Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 15135 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 15135 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op de artikelen 4, 5, tweede lid, 8, 15, 16, 19, tweede lid, en 25 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
B
In artikel 4.2.1a wordt ‘artikel 4.1.3’ vervangen door ‘artikel 4.2.6’.
C
In artikel 4.2.64, begripsomschrijving van CO2-equivalent, wordt ‘de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6,’ vervangen door ‘de hoeveelheid CH4 en N2O’ en wordt na ‘bijlage 4.2.9, onderdeel A,’ ingevoegd ‘of andere broeikasgassen die’.
D
Het opschrift van paragraaf 4.2.17 komt te luiden:
E
In de artikelen 4.2.112, begripsbepaling TSE Industrie studie, 4.2.113 en 4.2.114, eerste lid, wordt ‘TSE Industrie studie’ telkens vervangen door ‘studie voor duurzame industrie’.
F
Artikel 4.2.114 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te luiden:
4. De subsidie bedraagt maximaal:
a. € 4.000.000 voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie die past binnen programmalijn 1 of 2, opgenomen in bijlage 4.2.16;
b. € 3.000.000 voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie die past binnen programmalijn 3, opgenomen in bijlage 4.2.16;
c. € 300.000 voor een vergelijkbare studie per onderneming die deze zelfstandig uitvoert of per deelnemer in een samenwerkingsverband over een periode van drie jaar.
2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:
5. In afwijking van het vierde lid, onderdelen a en b, bedraagt de subsidie maximaal € 300.000 per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening over een periode van drie jaar.
6. Onverminderd het vierde en vijfde lid, bedraagt het totale bedrag aan subsidie voor studies voor duurzame industrie die betrekking hebben op hetzelfde pilotproject, demonstratieproject dan wel project naar uitontwikkelde technologie, maximaal € 4.000.000 per openstellingsperiode, tenzij de studies voor duurzame industrie binnen programmalijn 3, opgenomen in bijlage 4.2.16, passen, dan bedraagt het totale bedrag aan subsidie voor studies voor duurzame industrie die betrekking hebben op hetzelfde pilotproject, demonstratieproject dan wel project naar uitontwikkelde technologie maximaal € 3.000.000 per openstellingsperiode.
7. De subsidie bedraagt ten aanzien van de subsidiabele kosten die zijn gemaakt door een onderneming die met de subsidieaanvrager in een groep is verbonden en beschikt over een vaste inrichting in Nederland, maximaal € 25.000.
G
In artikel 4.2.114a, vierde lid, wordt na ‘het derde lid,’ ingevoegd ‘alleen’ en wordt ‘voor zover het gaat om kosten die zijn verschuldigd aan een derde die niet tot dezelfde groep behoort als de aanvrager’ vervangen door ‘voor zover het gaat om subsidiabele kosten die zijn gemaakt door een onderneming die niet met de subsidieaanvrager in een groep is verbonden’.
H
In artikel 4.2.116 wordt ‘TSE Industrie studies’ telkens vervangen door ‘studies voor duurzame industrie’.
I
Artikel 4.2.117a, eerste lid, komt te luiden:
1. Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun:
a. van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien het een aanvraag betreft voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie;
b. van een onderneming die een vergelijkbare studie zelfstandig uitvoert of van elke deelnemer in het samenwerkingsverband, indien het een aanvraag betreft voor een vergelijkbare studie.
J
Artikel 4.2.119 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt toegevoegd ‘en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening’.
2. Aan het tweede lid wordt toegevoegd ‘en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening’.
3. In het derde lid wordt na ‘wordt gerechtvaardigd door’ ingevoegd ‘artikel 3 van’.
K
In artikel 4.6.9, onderdeel j, wordt na ‘inclusief een’ ingevoegd ‘door de minister beschikbaar gesteld ingevuld’.
L
Bijlage 4.2.1, onderdeel C. Industrie, wordt als volgt gewijzigd:
1. In hoofdstuk 1. Doelstelling, eerste alinea, wordt ‘Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project leiden tot een eerste toepassing’ vervangen door ‘Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing’.
2. In hoofdstuk 2. Innovatiethema’s wordt ‘2. Mmip 7: CO2-vrije industriële energiehuishouding’ vervangen door ‘2. MMIP 7: CO2-vrije industriële energiehuishouding’.
M
Bijlage 4.2.9, onderdeel B. DEI+-project, wordt als volgt gewijzigd:
1. In hoofdstuk 1. Doelstelling, tweede alinea, wordt in de tekst achter het tweede opsommingsteken na ‘de openbare lichamen’ een punt ingevoegd.
2. In hoofdstuk 2. Thema’s, innovatiethema 2.5 Circulaire economie (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening), wordt ‘2.5.2. Circulaire economie algemeen (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)’ vervangen door ‘2.5.1. Circulaire economie algemeen (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening)’.
3. In hoofdstuk 2. Thema’s, innovatiethema 2.9.4. Productie van Waterstof, komt de tweede alinea te luiden:
Ook projecten gericht op innovaties die direct verbonden zijn met de toepassing van elektrolysers en die onderdeel uitmaken van de zogenaamde ‘balance of plant’, vallen binnen dit thema. DEI+-demonstratieprojecten gericht op deze gekoppelde innovaties zijn enkel mogelijk, indien die innovatie onderdeel is van een elektrolyse-installatie die ook met het project wordt gedemonstreerd. DEI+-pilotprojecten kunnen zijn gericht op de ‘balance of plant’, ongeacht of die onderdeel uitmaken van een elektrolyse-installatie waar de pilot op ziet.
N
Bijlage 4.2.16 behorende bij artikel 4.2.113 wordt vervangen door de tekst in bijlage A van deze regeling.
De tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt als volgt gewijzigd:
A
De rijen die horen bij Titel 4.2: Topsector energieprojecten worden als volgt gewijzigd:
1. In de eerste kolom Instrument wordt ‘Titel 4.2: Topsector energieprojecten’ vervangen door ‘Titel 4.2: Energie-innovatie’.
2. De rijen die horen bij 4.2.65, Demonstratie energie- en klimaatinnovatie, worden als volgt gewijzigd:
a. In de derde kolom Groep wordt na ‘Demonstratie energie- en klimaatinnovatie’ ingevoegd ‘(DEI+)’.
b. In de vierde kolom Thema/programma wordt ‘2.7 Aardgasloze gebouwde omgeving’ vervangen door ‘2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving’.
c. In de rij van 2.7. Verduurzaming gebouwde omgeving, wordt in de vijfde kolom Openstelling ‘27-01-2026 t/m 30-07-2026’ vervangen door ‘27-01-2026 t/m 27-08-2026’.
3. In de derde kolom Groep wordt ‘TSE Industrie studies’ vervangen door ‘Studies voor duurzame industrie (STUDI)’.
B
Onder de rij betreffende Titel 4.2: Energie-innovatie, Artikel 4.2.113, Studies voor duurzame industrie (STUDI), Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie, worden drie rijen ingevoegd, luidende:
|
Programmalijn 1: CO2-reducerende maatregelen anders dan waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen |
18-05-2026 t/m 31-03-2026 |
€ 28.300.000 |
|||
|
Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie |
18-05-2026 t/m 31-03-2026 |
€ 10.000.000 |
|||
|
Programmalijn 3: Vergassing van reststromen |
18-05-2026 t/m 31-03-2026 |
€ 7.500.000 |
C
Onder de rij betreffende Titel 4.6: Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie, Artikel 4.6.2, wordt een rij ingevoegd, luidende:
|
07-05-2026 t/m 28-01-2027 |
€ 123.200.000 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 april 2026
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Het algemene doel van de subsidiemodule Studies voor duurzame industrie (STUDI) is het ondersteunen van studies naar de haalbaarheid van pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in industriële processen binnen tien jaar na de afloop van de studie in de industrie in Nederland.
Met behulp van een haalbaarheidsstudie, milieustudie of vergelijkbare studie kan worden besloten om te starten met een pilotproject, demonstratieproject of een project met betrekking tot uitontwikkelde technologie of verder te gaan naar de volgende fase van detailed engineering en constructie in voorbereiding op een dergelijk project.
|
Te onderzoeken project |
||||
|
Pilotproject |
Demonstratieproject |
Project met uitontwikkelde technologie |
||
|
Type studie |
Haalbaarheidsstudie (art. 25 AGVV) |
X |
||
|
Milieustudie (art. 49 AGVV) |
X |
X |
||
|
Vergelijkbare studie (de-minimis) |
X |
X |
||
De studies binnen deze programmalijnen bestaan in hoofdzaak uit bureaustudie, zoals literatuuronderzoek, marktverkenning, concurrentieanalyse, juridisch haalbaarheidsonderzoek, pre-engineering en onderdelen van Front End Engineering Design (FEED).
Onder de CO2-reductiedoelstelling van deze subsidiemodule valt ook:
• het vermijden van toekomstige CO2-emissie als gevolg van een investering in nieuw te realiseren fabrieken met activiteiten die nieuw zijn in Nederland, ten opzichte van de CO2-emissie die het gevolg zou zijn van een gangbare, minder duurzame referentie-investering. Daarbij dient de opgevoerde referentie-investering te voldoen aan de minimale milieustandaarden die in Nederland gelden;
• het afvangen van atmosferische of biogene CO2 om vervolgens in te zetten in de glastuinbouw, de productie van synthetische brandstoffen of de permanente of langdurige vastlegging van die CO2;
• het produceren van:
○ groen gas door middel van vergassing van reststromen;
○ duurzame transportbrandstoffen;
• het produceren en importeren van hernieuwbare waterstof(dragers) voor de industrie en mobiliteit.
Onder de reikwijdte van de doelstelling vallen geen studies voor pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die investeringen betreffen in milieubescherming als bedoeld in artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening of energie-efficiëntiemaatregelen anders dan in gebouwen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die tevens betrekking hebben op uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten die van fossiele brandstoffen gebruikmaken, met inbegrip van die welke van aardgas gebruikmaken.
Studies voor projecten die de installatie van uitbreidingen betreffen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, vallen wel binnen de doelstelling, mits die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.
Onder de industrie wordt verstaan het geheel van ondernemingen die materiële goederen produceren, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering. Dit betreft ondernemingen die activiteiten uitvoeren die worden genoemd in de Standaardbedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep B, C, D (alleen energiedistributie en productie van gas) of E.
In aanvulling op het algemene doel van deze module heeft Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie (GroenvermogenNL) specifiek het doel om haalbaarheidsstudies naar pilotprojecten en milieustudies en vergelijkbare studies naar demonstratieprojecten te ondersteunen die bijdragen aan de versnelde en veilige toepassing van waterstofproductie via elektrolyse, elektrochemie, transport en opslag (inclusief import) en eindtoepassingen van waterstof. Hiermee draagt de programmalijn bij aan het doel van het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’ (hierna: GroenvermogenNL).
Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die andere CO2-reducerende maatregelen in de industrie betreffen, dan maatregelen met betrekking tot waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen.
Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen:
• studies gericht op de geologische opslag van CO2 op land;
• studies gericht op CO2-afvang bij elektriciteitsproductie of elektriciteit- en warmteproductie uit fossiele brandstoffen met uitzondering van AVI’s of AEC’s.
Deze programmalijn geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma GroenvermogenNL. Studies met betrekking tot waterstof die in deze programmalijn passen, kunnen zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof geproduceerd uit hernieuwbare elektriciteit betreffen. Onder hernieuwbare waterstof wordt verstaan hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening: waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie overeenkomstig de methoden die zijn uiteengezet voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn 2018/2001/EU. Voor niet-hernieuwbare waterstof moet worden aangetoond dat gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligd wordt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ.
Programmalijn 2 bevat de volgende vier deelprogramma’s.
1. Transport en opslag van waterstof(dragers) inclusief conversiestap
Dit deelprogramma is gericht op grootschalige toepassingen van grootschalige energieopslag of conversie naar andere waterstofdragers of producten en de importketens van deze producten. Importfaciliteiten moeten voldoen aan de definitie van energie-infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 130, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 33, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
2. Toepassen van waterstof(dragers) en groene elektronen
Dit deelprogramma is gericht op diverse grootschalige toepassingen van hernieuwbare waterstof in sectoren waar weinig alternatieven voor verduurzaming zijn en op de toepassing van groene elektronen in elektrochemische reacties en plasmatechnologie en bestaat uit drie onderdelen:
a. direct gebruik van hernieuwbare waterstof(dragers) als brandstof voor de industrie (energetisch gebruik);
b. hernieuwbare waterstof(dragers) als grondstof voor de industrie. Dit omvat ook de productie van synthetische brandstoffen;
c. directe toepassing van groene elektronen in elektrochemische koolstof gebaseerde reacties en plasmatechnologie.
3. Productie van waterstof
Dit deelprogramma is gericht op de productie van hernieuwbare waterstof en innovaties die direct verbonden zijn aan de versnelde inpassing van installaties voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse (hierna: elektrolysers) op basis van hernieuwbare elektriciteit.
4. Productie van (onderdelen van) elektrolysers voor de productie van hernieuwbare waterstof
Dit deelprogramma is gericht op de realisatie van fabrieksomgevingen voor de productie van elektrolysers en onderdelen van elektrolysers.
Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie gericht op de vergassing van reststromen waarvan ten minste een deel van biogene oorsprong is. Onder reststromen van biogene oorsprong wordt verstaan biogene grondstoffen die voldoen aan bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie. Onder vergassing wordt verstaan het thermochemisch proces, waarbij grondstoffen op hoge druk of temperatuur met een ondermaat aan zuurstof worden gekraakt tot een mengsel van gassen. Dit gasmengsel kan vervolgens verder worden opgewaardeerd tot verschillende eindproducten, namelijk groen gas, methanol, (geavanceerde) transportbrandstoffen, of in de vorm van chemicaliën of syngas als grondstof voor de industrie.
De studies binnen deze programmalijn kunnen gericht zijn op vergassing van biogene reststromen voor de productie van hernieuwbare energiebronnen in de vorm van groen gas of biobrandstoffen. Daarnaast kunnen studies gericht zijn op vergassing van biogene reststromen of deels biogene, ook wel gemengde, reststromen, met als doel het eindproduct in te zetten als grondstof in het kader van een circulaire economie. Ook zijn studies mogelijk waarbij de vergassing van biogene of gemengde reststromen zowel wordt toegepast voor energiedoeleinden als voor gebruik als grondstof.
Studies kunnen betrekking hebben op de hele keten van vergassing, inclusief voorbehandeling, torrefactie, vergassing, reiniging en opwaardering.
Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen studies gericht op:
• projecten waarbij het nominaal thermisch ingangsvermogen van de beoogde productie-installatie op commerciële schaal minder dan 5 MW is;
• projecten waarbij minder dan 40% van de verwerkte grondstoffen, op basis van energetische waarde, van biogene oorsprong is;
• projecten waarin syngas direct wordt ingezet voor de productie van warmte of elektriciteit;
• projecten die primair de productie van waterstof betreffen;
• projecten die primair de productie van recycled carbon fuels of de productie van biochar betreffen.
Met primair wordt bedoeld dat op basis van de massabalans of op basis van energie-inhoud minimaal de helft van de voeding wordt ingezet voor één of meer van de bovenstaande toepassingen.
Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (hierna: RNES) en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 (hierna: ROES 2026) in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodules TSE Industrie studies en Versnelde Klimaatinvesteringen in de Industrie (VEKI) en niet-inhoudelijke wijzigingen binnen titel 4.2. De laatstgenoemde wijzigingen betreffen correcties in de algemene paragraaf van de titel, de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) en de subsidiemodule Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+). Deze wijzigingen zijn van ondergeschikte aard en worden enkel in de artikelsgewijze toelichting beschreven.
Met deze wijzigingsregeling is de naam van titel 4.2 van de RNES aangepast van Topsector energieprojecten naar Energie-innovatie. De oude naam verwees naar de Topsector energie. Door wijziging van het innovatiebeleid is de topsectoren structuur beëindigd1 en is deze naam niet meer toepasselijk. De titel is daarom aangepast naar Energie-innovatie, omdat de subsidiemodules binnen titel 4.2 allemaal betrekking hebben op innovatie binnen de energiesector. De nieuwe naam sluit daardoor beter aan bij de inhoudelijke focus van de subsidiemodules.
De subsidiemodule TSE Industrie studies, opgenomen in paragraaf 4.2.17 van de RNES, ondersteunt haalbaarheidsstudies, milieustudies en vergelijkbare studies naar potentiële pilot- en demonstratieprojecten en naar investeringen in uitontwikkelde technologie. De voormelde drie typen studies helpen de aanvrager te besluiten over het wel of niet starten van en investeren in een mogelijk pilot- of demonstratieproject of een project met uitontwikkelde technologie, dat bijdraagt aan de doelen uit het Klimaatakkoord. Hiermee wordt bijgedragen aan de intensieve voorbereiding die dergelijke projecten vergen in de industrie.
De naam van de subsidiemodule is gewijzigd in Studies voor duurzame industrie, afgekort als STUDI. De afkorting TSE in de oude naam TSE Industrie studies stond voor Topsector Energie en is wegens bovengenoemde redenen aangepast.
Deze subsidiemodule is onderverdeeld in programmalijnen, die opgenomen zijn in de bijbehorende bijlage. Programmalijn 1 betreft alle CO2-reducerende maatregelen anders dan waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen. Deze programmalijn wordt per 18 mei 2026 opengesteld, waarbij het subsidieplafond is vastgesteld op € 28.300.000.
Programmalijn 2 betreft studies op het gebied van waterstof en groene chemie. Dit is een aparte programmalijn in de subsidiemodule, omdat deze voortkomt uit het Nationaal Groeifondsprogramma GroenvermogenNL. Deze programmalijn wordt per 18 mei 2026 opengesteld. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 10.000.000.
Daarnaast is er met deze wijzigingsregeling een programmalijn toegevoegd: programmalijn 3 over vergassing van reststromen. Onder vergassing wordt verstaan het thermochemisch proces, waarbij grondstoffen op hoge druk of temperatuur met een ondermaat aan zuurstof worden gekraakt tot een mengsel van gassen. Vergassing is een belangrijke route voor de productie van groen gas, voor biobrandstoffen of als grondstof voor de circulaire economie. Vergassing kan een belangrijke bijdrage leveren aan de beleidsdoelstelling voor de bijmengverplichting voor groen gas. Programmalijn 3 wordt met een apart subsidieplafond opengesteld. De reden hiervoor is dat deze programmalijn gefinancierd wordt uit het Klimaatfonds en gericht is op het opschalen van vergassingstechnologie. Deze programmalijn heeft betrekking op vergassing van biogene of deels biogene (ook wel gemengde) reststromen voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, de productie van biobased of circulaire grondstoffen voor de industrie of een combinatie van productie voor energie of grondstoffen. De regels voor de programmalijn sluiten aan bij de regels in de DEI+. Programmalijn 3 wordt per 18 mei 2026 opengesteld. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 7.500.000. De openstellingsdata en subsidieplafonds zijn door middel van deze wijzigingsregeling vastgelegd in de ROES 2026.
Voor milieustudies en haalbaarheidsstudies binnen programmalijn 3 is een maximumbedrag van € 3.000.000 vastgesteld per studie. De reden hiervoor is dat het openstellingsbudget voor deze programmalijn beperkt is. Door een lager maximumbedrag per studie te hanteren, kunnen meer projecten gesteund worden.
Daarnaast is een afzonderlijk maximumbedrag uit de algemene de-minimisverordening opgenomen voor milieustudies en haalbaarheidsstudies. Hiermee is de mogelijkheid gecreëerd om steun te verlenen aan ondernemingen in moeilijkheden (hierna: OIM), zoals gedefinieerd in de algemene groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV). Hiervoor geldt dat de totale steun voor deze ondernemingen maximaal € 300.000 per OIM mag bedragen over een periode van drie jaar. Voorheen was de steun voor milieustudies en haalbaarheidsstudies uitsluitend gebaseerd op de AGVV, waardoor OIM niet in aanmerking kwamen. Voor een nadere inhoudelijke toelichting van deze wijziging wordt verwezen naar de Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025, nr. WJZ/101744474, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met de wijziging van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+ en HEP (Stcrt. 2025, 43110).
Voor OIM die subsidie aanvragen op grond van de algemene de-minimisverordening, blijven dezelfde voorwaarden van kracht. Deze maatregel is relevant voor de STUDI, aangezien er regelmatig kleine studies worden uitgevoerd door innovatieve bedrijven die als OIM kwalificeren. In de fase van haalbaarheidsonderzoeken is financiering voor bedrijven en projecten vaak nog niet rond. Als de financiering nog niet rond is, kwalificeert een bedrijf snel als een OIM zoals gedefinieerd in de AGVV. Om toch de ruimte te bieden om projecten goed voor te bereiden met een studie, kan er nu via de de-minimisverordening voor die bedrijven alsnog belangrijke steun verleend worden.
Tot slot is een maximumbedrag van € 4.000.000 vastgesteld voor het totale subsidiebedrag dat binnen één openstellingsperiode kan worden verstrekt voor verschillende (fases of onderdelen van) studies voor hetzelfde eindproject (lees: pilotproject, demonstratieproject dan wel project naar uitontwikkelde technologie). Doordat eindprojecten steeds groter worden, werd in de uitvoering geconstateerd dat de voorbereiding van de eindprojecten werd opgeknipt in tijd (bijvoorbeeld Pre-FEED en FEED) of dat de voorbereiding werd opgeknipt in procesonderdelen van het eindproject (bijvoorbeeld voorbewerking grondstof, chemische verwerking, nabewerking en zuivering product). Dit komt vooral voor bij milieustudies naar grote demonstratieprojecten of projecten voor uitontwikkelde technologie. Het opdelen in verschillende tijdsfasen wordt niet als onwenselijk gezien, omdat dit een gebruikelijke wijze is van het opknippen van de voorbereiding van een project in de tijd en er na elke fase een beslissing wordt genomen om wel of niet door te gaan met de voorbereiding van het eindproject en uiteindelijk het eindproject zelf. Een volgende fase kan dan pas starten nadat de voorgaande is afgerond. Het splitsen van een studie, zoals een FEED studie, in afzonderlijke procesonderdelen wordt daarentegen wel onwenselijk geacht, omdat het opknippen in onderdelen niet nodig is om de studie uit te voeren en het opknippen ook niet leidt tot een beslissing over de volgende fase per onderdeel. Voor dat besluit zijn alle procesonderdelen nodig. Door het aanvragen van verschillende afzonderlijke subsidies voor studies per procesonderdeel van hetzelfde eindproject, zou voor al die studies afzonderlijk € 4.000.000 kunnen worden ontvangen. De maximale steun van € 4.000.000 voor een studie wordt echter als voldoende geacht voor het uitvoeren van een studie waarin de voorbereiding voor alle procesonderdelen van het eindproject worden meegenomen. Door een maximum voor studies voor hetzelfde eindproject per openstellingsperiode te stellen, wordt het opknippen van een studie in procesonderdelen ontmoedigd en doelmatige besteding van het beschikbare budget voor deze studies gewaarborgd.
Het is niet mogelijk dit maximumbedrag uitsluitend te laten gelden voor studies die betrekking hebben op verschillende procesonderdelen, die tezamen één eindproject vormen, en dat het tegelijkertijd nog steeds mogelijk blijft het project in tijdsfases op te knippen. Dit komt omdat verschillende procesonderdelen kunnen overlappen met verschillende tijdsfases en het onderscheid niet eenduidig te maken is. Met deze wijziging worden daarom eveneens studies naar verschillende tijdsfases van hetzelfde eindproject per openstelling gemaximeerd. De nadelige gevolgen voor studies per tijdsfase worden ingeschat als laag, omdat studies die dermate hoge kosten hebben dat ze in de buurt komen bij de grens van € 4.000.000, vaak minimaal een projectduur hebben van een jaar. De maximering per openstelling heeft hier dan geen nadelige gevolgen voor, gezien de openstelling vaak minder lang is dan één jaar. Na afronding van de studie kan in een nieuwe openstelling een nieuwe aanvraag voor de volgende fase worden gedaan. Voor programmalijn 3 (vergassing van reststromen) wordt met dezelfde argumentatie een grens van € 3.000.000 voor verschillende studies voor hetzelfde eindproject per openstellingsperiode gehanteerd in lijn met het maximale bedrag per studie voor deze programmalijn.
Verder is de subsidiabiliteit van kosten van een onderneming die met de aanvrager in een groep verbonden is, met deze wijzigingsregeling gemaximeerd. Kosten van verbonden ondernemingen waren al volledig uitgesloten bij milieustudies en vergelijkbare studies naar een project met uitontwikkelde technologie. Dat blijft onverminderd van kracht. Binnen de STUDI kwam het regelmatig voor dat met de aanvrager verbonden ondernemingen activiteiten uitvoeren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de studie. De kosten die daarbij werden opgevoerd bevatten vaak zeer hoge uurtarieven. Voor kosten door de aanvrager zelf geldt een vast uurtarief. Dat tarief geldt echter niet voor kosten gemaakt door anderen dan de aanvrager. Die tarieven moeten wel marktconform zijn. De subsidieaanvrager kon relatief eenvoudig stellen dat de tarieven van verbonden ondernemingen marktconform zijn, waardoor ze binnen de voorgeschreven kostensystematiek van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: Kaderbesluit) pasten. Binnen de STUDI worden projecten voorbereid die relevant zijn voor de volledige ondernemingsgroep en niet uitsluitend voor de aanvrager zelf. Er wordt door verbonden ondernemingen eveneens kennis opgedaan die relevant is voor de uitvoering van het uiteindelijke project. Bovendien zijn zij via de groep ook betrokken en hebben zij baat bij de uitvoering van het uiteindelijke project. De uitgangspositie van de verbonden onderneming lijkt daarmee dus sterk op die van de subsidieaanvrager waardoor het redelijk is dat zij (gedeeltelijk) aan dezelfde subsidieregels gebonden worden. Dit geldt niet voor een andere partij die niet met de aanvrager verbonden is. Bijvoorbeeld wanneer een consultancy dienst wordt ingehuurd, heeft deze na het leveren van de dienst geen belang bij de opgebouwde kennis en de uitvoering van het vervolgtraject. Deze partij is na het leveren van de dienst niet meer betrokken bij het vervolgtraject.
Met deze wijzigingsregeling is subsidie voor kosten van verbonden ondernemingen daarom beperkt. De subsidie ten aanzien van kosten van verbonden ondernemingen met een vaste inrichting in Nederland kan maximaal € 25.000 bedragen. Wanneer men voor hoger dan dit bedrag subsidie wil krijgen voor de kosten van verbonden ondernemingen, kan dit alleen als de betreffende verbonden onderneming als deelnemer in het samenwerkingsverband van de andere onderneming de subsidie aanvraagt. Als subsidieaanvrager, en bij verlening later als subsidieontvanger, wordt deze verbonden onderneming gebonden aan alle bijbehorende verplichtingen en regels uit het Kaderbesluit en de subsidiemodule, waaronder de voorschriften voor berekeningsmethoden en uurtarieven. Deze beperking geldt niet voor kosten van verbonden ondernemingen zonder een vaste inrichting in Nederland, omdat zij niet kunnen deelnemen aan de subsidieaanvraag. Voor subsidiabele kosten die door deze groep ondernemingen zijn gemaakt, zou het dus niet mogelijk zijn om kosten boven € 25.000 voor subsidie in aanmerking te laten komen. Dat wordt niet als proportioneel beschouwd.
Er is gekozen voor de mogelijkheid van een vast maximaal bedrag, om te voorkomen dat deze verbonden ondernemingen bij relatief lage inzet en dus lage bedragen belast worden met hoge administratieve lasten die samenhangen met het indienen van een aanvraag en het ontvangen van subsidie als deelnemer in het samenwerkingsverband. Daarnaast past het bedrag bij de uitgangspunten van het Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS) en Uniform Subsidiekader (USK) waarbinnen bij subsidie tot een bedrag van € 25.000 een principe wordt gehanteerd met een lichte inhoudelijke beoordeling en een minder strenge verantwoording. Boven de grens van € 25.000 aan subsidie wordt het effect van de hoge uurlonen op de totale subsidie als te groot gezien en daarom is dit maximum ingesteld.
Als alternatief is overwogen om ondernemingen die met de subsidieaanvrager in een groep zijn verbonden, te onderwerpen aan de standaard berekenmethodes uit het Kaderbesluit en het vaste uurtarief dat binnen de STUDI geldt. Deze oplossing is in de praktijk echter niet goed uitvoerbaar, omdat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) beperkte controlemogelijkheden heeft op activiteiten uitgevoerd en kosten gemaakt door verbonden ondernemingen, die geen medeaanvrager zijn. Met het onderwerpen aan de standaard berekenmethodes zou de evenredigheid van het aantal opgevoerde uren in relatie tot de uitgevoerde werkzaamheden niet gecontroleerd kunnen worden, waardoor alsnog hogere kosten in rekening zouden kunnen worden gebracht dan noodzakelijk voor de uit te voeren dienst. Deze oplossing zou daarom niet tot het beoogde effect om de kosten van verbonden ondernemingen te beperken als deze niet mede aanvrager en ontvanger van de subsidie zijn, hebben geleid.
Voor de overige wijzigingen van de module en bijlage wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
De VEKI heeft als doel investeringen in CO2-reducerende maatregelen in de industrie die nog niet rendabel zijn binnen een terugverdientijd van vijf jaar te versnellen. Een project moet betrekking hebben op investeringen in materiële en immateriële activa die bijdragen aan de reductieopgaven in de industrie en eventueel daarnaast aan energiebesparing en het verlagen van de energiekosten van bedrijven. Innovatieve projecten worden ondersteund via de subsidiemodule DEI+ (paragraaf 4.2.10 van de RNES). Zodra is aangetoond dat een innovatie werkt, vormen de hoge uitrolkosten vaak echter nog een belemmering. De VEKI richt zich daarom specifiek op investeringen in bewezen technologieën die, eenmaal gerealiseerd, leiden tot CO2-reductie. De VEKI sluit aan op de vervolgfase: zij ondersteunt juist die investeringen die hun waarde al in de industrie hebben bewezen. De VEKI is gericht op een brede doelgroep van het midden- en kleinbedrijf (MKB) tot grootbedrijf en alle bedrijfstakken in de industrie.
De openstellingsperiode waarbinnen projecten aanvragen kunnen indienen, loopt van 7 mei 2026 tot en met 28 januari 2027. Het bijbehorende subsidieplafond is vastgesteld op € 123.200.000. De openstellingsperiode en het subsidieplafond zijn vastgelegd in de ROES 2026.
De VEKI wordt opengesteld zonder inhoudelijke wijzigingen.
Subsidie die wordt verleend op grond van de subsidiemodule STUDI, bevat staatssteun die wordt gerechtvaardigd door:
• indien het een milieustudie betreft: artikel 49 van de AGVV en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de AGVV, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening;
• indien het een haalbaarheidsstudie betreft: artikel 25 van de AGVV en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de AGVV, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening;
• de subsidie voor een vergelijkbare studie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.
De subsidie die op grond van subsidiemodule VEKI wordt verstrekt, wordt gerechtvaardigd door de artikelen 36, 38, 39, en 41, van de AGVV. De gestelde eisen in titel 4.6 en bijlagen 4.6.1 en 4.6.2 van de RNES alsook de algemene eisen uit het Kaderbesluit zorgen ervoor dat de subsidie verleend wordt in overeenstemming met de eisen uit voormelde artikelen uit de AGVV en de eisen met betrekking tot transparantie, stimulerend effect en cumulatie. Ook blijft voormelde subsidiemodule binnen de daarvoor geldende drempels voor aanmelding van de steun en maximum steunintensiteiten.
De voorgenoemde subsidiemodules en de wijzigingen en nieuwe openstelling hiervan zijn verenigbaar met de maximale steunpercentages en voorwaarden van de voormelde artikelen uit de AGVV en de algemene de-minimisverordening.
De inhoudelijke aanpassingen en openstelling van de subsidiemodule STUDI hebben beperkte effecten op de regeldruk. De module wordt uitgebreid met een derde programmalijn over vergassing van reststromen. De regeldruk voor deze programmalijn is gelijk aan de andere programmalijnen.
De enige wijziging die gevolgen heeft voor de regeldruk, betreft de maximering van subsidie van ondernemingen die met de aanvrager verbonden zijn in een groep tot een bedrag van € 25.000. Wanneer de subsidieaanvrager meer dan € 25.000 subsidie wil kunnen krijgen voor werkzaamheden van deze verbonden ondernemingen, kan dat alleen als de betreffende verbonden als deelnemer in het samenwerkingsverband de subsidie aanvraagt. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van deze toelichting.
De extra lastendruk bestaat uit alle verplichtingen die gekoppeld zijn aan het aanvragen en ontvangen van een subsidie. Deze extra lastendruk zal gelden voor een zeer beperkt aantal aanvragers, naar schatting ongeveer 3–5%. De lastendruk voor deze aanvragers wordt als proportioneel beschouwd ten opzichte van de grootte van de subsidieaanvraag. Het gaat hierbij met name om grote ondernemingen met meerdere bedrijven in een groep waarbij de verbonden onderneming subsidie aanvraagt boven een bedrag van € 25.000.
Ten aanzien van de administratieve lasten voor een STUDI worden de totale kosten voor een aanvrager geschat op een bedrag van € 10.180. De STUDI heeft in 2026 een totaalbudget van € 45.800.000. Het aantal verwachte aanvragen is 141 waarvan 68 aanvragen naar verwachting goedgekeurd zullen worden. Het aantal aanvragen dat zal worden afgewezen wordt geschat op 73 en zal alleen aan de orde zijn als een aanvraag buiten de voorwaarden van de module valt of wanneer het budgetplafond is bereikt. De totale administratieve lasten van de module voor alle aanvragers gezamenlijk komen hiermee op € 864.540. De totale regeldruk bedraagt 1,9% van het openstellingsbudget.
De administratieve lasten voor de VEKI zijn niet gewijzigd.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het – met uitzondering van de extra lastendruk dat volgt uit alle verplichtingen gekoppeld aan het aanvragen en ontvangen van een subsidie en eenmalige kennisnemingskosten – geen grote gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze wijzigingsregeling treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en wijkt daarmee af van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en minimaal twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd om de volgende redenen.
In het algemeen wordt opgemerkt dat regels voor subsidiemodules feitelijk pas effect hebben als de subsidiemodule is of wordt opengesteld, omdat vanaf dat moment aanvragen kunnen worden ingediend en behandeld. Enkel de inwerkingtreding van een regeling heeft dus nog geen effect als de module nog niet is opengesteld. Daarom is vooral de tijd tussen publicatie en openstelling relevant, omdat potentiële aanvragers in die tijd kennis kunnen nemen van de regeling en hun aanvraag kunnen voorbereiden, en RVO de openstelling en behandeling van aanvragen kan voorbereiden. Het moment van openstelling ten opzichte van het moment van publicatie wordt daarom beschouwd voor de rechtvaardiging van de afwijking van de vaste verandermomenten.
De subsidiemodules STUDI en VEKI worden opengesteld op respectievelijk 18 en 7 mei 2026. Dat betekent dat de periode tussen publicatie en openstelling korter is dan twee maanden. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep van deze subsidiemodules erbij gebaat is dat de modules na sluiting van de vorige ronde (31 maart 2026 respectievelijk 2 februari 2026) weer snel worden opengesteld. De vorige openstellingen van beide modules zijn overtekend. Aanvragers die om die reden zijn afgewezen, kunnen door de modules zo snel mogelijk weer open te stellen, snel een nieuwe aanvraag indienen om niet te veel tijd te verliezen met hun project. Daarom wordt evenmin aangesloten bij het eerstvolgende vaste verandermoment, omdat dat pas 1 juli zou zijn. De tijd tussen publicatie en openstelling is kort, maar is niet benadelend voor de doelgroep. Voor de VEKI zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd, waardoor potentiële aanvragers al voldoende op de hoogte zijn van de subsidievoorwaarden. Voor de STUDI zijn er enkele inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd die voor enkele aanvragers van betekenis kunnen zijn en tot extra handelingen kunnen leiden. Dit hoeft echter niet te leiden tot vertraging van de voorbereiding van de aanvraag. De basis van de module blijft gelijk en is bekend bij de doelgroep. Vanuit de afgelopen openstellingen is duidelijk geworden dat de regeling ook pas uitgeput wordt richting het eind van de openstellingsperiode. Een korte tijd tussen publicatie en openstelling zorgt daarmee niet voor nadelige effecten voor aanvragers.
In artikel 4.2.1a is bepaald dat een aanvraag om subsidie op grond van titel 4.2 van de RNES wordt afgewezen als de aanvrager van plan is om het eigen aandeel in de projectkosten te betalen met de overwaarde van het uurtarief. Daarin werd verwezen naar het uurtarief van € 60 zoals bepaald in artikel 4.1.3, dat in beginsel geldt voor heel hoofdstuk 4 van de RNES. In de Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025, nr. WJZ/101744474, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN en KGG-subsidies in verband met de wijziging van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+ en HEP (Stcrt. 2025, 43110)2 is een afwijkend standaarduurtarief van € 80 voor titel 4.2 van de RNES opgenomen in artikel 4.2.6.3 Per abuis was de verwijzing in artikel 4.2.1a in die eerdere regeling niet aangepast naar het voor titel 4.2 geldende uurtarief.
In artikel 4.2.64 zijn de begripsbepalingen voor de DEI+-module opgenomen. Met de wijziging in dit onderdeel is de begripsomschrijving van het begrip CO2-equivalent aangepast op een eerdere wijziging van de bijlage 4.2.9, onderdeel A.4 Onderdeel A van bijlage 4.2.9 bevat de factoren CO2-equivalentie en is eerder ingekort, omdat er binnen de DEI+-module in de afgelopen jaren geen gebruik is gemaakt van de CO2-equivalenten voor reductie van HFK’s, PFK’s en SF6. Om de bijlage overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de genoemde CO2-equivalenten niet meer standaard op te nemen. In de formulering van de definitie van het begrip is wel ruimte gelaten voor projecten met een broeikasgaseffect anders dan CO2, CH4 en N2O, zoals HFK’s, PFK’s en SF6. Aanvragers kunnen in de CO2-berekening een waarde voor het CO2-equivalent van die andere broeikasgassen opnemen en onderbouwen op basis van literatuurwaarden.
Met onderdeel F is artikel 4.2.114 aangepast. Deze bepaling regelt de steunintensiteit van de STUDI. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van deze toelichting. In het vierde lid is een maximumbedrag van € 3.000.000 toegevoegd voor milieustudies en haalbaarheidsstudies die passen binnen programmalijn 3 (vergassing van reststromen), opgenomen in bijlage 4.2.16. Voor milieustudies en haalbaarheidsstudies die passen binnen programmalijnen 1 en 2 blijft het oude plafond van € 4.000.000 onverkort van toepassing.
De onderdelen F, I en J omvatten de uitwerking van de toevoeging van de AGVV als grondslag voor de rechtvaardiging van steun ten behoeve aan OIM voor milieustudies en haalbaarheidsstudies. Voor de inhoudelijke toelichting waarom steun voor een OIM via de algemene de-minimisverordening wenselijk is, wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van deze toelichting. In het nieuwe vijfde lid is het maximumbedrag vastgelegd dat OIM kunnen aanvragen voor milieustudies en haalbaarheidsstudies. Dat betreft € 300.000 per OIM over een periode van drie jaar. Hierbij wordt uitgegaan van het begrip OIM zoals gedefinieerd in artikel 2, onder 18, van de AGVV. Dit plafond geldt voor milieustudies en haalbaarheidsstudies, ongeacht binnen welke programmalijn de studie valt. Aangezien steun voor vergelijkbare studies reeds op grond van de algemene de-minimisverordening werd gebaseerd, waardoor OIM al subsidie kunnen ontvangen voor deze subsidiabele activiteit, en al een maximum van € 300.000 gold, is het plafond in het nieuwe vijfde lid uitsluitend van toepassing op milieustudies en haalbaarheidsstudies.
OIM zijn verplicht een verklaring de-minimis in te dienen bij de subsidieaanvraag. Deze verplichting is daarom toegevoegd aan artikel 4.2.117a. Voor de verhouding tussen deze verplichting en de OIM-verklaring in artikel 4.2.3 wordt verwezen naar de Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025, nr. WJZ/101744474, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met de wijziging van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+ en HEP (Stcrt. 2025, 43110).5 De algemene de-minimisverordening is als grondslag voor milieustudies en haalbaarheidsstudies opgenomen in de bijbehorende staatssteunbepaling in artikel 4.2.119.
Aan artikel 4.2.114 is daarnaast een zesde lid toegevoegd waarin maximumbedragen op het niveau van hetzelfde eindproject zijn vastgelegd. Het eindproject is een pilotproject, een demonstratieproject dan wel een project met uitontwikkelde technologie. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van deze toelichting. Deze beperkingen zijn in aanvulling op de maximumbedragen in het vierde en nieuwe vijfde lid en geldt voor alle studies voor duurzame industrie. Concreet betekent dit dat wanneer binnen één openstellingsperiode voor meerdere studies die betrekking hebben op hetzelfde eindproject subsidie wordt aangevraagd, de te verstrekken subsidies gezamenlijk niet meer dan € 4.000.000 kunnen bedragen. Specifiek voor studies die binnen programmalijn 3 in bijlage 4.2.19 passen, geldt een maximumbedrag van € 3.000.000 per openstellingsperiode.
Verder is aan artikel 4.2.114 een zevende lid toegevoegd. Hierin is bepaald dat de subsidie voor kosten van een onderneming die met de aanvrager verbonden is in een groep, zoals gedefinieerd in het Kaderbesluit, en die beschikt over een vaste inrichting in Nederland, maximaal € 25.000 bedraagt. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van deze toelichting. Dat betekent dat, wanneer deze kosten dit bedrag overschrijven, de subsidieaanvrager voor deze specifieke kosten maximaal € 25.000 subsidie kan ontvangen. Dit geldt zowel bij milieustudies, haalbaarheidsstudies als bij vergelijkbare studies.
In artikel 4.2.114a, vierde lid, waren groepsinterne kosten voor milieustudies en vergelijkbare studies naar een project met uitontwikkelde technologie al uitgesloten, omdat dit bij dit type projecten geen stimulerend effect heeft.6 Daarbij wordt geen drempelbedrag genoemd. Het nieuwe zevende lid in artikel 4.2.114 verandert hier niets aan; de absolute uitsluiting in artikel 4.2.114a, vierde lid, blijft onverkort van kracht voor de genoemde studies naar projecten met uitontwikkelde technologie. Omdat het vierde lid bepaalt dat kosten daar alleen subsidiabel zijn als ze aan een derde buiten de groep verschuldigd zijn, komen groepsinterne kosten voor dat type projecten nog steeds niet voor subsidie in aanmerking, ook als het bedrag lager is dan € 25.000. Voor alle andere studies voor duurzame industrie geldt op grond van het nieuwe zevende lid in artikel 4.2.114 dat kosten van ondernemingen die met de aanvrager binnen een groep zijn verbonden tot maximaal € 25.000 in aanmerking komen voor subsidie.
Met de wijziging in onderdeel G is bovendien de bewoording in artikel 4.2.114a, vierde lid, aangepast aan die van het nieuwe artikel 4.2.114, zevende lid. Daarbij is het begrip ‘derde’ vervallen, omdat dit begrip op verschillende manieren uit te leggen is. Hoewel dit in de bijbehorende toelichting werd uitgelegd,7 is in het vierde lid daarom gespecificeerd dat het gaat om kosten van een onderneming die niet verbonden is met de aanvrager.
In de informatieverplichtingen van artikel 4.6.9 is verduidelijkt dat het beslisschema dat hoort bij de verklaring dat de aanvrager geen OIM is, dat aanvragers moeten invullen en indienen, door de minister beschikbaar wordt gesteld. Dit is in lijn met de vergelijkbare bepaling die geldt voor de modules EKOO, Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) en Horizon Europe Partnership (HEP).
Met de wijzigingen in deze onderdelen zijn spelfouten in de bijlagetekst van de EKOO gecorrigeerd en redactionele correcties doorgevoerd in de bijlagetekst van de DEI+. In innovatiethema 2.9.4 binnen de DEI+-bijlage is het begrip randvoorwaardelijke innovaties vervangen. De reden hiervoor is dat dit begrip een andere betekenis heeft dan in innovatiethema 2.7 van de DEI+, waar dat begrip inhoudelijk nader wordt beschreven en waarnaar ook wordt verwezen in de artikelen van de DEI+-module. Binnen innovatiethema 2.9.4 worden innovaties bedoeld die samenhangen met de toepassing van elektrolysers. Om verwarring te voorkomen, is dit begrip vervangen.
Met dit onderdeel is bijlage 4.2.16 van de STUDI gewijzigd ten behoeve van de openstelling in 2026. Daarbij is de doelstelling van de STUDI aangepast op een aantal aspecten. Er is expliciet ruimte gemaakt voor de productie van groen gas, duurzame transportbrandstoffen en de import en productie van waterstof en waterstofdragers, ongeacht de toepassing van de duurzame moleculen. De noodzakelijke industriële CO2-reductie wordt behaald door de productie af te zetten tegen fossiele productie, in het geval dat de duurzame moleculen niet direct in de industrie worden ingezet voor verduurzaming. Daarnaast is de doelstelling op het vlak van CO2-afvang en koolstofverwijdering verruimd om ook expliciet ruimte te maken voor projecten waarbij de afgevangen CO2 gebruikt wordt voor de productie van synthetische brandstoffen of ingezet wordt in de glastuinbouw. Daarnaast is een beschrijving van het type activiteiten toegevoegd die onder een studie vallen om dit te verduidelijken richting aanvragers. In de bijlage is verder verduidelijkt dat studies voor duurzame industrie in hoofdzaak moeten bestaan uit bureaustudie (deskresearch). Dit houdt verband met de afwijzingsgrond in artikel 4.2.117, onderdeel h, waarin is bepaald dat een aanvraag wordt afgewezen als de subsidiabele kosten voor meer dan 50% uit testwerkzaamheden bestaan.
Er is een programmalijn toegevoegd aan de bijlagetekst: programmalijn 3 over vergassing van reststromen. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van deze toelichting. Deze derde programmalijn sluit aan bij de beschrijving die bij de DEI+ in innovatiethema 2.10 wordt gebruikt. Binnen deze programmalijn in de STUDI mogen studies gericht zijn op het potentieel van zowel demonstratieprojecten, pilotprojecten als projecten met uitontwikkelde technologie. Daarmee is de derde programmalijn in overeenstemming met de andere programmalijnen binnen de STUDI. Daarnaast geldt dat studies gericht op projecten die in programmalijn 3 zijn uitgesloten, eveneens zijn uitgesloten onder programmalijn 1.
Tot slot is er een aantal tekstuele verduidelijkingen doorgevoerd en is de reikwijdte op bepaalde onderdelen aangescherpt.
Met de wijziging in artikel II, onderdeel A, zijn er correcties doorgevoerd in de rij betreffende Titel 4.2. De benaming van titel 4.2 en paragraaf 4.2.17 van de RNES zijn aangepast in overeenstemming met de wijzigingen in artikel I van deze wijzigingsregeling. Daarnaast is de benaming van innovatiethema 2.7 gecorrigeerd, aangezien deze in een eerdere wijzigingsregeling (Stcrt. 2025, 43110) is gewijzigd. Daarnaast is de sluitingsdatum van dit innovatiethema gecorrigeerd. Per abuis stond daarin een kortere openstellingsperiode vermeld. Alle partijen die tot op heden hebben gerekend met de kortere openstellingsperiode kunnen ofwel kiezen om eerder in te dienen of indien nodig de extra ruimte gebruiken om hun aanvraag beter voor te bereiden. Aanvragers ondervinden dus geen nadeel door de verlenging van de openstellingstermijn. Over het langer openstellen van dit thema zal RVO communiceren via de reguliere communicatiekanalen.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025, nr. WJZ/101744474, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met de wijziging van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+ en HEP (Stcrt. 2025, 43110), paragraaf 2.5 van de toelichting.
Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 23 februari 2024, nr WJZ/ 45570775, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2024 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+, TSE Industrie studies en HEP en enkele technische wijzigingen van andere subsidiemodules (Stcrt. 2024, 6013), artikel I, onderdeel S.
Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 23 februari 2024, nr WJZ/ 45570775, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2024 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+, TSE Industrie studies en HEP en enkele technische wijzigingen van andere subsidiemodules (Stcrt. 2024, 6013), artikel I, onderdeel S.
Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025, nr. WJZ/101744474, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met de wijziging van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+ en HEP (Stcrt. 2025, 43110), paragraaf 2.5 van de toelichting.
Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 23 februari 2024, nr WJZ/ 45570775, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2024 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+, TSE Industrie studies en HEP en enkele technische wijzigingen van andere subsidiemodules (Stcrt. 2024, 6013), artikel I, onderdeel S.
Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 23 februari 2024, nr WJZ/ 45570775, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2024 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodules EKOO, MOOI, DEI+, TSE Industrie studies en HEP en enkele technische wijzigingen van andere subsidiemodules (Stcrt. 2024, 6013), artikel I, onderdeel S.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-15135.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.