Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 13680 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 13680 | advies Raad van State |
Nr. WJZ/62261022 (ID 27028)
Den Haag, 31 maart 2026
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 juli 2025, nr. 2025001657, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 24 september 2025, nr. W05.25.00188/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2025, no.2025001657, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van wet houdende wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestuurd, met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel voorziet in een tweede (aanvullende) financiële tegemoetkoming voor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd, omdat de regering de eerder door de wetgever vastgestelde tegemoetkoming te laag vindt. Daarnaast wordt een grondslag gecreëerd om een beperkt aantal nieuwe groepen studenten alsnog in aanmerking te laten komen voor de eerdere tegemoetkoming en in vervolg daarop ook voor de tweede tegemoetkoming.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat zwaarwegende redenen moeten bestaan voor het voorzien in een juridisch onverplichte tegemoetkoming. Gelet hierop is de inhoudelijke motivering voor het verstrekken van een aanvullende financiële tegemoetkoming niet toereikend.
Daarnaast wijst zij op het bezwaar dat een aanvullende tegemoetkoming afbreuk doet aan het doel en de betekenis van de eerdere tegemoetkoming. Voorkomen moet worden dat zowel die eerdere als de aanvullende onverplichte betaling worden opgevat als compensatie of louter een financiële meevaller, waarover blijvend onderhandeld kan worden, in plaats van als een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijke kwestie wordt afgesloten.
In verband met deze opmerkingen dient het voorstel nader te worden overwogen.
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgever besloten om als gebaar te voorzien in een financiële tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en binnen de diplomatermijn zijn afgestudeerd. De wetgever vond het wrang voor deze studenten dat zij, anders dan de studenten voor en na hen, geen gebruik hebben kunnen maken van de basisbeurs.
De tegemoetkoming waarin toen is voorzien, bedraagt € 34,17 per maand, wat voor een studie van vier jaar neerkomt op een bedrag van € 1640,16 (prijspeil 2025). Voor deze tegemoetkoming, waarvoor naar verwachting ruim 900.000 studenten in aanmerking komen, is in totaal € 1,15 miljard vrijgemaakt.
Dit wetsvoorstel voorziet in een aanvullende financiële tegemoetkoming voor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd. Deze komt volgens de toelichting voort uit de politieke wens om een extra financieel gebaar te maken. De enige motivering die hiervoor wordt gegeven, is dat de regering het bedrag van de eerdere tegemoetkoming te laag vindt.
Daarnaast voorziet het voorstel in een uitbreiding van de doelgroep. Het betreft (oud-)studenten die door bijzondere omstandigheden geen diploma hebben kunnen behalen of daardoor langer hebben gedaan over het behalen van een diploma. Deze nieuwe groepen (oud-)studenten komen in aanmerking voor zowel de eerste tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming.
De aanvullende tegemoetkoming bedraagt € 44,50 per maand, of € 2136,00 gerekend over vier jaar (prijspeil 2026). Voor de aanvullende tegemoetkoming is in totaal € 1,4 miljard beschikbaar. De hogere kosten zijn deels gelegen in de voorgestelde uitbreiding van de doelgroep voor beide tegemoetkomingen.1
Naar aanleiding van het eerdere wetsvoorstel voor een tegemoetkoming voor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd, heeft de Afdeling er op gewezen dat het voorzien in een tegemoetkoming als deze zeer ongebruikelijk is. Omdat er geen enkele juridische verplichting is om deze studenten op enigerlei wijze tegemoet te komen, moeten er voor het maken van een dergelijk gebaar zwaarwegende redenen bestaan en is een overtuigende motivering vereist.2
Niet iedere nadeelsituatie kan leiden tot een onverplichte tegemoetkoming door de overheid. Uitgangspunt zou moeten zijn dat hiervoor alleen in uitzonderlijke, diepingrijpende situaties aanleiding bestaat. Omdat ook dan de overheid het algemeen belang in acht dient te nemen, moet de beslissing om een groep getroffen burgers onverplicht tegemoet te komen niet enkel zijn ingegeven door het belang van deze groep. Daarbij komt dat ieder handelen van de overheid, in welke vorm dan ook, uiteindelijk wordt betaald uit de collectieve middelen, die maar één keer kunnen worden besteed. Ook daarom verdient het verstrekken van een onverplichte tegemoetkoming een zorgvuldige afweging en besluitvorming.3
De toelichting bij dit wetsvoorstel bevat geen nieuwe argumenten voor het verstrekken van een aanvullende tegemoetkoming. In plaats daarvan wordt aangesloten bij de motivering voor de eerdere tegemoetkoming. De Afdeling blijft daarom bij haar eerdere advies dat er geen aanleiding is voor het geven van een onverplichte tegemoetkoming. Het is niet aannemelijk dat door de afschaffing van de basisbeurs een klemmende situatie is ontstaan voor alle circa één miljoen (oud-) studenten die in aanmerking komen voor de (aanvullende) tegemoetkoming.
Hier komt bij dat, indien de overheid een situatie onverplicht aan zich trekt, het van belang is dat de erkenning eenmalig en definitief is.4 Een nieuwe onverplichte tegemoetkoming kan aan het eerdere gebaar zijn betekenis ontnemen. Het risico bestaat dat zowel die eerdere als de aanvullende onverplichte betaling zullen worden opgevat als compensatie of louter een financiële meevaller, waarover blijvend onderhandeld kan worden, in plaats van als een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijke kwestie wordt afgesloten.
Dat geldt nog sterker in dit geval, omdat de regering niet motiveert waarom de eerdere onverplichte betaling ‘te laag’ zou zijn en waarom de twee betalingen bij elkaar opgeteld wel ‘passend’ zouden zijn. Het is daardoor in het geheel niet duidelijk of het voorstel bijdraagt aan een behoefte aan erkenning. Dit vergroot het risico dat de tegemoetkoming verkeerd zal worden begrepen.
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling af te zien van het verstrekken van een aanvullende onverplichte tegemoetkoming.
In de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de regering uiteengezet waarom zij van mening is dat aanleiding bestaat om (oud-)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming. De regering heeft gemotiveerd dat zij hiertoe juridisch niet verplicht is, maar zich daartoe wel geroepen voelt gezien de bijzondere situatie waarin deze (oud-)studenten verkeren. De regering achtte het voor de (oud-)studenten die gedurende de – relatief korte – periode van het leenstelsel hebben gestudeerd wrang dat zij, anders dan voorgaande en komende generaties, geen gebruik hebben kunnen maken van een basisbeurs. Bij de behandeling van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft het parlement deze motivering gewogen en bekrachtigd. Waar deze motivering opgaat voor de eerder ingevoerde tegemoetkoming, gaat deze ook op voor de aanvullende tegemoetkoming. De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming dienen immers samen één doel; namelijk om richting (oud-)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd een gebaar te maken ter erkenning van bovengenoemde bijzondere, wrange, situatie.
De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel ‘eenmalig’ en ‘definitief’ hoort te zijn. De regering beschouwt de combinatie van de eerder ingevoerde tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming als ‘definitief’. De regering geeft hiermee aan de betrokken groep (oud-)studenten een sluitend betekenisvol financieel gebaar als erkenning. Dit is niet alleen in het belang van de (oud-)studenten die het aangaat, maar ook in het algemeen belang. Met dit gebaar zet de regering een punt achter deze maatschappelijke kwestie.
De regering heeft zich in dit geval geroepen gevoeld om op het punt ‘eenmalig’ van het uitgangspunt van de Afdeling af te wijken. De regering is namelijk van mening dat de eerder ingevoerde tegemoetkoming te laag is. Daarom heeft de regering in vervolg op de € 1,0 miljard die beschikbaar is gesteld voor de tegemoetkoming, € 1,4 miljard beschikbaar gesteld voor een aanvullende tegemoetkoming.5 Deze budgetten hebben het kader gevormd voor de hoogte van de bedragen van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is. De ervaring van elke (oud)-student met het leenstelsel is immers anders. Deze ervaring zal onder andere afhankelijk zijn van de periode dat de (oud-)student zonder basisbeurs onder het leenstelsel heeft gestudeerd en of deze toen thuiswonend of uitwonend was. Ook na afstuderen zal de ervaring per oud-student anders zijn. Deze ervaring zal onder andere afhankelijk zijn van het inkomen dat zij verdienen en hun verdere financiële situatie. Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een passend bedrag aan tegemoetkoming. Hierbij heeft de regering een afweging gemaakt tussen het belang van de betrokken groep (oud-)studenten bij een sluitend betekenisvol financieel gebaar als erkenning en het beroep dat hiermee wordt gedaan op de collectieve middelen.
In haar afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties stelt de Afdeling onder meer dat ‘er [...] geen algemeen antwoord te geven [is] op de vraag wanneer de overheid zich een situatie moet aantrekken; elke situatie vereist een individuele en integrale afweging. Omdat er geen sprake is van juridische verplichtingen, zullen ethische, sociale, economische en politieke overwegingen de basis vormen voor het onverplichte handelen door de overheid. Ook de beschikbare publieke middelen en beleidsprioriteiten spelen een rol.’6 De regering is zich hiervan bewust en heeft dit betrokken bij haar afweging om tot een aanvullende tegemoetkoming te komen. Hierbij hebben met name sociale en politieke overwegingen en de beschikbare publieke middelen een rol gespeeld.
Zoals de Afdeling in haar advies benadrukt, verdient het verstrekken van een onverplichte tegemoetkoming een zorgvuldige afweging en besluitvorming. Evenals bij de tegemoetkoming is bij de aanvullende tegemoetkoming mede daarom het voorstel om de grondslag bij wet in formele zin te regelen. Daarmee wordt ook de aanvullende tegemoetkoming en de hoogte daarvan voluit democratisch gelegitimeerd en is een zorgvuldige en transparante procedure gegarandeerd. Het initiatief voor de aanvullende tegemoetkoming ligt bij de regering, maar uiteindelijk zijn de regering en het parlement samen verantwoordelijk voor de definitieve afweging en besluitvorming.
Naar aanleiding van voorgaande zijn paragraaf 2.1.1 en 2.1.2 van de memorie van toelichting aangevuld.
Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens merkt de Afdeling op dat voor de toetsing aan hoger recht in de toelichting geen link wordt gelegd met het relevante juridische kader. De voorgestelde aanvullende tegemoetkoming zou op dit punt in ieder geval getoetst moeten worden aan de AVG. In dat verband merkt de Afdeling in het bijzonder op dat de AVG vereist dat wordt geëxpliciteerd waarom de verwerking voor een ander doel gelet op de in die bepaling genoemde factoren verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld.7 De toelichting maakt deze afweging nu nog niet.
Daarnaast voorziet het voorstel in de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door DUO. In dat verband vereist de AVG dat duidelijk is op welke uitzondering op het verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens een beroep wordt gedaan.8 Als een beroep zou worden gedaan op de uitzondering dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang, moeten er bovendien passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene.9 Het ligt in de rede deze waarborgen, mede gelet op artikel 10 van de Grondwet, verder te regelen. Het in de toelichting enkel verwijzen naar een DPIA is in dat kader onvoldoende.10
De Afdeling adviseert om in de paragraaf over de verhouding tot hoger recht expliciet in te gaan op het relevante juridische kader. Daarbij zou in ieder geval moeten worden ingegaan op het verder verwerken van persoonsgegevens voor een ander doel dan waarvoor deze aanvankelijk zijn verzameld, en het verder regelen van passende en specifieke wettelijke waarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
Bij de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming worden persoonsgegevens die al bekend zijn bij DUO verder verwerkt voor een ander doel dan het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld. Hierop werd in de memorie van toelichting ingegaan in de voormalige paragraaf 4.5 – gevolgen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling heeft de regering deze toelichting inhoudelijk verplaatst naar de (nieuwe) paragraaf 3.1.1 – gegevensverwerking ambtshalve toekenning – en daarin nader uiteengezet aan de hand van artikel 6, vierde lid, AVG waarom de verwerking voor dit andere doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld.
Bij de toekenning op aanvraag van de tegemoetkoming kan het nodig zijn om bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) te verwerken. De Afdeling heeft in haar advies terecht geconstateerd dat in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting onvoldoende aandacht was besteed aan deze op grond van artikel 9, eerste lid, AVG in beginsel verboden verwerking van persoonsgegevens. De regering wenst dit te herstellen en heeft daarom het wetsvoorstel en de memorie van toelichting op het punt van gegevensverwerking aangevuld.
De regering is van mening dat ten aanzien van de verwerking van deze bijzondere persoonsgegevens in het kader van de toekenning op aanvraag van de tegemoetkoming een beroep kan worden gedaan op de uitzonderingsgrond van artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG. Zoals de Afdeling in haar advies terecht constateert, moeten bij een beroep op deze uitzonderingsgrond onder meer passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. Voorgesteld wordt om voor bedoelde verwerking van bijzondere persoonsgegevens een expliciete wettelijke grondslag en wettelijke waarborgen op te nemen. Daarbij wordt aangesloten bij de eveneens bij dit gewijzigde voorstel van wet voorgestelde wettelijke grondslag en waarborgen ten aanzien van de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs met betrekking tot de verwerking van bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid), waarop hierna zal worden ingegaan. In verband met deze aanvulling van het wetsvoorstel op het punt van gegevensverwerking (de nieuwe artikelen 11.6 en 11.7) is paragraaf 3.1.1 – gegevensverwerking toekenning op aanvraag – toegevoegd aan de memorie van toelichting.
De regering heeft naar aanleiding van het advies van de Afdeling breder gekeken naar de grondslag en waarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Naast de verwerkingen van bijzondere persoonsgegevens in het kader van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming, gaat het dan om de voorzieningen binnen de zogenoemde Voorziening Prestatiebeurs: de verlenging van de duur van de prestatiebeurs vanwege handicap of chronische ziekte,11 de omzetting van de prestatiebeurs in een gift in geval van bijzondere omstandigheden,12 de verlenging van de diplomatermijn in geval van bijzondere omstandigheden,13 en de nieuwe aanspraak op studiefinanciering verband houdend met handicap of chronische ziekte.14
De aanleiding voor deze bredere blik is dat ten aanzien van de nieuwe groepen rechthebbende (oud-)studenten de toepassingsvoorwaarden voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming aansluiten bij de toepassingsvoorwaarden voor de omzetting van de prestatiebeurs in een gift in geval van bijzondere omstandigheden, respectievelijk de verlenging van de diplomatermijn in geval van bijzondere omstandigheden. De regering heeft geconstateerd dat de nu van toepassing zijnde grondslag en waarborgen ten aanzien van de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs met betrekking tot de verwerking van bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) niet voldoen aan de daarvoor op grond van de AVG geldende verplichtingen. De regering wenst dit te herstellen en heeft daarom het wetsvoorstel en de memorie van toelichting op het punt van gegevensverwerking aangevuld.
De regering heeft gemotiveerd dat voor de verwerking van deze bijzondere persoonsgegevens bij de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs een beroep kan worden gedaan op de uitzonderingsgrond in artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG. Daarbij heeft de regering voorgesteld om voor bedoelde verwerking van bijzondere persoonsgegevens een expliciete wettelijke grondslag en wettelijke waarborgen op te nemen. Hierbij zijn de volgende waarborgen voorgesteld.
Voorgesteld wordt om verschillende wettelijke bewaartermijnen op te nemen voor gegevens over gezondheid die zijn verwerkt in het kader van besluiten over bovengenoemde voorzieningen.
Daarnaast wordt voorgesteld om wettelijk te regelen dat bedoelde gegevens over gezondheid alleen toegankelijk zijn voor daartoe geautoriseerde personen. Daarbij wordt voorgesteld om een delegatiegrondslag op te nemen om dit bij ministeriële regeling verder uit te werken.
In het gewijzigde voorstel van wet is met de voorgestelde wettelijke grondslag en waarborgen ten aanzien van de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs met betrekking tot de verwerking van bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) voldaan aan de daarvoor op grond van de AVG geldende verplichtingen. In verband met deze aanvulling van het wetsvoorstel op het punt van gegevensverwerking (de nieuwe artikelen 11.6 en 11.7) is paragraaf 3.1.2 toegevoegd aan de memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.
De waarnemend vice-president van de Raad van State,
L.F.M. Verhey
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om een technische verduidelijking aan te brengen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting met betrekking tot de indexering van de bedragen van de tegemoetkomingen. Verduidelijkt is dat de indexering plaatsvindt aan de hand van artikel 11.1, eerste lid, WSF 2000.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert.
No. W05.25.00188/I
’s-Gravenhage, 24 september 2025
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2025, no.2025001657, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van wet houdende wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestuurd, met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel voorziet in een tweede (aanvullende) financiële tegemoetkoming voor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd, omdat de regering de eerder door de wetgever vastgestelde tegemoetkoming te laag vindt. Daarnaast wordt een grondslag gecreëerd om een beperkt aantal nieuwe groepen studenten alsnog in aanmerking te laten komen voor de eerdere tegemoetkoming en in vervolg daarop ook voor de tweede tegemoetkoming.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat zwaarwegende redenen moeten bestaan voor het voorzien in een juridisch onverplichte tegemoetkoming. Gelet hierop is de inhoudelijke motivering voor het verstrekken van een aanvullende financiële tegemoetkoming niet toereikend.
Daarnaast wijst zij op het bezwaar dat een aanvullende tegemoetkoming afbreuk doet aan het doel en de betekenis van de eerdere tegemoetkoming. Voorkomen moet worden dat zowel die eerdere als de aanvullende onverplichte betaling worden opgevat als compensatie of louter een financiële meevaller, waarover blijvend onderhandeld kan worden, in plaats van als een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijke kwestie wordt afgesloten.
In verband met deze opmerkingen dient het voorstel nader te worden overwogen.
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgever besloten om als gebaar te voorzien in een financiële tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en binnen de diplomatermijn zijn afgestudeerd. De wetgever vond het wrang voor deze studenten dat zij, anders dan de studenten voor en na hen, geen gebruik hebben kunnen maken van de basisbeurs.
De tegemoetkoming waarin toen is voorzien, bedraagt € 34,17 per maand, wat voor een studie van vier jaar neerkomt op een bedrag van € 1640,16 (prijspeil 2025). Voor deze tegemoetkoming, waarvoor naar verwachting ruim 900.000 studenten in aanmerking komen, is in totaal € 1,15 miljard vrijgemaakt.
Dit wetsvoorstel voorziet in een aanvullende financiële tegemoetkoming voor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd. Deze komt volgens de toelichting voort uit de politieke wens om een extra financieel gebaar te maken. De enige motivering die hiervoor wordt gegeven, is dat de regering het bedrag van de eerdere tegemoetkoming te laag vindt.
Daarnaast voorziet het voorstel in een uitbreiding van de doelgroep. Het betreft (oud-)studenten die door bijzondere omstandigheden geen diploma hebben kunnen behalen of daardoor langer hebben gedaan over het behalen van een diploma. Deze nieuwe groepen (oud-)studenten komen in aanmerking voor zowel de eerste tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming.
De aanvullende tegemoetkoming bedraagt € 44,50 per maand, of € 2136,00 gerekend over vier jaar (prijspeil 2026). Voor de aanvullende tegemoetkoming is in totaal € 1,4 miljard beschikbaar. De hogere kosten zijn deels gelegen in de voorgestelde uitbreiding van de doelgroep voor beide tegemoetkomingen.1
Naar aanleiding van het eerdere wetsvoorstel voor een tegemoetkoming voor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd, heeft de Afdeling er op gewezen dat het voorzien in een tegemoetkoming als deze zeer ongebruikelijk is. Omdat er geen enkele juridische verplichting is om deze studenten op enigerlei wijze tegemoet te komen, moeten er voor het maken van een dergelijk gebaar zwaarwegende redenen bestaan en is een overtuigende motivering vereist.2
Niet iedere nadeelsituatie kan leiden tot een onverplichte tegemoetkoming door de overheid. Uitgangspunt zou moeten zijn dat hiervoor alleen in uitzonderlijke, diepingrijpende situaties aanleiding bestaat. Omdat ook dan de overheid het algemeen belang in acht dient te nemen, moet de beslissing om een groep getroffen burgers onverplicht tegemoet te komen niet enkel zijn ingegeven door het belang van deze groep. Daarbij komt dat ieder handelen van de overheid, in welke vorm dan ook, uiteindelijk wordt betaald uit de collectieve middelen, die maar één keer kunnen worden besteed. Ook daarom verdient het verstrekken van een onverplichte tegemoetkoming een zorgvuldige afweging en besluitvorming.3
De toelichting bij dit wetsvoorstel bevat geen nieuwe argumenten voor het verstrekken van een aanvullende tegemoetkoming. In plaats daarvan wordt aangesloten bij de motivering voor de eerdere tegemoetkoming. De Afdeling blijft daarom bij haar eerdere advies dat er geen aanleiding is voor het geven van een onverplichte tegemoetkoming. Het is niet aannemelijk dat door de afschaffing van de basisbeurs een klemmende situatie is ontstaan voor alle circa één miljoen (oud-) studenten die in aanmerking komen voor de (aanvullende) tegemoetkoming.
Hier komt bij dat, indien de overheid een situatie onverplicht aan zich trekt, het van belang is dat de erkenning eenmalig en definitief is.4 Een nieuwe onverplichte tegemoetkoming kan aan het eerdere gebaar zijn betekenis ontnemen. Het risico bestaat dat zowel die eerdere als de aanvullende onverplichte betaling zullen worden opgevat als compensatie of louter een financiële meevaller, waarover blijvend onderhandeld kan worden, in plaats van als een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijke kwestie wordt afgesloten.
Dat geldt nog sterker in dit geval, omdat de regering niet motiveert waarom de eerdere onverplichte betaling ‘te laag’ zou zijn en waarom de twee betalingen bij elkaar opgeteld wel ‘passend’ zouden zijn. Het is daardoor in het geheel niet duidelijk of het voorstel bijdraagt aan een behoefte aan erkenning. Dit vergroot het risico dat de tegemoetkoming verkeerd zal worden begrepen.
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling af te zien van het verstrekken van een aanvullende onverplichte tegemoetkoming.
Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens merkt de Afdeling op dat voor de toetsing aan hoger recht in de toelichting geen link wordt gelegd met het relevante juridische kader. De voorgestelde aanvullende tegemoetkoming zou op dit punt in ieder geval getoetst moeten worden aan de AVG. In dat verband merkt de Afdeling in het bijzonder op dat de AVG vereist dat wordt geëxpliciteerd waarom de verwerking voor een ander doel gelet op de in die bepaling genoemde factoren verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld.5 De toelichting maakt deze afweging nu nog niet.
Daarnaast voorziet het voorstel in de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door DUO. In dat verband vereist de AVG dat duidelijk is op welke uitzondering op het verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens een beroep wordt gedaan.6 Als een beroep zou worden gedaan op de uitzondering dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang, moeten er bovendien passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene.7 Het ligt in de rede deze waarborgen, mede gelet op artikel 10 van de Grondwet, verder te regelen. Het in de toelichting enkel verwijzen naar een DPIA is in dat kader onvoldoende.8
De Afdeling adviseert om in de paragraaf over de verhouding tot hoger recht expliciet in te gaan op het relevante juridische kader. Daarbij zou in ieder geval moeten worden ingegaan op het verder verwerken van persoonsgegevens voor een ander doel dan waarvoor deze aanvankelijk zijn verzameld, en het verder regelen van passende en specifieke wettelijke waarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.
De waarnemend vice-president van de Raad van State, L.F.M. Verhey.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het billijk is aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd een aanvullende tegemoetkoming te verstrekken;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 12.30 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt na ‘Tegemoetkoming’ ingevoegd ‘en aanvullende tegemoetkoming’.
2. Het eerste lid komt te luiden:
1. In dit artikel wordt begrepen onder:
een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin een ho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken op een basisbeurs;
een aanvullende tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin een ho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken op een basisbeurs.
3. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt ‘een tegemoetkoming’ vervangen door ‘de tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming’ en vervalt ‘die’.
b. In onderdeel a wordt voor ‘in de periode’ ingevoegd ‘die’.
c. In onderdeel b wordt voor ‘gedurende de periode’ ingevoegd ‘die’.
d. Onderdeel c komt te luiden:
c. die:
1°. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld in artikel 5.7 heeft afgerond; of
2°. als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard als bedoeld in artikel 5.16, derde lid, niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs, of indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg het afsluitend examen te behalen; of
3°. op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs, of indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat.
4. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met negende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, onder 1°, 2° en 3°, wordt voor degene die geen studiefinanciering heeft aangevraagd en die als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, of bijzondere omstandigheden van structurele aard als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, niet in staat is binnen de termijn van tien jaar met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, de termijn van tien jaar verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden, met dien verstande dat de termijn ten hoogste vijftien jaar bedraagt.
4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt voor degene die op grond van artikel 5.16, vierde lid, een nieuwe aanspraak op studiefinanciering heeft ontvangen alleen de periode van de nieuwe aanspraak op studiefinanciering betrokken.
5. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘De tegemoetkoming bedraagt’ vervangen door ‘De tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming bedragen’, wordt voor ‘per maand’ ingevoegd ‘, onderscheidenlijk € 44,50,’ en wordt ‘de rechthebbende op een tegemoetkoming’ vervangen door ‘de rechthebbende op de tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming’.
6. In het zesde lid (nieuw) wordt ‘het derde lid’ vervangen door ‘het vijfde lid’ en wordt na ‘wordt’ ingevoegd ‘voor de rechthebbende op de tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, onder 1°’.
7. Het zevende lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt na ‘tegemoetkoming’ ingevoegd ‘en aanvullende tegemoetkoming’.
b. In onderdeel b wordt na ‘tegemoetkoming’ ingevoegd ‘en aanvullende tegemoetkoming’ en wordt ‘wordt’ vervangen door ‘worden’.
8. In het achtste lid (nieuw) wordt ‘het bedrag’ vervangen door ‘de bedragen’ en wordt ‘derde lid’ vervangen door ‘vijfde lid’.
9. In het negende lid (nieuw) wordt ‘een tegemoetkoming’ vervangen door ‘de tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming’.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat artikel I van deze wet voor zover het betreft artikel 12.30, vijfde en achtste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, terugwerkt tot en met 1 september 2026.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Deel I Algemeen
1. Inleiding
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
4. Gevolgen voor (oud-)studenten
5. Gevolgen voor de uitvoering, rechtspraak en Rijksbegroting
6. Advies en consultatie
7. Inwerkingtreding en communicatie
Deel II Artikelsgewijs
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgever voorzien in een tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd (huidig artikel 12.30 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000)). De regering vindt deze tegemoetkoming te laag. Daarom is de regering – in navolging van het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma – voornemens om deze groep studenten een extra tegemoetkoming te geven. De grondslag voor deze tegemoetkoming wordt met dit wetsvoorstel gecreëerd. Verder wordt met dit wetsvoorstel een grondslag gecreëerd om een beperkt aantal nieuwe groepen studenten binnen bovengenoemde groep studenten alsnog in aanmerking te brengen voor de eerstgenoemde tegemoetkoming en in vervolg daarop ook voor de laatstgenoemde tegemoetkoming.
De regering is – in navolging van het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma – voornemens om studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd een extra tegemoetkoming te geven. Hiervoor is in het regeerprogramma € 1,4 miljard beschikbaar gesteld. Deze extra tegemoetkoming komt bovenop de tegemoetkoming in de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs die op 1 januari 2025 in werking is getreden (huidig artikel 12.30 WSF 2000). Dit wetsvoorstel spreekt over de ‘tegemoetkoming’ als het gaat om de laatstgenoemde tegemoetkoming en over de ‘aanvullende tegemoetkoming’ als het gaat om de voorgenomen extra tegemoetkoming van de regering.1 Tot slot, waar in dit wetsvoorstel DUO wordt genoemd gaat het over de Dienst Uitvoering Onderwijs.
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgever voorzien in een tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Het werd voor deze groep studenten wrang geacht om de basisbeurs, zo snel na het afschaffen ervan, weer terug te zien komen in het hoger onderwijs.
Toegelicht is dat er juridisch geen verplichting is om deze tegemoetkoming te verstrekken.2 Overheidsbeleid is voortdurend aan verandering onderhevig. Er zullen altijd generaties of groepen zijn die niet of in mindere mate van specifieke regelingen gebruik hebben kunnen maken. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat bij de overgang naar een gunstiger rechtsregime aanspraak op vergoeding bestaat voor degenen die onder het oude, minder gunstige regime vielen. De wetgever is vrij om binnen de grenzen van hoger recht wetten te wijzigen.
Toegelicht is dat het verstrekken van deze tegemoetkoming voortkomt uit de politieke wens om een gebaar te maken naar deze groep studenten. Daarbij is vermeld dat deze studenten in een bijzondere positie verkeren. De basisbeurs heeft vanaf de invoering in 1986 bijna dertig jaar onderdeel uitgemaakt van het studiefinancieringsstelsel en ook vóór 1986 bestonden al vormen van toelagen. Al evolueerden in die jaren de precieze voorwaarden waaronder de basisbeurs werd verstrekt (te denken valt aan duur en hoogte en de basisbeurs als gift of prestatiebeurs), de basisbeurs was gedurende deze decennia een vast, herkenbaar onderdeel van het stelsel. Vele generaties studenten hebben kunnen studeren met een basisbeurs. In 2015 verdween de basisbeurs van het toneel en werd het leenstelsel ingevoerd. In 2023 – slechts acht jaar later – werd de basisbeurs weer ingevoerd. De korte periode waarin het leenstelsel heeft gegolden maakt dat het leenstelsel beschouwd kan worden als «de uitzondering op de regel», als men het studiefinancieringsstelsel beziet op de lange termijn. Hoewel de wetgever binnen de grenzen van hoger recht vrij is om wetten te wijzigen, en de wetgever dus vrij was om de basisbeurs in 2015 af te schaffen en in 2023 te herintroduceren (zonder dat sprake is van een verplichting tot vergoeding), is het voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd wrang dat zij, anders dan voorgaande en komende generaties, geen gebruik hebben kunnen maken van een basisbeurs. Deze studenten hebben namelijk ten opzichte van zowel de studenten vóór hen als (naar verwachting) de studenten ná hen, gemiddeld gezien een hogere studieschuld opgebouwd.3 Het wegvallen van de basisbeurs heeft ook andere gevolgen gehad voor hen. Deze studenten hebben een groter beroep moeten doen op ouders, meer moeten werken of een combinatie hiervan.
De combinatie van het zeer bestendige begunstigende beleid dat slechts relatief kort is onderbroken en de negatieve effecten van het tussenliggende beleid op de financiële uitgangspositie van deze studenten heeft gemaakt dat bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is besloten om als gebaar een tegemoetkoming aan hen te verstrekken. Deze tegemoetkoming bedraagt € 34,17 per maand dat een student onder het leenstelsel heeft gestudeerd (prijspeil 2025).4
De regering onderschrijft bovenstaande redenering van de wetgever, maar vindt de hoogte van de tegemoetkoming te laag. Daarom is de regering – in navolging van het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma – voornemens om studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd een aanvullende tegemoetkoming te geven. Deze aanvullende tegemoetkoming komt voort uit de politieke wens om een extra financieel gebaar te maken naar deze groep studenten. De aanvullende tegemoetkoming bedraagt € 44,50 per maand dat een student onder het leenstelsel heeft gestudeerd (prijspeil 2026).5
De regering heeft als doel voor ogen om een extra financieel gebaar te maken naar de studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. In het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma wordt de voorkeur uitgesproken voor een ‘extra (eenmalige) tegemoetkoming’.
Bij de vormgeving van de aanvullende tegemoetkoming sluit de regering aan bij de vormgeving van de tegemoetkoming. De aanvullende tegemoetkoming wordt net als de tegemoetkoming in beginsel afgetrokken van de studieschuld van de (oud-)student. Als de (oud-)student geen studieschuld (meer) heeft, dan krijgt hij (het restant van) de aanvullende tegemoetkoming uitbetaald. Door deze vormgeving hebben alle (oud‑)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd (en die voldoen aan de overige voorwaarden) recht op de aanvullende tegemoetkoming. Daarmee is de aanvullende tegemoetkoming doeltreffend.
Door bij de vormgeving van de aanvullende tegemoetkoming aan te sluiten bij de vormgeving van de tegemoetkoming is deze ook doelmatig. De ervaringen met het inrichten van de tegemoetkoming dragen bij aan het zo efficiënt mogelijk inrichten van de aanvullende tegemoetkoming. Daarbij komt dat de (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgen. Bovenstaande heeft als gevolg dat de uitvoeringskosten voor de aanvullende tegemoetkoming zo laag mogelijk worden gehouden en zoveel mogelijk budget overblijft om te verdelen onder de (oud‑)studenten.
In dit wetsvoorstel wordt voor de aanvullende tegemoetkoming wat betreft doelgroep en voorwaarden aangesloten bij de tegemoetkoming (zie paragraaf 2.2.1 en 2.2.2). Verder wordt in dit wetsvoorstel de doelgroep verruimd met een beperkt aantal nieuwe groepen (oud-)studenten (zie paragraaf 2.2.3). Deze nieuwe groepen (oud-)studenten komen in aanmerking voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming (net als de overige groepen rechthebbende (oud-)studenten).
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ten eerste bepaald dat voor de tegemoetkoming alleen (oud-)studenten in aanmerking komen die in de periode van studiejaar 2015–2016 tot en met studiejaar 2022–2023 stonden ingeschreven bij een hoger onderwijsinstelling en aanspraak hadden (kunnen maken) op volledige studiefinanciering.6 De wetgever heeft gekozen om de doelgroep ruim te formuleren en alle studenten die tijdens het leenstelsel recht hadden op volledige studiefinanciering in aanmerking te laten komen voor de tegemoetkoming, ongeacht of zij wel of geen studiefinanciering hebben aangevraagd. Daarbij is toegelicht dat studenten uiteenlopende redenen kunnen hebben gehad om wel of geen studiefinanciering aan te vragen. Sommigen hebben extra gewerkt om te voorkomen dat zij moesten lenen, anderen konden terugvallen op ouders of eigen spaargeld. Weer anderen hebben geen studentenreisproduct aangevraagd omdat zij nabij de ho-instelling woonden of een mogelijke schuld wilden voorkomen (het reisproduct is een lening als het diploma niet binnen de gestelde termijn wordt behaald). Deze studenten konden destijds echter niet weten dat hun keuze om geen studiefinanciering aan te vragen later van invloed zou kunnen zijn op de vraag of zij wel of niet in aanmerking zouden komen voor een tegemoetkoming.
Studenten die enkel in aanmerking kwamen voor een collegegeldkrediet, komen niet in aanmerking voor de tegemoetkoming. Het gaat daarbij met name om EER-studenten die niet voldeden aan de eisen om voor volledige studiefinanciering in aanmerking te komen. Zij hadden daarom alleen recht op een collegegeldkrediet, wat voor hen de toegankelijkheid van het onderwijs verbeterde. De overige delen van de studiefinanciering zijn niet aan hen verstrekt. Om dezelfde reden komen zij nu niet in aanmerking voor de tegemoetkoming. Uiteraard kunnen EER-studenten die wel recht hadden op volledige studiefinanciering ook in aanmerking komen voor de tegemoetkoming.
Ook studenten die enkel gebruik hebben gemaakt van het levenlanglerenkrediet komen niet voor de tegemoetkoming in aanmerking. Het levenlanglerenkrediet wordt alleen verstrekt indien een student niet voor reguliere studiefinanciering in aanmerking komt. Er is op die manier nog wel een voorziening voorhanden waarmee de student financieel in staat wordt gesteld een opleiding te volgen.
Ten tweede is bepaald dat voor de tegemoetkoming alleen (oud-)studenten in aanmerking komen die ten minste twaalf maanden onder het leenstelsel hebben gestudeerd.7 De wetgever achtte het wenselijk dat alleen de studenten die voor een substantieel deel onder het leenstelsel hebben gestudeerd, voor de tegemoetkoming in aanmerking komen. Gekozen is voor een minimale termijn van twaalf maanden. Studenten die slechts enkele maanden onder het leenstelsel hebben gestudeerd – en daarna bijvoorbeeld hebben besloten om te gaan werken – komen daarmee niet in aanmerking voor de tegemoetkoming. Hierdoor wordt voorkomen dat studenten die slechts een paar maanden ingeschreven hebben gestaan en bijvoorbeeld gebruik hebben gemaakt van de 1‑februariregeling, ook aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming. Studenten die aan het begin van collegejaar 2022–2023 met hun studie zijn begonnen en deze een volledig studiejaar hebben gevolgd, komen dus wel in aanmerking voor de tegemoetkoming.
Ten derde is bepaald dat voor de tegemoetkoming alleen (oud-)studenten in aanmerking komen die een diploma hebben gehaald.8 Hierbij geldt voor (oud-)studenten die studiefinanciering hebben aangevraagd dat het diploma binnen de diplomatermijn moet zijn gehaald. Voor de diplomatermijn is aangesloten bij de diplomatermijn zoals die al geldt voor de prestatiebeursonderdelen van de studiefinanciering, namelijk tien jaar na de eerst ontvangen studiefinanciering (artikel 5.5 WSF 2000).9 Om de regeling goed te kunnen uitvoeren, geldt dit ook voor studenten die pas later tijdens hun studie gebruik hebben gemaakt van studiefinanciering. Voor (oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd, geldt dat het diploma binnen tien jaar na de eerste inschrijving voor het hoger onderwijs moet zijn gehaald. De wetgever heeft voor deze diploma-eis als toelichting gegeven dat als een basisbeurs had bestaan, dat een prestatiebeurs was geweest die ook pas werd omgezet in een gift op het moment dat de student een diploma binnen de diplomatermijn zou hebben behaald.
Voorgesteld wordt om de doelgroep en voorwaarden van de tegemoetkoming als uitgangspunt te nemen bij de aanvullende tegemoetkoming en deze daarbij volledig over te nemen. Daarmee krijgen de (oud-)studenten die recht hebben op de tegemoetkoming ook recht op de aanvullende tegemoetkoming.
Bij de uitwerking van de aanvullende tegemoetkoming is bekeken of lessen kunnen worden getrokken uit de uitvoering van de tegemoetkoming. Daarbij is gebleken dat een beperkte uitbreiding van de doelgroep in de rede ligt vanuit de uitgangspunten van de tegemoetkoming. Dit wordt hieronder uitgelegd. De nieuwe groepen (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep komen in aanmerking voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming (net als de overige groepen rechthebbende (oud-)studenten).
Zoals beschreven in paragraaf 2.2.1 komen voor de tegemoetkoming op dit moment alleen (oud‑)studenten in aanmerking die binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald. De reden voor deze diploma-eis is dat als er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs was geweest, dat een prestatiebeurs was geweest, die ook alleen in dat geval zou zijn omgezet in een gift.
Er is een groep (oud-)studenten die tijdens hun studie geconfronteerd is of wordt met bijzondere omstandigheden en als gevolg daarvan geen diploma heeft kunnen behalen. Het gaat dan bijvoorbeeld om studenten die zich geconfronteerd zien met arbeidsongeschiktheid, een functiebeperking of een chronische ziekte. Voor deze studenten is in de artikelen 5.15 en 5.16, derde lid, WSF 2000 geregeld dat ondanks het niet behalen van een diploma de aan hen toegekende prestatiebeurs (op aanvraag) wordt omgezet in een gift. Deze (oud‑)studenten kunnen op dit moment niet in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Zij voldoen namelijk niet aan de voorwaarde om binnen de diplomatermijn een diploma te hebben behaald en dus niet aan de diploma-eis. Echter, gezien de achtergrond van de diploma-eis bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is het vanuit het oogpunt van uitlegbaarheid en rechtsgelijkheid wenselijk om ook deze (oud-)studenten in aanmerking te brengen voor de tegemoetkoming. Net als voor de (oud‑)studenten die binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald, geldt immers voor hen dat als er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in de vorm van een prestatiebeurs was geweest, deze (op aanvraag) ook voor hen zou zijn omgezet in een gift. In zoverre hebben zij hetzelfde financieel nadeel ondervonden van het leenstelsel als (oud‑)studenten die wel een diploma hebben behaald.
Daarom wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat ook de groep (oud-)studenten die tijdens hun studie geconfronteerd is of wordt met bijzondere omstandigheden en als gevolg daarvan geen diploma heeft kunnen behalen in aanmerking komt voor de tegemoetkoming en in vervolg daarop ook voor de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij wordt ook de keuze bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs om de doelgroep voor de tegemoetkoming ruim te formuleren doorgetrokken in die zin dat alle (oud‑)studenten die onder deze groep vallen en die tijdens het leenstelsel recht hadden op volledige studiefinanciering in aanmerking komen voor de tegemoetkomingen, ongeacht of zij wel of geen studiefinanciering hebben aangevraagd. Ook voor deze (oud‑)studenten geldt immers dat zij uiteenlopende redenen kunnen hebben gehad om wel of geen studiefinanciering aan te vragen. En ook voor deze (oud-)studenten geldt dat zij destijds niet konden weten dat hun keuze om geen studiefinanciering aan te vragen later van invloed zou kunnen zijn op de vraag of zij wel of niet in aanmerking zouden komen voor een tegemoetkoming. Het gaat om ongeveer 5.800 (oud-)studenten die wel studiefinanciering hebben aangevraagd en naar schatting om enkele tientallen (oud‑)studenten die dat niet hebben gedaan.
Op dit moment komt voor de tegemoetkoming (alleen) een (oud‑)student in aanmerking die, indien hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen de diplomatermijn, of indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding heeft afgerond. Hiermee komt tot uitdrukking de keuze bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs dat het voor het recht op tegemoetkoming geen verschil maakt of wel of geen studiefinanciering is aangevraagd.
Voor de (oud-)student die wel studiefinanciering heeft aangevraagd, geldt als voorwaarde dat hij binnen de diplomatermijn een diploma moeten hebben behaald om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen. Op grond van artikel 5.5 WSF 2000 is de diplomatermijn een periode van tien jaar. In geval van bijzondere omstandigheden van tijdelijke dan wel structurele aard als gevolg waarvan niet binnen de diplomatermijn het diploma kan worden behaald, kan deze termijn op grond van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000 worden verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden tot maximaal een periode van vijftien jaar. Op grond van artikel 5.16, vijfde lid, WSF 2000 wordt op aanvraag vastgesteld of sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond met een verklaring van de onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts. Voorgaande betekent dat de (oud-)student die wel studiefinanciering heeft aangevraagd, indien hij voldoet aan de voorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn, tot maximaal vijftien jaar heeft om aan de diploma-eis te voldoen.
Voor de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, geldt als voorwaarde dat hij binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding moet hebben afgerond om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen. Anders dan voor de (oud-)student die wel studiefinanciering heeft aangevraagd, zijn voor de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd geen mogelijkheden om deze termijn te verlengen bij bijzondere omstandigheden. Vanuit de keuze dat het voor het recht op tegemoetkoming geen verschil maakt of wel of geen studiefinanciering is aangevraagd, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat ook de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000, op aanvraag tot maximaal vijftien jaar heeft om aan de diploma‑eis te voldoen. Dit geldt voor de tegemoetkoming en in vervolg daarop ook voor de aanvullende tegemoetkoming. Het gaat naar schatting om in totaal enkele tientallen extra (oud-)studenten die als gevolg hiervan alsnog voor de beide tegemoetkomingen in aanmerking komen.
Wat hierboven is vermeld, geldt niet alleen voor wat betreft de termijn waarbinnen de (oud‑)student een diploma moet hebben behaald om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingen, maar ook voor wat betreft de termijn waarbinnen bij de (oud‑)student de bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen zich moeten hebben voorgedaan om daarvoor in aanmerking te komen. Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat deze termijn voor de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000, op aanvraag wordt verlengd tot maximaal vijftien jaar.
|
Overzicht van doelgroepen met uitbreidingen |
Tegemoetkoming |
Aanvullende tegemoetkoming |
|---|---|---|
|
Studenten die tijdens het leenstelsel studiefinanciering hebben ontvangen |
||
|
Diploma gehaald binnen (verlengde) diplomatermijn |
Huidig artikel 12.30 WSF 2000 |
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming |
|
Geen diploma gehaald vanwege bijzondere omstandigheden, de prestatiebeurs is omgezet in een gift |
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming |
|
|
Studenten die tijdens het leenstelsel geen studiefinanciering hebben ontvangen |
||
|
Diploma gehaald binnen 10 jaar |
Huidig artikel 12.30 WSF 2000 |
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming |
|
Diploma gehaald, vanwege bijzondere omstandigheden na 10 jaar (maar binnen maximaal 15 jaar) |
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming |
|
|
Geen diploma gehaald vanwege bijzondere omstandigheden, de prestatiebeurs had kunnen worden omgezet in een gift |
||
De toekenning van de aanvullende tegemoetkoming zal volledig ambtshalve plaatsvinden. De (oud‑)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, zullen ambtshalve ook de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen.
Ook de (oud-)studenten die studiefinanciering hebben aangevraagd en die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep zullen de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgen. Dit zal gebeuren nadat is vastgesteld dat bij de (oud-)student sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000 als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen. Concreet betekent dit dat deze (oud‑)student eerst een verzoek heeft gedaan of doet om omzetting van zijn prestatiebeurs in een gift in verband met bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000 (via de reguliere aanvraagprocedure). Als dit verzoek wordt toegewezen, krijgt deze (oud‑)student vervolgens de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
De (oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd en die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep, kunnen een aanvraag indienen bij DUO voor de tegemoetkoming. Als zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen. Deze (oud‑)studenten moeten een aanvraag doen, omdat zij niet bekend zijn bij DUO en DUO dus niet over hun gegevens beschikt.
In de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is beschreven welke gegevens DUO controleert wanneer een aanvraag wordt ontvangen voor de tegemoetkoming van een (oud‑)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd.10 DUO zal dezelfde gegevens controleren wanneer een dergelijke aanvraag wordt ontvangen van een (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd en die valt onder de uitbreiding van de doelgroep. Afhankelijk van de situatie zal DUO daarbij ook nog enkele aanvullende gegevens controleren. Zoals beschreven bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs zal DUO eerst controleren of de (oud-)student inderdaad in aanmerking zou zijn gekomen voor volledige studiefinanciering in de periode tussen september 2015 en september 2023. Hierbij wordt gecontroleerd of:
• De student stond ingeschreven aan een Nederlandse geaccrediteerde hoger onderwijsinstelling. Indien de student stond ingeschreven aan een buitenlandse hoger onderwijsinstelling zal DUO eerst toetsen of voor de gevolgde opleiding recht op studiefinanciering bestond. Ook zal de student in dat geval moeten aantonen dat hij stond ingeschreven aan deze opleiding en dat een diploma is gehaald dat recht geeft op omzetting van de prestatiebeurs;
• De student op het moment van de inschrijving voldeed aan de leeftijdseis van maximaal 30 jaar;11
• De student op het moment van de inschrijving en tijdens de volledige duur van de studie voldeed aan de nationaliteitseisen.
• Indien het een student betreft die niet de Nederlandse nationaliteit bezat, maar afkomstig is uit één van de (toenmalige) lidstaten van de EER of Zwitserland en stelt migrerend werknemer te zijn geweest, wordt gecontroleerd of werd voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het bewijs hiervoor, bijvoorbeeld in de vorm van een arbeidscontract, moet worden aangeleverd door de student.
Voor (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep zal DUO controleren of bij hen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of 5.16 WSF 2000. Hierbij wordt gecontroleerd of:
• De student tijdens de studieperiode in bijzondere omstandigheden verkeerde als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen. Hierbij wordt aangesloten bij de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 5.15 en 5.16, derde lid, WSF 2000. De student moet dit aantonen met een beschikking van een Wajong‑uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk met een verklaring van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16, derde en vijfde lid, WSF 2000); en/of
• De student tijdens de studieperiode in bijzondere omstandigheden verkeerde als gevolg waarvan hij er langer dan tien jaar over heeft gedaan om een diploma te behalen. Hierbij wordt aangesloten bij de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000. De student moet de bijzondere omstandigheden aantonen met een verklaring van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16, eerste, tweede en vijfde lid, WSF 2000).
De aanvullende tegemoetkoming zal naar verwachting vanaf april 2027 door DUO worden toegekend. De (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep krijgen naar verwachting vanaf april 2027 zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming toegekend. Toekenning vindt niet eerder plaats dan nadat de (oud‑)student voldoet aan de voorwaarden voor toekenning. Dat wil zeggen dat toekenning pas kan plaatsvinden nadat de (oud‑)student zijn diploma heeft behaald dan wel nadat bij de (oud-)student is vastgesteld dat hij door bijzondere omstandigheden geen diploma heeft kunnen behalen. In het Besluit studiefinanciering 2000 (BSF 2000) wordt nader geregeld op welk moment toekenning plaatsvindt in geval van ambtshalve toekenning en toekenning op aanvraag.
Net als bij de tegemoetkoming zal de uitkering bij de aanvullende tegemoetkoming plaatsvinden in de vorm van een aftrek op de studieschuld. Hierbij vindt eerst aftrek plaats op eventuele achterstallige schulden en dan op de hoofdschuld. Op die manier wordt de studieschuld van (oud‑)studenten verminderd. Mocht een (oud-)student geen studieschuld (meer) hebben, dan wordt het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming uitbetaald aan de (oud-)student. Dat gebeurt ook wanneer het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming hoger is dan de (resterende) studieschuld. In dat geval wordt het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming dat nog resteert na aftrek van de studieschuld uitbetaald aan de (oud-)student. DUO vermeldt in de beschikking waarbij (een deel van) de aanvullende tegemoetkoming wordt uitbetaald, het bij hem bekende rekeningnummer. Een (oud‑)student moet alleen een rekeningnummer doorgeven als DUO niet beschikt over een rekeningnummer of als de (oud-)student de aanvullende tegemoetkoming op een ander rekeningnummer uitbetaald wil krijgen.
Voor de aanvullende tegemoetkoming is € 1,4 miljard beschikbaar. Als gevolg van de uitbreiding van de doelgroep komen meer (oud-)studenten dan eerst in aanmerking voor de tegemoetkoming. De kosten hiervan worden uit dit budget gedekt. Ook de uitvoeringskosten voor DUO van € 4,9 miljoen en de rechtspraak van € 0,32 miljoen (zie paragraaf 5.1 en 6.3) worden in overeenstemming met het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma uit dit budget gedekt. Het resterende budget wordt vervolgens naar rato verdeeld.
Bij de tegemoetkoming is voor de verdeling van het budget over de studenten gekozen voor een verdeling per maand dat de student nominaal onder het leenstelsel studeerde, wat aansluit bij de voorwaarde voor een basisbeurs, met een minimum van twaalf maanden. Dit betekent dat studenten die een opleiding met een nominale duur van vier jaar volledig onder het leenstelsel hebben afgerond aanspraak kunnen maken op een hogere tegemoetkoming dan studenten die slechts één jaar onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Indien een student heeft gekozen om langer over zijn studie te doen, bijvoorbeeld om bestuurswerkzaamheden op te pakken, dan blijft de maximale vergoeding staan op het aantal nominale jaren van de opleiding. Bij een vierjarige opleiding zal dat achtenveertig maanden zijn. Indien de prestatiebeursrechten vanwege een handicap of chronische ziekte op grond van artikel 5.2b WSF 2000 zijn verlengd, dan wordt deze verlenging meegenomen in de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming.12 Bij de aanvullende tegemoetkoming wordt aangesloten bij deze systematiek. Rekening houdende met de eerdergenoemde uitvoerings- en uitbreidingskosten levert dit een aanvullende tegemoetkoming op van € 44,50 per maand dat een student onder het leenstelsel heeft gestudeerd.
In paragraaf 4.5 wordt ingegaan op de verwerking van persoonsgegevens. Daar wordt geconcludeerd dat het gebruik van deze gegevens voor het toekennen van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming noodzakelijk en proportioneel wordt geacht.
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs en de daarop gevolgde lagere regelgeving is de toekenning van de tegemoetkoming geregeld in artikel 12.30 WSF 2000, de artikelen 21a, 21b en 21c BSF 2000 en artikel 2.7 van de Regeling studiefinanciering 2000 (RSF 2000). Met dit wetsvoorstel wordt artikel 12.30 WSF 2000 gewijzigd in verband met de toekenning van de aanvullende tegemoetkoming en de uitbreiding van de doelgroep. De bepalingen in het BSF 2000 en de RSF 2000 worden voor zover nodig bij lagere regelgeving gewijzigd.
Studenten die tijdens het leenstelsel hebben gestudeerd en die aan de voorwaarden voldoen, komen, in aanvulling op de tegemoetkoming, in aanmerking voor de aanvullende tegemoetkoming. Hiermee wordt hun studieschuld verminderd of – als zij geen studieschuld (meer) hebben – krijgen zij (het restant van) de aanvullende tegemoetkoming uitbetaald.
De aanvullende tegemoetkoming wordt uitgekeerd vanaf april 2027. Studenten die onder de nieuw toegevoegde doelgroepen vallen, ontvangen vanaf april 2027 zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming.
De bedragen van de tegemoetkomingen worden jaarlijks bij ministeriële regeling per 1 januari geïndexeerd. Deze geïndexeerde (hogere) bedragen gelden voor studenten die de tegemoetkomingen op een later moment toegekend krijgen. In onderstaand overzicht staan de bedragen van de beide tegemoetkomingen. De aanvullende tegemoetkoming wordt vóór de uitkering vanaf april 2027 nog eenmaal geïndexeerd per 1 januari 2027. Zie in dit verband de toelichting bij artikel II van dit wetsvoorstel. Vervolgens wordt de aanvullende tegemoetkoming net als de tegemoetkoming jaarlijks op reguliere wijze geïndexeerd.
|
Overzicht verschillende tegemoetkomingen |
Bedrag per maand |
Bedrag voor vier jaar |
|---|---|---|
|
Tegemoetkoming1 |
€ 34,17 (prijspeil 2025) |
€ 1.640,16 (prijspeil 2025) |
|
Aanvullende tegemoetkoming |
€ 44,50 (prijspeil 2026) |
€ 2.136,00 (prijspeil 2026) |
De hoogte in prijspeil 2026 wordt eind 2025 bekend. Indexering vindt – los van dit wetsvoorstel – op reguliere wijze bij ministeriële regeling plaats.
De aanvullende tegemoetkoming wordt (net als de tegemoetkoming) van de studieschuld afgetrokken of (deels) uitbetaald als er geen studieschuld (meer) is. De aanvullende tegemoetkoming is (net als de tegemoetkoming) niet belast voor de inkomstenbelasting in box 1.
De aanvullende tegemoetkoming kan (net als de tegemoetkoming) gevolgen hebben voor de vermogensbelasting in box 3. Als de aanvullende tegemoetkoming wordt afgetrokken van de studieschuld, kan dat gevolgen hebben voor de aftrekbaarheid van de studieschuld in box 3. In geval van (gedeeltelijke) uitbetaling verhoogt de aanvullende tegemoetkoming het vermogen van de ontvanger. Als het totale vermogen meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen, kan dat gevolgen hebben voor de heffing over vermogen in box 3.
De hoogte van het vermogen is ook voor verschillende vermogensafhankelijke regelingen relevant. Bij de Participatiewet (bijstand) is het vermogen op elk moment relevant. Bij onder meer de toeslagen en de Wet langdurige zorg (Wlz) is het vermogen op peildatum 1 januari relevant. Het uitbetalen van de beide tegemoetkomingen kan leiden tot terugvorderingen (bijstand en toeslagen) of een hogere eigen bijdrage (Wlz). Een (oud‑)student kan de tegemoetkomingen weigeren door deze bijvoorbeeld terug te storten, maar dat kan gevolgen hebben voor de bijstandsuitkering. De gemeente kan dat zien als onredelijk gebruik maken van eigen geld, waardoor de (oud-)student zich ‘bijstandsafhankelijk’ maakt. Dit kan leiden tot een korting op de bijstandsuitkering. Het weigeren van de tegemoetkomingen heeft geen gevolgen voor toeslagen en Wlz.
DUO informeert (oud-)studenten over de gevolgen die de tegemoetkomingen (kunnen) hebben voor het vermogen. Daarbij wordt ook benoemd dat het effect kan hebben op de bijstand, toeslagen en Wlz. DUO zal zoveel mogelijk voorkomen dat de uitbetaling van de tegemoetkomingen vlak voor de vermogensvaststelling plaatsvindt.
Oud-studenten krijgen direct na hun studie te maken met veel veranderingen, zoals doorstromen naar een nieuwe of vervolgopleiding, een eerste (voltijds)baan en veranderingen in de woonsituatie. Al deze gebeurtenissen en veranderingen hebben invloed op het doenvermogen van de oud‑studenten. De aanvullende tegemoetkoming sluit qua vormgeving aan bij de tegemoetkoming. Dit draagt in belangrijke mate bij aan de ‘doenlijkheid’ van dit wetsvoorstel. Hieronder is beschreven hoe in dit wetsvoorstel verder rekening wordt gehouden met het doenvermogen.
Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, krijgen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. (Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens beschikbaar zijn bij DUO omdat zij studiefinanciering hebben aangevraagd, krijgen de tegemoetkoming en in vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend (zie ook paragraaf 2.2.4, onder Ambtshalve toekennen).
(Oud-)studenten ontvangen een beschikking over de toekenning met het bedrag dat wordt afgetrokken van de studieschuld en/of wordt uitbetaald. (Oud-)studenten waarbij de (aanvullende) tegemoetkoming (gedeeltelijk) wordt uitbetaald, hoeven alleen actie te ondernemen als DUO niet beschikt over een rekeningnummer of als zij de uitbetaling op een ander rekeningnummer willen ontvangen.
(Oud‑)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens niet beschikbaar zijn bij DUO omdat zij geen studiefinanciering hebben aangevraagd, moeten een aanvraag doen om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen. Als zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen (zie ook paragraaf 2.2.4, onder Toekennen op aanvraag).
De aanvraagprocedure voor deze (kleine) groep zal zo laagdrempelig mogelijk worden ingericht. De (oud-)student kan in de aanvraagprocedure kenbaar maken te hebben gestudeerd onder het leenstelsel en zal moeten aantonen dat hij aanspraak had kunnen maken op studiefinanciering.
De student moet ook aantonen dat hij als gevolg van bijzondere omstandigheden hetzij geen diploma heeft kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar over heeft gedaan om een diploma te behalen. Hierbij wordt aangesloten bij de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 5.15 en 5.16 WSF 2000. De student kan dit aantonen met een beschikking van een Wajong‑uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk met een verklaring van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16 WSF 2000). Dit vraagt een zeker doenvermogen van een relatief kwetsbare groep (oud-)studenten. Er is geen andere mogelijkheid om de tegemoetkomingen toe te kennen, omdat deze (oud-)studenten en hun bijzondere omstandigheden niet bij DUO bekend zijn. Er is ook geen eenvoudiger manier om vast te stellen dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. Bovendien is het wenselijk om deze groep zoveel mogelijk gelijk te behandelen met de groep met bijzondere omstandigheden die wel studiefinanciering heeft aangevraagd.
Ook voor de onderwijsinstelling en in voorkomende gevallen een arts vraagt dit een zeker doenvermogen om een goede beoordeling van de bijzondere omstandigheden te maken.
Regeldrukkosten zijn alle kosten die een burger of bedrijf moet maken om aan wet- en regelgeving te voldoen. In deze paragraaf is bij de berekeningen gebruik gemaakt van de methodiek en standaarduurtarieven uit het Handboek Meting Regeldruk (september 2023). Regeldruk is breder dan tijd en geld, maar is ook hoe een verplichting wordt ervaren.
Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, krijgen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. (Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens beschikbaar zijn bij DUO omdat zij studiefinanciering hebben aangevraagd, krijgen de tegemoetkoming en in vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend. Deze (oud‑)studenten hoeven in beginsel geen actie te ondernemen. Deze (oud‑)studenten hoeven alleen actie te ondernemen als de (aanvullende) tegemoetkoming (gedeeltelijk) wordt uitbetaald en als DUO niet beschikt over een rekeningnummer of als zij de uitbetaling op een ander rekeningnummer willen ontvangen. Dit leidt tot een regeldruk van 2 minuten per (oud-)student om kennis te nemen van de toekenningsbeschikking (100 procent van de (oud-)studenten) en 3 minuten extra per (oud‑)student als deze een rekeningnummer moet doorgeven of wil wijzigen (3 procent van de (oud‑)studenten). Het gaat in totaal om ongeveer 1.070.000 (oud‑)studenten. De regeldruk daarvan komt uit op € 0,57‑1,42 per (oud-)student (bij uurtarief ‘burgers’ van € 17) en afgerond € 634.000 totaal (incidenteel). Op individuele basis zullen (oud-)studenten van de toekenning van de beide tegemoetkomingen dan ook geen of weinig regeldruk ervaren.
(Oud‑)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens niet beschikbaar zijn bij DUO omdat zij geen studiefinanciering hebben aangevraagd, moeten een aanvraag doen om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen. Als zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen. Deze (oud‑)studenten moeten de tegemoetkoming aanvragen en daarbij hun bijzondere omstandigheden aantonen. Deze (oud‑)studenten moeten een formulier invullen om de tegemoetkoming aan te vragen en daarbij enkele bewijsstukken voegen (inschrijvingsgegevens, leeftijd en indien van toepassing gegevens over nationaliteit en arbeid). Ook moeten deze (oud‑)studenten een formulier invullen over hun bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan zij hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen en daarbij bewijsstukken voegen (een verklaring van de onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts).
• (Oud-)studenten: Het gaat om enkele tientallen (oud-)studenten. De berekening van de regeldruk gaat uit van ongeveer 100 (oud-)studenten. Naar verwachting zullen (oud‑)studenten gemiddeld ongeveer 3,5 uur bezig zijn met het doen van een aanvraag voor de tegemoetkoming inclusief het verzamelen van documenten, bezoek aan of contact met de onderwijsinstelling en in 85% van de gevallen een bezoek aan een arts (reistijd en gemiddeld € 30 reiskosten). De kosten daarvan komen uit op € 90 per (oud-)student (bij uurtarief ‘burgers’ van € 17) en afgerond € 9.000 totaal (incidenteel).
• Onderwijsinstellingen: De berekening van de regeldruk gaat uit van maximaal 100 benodigde verklaringen van onderwijsinstellingen. Naar verwachting zullen onderwijsinstellingen gemiddeld ongeveer 1,5 uur bezig zijn met bezoek van of contact met de (oud-)student, het opstellen van een verklaring inclusief het verzamelen van documenten en het inhoudelijk beoordelen van het verzoek. De kosten daarvan komen uit op € 81 per onderwijsinstelling per (oud-)student (bij uurtarief ‘hoogopgeleide medewerkers’ van € 54) en afgerond € 8.100 totaal (incidenteel).
• Artsen: De berekening van de regeldruk gaat uit van maximaal 85 benodigde verklaringen van artsen (85% van de aanvragen). Naar verwachting zullen artsen gemiddeld ongeveer 45 minuten bezig zijn met het consult met de (oud-)student, het opstellen van een verklaring inclusief het verzamelen van documenten en het inhoudelijk beoordelen van het verzoek. De kosten daarvan komen uit op € 41 per arts per (oud-)student (bij uurtarief ‘hoogopgeleide medewerkers’ van € 54) en afgerond € 3.500 totaal (incidenteel).
Dit leidt tot een eenmalige regeldruk van afgerond € 20.500 in totaal. De (kleine) groep (oud‑)studenten zal hier ook regeldruk van ervaren. Zij kunnen de afweging maken of deze inspanning opweegt tegen het bedrag van de beide tegemoetkomingen waarop zij recht zouden krijgen. Onderwijsinstellingen en artsen hebben deze keuzeruimte niet.
Een deel van de (oud-)studenten zal in bezwaar gaan tegen de beschikking over de (aanvullende) tegemoetkoming. Bij een positief besluit waarschijnlijk tegen de hoogte van de tegemoetkoming. Bij een negatief besluit waarschijnlijk tegen de afwijzing van de tegemoetkoming. Een deel van de bezwaren zal relatief weinig inspanning vragen van de (oud‑)student. Het gaat dan bijvoorbeeld om een bezwaar tegen de vaststelling van het aantal maanden recht op tegemoetkoming. Alleen van de (oud-)student zonder studiefinanciering die in het kader van zijn aanvraag moet aantonen dat bij hem sprake is van bijzondere omstandigheden zal een bezwaar tegen een negatief besluit waarschijnlijk aanmerkelijk meer inspanning vragen. Doorgaans zal deze (oud-)student zich dan opnieuw tot zijn onderwijsinstelling en/of arts moeten wenden voor een aanvullende verklaring. Dit zal mogelijk om enkele tientallen (oud-)studenten gaan. Bezwaar maken vraagt gemiddeld een inspanning van 45 minuten. Dat betekent dat de kosten voor het maken van bezwaar ongeveer € 12,75 per bezwaar zijn (bij uurtarief ‘burgers’ van € 17). Naar verwachting gaan ongeveer 2.000 (oud-)studenten in bezwaar.13 Daarmee komen de totale regeldrukkosten van bezwaar maken op ongeveer € 25.500 totaal (incidenteel). In (hoger) beroep gaan is geen onderdeel van de beoordeling van de regeldruk.
Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor het verwerken van persoonsgegevens. In verband hiermee is een Data Protection Impact Assessment (DPIA) opgesteld.
Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, krijgen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Hiervoor zullen gegevens gebruikt worden die al bij DUO bekend zijn voor het toekennen van de tegemoetkoming en het innen van de studieschuld. Omdat deze groep eerder de tegemoetkoming toegekend heeft gekregen, hoeven de persoonsgegevens niet opnieuw verwerkt te worden. De historische toekenning van de tegemoetkoming is een voldoende gegeven om over te gaan tot de ambtshalve toekenning van de aanvullende tegemoetkoming.
Verder krijgt een deel van de (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep de tegemoetkoming en in vervolg daarop (zie boven) de aanvullende tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend. Het gaat om (oud-)studenten die vanwege bijzondere omstandigheden geen diploma hebben kunnen behalen en bij wie op grond van artikel 5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000 de toegekende prestatiebeurs is omgezet in een gift. Hiervoor zullen gegevens gebruikt worden die al bij DUO bekend zijn voor het toekennen van de studiefinanciering, het omzetten van de prestatiebeurs in een gift bij bijzondere omstandigheden en het innen van de studieschuld.
Bovenbedoelde gegevens zullen gebruikt worden voor een ander doel dan oorspronkelijk was voorzien, namelijk het toekennen van de tegemoetkoming respectievelijk de aanvullende tegemoetkoming. Doordat de tegemoetkomingen in beginsel worden afgetrokken van de studieschuld ligt dit wel in het verlengde van het innen van de studieschuld. Die wordt immers lager door de tegemoetkomingen. Bovendien zijn de tegemoetkomingen in het voordeel van de (oud‑)student. Verder zou het inrichten van een aanvraagprocedure voor alle (oud-)studenten leiden tot een onnodige verhoging van de regeldruk bij de (oud-)studenten en van de werklast bij DUO. (Oud-)studenten zouden dan gegevens bij DUO moeten aanleveren waarover DUO al beschikt.
Verder moet een deel van de (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep de tegemoetkoming aanvragen. Het gaat om (oud-)studenten die niet eerder studiefinanciering hebben ontvangen. Zij hebben daardoor geen relatie met DUO, waardoor hun gegevens niet bekend zijn bij DUO. Wanneer deze (oud-)studenten de tegemoetkoming toegekend krijgen, krijgen zij in vervolg daarop (zie boven) de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
Deze (oud-)studenten moeten bij de aanvraag gegevens overleggen waaruit blijkt dat zij ten tijde van het leenstelsel wel aanspraak maakten op studiefinanciering. Het gaat om de volgende gegevens: inschrijvingsgegevens, leeftijd en indien van toepassing gegevens over nationaliteit en arbeid – zie paragraaf 2.2.4. Verder moeten zij gegevens overleggen waaruit blijkt dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden geen diploma hebben kunnen behalen of er langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. Het gaat om de volgende gegevens: een beschikking van een Wajong-uitkering, respectievelijk een verklaring van een onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts – zie paragraaf 2.2.4 (en – specifiek in verband met de genoemde verklaringen – artikel 5.16, vijfde lid, WSF 2000).
Voor het toekennen van de tegemoetkoming aan (oud-)studenten die geen relatie met DUO hebben, wordt deze (oud-)studenten verzocht om de benodigde gegevens met DUO te delen. Waar het gaat om een benodigde verklaring van een arts zijn dit medische gegevens en dus bijzondere persoonsgegevens. Deze gegevens worden door DUO niet met een derde gedeeld. Omdat deze (oud-)studenten zelf de aanvraag indienen, heeft DUO geen controle op de hoeveelheid aan gegevens die de (oud-)student aanlevert. Wel is in het aanvraagformulier duidelijk vermeld welke gegevens aangeleverd moeten worden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming.
Bovenbedoelde gegevens zullen gebruikt worden voor het toekennen van de tegemoetkoming. Zonder deze gegevens kan DUO niet vaststellen of de (oud-)student daarop recht heeft. Daarbij komt dat op deze wijze voor de vraag of recht bestaat op de tegemoetkoming de bijzondere omstandigheden van de (oud-)studenten die wel en die geen studiefinanciering hebben ontvangen op dezelfde wijze worden beoordeeld.
DUO hanteert verschillende waarborgen om te voorkomen dat gegevens door onbevoegden worden ingezien en/of misbruikt. Dit zijn de waarborgen die altijd gelden voor het toekennen van studiefinanciering en die uitgebreid zijn vastgelegd in het DPIA Toekennen studiefinanciering.
Gelet op voorgaande wordt de beschreven gegevensverzameling en -verwerking voor het toekennen van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming noodzakelijk en proportioneel geacht.
Net als de tegemoetkoming, wordt de aanvullende tegemoetkoming beschikbaar gesteld aan alle (oud-)studenten. Gelet op het eenmalige karakter van de aanvullende tegemoetkoming en de gelijke hoogte van deze tegemoetkoming voor alle (oud‑)studenten is de verwachting dat het effect van dit wetsvoorstel op de gendergelijkheid neutraal is. Dit wetsvoorstel vergroot noch verkleint de verschillen.
Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor inwoners van Caribisch Nederland die ten tijde van het leenstelsel in het Europees deel van Nederland hebben gestudeerd. Als zij voldoen aan de voorwaarden voor de tegemoetkomingen, dan komen ook zij daarvoor in aanmerking. Dit geldt ook voor studenten uit de andere landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten). De Wet studiefinanciering BES (WSF BES) wordt met dit wetsvoorstel niet gewijzigd.14
DUO heeft op 14 mei 2025 een uitvoeringstoets uitgebracht. Ook in de beleidsvoorbereiding heeft DUO al intensief meegewerkt en zijn signalen van DUO meegenomen. Dit wetsvoorstel leidt tot aanpassingen van de systemen en processen bij DUO voor het toekennen van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. Ook is extra communicatie nodig richting (oud-)studenten en decanen.
Volgens DUO is het wetsvoorstel uitvoerbaar tegen de kosten die in de uitvoeringstoets zijn genoemd. De totale kosten voor de invoering en voor de uitvoering gedurende de looptijd van de regeling tot en met 2036 zijn € 4,9 miljoen (prijspeil 2025). Deze kosten worden in overeenstemming met het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma gedekt uit het beschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard.
DUO adviseert om het wetsvoorstel uit te voeren vanaf april 2027. Deze periode valt na de reguliere pieken in de dienstverlening en het bezwaarproces in het eerste kwartaal. De dienstverlening kan dan het beste worden vormgegeven. De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2027. De toekenning en uitkering van de (aanvullende) tegemoetkoming zal vervolgens vanaf april 2027 plaatsvinden. Het laatste is op diverse plekken in deze toelichting nu concreet ingevuld.
DUO stelt voor om artikel 7.1 WSF 2000 te wijzigen om de herziening van beschikkingen inzake de tegemoetkomingen juridisch mogelijk te maken. Hiervoor is geen aanleiding. Dit artikel biedt al een grondslag om beschikkingen inzake de tegemoetkomingen te herzien, nu de tegemoetkoming valt onder het begrip ‘studiefinanciering’ als bedoeld in dat artikel.
Tot slot geeft DUO aan dat zij in juli/augustus 2025 moet starten met de voorbereiding van de invoering om de (aanvullende) tegemoetkoming vanaf 2027 uit te kunnen keren. De voorbereiding van de invoering loopt daarmee parallel aan het verdere wetstraject.
Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd aanspraak maken op een aanvullende tegemoetkoming. Verder wordt de doelgroep voor de tegemoetkoming (en in het verlengde daarvan de aanvullende tegemoetkoming) enigszins uitgebreid. De toekenning dan wel afwijzing van een tegemoetkoming is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Tegen besluiten genomen op grond van de WSF 2000 staat beroep open bij de rechtbanken en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Dit levert naar verwachting in totaal ongeveer 110 extra (hoger)beroepszaken op, bezien over de gehele looptijd van de regeling. De tegemoetkomingsregeling is een tijdelijke regeling. Na afloop zijn er geen extra lasten meer voor de rechtspraak.
Met dit wetsvoorstel worden financiële middelen ingezet voor de aanvullende tegemoetkoming en voor de uitbreiding van de doelgroep voor de tegemoetkoming (en in het verlengde daarvan de aanvullende tegemoetkoming). Voor de aanvullende tegemoetkoming is € 1,4 miljard beschikbaar gesteld in het regeerprogramma.
In de eerste suppletoire begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor het begrotingsjaar 2025 is € 47 miljoen toegevoegd voor indexatie van de aanvullende tegemoetkoming naar prijspeil 2026.
De uitvoeringskosten zijn voor DUO € 4,9 miljoen en voor de rechtspraak € 0,32 miljoen (zie paragraaf 5.1 en 6.3). De uitvoeringskosten worden in overeenstemming met het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma uit het totaalbudget gedekt. De uitvoeringskosten voor de rechtspraak worden naar de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid overgeboekt.
|
2025 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
2031 |
2032 |
struc. |
|
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Aanvullende tegemoetkoming |
0 |
0 |
1.327 |
48 |
28 |
15 |
9 |
6 |
0 |
Bedragen x € miljoen
Het wetsvoorstel heeft van 24 maart 2025 tot en met 2 mei 2025 opgestaan voor internetconsultatie. De consultatie heeft 28 reacties opgeleverd, waarbij 23 respondenten hebben gekozen voor een openbare reactie. Het gaat om reacties van (oud‑)studenten, een studentendecaan en overige burgers. De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) heeft ook een reactie ingediend.
Over het algemeen is positief gereageerd op de aanvullende tegemoetkoming en de uitbreiding van de doelgroep. Wel vinden meerdere respondenten de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming te laag. Een aantal respondenten legt hierbij een verband met de hoogte van de rente op de studielening en met de gevolgen van een studielening voor het kopen van een huis. De reacties hebben geen aanleiding gegeven om het wetsvoorstel te wijzigen. De regering bedankt iedereen die heeft gereageerd op het wetsvoorstel. Hieronder gaat de regering – voor zover nodig – in op de reacties.
De meeste respondenten kijken positief naar een aanvullende tegemoetkoming, maar geven daarbij aan dat de voorgestelde hoogte van die tegemoetkoming te laag is. Zij vinden deze te laag in verhouding tot de gemiste basisbeurs, de hoogte van hun studieschuld of hun huidige persoonlijke omstandigheden. In reactie daarop merkt de regering op te begrijpen dat een hoge studieschuld vervelend is voor (oud‑)studenten. Het is echter hoogst uitzonderlijk dat bij een beleidswijziging een tegemoetkoming wordt gegeven. Aangezien deze beleidswijziging hier na acht jaar weer is teruggedraaid, heeft de wetgever eerder bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs besloten om de (oud‑)studenten die hiermee te maken hebben gehad een tegemoetkoming te geven. De regering vindt die tegemoetkoming te laag en heeft daarom besloten om deze (oud‑)studenten (ook) een aanvullende tegemoetkoming te geven. Er zijn beperkte financiële middelen beschikbaar en daarom moeten er scherpe keuzes worden gemaakt. Voor de aanvullende tegemoetkoming is € 1,4 miljard gereserveerd. In het ontwerpwetsvoorstel dat voorlag bij de internetconsultatie is een aanvullende tegemoetkoming opgenomen van ongeveer € 40 per maand studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel. Sindsdien is budget beschikbaar gesteld om de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming te indexeren. Daarnaast zijn de definitieve uitvoeringskosten berekend en is de raming van het aantal rechthebbende (oud‑)studenten geactualiseerd. Dit resulteert in een aanvullende tegemoetkoming van € 44,50 per maand studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel (prijspeil 2026). Dit is € 2.136,00 per vier jaar studie. Deze aanvullende tegemoetkoming komt bovenop de eerder ingevoerde tegemoetkoming van € 34,17 per maand studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel (prijspeil 2025). Dit is € 1.640,16 per vier jaar studie.
Enkele respondenten stellen voor de behoefte van elke (oud‑)student aan tegemoetkoming te bekijken, te kiezen voor (volledige) kwijtschelding van de studieschuld of te kiezen voor een structurele tegemoetkoming. De regering kiest voor een incidentele aanvullende tegemoetkoming. Dit past bij het maken van een gebaar. De regering kiest hierbij voor een generieke aanvullende tegemoetkoming voor alle (oud‑)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Voor al deze studenten geldt immers in dezelfde mate dat zij in die periode geen basisbeurs hebben ontvangen.
Eén respondent stelt voor om in plaats van een ondergrens van twaalf maanden studiefinanciering te kiezen voor een ondergrens van één studiejaar ook als de (oud‑)student in dat studiejaar minder dan twaalf maanden studiefinanciering heeft gehad. Hierdoor zouden bijvoorbeeld (oud‑)studenten die tijdens een éénjarige master minder dan twaalf maanden studiefinanciering hebben gehad ook in aanmerking kunnen komen voor de (aanvullende) tegemoetkoming. De regering kiest ervoor om alleen (oud‑)studenten die voor een substantiële periode met aanspraak op studiefinanciering onder het leenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking te brengen voor de aanvullende tegemoetkoming. Hetzelfde heeft de wetgever ook besloten bij de eerder ingevoerde tegemoetkoming. Daarbij is gekozen voor een ondergrens van twaalf maanden wat overeenkomt met één volledig studiejaar. De regering begrijpt dat dit vervelend is voor (oud‑)studenten die (net) niet aan die grens voldoen, maar elke grens brengt mee dat er altijd personen zullen zijn die net boven of net onder de grens zitten. Dit is helaas niet te voorkomen. Deze keuze is in paragraaf 2.2.1 nader toegelicht.
Een aantal respondenten spreekt (in)direct steun uit voor de uitbreiding van de doelgroep met (oud‑)studenten die vanwege bijzondere (medische) omstandigheden geen diploma hebben gehaald of langer hebben gedaan over het halen van een diploma. Geen van de respondenten was tegen deze uitbreiding van de doelgroep.
Eén respondent stelt voor om een hogere tegemoetkoming te geven aan (oud‑)studenten met bijzondere (medische) omstandigheden. De regering kiest voor een generieke (aanvullende) tegemoetkoming voor alle (oud‑)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Voor al deze studenten geldt immers in dezelfde mate dat zij in die periode geen basisbeurs hebben ontvangen. Het past hierbij niet om specifieke groepen (oud‑)studenten een hogere (aanvullende) tegemoetkoming te geven.
Een andere respondent stelt voor om ook (oud‑)studenten die geraakt zijn door de toeslagenaffaire en die geen diploma hebben gehaald een aanvullende tegemoetkoming te geven. In dit wetsvoorstel komen ook (oud‑)studenten die vanwege bijzondere omstandigheden geen diploma hebben gehaald of langer hebben gedaan over het halen van een diploma in aanmerking voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij sluit de regering aan bij de bestaande regels in geval van bijzondere omstandigheden in de WSF 2000. Geraakt zijn door de toeslagenaffaire is daarbij geen criterium. (Oud‑)studenten die geraakt zijn door de toeslagenaffaire komen – net als alle andere (oud‑)studenten – als zij aan de gestelde voorwaarden voldoen in aanmerking voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming.
De regering staat hierbij ook stil bij enkele reacties en veronderstellingen die de respondenten in hun reacties hebben geuit welke niet (direct) zien op het wetsvoorstel.
In enkele reacties is opgemerkt dat voorafgaand aan het leenstelsel zou zijn toegezegd dat de studieschuld niet meetelt bij het aanvragen van een hypotheek. Dit is niet juist. Bij het verstrekken van een hypothecair krediet dient de kredietverstrekker op grond van de Wet op het financieel toezicht informatie over de financiële positie van de consument in te winnen om overkreditering van de consument te voorkomen. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de financiële verplichtingen die een consument heeft. Het inkomen moet toereikend zijn om zowel aan de verplichtingen voor de hypotheek als voor de studieschuld te kunnen voldoen. Sommige (oud‑)studenten met een studieschuld kunnen vanaf 2024 wel een hogere hypotheek krijgen dan in de voorgaande jaren. Dit komt omdat de bank of andere hypotheekverstrekkers vanaf 2024 kijken naar het actueel te betalen maandbedrag aan aflossing en rente op de studieschuld. (Als een (oud‑)student tijdelijk geen of een minder hoog maandbedrag betaalt (bijvoorbeeld door draagkracht), gaat de hypotheekverstrekker uit van het bedrag dat per maand zou moeten worden betaald.) Voor 2024 keken hypotheekverstrekkers naar de oorspronkelijke (totale) studieschuld. Hierbij werden (extra) aflossingen op de studieschuld niet altijd goed meegenomen.
Daarnaast stellen meerdere respondenten dat de rente op de studieschuld moet worden verlaagd (in sommige reacties naar 0%) en dat ook dit eerder zou zijn toegezegd. Ook dit is niet juist. In de WSF 2000 is bepaald hoe de hoogte van de rente wordt berekend. De rente op de studieschuld wordt steeds aan het einde van het jaar vastgesteld voor het volgende jaar. Deze rente is afhankelijk van de rente op de staatsobligaties. Ter illustratie: de rente in 2008 piekte op 4,17% en is daarna gedaald tot 0,01% in 2016. De rente was van 2017 tot en met 2022 0%. Daarna is de rente van het terugbetalingsregime dat uitgaat van aflossing in maximaal 35 jaar gestegen naar 0,46% in 2023 tot 2,57% in 2025.
In een Kamerbrief van 22 november 2022 is op de vermeende beloftes rond hypotheken en rente ingegaan.15
Tot slot gaan enkele respondenten in op andere aspecten van de studiefinanciering, zoals de aanvullende beurs en de tegemoetkoming ter vervanging van de studievoorschotvoucher. Deze onderwerpen vallen buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel en worden hier daarom buiten beschouwing gelaten.
Een aantal respondenten gaat niet in op de inhoud van het wetsvoorstel, maar op hun persoonlijke (financiële) situatie en de studiefinanciering die zij (hebben) ontvangen. Deze respondenten kunnen – als zij dat willen – bij vragen hierover contact opnemen met DUO. Op de website van DUO staat op welke manieren contact kan worden opgenomen.
De Autoriteit persoonsgegevens (AP) heeft op 12 juni 2025 advies uitgebracht. De AP heeft gekeken naar de bescherming van persoonsgegevens in het wetsvoorstel. De AP heeft geen opmerkingen bij het wetsvoorstel.
De Raad voor de rechtspraak (RvdR) heeft op 21 mei 2025 advies uitgebracht. De RvdR heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het wetsvoorstel. De uitvoeringskosten voor de rechtspraak zijn in totaal € 0,32 miljoen. Het gaat naar verwachting om 110 extra (hoger)beroepszaken. Het grootste deel van de extra werklast is in 2027 en 2028. Na deze periode is de extra werklast beperkt. De regeling is na ongeveer tien jaar uitgewerkt. De uitvoeringskosten voor de rechtspraak worden in overeenstemming met het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma gedekt uit het beschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft op 9 april 2025 advies uitgebracht. Het ATR heeft gekeken naar nut en noodzaak van het wetsvoorstel en naar mogelijkheden voor minder belastende alternatieven. Ook heeft het ATR gekeken naar de werkbaarheid van het wetsvoorstel en naar de (berekening van de) regeldruk. Het ATR heeft geen opmerkingen met betrekking tot deze punten en adviseert het wetsvoorstel in te dienen.
De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal worden geregeld bij koninklijk besluit met de mogelijkheid om terugwerkende kracht te verlenen aan de onderdelen die betrekking hebben op het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming en de indexering daarvan. Het streven is om dit wetsvoorstel op 1 januari 2027 in werking te laten treden.
De communicatie over dit wetsvoorstel verloopt (grotendeels) via DUO. DUO zal voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel breed algemeen communiceren over de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. De (oud‑)studenten die bekend zijn bij DUO ontvangen beschikkingen over de tegemoetkoming(en). Daarnaast zal DUO de bij de tegemoetkoming gestarte informatiecampagne voortzetten om de (oud-)studenten te bereiken die niet bij DUO bekend zijn. Deze (oud-)studenten hebben en houden speciale aandacht in de communicatie, omdat zij zelf de tegemoetkoming moeten aanvragen. Wanneer zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, krijgen zij de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is artikel 12.30 toegevoegd aan de WSF 2000. Daarmee is voorzien in de grondslag om een tegemoetkoming toe te kennen aan (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en die geen aanspraak konden maken op een basisbeurs. Met de voorgestelde wijziging van artikel 12.30 wordt voorzien in de grondslag om een aanvullende tegemoetkoming toe te kennen aan deze (oud-)studenten. In deze toelichting worden deze tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming samen de tegemoetkomingen genoemd. Deze tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming staan los van de tegemoetkoming ter vervanging van de studievoorschotvoucher van artikel 12.15 WSF 2000.
Met de voorgestelde wijziging van het tweede lid van artikel 12.30 wordt de groep (oud‑)studenten die in aanmerking komt voor de tegemoetkomingen uitgebreid ten opzichte van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs. Ook een (oud-)student die als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is geweest binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen kan in aanmerking komen voor de tegemoetkomingen (voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2°) en ook een (oud-)student die op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs recht heeft gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) kan daarvoor in aanmerking komen (voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 3°). De uitbreiding van de doelgroep geldt voor alle (oud-)studenten ongeacht of zij wel of geen studiefinanciering hebben aangevraagd. Voor de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, geldt niet de diplomatermijn hoger onderwijs. Deze (oud-)student moet binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs voldoen aan de voorwaarden van het voorgestelde artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2° of 3°, om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van het huidige artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c. De toepassingsvoorwaarden van het voorgestelde artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2° en 3°, sluiten inhoudelijk aan bij de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 5.16, derde lid, en 5.15 WSF 2000.
De diplomatermijn hoger onderwijs kan op grond van artikel 5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000 bij bijzondere omstandigheden van tijdelijke dan wel structurele aard worden verlengd met de duur van die omstandigheden tot en met maximaal vijftien jaar. Als sprake is van een verlenging van de diplomatermijn hoger onderwijs werkt dit door bij de toepassing van het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30. Met het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 12.30 wordt voor de (oud‑)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd geregeld dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden van tijdelijke dan wel structurele aard de termijn van tien jaar in het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30 wordt verlengd met de duur van die omstandigheden tot en met maximaal vijftien jaar. Indien de (oud-)student vervolgens binnen die verlengde termijn voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van het voorgestelde artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 1° (diploma gehaald), 2° (geen diploma gehaald door bijzondere omstandigheden) of 3° (Wajong-uitkering), kan hij (alsnog) in aanmerking komen voor de tegemoetkomingen. De toepassingsvoorwaarden van het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 12.30 sluiten inhoudelijk aan bij de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000.
Met het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 12.30 wordt geregeld dat voor (oud‑)studenten die op grond van artikel 5.16, vierde lid, WSF 2000 een nieuwe aanspraak op studiefinanciering hebben ontvangen bij de toepassing van het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30 alleen de periode van de nieuwe aanspraak op studiefinanciering wordt betrokken. De tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming zijn bedoeld als gebaar voor het hebben moeten missen van een basisbeurs. Als de (oud-)student een nieuwe aanspraak op studiefinanciering heeft ontvangen in de periode ná de leenstelselperiode heeft hij (alsnog) aanspraak kunnen maken op een basisbeurs. Als de (oud-)student een nieuwe aanspraak op studiefinanciering heeft ontvangen in de periode tijdens de leenstelselperiode kan hij voor die nieuwe periode (alsnog) aanspraak maken op de tegemoetkomingen.
Met de voorgestelde wijziging van het vijfde lid (nu derde lid) van artikel 12.30 wordt de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming vastgesteld. Het gaat om een bedrag per maand van € 44,50 (prijspeil 2026). Met de voorgestelde wijziging van het vijfde lid (nu derde lid) van artikel 12.30 wordt de systematiek van de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming(en) niet gewijzigd.
Met de voorgestelde wijziging van het zesde lid (nu vierde lid) van artikel 12.30 wordt geregeld dat deze afwijkingsbepaling alleen geldt voor de (oud-)studenten die vallen onder voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 1°. Met deze afwijkingsbepaling is (kort gezegd) geregeld dat (oud-)studenten die een opleiding van korter dan vier jaar hebben afgerond, slechts voor de duur van die opleiding in aanmerking komen voor de tegemoetkomingen. Deze afwijkingsbepaling is niet van toepassing voor de (oud‑)studenten die vallen onder voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2° of 3°. Deze (oud-)studenten hebben immers juist geen opleiding afgerond (onder 2°) of voor hen is voor het recht op tegemoetkoming niet relevant of zij wel of geen opleiding hebben afgerond (onder 3°). Voor deze (oud‑)studenten onder 2° of 3° wordt voor de berekening van de hoogte van de tegemoetkomingen uitgegaan van maximaal het aantal maanden waarin zij recht op prestatiebeurs hadden en/of, als zij geen studiefinanciering hebben aangevraagd, dat hadden kunnen hebben als zij wel studiefinanciering zouden hebben aangevraagd.
In dit wetsvoorstel wordt de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming vastgesteld. Het gaat om een bedrag per maand van € 44,50 (prijspeil 2026). De wet regelt een jaarlijkse indexering per 1 januari van de bedragen van de tegemoetkomingen om er zo voor te zorgen dat de reële waarde van de tegemoetkomingen op peil blijft. De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is voorzien op 1 januari 2027, zodat normaal gesproken de indexering van het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming voor het eerst per 1 januari 2028 plaatsvindt. De indexering van het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming per 1 januari 2027 wordt in dat geval gemist.
Dit artikel regelt daarom dat bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat het vijfde en achtste lid (nu derde en zesde lid) van artikel 12.30 na inwerkingtreding terugwerken tot en met 1 september 2026. Dit zorgt ervoor dat de indexering van het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming per 1 januari 2027 niet wordt gemist.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Het beslag dat beide tegemoetkomingen leggen op de collectieve middelen is het equivalent van (bijvoorbeeld) 20% van de onderwijsbegroting voor het hoger onderwijs voor het jaar 2025. De gecombineerde geraamde uitgaven voor ‘aandeel hoger onderwijs’ (beleidsartikelen 6 en 7) bedragen namelijk € 11,56 miljard (Kamerstukken II 2024/25, 36 600-VIII, nr. 1).
Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2022 over het wetsvoorstel Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (W05.22.0113/I), Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 4.
In een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties, getiteld ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar’, heeft de Afdeling deze gedachten nader uitgewerkt met de bedoeling de overheid een aantal uitgangspunten aan te reiken voor het omgaan met klemmende situaties. Zie voor het afwegingskader de website van de Raad van State.
Zie nader afweging 9 van het afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties.
Deze budgetten zijn (en worden) feitelijk nog verhoogd in verband met de indexering van de tegemoetkomingen. Zie (bijvoorbeeld) voor de tegemoetkoming – Kamerstukken II 2023/24, 36 454, nr. 5, en voor de aanvullende tegemoetkoming – paragraaf 5.3 van de memorie van toelichting.
Afdeling advisering van de Raad van State, ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar. Een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties’, mei 2025, p. 12.
Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart 2025 over het wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs (W05.24.00331/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nr. 4.
Artikelen 4.12 en 5.2b WSF 2000. Alsmede de met de verlenging van de duur van de prestatiebeurs vanwege handicap of chronische ziekte, bedoeld in artikel 5.2b WSF 2000, samenhangende (gedeeltelijke) kwijtschelding van studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte, bedoeld in artikel 12.31 WSF 2000.
Het beslag dat beide tegemoetkomingen leggen op de collectieve middelen is het equivalent van (bijvoorbeeld) 20% van de onderwijsbegroting voor het hoger onderwijs voor het jaar 2025. De gecombineerde geraamde uitgaven voor ‘aandeel hoger onderwijs’ (beleidsartikelen 6 en 7) bedragen namelijk € 11,56 miljard (Kamerstukken II 2024/25, 36 600-VIII, nr. 1).
Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2022 over het wetsvoorstel Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (W05.22.0113/I), Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 4.
In een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties, getiteld ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar’, heeft de Afdeling deze gedachten nader uitgewerkt met de bedoeling de overheid een aantal uitgangspunten aan te reiken voor het omgaan met klemmende situaties. Zie voor het afwegingskader de website van de Raad van State.
Zie nader afweging 9 van het afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties.
Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart 2025 over het wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs (W05.24.00331/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nr. 4.
In de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ook een tegemoetkoming ter vervanging van de studievoorschotvoucher opgenomen (artikel 12.15 WSF 2000). In dit wetsvoorstel gaat het niet om die tegemoetkoming.
Wanneer de studieschuld wordt onderverdeeld naar verschillende categorieën zien we dat het aandeel studenten in de hoogste schuldencategorie in cohort 2015–2016 (eerste cohort onder het leenstelsel) fors hoger is dan in de voorgaande cohorten. Zo heeft 35 procent van de hbo-studenten en 35 procent van de wo‑studenten van cohort 2015–2016 een studieschuld van meer dan € 50.000. Voor cohort 2014–2015 is dit respectievelijk 12 en 22 procent. Verder heeft 22 procent van de hbo-studenten en 14 procent van de wo‑studenten van cohort 2015–2016 geen studieschuld. Voor cohort 2014–2015 is dit respectievelijk 27 en 14 procent (Trendrapport HO, paragraaf 6.2.1; verdeling studieschuld per cohort). Deze cijfers zijn geactualiseerd ten opzichte van de cijfers die zijn weergegeven in de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 13, voetnoot 29).
De hoogte van het bedrag wordt eind 2025 vastgesteld. Dit is mede afhankelijk van de raming van het aantal rechthebbende (oud-)studenten en de uitvoeringskosten. De hoogte wordt in prijspeil 2026 opgenomen.
De diplomatermijn omvat ook een eventueel toegekende verlenging van de diplomatermijn op grond van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000.
Indien het een student betreft die tijdens de studie de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt, geldt tevens de eis dat de student zonder onderbreking heeft gestudeerd. Dit volgt uit artikel 2.3, vierde lid, WSF 2000 in combinatie met artikel 12.30 WSF 2000.
Dit aantal is een inschatting gebaseerd op het aantal bezwaren van de (oud-)studenten die in januari 2025 de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen (ongeveer 54% van de rechthebbenden) geëxtrapoleerd naar alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming naar verwachting toegekend zullen krijgen.
Bij de Wet studievoorschot hoger onderwijs is ervoor gekozen om het leenstelsel alleen in te voeren in de WSF 2000 voor Europees Nederland en niet in de WSF BES voor Caribisch Nederland (Kamerstukken II 2014/15, 34 035, nr. 3, p. 51). Gelet daarop is bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs de tegemoetkoming ook alleen geregeld in de WSF 2000 en niet in de WSF BES. Hetzelfde geldt bij dit wetsvoorstel voor de aanvullende tegemoetkoming.
Het beslag dat beide tegemoetkomingen leggen op de collectieve middelen is het equivalent van (bijvoorbeeld) 20% van de onderwijsbegroting voor het hoger onderwijs voor het jaar 2025. De gecombineerde geraamde uitgaven voor ‘aandeel hoger onderwijs’ (beleidsartikelen 6 en 7) bedragen namelijk € 11,56 miljard (Kamerstukken II 2024/25, 36 600-VIII, nr. 1).
Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2022 over het wetsvoorstel Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (W05.22.0113/I), Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 4.
In een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties, getiteld ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar’, heeft de Afdeling deze gedachten nader uitgewerkt met de bedoeling de overheid een aantal uitgangspunten aan te reiken voor het omgaan met klemmende situaties. Zie voor het afwegingskader de website van de Raad van State.
Zie nader afweging 9 van het afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties.
Deze budgetten zijn (en worden) feitelijk nog verhoogd in verband met de indexering van de tegemoetkomingen. Zie (bijvoorbeeld) voor de tegemoetkoming – Kamerstukken II 2023/24, 36 454, nr. 5, en voor de aanvullende tegemoetkoming – paragraaf 5.3 van de memorie van toelichting.
Afdeling advisering van de Raad van State, ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar. Een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties’, mei 2025, p. 12.
Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart 2025 over het wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs (W05.24.00331/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nr. 4.
Artikelen 4.12 en 5.2b WSF 2000. Alsmede de met de verlenging van de duur van de prestatiebeurs vanwege handicap of chronische ziekte, bedoeld in artikel 5.2b WSF 2000, samenhangende (gedeeltelijke) kwijtschelding van studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte, bedoeld in artikel 12.31 WSF 2000.
Het beslag dat beide tegemoetkomingen leggen op de collectieve middelen is het equivalent van (bijvoorbeeld) 20% van de onderwijsbegroting voor het hoger onderwijs voor het jaar 2025. De gecombineerde geraamde uitgaven voor ‘aandeel hoger onderwijs’ (beleidsartikelen 6 en 7) bedragen namelijk € 11,56 miljard (Kamerstukken II 2024/25, 36 600-VIII, nr. 1).
Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2022 over het wetsvoorstel Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (W05.22.0113/I), Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 4.
In een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties, getiteld ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar’, heeft de Afdeling deze gedachten nader uitgewerkt met de bedoeling de overheid een aantal uitgangspunten aan te reiken voor het omgaan met klemmende situaties. Zie voor het afwegingskader de website van de Raad van State.
Zie nader afweging 9 van het afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties.
Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart 2025 over het wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs (W05.24.00331/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nr. 4.
In de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ook een tegemoetkoming ter vervanging van de studievoorschotvoucher opgenomen (artikel 12.15 WSF 2000). In dit wetsvoorstel gaat het niet om die tegemoetkoming.
Wanneer de studieschuld wordt onderverdeeld naar verschillende categorieën zien we dat het aandeel studenten in de hoogste schuldencategorie in cohort 2015–2016 (eerste cohort onder het leenstelsel) fors hoger is dan in de voorgaande cohorten. Zo heeft 35 procent van de hbo-studenten en 35 procent van de wo‑studenten van cohort 2015–2016 een studieschuld van meer dan € 50.000. Voor cohort 2014–2015 is dit respectievelijk 12 en 22 procent. Verder heeft 22 procent van de hbo-studenten en 14 procent van de wo‑studenten van cohort 2015–2016 geen studieschuld. Voor cohort 2014–2015 is dit respectievelijk 27 en 14 procent (Trendrapport HO, paragraaf 6.2.1; verdeling studieschuld per cohort). Deze cijfers zijn geactualiseerd ten opzichte van de cijfers die zijn weergegeven in de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 13, voetnoot 29).
De hoogte van het bedrag wordt eind 2025 vastgesteld. Dit is mede afhankelijk van de raming van het aantal rechthebbende (oud-)studenten en de uitvoeringskosten. De hoogte wordt in prijspeil 2026 opgenomen.
De diplomatermijn omvat ook een eventueel toegekende verlenging van de diplomatermijn op grond van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000.
Indien het een student betreft die tijdens de studie de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt, geldt tevens de eis dat de student zonder onderbreking heeft gestudeerd. Dit volgt uit artikel 2.3, vierde lid, WSF 2000 in combinatie met artikel 12.30 WSF 2000.
Dit aantal is een inschatting gebaseerd op het aantal bezwaren van de (oud-)studenten die in januari 2025 de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen (ongeveer 54% van de rechthebbenden) geëxtrapoleerd naar alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming naar verwachting toegekend zullen krijgen.
Bij de Wet studievoorschot hoger onderwijs is ervoor gekozen om het leenstelsel alleen in te voeren in de WSF 2000 voor Europees Nederland en niet in de WSF BES voor Caribisch Nederland (Kamerstukken II 2014/15, 34 035, nr. 3, p. 51). Gelet daarop is bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs de tegemoetkoming ook alleen geregeld in de WSF 2000 en niet in de WSF BES. Hetzelfde geldt bij dit wetsvoorstel voor de aanvullende tegemoetkoming.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-13680.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.