dat hoger ligt dan de vrijstelling voor een aan de eigen woning gekoppelde kapitaalverzekering een afweging te worden gemaakt tussen een eenmalige belastingheffing over een deel van het feitelijk gerealiseerde rendement enerzijds en een jaarlijkse belastingheffing over het forfaitaire rendement anderzijds. Gelet op de bovengenoemde aspecten kan niet op voorhand worden gezegd hoeveel kapitaalverzekeringen alsnog aan de eigen woning zullen worden gekoppeld.

4.3.4. Monumentenregeling

De leden van de CDA-fractie vragen of ook de rentekosten die gemaakt worden om duur onderhoud aan monumenten te financieren in aftrek kunnen worden gebracht.

Deze rentekosten kunnen niet in aftrek worden gebracht, omdat zij in een te verwijderd verband staan met de gemaakte onderhoudskosten. Wel wordt de schuld ter zake waarvan de rentekosten betaald worden, in aanmerking genomen bij het bepalen van de rendementsgrondslag in box III.

5. INKOMEN UIT AANMERKELIJK BELANG

5.1. Inleiding

Het regime voor inkomen uit aanmerkelijk belang is voor een belangrijk deel een inhoudelijk ongewijzigde voortzetting van de per 1 januari 1997 ingrijpend gewijzigde en gemoderniseerde regeling. Toch zijn alle fracties in hun inbreng – sommige zelfs zeer uitvoerig – ingegaan op zowel de hoofdlijnen als de details van deze regeling. Daaruit blijkt dat de grote betekenis van deze regeling voor het bedrijfsleven algemeen wordt onderkend.

5.2. Afwegingen bij een regime voor inkomen uit aanmerkelijk belang

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat directeuren en grootaandeelhouders beiden in box II worden belast voor hun inkomen uit aanmerkelijk belang. Vanwege de verschillende aard van deze categorieën, te weten respectievelijk ondernemer en belegger, vragen zij een motivering hiervoor. Daarnaast vragen zij of dit bijeenbrengen van directeuren en grootaandeelhouders een negatief effect kan hebben op beleggingen in het midden- en kleinbedrijf (MKB).

Indien een belastingplichtige een belang van 5% of meer heeft in een vennootschap worden de inkomsten uit dat belang behandeld als inkomen uit aanmerkelijk belang in box II. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen degene die zijn belang uit beleggingsoogpunt aanhoudt en degene die dat uit ondernemersoogpunt doet. Door het hanteren van het percentage van 5 wordt voorkomen dat belastingplichtigen naar willekeur het aanmerkelijkbelangregime kunnen opzoeken. Juist door dit percentage wordt bereikt dat zowel de beleggende als de ondernemende aanmerkelijkbelanghouder onder de regeling vallen. Bij het tot standbrengen van de aanmerkelijkbelangregeling is destijds getracht een evenwicht te realiseren tussen de positie van de ondernemer en die van de belegger. Met een splitsing tussen deze categorieën zou derhalve worden getornd aan de uitgangspunten van de regeling. Wij schatten in dat investeringen in het MKB hierdoor niet achter blijven bij wat zonder de aanmerkelijkbelangregeling zou zijn gegenereerd.

De leden van de fracties van CDA, D66 en GroenLinks vragen in te gaan op de suggestie de aanmerkelijkbelangregeling te laten vervallen en op te splitsen over de boxen I en III al naar gelang belastingplichtigen ondernemers dan wel beleggers zijn. Een vraag van de SGP sluit hierop aan. De aanmerkelijkbelangregeling vervult een duidelijke functie naast het regime voor de winst uit onderneming en de vermogensrendementsheffing. De aanmerkelijkbelanghouder heeft immers kenmerken van zowel een ondernemer als een belegger, welke mengvorm aanleiding geeft tot handhaving van het aanmerkelijkbelangregime. Daar komt bij dat de aanmerkelijkbelanghouder, anders dan de ondernemer die in het winstregime wordt betrokken, de onderneming niet zelf uitoefent. De onderneming wordt uitgeoefend door een rechtspersoon of een daarmee gelijk te stellen rechtsfiguur die als zelfstandig belastingplichtig lichaam in de vennootschapsbelasting wordt betrokken. De aanmerkelijkbelangheffing tegen een vast laag tarief moet dan ook in samenhang met de vennootschapsbelasting worden gezien. De gecombineerde druk van beide heffingen ligt op een niveau dat zich goed verhoudt tot het voorgestelde toptarief van box I. Zouden aanmerkelijkbelanghouders onder de toepassing van box I gaan vallen, dan zou er een onevenwichtige situatie in de belastingheffing ontstaan tussen enerzijds belastingplichtigen die kiezen voor een rechtsvorm van een eenmanszaak of samenwerkingsverband met anderen en anderzijds degenen die kiezen voor een bedrijfsuitoefening door middel van een afzonderlijke rechtspersoon. Een splitsing als door de leden bedoeld zou nopen tot een beoordeling op het niveau van de vennootschap van de aard van de acitiviteiten. In dit verband is in het Nader Rapport opgemerkt dat een bepaling waarin wordt omschreven in welke mate een vennootschap beleggingsactiviteiten moet ontplooien, wil de aanmerkelijkbelangregeling niet van toepassing zijn op haar aandeelhouders, onvermijdelijk zou leiden tot ongewenste verschijningsvormen. Dit zou leiden tot voortdurende pogingen om binnen de grenzen van de wettelijke definitie ondernemingsactiviteiten vorm te geven als, of in te bedden in beleggingsactiviteiten (bijvoorbeeld deels beleggen en deels ondernemen, houdstervennootschappen, participatiemaatschappijen etc.) met het doel de toepassing van het aanmerkelijkbelangregime te ontwijken. Verder geldt dat evenmin mogelijk is om aan de hand van de invloed van aandeelhouders en de activiteiten van een vennootschap een scherpe afbakening te maken tussen aandeelhouders-beleggers en aandeelhouders die ook kenmerken van ondernemers hebben. Ten slotte kan worden opgemerkt dat bij de wijziging van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997 ervoor is gekozen om de beoordeling van de vraag of een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft sterk te vereenvoudigen waarbij zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan het onderscheid met beleggers en ook een parallel is gezocht met het onderscheidende criterium dat voor de deelnemingsvrijstelling geldt.

De VVD-fractie vraagt een beschouwing te geven over het keuzerecht voor een fiscale transparantie, dat wil zeggen een systeem waarbij een aandeelhouder van een vennootschap ervoor kan kiezen het inkomen van deze vennootschap te behandelen als ware het zijn eigen inkomen. Het maakt dan fiscaal niet uit of men zijn onderneming drijft in de vorm van bijvoorbeeld een eenmanszaak of een BV.

Zulke gedachten zijn sterk intellectueel uitdagend voor fiscale wetgevers. Tegelijk brengt de realiteit mee te erkennen dat – zelfs al zou men zich beperken tot een keuzerecht voor de aandeelhouder met een aanmerkelijk belang – de praktijk weerbarstig is.

Naar aanleiding van de vraag kan worden opgemerkt dat het Nederlandse fiscale stelsel thans uitgaat van een formele toets voor de vraag of ondernemingen als fiscaal transparant worden behandeld. Een subjectivering van die toets zou een aanzienlijke wijziging van het Nederlandse systeem betekenen die de betekenis van deze herziening te buiten gaat.

In internationaal perspectief levert een keuzeregime complicaties op in die zin dat het ene land een lichaam fiscaal transparant behandelt, terwijl andere landen de fiscale transparantie niet erkennen. Met name in verdragssituaties kan een keuzerecht leiden tot gecompliceerde regelingen. Voor elke rechtsvorm zullen regels ontworpen moeten worden, waarin wordt aangegeven in welk land geheven mag worden bij elke keuze die de ondernemer maakt. Dit is onder andere de ervaring inzake de Franse Société en Nom Collectif (SNC). Het keuzerecht voor de SNC in Frankrijk leidde uiteindelijk tot een besluit waaruit blijkt hoe gecompliceerd het is om de regelingen met een keuzerecht in te passen in de internationale verdragen. In de V.S. wordt voor buitenlandse rechtsvormen gebruik gemaakt van de zogenoemde Entity Classification Rules, een stelsel van regels dat aangeeft wanneer een onderneming als aparte entiteit moet worden behandeld en wanneer er sprake is van een keuzerecht. Er is, voorzover wij weten, nog geen goed functionerend keuzesysteem ontwikkeld. Tekenend is ook dat België het keuzerecht voor een aantal ondernemingsvormen heeft afgeschaft per 1 januari 1997. Ten slotte, en dat ter relativering, kan worden opgemerkt dat de verschillen in behandeling uiteindelijk niet zeer groot zijn, en dat in Nederland op alle niveaus een grote mate van vrijheid bestaat in de keuze voor de meest geschikte rechtsvorm.

In een aantal reacties ter zake van de categorie inkomen uit aanmerkelijk belang is opgemerkt dat het door het wetsvoorstel aantrekkelijker is om een onderneming te financieren met vreemd dan met eigen vermogen. De leden van de fractie van de VVD vragen om een korte beschouwing hierover.

Niet alleen in de door de leden van de fractie van de VVD gesignaleerde reacties is opgemerkt dat het financieren van een onderneming met vreemd vermogen gunstiger kan zijn dan met eigen vermogen, ook in de memorie van toelichting is – in het algemeen – een dergelijke opmerking gemaakt. Het verschil tussen beide wijzen van financieren zit in het feit dat de rentevergoeding op vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting aftrekbaar is en de dividendvergoeding op eigen vermogen niet. Uitgaande van dit gegeven kan het per saldo voordeliger zijn, ook gelet op het aanmerkelijk belang, om vanuit de vennootschap bezien vreemd vermogen aan te trekken in plaats van het eigen vermogen aan te wenden. Door de voorgestelde boxenstructuur zal de allocatie van de verschillende elementen echter op de juiste wijze geschieden. Voor de veel voorkomende gevallen waarin die allocatie mogelijk niet goed zal lopen zijn, met name via het resultaat uit overige werkzaamheden, wettelijke voorzieningen getroffen.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD wat de betekenis is van de opmerking in de memorie van toelichting die kort gezegd inhoudt dat een goede afbakening tussen eigen en vreemd vermogen noodzakelijk is. Aan deze opmerking koppelen zij de vraag of er plannen bestaan om de aftrek van rente te beperken en indien die plannen bestaan wat de stand van zaken ten aanzien van die plannen is.

De opmerking in de memorie van toelichting heeft betrekking op de afbakening binnen een vennootschap. Even vóór deze opmerking wordt namelijk ingegaan op de behandeling van eigen en vreemd vermogen binnen de vennootschapsbelasting. Voor de particuliere belegger is het in box III in beginsel niet relevant of hij belegt in vreemd of eigen vermogen: van beide beleggingen wordt verondersteld dat daarmee een rendement van 4% wordt behaald. De opmerking dient dan ook in dit licht te worden bezien.

De leden van de fractie van GPV en RPF merken op dat binnen de aanmerkelijkbelangregeling geen heffing plaatsvindt zolang er geen reguliere voordelen of vervreemdingsvoordelen worden genoten. Zij verbinden hieraan de conclusie dat een aanmerkelijkbelanghouder ten opzichte van de onder box III vallende belegger de belastingheffing geruime tijd kan uitstellen, hetgeen zij onredelijk vinden. Bedacht moet echter worden dat een aanmerkelijkbelanghouder wordt belast voor de daadwerkelijk genoten voordelen, ook voorzover zij meer bedragen dan 4% van de waarde van de aandelen. In deze behandeling op basis van de reële inkomensstromen komt de parallel met de fiscale behandeling van ondernemers beter tot zijn recht dan in een vermogensrendementsheffing waarin de inkomsten op forfaitaire wijze worden vastgesteld. Daar komt bij dat een aanmerkelijkbelanghouder weliswaar nog niet wordt belast voor door de vennootschap gereserveerde winst, maar dat over deze winst wel vennootschapsbelasting is verschuldigd. Verder kan worden opgemerkt dat de hoogte van het forfaitaire rendement van box III op een zodanig niveau is vastgesteld dat iedereen in staat is om, zeker indien dit over een langere periode wordt bezien, dit rendement – ook zonder zijn toevlucht te nemen tot beleggingen met een hoog risico – te behalen. Ten slotte zij nog vermeld dat ten aanzien van het aanmerkelijkbelangregime in het wetsontwerp door de Raad van State de gedachte is geopperd om in het aanmerkelijkbelangregime forfaitaire elementen in te bouwen in die zin dat een aanmerkelijkbelanghouder wordt belast voor ten minste een (forfaitair) rendement van 4%. Zoals ook in het Nader Rapport is aangegeven, past een dergelijke ingreep echter niet in het karakter van het aanmerkelijkbelangregime. Bovendien zou bij invoering van een dergelijk systeem het beeld kunnen ontstaan dat de belastingheffing ten aanzien van aanmerkelijkbelanghouders in enkele jaren tijd aanzienlijk is verzwaard. Dit zou de beeldvorming over het fiscale klimaat voor ondernemers in het midden- en kleinbedrijf ongunstig kunnen beïnvloeden.

De leden van de fractie van de SP bezien de verschillende fiscale behandeling van aanmerkelijkbelanghouders en beleggers in respectievelijk box II en box III en vragen, evenals de leden van de fracties van het GPV en de RPF, of de conclusie juist is dat deze fiscale behandeling arbitrage tussen de boxen doet ontstaan. De leden van de fracties van het CDA, het GPV en de RPF vragen een taxatie van de mogelijkheid dat de wijze van verrekening van aanmerkelijkbelangverliezen leidt tot een drempel om tot investeren door particulieren in kleine ondernemingen over te gaan.

De fiscale arbitrage tussen de boxen II en III waar het gaat om de positie van de belegger die geen aanmerkelijk belang heeft en de belegger die dat wel heeft, is door de wettelijke omschrijving van de aanmerkelijkbelangpositie nagenoeg uitgesloten. De wijze van verrekenen van aanmerkelijkbelangverliezen, dat wil zeggen alleen binnen box II, hangt nauw samen met het analytische karakter van de het voorgestelde belastingstelsel in het algemeen en de aanmerkelijkbelangheffing in het bijzonder. Eigen aan de boxenstructuur is dat verbanden met andere boxen niet of nauwelijks aanwezig zijn. Binnen box II, het inkomen uit aanmerkelijk belang, worden derhalve alle elementen van die heffing ondergebracht. Zoals hiervoor reeds opgemerkt, wordt niet verwacht dat de voorgestelde wijze van verliesverrekening zal leiden tot een extra drempel voor de particulier die in een (kleine) onderneming wil investeren. Dit laatste geldt eveneens voor de verschillende behandeling van risicodragend vermogen in de boxen II en III.

De leden van de CDA-fractie vragen of het juist is dat niet alleen vervreemdingsvoordelen maar ook de reguliere voordelen worden belast volgens de regels van de box aanmerkelijk belang. Zij verzoeken om nadere uitleg op dat punt. Ook de fractie van GroenLinks vraagt daarnaar.

Anders dan de leden van de CDA-fractie veronderstellen is op dit punt slechts in beperkte mate sprake van een wijziging ten opzichte van het aanmerkelijkbelangregime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ook in dat regime worden immers reguliere voordelen ter zake van aandelen en winstbewijzen belast volgens de regels van het aanmerkelijkbelangregime. Rente van schuldvorderingen op de vennootschap wordt in het stelsel van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 progressief belast als inkomsten uit vermogen. In de voorgestelde regeling wordt voortaan ook deze rente als regulier voordeel belast. Deze wijziging vloeit voort uit de versterking van de parallel tussen ondernemers en aanmerkelijkbelanghouders. Bij ondernemers worden immers ook alle voordelen die worden behaald met behulp van door de ondernemer in de onderneming geïnvesteerd vermogen als winst uit onderneming belast. Aangezien aanmerkelijkbelanghouders belangrijke kenmerken hebben van een ondernemer zij het dat eerstgenoemde zijn onderneming middellijk drijft, ligt het ook voor de hand dat bij het belasten van alle voordelen die de aanmerkelijkbelanghouder toekomen, rekening te houden met dat feit. Daarnaast speelt ook een rol dat het ter voorkoming van ongewenste arbitrage wenselijk is te voorkomen dat geldstromen tussen gelieerde partijen ontstaan waarbij aan de ene kant sprake is van aftrek van de reëel betaalde bedragen terwijl aan de andere kant sprake is van heffing op basis van het forfaitaire rendement.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre diverse technische wijzigingen zoals de behandeling van fictieve aanmerkelijke belangen en tot een aanmerkelijk belang behorende tijdelijke genotsrechten in verband staan met de in de memorie van toelichting genoemde maatschappelijke ontwikkelingen.

De door deze leden genoemde technische wijzigingen hangen voor een groot deel samen met de invoering van de boxenstructuur en het verdwijnen van het regime voor inkomsten uit vermogen. Bij deze technische aanpassingen is, in aansluiting op maatschappelijke ontwikkelingen, gekozen voor een zo eenvoudig mogelijke oplossing.

Ook verzoeken deze leden om nadere informatie over de inhoud van het in de toelichting genoemde nieuwe erfrecht bij versterf. Wat houdt deze invoering van een nieuw erfrecht precies in, zo willen zij weten en wanneer zal die de Kamer bereiken?

Wat betreft de inhoud van het nieuwe erfrecht bij versterf zij eenvoudshalve verwezen naar de Wet van 3 juni 1999, houdende invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte (wijziging van Boek 4) Stb. 300. De overgangs- en aanpassingswetgeving is momenteel bij de Kamer in behandeling respectievelijk zal in de nabije toekomst bij de Kamer worden ingediend.

De leden van de fracties van VVD en CDA hebben gevraagd naar de reden om na afschaffing van de vermogensbelasting de regels voor gebruikelijk loon en fictieve rente ook onder de Wet IB'01 te handhaven. Het CDA vraagt in dit verband ook nog naar de achtergrond van het in aanmerking nemen van een gebruikelijke huur en borgtochtvergoeding.

De regelingen inzake gebruikelijk loon, fictieve rente en fictieve huur zijn per 1997 ingevoerd bij de herziening van het aanmerkelijkbelangregime. Bij de memorie van toelichting (kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr.3, blz. 33) werd toen aangegeven dat het daarbij niet alleen ging om een anti-ontgaansmaatregel voor de vermogensbelasting. Het voorkomen (uitstellen) van inkomstenbelasting werd als eerste genoemd. In de nota naar aanleiding van het verslag bij dat wetsvoorstel (nr. 7, blz. 51 e.v.) zijn daaraan nog toegevoegd de gevolgen voor inkomensafhankelijke (overheids-)regelingen. Genoemd is de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Ook is gewezen op de gevolgen voor de premieheffing volksverzekeringen. Deze argumenten gelden nog onverkort na afschaffing van de vermogensbelasting. Hierbij is van belang dat, zoals ook is opgemerkt bij § 3.6, de premieheffing volksverzekeringen alleen plaatsvindt over box I-inkomen en dus niet over box II-inkomen. Het gebruikelijk loon verzekert de directeur-grootaandeelhouder in het nieuwe systeem ook van de arbeidskorting. Een aparte regeling voor gebruikelijke huur wordt niet voorgesteld. Dat bij de verhuurder / aanmerkelijkbelanghouder een zakelijke huur in aanmerking moet worden genomen vloeit rechtstreeks voort uit het winstregime dat geldt voor een aan de «eigen» BV ter beschikking gestelde onroerende zaak. Verder geldt dat met het op een zakelijk niveau in de belastingheffing betrekken van dit soort inkomsten (w.o. de borgtochtvergoeding) niet het risico wordt gelopen dat er in de BV zakelijke bedragen in mindering komen op het resultaat terwijl er bij de gerechtigde niets of een veel lager bedrag wordt belast. Dat risico is ontstaan doordat door het geheel nieuwe belastingstelsel er van uitgegaan kan worden dat de zogenoemde kosten- en informeel-kapitaalarresten aan betekenis inboeten. Die arresten komen er kort gezegd op neer dat geen kosten in aftrek kunnen komen zonder dat er heffing van inkomstenbelasting tegenover staat.

De leden van de fractie van het CDA doen de suggestie om binnen het aanmerkelijkbelangregime een regeling voor een geruisloze doorschuiving bij schenking van aanmerkelijkbelangpakketten aan kinderen in te voeren. Voor dergelijke overdrachten is bij de herziening van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997 in artikel 25, Invorderingswet 1990 een regeling opgenomen op grond waarvan de betaling van de over het aanmerkelijk belang verschuldigde belasting onder voorwaarden over een periode van tien jaar kan worden gespreid. In zekere zin komt deze regeling in haar uitwerking overeen met het voorgestelde artikel 3.2.2.53 dat een doorschuivingsregeling voor ondernemers biedt. Bij toepassing van die regeling wordt de onderneming door de bedrijfsopvolger voortgezet met de oude boekwaarden. In vergelijking met de situatie waarin wordt afgerekend, leidt deze doorschuiving gedurende een aantal jaren tot lagere afschrijvingen en daarmee tot een hoger bedrag aan verschuldigde belastingen bij de bedrijfsopvolger. De per 1 januari 1997 ingevoerde betalingsregeling van artikel 25, achtste (voorheen: zevende) lid, Invorderingswet 1990 heeft een vergelijkbaar effect. De bij de overdracht behaalde winst uit aanmerkelijk belang moet in een periode van tien jaar worden afgerekend hetgeen evenals bij een doorschuiving op de voet van artikel 3.2.2.53 gedurende een aantal jaren leidt tot een «hoger» bedrag aan verschuldigde belastingen. Genoemde betalingsregeling is zodanig ruim, dat de liquiditeitspositie van bedrijven niet in gevaar zal komen. Jaarlijks zal 3% van de bij de overdracht behaalde aanmerkelijkbelangwinst moeten worden betaald. Gelet op het voorgaande zie wij geen noodzaak om voor de schenking van aanmerkelijkbelangpakketten aan kinderen tot een verdergaande tegemoetkoming te komen.

De leden de fracties van D66 en VVD vragen nog om het meest actuele beeld omtrent de structurele meeropbrengsten als gevolg van de met ingang van 1 januari 1997 gewijzigde aanmerkelijkbelangwetgeving.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de brief, AFP99/233 M, die de Minister van Financiën op 30 juni jongstleden naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Hierin staat dat de inmiddels beschikbare inkomstenbelastinggegevens over 1997 en dividendbelastinggegevens over 1998 erop wijzen dat de meeropbrengst dividendbelasting die is toe te rekenen aan de nieuwe aanmerkelijkbelangwetgeving vermoedelijk hoger is dan waarvan tot nu toe is uitgegaan. Daar staat echter een minderopbrengst bij de inkomstenbelasting tegenover, doordat vervreemdingswinsten als gevolg van de gewijzigde wetgeving een lagere omvang zullen hebben dan in het verleden. Of het saldo van deze meer- en minderopbrengsten structureel hoger is dan de eerder gemelde structurele meeropbrengst van 200 à 250 miljoen, kan echter pas na verloop van enkele jaren met enige zekerheid worden vastgesteld. Opgemerkt moet worden dat bovengenoemde structurele meeropbrengst inmiddels is aangewend voor de per 1 januari 1998 doorgevoerde verlaging van de vermogensbelasting (tarief en belastingvrije sommen).

5.3. Tarief

De leden van de PvdA-fractie vragen of een overzicht kan worden gegeven van het profiel van de houders van aanmerkelijk belang die in box II belast worden. De leden van de VVD-fractie vragen naar het aantal mensen met een aanmerkelijk belang in Nederland en het aantal directeuren-grootaandeelhouders.

Om een profiel te schetsen van de houder van een aanmerkelijk belang is een selectie gemaakt uit het Inkomenssimulatiemodel. Ten behoeve van de selectie zijn alleen aanmerkelijkbelanghouders geselecteerd die als directeur-grootaandeelhouders (DGA) kunnen worden aangemerkt. Als DGA worden aangemerkt personen met een aanmerkelijk belang dat als ondernemingsvermogen is aangemerkt voor de vermogensbelasting. De houders van een aanmerkelijk belang die geen aangifte voor de vermogensbelasting indienen zijn niet meegenomen. Het genoemde model gebruikt als basis gegevens van 1995, die zijn opgehoogd naar 1999. Gedragseffecten als gevolg van de wijziging van het aanmerkelijkbelangregime in 1997 zijn niet meegenomen. De gegevens in de tabel hebben betrekking op het huidige stelsel. Op basis van de gehanteerde definitie zijn er bijna 83 000 DGA's geselecteerd op een totaal van 112 000 houders van aanmerkelijk belang. In de onderstaande tabel worden een aantal kenmerken van de DGA weergegeven. Uit de tabel blijkt dat de gemiddelde winst of dividend uit aanmerkelijk belang circa f 38 000 bedraagt en het gemiddelde loon als directeur circa f 141 000.

Gegevens van de DGA

 AantalBedrag (in mln gldn)Gemiddeld
Loon als directeur45 5736 441,6f 141 347
Overig loon29 0643 696,8f 127 195
Overige bruto inkomsten uit arbeid51 712681f 13 169
Winst of dividend uit AB48 8711 847,2f 37 797
Belastbaar inkomen82 18912 193,7f 148 362
Belasting Schijventarief76 1083 470,5f 45 600
Belasting AB41 430419,2f 10 118
Belasting overig bijzonder tarief1 363127,6f 93 617
Premies volksverzekeringen76 108954,9f 12 547
Aftrek voorbelasting5 77317,4f 3 014
IB-heffing76 1084 954,7f 65 101
AB-vermogen82 908177 463,8f 2 140 491
Belastbaar vermogen71 378106 049,1f 1 485 739
Vermogensbelasting52 848396,4f 7 501

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD hoeveel ondernemingen in een BV een winst realiseren van respectievelijk f 50 000, f 100 000, f 150 000 en f 200 000 en meer. Deze gegevens zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Daarbij moet worden opgemerkt dat de gegevens in deze tabel betrekking hebben op ondernemingen in het algemeen en niet alleen op houders van aanmerkelijk belang.

Interval belastbare bedragaantallen
kleiner of gelijk aan nul139 300
  0 -< 50 00060 500
50 000 -< 100 00020 500
100 000 -< 150 00010 800
150 000 -< 200 0007 500
groter of gelijk aan 200 00036 400
  
Totaal275 000

De leden van de fracties van de VVD, CDA, D66, GPV, RPF en SGP vragen aandacht voor het feit dat de gecombineerde belastingdruk op voordelen afkomstig uit winsten van de vennootschap kan oplopen tot 54,5%, terwijl het toptarief uit box I op 52% is vastgesteld. Deze leden zijn van mening dat de belastingdruk in box II in ieder geval niet hoger mag zijn dan het toptarief in box I. De leden van de fractie van GroenLinks geven daarentegen te kennen de argumentatie voor de verhoging van het tarief van box II redelijk te vinden en roepen het kabinet op vast te houden aan zijn eigen argumentatielijn.

In antwoord op de verschillende vragen op dit punt wordt het volgende opgemerkt. Bij een vergelijking tussen de belastingdruk van een houder van een aanmerkelijk belang en de belastingdruk in box I dient tevens rekening te worden gehouden met de andere voorstellen van de belastingherziening. Zo zal ook een houder van een aanmerkelijk belang in het algemeen profiteren van de tariefsverlaging in de loon- en inkomstenbelasting en de afschaffing van de vermogensbelasting. Bij de vaststelling van het tarief zijn ook de gevolgen van deze andere maatregelen in aanmerking genomen; de voorgestelde verhoging van het tarief van 25% naar 30% betekent derhalve niet, zo wordt in antwoord op de opmerking van de VVD-fractie opgemerkt, dat het tarief per 1 januari 1997 niet juist zou zijn vastgesteld. Over het geheel genomen werkt de belastingherziening ook voor de dga's gunstig uit. Uit de hierna opgenomen tabel blijkt dat de gemiddelde gecombineerde belastingdruk in geen van de voorbeelden boven 50% uitkomt. Dit komt door het feit dat de directeur-grootaandeelhouder in het algemeen ook zal profiteren van de tariefsverlaging in de loon-en inkomstenbelasting. Voorts zal de in het ondernemerspakket 21e eeuw voorgestelde verlaging van het VPB-tarief tot een daling leiden van de hiervoor genoemde gecombineerde druk. De vrees van de leden van de fracties van CDA en SGP dat bij een doorzetting van de verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief op grote schaal een terugkeer uit de BV zal ontstaan, lijkt dan ook niet gerechtvaardigd.

In antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie of er inkomensplaatjes met betrekking tot de houder van het aanmerkelijk belang geproduceerd kunnen worden, zijn de in de onderstaande tabel weergegeven casusposities voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) uitgerekend. Daarbij moet worden opgemerkt dat voor alle voorbeelden is uitgegaan van een aanmerkelijk belang ter waarde van f 2 000 000 (waarop in de bestaande wetgeving ondernemingsvrijstelling in de vermogensbelasting van toepassing is) en een privé-vermogen van f 600 000. De gegevens in de tabel hebben betrekking op de totale belastingdruk van de inkomstenbelasting, vermogensbelasting en vennootschapsbelasting.

Tabel: Gemiddelde belasting- en premiedruk (IB/VB/VPB) voor de DGA bij de verschillende voorbeelden (in % van de totale inkomsten)

Veronderstellingen met betrekking tot het bedrijfsresultaat, het loon van de DGA en de uitgekeerde winst na loonkosten en belastingen.DGA (huidige stelsel)DGA (belasting-herziening 2001)
1. Bedrijfsresultaat voor loonkosten DGA f 200 000, loon DGA f 150 0004942
2. Bedrijfsresultaat voor loonkosten DGA f 500 000, loon DGA f 80 0005050
3. Bedrijfsresultaat voor loonkosten DGA f 500 000, loon DGA f 150 0005050
4. Bedrijfsresultaat voor loonkosten DGA f 500 000, loon DGA f 200 0005149
5. Bedrijfsresultaat voor loonkosten DGA f 250 000, loon DGA f 100 0004845
6. Bedrijfsresultaat voor loonkosten DGA f 250 000, loon DGA f 100 000, uitgekeerde winst 75%4642
7. Bedrijfsresultaat voor loonkosten DGA f 250 000, loon DGA f 100 000, uitgekeerde winst 50%4339

Uit de voorbeelden blijkt dat de gemiddelde belasting- en premiedruk op een DGA zowel in het oude als in het nieuwe stelsel lager uitkomt dan 54,5%. De druk is maximaal 50% als een onderneming het hele resultaat als winst uitkeert aan de DGA, rekening houdend met de verplichting om loon te betalen. In de meeste gevallen daalt de gemiddelde belastingdruk aanmerkelijk als gevolg van de introductie van het nieuwe stelsel.

In de onderstaande tabel is een vergelijking gemaakt tussen de marginale druk van een ondernemer-natuurlijk persoon en van de DGA in het huidige en in het voorgestelde stelsel. De marginale belastingdruk voor een directeur-grootaandeelhouder is afhankelijk van de verdeling tussen het door de vennootschap betaalde loon en de uitgekeerde winst. Indien extra marge aan de DGA wordt doorgegeven in de vorm van loon, dan is de marginale belastingdruk gelijk aan het in box I geldende schijventarief waartegen de DGA belasting moet betalen. Als de winst door de vennootschap wordt gereserveerd, dan is de belastingdruk 35% plus een belastinglatentie over de resterende 65% van de extra opbrengst. Wordt de winst uitgekeerd als dividend, dan is de marginale belastingdruk 54,5%.

Tabel: marginale druk van een IB-ondernemer en van de DGA in het huidige en in het voorgestelde stelsel

Marginale druk NU2001
Zelfstandige 60%52%
    
DGALoon60%52%
 Dividend51,25%54,5%
    
Marginale druk over de eerste 50 000 dividend van de DGA51%

Met de vaststelling van het tarief in box II op 30% is enerzijds aansluiting gezocht bij het tarief dat in box III geldt. Zeker voor de gevallen waarin het vermogen in de vennootschap een beleggingskarakter heeft, ligt dat voor de hand. De cumulatieve druk van vennootschapsbelasting en het tarief van box II ligt anderzijds zo dicht bij het maximale tarief in box I dat dit zich daarmee naar ons oordeel goed verdraagt, zo merken wij op in antwoord van de vraag van de leden van de CDA-fractie. Na de belastingherziening ligt de maximale belastingdruk die ondernemers-natuurlijke personen ervaren in ieder geval dichter bij de druk op inkomen uit aanmerkelijk belang dan thans het geval is.

Overigens dienen bij de door de verschillende leden gemaakte vergelijking tussen het maximale tarief in box I en de maximale gecumuleerde druk van 54,5% in box II enkele belangrijke nuanceringen te worden aangebracht. Zo heeft een aanmerkelijkbelanghouder de mogelijkheid de belastingheffing over een deel van zijn (door de vennootschap behaalde) winst uit te stellen door deze niet uit te keren. Een ondernemer-natuurlijk persoon daarentegen wordt jaarlijks voor zijn totale winst belast. Voorts is van belang dat het tarief van 30% in Box II een zeker mengkarakter heeft. Het tarief geldt immers niet alleen voor aan de aanmerkelijkbelanghouders ten goede komende winstreserves van de vennootschap maar ook voor voordelen waarop geen vennootschapsbelasting drukt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan rente op schuldvorderingen op de vennootschap, huur voor aan de vennootschap verhuurde panden en dergelijke. Een vergelijking waarin alleen de druk op voordelen terzake van aandelen en winstbewijzen wordt bezien in relatie tot het maximale tarief in box I is in dat opzicht dan ook onzuiver. Een betrouwbaar inzicht in de verhouding van de omvang van beide componenten van het inkomen uit aanmerkelijk belang, de leden van de fractie van D66 vragen daarnaar, is moeilijk te geven. Daarbij speelt ook een rol dat, gegeven het verschil in belastingdruk, op termijn een verschuiving kan optreden in de verdeling van eigen en vreemd vermogen binnen de vennootschap.

De leden van de fracties van VVD en CDA vragen naar alternatieven waarmee zou kunnen worden bereikt dat de maximale druk in box II gelijk zou zijn aan het maximale tarief in box I. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, zou een eerste mogelijkheid zijn het vennootschapsbelastingtarief te verlagen. Indien de marginale belastingdruk van 54,5% zou moeten worden verlaagd naar 52% via een algehele verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting dan zal het tarief van de vennootschapsbelasting moeten worden verlaagd naar 31,43%. Ten opzichte van het wetsvoorstel zal een algemene verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting leiden tot een derving van circa f 3,5 mld. Een alternatief zou zijn om het stapje in de vennootschapsbelasting, waarvoor een lager tarief geldt, te verhogen van bijvoorbeeld f 50 000 naar f 200 000. De kosten van een verhoging van het stapje van f 50 000 naar f 200 000 zijn ongeveer f 475 mln. De directeur-grootaandeelhouders met een hoge winst zullen in dat geval hun marginale druk niet zien dalen, maar de directeur-grootaandeelhouders met een winst tot ongeveer f 200 000 hebben dan een gecombineerde belastingdruk die lager is dan 52%.

Ook zou kunnen worden overwogen het tarief in box II te verlagen tot ongeveer 26%. Ten opzichte van het wetsvoorstel zou dit tot een derving leiden van circa f 125 mln. In dat geval zou echter een uit arbitrage-oogpunt onwenselijk lage heffing ontstaan over de hiervoor reeds genoemde geldstromen. Vergoedingen zoals rente op schulden van de vennootschap aan de aanmerkelijkbelanghouder komen in mindering op de winst waarop impliciet een belastingdruk van – na een tariefsverlaging in box II – ± 52% rust terwijl daar een heffing van ± 26% tegenover staat. Indien in het licht van de reacties op de maximale druk op voordelen ter zake van aandelen en winstbewijzen, zou worden overgegaan tot een verlaging van het tarief in box II, zou kunnen worden overwogen de meesleep- en meetrekregeling te integreren in het resultaat voor overige werkzaamheden in box I. Indien de heffing over inkomen waarop geen vennootschapsbelasting heeft gedrukt, zou plaatsvinden op grond van de op hoofdlijnen identieke regeling in de artikelen 3.4.1.2, onderdelen b en c, en 3.4.2.1, en het daarvoor geldende tarief, zou een regeling ontstaan waarin een globaal evenwicht bestaat in de belastingdruk op voordelen die afkomstig zijn uit of verband houden met de vennootschap waarin een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Daarmee zou ook beter worden aangesloten bij de behandeling van inkomen uit overige werkzaamheden van de belastingplichtige die vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan de onderneming van een tot zijn huishouden behorend persoon. Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel M respectievelijk AJ, van de voorgestelde Invoeringswet inkomstenbelasting 2001 wordt de boekwaarde van vermogensbestanddelen die door de invoering van de Wet IB'01 tot het resultaat uit overige werkzaamheden of een aanmerkelijk belang gaan behoren gesteld op de waarde in het economisch verkeer per 1 januari 2001.

Tabel: belastingdruk op inkomen aanmerkelijkbelanghouder afkomstig uit eigen vennootschap

Hoogste marginale druk (Vpb en IB)2001 AB: 30%2001 AB: 25%Alternatief
loon (IB; box I)52%52%52%
Dividend (Vpb + IB)54,5%51,25%51,25%
Huur, rente, e.d. 30% (IB; box II)25% (IB; box II)52% (IB; box I)

In bovenstaande tabel is geen rekening gehouden met de tariefsopstap in de vennootschapsbelasting.

Het uit de bovenstaande tabel blijkende evenwicht zou een voorzetting zijn van de min of meer gelijke druk die in het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bestond op verschillende vormen van inkomen dat aanmerkelijkbelanghouders van hun eigen vennootschap ontvangen. Ook het door de leden van de CDA-fractie geuite vermoeden dat het drukverschil op de verschillende geldstromen ertoe zou kunnen leiden dat aanmerkelijkbelanghouders uitkering van dividenden zouden vermijden, zou daardoor worden voorkomen. Tevens zou daarmee worden voorkomen dat belastingplichtigen overgaan tot versnelde winstneming in het zicht van de voorgestelde tariefsverhoging. Een dergelijke ontwikkeling zou inderdaad kunnen optreden zo beantwoorden wij de vraag van de leden van de PvdA-fractie. Bij sommige vormen van een dergelijke winstneming zouden inderdaad ongewenste effecten kunnen optreden. Daarbij kan worden gedacht aan situaties waarin de vennootschap schulden aangaat bij de aandeelhouder om dividenduitkeringen aan die aandeelhouder te financieren. Dit zou kunnen leiden tot een uitholling van de grondslag van de heffing van de vennootschapsbelasting die zou kunnen nopen tot een aanscherping van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting op pagina 34 wordt aangegeven dat tegenover de verhoging van het tarief voor het inkomen uit aanmerkelijk belang ook tariefsverlagingen voor bepaalde vormen van inkomen uit aanmerkelijk belang bestaan. De leden van de fractie van de PvdA vragen in welke verhouding de voordelen tegenover de nadelen staan. De verhoging van het tarief voor aanmerkelijk belang heeft een budgettair belang van f 150 à f 175 mln. Het bedrag van de lastenverlichting als gevolg van het feit dat rente, huur en dergelijke inkomsten die worden ontvangen van de BV in het huidige stelsel worden belast tegen een progressief tarief en onder de belastingherziening worden belast tegen het proportionele tarief van box II, is onbekend. Zoals uit de hiervóór opgenomen tabel blijkt, profiteert ook de directeur-grootaandeelhouder die loon uit de BV ontvangt van de verlaging van het schijventarief. De herziening leidt per saldo dan ook tot een lastenverlichting voor de groep directeuren-grootaandeelhouders.

Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie of zij het juist zien dat de aandeelhouders in beleggingsinstellingen het belastingtarief op hun inkomsten uit de beleggingsinstelling zien dalen van het progressieve tarief naar het tarief van box III (30%). In het Nederlandse belastingstelsel worden aandeelhouders in beleggingsinstellingen gelijk gesteld met andere aandeelhouders. De aandeelhouders in beleggingsinstellingen vallen, behoudens indien zij een aanmerkelijk belang hebben dus ook onder het forfaitair rendement. In het huidige stelsel worden de werkelijk behaalde inkomsten belast tegen het progressieve tarief, in de belastingherziening 2001 wordt het forfaitaire rendement belast tegen het tarief van box III.

Vervolgens stellen de leden van de PvdA-fractie de vraag of bekend is wat het budgettaire belang is van het overbrengen van de inkomsten van aandeelhouders in een beleggingsinstelling van de progressief belaste inkomsten naar box III. De aandeelhouder in een beleggingsinstelling wordt fiscaal niet apart behandeld. Er zijn wel gegevens over het budgettaire belang van het overbrengen van de inkomsten van aandeelhouders naar box III, maar er wordt geen uitsplitsing gemaakt naar aandeelhouders in beleggingsinstellingen en andere aandeelhouders.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom geen step-up is opgenomen voor op 31 december 2000 bestaande winstreserves waardoor tot 31 december 2000 opgebouwde winstreserves zouden worden belast naar een tarief van 25% en de nadien ontstane reserves tegen een tarief van 30%. Een dergelijke compartimentering zou volgens deze leden materiële terugwerkende kracht van de tariefsverhoging voorkomen.

Allereerst kan worden opgemerkt dat tariefwijzigingen altijd met onmiddellijke ingang in werking treden; er wordt geen onderscheid gemaakt naar de herkomst van de belastbare inkomsten. Slechts het belastbare moment is van belang. Dit geldt niet alleen bij tariefstijgingen, maar ook bij tariefdalingen. Het voorgestelde aanmerkelijkbelangtarief dient, zoals hiervóór reeds is uiteengezet voorts niet te worden gezien als een tariefsverhoging die op zichzelf staat. Een dergelijke compartimentering zou ook uitvoeringstechnisch zeer gecompliceerd zijn (denk bij voorbeeld aan de situaties waarin na de invoering van de regeling in een jaar door het lichaam verliezen worden geleden en in een later jaar weer winst wordt gemaakt en dividend wordt uitgekeerd). Een dergelijk systeem zou bij reeds bestaande vennootschappen sterk belemmerend werken voor dividenduitkeringen.

Met betrekking tot de hoogte van de vennootschapsbelasting (VPB) vragen de leden van de VVD-fractie of een vergelijking kan worden gegeven van VPB-tarieven in landen binnen de EU. Voorts vragen deze leden of het Nederlandse tarief als concurrerend valt aan te merken.

Allereerst moet worden opgemerkt dat een vergelijking van alleen de tarieven geen volledig beeld geeft van de concurrentiepositie van het Nederlandse stelsel van belastingen. Voor een goede vergelijking zijn bijvoorbeeld ook de grondslag van heffing en het onderscheid tussen verschillende heffingsstelsels van belang. Voor ondernemers die een keuze moeten maken om zich in het ene dan wel het andere land te vestigen is de effectieve druk van belang. In Nederland ligt de effectieve druk rond 31,8%, wat iets boven het gemiddelde van de EU is. Op basis van de belastinggegevens van bijna 3000 bedrijven in de verschillende EU-lidstaten over de periode 1990–1996 is een vergelijking gemaakt van het statutaire en het effectieve tarief. Deze vergelijking is opgenomen in de onderstaande tabel, welke is ontleend aan tabel 2.3.3, paragraaf 2.3 van de Miljoenennota 2000.

Tabel: Verschillen tussen effectieve en statutaire tarieven van de vennootschapsbelasting in de EU

LandStatutair tarief (in %)Effectief tarief (in%)Verschil
Ierland21,913,98,1
Zweden28,527,51,0
Griekenland32,520,911,7
Verenigd Koninkrijk33,429,04,4
Finland34,029,84,2
Frankrijk34,732,81,9
Nederland35,031,83,2
Spanje35,324,111,2
Denemarken35,829,46,4
Oostenrijk36,017,718,4
Portugal39,317,222,1
Luxemburg39,434,15,3
België40,321,019,3
Duitsland50,138,511,5
Italië50,535,315,2
Eu-gemiddelde36,526,99,6

Bron: MARC, Corporate effective tax rates in the European Union, 1999

De tarieven van de VPB in Europa laten een dalende tendens zien. Het Verenigd Koninkrijk heeft de tarieven voor de VPB inmiddels verlaagd naar 30. In Ierland wordt zelfs gedacht aan een verlaging tot 12,5% in 2003 en Duitsland heeft inmiddels voornemens bekend gemaakt om de tarieven voor de vennootschapsbelasting te verlagen. In Nederland is in het belastingplan 2000 een verlaging van het tarief over de eerste f 50 000 winst voorgesteld. Dit alles in aanmerking genomen kan geconcludeerd worden dat het Nederlandse stelsel thans nog behoort tot de middenmoot. Deze positie zal veranderen op het moment dat aangekondigde verlagingen in andere landen worden geëffectueerd.

Vervolgens vragen deze leden wat de effecten zijn van een verhoging van het stapje in het tarief van de vennootschapsbelasting van f 50 000 naar f 200 000. De kosten daarvan bedragen circa f 475 mln.

5.4. Meesleep- en meetrekregeling

De leden van de fracties van VVD, CDA, GPV, RPF en SGP verzoeken om een nadere toelichting op de uitbreiding van het aanmerkelijkbelangregime tot vermogensbestanddelen die rendabel worden gemaakt door deze ter beschikking te stellen aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een aan hem gelieerd persoon een aanmerkelijk belang heeft.

Zoals ook in de toelichting is opgemerkt, kan een aanmerkelijkbelanghouder enerzijds worden vergeleken met een particuliere belegger en anderzijds met een ondernemer-natuurlijk persoon. In het wetsvoorstel is op diverse plaatsen gezocht naar een behandeling die rekening houdt met beide aspecten. Op sommige punten, bijvoorbeeld de tariefstoepassing over ontvangen rente, dividenden ontvangen van beleggingsinstellingen e.d., is daardoor gekozen voor een benadering die dichter ligt bij de behandeling van particuliere beleggers. Op andere punten is echter meer aansluiting gezocht bij de behandeling van ondernemers. Hiermee is een ontwikkeling voortgezet die is ingezet met de herziening van het aanmerkelijkbelangregime met ingang van 1 januari 1997. Bij die herziening is de keuze voor het aanmerkelijkbelangtarief immers gebaseerd op de samenhang met de heffing van de vennootschapsbelasting ten laste van de vennootschap. Dat de destijds in gang gezette ontwikkeling in brede kring wordt gesteund, blijkt ook uit het grote aantal reacties waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen het hoogste tarief waarmee ondernemers in de box inkomen uit werk en woning kunnen worden geconfronteerd en de gecombineerde druk op (inkomen uit) tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen en winstbewijzen. Terecht wordt de ontwikkeling richting een rechtsvormneutrale belastingheffing in de maatschappij breed gedragen.

De meesleep- en meetrekregeling voor overige vermogensbestanddelen die aan de vennootschap ter beschikking worden gesteld, is een voorbeeld van een keuze voor een fiscale behandeling van aanmerkelijkbelanghouders die aansluit bij de behandeling van ondernemers. Bij ondernemers worden immers alle voordelen ter zake van tot het ondernemingsvermogen behorende vermogensbestanddelen eveneens belast en wel tegen het progressieve tarief. De meesleep- en meetrekregeling bewerkstelligt dat de parallel wordt versterkt tussen ondernemers die een onderneming voor eigen rekening en risico drijven en ondernemers die «middellijk» een onderneming drijven door tussenkomst van een besloten vennootschap. Daarbij past dat ook de waardemutaties in de heffing worden betrokken. Van «overkill», de leden van de fracties van VVD, CDA en SGP vragen daarnaar, is in dit licht dan ook geen sprake.

Zoals ook in de memorie van toelichting is opgemerkt, is de mede voor deze regeling gekozen om ongewenste arbitrageprocessen te voorkomen. De leden van de CDA-fractie vragen hoe een dergelijke arbitrage zich zou kunnen voordoen en waarom de fiscus gehouden zou zijn deze te accepteren.

De invoering van het forfaitaire rendement brengt met zich dat de omvang van het feitelijke rendement voor de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen niet meer van belang is. In gelieerde verhoudingen kan dit uitnodigen tot het betalen van oneigenlijk hoge vergoedingen voor het gebruik van vermogensbestanddelen in bijvoorbeeld de winstsfeer. Daarbij kan zowel worden gedacht aan de terbeschikkingstelling door een belastingplichtige aan een met hem gelieerde ondernemer-natuurlijk persoon als aan de aanmerkelijkbelanghouder of een aan hem verwant persoon die vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Aangezien de werkelijk betaalde vergoedingen ten laste van het resultaat worden gebracht, zou door het beschreven verschil tussen een reëel en een forfaitair systeem een onevenwichtigheid kunnen ontstaan. Dit effect wordt versterkt door het verschil in tarief waartegen deze vergoedingen in aftrek worden gebracht en het tarief dat geldt voor de heffing over het inkomen. Uiteraard is de belastingdienst niet gehouden oneigenlijke situaties te accepteren. Door de uitbreiding van de meesleep- en meetrekregeling wordt de gesignaleerde spanning echter bij voorbaat geneutraliseerd door een zeker tegenwicht aan te brengen.

Het door de leden van de fractie van GroenLinks gesignaleerde risico dat rente op leningen van een aanmerkelijkbelanghouder aan zijn eigen BV vennootschap aftrekbaar zou zijn op basis van reële rente (bijvoorbeeld 6%) bij de BV tegen 35%, terwijl de rente inkomsten in box III op 4% worden gesteld tegen 30%, is hiermee dan ook afgewend.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de voorgestelde behandeling van voordelen ter zake van vermogensbestanddelen die tot een aanmerkelijk belang behoren op grond van de meesleep- of meetrekregeling wel houdbaar zal zijn gezien het verschil ten opzichte van de particuliere belegger.

Het is juist dat het inkomen uit aanmerkelijk belang ter zake van aan de eigen vennootschap ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen door de voorgestelde regeling anders wordt belast dan bij particuliere beleggers die eenzelfde vermogensbestanddeel rendabel maken. Een belastingplichtige die een pand bezit, wordt bijvoorbeeld anders in de heffing betrokken indien hij dit pand verhuurt aan een derde dan in het geval hij het pand verhuurt aan een door hem beheerste vennootschap. Zoals reeds eerder is opgemerkt, is op diverse plaatsen in de aanmerkelijkbelangregeling ervoor gekozen de parallel te trekken met de fiscale behandeling van de ondernemer. De hiervóór geschetste gevolgen treden ook op bij de ondernemer. Aangezien de door de aanmerkelijkbelanghouder ten behoeve van de onderneming van de vennootschap ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen materieel dezelfde functie vervullen als de vermogensbestanddelen die tot het ondernemingsvermogen van de ondernemer-natuurlijk persoon behoren, is dan ook gekozen voor een sterk economische benadering. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat in strikt juridische zin sprake is van een derde. Een dergelijke «durchgriff» is overigens ook in de tariefsstelling aan de orde. Bij de bepaling van de hoogte van het gematigde aanmerkelijkbelangtarief is immers ook rekening gehouden met de omstandigheid dat winsten van de vennootschap die de aanmerkelijkbelanghouder ten goede komen ook reeds bij een derde (de vennootschap) in de heffing zijn betrokken. Gezien de parallel met de behandeling van de ondernemer is geen sprake van een ongeoorloofde discriminatie ten opzichte van de particuliere belegger.

In het verlengde van hun hiervoor beantwoorde vraag merken de leden van de VVD-fractie op dat een belastingplichtige die een kapitaalverzekering bij een professionele verzekeraar afsluit voor het rendement op deze polis – ook indien dit hoger ligt dan 4% – in de heffing van box III wordt betrokken terwijl een vergelijkbare polis die een aanmerkelijkbelanghouder bij de eigen vennootschap afsluit in de heffing wordt betrokken op de voet van de regels van box II. Zij vragen zich af of dit verschil werkelijk beoogd is en of dit verschil gerechtvaardigd is.

De leden constateren terecht dat de behandeling van de kapitaalverzekering bij de eigen vennootschap ertoe leidt dat niet langer sprake is van gelijkheid op productniveau. Door de voorgestelde regeling wordt een kapitaalverzekering bij de eigen vennootschap anders belast dan bij particuliere beleggers die eenzelfde vermogensbestanddeel rendabel maken. Dit is een logisch gevolg van de keuze om in het wettelijk systeem gelijkheid in behandeling na te streven in de sfeer van de financiële relaties tussen de aandeelhouder en de vennootschap. Een dergelijke subjectieve benadering – een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel – leidt tot een breuk met het objectieve systeem dat aan de regeling voor vermogensinkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ten grondslag lag. Zoals ook in het Nader Rapport bij de Invoeringswet inkomstenbelasting 2001 is opgemerkt, is de keuze om ook kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten bij de eigen vennootschap onder de werking van de meesleep- en meetrekregeling voor de overige ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen te rekenen, gebaseerd op de overweging dat zonder deze maatregel ongewenste arbitrageprocessen zouden (kunnen) ontstaan. Hierbij dient te worden bedacht dat kapitaalverzekeringen zoals hier aan de orde, een gemengd karakter hebben. Enerzijds bevatten deze producten een verzekeringselement, anderzijds hebben zij een spaarkarakter. In de praktijk overheerst dit laatste element sterk. Bij de afweging of kapitaalverzekeringen dienden te worden uitgesloten van de toepassing van de meesleep- en meetrekregeling, is in ogenschouw genomen dat na de invoering van de Wet IB'01 door iedere belastingplichtige een kapitaalverzekering kan worden afgesloten. Anders dan onder de huidige wet zijn daar verder in de fiscale regelgeving geen voorwaarden aan verbonden. Dit brengt met zich dat de verzekering op ieder gewenst moment tot uitkering kan komen of kan worden afgekocht. Daarmee is het instrument van een kapitaalverzekering volledig uitwisselbaar met een geldlening. Indien polissen van kapitaalverzekeringen in alle gevallen tot de grondslag van het forfaitaire rendement zouden worden gerekend, zou daarmee de beoogde belastingheffing over tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen op eenvoudige wijze kunnen worden ontgaan. In de relatie tussen aandeelhouder en vennootschap is derhalve wel degelijk sprake van een gelijke behandeling. De gelijkheid bestaat in dit geval echter hierin dat contractuele relaties in de verhouding tussen aandeelhouder en vennootschap die een sterke gelijkenis vertonen ook op gelijke wijze worden behandeld. Hiermee wordt de parallel met de behandeling van de ondernemer versterkt. Bij de keuze om bij de behandeling van de voordelen uit vermogensbestanddelen die aan de eigen vennootschap ter beschikking worden gesteld meer aan te sluiten bij de behandeling van de ondernemer, is de geschetste belastingarbitrage een belangrijke factor geweest. De analytische benadering in de boxen sluit overigens uit dat ondernemers en beleggers volledig gelijk in de heffing worden betrokken. Gezien de parallel met de behandeling van de ondernemer is geen sprake van een ongeoorloofde discriminatie ten opzichte van de particuliere belegger.

De leden van de CDA-fractie uiten het vermoeden dat de grenzen van de meesleep- en meetrekregeling zeker zullen worden verkend door het inschakelen van «tussenstations», hetgeen zal leiden tot vragen en procedures. De leden noemen het voorbeeld van een aanmerkelijkbelanghouder die een geldsom bij een bank stort waarna die bank een – in het voorbeeld groter – bedrag aan de vennootschap uitleent. Is in dat geval sprake van het «indirect ter beschikking stellen» zo vragen zij? Ook noemen zij voorbeelden waarbij oneigenlijk gebruik zou kunnen worden gemaakt van verschillen in de groep van personen die zijn genoemd in het eerste lid respectievelijk het tweede en derde lid van artikel 4.3.5. Ook de leden van de fractie van de SP vragen of het risico bestaat op constructies.

Het is een maatschappelijke realiteit dat iedere maatregel waarmee belastingheffing wordt beoogd, leidt tot pogingen deze maatregel te ontgaan. Van belang is dan ook dat de wetgeving zodanig wordt vormgegeven dat deze zo goed mogelijk bestand is tegen dergelijk ongewenst gedrag. Daartoe is onder andere in de tekst van de artikelen 4.3.4, onderdelen b en c, en 4.3.5, tweede en derde lid, opgenomen dat niet alleen directe maar ook indirecte terbeschikkingstelling van vermogen onder de in die artikelen opgenomen meesleep- en meetrekregeling valt. Ook in het door de leden van de CDA-fractie gegeven voorbeeld van een zogenoemde back-to-backconstructie is derhalve sprake van het ter beschikking stellen van vermogen. Bij de formulering van de genoemde bepalingen is deels aangesloten bij de tekst van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Nader zal nog worden bezien of een verdere aanscherping van de tekst nodig is ter vermijding van onwenselijke constructies. Wat betreft de overige door de leden van de CDA-fractie aangedragen voorbeelden kan worden opgemerkt dat artikel 4.3.5 bij nota van wijziging zal worden aangepast in die zin dat de groep van personen in alle leden van dat artikel gelijk zal worden gedefinieerd.

De leden van de fracties van VVD en CDA vragen in dit kader voorts naar een reactie aangaande de verhouding tussen artikel 7.3.1 en de door Nederland gesloten belastingverdragen. Dienaangaande kan worden opgemerkt dat de huidige Nederlandse belastingverdragen zich in beginsel beperken tot vervreemdingsvoordelen uit aanmerkelijk belang. Voordelen uit het aanmerkelijk belang zijn niet afzonderlijk geregeld en vallen daardoor onder de werking van het dividend- en interestartikel. Voorts is de stelling van deze leden juist dat het heffingsrecht over die dividenden in beginsel toekomt aan de woonstaat van de aanmerkelijk belanghouder. Dividenden genoten door een aanmerkelijkbelanghouder zijn voor de toepassing van de belastingverdragen portfoliodividenden waarop de bronstaat doorgaans een bronheffing van 15 percent mag inhouden. Deze leden kan er op worden gewezen dat deze benadering onder belastingverdragen zijn oorsprong vindt in de Nederlandse behandeling van winst uit aanmerkelijk belang zoals die voor 1 januari 1997 gold. Het vorenstaande laat onverlet dat in (her)onderhandeling van Nederlandse belastingverdragen, indien gewenst, kan worden gestreefd naar een ruimer heffingsrecht ter zake van winst uit aanmerkelijk belang. Verwezen zij in dat verband naar § 4.3.3. van de notitie Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht, kamerstukken II 1997/1998, 25 087, nr. 4.

5.5. Verliesverrekening

De leden van de CDA-fractie vragen waarom bij het aanmerkelijkbelangregime geen verliesverrekening naar nadere boxen wordt geïntroduceerd. Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen we naar paragraaf 1.3.2 waar de systematiek van de gesloten boxen nader is toegelicht.

De leden van de fracties van het CDA, D66 en GroenLinks hebben gevraagd waarom de huidige methode van verliesverrekening door middel van een tax-credit niet is voortgezet en waarom verliesverrekening over de boxen heen niet mogelijk is. Er is daarbij verwezen naar een artikel van prof. Stevens (Weekblad 1999/6356, blz. 1232) waarin hij een voortzetting van de huidige systematiek suggereert. De leden van de fracties GPV en RPF hebben in dit kader gevraagd naar een rechtvaardiging voor de onmogelijkheid een verlies uit aanmerkelijk belang te verrekenen met bij voorbeeld toekomstige inkomsten uit arbeid. Zij verwijzen daarbij naar de ondernemer die in de vorm van een eenmanszaak zijn onderneming drijft en die zijn verliezen – ook na staking – wel kan verrekenen met inkomsten uit arbeid. Ook de leden van de SGP hebben om een reactie gevraagd.

Het niet langer (door middel van een tax-credit) verrekenen van aanmerkelijkbelangverliezen met andere inkomens vloeit voort uit de keuze die gemaakt is om door middel van een boxensysteem meer analytische elementen in de inkomstenbelasting in te voeren. Deze keuze is nader toegelicht in de paragrafen 6.2 en volgende van de nota Belastingen in de 21e eeuw, een verkenning (kamerstukken II, 1997–1998, 25 810, nr. 2). Inherent daaraan is dat het verlies dat een aanmerkelijkbelanghouder lijdt bij vervreemding van zijn aanmerkelijk belang alleen met inkomen uit aanmerkelijk belang kan worden verrekend. De door een aantal leden geconstateerde parallel tussen de aanmerkelijkbelanghouder enerzijds en de ondernemer-natuurlijk persoon anderzijds is op zich onvoldoende grond om een dergelijke verliesverrekening mogelijk te maken. Kenmerk van box II blijft nu eenmaal dat het inkomen dat in deze box in aanmerking wordt genomen anderzijds ook een zekere gelijkenis vertoont met het inkomen van beleggers. Op vragen van een deel van de leden naar de mogelijkheid box II te splitsen in een deel box I-inkomen enerzijds en een deel inkomen uit sparen en beleggen anderzijds is reeds geantwoord dat een dergelijke splitsing niet mogelijk is. Gegeven deze onmogelijkheid zou verrekening van verliezen zoals door de leden bedoeld tot gevolg kunnen hebben dat verliezen die geen enkele gelijkenis vertonen met inkomen uit werk en woning toch met het laatstbedoelde inkomen verrekend zouden kunnen worden. Juist in de sfeer van de vermogensinkomsten is in het verleden de grondslaguitholling in de synthetische inkomstenbelasting ontstaan die mede aanleiding is geweest voor het creëren van een stelsel met analytische kenmerken. Wij merken tot slot op dat de termijn voor verliesverrekening nu nog voorwaarts is beperkt tot acht jaren. In het wetsvoorstel is er in voorzien dat verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar worden. Hiermee wordt zogenoemde verliesverdamping voorkomen. Dit beantwoordt tevens de vraag van GroenLinks naar de ruimere verliesverrekening; de vraag van die fractie of de gekozen systematiek past in een robuust stelsel beantwoorden wij bevestigend.

Verliezen uit aanmerkelijk belang zullen voortaan onbeperkt voorwaarts verrekenbaar zijn. De leden van de fracties GPV en RPF vragen of dat betekent dat de belastingplichtige en de Belastingdienst financiële dossiers onbeperkt moet bewaren. Het antwoord daarop luidt ontkennend. Op grond van het voorgestelde artikel 4.11.3 stelt de inspecteur het verlies uit aanmerkelijk belang dat in een jaar wordt geleden, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Daardoor ontstaat kort nadat het verlies is geleden zekerheid omtrent de grootte ervan. De Belastingdienst houdt bij welk bedrag aan verliezen de belastingplichtige nog kan verrekenen op basis van de afgegeven beschikkingen en het nadien opgekomen inkomen uit aanmerkelijk belang.

5.6. Overige vragen

De vragen van de fracties over de uitleg en werking van de voorgestelde artikelen ter zake inkomen uit aanmerkelijk belang zijn beantwoord in het artikelsgewijze gedeelte van deze nota.

De leden van de CDA-fractie vragen of het niet voor de hand ligt om het ondernemersbegrip en het aandeelhoudersbegrip te stroomlijnen zodat de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot niet als aandeelhouder voor de aanmerkelijkbelangregeling wordt aangemerkt. Voorts vragen zij waarom bij het samenstellen van een aanmerkelijk belang een duurzaam gescheiden echtgenoot wel in aanmerking wordt genomen en een ongehuwde partner die de samenwoning heeft beëindigd, niet. De leden vragen om een reactie of inzake het aanmerkelijk belang regime het opteren voor de status van partner niet beter kan vervallen en artikel 20a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te handhaven om een jojo-effect tegen te gaan. Deze vragen en reactie zijn besproken bij artikel 4.2.1 Beëindiging aanverwantschap door echtscheiding.

De leden van de CDA-fractie hebben vragen over de in aanmerking te nemen verkrijgingsprijs van een tijdelijk genotsrecht. Dit betreft een vraag van het overgangsrecht, die wij zullen bespreken in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

De leden van de CDA-fractie vinden dat partnerbegrip meer bij de materiële werkelijkheid moet aansluiten bij het samenstellen van een aanmerkelijk belang. Zij vragen of artikel 4.3.1 en artikel 4.3.5 Wet IB 2001 niet beter op elkaar afgestemd kunnen worden inzake het partnerbegrip. De leden vragen of het bewust beoogd is dat relatieve buitenstaanders door het opteren voor de status van partner alsnog aanmerkelijkbelanghouder worden. Deze vragen zijn besproken bij artikel 4.2.1 Beëindiging aanverwantschap door echtscheiding.

De leden van de CDA-fractie vragen of niet ook een soortgelijke regeling kan worden opgenomen in het nieuwe a.b.-regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 als de regeling opgenomen in het huidige artikel 20b, derde lid, Wet op de inkomstenbelasting 1964. Deze vraag is besproken bij artikel 4.5.2.2 Kosten van reguliere voordelen.

De leden van de CDA-fractie vragen naar een reactie waarom voor de beoordeling van de aanmerkelijkbelangpositie de aanverwantschap pas eindigt als het huwelijk is ontbonden en dit bij de niet geregistreerde partner die niet meer samenwoont, niet het geval is. Deze reactie is besproken bij artikel 4.2.1 Beëindiging aanverwantschap door echtscheiding.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de overschotmethode niet ook van toepassing is op de situatie waarin aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen tegen één of meerdere onzekere termijnen worden vervreemd. Deze vraag is besproken bij artikel 4.7.2.10 Overdrachtsprijs in termijnen.

De leden van de CDA-fractie vragen of een aanmerkelijkbelangclaim niet verloren gaat indien de aandelen door buitenlandse erfgenamen op grond van het legaat worden afgegeven aan een binnenlandse legataris. Deze vraag is besproken bij artikel 4.7.1.2 Uitzondering op fictieve vervreemding.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de wijziging in artikel 4.5.1.2 Wet IB 2001 ook niet moet worden doorgevoerd in artikel 4.7.2.9 Wet IB 2001. Deze vraag is besproken in artikel 4.5.2.1 Forfaitair voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het artikel 4.7.2.18 Wet inkomstenbelasting 2001 moet worden toegepast als bij het overlijden van de genotsgerechtigde overgaat op een volgende genotsgerechtigde. Deze vraag wordt besproken bij artikel 4.7.2.18 Restant verkrijgingsprijs bij einde genotsrecht.

De leden van de D66-fractie vragen een reactie op de suggestie box II te doen vervallen en op te splitsen over de boxen I en III al naar gelang de aanmerkelijkbelanghouder beschouwd kan worden als ondernemer of niet. Deze vraag is besproken in § 5 Inkomen uit aanmerkelijk belang.

6. INKOMEN UIT SPAREN EN BELEGGEN

6.1. Inleiding

Leden van alle fracties zijn ingegaan op de voorgestelde vermogensrendementsheffing. De vragen en opmerkingen hebben zowel betrekking op de hoofdlijnen – met name wat betreft de afweging die ten grondslag heeft gelegen aan de keuze voor de vermogensrendementsheffing, de wijze waarop de hoogte van het forfaitaire rendement (van 4%) is vastgesteld, de hoogte van het heffingvrije vermogen en de internationale inpasbaarheid daarvan – als op de feitelijke invulling en vormgeving van de vermogensrendementsheffing.

Het verheugt ons dat de leden van de fractie van de PvdA met grote belangstelling kennis hebben genomen van de voorstellen met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen en dat deze leden vele goede aspecten in deze voorstellen zien. De leden van de fractie van de PvdA geven aan dat bij de toetsing van het voorgestelde systeem van een forfaitaire vermogensrendementsheffing een aantal aspecten nadrukkelijk van belang is. Dit betreft naar hun oordeel allereerst het hanteren van een zo breed mogelijke grondslag, teneinde daarmee de mogelijkheden voor het schuiven van kapitaal van in en uit box III zo klein mogelijk te maken. Voorts is het voor deze leden van belang dat het voorgestelde systeem een materiële progressie moet bevatten en dat het systeem qua grondslag en heffingsdruk aan moet sluiten bij wat maatschappelijk als redelijk wordt ervaren.

Het verheugt ons evenzeer dat de leden van de fractie van de VVD – die constateren dat in zijn algemeenheid positief wordt gereageerd op de, door hen als belangrijk onderdeel van de belastingherziening aangemerkte, vermogensrendementsheffing – van mening zijn dat sprake is van een eenvoudige heffing met een stabiele opbrengst en zelfs stellen dat het eigenlijk niet mooier kan. De leden van de fractie van het CDA – die met belangstelling en verwondering kennis hebben genomen van de voorstellen met betrekking tot sparen en beleggen – hebben vele vragen over (de vormgeving van) het forfaitaire rendement gesteld. Met genoegen constateren wij dat de leden van de fractie van D66 in principe in kunnen stemmen met het idee van een vermogensrendementsheffing ter vervanging van enerzijds de progressieve inkomstenbelastingheffing over rente en dividend en anderzijds de vermogensbelasting. Deze leden kwalificeren de voorgestelde vermogensrendementsheffing als een relatief simpel systeem dat toch voldoende rechtvaardig kan uitwerken. Wel hebben de leden van de fracties van zowel de PvdA, de VVD als D66 behoefte aan nadere informatie om tot een definitieve afweging en oordeelsvorming over te kunnen gaan.

De leden van de fractie van GroenLinks onderschrijven tot ons genoegen de afweging die wij hebben gemaakt ten gunste van een meer geïntegreerde benadering van de belastingheffing rond vermogen die mede heeft geleid tot een boxbenadering.

De leden van de fracties van GroenLinks en de SP plaatsen kritische kanttekeningen bij de keuze voor een forfaitair rendement, omdat onvoldoende rekening zou worden gehouden met draagkrachtoverwegingen. In dat verband wijzen de leden van deze fracties voorts op het feit dat lage rendementen op spaarrekeningen relatief laag belast worden en dat hoge rendementen relatief laag belast worden en wordt door de leden van de fractie van de SP gesuggereerd om het tarief te verhogen. Door de leden van de fracties van het GPV, de RPF en de SGP wordt gewezen op situaties waarbij het forfaitaire rendement van 4% niet wordt gehaald. De leden van de fractie van de SGP pleiten in dat verband voor opname van een tegenbewijsregeling in het forfaitaire rendement.

De leden van de fractie van de PvdA zijn met ons van mening dat het huidige belastingstelsel op het punt van het belasten van inkomsten uit vermogen uit de pas loopt met ontwikkelingen elders in Europa. Deze leden merken in dat verband voorts op dat van dit stelsel de verkeerde prikkels uitgaan; vanwege de combinatie van rente-aftrek en onbelaste koerswinst is het huidige stelsel in de woorden van deze leden zo lek als een mandje. Ook de leden van de fractie van D66 refereren hieraan en stellen in dat verband dat het wenselijk is de uitholling van de grondslag in de sfeer van de inkomsten uit vermogen tegen te gaan en meer recht te doen aan het principe dat het voor de belastbaarheid zo min mogelijk zou mogen uitmaken waar de draagkracht aan is ontleend. Met deze leden zijn wij daarom van mening dat het nodig is om wetgeving en uitvoering op dit punt te vereenvoudigen. Ook de leden van de fractie van GroenLinks constateren dat inkomsten uit vermogen thans niet goed kunnen worden belast. Deze leden vragen zich in dat verband echter wel af of de vermogensrendementsheffing hier het juiste antwoord op is, omdat hiermee het onbelast laten van vermogenswinsten naar het oordeel van deze leden niet wordt opgelost.

In het onderstaande zullen wij nader op de vragen en wensen van de leden van deze en andere fracties ingaan en hopen daarmee deze leden te overtuigen van het feit dat de keuze voor introductie van een vermogensrendementsheffing de juiste keuze is.

6.2. Voorgeschiedenis

In de toelichting op het wetsvoorstel is aangegeven dat wat betreft de belastingheffing over inkomsten uit vermogen een ingrijpende wijziging noodzakelijk is. De opzet van het systeem zoals dat onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 functioneert, kan de steeds verdergaande uitholling van de belastinggrondslag niet tot staan brengen. Dit heeft te maken met het feit dat belastingplichtigen de mogelijkheid hebben – en massaal benutten – om het rendement op hun vermogen voor een belangrijk deel in de vorm van onbelast rendement te genieten. De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bieden onvoldoende aanknopingspunten om adequaat op deze ontwikkeling te kunnen reageren. Inmiddels heeft dit er toe geleid dat vermogen in Nederland in toenemende mate is, en nog steeds wordt, ondergebracht in beleggingsproducten die een dergelijk onbelast rendement opleveren. In dat verband kan, de leden van de fractie van het CDA vragen daar naar, bijvoorbeeld worden gedacht aan rentegroeifondsen, clickfondsen en financiële instrumenten met vermomde rentevergoedingen, zoals opties en warrants. Ook kapitaalverzekeringen worden in toenemende mate gebruikt om onbelast te kunnen sparen.

Tegen deze achtergrond is enkele jaren geleden geconcludeerd dat het onwenselijk zou zijn indien deze ontwikkeling zich verder door zou (kunnen) zetten, en dat er dus gezocht zou moeten worden naar een betere manier om inkomsten uit vermogen in de belastingheffing te kunnen betrekken. Het verheugt ons dat de leden van de fracties van de PvdA, D66 en GroenLinks deze conclusie onderschrijven. In dat kader is in de aanloop naar de belastingherziening 2001 bezien op welke wijze het huidige regime in de sfeer van de inkomsten uit vermogen tot een meer robuust stelsel zou kunnen worden omgevormd. Doelstelling daarbij was om een zodanig systeem te ontwerpen dat daarmee enerzijds zou kunnen worden bereikt dat de door belastingplichtigen in economische zin genoten inkomsten uit vermogen weer daadwerkelijk zouden kunnen worden belast. Anderzijds zou daarbij echter ook rekening moeten worden gehouden met de maatschappelijke acceptatie, ook qua draagkracht. De leden van de fracties van GroenLinks en de SP vragen daar terecht aandacht voor. Belangrijke voorwaarde daarbij was uiteraard ook dat een herzien stelsel qua uitwerking en vormgeving ook zou moeten passen bij de zowel in nationale als internationale context verander(en)de samenleving. In dat verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het mede door de introductie van de euro steeds internationaler worden van kapitaal en kapitaalmarkten en aan de individualisering. Verderop in deze nota wordt daar nog op teruggekomen.

In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven dat – zoals ook al eerder uit de in december 1997 gepresenteerde nota «belastingen in de 21e eeuw; een verkenning» was gebleken – het niet op een juiste wijze kunnen belasten van inkomsten uit vermogen primair is terug te voeren op de twee hiervoor genoemde, met elkaar samenhangende, factoren. Het feit dat de effectieve belastingdruk in Nederland op vermogensinkomsten door veel belastingplichtigen, ook ten opzichte van de situatie in het buitenland, als (te) hoog wordt ervaren, komt de maatschappelijke acceptatie van het systeem zoals het oorspronkelijk bedoeld is niet ten goede. Door de kwetsbaar gebleken vormgeving en opzet van de fiscale spelregels met betrekking tot de inkomsten uit vermogen, kon de zichzelf steeds verder versterkende tendens om de belastingheffing te omzeilen niet tot stilstand worden gebracht. Ondanks successen in de sfeer van de reparatiewetgeving, hebben belastingplichtigen die daar naar zoeken – daarbij steeds nadrukkelijker ter zijde gestaan door een groot aantal aanbieders van allerlei uiteenlopende financiële producten – nog steeds een veel te grote speelruimte om belastingheffing over vermogensinkomsten te ontgaan. Dit leidt, zeker indien dergelijke producten worden gefinancierd met vreemd vermogen waarvan de rente aftrekbaar is, tot een forse aantasting van de belastinggrondslag. In de memorie van toelichting is daarover opgemerkt dat dit niet alleen een negatieve invloed heeft op de totale belastingopbrengst en op de verdeling van de belastingdruk over alle belastingplichtigen, maar ook tot een aantasting van de belastingmoraal leidt. Een ingrijpende maar vooral ook doeltreffende herziening is derhalve onontkoombaar.

Tijdens het proces dat naar aanleiding daarvan op gang is gekomen, zijn diverse varianten stapsgewijs de revue gepasseerd. Zo is in dat kader in de in december 1997 gepresenteerde nota «belastingen in de 21e eeuw; een verkenning», een analyse opgenomen over deze materie. Deze analyse heeft samen met de naar aanleiding daarvan ontvangen reacties wat betreft de uitwerkingsrichting als een belangrijke basis gefungeerd voor de belastingherziening 2001. In de sfeer van de inkomsten uit vermogen is daarbij gekozen voor introductie van een forfaitair rendement op brede grondslag. Het forfaitaire rendement is een effectieve en eenvoudige heffing op basis van het uitgangspunt dat elke belastingplichtige met zijn vermogen over een wat langere periode bezien gemiddeld een rendement van 4% kan halen. Leden van de fracties van de PvdA, het CDA, D66, GroenLinks, de SP, de RPF, het GPV en dat SGP hebben vragen gesteld over de hoogte van dit percentage, de totstandkoming en onderbouwing daarvan en de omstandigheden waarbij en de voorwaarden waaronder dit percentage gewijzigd zou kunnen worden. Daarbij is met name aandacht gevraagd voor situaties waarbij het forfaitaire rendement van 4% niet wordt gehaald. Alvorens nader op deze vragen over de hoogte van het forfaitaire rendement in te gaan, wordt eerst stilgestaan bij de afweging die heeft geleid tot de keuze voor een forfaitair rendement.

6.2.1. Afwegingsproces

6.2.1.1. Inleiding

Ter voorkoming van verdergaande uitholling van de belastinggrondslag in de sfeer van de (fiscale behandeling van) inkomsten uit sparen en beleggen is bezien op welke wijze het fiscale inkomensbegrip weer (meer) aansluiting zou kunnen krijgen bij de huidige economische realiteit. In eerste instantie is bezien of binnen het concept dat aan het huidige fiscale systeem ter zake van inkomsten uit vermogen ten grondslag ligt, op een aanvaardbare wijze alle werkelijke inkomsten zouden kunnen worden bepaald en in de heffing kunnen worden betrokken. Zoals in de verkenning en in de bijlage bij de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel is aangegeven, biedt een dergelijke benadering geen reëel perspectief. Vastgesteld kan immers worden dat door op zichzelf bezien succesvolle reparatiemaatregelen inmiddels een complex en moeilijk uitvoerbaar geheel aan wetgeving is ontstaan dat nog steeds niet op adequate wijze tegenspel kan bieden aan belastingplichtigen die hun economische rendement in een onbelaste vorm aan de fiscus wensen te presenteren. Het verder doorgaan op de in het verleden ingezette weg van steeds verdergaande aanpassingen van het objectieve inkomensbegrip heeft zodoende weinig zin. Tegen die achtergrond hebben wij de weg van verdergaande subjectivering niet verder bewandeld.

6.2.1.2. Vermogenswinstbenadering

Als volgende stap is uitgebreid bezien of invoering van een vermogenswinstbelasting of een vermogensaanwasbelasting een reëel alternatief zou zijn om de hiervoor beschreven problemen in de sfeer van de inkomsten uit vermogen op te lossen. Op zuiver fiscaal-theoretische gronden wordt – zoals ook in de memorie van toelichting is aangegeven – wel gesteld dat een vermogenswinstbelasting beter tegemoet komt aan de draagkrachtgedachte dan het huidige systeem. Ook de leden van de fracties van GroenLinks en de SP wijzen daarop en vragen in dat verband waarom niet voor een dergelijke oplossing is gekozen. Mede naar aanleiding van deze vragen wordt het volgende opgemerkt.

Een fiscaal stelsel dat is gebaseerd op het belasten van vermogenswinst kan in de praktijk op vele verschillende manieren worden vormgegeven. In verband daarmee kan derhalve niet worden gesproken van de vermogenswinstbelasting of de vermogensaanwasbelasting. Illustratief in dat verband is dat de fractie van GroenLinks op 4 oktober 1999 een plan heeft gepresenteerd waarin wordt gesproken over een vermogensaanwinstbelasting. Overigens wordt verderop in deze nota inhoudelijk gereageerd op dit plan van de fractie van GroenLinks. Belangrijk verschil tussen beide soorten heffingen is dat de vermogenswinstbelasting in beginsel aansluit bij de werkelijk in een kalenderjaar gerealiseerde vermogensinkomsten terwijl de vermogensaanwasbelasting naast de gerealiseerde vermogensinkomsten ook de nog niet gerealiseerde vermogensinkomsten in de heffing betrekt. Uitgangspunt van beide heffingen is echter dat belastingplichtigen belast worden voor de vermogensvermeerderingen die zij in economische zin genieten.

Ter bepaling van de omvang van de in de heffing te betrekking inkomsten kan dan uiteraard geen gebruik meer worden gemaakt van het huidige objectieve stelsel waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds het vermogensobject en anderzijds de (belaste) vruchten die dat vermogensobject voortbrengt. Bij een vermogenswinstbenadering worden in beginsel immers alle voordelen die worden genoten in de heffing betrokken. Daarbij gaat het dus niet alleen om de vruchten in vorenbedoelde zin, maar ook om de thans nog onbelaste waardeveranderingen van de vermogensobjecten zelf. Hiermee zou de belangrijkste tekortkoming van het huidige systeem kunnen worden ondervangen. Bij een dergelijke benadering heeft het immers geen zin meer om – afgezien van het zogenoemde «lock-in effect» waarop hierna wordt ingegaan – de (belaste) inkomsten uit vermogen via allerlei omwegen te transformeren in (onbelaste) waardemutaties. In zoverre lijkt een vermogenswinstbenadering als concept derhalve een grote stap voorwaarts ten opzichte van het huidige systeem.

Bij nadere uitwerking en vormgeving daarvan blijkt echter dat het lang niet zo eenvoudig is als het op het eerste gezicht lijkt om de belastingheffing ter zake van inkomsten uit vermogen op een vermogenswinst-achtige leest te schoeien. In de praktijk komen in dat kader namelijk kwesties aan de orde als de bepaling van de grondslag waarop de heffing betrekking moet hebben (het inbouwen van vrijstellingen voor roerende zaken, de eigen woning, etc.), de wijze waarop rekening moet worden gehouden met de invloed van inflatie en welke bijzondere faciliteiten moeten worden gecreëerd (zoals een eventuele doorschuifregeling bij vererving). Zoals in de bijlage bij de memorie van toelichting is aangegeven zijn dergelijke nuanceringen onontkoombaar, omdat daarmee beleidsmatige, praktische en theoretische nadelen van een vermogenswinstbelasting kunnen worden gemitigeerd of ondervangen. Ook draagkrachtoverwegingen spelen daarbij een rol. Het vorenstaande onderstreept eens te meer dat niet gesproken kan worden van de vermogenswinstbelasting. De feitelijke vormgeving daarvan is immers afhankelijk van vele keuzen die uiteindelijk tot een wezenlijk verschillende heffing kunnen leiden (variërend van een direct te betalen vermogensaanwasbelasting tot een partiële vermogenswinstbelasting met doorschuifregelingen en andere uitstel- of afstelmogelijkheden). Consequentie daarvan is voorts dat de, met name wetenschappelijk aangedragen, theoretische eenvoud van een vermogenswinstbenadering in verband met die vele keuzen en nuanceringen in de praktijk behoorlijk tegen zal vallen. Een eenvoudige vorm van een vermogenswinstbelasting – de leden van de fractie van de SP vragen daar naar – is in verband daarmee niet goed denkbaar (zie ook hierna). In dat kader kan bijvoorbeeld worden gewezen op het voorstel voor een vermogenswinstbelasting zoals dat vorig jaar door de Vereniging voor Belastingwetenschap is gepresenteerd. Uit een in de bijlage bij de memorie van toelichting opgenomen analyse blijkt dat genoemd voorstel voor een vermogenswinstbelasting leidt tot zeer ingewikkelde regelgeving, gecompliceerde uitvoering, administratieve rompslomp en een instabiele opbrengst. Dergelijke nadelen wegen zwaar.

Het vorenstaande kan ook in verband worden gebracht met de discussie over draagkracht en belastingheffing. Het fiscaal-theoretische uitgangspunt dat een vermogenswinstbelasting beter aansluit bij de draagkrachtgedachte dan het huidige stelsel kan op zichzelf bezien juist zijn, maar dat betekent nog niet automatisch dat in de sfeer van de inkomsten uit vermogen vanuit dat perspectief bezien alleen maar voor introductie van een vermogenswinstbelasting zou kunnen worden gekozen. Hiervoor is reeds opgemerkt dat een vermogenswinstbelasting vele verschillende gezichten kan hebben. Een variant die via allerlei vrijstellingen, doorschuifregelingen en tarieffaciliteiten zo dicht mogelijk langs de lijnen van het draagkrachtbeginsel zou worden vormgegeven, is uitermate complex en vrijwel niet uitvoerbaar. Het invoeren van een grove variant van een vermogenswinstbelasting waarin niet of nauwelijks ruimte zou wordt ingebouwd voor uitzonderingen of nuanceringen, zou de hiervoor genoemde complexiteit weliswaar enigszins kunnen wegnemen. Daar staat dan echter wel tegenover dat – zulks nog los van het feit dat de bezwaren in de sfeer van de instabiele opbrengst en het belemmeren van een efficiënte en dynamische werking van de kapitaalmarkt zouden blijven bestaan – met een aldus vormgegeven vermogenswinstbelasting weer meer afstand wordt genomen van de draagkrachtgedachte.

Mede bezien tegen de achtergrond van de in dat kader te maken afweging, is besloten om verder te zoeken naar een benadering waarbij de inkomsten uit vermogen op relatief eenvoudige wijze – en passend binnen het draagkrachtbeginsel – in de heffing kunnen worden betrokken. In dat kader is het forfaitaire rendement op brede grondslag in beeld gekomen. Het jaarlijks op basis van een forfaitair rendement in de heffing betrekken van de inkomsten uit vermogen levert een eenvoudig, robuust en goed uitvoerbaar systeem op dat bovendien tot een stabiele opbrengst leidt. Het ontgaan van belastingheffing door economisch rendement te transformeren in een zodanige vorm dat daarover geen belasting kan worden geheven, zal immers niet langer mogelijk zijn. Daarmee wordt, dit in reactie op de vraag van de leden van de fracties van het CDA en de SGP, een adequaat antwoord gegeven op het grootschalige oneigenlijke gebruik dat thans in de sfeer van de inkomsten uit vermogen plaatsvindt. De door de leden van de fracties van GroenLinks en de SP naar voren gebrachte stelling dat een dergelijke heffing min of meer per definitie niet past in de draagkrachtgedachte wordt overigens niet onderschreven. Met het forfaitair in aanmerking te nemen rendement van 4% wordt, zeker als dit over een periode van diverse kalenderjaren wordt bezien, op een aanvaardbare wijze aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk zullen kunnen halen. Verderop in deze nota wordt nader op de hoogte van dit percentage ingegaan.

In de bijlage bij de memorie van toelichting is in dat verband opgemerkt dat het draagkrachtbeginsel als uitvloeisel van het streven naar rechtvaardigheid en rechtsgelijkheid een waardevol oriëntatiepunt is bij de opbouw en de vormgeving van een belastingstelsel, maar dat daarmee niet is gezegd dat dit oriëntatiepunt per definitie introductie van een vermogenswinstbelasting zou moeten impliceren. Voor de wetgever zijn theoretische concepten belangrijk, maar niet bij uitsluiting doorslaggevend. Voor de wetgever gaat het ook om een weloverwogen synthese van rechtvaardigheid, doelmatigheid en budgettaire doelen. Een op rechtvaardigheid en rechtsgelijkheid georiënteerd belastingstelsel kan ook heel goed op evenwichtige wijze worden vormgegeven door te kiezen voor een combinatie waarbij enerzijds het vermogen als aanknopingspunt fungeert voor diverse vormen van belasting en anderzijds – in aanvulling daarop – vermogenswinsten slechts in een beperkt aantal situaties worden belast.

Voorts wordt in dat verband opgemerkt dat een belastingherziening niet alleen mag worden gebaseerd op fiscaal-theoretische argumenten en overwegingen. In dat kader is een bredere beoordeling nodig tegen de achtergrond van de belangrijkste uitgangspunten en doelstellingen van de belastingherziening. Wat betreft de inkomsten uit vermogen kunnen in dat verband met name worden genoemd de versterking van de economische structuur, het bereiken van een evenwichtige verdeling van de belastingdruk, het realiseren van een stabiele opbrengst en het vereenvoudigen van het belastingstelsel. Voorts spelen daarbij ook huidige en toekomstige ontwikkelingen een rol, zowel in nationaal als internationaal verband. Ook in het Nader Rapport – punt 4 – is aandacht besteed aan de discussie over het draagkrachtbeginsel in relatie tot het belasten van inkomsten uit vermogen.

Tegen deze achtergrond stellen wij met instemming vast dat de leden van de fractie van de PvdA één van de meest kenmerkende en bewust door ons beoogde elementen van de vermogensrendementsheffing – namelijk het feit dat belastingplichtigen niet meer kunnen ontkomen aan het betalen van belasting over hun vermogensinkomsten, ongeacht de wijze waarop zij hun vermogen aanhouden of financieren – als een groot winstpunt beschouwen. Met deze leden zijn wij van mening dat met de vermogensrendementsheffing een belangrijke stap wordt gezet in de richting van het hernieuwd vormgeven van het draagkrachtbeginsel op het terrein van (de inkomsten uit) het vermogen. Ook de leden van de fractie van D66 gaan in op het draagkrachtbeginsel in relatie tot de voorgestelde vermogensrendementsheffing. Deze leden geven aan dat zij de stelling dat met de overgang van het huidige synthetische stelsel naar een meer analytisch stelsel meer recht wordt gedaan aan het draagkrachtbeginsel onderschrijven, en roepen daarbij in herinnering dat zij in het verleden reeds herhaaldelijk hebben gepleit voor introductie van een meer analytisch stelsel. Wij constateren met genoegen dat deze leden van mening zijn dat in de sfeer van de draagkracht praktische doeltreffendheid voorrang kan en moet krijgen boven theoretische correctheid. Het rechtsgevoel van de burger is naar het oordeel van deze leden meer gediend met een systeem waarbij duidelijk is dat iedereen betaalt wat hij of zij geacht wordt bij te dragen dan met een systeem waarbij op papier weliswaar sprake is van een eerlijke heffing, maar waar in de praktijk niets van terecht komt. Wij onderschrijven deze opvatting, en zijn het dan ook niet eens met de opmerking van de leden van de fractie van de SGP dat de forfaitaire rendementsheffing in strijd is met de draagkrachtgedachte. Door de invoering van de forfaitaire rendementsheffing zou de draagkrachtgedachte worden uitgehold, omdat niet langer wordt uitgegaan van het werkelijke bedrag aan vermogensinkomsten maar van een fictief bedrag aan vermogensinkomsten. Wel constateren deze leden dat de forfaitaire rendementsheffing ten opzichte van het huidige stelsel – waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen belaste inkomsten en onbelaste vermogensresultaten – een evenwichtiger heffingsresultaat wordt bereikt. Overigens beantwoorden wij de vraag van deze leden of een hogere mate van gerealiseerde rechtvaardigheid voldoende reden is om een nog hoger niveau van beoogde rechtvaardigheid te laten varen in zoverre bevestigend dat daar waar de hogere beoogde rechtvaardigheid louter theoretisch is, het praktisch hoogst haalbare een reëel en acceptabel alternatief vormt.

6.2.1.3. vermogensaanwasbelasting

De leden van de fractie van de PvdA vragen nader in te gaan op de voor- en nadelen van een vermogensaanwasbelasting. Ook de leden van de fractie van de SP hebben aandacht gevraagd voor de vermogensaanwasbelasting. Ten antwoord daarop wordt opgemerkt – dit mede naar aanleiding van de opmerkingen van prof. Cnossen, waarnaar deze leden verwijzen – dat de uitvoering van een vermogensaanwasbelasting verre van eenvoudig is. Ter bepaling van de te belasten vermogensaanwas kan immers niet worden volstaan met het meten van het verschil in vermogen tussen het begin en het einde van het kalenderjaar. Een juiste meting van het in de heffing te betrekken voordeel vereist dat wordt gecorrigeerd voor onttrekkingen en stortingen die in de loop van het jaar plaats kunnen vinden. In dat kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het feit dat niet het gehele salaris in de consumptieve sfeer wordt aangewend, maar deels op een spaarrekening wordt gezet of in aandelen wordt belegd. Omdat een dergelijke toename van het vermogen niet in de heffing van de vermogensaanwasbelasting mag worden betrokken, zal een correctie dienen plaats te vinden. Andersom geldt dat ook gecorrigeerd zal moeten worden voor onttrekkingen uit het vermogen. Indien iemand spaargeld opneemt om een wereldreis te kunnen bekostigen, leidt de daarmee gepaard gaande afname van het vermogen immers niet tot een verlies dat via de vermogensaanwasbelasting verrekend zou mogen worden. Omdat er in de loop van het jaar vele stortingen in en onttrekkingen aan het vermogen kunnen plaatsvinden, zal een vermogensaanwasbelasting wat betreft uitvoering veel ingewikkelder zijn dan wel wordt gesuggereerd. In feite zal namelijk van elk vermogensbestanddeel dat deel uitmaakt van de grondslag waarop de vermogensaanwasbelasting betrekking heeft, moeten worden bepaald wat de verkrijgingsprijs is op het moment dat het vermogensbestanddeel deel gaat uitmaken van de grondslag en wat de vervreemdingsprijs is op het moment dat het de grondslag verlaat. Vervolgens zal dan ook elk jaar nog moeten bezien welke inkomsten de desbetreffende vermogensbestanddelen opleveren – die inkomsten gaan immers (nadat daarover belasting is geheven) ook weer tot de grondslag behoren, tenzij deze voor bijvoorbeeld consumptieve redenen daaraan worden onttrokken – en wat de waarde van de vermogensbestanddelen aan het einde van het jaar is. Wat betreft dit laatste element is een vermogensaanwasbelasting qua uitvoering zelfs nog gecompliceerder dan een vermogenswinstbelasting, omdat bij een vermogenswinstbelasting niet elk jaar de waarde van elk afzonderlijk vermogensbestanddeel hoeft te worden bepaald.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom het liquiditeitsprobleem als nadeel van de vermogensaanwasbelasting wordt genoemd terwijl dezelfde problemen zich ook bij de forfaitaire rendementsheffing kunnen voordoen. Naar aanleiding van deze vraag wordt opgemerkt dat binnen de forfaitaire rendementsheffing als uitgangspunt geldt belastingplichtigen met hun vermogen over een wat langere periode bezien een gemiddeld rendement van 4% kunnen behalen. Op basis van dat uitgangspunt worden belastingplichtigen in de heffing betrokken. Onder omstandigheden zou het in uitzonderingssituaties kunnen voorkomen dat het feitelijk in liquide middelen behaalde rendement lager is dan 1,2% (op de hoogte van het forfaitaire rendement van 4% en het belastingtarief van 30% wordt verderop in deze nota nader ingegaan). Wij verwachten dan ook niet dat zich bij de forfaitaire rendementsheffing – de leden van de fractie van het CDA vragen daarnaar – liquiditeitsproblemen zullen voordoen. Bij een vermogensaanwasbenadering kan het liquiditeitsprobleem echter zwaarder wegen omdat door de jaarlijkse fluctuaties van de hoogte van het rendement, het effectief te betalen belastingbedrag in een jaar veel hoger kan oplopen. Dit zou belastingplichtigen ertoe kunnen nopen om een deel van hun sterk in waarde gestegen bezittingen te moeten verkopen om in staat te zijn de vermogensaanwasbelasting daarover te kunnen betalen.

6.2.1.4. vermogensaanwinstbelasting

De leden van de fracties van de VVD en GroenLinks hebben om een reactie gevraagd op het op maandag 4 oktober door GroenLinks gepresenteerde plan inzake een vermogensaanwinstbelasting. Deze vermogensaanwinstbelasting zou naar het oordeel van de leden van de fractie van GroenLinks in de plaats moeten komen van de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen forfaitaire rendementsheffing. Alvorens nader op deze vraag in te gaan, wordt allereerst kort ingegaan op de hoofdlijnen van dit plan. Het door GroenLinks gepresenteerde plan heeft de volgende kenmerken:

• er komt net zoals in de kabinetsplannen een aparte box voor vermogensinkomsten;

• in deze box worden gerealiseerde vermogensinkomsten, zoals rente, dividend, huur en pacht, conform de opzet van het huidige stelsel, belast;

• via een additionele heffing wordt ook de jaarlijkse vermogensaanwas van financiële producten (aandelen, obligaties, etc.) in de heffing betrokken;

• voorts wordt de gerealiseerde vermogenswinst bij verkoop van roerende zaken die bij aankoop meer dan f 25 000 hebben gekost (zoals antiek, boten, vliegtuigen, oldtimers, etc.), belast;

• voor onroerende zaken geldt een forfaitair rendement van 4% van de WOZ-waarde;

• in het verlengde van de in mei van dit jaar door GroenLinks gepresenteerde nota inzake de fiscale behandeling van de eigen woning zou voor de eigen woning een vrijstelling van f 400 000 (f 280 000 voor alleenstaanden) moeten gelden, zodat alleen over het excedent 4% forfaitair rendement wordt berekend;

• de bij verkoop van onroerende zaken gerealiseerde vermogenswinst wordt belast voor zover deze meer dan 6% op jaarbasis bedraagt. Deze 6% bestaat uit 4% forfaitair rendement dat al eerder is belast en 2% forfaitaire onderhoudskosten die in de plannen van GroenLinks als zodanig niet aftrekbaar zijn;

• verliezen mogen worden verrekend in het jaar dat ze ontstaan, bij een per saldo verlies volgt een belastingteruggaaf;

• er vindt geen inflatiecorrectie plaats;

• er wordt geen rekening gehouden met aftrekbare kosten;

• financieringsrenten worden eveneens buiten beschouwing gelaten;

• alleen «noodzakelijke» hypotheekrente is aftrekbaar tegen een tarief van 30% (onder noodzakelijk hypotheekrente wordt in dat verband verstaan de totale hypotheekschuld nadat deze is verminderd met de nettowaarde van de bezittingen);

• voor elke belastingplichtige geldt een inkomstenvrijstelling van f 2000 per jaar;

• het tarief over de aldus bepaalde inkomsten uit vermogen bedraagt 30% over de eerste f 50 000 en 35% over het meerdere;

• via exitheffingen wordt belastingheffing bij emigratie en overlijden veiliggesteld.

• de vermogensbelasting wordt niet afgeschaft maar gehandhaafd;

• de opbrengst van de vermogensaanwinstbelasting wordt door GroenLinks per saldo geraamd op 9,5 miljard;

• deze opbrengst van 9,5 miljard zou volgens GroenLinks besteed kunnen worden aan AOW- en gezondheidszorg, een lagere belastingdruk op arbeid en aan lagere overdrachtsbelasting voor de eigen woning.

Het uitwerken en presenteren van alternatieve belastingvoorstellen zoals GroenLinks hier heeft gedaan verdient waardering. Wel kunnen er op hoofdlijnen een aantal kritische kanttekeningen bij het door GroenLinks gepresenteerde plan voor een vermogensaanwinstbelasting worden geplaatst. De leden van de fractie van GroenLinks zijn daar overigens in grote lijnen reeds van op de hoogte omdat de eerste ondergetekende – die bij de presentatie aanwezig was – direct inhoudelijk op het voorstel heeft gereageerd.

Zoals eerder in deze nota is aangegeven zou een vermogenswinstbenadering vanuit zuiver fiscaal-theoretisch perspectief het beste passen bij de draagkrachtgedachte die aan de inkomstenbelasting ten grondslag ligt. In de praktijk zal deze theoretische draagkrachtwinst echter illusoir blijken, omdat er allerlei mogelijkheden overblijven om de belastingheffing uit te stellen of te ontgaan (ervaringen uit het buitenland bevestigen dat). De vermogensaanwinstbelasting zal voorts leiden tot een uitermate complex geheel aan wetgeving en zal in de praktijk voor belastingplichtigen en belastingdienst vrijwel niet uitvoerbaar zijn. De vermogensaanwinstbelasting kan immers als een soort drietrapsraket worden gekwalificeerd. In de eerste plaats zou het huidige systeem gehandhaafd moeten blijven voor de normale inkomsten. In de tweede plaats zou er voor financiële waarden een vermogensaanwasbelasting moeten komen. In de derde plaats zou er voor zaken een vermogenswinstbelasting moeten komen (waarbij overigens voor roerende zaken een andere benadering wordt gekozen dan voor onroerende zaken). Tot slot zou ook de vermogensbelasting moeten worden gehandhaafd.

De forfaitaire rendementsheffing levert theoretisch een minder grote draagkrachtwinst op, maar het is wel vrij zeker dat deze in de praktijk ook daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Zo zullen belastingplichtigen die onder het huidige stelsel de belastingheffing nog kunnen ontgaan, met ingang van 2001 aanzienlijk meer gaan betalen. De stelling van GroenLinks dat het forfaitaire rendement niet als een serieuze vermogenswinst of -aanwasbelasting kan worden beschouwd kan in zoverre worden genuanceerd dat in het plan van GroenLinks de aanwas of winst eenmalig in de heffing wordt betrokken, terwijl het forfaitaire rendement de aanwas en winst jaarlijks in de heffing betrekt. Dit kan aan de hand van het volgende voorbeeld worden geïllustreerd. Indien in jaar X de waarde van een vermogensbestanddeel van 100 naar 160 stijgt en daarna 10 jaar een gelijke waarde houdt, heft GL eenmalig 30% van 60 = 18. In het forfaitaire rendement wordt in jaar X 130 – het gemiddelde van 100 aan het begin van het kalenderjaar en 160 aan het einde van het kalenderjaar – belast tegen een effectief tarief van 1,2% = 1,56. In de volgende 9 jaren wordt telkens 1,98 geheven (160 x 1,2%). Per saldo leidt de forfaitaire rendementsheffing in dit voorbeeld zelfs tot een hogere heffing (in totaal dient 19,38 aan belasting te worden betaald).

Wat betreft de opbrengst van de door GroenLinks voorgestelde vermogensaanwinstbelasting wordt opgemerkt dat deze zeer onzeker en uiterst instabiel is. In jaren van vermogensstijgingen zal de opbrengst zeer significant zijn terwijl in jaren van vermogensdalingen per saldo een negatieve opbrengst zou kunnen resulteren. Die negatieve opbrengst overigens nog zou kunnen worden versterkt door het feit dat van de ongelimiteerde belastingteruggave bij verlies een aanzuigende werking uit zou kunnen gaan naar het buitenland, waardoor import van buitenlandse verliezen zou kunnen ontstaan. Een en ander zou tot forse opbrengstfluctuaties van vele miljarden op jaarbasis kunnen leiden. Uit een oogpunt van evenwichtig begrotingsbeleid, en overigens ook uit beleidsmatig oogpunt, achten wij dit volstrekt ongewenst.

Tegen deze achtergrond zijn wij van mening dat het voorstel van GroenLinks geen bruikbaar alternatief vormt voor de forfaitaire rendementsheffing.

6.3. Forfaitair rendement

6.3.1. Inleiding

6.3.1.1. Algemene vragen

De leden van de fracties van het CDA en GroenLinks hebben met betrekking tot de vermogenswinstbelasting gevraagd om, mede naar aanleiding van de door Prof. Cnossen naar voren gebrachte overwegingen, nog eens in te gaan op een aantal van de argumenten die in de memorie van toelichting zijn gebruikt om te komen tot de conclusie dat een vermogenswinstbelasting geen haalbaar alternatief vormt. Naar aanleiding hiervan merken wij het volgende op.

De leden van de fractie van het CDA geven aan dat de gevolgen op de kapitaalmarkt van het zogenoemde lock-in effect naar hun oordeel betrekkelijk gering zijn. Ter onderbouwing van deze stelling merken deze leden op dat de meeste vermogensbestanddelen waarop een vermogenswinstbelasting betrekking kan hebben in handen zijn van beleggers die niet zijn onderworpen aan inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting (deze leden noemen in dat verband pensioenfondsen en niet-ingezetenen). Ook de leden van de fractie van de SP gaan in op het lock-in effect en stellen in dat verband dat dit effect klein is en grotendeels kan worden voorkomen door realisatie bij overlijden te veronderstellen. Anders dan de leden van deze fracties zijn wij van mening dat het lock-in effect wel degelijk een zwaarwegend nadeel is van een vermogenswinstbelasting. Door het lock-in effect zullen belastingplichtigen geneigd zijn om winstnemingen zo lang mogelijk uit te stellen omdat dergelijke winstnemingen tot directe belastingheffing leiden. Naast ongewenste effecten op de opbrengst – die nog worden versterkt door het feit dat verliezen wel snel aan de fiscus zullen worden gepresenteerd – zal hierdoor de efficiënte en dynamische werking van de kapitaalmarkt worden belemmerd. Belastingplichtigen zullen als gevolg hiervan hun beleggingsportefeuille veel minder vaak aanpassen. Zoals in de bijlage bij de memorie van toelichting is opgemerkt, zou dit particuliere beleggingen in risicodragend kapitaal kunnen ontmoedigen. Hierdoor zou het beursklimaat negatief kunnen worden beïnvloed, hetgeen met name voor een land als Nederland, met een kleine en open economie, zwaar weegt. Het door het CDA genoemde argument dat in Nederland niet meer dan 20% van het totale vermogensbezit onder een vermogenswinstbelasting zou vallen doet daar naar ons oordeel niet aan af. Overigens zou ook het opnemen van een verplichte afrekening in de vermogenswinstbelasting bij overlijden, zoals gesuggereerd door de leden van de fractie van de SP, het lock-in effect slechts zeer ten dele wegnemen.

De leden van de fractie van het CDA merken naar aanleiding van de opmerking in de memorie van toelichting dat op een vermogenswinstbelasting idealiter een inflatiecorrectie zou moeten worden toegepast, op dat het effect van inflatie niet alleen betrekking heeft op vermogenswinsten. In dat verband stellen deze leden dat – vanwege het feit dat belastingheffing over vermogenswinsten kan worden uitgesteld – het effect van inflatie op groeifondsen waarop dividend wordt uitgekeerd beperkt is en dat dit effect op vastrentende fondsen het grootst is. In dat kader stellen deze leden dat in beginsel alle vermogensopbrengsten en -kosten voor het effect van inflatie zouden moeten worden gecorrigeerd, inclusief vermogensverliezen. Vanuit dat perspectief is het naar het oordeel van deze leden twijfelachtig of een tot vermogenswinsten beperkte inflatiecorrectie wel efficiënt en rechtvaardig uitpakt. In het verlengde daarvan stellen zij dat een dergelijke alomvattende inflatiecorrectie wel tot aanzienlijk ingewikkelder wetgeving leidt, omdat rekening dient te worden gehouden met de bezitsduur van vermogensbestanddelen en het verloop van de inflatie. Deze opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA sterken ons in de opvatting in de sfeer van de inkomsten uit vermogen niet te kiezen voor introductie van een vorm van vermogenswinstbelasting.

De leden van de fractie van het CDA gaan voorts in op de complexiteit van een vermogenswinstbelasting. Deze leden geven aan van mening te zijn dat een vermogenswinstbelasting de integriteit van de inkomstenbelasting beschermt, omdat constructies minder lonend zullen worden. Hierdoor zouden de perceptiekosten van de inkomstenbelasting naar het oordeel van deze leden wel eens meer kunnen dalen dan de kosten die verbonden zouden zijn aan de uitvoering van de vermogenswinstbelasting. In verband daarmee stellen deze leden dat door ons een onjuiste conclusie is getrokken uit de naar het oordeel van deze leden juiste waarneming dat belastingplichtigen in een vermogenswinstbelasting winstnemingen zo lang mogelijk zullen uitstellen en eventuele verliezen zo snel mogelijk aan de fiscus zullen presenteren. Deze leden doelen daarbij op het zogenoemde lock-in effect. Hiervoor hebben wij reeds aangegeven dat dit effect naar ons oordeel zwaarder weegt dan de leden van de fractie van het CDA menen. Voorts hebben wij hiervoor – naar aanleiding van de opmerkingen van deze leden over de wijze waarop binnen een vermogenswinstbelasting rekening zou kunnen worden gehouden met inflatie – aangegeven dat een vermogenswinstbelasting gecompliceerd is, zowel qua wetgeving als qua uitvoering. Het door deze leden genoemde argument dat constructies minder lonend zullen worden geldt overigens ook voor de veel eenvoudigere forfaitaire rendementsheffing.

De leden van de fractie van het CDA geven aan van mening te zijn dat het argument van de niet stabiele opbrengst van een vermogenswinstbelasting misplaatst is, omdat door het anticyclische karakter van de heffing de opbrengst in goede tijden hoger zal zijn dan in slechte tijden. De leden van deze fractie geven daarmee aan een definitie van een stabiele opbrengst te hanteren die niet de onze is. Een fluctuerende opbrengst is nu eenmaal niet stabiel, dit nog los van het antwoord op de – door ons vanuit het perspectief van een evenwichtig begrotingsbeleid overigens in ontkennende zin beantwoorde – vraag of de een dergelijke fluctuatie wenselijk moet worden geacht.

De leden van de fractie van het CDA hebben voorts gevraagd in welke opzicht het nieuwe regime voor sparen en beleggen leidt tot meer neutraliteit en tot een meer efficiënte werking van de kapitaalmarkt.

Daarnaast vragen deze leden op welke wijze het forfaitaire rendement stimulerend is voor de duurzame ontwikkeling van de economie en hoe deze heffing de marktwerking kan bevorderen tegen de achtergrond van het feit dat het fiscale systeem niet een variabele mag zijn die de keuze voor bepaalde beleggingsportefeuilles bepaalt. Naar aanleiding van deze vragen wordt het volgende opgemerkt. Van het huidige systeem gaat een verstorende invloed op de werking van de kapitaalmarkt uit. Dit hangt samen met het feit dat door de sterk uiteenlopende fiscale behandeling van verschillende rendementsvormen, beleggers zich bij de keuze voor bepaalde beleggingsvormen vaak meer laten leiden door fiscale dan door economische overwegingen. Dit leidt tot een minder efficiënte allocatie van kapitaal. Introductie van de forfaitaire rendementsheffing leidt op de beleggingsmarkt tot een verregaande mate van neutraliteit. Elke beleggingsvorm wordt in beginsel immers op gelijke wijze behandeld doordat het te belasten rendement 4% van de waarde van de belegging bedraagt. De vormgeving van de belegging is daarbij dus niet meer van belang. De fiscaal geïndiceerde verstoring van de allocatie van vermogen wordt daarmee weggenomen. Dit leidt niet alleen tot een meer efficiënte werking van de kapitaalmarkt maar ook– door het transparanter worden van de kapitaalmarkt – tot een betere marktwerking. Dit heeft ook een positieve invloed op de duurzame ontwikkeling van de economie.

In reactie op de opmerking van de leden van de fracties van het CDA en GroenLinks dat het fiscale systeem niet een variabele mag zijn die de keuze voor bepaalde beleggingsportefeuilles bepaalt, wordt opgemerkt dat door introductie van een forfaitair rendement – zoals hiervoor is aangegeven – de huidige verstoring op de beleggingsmarkt juist wordt weggenomen. De vorm waarin het rendement wordt genoten, maakt voor de belastingheffing immers niet meer uit. Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de fractie van het CDA dat het forfaitaire rendement van 4% uitnodigt om te beleggen in vermogensbestanddelen met een rendement van tenminste 4% – ook de leden van de fractie van de VVD refereren hieraan – wordt opgemerkt dat een van de gevolgen van de introductie van het forfaitaire rendement zou kunnen zijn dat belastingplichtigen er wat nadrukkelijker dan thans het geval is toe zouden kunnen overgaan om (tijdelijk) overtollige liquiditeiten rendabel te maken, bijvoorbeeld door deze rentedragend bij een bank onder te brengen. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de VVD wordt opgemerkt dat introductie van het forfaitaire rendement er naar verwachting niet toe zal leiden dat er geen producten met een rendement van minder dan 4% meer zullen worden aangeboden. Het te behalen beleggingsrendement is immers afhankelijk van vele factoren, zowel in nationaal als in internationaal verband. Een wijziging van het Nederlandse fiscale stelsel in de sfeer van de inkomsten uit vermogen zal in verband daarmee relatief slechts een geringe invloed hebben op het niveau van het beleggingsrendement.

Naar aanleiding van de vraag van de CDA-fractie over de timing van de invoering van de forfaitaire rendementsheffing in verband met (het gevaar van) inflatie/oververhitting wordt het volgende opgemerkt. Voor een succesvolle implementatie van een ingrijpende structurele inpassing als de fiscale stelselherziening zijn voorspelbaarheid, het verschaffen van tijdige zekerheid en betrouwbaarheid cruciaal. Omdat de conjunctuur zich doorgaans slecht laat voorspellen kan en mag implementatie niet afhankelijk worden gemaakt van de stand van de conjunctuur. Bovendien heeft de wijziging van het systeem van heffing over inkomsten uit vermogen door middel van invoering van de forfaitaire rendementsheffing als zodanig daarop niet of nauwelijks invloed.

De leden van de fractie van GroenLinks geven aan dat in de bijlage een negatief beeld wordt geschetst van landen die een vermogenswinstbenadering hanteren. Er wordt, volgens de leden van de fractie van GroenLinks, in de bijlage bijvoorbeeld gesteld dat de budgettaire opbrengsten van een vermogenswinstbelasting onder druk staan. De leden van de fractie vragen wat de beleidsmatige en wetenschappelijke ontwikkelingen zijn om de hiervoor geschetste problematiek het hoofd te bieden. Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks of er internationaal gezien een ontwikkeling gaande is naar de vermogensaanwasbenadering, bijvoorbeeld in de V.S. en Italië.

Allereerst kan worden opgemerkt dat een vermogenswinstheffing kan leiden tot bepaalde gedragseffecten. Deze gedragseffecten, lock-in effecten genoemd, houden in dat een belastingplichtige probeert zijn vermogenswinsten zo lang mogelijk uit te stellen en zijn vermogensverliezen zo snel mogelijk te nemen. Deze effecten hebben tot gevolg dat de effectiviteit van de vermogenswinstbelasting klein wordt. In de V.S. zijn om daarom naast het systeem van capital gains tax anti-ontgaansmaatregelen opgesteld, zoals de «passive loss rules» en de «at risk rules». Deze maatregelen zien met name op het uitstellen van belasting door constructies door middel van financiering van beleggingen met vreemd vermogen. Deze regels gelden als de meest complexe regels in de Amerikaanse belastingwetgeving.

Er zijn in de V.S. artikelen verschenen in de wetenschappelijke literatuur die voorstellen doen voor het invoeren van een forfaitaire rendementsheffing. Zo heeft professor Warren van de vakgroep belastingrecht van Harvard University de «imputation of a standard rule of return» voorgesteld. Deze regeling voorziet in een jaarlijkse heffing over een forfaitair rendement die wordt berekend over het vermogen. Omdat dit kan leiden tot belastingbetaling op het moment dat men nog geen contanten heeft ontvangen heeft hij ook een variant gegeven waarbij het forfaitaire rendement op basis van samengestelde intrest wordt bijgeboekt gedurende de tijd dat de belegging in het bezit is en wordt afgerekend bij verkoop. De econoom Alan Auerbach heeft een systeem voorgesteld waarbij de belegging geacht wordt een rendement op te leveren dat gelijk is aan de risicoloze rentevoet. Belastingheffing vindt plaats bij verkoop van de belegging.

Tenslotte kan worden opgemerkt dat ons van Italië en de V.S. geen regeringsplannen in de richting van een vermogensaanwasbelasting bekend zijn.

Aan het adres van de leden van de CDA-fractie hebben wij antwoorden gegeven die ook het antwoord geven op de vragen van GroenLinks waar het gaat om het karakter van de vermogensrendementsheffing. Zowel het invoeren van de vermogensrendementsheffing als het vervallen van de vermogensbelasting zijn bewuste keuzes terwijl het niet invoeren van een vermogenswinstbelasting ook uitvoerig is beargumenteerd. Wat betreft de rechtsgrond van de huidige vermogensbelasting wijzen wij erop dat in de loop der jaren daarover steeds meer twijfels zijn gerezen. Voorts is steeds meer van belang geworden of die rechtsgrond niet alleen in Nederland aanwezig wordt geacht maar ook of die rechtsgrond elders wordt erkend. Het vervallen van de vermogensbelasting heeft uiteraard positieve partiële effecten, niet alleen voor woningbezitters maar voor iedereen met belastbaar vermogen. Om deze effecten in verband te brengen met het maximum in het huidige huurwaardeforfait spreekt ons niet aan omdat dit maximum moet worden beoordeeld op grond van de parameters die aan het huurwaardeforfait ten grondslag liggen. Met betrekking tot de opmerking dat de vermogensrendementsheffing een vermogensbelasting met een bredere grondslag en een hoger tarief is, verwijzen wij opnieuw naar de antwoorden die wij daarover aan de leden van de CDA-fractie hebben gegeven.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het ontwikkelen van beleggingsproducten waarvan de waarde constant blijft en waarbij maximale vermogensinkomsten worden gegenereerd, voor fiscale jongleurs aantrekkelijk zal zijn. De systematiek van de forfaitaire rendementsheffing laat volgens de leden vermogensaanwas niet langer onbelast, maar vermogensinkomsten wel.

In de eerste plaats laat de systematiek van de forfaitaire rendementsheffing de vermogensinkomsten niet onbelast. De systematiek stelt de vermogensinkomsten forfaitair vast alvorens ze in de heffing te betrekken. Het door de leden genoemde idee voor beleggingsproducten is voor fiscale jongleurs niet aantrekkelijk. Voor de systematiek van het forfaitaire rendement maakt het namelijk niet uit of beleggingen nu vermogensaanwas of vermogensinkomsten genereren. De vermogensinkomsten zijn zodra zij worden genoten, een onderdeel van het vermogen van de belastingplichtige. En het vermogen van de belastingplichtige is de grondslag van het forfaitaire rendement.

De leden van de fractie van GroenLinks stellen dat het minimale dat kan worden gedaan aan het wellicht onbedoelde effect van bevoordeling van kapitale woningbezitters ten gevolge van het afschaffen van de vermogensbelasting, is het opheffen van het maximum in het huidige huurwaardeforfait. Zij vragen in dat licht naar een nadere onderbouwing van het maximum in het eigen woningforfait en vragen welk bedrag gemoeid zou zijn met het vervallen van dit maximum. De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de regering voornemens is het plafond in het huurwaardeforfait te continueren. Deze leden vragen of het fiscaal consistent is een niet-gelimiteerde aftrek van hypotheekrente te combineren met een gelimiteerde bijtelling van het eigenwoningforfait. De gelimiteerde bijtelling houdt verband met het feit dat de voordelen uit eigen woning vanaf een zekere waarde niet meer recht evenredig toenemen met de waarde van de woning. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het gegeven dat de huurprijs van steeds duurdere panden vanaf een bepaalde huisprijs niet of nauwelijks meer toeneemt. Een plafond in het eigenwoningforfait doet dit tot uitdrukking komen. Opgemerkt wordt ook dat het plafond in het eigenwoningforfait wel geïndexeerd is. Jaarlijks wordt het plafond aangepast met de huurindex. In het eerste WOZ-tijdvak is ervan afgezien de jaarlijkse aanpassing met de huurindex te verwerken in het bedrag dat geldt als de maximale huurwaarde. De verwerking van de uitkomst van de jaarlijkse indexatie sedert 1997 geschiedt pas met ingang van het kalenderjaar 2001. In het jaar 2000 is de maximale huurwaarde feitelijk al opgelopen tot f 18 600. terwijl een niet-gelimiteerde bijtelling van het eigenwoningforfait hier het doel voorbij zou schieten. Wij zien dan ook geen reden om in afwijking van het Regeerakkoord dit uitgangspunt overboord te zetten. Overigens zou het vervallen van het plafond van het eigen woningforfait – deze leden vragen daarnaar – een bedrag van ruim 5 miljoen gulden opleveren.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de vermogensrendementsheffing voldoet aan de door hen voorgelegde criteria. De leden vragen om een nadere toelichting op de vooren nadelen van een vermogensaanwasbelasting mede in het licht van bestaande systemen van vermogensaanwasbelasting in andere Europese landen en de Verenigde Staten van Amerika. De leden van de CDA-fractie en de SP-fractie vragen of de vermogensrendementsheffing recht doet aan het draagkrachtbeginsel voor wat betreft de progressie en het gelijkheidsbeginsel. De leden van de SP-fractie vraagt waarop de stelling is gebaseerd dat de vermogensrendementsheffing grootschalige belastinontwijking zal tegengaan. Deze vragen zijn besproken in § 6.1. Inleiding (Inkomen uit sparen en beleggen).

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van de PvdA waarom het fiscaal-theoretisch betwistbaar is dat spaargelden al belast zijn geweest, wordt het volgende opgemerkt. Op blz. 36 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat integrale belastingheffing over vermogensinkomsten – met name bij spaarrente – in de praktijk als onredelijk wordt ervaren omdat het vermogen dat deze inkomsten genereert veelal is opgebouwd uit gespaarde netto-arbeidsinkomsten (die al belast zijn geweest met loon- of inkomstenbelasting). Deze stelling is vanuit fiscaal-theoretisch oogpunt niet alleen betwistbaar maar zelfs onjuist. Een uit het netto inkomen gespaard bedrag dat op een spaarrekening gaat renderen wordt onder de werking van de Wet inkomstenbelasting 1964 als een bron van inkomen aangemerkt. Deze bron wordt als zodanig niet (meer) in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken. De vruchten die deze bron voortbrengt (in dit voorbeeld de rente) worden echter wel belast; deze worden als inkomsten uit vermogen aangemerkt. Deze vruchten worden daarom als zodanig – dus los van de hoofdsom – in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken. Vanuit dit perspectief bezien is de hoofdsom op zich dus niet van belang voor het belasten van de daaruit voortkomende vruchten en is er dus geen sprake van een dubbele heffing. In het verlengde daarvan is het theoretisch ook niet juist om bij het belasten van de vruchten rekening te houden met de aard van de hoofdsom of de wijze waarop deze is ontstaan (uit gespaard netto-salaris, uit een erfenis, uit eerder ontvangen rente, etc.).

De leden van de D66-fractie hebben aangegeven prijs te stellen op een evaluatie van de vermogensrendementsheffing na invoering daarvan. Deze gedachte is het kabinet niet onsympathiek. Het is goed beleid om nieuwe wetgeving, enige jaren na invoering daarvan, te evalueren. De vermogensrendementsheffing zal hier geen uitzondering op vormen.

Zowel de fracties van de VVD, het CDA, GroenLinks als de SP vragen waarom een vermogenswinstbelasting in box III niet mogelijk is, terwijl voor aanmerkelijkbelanghouders een dergelijk systeem wel wordt toegepast. De fractie van GroenLinks vraagt voorts waarom bij het aanmerkelijkbelangregime niet is gekozen voor een forfaitair rendement.

Voorzover de vragen betrekking hebben op de keuze voor een forfaitaire rendementsheffing in box III, kan worden verwezen naar hetgeen elders in deze nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt. Voorzover de vragen zien op het verschil tussen de wijze van heffing in box II en in box III, kan het volgende worden opgemerkt. Zoals bij de herziening van het aanmerkelijkbelangregime met ingang van 1 januari 1997 is toegelicht, geeft het bezitscriterium van 5% van het aandelenbezit een grens tussen die aandeelhouders die als belegger kunnen worden aangemerkt en die aandeelhouders die zozeer betrokken zijn bij de onderneming van de vennootschap dat zij als aanmerkelijkbelanghouders kunnen worden bestempeld. Het gegeven dat zij zozeer betrokken zijn bij de onderneming van de vennootschap, geeft tevens aan dat het in de rede ligt de door deze belastingplichtigen behaalde voordelen voor zover mogelijk op vergelijkbare wijze te belasten als ondernemingsbaten. Het door deze belastingplichtigen te behalen voordeel zal ook in zeer nauwe relatie staan tot het in de vennootschap behaalde resultaat. Het te behalen resultaat zal naar alle waarschijnlijk ook in belangrijke mate afwijken van het op lange termijn door een belegger te behalen resultaat dat in het wetsvoorstel is gesteld op 4%. Het vorenstaande betekent dat aangesloten wordt bij de reëel behaalde voordelen en dat een benadering waarbij de behaalde voordelen op forfaitaire wijze worden vastgesteld, voor aanmerkelijkbelanghouders te ver van de realiteit zou staan. Gelet op de nauwe band met het ondernemingsgebeuren staan deze belastingplichtigen bovendien minder ver af van de wijze waarop bijvoorbeeld de voordelen uit een onderneming worden bepaald. Daarbij komt dat het aantal mutaties binnen het vermogen dat tot een aanmerkelijk belang wordt gerekend, doorgaans beperkt zal zijn. Met name de bezwaren van administratieve aard tegen een vermogenswinstbelasting, zoals deze in de bijlage bij de Memorie van Toelichting zijn aangegeven, doen zich bij de bepaling van de winst uit aanmerkelijk belang dan ook niet of aanzienlijk minder voor. Tevens zal – vanwege de band met de onderneming – het gevaar van het lock-in effect, zich bij aanmerkelijkbelanghouders niet snel voordoen. De aanmerkelijkbelanghouder wil zijn belang bij de onderneming immers juist voortzetten en niet zodra er een verlies dreigt, afstoten. Waar het op gekunstelde wijze mogelijk zou zijn om een verlies te presenteren dat in werkelijkheid nog niet is geleden, is een adequate maatregel getroffen om dit te voorkomen (artikel 4.7.2.6 Wet IB'01).

De leden van de CDA-fractie vragen naar de aantrekkingskracht van box 3 en de mogelijke arbitrage, o.a. doordat bronkosten enbaten in aanmerking komen in verschillende boxen. Deze vraag is besproken in § 1.3.2. Boxenstructuur.

De leden van de SP-fractie vragen of er een risico is dat fiscale constructies ontstaan wegens het lagere effectieve tarief in box III. Deze vraag is besproken in § 5 Inkomen uit aanmerkelijk belang.

6.3.2. Grondslag voor het forfaitaire rendement (rendementsgrondslag)

Wat betreft de grondslag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing constateren de leden van de fractie van de PvdA dat deze niet identiek is aan de huidige grondslag in de vermogensbelasting. In dat kader vragen zij de verschillen precies te duiden, de reden daarvoor aan te geven en tevens per onderdeel te laten zien wat de budgettaire effecten zouden zijn indien de grondslag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing gelijk zou worden getrokken met de grondslag van de vermogensbelasting. Naar aanleiding hiervan wordt het volgende opgemerkt. Het verschil tussen de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing enerzijds en de grondslag van de vermogensbelasting anderzijds hangt samen met het verschil in karakter van beide heffingen. De forfaitaire rendementsheffing is een heffing van een veronderstelde opbrengst uit sparen en beleggen, waarbij sinds 1914 de vermogensbelasting staat naast de inkomstenbelasting (in eerste instantie – van 1893 tot 1914 – was er een vermogensbelasting en werden de vermogensinkomsten niet in de inkomstenbelasting begrepen). Het vermogen wordt sinds 1914 gezien als een zelfstandige factor van draagkracht gezien waarbij juist de vraag of bezit wel of niet inkomen kan genereren van ondergeschikt of geen belang was. Zo kon vermogen, ook niet-renderend vermogen, in termen van toen, dienen als «appeltje voor de dorst». De vermogensbelasting is een heffing ter zake van vermogensbezit als zodanig. De vermogensbelasting heeft derhalve een generiek karakter met een brede reikwijdte. Deze heffing strekt zich in beginsel uit tot alle vermogensbestanddelen van een belastingplichtige. De vermogensrendementsheffing daarentegen heeft een meer specifiek karakter met een minder brede reikwijdte. Dit komt in de eerste plaats tot uitdrukking door het feit dat de vermogensrendementsheffing deel uitmaakt van een meeromvattende inkomstenbelasting. Op grond van de in de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen rangorderegeling worden (inkomsten uit) vermogensbestanddelen in beginsel maar op basis van één wettelijke regeling belast. Daarmee wordt dubbele heffing voorkomen. Gevolg daarvan is bijvoorbeeld dat het ondernemingsvermogen, (de waarde van) de eigen woning en een aanmerkelijk belang in een vennootschap wel tot de grondslag van de vermogensbelasting, maar niet tot de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing wordt gerekend. Dit hangt samen met het feit dat zowel de winst uit onderneming als het voordeel uit eigen woning reeds via box I, en het voordeel uit een aanmerkelijk belang via box II, in de heffing wordt betrokken. Het eveneens meenemen van deze vermogensbestanddelen in de rendementsgrondslag van box III zou dan tot dubbele heffing leiden, omdat daarmee bovenop de voordelen die ter zake van die vermogensbestanddelen op basis van box I of box II reeds in de heffing worden betrokken, ook nog een additionele forfaitaire heffing van 4% van de waarde zou ontstaan. Een dergelijke dubbele heffing is uiteraard niet gewenst.

Tweede element in dit verband is dat de vermogensrendementsheffing zich in beginsel beperkt tot het in de heffing betrekken van vermogensbestanddelen die in economische zin rendement (kunnen) opleveren, dan wel in het vermogen van de belastingplichtige economisch wel dezelfde plek innemen (en die naar algemeen maatschappelijk oordeel als «belegging» of «spaartegoed» kunnen worden gekwalificeerd). Op grond van dit uitgangspunt worden roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt – zoals een inboedel of (kostbare) kleding, etc. – niet tot de rendementsgrondslag gerekend, omdat dergelijke vermogensbestanddelen geen economisch rendement opleveren. Dit is overigens anders als deze zaken hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden; in dat geval maken zij wel deel uit van de rendementsgrondslag. Het simpele feit dat ook in zaken die worden verbruikt (c.q. gebruikt) vermogens is vastgelegd, maakt ze nog niet tot een belegging.

Mede bezien tegen de achtergrond van deze verschillen in grondslag, is het niet goed mogelijk om nauwkeurige budgettaire effecten te schetsen van het gelijktrekken van de grondslag van forfaitaire rendementsheffing met de grondslag van de vermogensbelasting. De grootste verschilposten zijn uiteraard het ondernemingsvermogen en de eigen woning (die in de vermogensbelasting wel tot de grondslag behoren, en in de forfaitaire rendementsheffing niet). Ook het CPB refereert in werkdocument 115 inzake de economische gevolgen van de belastingherziening 2001 aan de onzekerheden over de hoogte van het vermogen en het gedeelte dat onder de heffing zal vallen. Het CPB merkt in dat verband op dat de fiscale gegevens, gelet op overige statistische informatie die beschikbaar is, tot een (te) lage schatting van de omvang van het aanwezige particuliere vermogen leiden.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat met betrekking tot de grondslag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing geen verband wordt gelegd tussen bezittingen en schulden. Dit kan naar het oordeel van deze leden tot de paradoxale situatie leiden dat schuldfinanciering (door middel van saldering met positief vermogen) wel fiscaal wordt gesubsidieerd maar dat de bezittingen die met behulp van de betreffende schuld worden gefinancierd, niet belast worden. De leden van de fractie van de PvdA stellen in dat verband dat een pleziervaartuig van f 100 000 niet wordt belast, maar dat de schuld waarmee die boot wordt gefinancierd wel mag worden gesaldeerd met ander positief vermogen, waardoor de rendementsgrondslag voor de desbetreffende belastingplichtige per saldo aanmerkelijk wordt verminderd. Omdat dit resultaat naar hun oordeel niet strookt met het rechtvaardigheidsgevoel, vragen zij op dit punt om alternatieven. Als voorbeelden noemen zij in dat verband het opnemen van een ruimere definitie van roerende zaken, het leggen van een verband tussen schulden en bezittingen en het niet meer voor saldering in aanmerking te laten komen van bepaalde schulden. Ook de leden van de fracties van GPV en RPF gaan in op het feit dat schulden in mindering mogen worden gebracht op de grondslag van het forfaitaire rendement. Deze leden betreuren het dat – hoewel de aftrekmogelijkheid voor de persoonlijke verplichtingenrente wordt geschrapt – voor vermogenden onder het regime van box III de mogelijkheid blijft bestaan om consumptieve schulden in aftrek te brengen. In dat kader vragen zij of hier uitsluitend voor is gekozen uit oogpunt van eenvoud en of hierbij een rol speelt dat zonder deze mogelijkheid de consumptieprikkel zou worden ingeperkt. Naar aanleiding van deze vragen merken wij het volgende op.

Opzet van de vermogensrendementsheffing is dat – zoals hiervoor ook is aangegeven – in beginsel uitsluitend die vermogensbestanddelen in de heffing worden betrokken die in economische zin rendement (kunnen) opleveren, mits deze nog niet eerder in box I of box II in de heffing zijn betrokken. De vermogensrendementsheffing vervangt binnen het systeem van de inkomstenbelasting de heffing over vermogensinkomsten. In verband daarmee bestaat de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing voornamelijk uit die vermogensbestanddelen die ook onder het huidige systeem al inkomsten uit vermogen kunnen opleveren. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan aandelen, obligaties, spaarrekeningen, kapitaalverzekeringen, tweede woningen, verhuurde onroerende zaken, blote eigendommen, genotsrechten, etc. Roerende zaken in eigen gebruik leveren onder het huidige systeem geen inkomsten uit vermogen op; voor zover er al voordelen uit dergelijke zaken kunnen worden getrokken zijn deze uitdrukkelijk vrijgesteld van belastingheffing (artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964). Deze benadering is doorgetrokken naar de vermogensrendementsheffing. Natuurlijk is het denkbaar in de afbakening ten aanzien van specifiek in de wet te benoemen roerende zaken bij fictie vast te leggen dat zij worden behandeld als een belegging. Bij de vermogensrendementsheffing is er voorts voor gekozen dat schulden van de heffingsgrondslag kunnen worden afgetrokken. Dit hoeven niet uitsluitend schulden te zijn die verband houden met bezittingen die tot de grondslag van het forfaitaire rendement worden gerekend. Schulden die betrekking hebben op vermogensbestanddelen die via box I of box II in de heffing worden betrokken, kunnen echter niet in mindering op de rendementsgrondslag worden gebracht. Dit volgt uit de rangorderegeling, zoals die is opgenomen in artikel 2.4.1 van het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001. De gedachte hierachter is dat in beginsel al het eigen vermogen van een belastingplichtige, voor zover niet begrepen in box I of box II, dat in economische zin rendement kan opleveren onder de reikwijdte van het forfaitaire rendement valt.

De gedachte achter het in aanmerking nemen van in beginsel ook alle (rest-) schulden hangt – dit mede ten antwoord op de vragen van de leden van de fracties van CDA, GPV en RPF – primair samen met de overweging dat hiermee een eenvoudig en overzichtelijk systeem ontstaat, niet alleen voor belastingplichtigen, maar ook voor de belastingdienst. Het niet in aanmerking nemen van bepaalde schulden, bijvoorbeeld schulden die samenhangen met financiering van vrijgestelde vermogensbestanddelen, zou vrijwel onuitvoerbaar zijn. Dit hangt met name samen met de allocatieproblematiek die dan zou ontstaan. Anders dan de leden van de fracties van het GPV en de RPF suggereren heeft het in aanmerking nemen van dergelijke consumptieve schulden echter niet te maken met het voorkomen van een inperking van de consumptieprikkel. Een dergelijke maatregel zou materieel immers weinig tot geen effect sorteren. Dit kan aan de hand van het volgende voorbeeld worden geïllustreerd. Een belastingplichtige wil een televisie ter waarde van f 2 500 aanschaffen. Wanneer hij besluit om de televisie te financieren met een persoonlijke lening, zal zijn rendementsgrondslag met f 2 500 dalen. Immers, de lening komt in mindering op de rendementsgrondslag terwijl roerende zaken in eigen gebruik die niet hoofdzakelijk als belegging dienen, buiten de rendementsgrondslag vallen. Echter, wanneer hij de televisie uit eigen middelen bekostigt, zal zijn rendementsgrondslag eveneens met f 2 500 dalen, aangezien hij voor dit bedrag een niet belastbare bezitting verwerft. In beide gevallen loopt de rendementsgrondslag in box III dus terug met een bedrag van f 2 500; wat niet anders is als het bedrag groter wordt of het aangeschafte voorwerp iets anders is. De wijze waarop de vrijgestelde bezitting is gefinancierd is daarbij dus per saldo niet van belang; waarbij dient te worden bedacht dat voor het aanschaffen van de televisie ook nog kan lezen het uitvoeren van een vakantievoornemen. Vanuit dit perspectief bezien gaat van de vormgeving van de vermogensrendementsheffing dus op zich geen prikkel uit om vermogensbestanddelen met vreemd vermogen te bekostigen. Tegen deze achtergrond heeft het niet onze voorkeur om schulden die betrekking hebben op vrijgestelde vermogensbestanddelen bij de bepaling van de rendementsgrondslag buiten beschouwing te laten, te meer niet daar dit verbruik en consumptie nog zou bevoordelen boven het aanschaffen van duurzame gebruiksgoederen.

Het teruglopen van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing hangt zoals hiervoor is aangegeven dus niet zozeer samen met de wijze waarop vermogensbestanddelen worden gefinancierd – uit eigen middelen of door middel van vreemd vermogen – maar veeleer met de reikwijdte van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing.

Indien het echter onwenselijk zou worden geacht dat in een door de leden van de fractie van de PvdA geschetste voorbeeld de grondslag van het forfaitaire rendement met f 100 000 terugloopt doordat er een pleziervaartuig wordt aangekocht, zou kunnen worden gedacht aan het alsnog opnemen van bepaalde vermogensbestanddelen in de grondslag van het forfaitaire rendement waarvan het beleggingskarakter het gebruiks- of verbruikskarakter overheerst. Dit zou ten opzichte van het huidige systeem met betrekking tot de inkomsten uit vermogen echter een uitbreiding van de reikwijdte betekenen.

Ook zou kunnen worden overwogen om bezittingen en schulden niet zoals nu voorgesteld te salderen maar binnen het forfaitaire rendement min of meer van elkaar los te koppelen. Bij een dergelijke benadering zou enige ruimte kunnen ontstaan om, net als bij de bezittingen, een bepaald basisbedrag aan schulden buiten aanmerking te laten. Daarmee zou op globale wijze tot uitdrukking kunnen worden gebracht dat dit basisbedrag aan schulden geacht wordt betrekking te hebben op de (financiering van) binnen het forfaitaire rendement vrijgestelde vermogensbestanddelen. Anders dan een benadering waarbij een op een bekeken zou moeten worden op welk vermogensbestanddeel een bepaalde schuld betrekking heeft, zou het buiten beschouwing laten van een basisbedrag aan schulden in de praktijk vrij gemakkelijk inpasbaar kunnen zijn in het systeem van de forfaitaire rendementsheffing. Voor zowel de belastingdienst als belastingplichtigen neemt de eenvoud en uitvoerbaarheid toe. Indien een dergelijke weg zou worden ingeslagen, zou de budgettaire ruimte die beschikbaar komt door het niet langer in aanmerking nemen van een forfaitair bedrag aan schulden bij voorbeeld kunnen worden aangewend om het bedrag van het vrijgestelde heffingvrije vermogen te verhogen.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks naar ons oordeel op de kritiek dat de aftrek van schulden voor de tweede woning slechts toekomt aan de grote vermogensbezitters wordt het volgende opgemerkt. De voorgestelde forfaitaire rendementsheffing gaat uit van het in de heffing betrekken van het saldo van bezittingen minus schulden. Van dit saldo is de eerste &euro; 17 000 vrijgesteld. Dit algemene uitgangspunt staat in beginsel volledig los van de aard van de bezittingen die tot de rendementsgrondslag worden gerekend. Zo zal iemand die op moment X beschikt over een rendementsgrondslag van stel &euro; 50 000 en een dag later beslist om een tweede woning te kopen, de dag daarna nog steeds over een rendementsgrondslag van &euro; 50 000 beschikken. De wijze waarop deze tweede woning wordt gefinancierd – met eigen vermogen of (deels) met vreemd vermogen – is in het voorgestelde systeem, zoals hiervoor is aangegeven, niet van belang. Omdat door de aankoop of verkoop van een tweede woning de rendementsgrondslag per saldo niet zal wijzigen, kan niet worden gesteld dat de schuldenaftrek voor de tweede woning alleen ten goede komt aan belastingplichtigen met grote vermogens. De schuldenaftrek is namelijk effectief voor elke belastingplichtige die een rendementsgrondslag heeft die uitgaat boven het heffingvrije vermogen, ongeacht de aard van de in de rendementsgrondslag opgenomen (al dan niet gefinancierde) bezittingen. De kritiek op dit punt delen wij dan ook niet. Voorts zouden wij de stelling van deze leden dat de vermogensrendementsheffing impliceert dat over vreemd vermogen per saldo 1,2% wordt vergoed, willen nuanceren. Voor zover met het vreemde vermogen bezittingen worden bekostigd die tot de grondslag van het forfaitaire rendement behoren, blijft – zoals hiervoor is aangegeven – de totale omvang van de rendementsgrondslag per saldo immers gelijk. In een dergelijke situatie werkt de vermogensrendementsheffing neutraal uit, zodat vreemd vermogen per saldo niet fiscaal wordt begunstigd.

De leden van de fracties van het GPV en de RPF vragen of het juist is dat de belastingheffing onevenwichtig uit kan vallen doordat in de forfaitaire rendementsheffing wordt uitgegaan van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar. Deze leden geven daarbij het voorbeeld van de verkoop van een tweede huis vlak voor of vlak na de jaarwisseling. De opzet van de forfaitaire rendementsheffing brengt met zich dat het moment van verkoop van een tweede woning voor de heffing als zodanig niet relevant is. Zowel de (waarde van de) tweede woning als het ter zake van de verkoop daarvan te ontvangen bedrag maakt immers deel uit van de grondslag van het forfaitaire rendement. Per saldo zal de rendementsgrondslag door de verkoop van de tweede woning derhalve niet wijzigen. Voor een overboeking van de ene naar de andere bank geldt in principe hetzelfde. Deze leden vragen aandacht voor dergelijke overboekingen omdat het overgeboekte geld meestal enkele dagen onderweg is. De vraag van deze leden of hierdoor wellicht een mogelijkheid zou kunnen ontstaan om de belastingheffing te ontwijken beantwoorden wij overigens ontkennend. Indien een dergelijke overboeking vlak voor de peildatum is afgeschreven van de ene bankrekening en op de peildatum nog niet daadwerkelijk is bijgeschreven op de andere bankrekening, heeft de belastingplichtige op dat moment een vordering op de bank die nog niet tot uitdrukking komt in het saldo van zijn bankrekening. Een dergelijke vordering die betrekking heeft op het geld dat op de peildatum onderweg is van de ene naar de ander bankrekening maakt, evenals het saldo van de bankrekeningen zelf, deel uit van de grondslag van het forfaitaire rendement. Dergelijke vraagstukken zijn sinds jaar en dag in de uitvoering en rechtspraak omtrent de vermogensbelasting adequaat van een antwoord voorzien.

De leden van de PvdA-fractie vragen de vermogensrendementsheffing te wijzigen door een ruimere definitie van roerende zaken op te nemen, dan wel bepaalde schulden niet meer voor saldering met het positieve vermogen in aanmerking te laten komen. Hierop wordt ingegaan in § 6.3.2. Grondslag voor het forfaitaire rendement.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing afwijkt van de grondslag van de vermogensbelasting. Zij vragen zich af wat de redenen van de Regering zijn om de grondslagdefinitie te wijzigen, met name op het gebied van roerende zaken (waarbij met name worden genoemd zaken als auto's, boten, kunst, juwelen en antiek). Gewezen wordt op de in het wetsvoorstel opgenomen bewijslastverdeling die volgens de leden van de fractie zal leiden tot verminderde mogelijkheden tot het heffen van belasting over deze zaken. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de PvdA om een toelichting op het begrip «aard en hoeveelheid» zoals dat in de memorie van toelichting op artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, bij de beleggingstoets wordt vermeld. Ook de leden van de fractie van de VVD verzoeken op dit punt om toelichting en dan met name op het begrip «aard» (van een voorwerp).

De reden dat de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing afwijkt van de grondslag van de vermogensbelasting is gelegen in het verschil in karakter van beide heffingen. De forfaitaire rendementsheffing is een heffing van een veronderstelde opbrengst uit sparen en beleggen, terwijl de vermogensbelasting een heffing is ter zake van vermogensbezit.

Bij de genoemde categorieën roerende zaken komt dit onderscheid pregnant naar voren. Zo vallen roerende zaken in eigen gebruik buiten de grondslag voor de forfaitaire rendementsheffing, aangezien ze geen economische voordelen opleveren. Dit betekent dat auto's, boten, juwelen en antiek – op de vrijstelling inzake voorwerpen van kunst en wetenschap zal separaat worden ingegaan – in beginsel niet onder de heffing van het forfaitaire rendement vallen. Dit is echter anders als deze zaken door de belastingplichtige hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden. In zoverre is sprake van een meer economische invulling van de regeling zoals die in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is opgenomen. Zoals in de memorie van toelichting op artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, is vermeld, is de reden hiervan om te voorkomen dat roerende zaken die in feite bedoeld zijn als belegging, enkel omdat ze (ook wel eens) worden gebruikt voor persoonlijke doeleinden, buiten de rendementsgrondslag zouden vallen. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de bewijslast hiervoor in beginsel bij de inspecteur rust.

Met betrekking tot de suggestie van de leden van de fractie van de PvdA om het «aard en hoeveelheid» criterium wettelijk te verankeren in artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, merken wij het volgende op. Een dergelijk criterium voegt geen objectieve maatstaf toe aan de beleggingstoets (hetgeen onverkort voor de artikelen 5.2.2 en 5.2.3 geldt). Bepalend blijft de intentie van de belastingplichtige. Overigens kan de aard en hoeveelheid van de betrokken soort roerende zaken wel een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van beleggen. Het begrip «aard van de zaak» ziet daarbij op de mate waarin een roerende zaak het karakter van een belegging in zich kan hebben. Verwezen wordt naar het voorbeeld in de memorie van toelichting onder het kopje «Roerende zaken (al of niet voor persoonlijk ge- of verbruik)».

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering beseft dat het vaststellen van de rendementsgrondslag op het moment van immigratie of emigratie van een belastingplichtige niet altijd eenvoudig zal zijn. Vervolgens doen ze de suggestie een keuzerecht in te bouwen, zodat in afwijking van de datum van immigratie, 1 januari, en bij emigratie 31 december als peildatum kan gelden.

In antwoord op de vraag van de leden achten wij de uitvoeringsaspecten van het vaststellen van de peildatum op het moment van immigratie of emigratie niet van een dusdanige problematische aard dat daardoor een andere wetstechnische oplossing van dit aspect van de immigratie- en emigratieproblematiek valt te prefereren. De door de leden gedane suggestie tot een keuzerecht zou alleen dan uitvoerbaar zijn indien in afwijking van de datum van immigratie voor 31 december, en indien in afwijking van de datum van emigratie, voor 1 januari als peildatum zou kunnen worden gekozen. Het bezwaar tegen een dergelijke oplossing is dat het keuzerecht voor de belastingplichtige een loterij zonder kwade kansen is. Indien dit ondervangen zou worden door in de suggestie van de leden het keuzerecht te laten vervallen, zouden grote stijgingen of dalingen in de rendementsgrondslag van de belastingplichtige, voor de bepaling van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing over de gehele periode, niet meer worden gedempt.

De leden van de CDA-fractie vragen of de peildatum 1 januari en 31 december in box III mensen beweegt te sparen in de «oude sok». Deze vraag is besproken in § 2.7. Belastingontwijking.

De leden van de CDA-fractie constateren dat artikel 5.1.3, tweede lid, onderdelen c en d, van elkaar verschillen in die zin dat ten aanzien van roerende zaken onderscheid wordt gemaakt tussen het al dan niet voor persoonlijke doeleinden geof verbruiken van de zaak, terwijl voor rechten op roerende zaken dit onderscheid niet geldt. De laatstgenoemde categorie, zo merken de fractieleden op, behoort daardoor in beginsel tot de bezittingen ongeacht eventueel eigen gebruik, zij het dat artikel 5.2.3 een vrijstelling kent voor rechten op roerende zaken die krachtens erfrecht zijn verkregen. Geconstateerd wordt vervolgens dat vanwege het verschil in de bewijslastverdeling tussen artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, enerzijds en artikel 5.2.3 anderzijds het onderscheid tussen roerende zaken en rechten op roerende zaken van belang is voor de vraag of sprake is van een belastbare bezitting. De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom het onderscheid tussen de roerende zaak zelf en het recht op de roerende zaak wordt gemaakt. Zij stellen voor om artikel 5.2.3 te incorporeren in artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel d, en dit onderdeel vervolgens te redigeren overeenkomstig artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c.

Er is civielrechtelijk een verschil tussen zaken en rechten. In het stelsel van het inkomen uit sparen en beleggen is dat onderscheid van ondergeschikt belang. Voor de rendementsgrondslag is immers slechts van belang in welke mate de belastingplichtige gerechtigd is tot datgene dat waarde vertegenwoordigt. Daarbij is niet van belang of dit zich uit in een gerechtigdheid tot een zaak of dat er sprake is van een recht (in civielrechtelijke zin) als zodanig. Desalniettemin is in hoofdstuk 5, mede uit praktische overwegingen, gebruik gemaakt van de begrippen «zaak» en «recht». Dit heeft zijn weerslag gehad in de formulering van de vrijstellingen waarbij uitgangspunt is geweest dat slechts de waarde van het object vrijgesteld dient te worden en niet een te ver daarvan afgeleide gerechtigdheid, zoals bijvoorbeeld een optie op een stuk bos waarbij de optie cash afgewikkeld kan worden. Daarom zijn er terughoudende regelingen opgenomen ter zake van rechten die op het vrij te stellen object betrekking hebben. Aangezien dit in een aantal gevallen mogelijk tot een te beperkte vrijstelling zou kunnen leiden, zou bezien kunnen worden of, en zo ja in hoeverre, deze regelingen aangepast kunnen worden. Uit dien hoofde bestaat op dit moment geen aanleiding om artikel 5.2.3 te incorporeren in artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel d.

Op de wijze waarop de bewijslastverdeling inzake de beleggingstoets is geregeld in artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, enerzijds en artikel 5.2.3 anderzijds zal separaat worden ingegaan bij de toelichting op artikel 5.1.3.

De leden van de CDA-fractie merken op dat met betrekking tot roerende voorwerpen van kunst en wetenschap alvorens een beroep op de vrijstelling van artikel 5.2.2 wordt gedaan, eerst moet worden nagegaan of deze voorwerpen op grond van artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, al buiten de rendementsgrondslag vallen. De fractieleden constateren dat de bewijslast inzake de beleggingstoets dubbel lijkt te zijn. Ze vragen zich af wie moet beginnen met het leveren van bewijs, de belastingplichtige of de inspecteur. Ook wijzen de leden van de CDA-fractie er op dat de bewijslastverdeling van artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, anders is dan die van artikel 5.2.3.

Roerende zaken in eigen gebruik die niet hoofdzakelijk ter belegging dienen, behoren op basis van het eerste gedeelte van artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, in beginsel niet tot de rendementsgrondslag. Roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden ge- of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen, worden tot de rendementsgrondslag gerekend. Op basis van deze bepaling rust de bewijslast dat roerende zaken in eigen gebruik tot de grondslag behoren dus op de inspecteur. Hij zal hierin slagen als hij aannemelijk kan maken dat deze zaken hoofdzakelijk ter belegging dienen.

Roerende voorwerpen van kunst en wetenschap die niet in eigen gebruik zijn, behoren in beginsel tot de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing. In artikel 5.2.2 is een vrijstelling opgenomen voor voorwerpen van kunst en wetenschap. Teneinde ook hier de duidelijke beleggingssituaties uit te sluiten, is in artikel 5.2.2 een beleggingstoets opgenomen. De bepaling zoals die in het wetsvoorstel is opgenomen gaat er van uit dat op de belastingplichtige de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de genoemde voorwerpen niet ter belegging worden aangehouden. Hetzelfde geldt voor artikel 5.2.3 (vrijstelling rechten op roerende zaken krachtens erfrecht). Dit wijkt af van de bewijslastverdeling van artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c. Door de leden van de CDA-fractie wordt in dit verband opgemerkt dat dit samenhangt met feit dat de artikelen 5.2.2 en 5.2.3 vrijstellingen zijn, terwijl artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, de positieve bestanddelen van de rendementsgrondslag definieert. Het voornemen bestaat om de bewijslastverdeling in artikel 5.2.2 alsmede artikel 5.2.3 op eenzelfde wijze te regelen als voor roerende zaken in eigen gebruik, teneinde aan te sluiten bij de systematiek van artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c. Alsdan rust de bewijslast inzake de beleggingstoets bij de inspecteur.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of ter zake van roerende zaken in eigen gebruik met betrekking tot ieder afzonderlijk voorwerp moet worden aangetoond dat geen sprake is van belegging.

Het beleggingskarakter van roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden wordt ge- of verbruikt, wordt in beginsel per voorwerp getoetst. Het is daarbij de inspecteur op wie in casu de bewijslast rust. Overigens kan de aard en hoeveelheid van de betrokken soort roerende zaken een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van beleggen. Verwezen wordt naar het voorbeeld in de memorie van toelichting onder het kopje «Roerende zaken (al of niet voor persoonlijk ge- of verbruik)» op blz. 233 inzake een belastingplichtige die een grote collectie waardevolle oldtimers heeft waarin weliswaar af en toe wordt gereden, maar die meestentijds ergens staan opgeslagen met het oog op het beleggingsrendement.

De leden van de fractie van het CDA vragen zich met betrekking tot de roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt af wat moet worden verstaan onder «gebruiken». Daarnaast vragen deze fractieleden zich af wanneer aannemelijk is dat sprake is van een belegging.

In de memorie van toelichting op artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, is reeds aangegeven in welke situaties in elk geval niet sprake is van «voor persoonlijke doeleinden ge- of verbruiken». Daarbij zijn aan de orde gekomen de roerende zaken waarvoor, bijvoorbeeld op een zogenoemde goederentermijnmarkt, met regelmaat een marktprijs tot stand komt. In dat verband zijn genoemd (edel)metalen en aardolie(producten). Ook het in de kluis opslaan van een roerende zaak kan een aanwijzing zijn dat geen sprake is van eigen gebruik c.q. dat sprake is van een belegging. Tenslotte verwijzen wij naar de parlementaire geschiedenis van artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waar ook al een vrijstelling voor roerende zaken in eigen gebruik (met uitzondering van woonschepen) gold.

Het beleggingskarakter van roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden wordt ge- of verbruikt, wordt in beginsel per voorwerp getoetst. Het is daarbij de inspecteur op wie in beginsel de bewijslast rust. Hij zal hierin slechts kunnen slagen als hij aannemelijk kan maken dat deze zaken hoofdzakelijk ter belegging dienen. De in artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, gehanteerde formulering, te weten«hoofdzakelijk als belegging dienen» duidt op een beleggingsdoelstelling van ten minste 70%. Hiermee wordt aangegeven dat het moet gaan om gevallen waarin het enkele feit dat roerende zaken ook wel eens voor persoonlijke doeleinden worden in dergelijke situaties ondergeschikt is aan het beleggingsoogmerk. Van geval tot geval zal dit beoordeeld moeten worden. Bij deze beoordeling kunnen factoren als het gebruik van de zaak door de belastingplichtige, de aard van de zaak en de hoeveelheid van de betrokken soort roerende zaken een rol spelen.

De leden van fractie van het CDA vragen of onderkend is dat aan het afzien van het verhaalsrecht op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.4.3, derde lid, schenkingsgevolgen kunnen zijn verbonden.

Het is mogelijk dat een dergelijke overeenkomst een materiële schenking inhoudt maar dat hoeft niet het geval te zijn. Het is immers goed denkbaar dat bij die overeenkomst tegenover het afzien van het verhaalsrecht een gelijkwaardige tegenprestatie wordt bedongen. Gedacht kan daarbij worden aan bijvoorbeeld een rentedragende schuldigerkenning. In een dergelijk geval is er uiteraard geen sprake van schenking. Deze leden menen voorts dat, indien er ter zake van een overeenkomst waarbij van het verhaalsrecht wordt afgezien, sprake is van een schenking, in vrijwel alle gevallen een notariële akte vereist is. Voor een schenking is alleen een notariële akte vereist indien het gaat om een formele schenking in de zin van artikel 1703 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. De afstand om niet van een vorderingsrecht, waar het hier om gaat, is weliswaar een materiële, maar geen formele schenking, zodat hiervoor het vormvereiste van een notariële akte niet geldt.

De leden van de CDA-fractie vragen of de in de wet opgenomen maxima van de waarden van kapitaalverzekeringen worden geïndexeerd. Het antwoord daarop luidt bevestigend; zowel de maxima van de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (artikel 3.6.9) als het maximum van de bij de vermogensrendementsheffing vrijgestelde kapitaalverzekering die uitsluitend uitkeert bij overlijden (artikel 5.2.4) zijn geïndexeerd.

De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting op de fiscale behandeling van de echtgenoot als begunstigde van de uitkering uit kapitaalverzekering eigen woning indien de partner komt te overlijden. Deze vraag is besproken in § 4.3.3. Kapitaalverzekering voor eigen woning als hoofdverblijf.

Waarom is geen vrijstelling opgenomen, zo vragen de leden van de fracties van de PvdA, VVD en CDA, voor een verzekering die uitkeert bij overlijden van de partner van de belastingplichtige.

Deze vraag moet op een misverstand berusten. In artikel 5.2.4 is namelijk een vrijstelling opgenomen voor kapitaalverzekeringen die uitsluitend recht geven op een uitkering bij overlijden van een bepaalde groep personen, waaronder de partner, tot een bedrag van EUR 5536.

De leden van de CDA-fractie merken op dat veel kapitaalverzekeringen gebruikt worden voor studiedoeleinden en vragen of dit gevolgen heeft voor laagbetaalden die op deze wijze qua opleidingsmogelijkheden buiten de boot dreigen te vallen. Is er uit dien hoofde een opwaartse druk op de studiefinanciering uit te sluiten. Wat is het inzicht en de visie van het Ministerie van Onderwijs hierop?

Bij de afwegingen rond de bestaande faciliëring van kapitaalverzekeringen is doorslaggevend geweest dat dergelijke overeenkomsten op zichzelf vooral een spaarkarakter hebben. Daarbij behoort dan ook een belastingheffing in Box III. Uitsluitend voor de kapitaalverzekering eigen woning is op dit uitgangspunt een uitzondering gemaakt. Dat betekent niet dat in het nieuwe fiscale stelsel geen stimulansen voor studie en opleiding zijn opgenomen. Diverse regelingen zijn zelfs aanmerkelijk verbreed. Zo kunnen spaarloontegoeden vervroegd gedeblokkeerd worden voor uitgaven ter zake van studie, zijn de scholingsuitgaven in ruime mate aftrekbaar, en wordt ter vervanging van de specifieke aftrekbaarheid van rente op studieleningen binnen de studiefinanciering compensatie voor studerenden geboden. Hierover is uitvoerig met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gesproken.

Overigens betekent het vervallen van de rentevrijstelling voor kapitaalverzekeringen niet automatisch een verslechtering. Sparen voor studiedoeleinden kan immers ook in eigen beheer plaatsvinden, met de daarbij behorende grotere flexibiliteit.

De CDA-fractie geeft een voorbeeld van een 15-jarige kapitaalverzekering waarbij jaarlijks f 1750 aan premies wordt betaald terwijl er een rendement van 7% wordt behaald. De leden van deze fractie vragen om een reactie op de stelling dat de rendementsheffing uitgedrukt in een percentage van de premie een prijsverhoging van 15% tot gevolg heeft. Deze cijfers zijn ontleend aan bijlage II van de brief van het Verbond van Verzekeraars van 21 oktober 1999.

De waarde van een kapitaalverzekering groeit jaarlijks aan door betaling van premies uit eigen middelen en door het rendement dat daarop aangroeit. Elk jaar stijgt de waarde van de polis mede door het aangegroeide rendement. Dit rendement wordt onderdeel van het vermogen van de belastingplichtige. Een juiste berekening van de belastingdruk vraagt op twee aspecten om een andere benadering. Ten eerste dient de berekening plaats te vinden door de belastingdruk af te zetten tegen het vermogen van de belastingplichtige dat gespaard is in de polis; en dus niet enkel tegen de betaalde premies. Ten tweede dient bij een berekening waarbij de jaarlijkse druk – uitgedrukt in een bedrag – wordt opgeteld en afgezet tegen de uiteindelijke waarde van de polis er rekening mee te worden gehouden dat de belastingdruk van het eerste jaar elke keer opnieuw en per saldo dus 15 keer wordt meegeteld, van het tweede jaar 14 keer, van het derde jaar 13 keer, etc. Een juiste berekening gaat derhalve uit van een jaarlijkse meting van de belastingdruk over de verschillende vermogenscomponenten; zijnde de premie van jaar 1, die van jaar 2, die van de jaar 3, etc. Daarnaast wordt de belastingdruk gemeten over het aan het vermogen toegevoegde rendement dat gegenereerd wordt in jaar 1, jaar 2, jaar 3, etc. Het resultaat is dan dat de jaarlijkse belastingdruk over de verschillende elementen overeenkomt met 1,2%; zijnde het resultaat van het forfaitair rendement van 4% en het belastingtarief van 30%.

Hoe redelijk is het, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat er een forfaitair rendement in acht wordt genomen bij kapitaalverzekeringen in box III terwijl er in de jaren voor de uitkering nog geen inkomsten zijn.

Bij de bepaling van de inkomsten uit sparen en beleggen is bewust en op goede gronden gekozen voor een forfaitair systeem. Een dergelijk systeem gaat er van uit dat er jaarlijks een vast rendement is op de rendementsgrondslag. Daarbij is niet van belang of dat rendement al of niet heeft geresulteerd in een bedrag dat vrijelijk ter beschikking is gekomen. De belastingplichtige heeft immers de vrijheid – en die vrijheid dient ook bevorderd te worden – om de hem ter beschikking staande middelen aan te wenden op de wijze zoals hij zich dat wenst. Bij een kapitaalverzekering heeft hij er uit eigen beweging voor gekozen om gelden voor langere tijd af te zonderen in een kapitaalverzekering. Overigens zal het veelal zo zijn dat de belastingschuld die resulteert uit de desbetreffende kapitaalverzekering, betaald kan worden uit andere middelen of beleggingen die de belastingplichtige wel vrij beschikbaar heeft.

Uit gegevens van het Verbond van Verzekeraars kan worden afgeleid dat in 1998 circa 250 000 nieuwe, aan een hypotheek gekoppelde kapitaalverzekeringen zijn afgesloten. Het is echter niet te verwachten dat dit aantal de komende jaren zal worden gehaald; over een periode van 15 jaar bezien zouden er bijna 4 miljoen nieuwe polissen moeten bijkomen. Het lijkt realistischer om voor de komende periode uit te gaan van een gemiddelde van maximaal 100 000 nieuwe polissen per jaar. Indien verder zou worden uitgegaan van een gemiddelde waarde van een polis van f 5000 in het eerste jaar en mede als gevolg van de oprenting van f 100 000 na 15 jaar, zou de totale waarde van alle nieuwe polissen in het eerste jaar 500 mln bedragen en in het vijftiende jaar bijna 73 miljard. Een deel van deze polissen zal echter in de algemene vrijstelling vallen. Indien gemiddeld 50% van de waarde van deze polissen in de vrijstelling zou vallen, leidt de door de leden van de CDA-fractie genoemde maatregel tot een opbrengst van 3 mln in het eerste jaar, oplopend tot 435 mln in het vijftiende jaar.

De leden van de CDA-fractie vragen een reactie op de volgende constatering. De liquiditeitspositie van een belastingplichtige kan onder druk komen te staan indien, in de opbouwfase van kapitaal- of lijfrenteverzekeringen die in box III vallen, zowel premies als de forfaitaire rendementsheffing over dit vermogensbestanddeel moeten worden betaald. De leden zien voor dit probleem geen enkele tegemoetkoming.

Het is aan de belastingplichtige, bij het – vrijwillig – aangaan van een financiële verplichting, om zijn liquiditeitspositie niet uit het oog te verliezen. Het ligt dan ook niet in de rede in het wetsvoorstel een tegemoetkoming op te nemen.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat er gebeurt met de rentekosten op een lening die wordt aangegaan ter zake van een schuld in verband met de scheiding van een huwelijksgemeenschap bij echtscheiding.

In beginsel zijn schulden, ontstaan ter zake van de verdeling van een huwelijksgemeenschap, verrekenbaar in box III. Wanneer dergelijke schulden echter kunnen worden gekoppeld aan de verwerving van bepaalde vermogensbestanddelen (zoals het aandeel van de ex-partner in de voormalige echtelijke woning door de andere ex-partner die er blijft wonen), dan is de aftrek van de rente op deze schulden in box I mogelijk.

Ter voorkoming van de verkoop van de eigen woning bij echtscheiding zou aan elk van de ex-echtelieden de helft van de woning dienen te worden toegescheiden waarna de ene ex-echtgenoot zijn onverdeelde helft aan de andere verkoopt. Hierdoor blijft bij de ex-echtgenoot die de woning houdt de (totale) renteaftrek in box I blijft gehandhaafd. De leden van de fractie van het CDA vragen of deze visie juist is.

In box I, inkomen uit woning en werk, kan aftrek van rente plaatsvinden die betrekking heeft op de eigen woning. Indien de (onverdeelde) helft van een reeds in bezit zijnde eigen woning wordt bijgekocht is de rente die betrekking heeft op de financiering van die aankoop in beginsel aftrekbaar in box I. In reële situaties leidt deze situatie niet tot bezwaarlijke uitkomsten. Voorstelbaar is echter dat ook in minder voor de hand liggende situaties op deze wijze renteaftrek wordt gecreëerd. Een oplossing die moet leiden tot het tegengaan van het creëren van ongewenste hypotheekrenteaftrek is in studie.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van het CDA wordt opgemerkt dat de tegemoetkoming voor belastingplichtigen die een studielening hebben afgesloten, en die te maken krijgen met afschaffing van de renteaftrek, naar verwachting zal gaan bestaan uit een korting op het rentepercentage dat over dergelijke leningen dient te worden betaald.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen om een reactie of de hypotheek eigen woning zal leiden tot belastingarbitrage wegens oneigenlijk gebruik. Deze vraag is besproken bij § 4.3.1 Algemeen (Eigen woning).

De leden van de fractie van GroenLinks vrezen een grondslagversmalling wegens aanmoediging door de hypotheekmarkt van het gebruik van de hypotheekrenteaftrek. De leden vragen om een reactie waarom de eigen woning niet in box III is opgenomen en waarom niet gekozen is voor de wijziging van de fiscale behandeling van de eigen woning. Voorts, hoe moet de verrekening van de hypotheekschuld worden bezien indien daar tegenover geen eigen vermogen staat. Zij vragen om een reactie of de aanpassing van het instrument van de hypotheekrenteaftrek het instrument van de stimulering van het eigen woning bezit beter tot zijn recht doet komen. Verder willen de leden weten wat de gronden zijn om personen met een groot eigen vermogen een onbeperkte hypotheekrente aftrek toe te kennen. Deze vragen zijn besproken in § 4.3.1. Algemeen (Eigen woning).

De leden van de CDA-fractie vragen of naturaverzekeringen onder de rendementsheffing vallen. De leden constateren dat indien naturaverzekeringen onder de rendementsheffing vallen, er door de verzekeraar een jaarlijkse opgave moet worden gedaan van de waarde-opbouw. Deze opgaveverplichting verhoogt de kosten van naturaverzekeringen relatief meer dan bij kapitaalverzekeringen. De leden vragen om een reactie. Tevens vragen de leden of het kabinet zich realiseert dat het opnemen in de rendementsheffing van dit soort laagdrempelige producten, veelal aangeschaft door het minder kapitaalkrachtige deel van de bevolking, de producten onnodig compliceert.

Naturaverzekeringen vallen onder de forfaitaire rendementsheffing voor zover de waarde van die rechten per persoon meer bedraagt dan 5536 Euro. De constatering dat de kosten van de opgaveverplichting bij een goedkope naturaverzekering relatief hoger zijn dan bij een dure kapitaalverzekering lijkt ons juist. Ook bij het onderscheid tussen goedkope en dure kapitaalverzekeringen is een dergelijke constatering te maken. Met betrekking tot het door deze leden veronderstelde onnodig gecompliceerd maken van naturaverzekeringen door het opnemen van dergelijke verzekeringen in de grondslag van het forfaitaire rendement, merken wij op dat gezien de gebruikelijke waarde van naturaverzekeringen, dergelijke verzekeringen veelal in de vrijstelling zullen vallen.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een vrijstelling van f 12 200 aan uitkeringen van een naturaverzekering aan de lage kant is. Zij vragen het kabinet om een reactie.

Voor de vrijstelling in de grondslag van het forfaitaire rendement is de hoogte van de uitkering niet van belang. In het systeem van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt de vrijstelling toegepast op de waarde gedurende de periode dat de polis nog niet tot uitkering is gekomen. Aangezien in principe de waarde van dergelijke polissen lager zal zijn dan de hoogte van de uitkering die verzekerd wordt, is het mogelijk dat de waarde van de polis volledig in de vrijstelling valt terwijl de (verwachte of verzekerde) uitkering hoger is dat f 12 200. Ten opzichte van de vrijstelling van een uitkering van f 12 200 in artikel 26a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, kan dus worden gesproken van een verruiming.

De leden van de fracties van de PvdA, VVD en CDA zijn benieuwd hoe de waarde moet worden bepaald van de overlijdensrisicoverzekeringen die genoemd zijn in artikel 5.2.4. De VVD-fractie constateert dat alle rechten op verzekeringsuitkeringen in box III tot de rendementsgrondslag behoren naar de waarde in het economisch verkeer, met uitzondering van de overlijdensrisicoverzekeringen. De leden van genoemde fracties vragen zich af of het juist is dat de overlijdensrisicoverzekeringen weliswaar een – beperkte – verzekeringstechnische waarde hebben, maar dat niet gesproken kan worden over een waarde in het economisch verkeer zodat een vrijstelling niet nodig is.

Overlijdensrisicoverzekeringen kunnen worden bedongen tegen betaling van een periodieke (veelal jaarlijkse) premie of tegen betaling van een koopsom. In het eerste geval staan de premies uitsluitend tegenover het verzekerde risico zodat de polis als zodanig weinig waarde heeft. In het tweede geval leidt de betaling van de koopsom ertoe dat deze – mede door de oprenting – wel degelijk een bepaalde waarde heeft. De vrijstelling heeft derhalve met name een praktisch belang omdat de polissen op premiebasis niet tot de rendementsgrondslag worden gerekend terwijl de vrijstelling voor de polissen op koopsombasis ook een materieel belang heeft. De vraagstelling van de leden van de VVD-fractie dat dergelijke polissen geen waarde in het economisch verkeer hebben, lijkt uit te gaan van de gedachte dat dergelijke polissen, doordat ze niet in het economisch verkeer verhandeld worden, geen waarde hebben. Deze gedachte is echter onjuist. Dergelijke polissen kunnen wel degelijk worden overgedragen, bijvoorbeeld door wijziging van de persoon van de verzekeringnemer. In dat geval gaat de polis van het vermogen van de oude verzekeringnemer over in die van de nieuwe verzekeringnemer.

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of de waardering van overlijdensrisicoverzekeringen in de uitvoering tot problemen zal leiden en of dit opweegt tegen de geringe belastingopbrengst.

Zoals aangegeven in andere vragen omtrent de waardering van dergelijke verzekeringen, zullen de onderhavige polissen veelal in de vrijstelling vallen. Een uitzondering hiervoor kan gelden voor polissen op koopsombasis waarop omvangrijke bedragen zijn gestort. Dit zal echter om een beperkt aantal polissen gaan, waarbij het financiële belang aanzienlijk kan zijn. Deze polissen zullen, evenals kapitaalverzekeringen die niet voor de eigen woning zijn bestemd en lijfrenten waarvoor geen premieaftrek is verleend, gewaardeerd moeten worden. Naar verwachting levert dit voor de uitvoering weinig problemen op. Bezien wordt nog in hoeverre de aangegeven waarderingsregels ook hier een verdere vergemakkelijking kunnen betekenen.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich tevens af of het ontbreken van een vrijstelling voor overlijdensrisicoverzekeringen tot gevolg heeft dat dergelijke verzekeringen op het leven van ongeneeslijk zieken in de heffingsgrondslag moet worden betrokken omdat dit soort verzekeringen waarde heeft. Deze leden zijn van mening dat een dergelijke consequentie onkies is en vragen zich af of het daarom niet mogelijk is de vrijstelling uit te breiden.

In tegenstelling tot de veronderstelling van deze leden is er in artikel 5.2.4 wel een vrijstelling opgenomen voor zuivere overlijdensrisicoverzekeringen. Aangezien deze polissen over het algemeen – zeker als het polissen op premiebasis zijn – een geringe waarde hebben, zal de polis in beginsel in de vrijstelling vallen.

Voorts vraagt de fractie van de VVD zich af of het juist is dat het recht op de uitkering niet tot de grondslag behoort als het voorval zich heeft voorgedaan, maar de uitkering nog niet heeft plaatsgevonden. In dit kader is zij ook benieuwd hoe dit zich verhoudt tot normale vorderingen die wel tot de rendementsgrondslag behoren.

Indien het verzekerde voorval zich heeft voorgedaan heeft de begunstigde recht op de verzekeringsuitkering. Het karakter van het recht wijzigt op dat moment van een voorwaardelijk recht op een verzekeringsuitkering in een onherroepelijke vordering ter grootte van de verzekerde som/prestatie. De rechtsverhouding wijzigt op dat moment dan ook, het karakter van een uitkering of prestatie uit hoofde van de desbetreffende verzekering vervalt, zodat de vrijstelling niet langer van toepassing is. Gezien het feit dat het verzekerde voorval zich heeft voorgedaan zal de waarde van de vordering in beginsel gesteld kunnen worden op het nominale bedrag van de verzekerde som/prestatie. Er is derhalve geen verschil met vorderingen die wel tot de rendementsgrondslag behoren.

De fractie van de VVD vraagt zich af waarom de relatief lage vrijstelling voor polissen met een premieduur van 15 jaren is vervallen. Ook de leden van het CDA vragen om een onderbouwing van het vervallen van de vrijstelling voor dergelijke polissen. Beide fracties stippen de maatschappelijke functie van deze polissen aan. De leden van de fractie van het CDA wijzen op de amendementen Vreugdenhil en Vermeend waarin bij de Brede Herwaardering gewezen is op de functie als studieverzekering en de kleine spaarkasverzekering. Deze leden vragen waarom kapitaalverzekeringen in het verleden zijn gestimuleerd en of de achtergrond hiervan is gewijzigd. Voorts wil zij graag inzicht in de groep mensen die deze verzekeringen sluiten, voor welke bedragen en met welk doel. De fractie is benieuwd naar de opvattingen over deze doelen. De VVD-fractie wijst in dit kader op een rapport van het Verbond van Verzekeraars waarin wordt gemeld dat polissen met een premieduur van 15 jaren met name gesloten worden door mensen met een inkomen tussen modaal en twee keer modaal. In het rapport wordt voorts geconcludeerd dat dergelijke verzekeringen veelal worden vorm gegeven als een spaarkas. Uit cijfers van het CBS blijkt dat er in 1997 ruim 235 000 nieuwe spaarkasovereenkomsten zijn gesloten met een gemiddeld premiebedrag van f 100 per maand en een gemiddeld verzekerd kapitaal van f 23 000 per overeenkomst. Uit een NIPO-enquête blijkt dat de belangrijkste spaardoelen de studie van kinderen (30%) zijn en aanvulling op AOW of eerder stoppen met werken (27%). De aanschaf of het onderhoud van de eigen woning evenals de aflossing van de hypotheek scoort laag (5%) evenals het argument van belastingbesparing (3%). Deze leden merken nog op dat de vrijstelling een geringe hoogte heeft en daardoor oneigenlijk gebruik onwaarschijnlijk is en het budgettaire belang relatief gering.

Het vrijgestelde sparen voor de studie van kinderen en als aanvulling op de AOW of om eerder te stoppen met werken, komt in de Wet inkomstenbelasting 2001 in een ander licht te staan. Voor zover daarmee wordt beoogd om als aanvulling te dienen op de AOW of om eerder te stoppen met werken wordt erop gewezen dat daartoe de faciliteit van de aftrek van lijfrentepremies in stand blijft. Meer in zijn algemeenheid gesproken, en dit geldt dus ook voor het sparen voor de studie van de kinderen, wordt sparen en beleggen in box III op een evenwichtigere wijze behandeld dan onder het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit vloeit voort uit het feit dat er, ongeacht het bestedingsdoel, een forfaitair rendement in acht wordt genomen van 4%, een gematigde tarief van 30% wordt gehanteerd en recht bestaat op een algemene vrijstelling van EUR 17 000 (voor gehuwden EUR 34 000). Daarmee wordt de mogelijkheid voor belastingplichtigen om de gespaarde bedragen vrij ter beschikking te houden aanmerkelijk vergroot zodat men niet meer afhankelijk is van het gebonden sparen in de vorm van een verzekering en evenmin van een vrijstelling.

De leden van de CDA-fractie stellen vragen omtrent trustrechten en trustvermogens. Aangezien deze voor de rechthebbende een bepaalde waarde vertegenwoordigen, maken zij deel uit van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing. Omdat zij niet onder de eerdere categorieën van artikel 5.1.3 vallen, kwalificeren zij onder onderdeel f. van het tweede lid van artikel 5.1.3.

De benaming van het onderdeel f. («overige vermogensrechten») mag, gezien haar doelstelling (het voorkomen van uitholling van de rendementsgrondslag door het in de grondslag betrekken van voordelen met enige waarde in het economische verkeer die niet onder de eerdere categorieën van artikel 5.1.3 vallen), niet te beperkt worden uitgelegd.

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie inzake behandeling van lopende rente op lopende overbedelingsvorderingen zal worden ingegaan in de nota naar aanleiding van het verslag inzake de Invoeringswet.

De fractie van de PvdA vraagt welke precieze veranderingen in de renseigneringsverplichtingen van banken en verzekeraars de regering voorstaat en in hoeverre daarover reeds overeenstemming met deze partijen is bereikt. Deze fractie vraagt tevens of van de professionele vermogensbeheerders een automatische opgaaf van de samenstelling van het vermogen van cliënten gevraagd gaat worden en of dit via koppeling aan het Sofinummer gaat gebeuren. De fractie van de PvdA vraagt tenslotte naar de mate van detail van de renseignering.

De renseigneringsverplichtingen zullen in die zin veranderen dat ten behoeve van de heffing in box 3 van de wet inkomstenbelasting 2001 de renseigneringsverplichtingen zullen worden uitgebreid naar informatie over de actuele waarde van bancaire producten en verzekeringsproducten. In beginsel zal van de desbetreffende administratieplichtigen een opgave van de samenstelling van het vermogen van de cliënt worden gevraagd. Een adequate rechtshandhaving maakt het tevens noodzakelijk dat de renseignementen op eenvoudige wijze kunnen worden gekoppeld aan belastingplichtigen; daartoe zal wettelijk worden voorgeschreven dat het Sofi-nummer als verplicht identificerend gegeven op de renseignementen moet worden vermeld. Zowel voor de administratieplichtigen als voor de Belastingdienst zelf lijkt dit het meest efficiënt te kunnen gebeuren door een automatische koppeling van beide gegevens. Het eveneens bij Uw Kamer voorliggende wetsvoorstel Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 beoogt een nader wettelijk kader te scheppen voor de koppeling aan het Sofinummer alsmede een wettelijk kader om de inhoud van deze renseigneringsverplichting bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen.

Het overleg met de banken en verzekeraars (alsmede met de pensioenfondsen) over de mogelijkheden van renseignering bevindt zich thans in een oriënterende fase. Bij de precieze vormgeving van de renseignering spelen factoren zoals de inrichting van de administratie en de toegankelijkheid van de gegevens een rol. De mate van detail van de renseignering valt daarom nog niet aan te geven. Het streven is er op gericht om medio januari een helder beeld te hebben over de vormgeving van de renseignering.

De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen over de administratieve lastendruk als gevolg van de extra informatie die banken en verzekeraars moeten leveren in verband met de forfaitaire rendementsheffing.

Het is de bedoeling dat de renseignering beperkt blijft tot vermogensbeheerders. Daarbij moet het gaan om verzorgingsproducten met een voldoende fiscaal belang. Het is niet goed denkbaar dat opgebouwd vermogen in het kader van spaaracties e.d. onder deze criteria vallen.

Het overleg met de banken en verzekeraars (alsmede met de pensioenfondsen) over de gewenste renseignering bevindt zich thans in een oriënterende fase. De exacte invulling welke gegevens de administratieplichtigen moeten verstrekken moet nog plaatsvinden. Daarbij zal een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen het belang van een goede en efficiënte uitvoering van het nieuwe belastingstelsel en de administratieve last voor de administratieplichtige van wie de informatie wordt verlangd. Ook wordt nog bezien of de huidige rente- en dividendrenseignering kan komen te vervallen. Hoewel de rente en dividenden geen expliciete rol meer spelen bij het vermogen in box 3, blijft het belang aanwezig voor de boxen 1 en 2.

Het ligt in de bedoeling om op korte termijn besprekingen te starten met de financiële vermogensbeheerders over de renseignering.

De leden van de CDA-fractie constateren dat onder het nieuwe regime een door de ouders gekocht huis waarvan het studerende kind krachtens een recht van gebruik de bewoner is, leidt tot de volgende situatie. Het studerende kind geeft in box III de jaarlijks afnemende vruchtsgebruikwaarde aan. De ouders geven de jaarlijks in box III de toenemende blote-eigendomswaarde aan.

De constatering van de leden is juist.

De leden van de CDA-fractie constateren op basis van de memorie van toelichting dat de bijzondere regeling van artikel 5.1.3a niet geldt voor het vruchtgebruiktestament. De fractieleden zijn van mening dat de systematiek van de wilsrechten (gedoeld wordt op de uitoefening van de blooteigendomswilsrechten) in het nieuwe versterferfrecht sterke gelijkenis vertonen met het vruchtgebruiktestament. Zij vragen zich daarom af waarom een vruchtgebruiktestament niet valt onder de werking van artikel 5.1.3a, tweede lid. De leden van de CDA-fractie merken op dat daarmee tevens wordt voorkomen dat de blote-eigendomswaarde van een eigen woning dubbel in de heffing wordt betrokken.

Uitgangspunt van artikel 5.1.3a is om de fiscale afwikkeling van het nieuwe erfrecht bij versterf zo eenvoudig en inzichtelijk mogelijk te laten verlopen. Dit is tot uitdrukking gebracht in de toerekeningsbepaling van artikel 5.1.3a, eerste tot en met derde lid, waarbij de niet-opeisbare vordering van het kind of de daarvoor in de plaats gekomen blote eigendommen bij de langstlevende ouder in de heffing wordt betrokken.

De gedachte hierachter is dat de wettelijke regeling inzake het erfrecht bij versterf uitgaat van een «verplicht» voorgeschreven verdeling van de nalatenschap voor situaties waarin de erflater dit niet bij uiterste wilsbeschikking heeft geregeld. De wettelijke verdeling volgens de regeling van het erfrecht bij versterf functioneert in dergelijke situaties dus als een maatschappelijk gewenste verdeling. Voor situaties waarin de erflater bij uiterste wilsbeschikking een verdeling heeft vastgelegd die materieel gelijk is aan de wettelijke verdeling van het erfrecht bij versterf, ligt het in de rede om eenzelfde soepele fiscale behandeling te regelen. Als voorbeeld kan hierbij worden genoemd de onder het huidige erfrecht veel voorkomende ouderlijke boedelverdeling volgens het model langstlevende-al (welke ten grondslag heeft gelegen aan de wettelijke regeling van het nieuwe erfrecht bij versterf). De notariële praktijk kent vanuit het huidige erfrecht inmiddels diverse varianten op het model van de ouderlijke boedelverdeling. Van belang is of de uitvoering van dergelijke testamenten inhoudelijk overeenkomt met de wettelijke verdeling van het versterferfrecht. Een materiële toets derhalve.

Voor situaties waarin de erflater bij uiterste wilsbeschikking nadrukkelijk afwijkt van de wettelijke regeling inzake het erfrecht bij versterf – zoals bij een vruchtgebruiktestament het geval is – ligt toepassing van de fiscale toedelingsregel van artikel 5.1.3a, eerste tot en met derde lid, minder voor de hand. Immers, de erflater is in dergelijke situaties bewust afgeweken van de maatschappelijk gebruikelijk geachte verdeling.

Met betrekking tot de constatering van deze fractieleden dat ingeval van een vruchtgebruiktestament over de blote-eigendomswaarde van een eigen woning dubbele heffing plaats vindt merken wij het volgende op. Wanneer de door het testament ontstane splitsing blote eigendom versus vruchtgebruik betrekking heeft op een eigen woning, wordt dit voor de toepassing van de eigenwoningregeling als het ware genegeerd; de vruchtgebruiker wordt voor de WOZ-waarde van de woning in het eigenwoningforfait betrokken. Dit hangt samen met de door ons gedeelde maatschappelijke behoefte om in erfrechtsituaties voor de vruchtgebruiker de eigenwoningregeling van toepassing te laten zijn. Dat daarbij de gehele woning in het eigenwoningforfait wordt betrokken, vloeit voort uit het forfaitaire karakter van de huurwaardebijtelling. Daarbij komen de jaarlijkse voordelen uit het vruchtgebruik van een woning exact overeen met het woongenot. Hiervan vormt vervolgens het huurwaardeforfait een passende vaststelling. Daartegenover heeft de vruchtgebruiker door de toepassing van de eigenwoningregeling eveneens recht op hypotheekrenteaftrek.

De constatering dat de krachtens een vruchtgebruiktestament verkregen blote eigendom tevens in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing valt, is terecht. Dit vloeit echter voort uit de wetsfictie dat tot de rendementsgrondslag behorende vermogensbestanddelen geacht worden rendement in economische zin op te leveren. Dit geldt derhalve ook voor de onderhavige categorie blote eigendommen. De blote eigenaar geniet immers jaarlijks een stukje van de aangroei van zijn blote eigendom naar de volle waarde van het vermogensbestanddeel. De door de fractieleden voorgestelde oplossing om ook de blote eigenaar in box I te betrekken strookt niet met de gedachte van het nieuwe stelsel om de eigenwoningregeling toe te snijden op die gevallen waarin echt sprake is van een eigen woning. In dit verband past ook dat de eigenwoningregeling bij partners is beperkt tot één woning.

De leden van de CDA-fractie veronderstellen dat de waarde van een vermogensbestanddeel wordt beïnvloed door het reële rendement van dit vermogensbestanddeel. Indien deze veronderstelling juist is, zo vervolgen de leden, dan wordt via de waardering de harde kant afgeslepen van het vaste rendement van 4 procent, want dit wordt dan bij een gering reëel rendement berekend over een lage waarde (en omgekeerd).

Het is juist dat het reële rendement van een vermogensbestanddeel van invloed is op de waardering volgens de waarde in het economische verkeer. Een obligatie met een vaste rente van 4 procent zal, indien de overige omstandigheden gelijk zijn, lager worden gewaardeerd dan een obligatie met een vaste rente van 8 procent. De visie van de leden is dus correct.

Voorwerpen van kunst en wetenschap

Het kabinet heeft de stimulering van kunst en cultuur nadrukkelijk als één van zijn beleidsdoelstellingen opgenomen, zo is nogmaals in het regeerakkoord bevestigd. Dit blijkt onder meer uit de voorstellen die gedaan worden tot concrete stimulering van kunstinstellingen, -projecten en kunstenaars. Ook fiscaal wordt een steentje bijgedragen aan het kunststimuleringsbeleid. In 1999 is op initiatief van de staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de commissie Cultuur en Belastingen ingesteld. Zeer recent heeft deze Commissie haar rapport «Hoog aanslaan, laag belasten» aangeboden aan de beide staatssecretarissen. In de lijst van aanbevelingen heeft de Commissie onder meer aandacht gevraagd voor de fiscale behandeling van kunst in de Wet inkomstenbelasting 2001. Uit deze aanbevelingen kan worden gedestilleerd dat de Commissie de reikwijdte van de in de vermogensrendementsheffing opgenomen vrijstelling niet ver genoeg vindt gaan. Ook uit de samenleving, bijvoorbeeld van de Stichting NedArt en de Nederlandse Museumvereniging, zijn geluiden vernomen die erop duiden dat de huidige vormgeving van de vrijstelling als belemmerend wordt ervaren. Met de introductie van de Wet inkomstenbelasting 2001 – meer in het bijzonder de introductie van de forfaitaire rendementsheffing – is niet beoogd om een aanscherping in de fiscale behandeling van voorwerpen van kunst en wetenschap door te voeren. Uitgangspunt is en blijft dat kunstvoorwerpen in beginsel niet ter belegging worden aangehouden en dus geen belaste inkomsten (kunnen) opleveren. In het licht van deze reacties zullen wij de vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap zoals deze momenteel is vormgegeven en met name het punt van de bewijslastverdeling, anders opzetten. Daarmee kunnen we, zo hopen we, deze leden en organisaties geruststellen met betrekking tot de door hen gevreesde en in diverse concrete vragen neergeslagen gevolgen voor het Nederlands kunstbezit.

Inpassing vrijstelling in de structuur van de vermogensrendementsheffing

Zowel de leden van de VVD-fractie als de leden van de CDA-fractie hebben gevraagd waarom de onbeperkte vrijstelling die wij nu kennen in de vermogensbelasting niet onverkort is opgenomen in de vermogensrendementsheffing. Essentieel is het besef dat de vermogensrendementsheffing deel uitmaakt van de inkomstenbelasting; de vermogensrendementsheffing vervangt als het ware de huidige heffing over inkomsten uit vermogen. De huidige vermogensbelasting komt te vervallen. In de vermogensrendementsheffing wordt het rendement belast dat een belastingplichtige geacht wordt te kunnen maken met het vermogen dat hij gespaard heeft of dat hij ter belegging aanhoudt. Daarbij wordt er in beginsel vanuit gegaan dat de belastingplichtige geen economisch rendement behaalt met roerende zaken die hij in eigen gebruik heeft. Deze roerende zaken zijn daarom bij voorbaat al vrijgesteld van de rendementsgrondslag. Dat is alleen anders als de roerende zaken die in eigen gebruik zijn hoofdzakelijk als belegging dienen. Het vorenstaande betekent voor de kunst, dat roerende kunstvoorwerpen die in eigen gebruik zijn bij de belastingplichtige, zoals bijvoorbeeld schilderijen en antiek, in beginsel niet in de vermogensrendementsheffing worden betrokken.

Alle overige vermogensbestanddelen behoren in beginsel wel tot de rendementsgrondslag. Zonder nadere regeling zouden derhalve ook overige voorwerpen van kunst en wetenschap, dat zijn onroerende voorwerpen van kunst en wetenschap en voorwerpen die de belastingplichtige aan anderen ter beschikking heeft gesteld, in de vermogensrendementsheffing worden betrokken. Dat zou het kunstbezit niet bevorderen en zou, zoals ook opgemerkt door de leden van de CDA-fractie, niet in overeenstemming zijn met het stimuleringsbeleid inzake kunst. Dit heeft het kabinet willen voorkomen door een vrijstelling in de Wet inkomstenbelasting 2001 op te nemen voor voorwerpen van kunst en wetenschap. Met dit onderdeel van het kabinetsbeleid heeft, zo kunnen wij melden naar aanleiding van vragen van de leden van de fracties van VVD en CDA, de Minister van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen uiteraard ingestemd. Belangrijk is voorts dat het voor kunstbezitters mogelijk moet blijven om kunst ter beschikking te stellen aan musea zonder dat dit ter beschikking stellen fiscale consequenties voor de kunstbezitter heeft. Daarmee blijft het voor musea, anders dan de CDA-fractie in haar vraagstelling suggereert, naar onze verwachting mogelijk om ten behoeve van tentoonstellingen gebruik te maken van particulier kunstbezit. Daarbij kunnen deze roerende zaken (die niet in eigen gebruik zijn) onder de vrijstelling van artikel 5.2.2 worden gebracht. Verder is het de bedoeling dat niet alleen roerende voorwerpen van kunst en wetenschap worden vrijgesteld, maar ook onroerende voorwerpen. Toch is de vrijstelling niet op ieder kunstvoorwerp van toepassing. In antwoord op een vraag van de leden van de D66-fractie merken wij op dat niet de kosten/baten afweging de voornaamste reden is geweest om tot de gekozen formulering van de vrijstelling te besluiten. Gezocht is naar een balans tussen het vrijstellen van kunst enerzijds en het voorkomen dat kunst wordt gebruikt om rond de peildata van het forfaitair rendement de rendementsgrondslag te manipuleren anderzijds.

Bij de vormgeving van de vrijstelling is, naar wij vernamen mede tot tevredenheid van de D66-fractie, gekozen voor een uitwerking waarbij alle kunst die niet hoofdzakelijk ter belegging wordt aangehouden, is vrijgesteld. Dit is overigens een ruimere vrijstelling dan de door de PvdA-fractie aangehaalde Engelse vrijstelling van capital gain tax.Wij hebben vooralsnog dan ook geen reden om te veronderstellen dat, zoals in diverse vragen wordt gesuggereerd, met de voorgestelde vrijstelling voor kunst, belastingplichtigen hun kunst in het buitenland zullen gaan onderbrengen.

Bewijslastverdeling

Voor zover het gaat om kunstvoorwerpen met een roerend karakter – schilderijen en dergelijke – rust de bewijslast inzake de vraag of sprake is van hoofdzakelijk beleggen op de inspecteur. Voor zover het gaat om kunstvoorwerpen met een onroerend karakter of om kunstvoorwerpen die niet in eigen gebruik zijn, rust de bewijslast dat (mede gezien aard en hoeveelheid) geen sprake is van hoofdzakelijk beleggen volgens artikel 5.2.2 op de belastingplichtige. Ook in artikel 5.2.3 (vrijstelling rechten op roerende zaken krachtens erfrecht) rust de bewijslast op de belastingplichtige. Dit wijkt af van de bewijslastverdeling van artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, zo constateren ook de leden van de PvdA-fractie, de VVD-fractie en de D66-fractie. Door de leden van de CDA-fractie wordt in dit verband opgemerkt dat dit samenhangt met het feit dat de artikelen 5.2.2 en 5.2.3 vrijstellingen zijn, terwijl artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c, de positieve bestanddelen van de rendementsgrondslag definieert. Het voornemen bestaat om de bewijslastverdeling in artikel 5.2.2 alsmede artikel 5.2.3 op eenzelfde wijze te regelen als voor roerende zaken in eigen gebruik, teneinde aan te sluiten bij de systematiek van artikel 5.1.3, tweede lid, onderdeel c. Voor wat betreft de bewijslastverdeling in de vrijstelling van voorwerpen van kunst en wetenschap betekent dit, dat de bewijslast inzake de beleggingstoets voortaan op de inspecteur in plaats van op de belastingplichtige rust.

Waarderings- en controleproblemen

De leden van de fracties van PvdA, van VVD en van CDA hebben vragen gesteld over mogelijke waarderingsvraagstukken en controleproblemen die zich inzake de vrijstelling van voorwerpen voor kunst en wetenschap in de uitvoeringspraktijk kunnen voordoen. Onze verwachting is dat waarderings- en controleproblematiek zich slechts incidenteel zal voordoen, omdat veel voorwerpen van kunst en wetenschap normaliter onder de vrijstelling vallen. Aan de aanschaf of aan het bezit van voorwerpen van kunst of wetenschap liggen normaliter immers (vrijwel) geen geldelijke overwegingen ten grondslag liggen. Men bezit kunst omdat het mooi is, in het interieur past, een erfstuk is, etc. Dat het bezit van kunst onder omstandigheden ook geldelijk gewin kan opleveren is veelal slechts van bijkomstige aard. In uitzonderingssituaties kunnen er aan de aanschaf of aan het bezit van voorwerpen van kunst of wetenschap wel primair geldelijke overwegingen ten grondslag liggen. Indien dat het geval is kan er van uitgegaan worden dat een belastingplichtige het voorwerp van kunst en wetenschap niet bezit omdat het een voorwerp van kunst en wetenschap is, maar veeleer omdat hij – naast het niet in geld te meten genot dat samenhangt met het bezit van een dergelijk voorwerp – verwacht met dat voorwerp in financiële termen een goed rendement te kunnen behalen. In dergelijke uitzonderingssituaties worden voorwerpen van kunst en wetenschap niet vrijgesteld van de forfaitaire rendementsheffing; het beleggingskarakter is in die gevallen immers overheersend. Vanuit dit perspectief bezien, kan de belastingdienst bij controle van aangiften in eerste instantie met een relatief marginale toets volstaan. Mochten zich uitgesproken situaties voordoen waarbij sprake is van beleggen met kunst, dan heeft de inspecteur op grond van de huidige formulering van de vrijstelling de mogelijkheid om deze kunst in de vermogensrendementsheffing te betrekken. Omdat wij niet verwachten dat dit meer dan incidenteel zal voorkomen, verwachten wij ook niet dat de waardering en controle van de onderhavige vrijstelling tot onoverkomelijke problemen zal leiden.

Voor wat betreft de waardering van kunstvoorwerpen vraagt het CDA naar de wijze waarop een item uit een collectie zou moeten worden gewaardeerd. Met de opmerking uit de memorie van toelichting waarnaar deze leden verwijzen is bedoeld aan te geven dat diverse factoren van invloed kunnen zijn op de waarde van een item. Het zou bijvoorbeeld ook voor de waardering van een schilderij verschil kunnen uitmaken of een belastingplichtige in het bezit is van één schilderij uit een drieluik, of dat hij in het bezit is van het gehele drieluik.

Definitie «beleggen»

Diverse fracties hebben vragen gesteld naar de uitleg van het begrip «beleggen» en de factoren die in dit verband van belang zijn. De leden van de PvdA-fractie vragen of subjectief of objectief getoetst zou moeten worden of sprake is van beleggen. De leden van de CDA-fractie lijken kunstvoorwerpen te willen vrijstellen die niet langer dan een jaar in een kluis bij een ander dan de eigenaar liggen. Met de term «beleggen» wordt gedoeld op het aanhouden van een goed om de waarde te behouden of te vergroten. Allerlei factoren zouden, afhankelijk van de situatie, hierbij een rol kunnen spelen. In het kader van de vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap is met name relevant dat het betreffende voorwerp van kunst of wetenschap niet in hoofdzaak wordt aangehouden in de hoop op waardevermeerdering, maar dat het voorwerp op de eerste plaats is aangekocht met het oog op het voorwerp zelf. In dat kader is relevant dat in beginsel aangenomen wordt dat een belastingplichtige een voorwerp aankoopt met het oog op het voorwerp zelf. De inspecteur zal zonodig moeten bewijzen dat dit niet het geval is. Daarbij zal uiteraard tot op zekere hoogte wel sprake zijn van het objectiveren van de intentie van de belastingplichtige.

Internationaal

Zowel de leden van de VVD-fractie als de leden van de CDA-fractie hebben gevraagd hoe de Europese landen fiscaal omgaan met kunst. Door PricewaterhouseCoopers is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën ten behoeve van de werkzaamheden van de Commissie Habbema naar fiscale regelingen in de culturele sector in de landen van de Europese Unie, de VS, Canada en Australië. Uit dit onderzoek blijkt dat Nederland een middenpositie inneemt ten aanzien van de belastingheffing van de culturele sector. Binnen de culturele sector zijn er echter forse verschillen. Zo blijkt dat de fiscale behandeling van zelfstandige kunstenaars en artiesten in Nederland niet ongunstig af te steken ten opzichte van andere landen, zeker niet wanneer de activiteiten van de kunstenaar kunnen worden aangemerkt als ondernemersactiviteiten. De afwijkingen tussen de landen worden met name veroorzaakt door verschillen in de belastingstructuur, zoals de berekening van het belastbaar inkomen, de belastingvrije som en het geldende tarief. De belastingheffing van culturele instellingen is in de onderzochte landen zeer verschillend en hangt van vele factoren af zoals de gekozen rechtsvorm, het type inkomsten dat wordt genoten en de relatieve omvang en samenstelling van deze inkomsten. Uit indicatieve berekeningen blijkt dat Nederland zich in de middengroep bevindt ten aanzien van de fiscale behandeling van culturele instellingen. Relatief gunstig van het Nederlandse systeem is dat beleggingsinkomsten, ongeacht de activiteiten van de stichting of de vereniging, in beginsel niet in de heffing worden betrokken. Ten opzichte van het buitenland kent Nederland minder en/of minder ruimhartige vrijstellingen voor culturele instellingen. De meeste onderzochte landen kennen vrijstellingen voor erfrechtelijke verkrijgingen door en giften aan culturele instellingen. De landen die wel een heffing kennen, hanteren tarieven die lager zijn dan de Nederlandse tarieven. In Nederland worden vooral erfrechtelijke verkrijgingen door culturele instellingen anders dan musea minder voordelig behandeld. Niet alle onderzochte landen kennen een met Nederland vergelijkbare regeling voor het voldoen van successierecht in de vorm van een kunstwerk. In dit opzicht is Nederland relatief gunstig ten opzichte van het buitenland. Dit wordt nog versterkt omdat Nederland het enige land is dat een hogere waarde dan de werkelijke waarde, te weten 120%, van het desbetreffende kunstwerk in aanmerking neemt.

De leden van de VVD-fractie vragen of een raming kan worden gegeven van de te verwachten opbrengst die gepaard gaat met het belasten van de als belegging aangehouden kunst. De leden van de D66-fractie vragen wat het budgettaire effect zou zijn indien alle voorwerpen van kunst en wetenschap buiten de heffing zouden worden gehouden.

Het in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing opnemen van als belegging aangehouden kunst is uitsluitend preventief bedoeld. Het budgettaire belang van het al dan niet opnemen van een vrijstelling voor kunst vloeit voort uit de te verwachten aanzuigende werking van een dergelijke vrijstelling. Mede gelet op de bedragen die thans op de kunstmarkt omgaan, zou de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing op deze wijze aanzienlijk kunnen worden uitgehold.

De leden van de fracties van VVD, van CDA en van GPV en van RPF hebben vragen gesteld over de uitvoeringsaspecten met betrekking tot de waardering van goederen die tot de rendementsgrondslag behoren. Meer specifiek vragen zij daarbij waarom voor onroerende zaken niet aangesloten is bij de waarde die wordt vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (verder: WOZ-waarde). Verder vragen de leden van de VVD-fractie of, ingeval de WOZ-waarde niet gehanteerd wordt, de regering van plan is alle panden opnieuw te laten taxeren.

Naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State is besloten om onroerende zaken in box III niet zonder meer tegen de WOZ-waarde in de rendementsgrondslag op te nemen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de WOZ-waarde overeenkomt met de volle, onbezwaarde waarde van een onroerende zaak. Zeker bij verhuurde panden, bij uitstek box-III panden met beleggingskarakter, kan deze waarde nogal afwijken van de waarde in het economisch verkeer. Dat wil overigens niet zeggen dat de WOZ-waarde bij de waardebepaling van onroerende zaken in box III in het geheel geen indicatie kan zijn. Overigens heeft de regering niet de intentie, zoals de VVD-fractieleden opperen, om alle onroerende zaken opnieuw te laten taxeren. Op de vraag van de leden van de CDA-fractie wie de waarde in het economisch verkeer bepaalt, merken wij, ook in het licht van de voorafgaande vraag, op dat dit in eerste instantie de belastingplichtige zal zijn, bij het invullen van zijn aangiftebiljet.

De leden van de CDA-fractie vragen in het kader van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden, of bij de bepaling van de waarde in het economisch verkeer van de gebouwde opstallen rekening mag worden gehouden met de bestemming van de betreffende opstallen.

De waarde in het economisch verkeer van een monumentenpand op een moment wordt bepaald naar de staat van het pand op dat moment. De bestemming die een belastingplichtige zelf aan een pand geeft is daarbij niet van belang. Een koper zou immers weer een geheel andere bestemming aan het pand kunnen geven. Wel kunnen externe omstandigheden relevant zijn, bijvoorbeeld het feit dat er een bestemmingsplan is waaruit blijkt dat het monument een bepaalde bestemming zou moeten hebben.

Zowel de leden van de fractie van GroenLinks als de leden van de fracties GPV en RPF hebben het kabinet gevraagd toe te lichten wat zij vindt van het feit dat de wettelijk geregelde pachtrechten een rendement van 2% kennen, terwijl de belastingplichtige in de vermogensrendementsheffing wordt belast voor een rendement van 4%. Inderdaad is het zo dat de maximale pachtprijs een wettelijke grens kent van 2% van de vrije verkeerswaarde van de grond. Deze vrije verkeerswaarde is echter hoger dan de waarde van de grond in verpachte staat. In de praktijk blijkt de waarde in verpachte staat zo'n 50% tot 60% van de vrije verkeerswaarde te bedragen. Dit betekent dat 2% van de vrije verkeerswaarde van de grond ongeveer overeenkomt met 4% van de waarde in verpachte staat. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met waardestijgingen van de grond. Dat momenteel pachtprijzen lager zouden liggen dan 2% van de vrije verkeerswaarde, doet niet af aan het feit dat de pachtprijzen uiteindelijk wel 2% van de vrije verkeerswaarde mogen bedragen. Wij zien dan ook geen reden om voor verpachters aanvullende maatregelen te treffen of een vrijstelling voor verpachte grond te introduceren, zoals de leden van de CDA-fractie en de leden van de fracties GPV en RPF suggereren.

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd naar de bereidheid om de waarderingsgrondslag van de verpachte gronden in de wet te verankeren. Naar onze mening is dat al gebeurd door te bepalen dat alle bezittingen worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. Bij het bepalen van de waarde in het economisch verkeer van een goed wordt rekening gehouden met de staat waarin het goed zich bevindt. Als grond op de waardepeildatum verpacht is, wordt deze pacht derhalve als waardedrukkende factor in aanmerking genomen. Het is naar onze mening dan ook niet nodig om nog eens expliciet te bepalen dat verpachte grond tegen de waarde in verpachte staat in aanmerking wordt genomen.

Daarnaast merken de leden van de VVD-fractie op, dat in het nieuwe belastingsysteem de kosten van waterschapslasten, onderhoud en verzekering van de gebouwen en administratiekosten niet meer aftrekbaar zijn. Dit zou, ook volgens de leden van de SGP-fractie, een aanmerkelijke belastingverzwaring voor de verpachters betekenen, waarmee het instituut pacht onder druk zou komen te staan. De leden van de VVD-fractie vragen naar de bereidheid om kosten van onroerende zaken en administratiekosten als persoonsgebonden kosten op te nemen in hoofdstuk 6. In het systeem zijn gebruikelijke aftrekbare kosten reeds in de hoogte van het forfaitair rendement verdisconteerd. Wij zien derhalve geen reden om een extra aftrek voor verpachters op te nemen.

Zowel de leden van de CDA-fractie als de leden van de D66-fractie hebben aandacht gevraagd voor de waarde waartegen landbouwgrond in de rendementsgrondslag zou moeten worden opgenomen. Vooraf merken wij op, dat landbouwgrond indien het ondernemingsvermogen is, niet in box III in de heffing wordt betrokken. Gronden die wel tot de rendementsgrondslag behoren, worden gewaardeerd tegen de waarde in het economisch verkeer. Daarbij wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met factoren die de waarde kunnen beïnvloeden, zoals bestemmingsplannen die bepalen dat grond uitsluitend een agrarische bestemming kan hebben en het al dan niet verpacht zijn van de grond. Naar aanleiding van een opmerking van de D66-fractieleden merken wij op, dat explosieve grondprijsstijgingen geen reden hoeven te zijn om een van de waarde in het economische verkeer afwijkende waardering op te nemen in de rendementsgrondslag. Integendeel, het feit dat grondprijzen stijgen, geeft mede aan dat het bezit van grond rendabel kan zijn.

6.3.3. Vrijstellingen en maatschappelijke beleggingen

De leden van de PvdA-fractie vragen met betrekking tot maatschappelijke beleggingen wat hier nog meer onder valt behalve groen beleggen, scheepvaart, Agaath en film, en of er nog meer faciliteiten worden overwogen behalve een vrijstelling van de forfaitaire rendementsheffing. Vervolgens vragen de leden van de fractie of sparen op laagrentende «goede doel»-rekeningen, het zogenoemde groen sparen, volgens de regering net zo behandeld dient te worden als groen beleggen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe het kabinet staat tegenover een vrijstelling, conform de groenfondsen, voor beleggingen in armoedebestrijding.

De gedachten van het kabinet over de invulling van de, in het nog in te dienen wetsvoorstel ondernemerspakket tweede tranche opgenomen, kaderregeling voor maatschappelijk beleggen, gaan vooralsnog uit naar regelingen voor groen beleggen, tante-Agaath en fiscale faciliëring van venture capital. Het kabinet is niet voornemens door middel van deze regeling het maatschappelijk verantwoord beleggen in den brede te stimuleren. Een vrijstelling voor beleggingen in armoedebestrijding valt dan ook buiten de reikwijdte van deze regeling. Tot slot kan worden vermeld dat voor toepassing van de regeling groen beleggen, en daarmee voor de vrijstelling in het forfaitaire rendement, niet zozeer relevant is in welke vorm deze belegging exact plaatsvindt (sparen of beleggen), maar of het gebeurt via een daartoe aangewezen krediet- of beleggingsinstelling. Deze aangewezen krediet- en beleggingsinstellingen zijn verplicht hun vermogen hoofdzakelijk te investeren in groenprojecten.

Zowel de leden van de fracties van PvdA, CDA en GroenLinks als van de fracties van GPV en RPF hebben vragen gesteld over de toekomst van de regeling groen beleggen. Daarbij heeft de PvdA-fractie aangegeven prijs te stellen op compenserende maatregelen, bijvoorbeeld door het groen beleggen als deblokkeringsmogelijkheid in de spaarloonregeling op te nemen. De CDA-fractie vraagt zich af of in de toekomst niet minder gebruik gemaakt zal worden van de regeling. De GroenLinks-fractie heeft geïnformeerd naar nadere aanvullende maatregelen. De fracties GPV en RPF hebben aangegeven prijs te stellen op informatie over de zienswijze van de regering betreffende het groen beleggen.

Het vrijstellen van groene beleggingen is, zo merken we op, in het nieuwe fiscale systeem een aanzienlijke stimulans voor groene beleggingen. Zeker in het licht van de totale beleggingsmarkt ontstaat een aantrekkelijk belastingvrij product.

De invoering van de vermogensrendementsheffing beïnvloedt in beginsel niet het rendement dat een belastingplichtige kan behalen met een groene belegging. Zowel onder het huidige recht als na invoering van de vermogensrendementsheffing zijn inkomsten uit groene beleggingen namelijk volledig vrijgesteld van inkomstenbelasting. De rendementen van groene beleggingen op de korte en middellange termijn hoeven derhalve niet af te wijken van de huidige rendementen. Daarbij kan het volgende worden opgemerkt. Wel heeft invoering van de vermogensrendementsheffing tot gevolg dat de positie van groene beleggingen ten opzichte van overige, commerciële beleggingen wijzigt. Enerzijds wordt de vrijstelling van groene beleggingen in de vermogensrendementsheffing «minder waard» dan de huidige vrijstelling, omdat het belastingtarief wordt verlaagd en bovendien in box 3 een proportioneel tarief van toepassing is. Anderzijds wordt met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 de heffingsgrondslag verbreed, waardoor veel beleggingsproducten die nu buiten schot blijven wel in de rendementsgrondslag worden betrokken. Groene beleggingen zijn dan een van de weinige beleggingsproducten die fiscaal vriendelijk worden behandeld. Het is niet onze verwachting, dat groene beleggingen met de invoering van de belastingherzi