Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 12853 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 12853 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, onderdelen a, b, d, g en h, 5 eerste en tweede lid, 15, 16, 17, eerste lid, onderdeel a, 19, tweede en derde lid, 23, onderdeel b, 25, 34, eerste lid, 44 en artikel 50, derde, vierde en zevende lid, van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4.12.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepaling van ‘aangeslotene’ komt te luiden:
aangeslotene als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
2. De begripsbepaling van ‘vestiging’ komt te luiden:
vestiging als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007.
3. In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:
het maximale vermogen dat een aanvrager met behulp van een flexibiliteitsmaatregel kan verhogen, verlagen of verplaatsen in de tijd ten opzichte van het oorspronkelijke verbruik, uit te drukken in kilowatt (kW);
B
Artikel 4.12.2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW;
2. Aan het eerste lid wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van 100 kW of meer.
3. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. beschikt over een grote aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet die zich bevindt in een door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet uitgeroepen gebied met afnamecongestie.
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Een flexibiliteitsmaatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, betreft:
1°. energieopslag die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert;
2°. energieconversie die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert, met uitzondering van energieconversie die wordt gevoed met fossiele brandstoffen; of
3°. opslag of buffercapaciteit van een product of halffabricaat waarmee het productieproces flexibeler gemaakt kan worden.
C
Artikel 4.12.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel c komt als volgt te luiden:
c. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW: 40% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 300.000;
2. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van 100 kW of meer: 40% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 300.000.
D
Artikel 4.12.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid, wordt na ‘installatiekosten’ ingevoegd ‘, waarbij geldt dat alleen de kosten die direct verbonden zijn met het plaatsen en het aansluiten van een flexibiliteitsmaatregel, in aanmerking komen’.
2. In het vierde lid, onderdeel c, wordt een ‘een aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’ vervangen door ‘een aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
E
Artikel 4.12.5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt ‘artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b of c’ vervangen door ‘artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, c of d’ en wordt ‘de aanvraag binnen onderdeel b of c’ vervangen door ‘de aanvraag binnen onderdeel b, c of d’.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
3. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, b of d toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel a, b of d valt.
4. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, b of c, toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel a, b of c valt.
F
Artikel 4.12.7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te luiden:
b. de aansluiting waar de aanvraag betrekking op heeft geen grote aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet is;
2. In onderdeel e wordt na ‘opwekken van energie’ ingevoegd ‘, het handelen in energie’.
3. In onderdeel g wordt na ‘activiteit’ ingevoegd, ‘, waarbij geldt dat de verschillende flexibiliteitsmaatregelen tot dezelfde soort activiteit behoren’.
4. In onderdeel j wordt ‘zelf aanbieder is van flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan’ vervangen door ‘zelf flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan produceert of levert, daarbij niet inbegrepen het installeren van door derden geleverde en geproduceerde flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan’.
5. In onderdeel l wordt, na ‘energiebesparing’ ingevoegd ‘, energiehandel’.
6. Er worden, onder vervanging van de punt aan het slot van dat artikel door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:
m. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel of onderdelen daarvan worden ingekocht bij of geproduceerd zijn door een moeder-, dochter- of zusteronderneming van de aanvrager of de aanvrager zelf;
n. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel enkel een batterij met een vermogen van minder dan 50 kW betreft.
G
Artikel 4.12.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt ‘onderdeel c’ vervangen door ‘onderdelen c en d’.
2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:
3. De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, benut gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, de flexibiliteitsmaatregel niet primair voor energiehandel.
3. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘onderdeel c’ vervangen door ‘onderdeel d’ en wordt ‘deze periode’ vervangen door ‘de periode, bedoeld in het tweede lid,’.
H
Artikel 4.12.9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na ‘Kamer van Koophandel’ ingevoegd ‘, bedoeld in artikel 12, onderdeel a, van de Handelsregisterwet, het nummer, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, van de vestiging waar de activiteit zal worden uitgevoerd’.
2. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. gegevens over de aansluiting waarop de aanvraag betrekking heeft en, indien aanwezig bij dezelfde vestiging, andere aansluitingen voor elektriciteitsafname, waaronder:
1°. de EAN-code;
2°. een kopie van de aansluitovereenkomst en transportovereenkomst als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; en
3°. indien de aanvrager geen beschikking kan krijgen over de aansluitovereenkomst of transportovereenkomst, een factuur van de transmissie- of distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, die niet ouder is dan twee maanden op het moment van indienen van de aanvraag, waarop het gecontracteerd transportvermogen, het type netvlak, de EAN-code en de klantnaam zichtbaar zijn.
3. In het eerste lid, onderdeel d, wordt na ‘verleend’ ingevoegd ‘, de uit te voeren activiteiten en het op te leveren eindproduct voldoende gespecificeerd worden en, indien de aanvraag een batterij of e-boiler omvat, het vermogen van de batterij of e-boiler, uitgedrukt in kW, is opgenomen’.
4. Aan het eerste lid worden, onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van onderdeel d door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, twee leden toegevoegd, luidende:
f. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening; en
g. voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie, een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, onderbouwd in een door de minister ter beschikking gesteld formulier.
5. In het tweede lid, aanhef, wordt ‘het uitvoeren van een flexibiliteitsmaatregel’ vervangen door ‘het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdelen c en d’.
6. In het tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, wordt na ‘elektriciteitsvraag’ ingevoegd ‘en het jaarprofiel van het gasverbruik in m³’.
7. Aan het tweede lid, onderdeel a, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat lid door ‘; en’, een subonderdeel toegevoegd, luidende:
4°. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van minder dan 100 kW, de beschrijvingen, bedoeld in bijlage 4.12.2, artikel 9, onderdelen a tot en met d.
8. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van 100 kW of meer, een kopie van een congestiemanagementcontract voor afname met een transmissiesysteem- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
9. Aan het tweede lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, drie onderdelen toegevoegd, luidende:
d. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW, indien de informatieplicht energiebesparing, bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 3.84a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, op de aanvrager van toepassing is, een verklaring dat de aanvrager heeft voldaan aan die plichten;
e. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW, indien de onderzoeksplicht energiebesparing, bedoeld in artikel 5.15b, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, op de aanvrager van toepassing is, een verklaring dat de aanvrager heeft voldaan aan die plicht; en
f. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van minder dan 100 kW, indien de plichten, bedoeld in de onderdelen d of e, niet op de aanvrager van toepassing zijn, een onderbouwing waaruit blijkt dat die plichten niet van toepassing zijn, in een door de minister ter beschikking gesteld formulier.
I
Aan artikel 4.12.11 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening of, in voorkomend geval, door de landbouw de-minimisverordening of verordening (EU) Idem nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector.
J
Na artikel 4.12.11 wordt, onder vernummering van artikel 14.12.12 tot artikel 4.12.13, een artikel ingevoegd, luidende:
De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de verklaringen, bedoeld in artikel 4.12.9, tweede lid, onderdelen d en e, gebruikmaken van de volgende gegevens en bescheiden:
a. de nummers van inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid, onderdeel a, en artikel 5.15b, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. de gegevens, bedoeld in artikel 3.84a, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en
c. overige bij hem ingediende gegevens en bescheiden via de elektronische formulieren, bedoeld in artikel 5.15c van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover het gaat om bedrijfsnamen, vestigingsnummers en adressen.
K
Bijlage 4.12.1. behorende bij artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 3 vervalt ‘, indien aanwezig,’ en wordt na ‘geleverd.’ toegevoegd ‘Indien er geen energie-opwek of -conversie plaatsvindt bij het bedrijf, wordt dat vermeld.’
2. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a vervalt subonderdeel 3°, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van subonderdeel 2° door een punt.
b. Onderdeel b komt te luiden:
b. indien aanwezig, voor aardgas, warmte en overige energiedragers, het jaarprofiel, en, indien beschikbaar, het maandprofiel, weekprofiel en dagprofiel van een representatief jaar van de afgelopen drie jaren.
3. In artikel 6 wordt ‘een inschatting van de operationele uitgaven’ vervangen door ‘een inschatting van de eenvoudige terugverdientijd (ETVT)’.
4. Artikel 8 vervalt.
L
Bijlage 4.12.2. behorende bij artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 2 wordt ‘Daarvoor kan er bij de netbeheerder informatie worden opgevraagd over de congestieproblematiek in de regio of kan een gesprek met de accountmanager van de netbeheerder worden aangevraagd. Als er geen informatie door de netbeheerder wordt aangeleverd, gebruikt de energieadviseur in ieder geval onderstaande bronnen om inzicht te krijgen in de netcongestie situatie:’ vervangen door ‘De energieadviseur raadpleegt daarvoor in ieder geval onderstaande bronnen om inzicht te krijgen in de netcongestiesituatie:’
2. In artikel 3 vervalt ‘, indien aanwezig,’ en wordt na ‘geleverd.’ toegevoegd ‘Indien er geen energie-opwek of -conversie plaatsvindt bij het bedrijf, wordt dat vermeld.’
3. In artikel 4, onderdeel a, subonderdeel 3°, wordt na ‘inschatting’ ingevoegd ‘of kwalitatieve beschrijving’.
4. In artikel 4, onderdeel b, subonderdeel 2°, wordt na ‘inschatting’ ingevoegd ‘of kwalitatieve beschrijving’.
5. Artikel 6 komt te luiden:
De haalbaarheidsstudie gaat in op de eventuele mogelijkheid de realistische flexibiliteitsmaatregel(en) in te zetten voor congestiemanagement middels een congestiemanagementcontract met de systeembeheerder. Indien mogelijk wordt er ingegaan op wat congestiemanagement financieel zou kunnen opleveren.
6. Aan artikel 10 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
h. de eventueel benodigde vergunningen voor de realisatie van de flexibiliteitsmaatregel.
In de regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2025 worden de rijen behorende bij titel 4.12 als volgt gewijzigd:
1. In de rij waar in de tweede kolom staat ‘4.12.2, eerste lid, onderdeel a’ wordt in de vierde kolom ‘€ 13.555.500’ vervangen door ‘€ 1.845.373’.
2. In de rij waar in de tweede kolom staat ‘4.12.2, eerste lid, onderdeel c’ wordt in de vierde kolom ‘€ 6.750.000’ vervangen door ‘€ 8.612.178’.
In de tabel in artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 worden na de rij behorende bij titel 4.10 vier rijen toegevoegd, luidende:
|
Titel 4.12: Flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e) |
4.12.2, eerste lid, onderdeel a |
Flexibiliteitsscan |
06-05-2026 t/m 15-10-2026 |
€ 4.000.000 |
|
|
4.12.2, eerste lid, onderdeel b |
Haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen |
06-05-2026 t/m 15-10-2026 |
€ 8.829.000 |
||
|
4.12.2, eerste lid, onderdeel c |
Flexibiliteitsmaatregelen < 100 kW |
06-05-2026 t/m 15-10-2026 |
€ 6.460.229 |
||
|
4.12.2, eerste lid, onderdeel d |
Flexibiliteitsmaatregelen ≥ 100 kW |
06-05-2026 t/m 15-10-2026 |
€ 9.690.344 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 31 maart 2026
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat
Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, KGG- en LVVN-subsidies (hierna: RNES) in verband met de tweede openstelling van de subsidiemodule Flexibel elektriciteitsverbruik (hierna: Flex-e) in titel 4.12 van de RNES. Bedrijven en instellingen kunnen vanwege netcongestie vaak geen (extra) transportcapaciteit krijgen en komen op een wachtlijst terecht als ze een verzoek hiervoor doen bij de netbeheerder. Hierdoor kunnen deze partijen niet groeien, verduurzamen of zich vestigen op een nieuwe locatie. De Flex-e is voor het eerst opengesteld in 2025, om bedrijven en instellingen te ondersteunen bij het vergroten van het inzicht in flexibiliteit en de realisatie van flexibiliteitsmaatregelen.
Tijdens de eerste openstellingsronde zijn minder aanvragen gedaan dan verwacht. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZK) heeft daarom de regeling geëvalueerd door middel van een onderzoek, interviews, een stakeholdermeeting en gesprekken met marktpartijen en netbeheerders. Uit de evaluatie-interviews1 bleek onder andere dat de Flex-e nog onbekend is bij partijen en dat de regeling minder relevant is voor ondernemers zonder urgente behoefte aan meer transportcapaciteit. Ook bleek dat het vereiste van een congestiemanagementcontract voor onderdeel c (realiseren van flexibiliteitsmaatregelen) een groot knelpunt vormde.
Dit heeft geleid tot de wijzigingen zoals opgenomen in deze regeling en uiteengezet in de toelichting. In deze toelichting wordt ten eerste de precisering van de doelstelling en uitbreiding van de doelgroep toegelicht. Vervolgens wordt de nieuwe opzet en vereisten van de verschillende onderdelen en de gewijzigde budgetverdeling uiteengezet. Ten slotte wordt ingegaan op de gevolgen voor de regeldruk, de uitvoering en de consultatie.
Met deze wijzigingsregeling kent de Flex-e nu twee aparte doelen:
• Bedrijven en instellingen helpen flexibiliseren om te vestigen, groeien of verduurzamen op de korte termijn;
• Bedrijven en instellingen helpen flexibiliseren om flexibel vermogen voor congestiemanagement en het net te ontsluiten.
De Flex-e had bij de eerste openstelling als doel om het beschikbare flexibel vermogen van grootverbruikers te vergroten en daarmee de effecten van netcongestie voor afname te verminderen, zodat bedrijven op de wachtrij alsnog kunnen vestigen, groeien of verduurzamen. Om dit doel te bereiken werd subsidie beschikbaar gesteld voor flexibiliteitsscans en haalbaarheidsstudies om het inzicht te verbeteren van partijen in het energieprofiel en mogelijke flexibiliteitsopties. Ook kon er subsidie worden aangevraagd voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen. Om te zorgen dat de flexibiliteit van deze maatregelen werd ontsloten, werd een congestiemanagementcontract verplicht gesteld.
Zoals beschreven in de aanleiding vormde het congestiemanagementcontractvereiste een belangrijk knelpunt voor onderdeel c (het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen). Meer dan de helft van de ingediende aanvragen voor c werd afgewezen, voornamelijk omdat het congestiemanagementcontract ontbrak.
Bedrijven gaven in de evaluatie-interviews aan dat het congestiemanagementcontractvereiste belemmerend werkte, omdat in sommige gevallen de contracten voor hen onverwachte of onaantrekkelijke bepalingen konden bevatten. Ook netbeheerders ervaarden het vereiste als moeilijk uitvoerbaar bij partijen die minder dan 100 kW flexibiliteit konden leveren. Het afsluiten van congestiemanagementcontracten vergt veel schaarse tijd, terwijl dit bij kleinere vermogens beperkte regelbare flexibiliteit oplevert voor het systeem.
Hoewel deze flexibiliteit relatief beperkt is, is dit voor een individueel bedrijf van grote waarde. Hiermee wordt immers in de behoefte van het individuele bedrijf voorzien, waardoor de vraag naar schaarse extra transportcapaciteit wordt verminderd. Ook vanuit breder, maatschappelijk perspectief is dit van grote waarde. Tijdens de eerste openstelling bleek dat doelstelling van de regeling onvoldoende rekening hield met deze behoefte, dan wel onvoldoende duidelijk was. De evaluatie maakte dan ook duidelijk dat het gewenst was om te verduidelijken welk doel wordt nagestreefd met de Flex-e.
Er is gekozen voor twee doelstellingen, zoals genoemd aan het begin van deze sectie. Het is afhankelijk van de behoefte van de aanvrager en de maatregel waarvoor subsidie wordt aangevraagd voor welk doel de subsidie wordt aangevraagd. Het eerste doel richt zich primair op de individuele behoefte van het bedrijf of instelling. De tweede doelstelling richt zich daarnaast op het ontsluiten van flexibel vermogen voor het systeem, waar ook andere partijen in het congestiegebied mogelijk van kunnen profiteren. De netbeheerder kan via het congestiemanagementcontract immers de flexibiliteit inzetten voor het bredere systeem.
Om deze doelen te bereiken is het oude onderdeel c (flexibiliteitsmaatregelen) nu gesplitst in een nieuw onderdeel c (flexibiliteitsmaatregelen die gezamenlijk minder dan 100 kW flexibel vermogen opleveren) en onderdeel d (flexibiliteitsmaatregelen die 100 kW of meer flexibel vermogen opleveren). Onderdeel a (flexibiliteitsscan), onderdeel b (haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen) en onderdeel d dienen beide doelen. Onderdeel c dient primair het eerste doel.
Deze aanscherping biedt duidelijkheid over de focus van de regeling en maakt het mogelijk om het congestiemanagementcontract alleen te vereisen als de lasten die dat met zich meebrengt opwegen tegen de bijdrage aan congestiemanagement en het net. Dit verbetert de uitvoerbaarheid en vergroot de effectiviteit van de regeling.
De doelgroep van de Flex-e wordt verbreed van bedrijven met een gecontracteerd transportvermogen van 100 kW of meer naar alle bedrijven en instellingen met een grootverbruikersaansluiting. Het gecontracteerd transportvermogen is dus niet meer bepalend. Hierdoor hebben ook bedrijven met een kleiner gecontracteerd transportvermogen toegang tot subsidie voor flexibiliteitsscans, haalbaarheidsstudies en flexibiliteitsmaatregelen. De redenen voor deze keuze zijn hieronder verder toegelicht.
In het oude artikel 4.12.2, tweede lid, onderdeel b, kan de Flex-e alleen worden aangevraagd door aangeslotenen met:2
• een gecontracteerd transportvermogen voor afname vanaf 100 kW; en
• een aansluiting in een postcodegebied waar congestie voor elektriciteitsafname is afgekondigd door de netbeheerder.
Met de twee doelstellingen van de regeling als uitgangspunt is deze afbakening van de doelgroep geëvalueerd. Vanuit de doelstelling om flexibel vermogen voor congestiemanagement en het net te ontsluiten, blijkt de afbakening – een gecontracteerd transportvermogen voor afname vanaf 100 kW – in de praktijk voor sommige netbeheerders lastig werkbaar. Het gecontracteerd transportvermogen is namelijk geen geschikte indicator voor het daadwerkelijk beschikbare flexibel vermogen. Partijen met een vermogen boven de grens beschikken niet automatisch over veel inzetbare flexibiliteit, terwijl zij wel een congestiemanagementcontract moeten aanleveren om subsidie te kunnen ontvangen. Dit leidt bij netbeheerders tot een onevenredige uitvoeringslast. Het is daarom wenselijk om op een andere manier dan via de afbakening van de doelgroep het congestiemanagementcontract te verplichten.
Ook vanuit de doelstelling om bedrijven en instellingen te helpen flexibiliseren om te vestigen, groeien of verduurzamen, is het de vraag of de afbakening van bedrijven met een gecontracteerd transportvermogen voor afname vanaf 100 kW wenselijk is. EZK heeft daarom een onderzoek laten uitvoeren naar de wenselijkheid van het uitbreiden van de doelgroep naar alle partijen met een grootverbruikersaansluiting.3
Uit het onderzoek is gebleken dat naar verwachting met grootverbruikers met een kleiner gecontracteerd vermogen nauwelijks flexibiliteit voor congestiemanagement en het net kan worden ontsloten. Daarentegen loopt deze groep wél aan tegen congestieproblematiek bij hun plannen voor groei of verduurzaming. Interviews laten zien dat deze bedrijven zeer geholpen zouden zijn met de Flex-e, omdat zij behoefte hebben aan inzicht door middel van flexibiliteitscans en haalbaarheidsstudies. Ook kan het subsidiëren van het realiseren van maatregelen hen ondersteunen bij het verkennen van procesaanpassingen en flexmogelijkheden, zodat zij binnen de beperkingen van het net toch handelingsperspectief hebben. Daarom is aanbevolen om alle onderdelen toegankelijk te maken voor bedrijven met een gecontracteerd transportvermogen van minder dan 100 kW.
Vanuit beide doelstellingen bezien is het daarom niet logisch om een ondergrens in het gecontracteerd vermogen te blijven hanteren voor de doelgroep. Daarom is de keuze gemaakt om de doelgroep aan te passen naar alle bedrijven met een grootverbruikersaansluiting, ongeacht het gecontracteerd transportvermogen.
Overigens kan binnen de huidige afbakening ook een collectieve entiteit subsidie aanvragen mits deze entiteit als zodanig van de netbeheerder beschikking heeft gekregen over de aansluiting, dat wil zeggen de Aansluit- en Transportovereenkomst (hierna: ATO) heeft gesloten met de netbeheerder. Mocht een entiteit uit verschillende aangeslotenen bestaan, die afzonderlijk ATO's hebben gesloten met de netbeheerder, kunnen deze aangeslotenen alleen apart aanvragen. Voor flexibiliteitsmaatregelen staat het aanvragers vrij hun flexibiliteitsmaatregelen gecombineerd te gebruiken om lokaal vraag en aanbod op elkaar af te stemmen.
Daarnaast blijft het vereiste in stand dat de aansluiting in een postcodegebied moet liggen waar congestie voor elektriciteitsafname is afgekondigd door de netbeheerder. In congestiegebieden is de noodzaak voor ondersteuning en versnelling namelijk het grootst.
De doelgroep is niet verbreed naar kleinverbruikers, omdat niet duidelijk is of de Flex-e voorziet in de behoefte van deze doelgroep. Onderdelen a en b lijken minder geschikt, omdat laagdrempeligere alternatieven geschikter zijn voor deze doelgroep. Ook is onderdeel c mogelijk ongeschikt omdat het steunbedrag (en de ondergrens voor batterijen) te hoog is voor de maatregelen waar deze groep behoefte aan heeft. Bovendien kunnen zij geen aanvraag doen voor onderdeel d, omdat zij geen congestiemanagementcontract kunnen afsluiten. Er wordt daarom momenteel verkend of ander, flankerend beleid passender is.
Nieuwe opzet en verschillende onderdelen
Als gevolg van de gepreciseerde doelstelling en de verbreding van de doelgroep is gekozen voor een herziening van de opzet en onderdelen van de regeling. De vier subsidiabele activiteiten van de Flex-e zijn nu als volgt:
a. Het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, die maatwerkadvies geeft over realistische flexibiliteitsmaatregelen die genomen kunnen worden, passend bij de locatie en situatie van de aanvrager. Hiermee wordt de aanvrager met een grootverbruikersaansluiting geholpen met flexibiliseren, zodat deze op korte termijn kan vestigen, groeien of verduurzamen en/of flexibel vermogen voor congestiemanagement en het net wordt ontsloten;
b. Het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen, waarmee inzicht wordt gegeven in de financiële en technische haalbaarheid van flexibiliteitsmaatregelen. Hiermee wordt de aanvrager met een grootverbruikersaansluiting geholpen met flexibiliseren, zodat deze op korte termijn kan vestigen, groeien of verduurzamen en/of flexibel vermogen voor congestiemanagement en het net wordt ontsloten;
c. Het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW, waarmee de aanvrager met een grootverbruikersaansluiting wordt geholpen met het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, zodat de aanvrager met een grootverbruikersaansluiting op korte termijn kan vestigen, groeien of verduurzamen.
d. Het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van 100 kW of meer, waarmee de aanvrager met een grootverbruikersaansluiting wordt geholpen met het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen om flexibel vermogen voor congestiemanagement en het net te ontsluiten, maar ook om te kunnen vestigen, groeien of verduurzamen.
Om de Flex-e toegankelijk te houden, kan subsidie worden aangevraagd voor elk van de verschillende onderdelen en is het niet vereist dat eerst een eerder onderdeel is aangevraagd. De aanvraagvereisten en subsidieverplichtingen verschillen op enkele punten voor onderdelen c en d. Zo is voor onderdeel c geen congestiemanagementcontract vereist, maar wel voor onderdeel d. De wijzigingen omtrent de vereisten worden hieronder verder toegelicht.4
C. Realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met minder dan 100 kW flexibel vermogen
C. Vereisten en subsidieverplichtingen: Primair inzet voor eigen bedrijfsvoering en uitgebreider verslag
Onderdeel c wordt opengesteld om bedrijven en instellingen die tegen de grenzen van hun gecontracteerd transportvermogen aanlopen, handelingsperspectief te bieden in tijden van netcongestie. Bij een aanvraag voor dit onderdeel hoeft niet langer een kopie van een congestiemanagementcontract te worden meegestuurd. Dit betekent echter dat de netbewuste inzet van de asset niet meer is gegarandeerd middels een congestiemanagementcontract met een netbeheerder.
Om te verzekeren dat de aanvrager zeer bewust heeft nagedacht over de noodzaak en de netbewuste inzet van de maatregel, dient de aanvrager van deze subsidie bij onderdeel c een uitgebreider verslag in te dienen. Dit bevat, additioneel ten opzichte van de vorige openstellingsronde, een conceptueel-technisch ontwerp5 met:
• een beschrijving van hoe de flexibiliteitsmaatregel functioneert in de algehele processen;
• een beschrijving van of de flexibiliteitsmaatregel onderdeel wordt van het primaire productieproces of van de ondersteunde processen (de utilities);
• een gedetailleerde beschrijving van de verwachte impact op de bedrijfsvoering; en
• een gedetailleerde beschrijving van het verwachte effect op de deelprocessen en ondersteunde processen.
Uit dit uitgebreidere verslag moet blijken dat het vermogen van de asset past binnen de bedrijfsvoering én primair wordt ingezet ten behoeve van het primaire productieproces of van de ondersteunende processen (de utilities).6 Uit het verslag moet blijken dat de flexibiliteitsmaatregel wordt ingezet voor het afvlakken van de pieken in het energieverbruik dat het vermogen van de asset en het energieverbruik van de bedrijfsvoering met elkaar in verhouding zijn.
Er is dan ook expliciet een afwijzingsgrond opgenomen dat een aanvraag wordt afgewezen als de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel primair is gericht op handel op de elektriciteitsmarkt, niet zijnde deelname aan congestiemanagement. Handelen op elektriciteitsmarkten kan netcongestie immers verergeren, omdat prijsprikkels ertoe kunnen leiden dat assets juist tijdens piekmomenten het net zwaarder belasten. Bovendien kan deze handel het primaire verdienmodel vormen van een partij. Het is niet de bedoeling dat de Flex-e daarvoor wordt ingezet. Secundaire handelsopbrengsten zijn wel toegestaan, mits de flexibiliteitsmaatregel aantoonbaar primair dient voor de eigen bedrijfsvoering.
Ook na ontvangst van subsidie is de ontvanger verplicht om de flexibiliteitsmaatregel niet primair voor handel op elektriciteitsmarkten te benutten. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) kan dit steekproefsgewijs op hoofdlijnen controleren door bedrijfsbezoeken uit te voeren waarbij data wordt opgevraagd uit het batterij managementsysteem (totale ontlading, laad/ontlaadprofielen) en uit het energiemanagementsysteem (totale energie-afname van primaire bedrijfsvoering).
C. Vereisten en subsidieverplichtingen: Informatie- en rapportageplicht energiebesparing
Naast het uitgebreidere verslag is een koppeling gemaakt met de informatieplicht en onderzoeksplicht energiebesparing.7 Wanneer een bedrijf tegen de grenzen van zijn gecontracteerd transportvermogen aanloopt, ligt het voor de hand om eerst goed te kijken naar structurele energiebesparingsmaatregelen, voordat er wordt geïnvesteerd in flexibiliteit voor de eigen groei of verduurzamingsambities.
Voor een individueel bedrijf of instelling is dit logisch en wenselijk. De partij kan namelijk de ruimte die door besparing is ontstaan gebruiken om binnen het eigen beschikbare transportvermogen toch te groeien of verduurzamen. Ook vanuit systeemperspectief is dit wenselijk, omdat minder vraag naar elektrisch vermogen, minder belasting van het elektriciteitsnet betekent. Het is daarom wenselijk dat bedrijven eerst aantoonbaar hebben gekeken naar mogelijkheden voor energiebesparing, voordat zij besluiten te investeren in (gesubsidieerde) flexibiliteitsassets. Dit geldt in het bijzonder wanneer deze investeringen (deels) met subsidie worden ondersteund. Door energiebesparing als eerste stap te nemen, wordt voorkomen dat schaarse netcapaciteit en publieke middelen worden ingezet voor elektriciteitsvraag die voorkomen had kunnen worden.
Er is verkend hoe de koppeling met energiebesparing zodanig kon worden geoperationaliseerd dat dit tot zo min mogelijk aanvraaglasten voor bedrijven en instellingen zou leiden, en uitvoerbaar is voor de uitvoerder van de regeling (RVO). Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van de Flex-e is ervoor gekozen om enkel een verklaring omtrent de informatieplicht en onderzoeksplicht op te vragen. Het beoordelen of een bedrijf of instelling voldaan heeft aan de plicht tot het verduurzamen van het energiegebruik (hierna: de energiebesparingsplicht) ligt bij het (decentraal) bevoegd gezag en niet bij RVO. Deze partijen moeten echter ook rapporteren over deze maatregelen (de informatieplicht ter verduurzaming van het energiegebruik en de onderzoeksplicht ter verduurzaming van het energiegebruik). Deze rapportages worden ingediend bij RVO.
Om te kunnen aantonen dat de aanvrager heeft nagedacht over besparingsmaatregelen is ervoor gekozen als aanvraagvereiste op te nemen dat de aanvrager verklaart aan de informatie- of onderzoeksplicht te hebben voldaan, indien (een van) deze plichten van toepassing zijn. Als een of meer van deze plichten niet van toepassing is, onderbouwt de aanvrager waarom niet. Naar verwachting is de informatieplicht op het gros van de aanvragers van toepassing, omdat het partijen met een grote aansluiting met waarschijnlijk een significant elektriciteitsverbruik betreft. Middels de gegevensverwerkingsgrondslag in artikel 4.12.12 van deze regeling kan RVO controleren of inderdaad aan deze plichten is voldaan. Zie over de informatieplicht en bijbehorende gegevensverwerking ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.12.9 en 4.12.12.
C. Subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen: categorieën van flexibiliteitsmaatregelen
Onder onderdeel c kan nog steeds subsidie worden aangevraagd voor verschillende categorieën van flexibiliteitsmaatregelen:
• Energieopslag die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert (zoals opslag van moleculen, warmteopslag door middel van een warmteopslagtank, buffervat of batterijen);
• Energieconversie die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert, met uitzondering van energieconversie die wordt gevoed met fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld een warmtepomp, electrolyser, brandstofcel,8 e-boiler of het uitpakken van moleculen met bijvoorbeeld een ammoniakkraker);
• Opslag- of buffercapaciteit van een product of halffabricaat waarmee het productieproces flexibeler gemaakt kan worden (zoals vaten met chemische producten, (grotere) waterbassins en/of dikkere sluizen, of koel- en vrieshuizen en de uitbreiding van productiecapaciteit zodat bijvoorbeeld op een lagere temperatuur kan worden ingedampt of gekristalliseerd); of
• Een combinatie van deze maatregelen die gezamenlijk flexibiliteit vrijmaken.
Met deze wijzigingsregeling kan echter geen subsidie meer worden aangevraagd voor meet- en regeltechniek. Hiervoor is gekozen omdat een energiebeheersysteem (waar een energiemanagementsysteem onderdeel van is) vanuit artikel 11 van de herschikte Richtlijn energie-efficiëntie9 (Energy Efficiency Directive; hierna: EED) voor grote energieverbruikers verplicht zal worden. Het uitgangspunt is dat verplichtingen niet gesubsidieerd worden. Ook vloeien uit de Richtlijn energieprestatie van gebouwen (Energy performance of buildings directive; hierna: EPBD)10 verplichtingen voort om in voorkomende gevallen meet- en regeltechniek te installeren. Bovendien zijn verschillende vormen van meet- en regeltechniek opgenomen in de erkende maatregelenlijst van de energiebesparingsplicht. Bedrijven die onder deze plicht vallen en deze maatregelen binnen vijf jaar kunnen terugverdienen zijn verplicht deze te installeren. Naar verwachting komt deze groep grotendeels overeen met de doelgroep van de Flex-e.
Gedurende de eerste openstellingsronde zijn geen aanvragen gedaan voor meet- en regeltechniek. De verwachting is daarom dat de vraag naar subsidie hiervoor beperkt is. Het is onwenselijk om meet- en regeltechniek alleen uit te sluiten voor aanvragers op wie deze verplichtingen van toepassing zijn, omdat dat zou betekenen dat alle aanvragers van de Flex-e hiervoor meer gegevens moeten aanleveren. Dit zou een onevenredige impact hebben op zowel de regeldruk voor aanvragers als op de uitvoeringslasten.
C. Subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen: minder dan 100 kW flexibel vermogen
De grens van 100 kW betekent concreet dat bij een aanvraag voor onderdeel c voor een batterij of een e-boiler, uit de offerte van de aangeschafte asset moet blijken dat de asset minder dan 100 kW vermogen heeft. Indien het een andere asset betreft die binnen bovenstaande categorieën valt, moet uit het uitgebreide verslag blijken dat de (combinatie van) flexibiliteitsmaatregel(en) minder dan 100 kW flexibel vermogen oplevert.
Dit onderscheid is vastgesteld, omdat uit gesprekken met experts het enkel voor batterijen en e-boilers haalbaar leek om het vermogen van de asset rechtstreeks en eenduidig uit te drukken in kW. Bij andere assets, zoals warmtebuffervaten, is dit niet direct mogelijk. Wel kan worden bepaald hoeveel kW flexibel vermogen hun inzet oplevert, maar dat vergt bijkomende berekeningen.
Een partij zou dit in grote lijnen kunnen doen door ten eerste te kijken naar het gemiddelde elektrisch verbruik over drie relevante jaren die een goed beeld geven van de reguliere (productie)processen of bedrijfsvoering. Ook kan (indien relevant) worden gekeken naar het gemiddelde warmte- of aardgasverbruik. Daarnaast kan (indien van toepassing) worden gekeken naar het elektrisch en/of thermisch vermogen van de aan te schaffen asset. Specifiek voor buffering van product of halffabricaat, kan worden gekeken naar het percentage buffering ten opzichte van het gemiddelde verbruik bij de reguliere (productie)processen of bedrijfsvoering. Met deze algemene uitgangspunten kan vervolgens een berekening worden gemaakt van het flexibel vermogen van de flexibiliteitsmaatregel, en dus hoeveel vermogen (in kW) een partij tijdelijk kan verhogen, verlagen of verplaatsen ten opzichte van het oorspronkelijke gecontracteerde of geplande verbruik, productie of opslag.
C. Subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen: ondergrens vermogen batterijen
Voor batterijen geldt daarnaast het volgende: als de aanvrager enkel een aanvraag indient voor een batterij, moet deze minimaal 50 kW vermogen hebben. De reden hiervoor is dat in de uitvoering het risico is geïnventariseerd dat batterijen voor onredelijke prijzen worden aangeschaft om te voldoen aan het vereiste minimale subsidiebedrag van € 25.000. Er is besloten om dit niet te borgen via transparantievereisten (zoals inzicht in de prijsopbouw of door het aanvragen van meerdere offertes) omdat de inschatting is dat dit leidt tot extra zware lasten voor aanvragers en de uitvoering. Wel zal RVO bij de aanvraag controleren of de offerte marktconform is. Bij het stellen van de ondergrens is rekening gehouden met de behoefte van de verbrede doelgroep, en het daarbij horende aanbod in de markt. In het verlengde hiervan is het subsidiepercentage aangepast van onderdelen c en d van 35% naar 40% (zie paragraaf 2.4). Hierdoor is de ondergrens ingesteld op 50 kW in plaats van 55 kW.
De minimumvermogensgrens is bepaald aan de hand van een marktinventarisatie naar de gemiddelde aanschafprijs van batterijen, die in opdracht van RVO is uitgevoerd.11 Vervolgens is uitgegaan van de bovengrens van de bandbreedte van de gemiddelde aanschafprijs. Hiermee is gewaarborgd dat de eis niet onnodig beperkend is.
Er is gekozen om enkel een vereiste voor batterijen in te voeren, omdat uit de eerste openstellingsronde is gebleken dat er onder de categorie flexibiliteitsmaatregelen voornamelijk aanvragen worden gedaan voor batterijen. Daarmee is het grootste risico op prijsopdrijving gemitigeerd. Bovendien was er niet voldoende data beschikbaar over andere assets om een voldoende onderbouwde berekening te maken van een redelijke vermogensgrens.
C. Subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen: mobiele of tijdelijke maatregelen
Er kan geen subsidie worden aangevraagd voor mobiele of tijdelijke flexibiliteitsmaatregelen, omdat de Flex-e bedoeld is voor maatregelen die integraal onderdeel worden van de bedrijfsvoering en het toekomstige energiesysteem.
D. Realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met 100 kW of meer flexibel vermogen
D: Vereisten en subsidieverplichtingen: congestiemanagementcontract en verslag
Onder onderdeel d worden bedrijven en instellingen geholpen om te flexibiliseren om flexibel vermogen voor congestiemanagement te ontsluiten. Zo wordt niet alleen handelingsperspectief gecreëerd voor aangeslotenen om toch te kunnen groeien of verduurzamen, maar wordt ook regelbare flexibiliteit ontsloten voor het verminderen van netcongestie. Om dit te kunnen realiseren is de aanvrager van onderdeel d nog steeds verplicht om een bewijs aan te leveren dat een congestiemanagementcontract voor afname is afgesloten met de netbeheerder, waarin afspraken zijn gemaakt over de inzet van de aansluiting zolang er sprake is van afnamecongestie in het gebied. Dit kunnen congestiemanagementcontracten voor afname zijn zoals capaciteitssturingscontracten (hierna: CSC), inclusief capaciteitsbeperkingscontracten (hierna: CBC) en biedplichtcontracten voor redispatch.
Er is voor gekozen om alternatieve transportrechten, zoals tijdsblokcontracten, niet toe te voegen aan de lijst met contractuele afspraken waarmee voldaan kan worden aan deze voorwaarde. Deze contracten worden namelijk nog op zeer beperkte schaal aangeboden door enkele netbeheerders. Daarnaast ontvangt de aanvrager van een alternatief transportrecht extra capaciteit op momenten waar nog wel netruimte over is. Dit leidt tot het opvullen van daluren, maar niet tot de creatie van regelbare flexibiliteit. Daarmee sluiten alternatieve transportrechten niet aan bij de doelstelling van onderdeel d.
Naast het congestiemanagementcontract moet de aanvrager van onderdeel d, net als bij de eerste openstellingsronde, bij de aanvraag een verslag over de flexibiliteitsmaatregel(en) indienen. In tegenstelling tot onderdeel c hoeft daarin niet een extra conceptueel-technisch ontwerp in worden opgenomen. Het congestiemanagementcontract verzekert namelijk de netbewuste inzet van de batterij. Mede daarom wordt ook niet vereist om eerst naar energiebesparende maatregelen te kijken, zoals bij onderdeel c. Een andere reden hiervoor is dat onderdeel d leidt tot meer flexibel vermogen voor congestiemanagement. Hierdoor wordt congestiemanagement gestimuleerd en ontstaat flexibiliteit op de plekken waar deze het meest nodig is. Dit is van grote maatschappelijke waarde voor het aanpakken van netcongestie, en daarmee is het vanuit deze doelstelling minder logisch om van tevoren te verzekeren dat een aanvrager heeft voldaan aan de informatie- of onderzoeksplicht energiebesparing
D. Subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen: categorieën van flexibiliteitsmaatregelen
Onder onderdeel d kan nog steeds subsidie worden aangevraagd voor verschillende categorieën van flexibiliteitsmaatregelen:
• Energieopslag die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert (zoals opslag van moleculen, warmteopslag door middel van een warmteopslagtank, buffervat of batterijen);
• Energieconversie die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert, met uitzondering van energieconversie die wordt gevoed met fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld een electrolyser, brandstofcel12, e-boiler of het uitpakken van moleculen met bijvoorbeeld een ammoniakkraker);
• Opslag- of buffercapaciteit van een product of halffabricaat waarmee het productieproces flexibeler gemaakt kan worden (zoals vaten met chemische producten, (grotere) waterbassins en/of dikkere sluizen, of koel- en vrieshuizen en de uitbreiding van productiecapaciteit zodat bijvoorbeeld op een lagere temperatuur kan worden ingedampt of gekristalliseerd); of
• Een combinatie van deze maatregelen die gezamenlijk flexibiliteit vrijmaken.
Zoals toegelicht in de vorige paragraaf kan geen subsidie meer worden aangevraagd voor meet- en regeltechniek.
D. Subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen: meer dan 100 kW flexibel vermogen
De grens van 100 kW betekent concreet dat bij een aanvraag voor onderdeel d voor een batterij of e-boiler, uit de offerte van de aangeschafte asset moet blijken dat de asset 100 kW of meer vermogen heeft. Indien het een andere maatregel betreft die binnen bovenstaande categorieën valt, moet uit het verslag blijken dat de (combinatie van) flexibiliteitsmaatregel(en) 100 kW of meer flexibel vermogen levert.
D. Subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen: mobiele of tijdelijke maatregelen
Er kan geen subsidie worden aangevraagd voor mobiele of tijdelijke flexibiliteitsmaatregelen, omdat de Flex-e bedoeld is voor maatregelen die integraal onderdeel worden van de bedrijfsvoering en het toekomstige energiesysteem.
Gedurende de eerste openstellingsronde en de daaropvolgende evaluatie is veel inzicht opgedaan over de daadwerkelijke behoefte van aanvragers op het gebied van flexibilisering. De uiteindelijke aantallen aanvragen en verwachte gemiddelde kosten per onderdeel bleken in de definitieve aanvragen op verschillende punten af te wijken van de oorspronkelijke inschattingen. Op basis van de nieuwe inzichten en uitvoeringskosten zijn de budgetten van de verschillende onderdelen voor de volgende openstellingsronde als volgt herzien:
|
A. Flexibiliteitsscan |
B. Haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen |
C. Realisatie flexibiliteitsmaatregelen <100 kW |
D. Realisatie flexibiliteitsmaatregelen ≥100 kW |
|
|---|---|---|---|---|
|
Initieel begrote openstelling 2026 |
€ 13.760.500 |
€ 10.000.000 |
n.v.t |
€ 6.750.000 |
|
Openstelling in 2026 |
€ 4.000.000 |
€ 8.829.000 |
€ 6.460.229 |
€ 9.690.344 |
|
Subsidie-percentage |
50% |
50% |
40% |
40% |
|
Minimaal subsidiebedrag per aanvrager |
– |
€ 10.000 |
€ 25.000 |
€ 25.000 |
|
Maximaal subsidiebedrag per aanvraag |
€ 10.000 |
€ 125.000 |
€ 300.000 |
€ 300.000 |
Budgetverdeling
Onderdeel a
Voor de flexibiliteitsscans is gebleken dat zowel het aantal aanvragen als de gemiddelde kosten voor een scan aanzienlijk lager uitvielen dan oorspronkelijk was ingeschat. Hierdoor is tijdens de openstelling in 2025 circa € 1,85 miljoen van de beschikbare € 13,5 miljoen benut voor de scans. Op basis hiervan is besloten het budget voor onderdeel a aanzienlijk naar beneden bij te stellen.
Tegelijkertijd wordt in de volgende openstellingsronde de doelgroep verbreed. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat bedrijven met een kleiner gecontracteerd transportvermogen relatief meer behoefte hebben aan laagdrempelig inzicht dan bedrijven met een groter gecontracteerd transportvermogen.13 Daarnaast is de regeling voor het eerst opengesteld in 2025 en uit de evaluatie is gebleken dat de regeling nog niet bij alle bedrijven binnen de doelgroep bekend is. De ervaring leert dat het doorgaans enige tijd kost voordat een subsidieregeling bekendheid heeft verworven. Gelet op het bovenstaande is de verwachting dat het aantal aanvragen voor onderdeel a in 2026 hoger zal liggen dan in 2025. Om hierop te anticiperen wordt onderdeel a opengesteld met een budget van € 4 miljoen. Hiermee is ruimte voor meer dan een verdubbeling ten opzichte van het aangevraagde budget van afgelopen ronde. Daarmee is naar verwachting voldoende marge ingebouwd om aan extra vragen vanuit de verbrede doelgroep te voldoen.
Onderdeel b
Voor de haalbaarheidsstudies is budget vrijgemaakt uit het klimaatfonds. Dit budget is specifiek bedoeld voor het uitvoeren van studies en wordt daarom volledig ingezet voor onderdeel b. In 2025 is circa € 6,67 miljoen verleend van het beschikbare budget van € 10 miljoen. De beperkte uitputting kan worden verklaard doordat de gemiddelde kosten per studie lager uitvallen dan oorspronkelijk geraamd. Tegelijkertijd blijkt uit de aanvragen dat de kosten per studie sterk uiteenlopen. Deze variatie hangt waarschijnlijk samen met het maatwerkkarakter dat inherent is aan dit type studie.
Hoewel de uitputting in 2025 achterblijft bij de verwachting, wordt verwacht dat het aantal aanvragen dat voor onderdeel b in de openstelling van 2026 zal toenemen. De doelgroep wordt namelijk verbreed, de bekendheid van de regeling zal toenemen en partijen die eerder via de flexibiliteitsscan laagdrempelig inzicht hebben verkregen zullen nu toe zijn aan een diepgaandere haalbaarheidsstudie. Op basis hiervan wordt verwacht dat het budget in 2026 in grotere mate zal worden benut dan tot op heden het geval is. Het budget wordt daarom vastgesteld, conform het nog beschikbare budget in de Klimaatfondsmiddelen, op € 8.829.000.
Onderdelen c en d
In 2025 is circa € 8,6 miljoen subsidie verleend voor flexibiliteitsmaatregelen. Voor de flexibiliteitsmaatregelen is er bewust voor gekozen het beschikbare budget – bestaande uit het oorspronkelijke budget van onderdeel c aangevuld met het extra budget vanuit onderdeel a – te verdelen over de twee afzonderlijke onderdelen (c en d). Deze onderverdeling voorkomt dat het volledige budget voortijdig wordt ingezet voor maatregelen onder onderdeel c, waarvoor geen congestiemanagementcontract is vereist. De praktijk leert namelijk dat het afsluiten van een congestiemanagementcontract voor onderdeel d meer tijd kan vergen, waardoor het risico bestaat dat er onvoldoende budget beschikbaar blijft voor maatregelen onder onderdeel d. Daarnaast ligt de gemiddelde kostprijs van maatregelen naar verwachting onder onderdeel d hoger dan die van onderdeel c, omdat de assets onder onderdeel d een groter vermogen hebben. Om hier recht aan te doen en een evenwichtige inzet van middelen te waarborgen, is besloten het totale budget voor de maatregelen als volgt te verdelen: 40% wordt gereserveerd voor onderdeel c en 60% voor onderdeel d. Daarmee zijn de budgetten voor onderdelen c en d respectievelijk € 6.460.229 en € 9.690.344.
Budgetflex na sluiting
Om te voorkomen dat de deelplafonds van onderdeel a, c en d onderbenut blijven terwijl die van andere onderdelen voortijdig zijn uitgeput, is, naast de bestaande budgetflex voor onderdeel a, ook voor onderdeel c en d een budgetflex toegevoegd. Hierdoor kan na de openstellingsronde ook het resterende bedrag van het deelplafond van onderdelen c en d zo nodig worden toegevoegd aan de andere deelplafonds.
Na de sluiting van de openstellingsperiode zal door RVO inzichtelijk worden gemaakt of en hoeveel budget er over is van onderdeel a, c en d. RVO zal binnen twee weken na de openstellingsperiode alle binnengekomen aanvragen beoordelen op compleetheid. De verdeling van het eventueel resterende budget van a, c en d over alle onderdelen geschiedt vervolgens op basis van volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Op basis van deze gereserveerde bedragen worden de nieuwe deelplafonds bepaald.
Deze wijziging leidt mogelijk tot een verandering in de onderlinge verdeling van de budgetten tussen de verschillende onderdelen in de openstelling in 2026. Het totale beschikbaar budget voor de huidige openstelling wordt verder niet aangepast. Zodra er duidelijkheid bestaat over de uitputting van de subsidieplafonds, worden de desbetreffende plafonds gewijzigd door middel van een wijziging van de Regeling openstelling EZ-, KGG- en LVVN-subsidies 2026. Dit geschiedt ten behoeve van de kenbaarheid voor aanvragers.
Subsidiepercentage en -bedragen
De minimale en maximale subsidiebedragen en de subsidiepercentages van onderdelen a en b blijven gelijk omdat gedurende de eerste openstelling en de evaluatie voornamelijk steun was voor de huidige bedragen en percentages. Specifiek voor onderdelen c en d geldt dat het wenselijk is om het minimale subsidiebedrag van € 25.000 in stand te houden. Daarmee is verzekerd dat, in lijn met het Raamwerk voor Uitvoering van Subsidies (RUS-kader), bewijs kan worden opgevraagd dat de activiteit is gerealiseerd voor de vaststelling van de subsidie. Het is belangrijk om dit controlemechanisme in stand te houden om te verzekeren dat de maatregelen daadwerkelijk zijn aangeschaft en in gebruik genomen conform het doel van de regeling. Dit waarborgt de rechtmatigheid, doelmatigheid en effectiviteit van de Flex-e.
Desalniettemin bleek uit de internetconsultatie dat er mogelijk vanuit de verbrede doelgroep behoefte is aan extra ondersteuning bij het aanschaffen van maatregelen, en dat er binnen deze groep vraag is naar kleinere maatregelen. Om de Flex-e toegankelijk te houden en beter aan te sluiten bij de huidige markt en behoefte vanuit de verbrede doelgroep, is het subsidiepercentage voor onderdelen c en d verhoogd van 35% naar 40%. Hierdoor kon tevens de ondergrens voor batterijen worden gezet op 50kW in plaats van 55 kW (zie paragraaf 2.3). De percentages van onderdelen c en d worden evenveel verhoogd, omdat beide onderdelen en hun doelstellingen gelijkwaardig zijn. Daarnaast voorkomt dit dat het ene onderdeel onbedoeld aantrekkelijker wordt voor aanvragers dan het andere.
De oorspronkelijke regeldrukparagraaf gaf een berekening van de totale regeldruk over 2025 en 2026. Bij de sluiting van de eerste openstellingsronde is een budgetflex toegepast, zodat overgebleven budget van a kon worden toegevoegd aan het oude onderdeel c. Op basis van wat er daadwerkelijk is uitgegeven per onderdeel zijn de subsidieplafonds van deze onderdelen voor 2025 officieel in de regeling aangepast. Het subsidieplafond van onderdeel a is in 2025 bijgesteld naar € 1.845.373 en het subsidieplafond van onderdeel c is in 2025 bijgesteld naar € 8.612.178.
Zoals onder paragraaf 2.4 is beschreven, zijn de subsidieplafonds van 2026 ook aangepast naar aanleiding van de aanvragen in de vorige ronde. Bovendien is het oude onderdeel c opgeknipt in onderdeel c en d, waardoor voor deze onderdelen een aparte regeldrukberekening moet worden gemaakt. Ook gelden voor onderdeel c nu andere subsidievereisten en -verplichtingen, waardoor de administratieve lasten per aanvraag anders zijn.
Deze voorgestelde wijzigingen hebben gevolgen voor de oorspronkelijke inschatting van de regeldruk voor aanvragers die een subsidieaanvraag indienen en ontvangen. Deze paragraaf zal per onderdeel uitlichten welke wijzigingen van invloed zijn op de regeldruk. De regeldruk wordt hieronder, tenzij anders vermeld, ingeschat over 2025 en 2026 samen.
Onderdeel a (flexibiliteitsscan)
Voor onderdeel a is vanwege de budgetflex op basis van de aanvragen in de eerste openstellingsronde het subsidieplafond voor 2025 in de regeling naar beneden bijgesteld (€ 1.845.373). Er zijn immers minder aanvragen binnengekomen dan oorspronkelijk verwacht. Voor 2026 zijn ook het verwachte aantal aanvragen en honoreringen, en het subsidieplafond naar beneden bijgesteld op basis van de vorige openstellingsronde. Hierdoor wijkt het totale regeldrukpercentage voor 2025 en 2026 af van de oorspronkelijke regeldrukberekening. Er zijn geen aanpassingen gedaan aan de vereisten, waardoor de administratieve lasten per aanvraag gelijk blijven.
Daarmee worden de regeldrukcijfers voor onderdeel a (flexibiliteitsscan) van deze module als volgt: er worden in totaal over 2025 en 2026 circa 1.210 aanvragen verwacht (gebaseerd op de verbrede doelgroep en toegenomen bekendheid van de regeling), waarvan naar verwachting voor circa 1.040 aanvragen subsidie zal worden verleend. De totale administratieve lasten voor dit onderdeel (zoals het aanleveren van de benodigde stukken over de flexibiliteitsscan en het opvragen van de ATO) worden geschat op in totaal € 233.700. Dat is 4% van het totaal beschikbare subsidieplafond voor dit onderdeel van € 5.845.373.
Onderdeel b (haalbaarheidsstudie)
Het subsidieplafond in 2025 is in 2025 gelijk gebleven. In 2026 is het aangepast naar € 8.829.000 op basis van het nog beschikbare budget. Wel is op basis van het aantal aanvragen in de eerste openstellingsronde de verwachting dat het totale verwachte aantal aanvragen over 2025 en 2026 aan de originele regeldrukberekening gelijk blijft.
Daarmee zijn de regeldrukcijfers voor onderdeel b (haalbaarheidsstudie) van deze module als volgt: er worden in totaal circa 400 aanvragen verwacht (gebaseerd op de verbrede doelgroep en toegenomen bekendheid van de regeling), waarvan naar verwachting voor circa 330 aanvragen subsidie zal worden verleend. De totale administratieve lasten voor dit onderdeel (zoals het aanleveren van de benodigde stukken over de haalbaarheidsstudie en het opvragen van de ATO) worden geschat op in totaal € 114.000. Dat is 0,61% van het totaal beschikbare subsidieplafond voor dit onderdeel van € 18.829.000.
Onderdeel c (realisatie van flexibiliteitsmaatregelen met minder dan 100 kW flexibel vermogen)
Dit onderdeel is nieuw en heeft andere vereisten dan onderdeel c in de oorspronkelijke regeling. Daarom is een nieuwe inschatting gemaakt van het verwachte aantal aanvragen en honoreringen voor dit onderdeel. Op basis hiervan is ook het subsidieplafond vastgesteld. Aangezien dit een nieuw onderdeel is, wordt hierbij enkel uitgegaan van de openstellingsronde van 2026. Voor onderdeel c hoeft, in afwijking van de oorspronkelijke regeling, geen congestiemanagementcontract te worden aangeleverd. Wel moet er een uitgebreider verslag over de maatregelen en in voorkomend geval een verklaring worden ingediend dat aan de informatieplicht en onderzoeksplicht energiebesparing is voldaan. Hierdoor vallen de administratieve lasten per aanvraag lager uit ten opzichte van het oude onderdeel c.
Daarmee zijn de regeldrukcijfers voor onderdeel c (realisatie van flexibiliteitsmaatregelen met minder dan 100 kW flexibel vermogen) van deze module als volgt: er worden in totaal circa 135 aanvragen verwacht, waarvan naar verwachting voor circa 88 aanvragen subsidie zal worden verleend. De totale administratieve lasten voor dit onderdeel (zoals het aanleveren van een uitgebreider verslag, verklaring met betrekking tot de informatie- en onderzoeksplicht energiebesparing en het bewijs dat de assets zijn geïnstalleerd) worden geschat op in totaal € 100.530. Dat is 1,56% van het totaal beschikbare subsidieplafond voor dit onderdeel van € 6.460.229.
Onderdeel d (realisatie van flexibiliteitsmaatregelen met 100 kW of meer flexibel vermogen)
Voor het oude onderdeel c (dat qua subsidievereisten overeenkomt met onderdeel d) is vanwege de budgetflex op basis van de aanvragen in de eerste openstellingsronde het subsidieplafond voor 2025 naar boven bijgesteld (€ 8.612.178). Er zijn immers voor meer budget aanvragen binnengekomen dan oorspronkelijk verwacht. Vanwege het opknippen in onderdelen c en d, is voor onderdeel d een nieuwe inschatting gemaakt van het verwachte aantal aanvragen en honoreringen over 2025 en 2026. Op basis hiervan is ook het totale subsidieplafond vastgesteld (bestaande uit het subsidieplafond van 2025 van het oude onderdeel c en het subsidieplafond van 2026 voor het nieuwe onderdeel d). De administratieve lasten per aanvraag voor onderdeel d blijven gelijk aan de lasten voor het oude onderdeel c, omdat er ook in de tweede openstellingsronde een congestiemanagementcontract moet worden aangeleverd.
Daarmee zijn de regeldrukcijfers voor onderdeel d (realisatie van flexibiliteitsmaatregelen met 100 kW of meer flexibel vermogen) van deze module als volgt: er worden in totaal circa 245 aanvragen verwacht, waarvan naar verwachting voor circa 160 aanvragen subsidie zal worden verleend. De totale administratieve lasten voor dit onderdeel (zoals het aanleveren van een congestiemanagementcontract en het bewijs dat de assets zijn geïnstalleerd) worden geschat op in totaal € 335.500. Dat is 1,83% van het totaal beschikbare subsidieplafond voor dit onderdeel van € 18.302.522.
De ontwerpregeling is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR). Het ATR heeft het dossier geselecteerd voor formeel advies. Daarin zijn drie adviespunten naar voren gekomen.
1. Bij de beoordeling van het nut en de noodzaak van de Flex-e geeft de ATR ter overweging mee om in de toelichting te beschrijven hoe de bekendheid van de subsidieregeling onder ondernemers zal worden vergroot.
Om de bekendheid van de Flex-e onder bedrijven en instellingen te vergroten, wordt simultaan aan de wijzigingsregeling gewerkt aan een herijkte communicatie-aanpak. Daarin wordt – conform de aanbevelingen uit de evaluatie na de eerste openstellingsronde14 – de communicatie-aanpak herzien zodat het ondernemersperspectief nadrukkelijker centraal staat. Daarnaast zal expliciet aandacht worden besteed aan de externe communicatie. Onderdeel hiervan zijn onder andere het aanpassen van de website, het delen van sprekende voorbeelden, een nadere briefing en training klantcontact, nieuwsbericht(en), een social mediacampagne, een webinar, samenwerking met brancheverenigingen en inzet van hun communicatiekanalen.
2. De ATR adviseert met het oog op werkbaarheid om toe te lichten of de vereiste om een congestiemanagementcontract te hebben werkbaar is voor alle bedrijven die een subsidie willen aanvragen voor maatregelen met een flexibiliteitsvermogen van groter dan 100 kW.
Het congestiemanagementcontractvereiste voor onderdeel d is in stand gelaten, omdat dit de enige wijze is waarop met voldoende zekerheid netbewust gedrag kan worden verzekerd en flexibel vermogen voor congestiemanagement kan worden ontsloten.
Momenteel verschilt het inderdaad per geval hoe de onderhandelingen voor een dergelijk contract verlopen en zijn er nog knelpunten in de contractvoorwaarden. Deze knelpunten worden opgepakt binnen het aansluitoffensief.15 Bovendien hebben netbeheerders in hun zienswijze nadrukkelijk aangegeven dat de grens van 100 kW een werkbare ondergrens is. Om – zoals in de internetconsultatie werd gesignaleerd – het knelpunt aan te pakken dat er terughoudendheid is bij het afsluiten van contracten als de asset fysiek nog niet aanwezig is, kan de toekenning van subsidie als opschortende voorwaarde worden opgenomen in het contract. Ook wordt in samenwerking met de netbeheerders verkend of er meer duidelijkheid kan worden geboden over de doorlooptijd van het afsluiten van congestiemanagementcontracten.
3. Met betrekking tot de gevolgen voor de regeldruk adviseert de ATR om de regeldrukkosten voor netbeheerders mee te nemen in de regeldruk. Echter moet worden bij dit punt worden verduidelijkt dat het afsluiten van congestiemanagementcontracten voor flexibel vermogen tot de kerntaken behoort van de netbeheerders. Zij zijn immers verantwoordelijk voor het aansluiten van partijen op het net. Momenteel staan er circa 14.000 bedrijven op de wachtrij voor afname bij de netbeheerders. Het ontsluiten van flexibiliteit is noodzakelijk om deze wachtrij te verkorten en partijen toch aan te kunnen sluiten op het net. Deze opgave, en het benodigde aantal congestiemanagementcontracten, blijft ook zonder de Flex-e onverminderd bestaan. De Flex-e leidt hooguit tot een versnelling van het afsluiten van deze contracten. Om deze reden is in ambtelijk overleg overeenstemming gevonden dat de kosten van de netbeheerders voor het afsluiten van congestiemanagementcontracten valt onder de zogenoemde ‘business as usual’ (bedrijfseigen) kosten volgens de Rijksbrede methodiek.
De subsidieaanvragen zullen worden beoordeeld op grond van de eisen die deze regeling daaraan stelt, en op grond van de eisen uit het Kaderbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. Het subsidieplafond wordt op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen verdeeld. De uitvoering van deze subsidiemodule is in handen van RVO. RVO kan steekproeven uitvoeren om te controleren of aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan. De aanvraag voor deze subsidie wordt elektronisch ingediend. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld via de website van RVO middels het E-loket.
De wijzigingsregeling is tussen 20 januari 2026 en 17 februari 2026 voor openbare consultatie gepubliceerd via internetconsultatie.nl.16 In de consulatie bleek dat er steun was voor de verbreding van de doelgroep, tweeledige doelstelling, de koppeling met energiebesparing, de toevoeging van de ondergrens voor batterijen om te voorkomen dat prijzen worden opgedreven, het vervallen van het congestiemanagementcontractvereiste voor onderdeel c ten behoeve van groei of verduurzaming en het congestiemanagementcontractvereiste voor onderdeel d om flexibiliteit voor het systeem te ontsluiten.
De regeling is aangepast naar aanleiding van de voorstellen om toch kleinere batterijen onder c te faciliteren, en vanwege zorgen over de duidelijkheid en bewijslast van onderdeel c.
Ook is naar aanleiding van de consultatie de toelichting op verschillende punten verduidelijkt. Zo is meer duiding gegeven over hoe collectieven een aanvraag kunnen doen, welke kosten subsidiabel zijn, de doelstelling van onderdeel d, de verbreding van de doelgroep naar alle grootverbruikers en het subsidieplafond en -percentage van onderdeel a. Ook zal door RVO door ieder onderdeel een standaardformat en meer voorbeelden worden gepubliceerd om de verwachtingen de verduidelijken.
Andere suggesties zijn niet overgenomen. Zo werden suggesties gedaan om mobiele maatregelen en meet- en regeltechniek toch (deels) toe te staan, en om het congestiemanagementcontractvereiste voor onderdeel d aan te passen of te laten vervallen. In de toelichting is met inachtneming van deze alternatieven de redenatie aangevuld. Het verzoek om de doelgroep te verbreden naar kleinverbruikers is niet overgenomen, omdat niet duidelijk is of de Flex-e voorziet in de behoeft van deze doelgroep of dat mogelijk ander flankerend beleid passender is. Momenteel wordt binnen het Landelijk Actieprogramma Netcongestie verkend op welke wijze kleinverbruikers beter ondersteund kunnen worden. Ook het voorstel om een ander staatssteunkader als basis te nemen voor onderdelen c en d is niet overgenomen. Momenteel kan namelijk geen juridische grondslag worden gevonden in de algemene groepsvrijstellingsverordening voor het verlenen van subsidie voor flexibiliteitsmaatregelen.
De subsidie die wordt verleend op grond van de subsidiemodule Flexibel elektriciteitsverbruik bevat staatssteun die wordt gerechtvaardigd door:
• artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening indien het onderdeel a, flexibiliteitsscan, betreft;
• artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening indien het onderdeel b, haalbaarheidsstudies naar flexibiliteitsmaatregelen, betreft;
• de algemene de-minimisverordening en, in voorkomend geval, de landbouw of visserij de-minimisverordening, indien het onderdeel c, de realisatie van flexibiliteit, betreft.
• de algemene de-minimisverordening en, in voorkomend geval, de landbouw of visserij de-minimisverordening, indien het onderdeel d, de realisatie van flexibiliteit, betreft.
De onderhavige wijzigingen in de regeling hebben geen invloed op de looptijd of het totaalbudget van de subsidiemodule Flex-e. Daarmee is deze regeling, conform de onderbouwing in paragraaf 8 van de toelichting bij de oorspronkelijke regeling van de Flex-e,17 verenigbaar met de maximale steunpercentages en voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening en de algemene de-minimisverordening.
De regeling treedt in werking op 6 mei 2026 en wordt op datzelfde moment opengesteld. Het uitgangspunt is dat regelgeving ten minste twee maanden voor inwerkingtreding bekend gemaakt wordt, zodat degene tot wie de regelgeving is gericht voldoende tijd heeft om zich voor bereiden. Omdat deze subsidieregeling uitsluitend begunstigend is voor de potentiële aanvragers van subsidie en deze bijdraagt aan het met spoed tegengaan van netcongestie, wordt in dit geval afgeweken van die hoofdregel. Deze regeling wordt in plaats daarvan circa één maand voor inwerkingtreding gepubliceerd. Die tijd wordt voldoende geacht voor potentiële aanvragers om kennis van de module te kunnen nemen en voor de voorbereiding door RVO.
Het eerste lid bevat een technische wijziging van de begripsbepaling van ‘aangeslotene’ vanwege de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026. Een aangeslotene is degene die van een systeembeheerder de beschikking heeft gekregen over een aansluiting. De aangeslotene is degene die hiertoe een aansluitovereenkomst en transportovereenkomst (ATO) heeft gesloten met de systeembeheerder. Dat kan een eigenaar of een huurder van een locatie zijn, afhankelijk van wie de ATO heeft afgesloten.
Het tweede lid wijzigt de bestaande begripsbepaling van ‘vestiging’ en laat deze aansluiten op de begripsbepaling in de Handelsregisterwet 2007. Daarmee is niet bedoeld de afbakening van het begrip materieel te wijzigen. Het verdient echter de voorkeur aan te sluiten bij de Handelsregisterwet 2007, omdat die wet het voor deze subsidiemodule relevante kader biedt. Een aanvrager neemt ingevolge artikel 4.12.9, eerste lid, onderdeel a, immers naast zijn KvK-nummer, ook zijn vestigingsnummer bij de Kamer van Koophandel op in zijn aanvraag.
Het derde lid voegt een nieuwe begripsbepaling toe, voor ‘flexibel vermogen’. Het is wenselijk om dit begrip nader te bepalen, omdat in deze wijzigingsregeling de subsidie voor flexibiliteitsmaatregelen wordt uitgesplitst tussen kleinere flexibiliteitsmaatregelen die minder dan 100 kW flexibel vermogen opleveren en grotere flexibiliteitsmaatregelen die ten minste 100 kW flexibel vermogen opleveren. Voor de flexibiliteitsmaatregelen onder de 100 kW gelden enkele andere aanvraagvereisten en subsidieverplichtingen dan voor de grotere flexibiliteitsmaatregelen. Voor batterijen en e-boilers staat het flexibel vermogen gelijk aan het totale vermogen van de asset. Voor overige flexibiliteitsmaatregelen geldt dat uit het uitgebreide verslag moet blijken dat de (combinatie van) flexibiliteitsmaatregel(en) minder dan 100 kW flexibiliteitvermogen levert. Zie voor een toelichting op deze vereisten paragraaf 2.3 van het algemeen deel.
Met het eerste lid en tweede lid is de subsidiabele activiteit ‘realiseren van flexibiliteitsmaatregelen’ uitgesplitst in flexibiliteitsmaatregelen die gezamenlijk minder dan 100 kW flexibel vermogen opleveren (onderdeel c) en flexibiliteitsmaatregelen die 100 kW of meer flexibel vermogen opleveren (onderdeel d). Waar in titel 4.12 wordt verwezen naar ‘flexibiliteitsmaatregelen’ zonder deze nader te specificeren, worden zowel de flexibiliteitsmaatregelen in onderdeel c als onderdeel d bedoeld. Zie voor een toelichting op de verschillende onderdelen paragraaf 2.3 van het algemeen deel.
Het derde lid bevat een verruiming van de doelgroep van de regeling. Vanaf heden komen alle aangeslotenen met een grote aansluiting (dat wil zeggen met een aansluiting met een doorlaatwaarde van 3*80A) die zich in een afnamecongestiegebied bevinden in aanmerking voor subsidie, ongeacht de hoogte van het gecontracteerd transportvermogen (GTV). Zie ook paragraaf 2.2 van het algemeen deel.
Het vierde lid bevat de limitatieve lijst van categorieën flexibiliteitsmaatregelen die genomen kunnen worden. Er kunnen ook combinaties van deze maatregelen worden getroffen. Anders dan gedurende de eerste openstellingsronde, maakt meet- en regeltechniek geen deel uit van de subsidiabele flexibiliteitsmaatregelen. Zie paragraaf 2.3 van het algemeen deel.
Dit onderdeel voegt de minimale en maximale subsidiebedragen en het subsidiepercentage toe voor de kleinere en grotere flexibiliteitsmaatregelen. Zie voor een toelichting op de bedragen paragraaf 2.4 van het algemeen deel.
In artikel 4.12.4, derde lid, is verduidelijkt dat onder de installatiekosten alleen de kosten vallen die direct zijn verbonden met het plaatsen en aansluiten van een flexibiliteitsmaatregel. Overige kosten, zoals een transformator, het prepareren van de bedrijfsruimte of het bedrijfsperceel, of kosten voor een eventuele vergunning zijn investeringskosten die niet subsidiabel zijn. Ook de huur van een eventuele meter is niet subsidiabel.
Dit onderdeel verruimt de reeds opgenomen zogeheten ‘budgetflex-bepaling’. Als aan het einde van de openstellingsperiode blijkt dat een of meer van de subsidieplafonds van de subsidiabele activiteiten bedoeld in onderdelen a, c en d van artikel 4.12.2 niet zijn uitgeput, wordt het overgebleven bedrag zo nodig opgeteld bij het subsidieplafond van de overige subsidiabele activiteiten. Zie voor een toelichting op de subsidieplafonds en de budgetflex ook paragraaf 2.4 van het algemeen deel.
De afwijzingsgrond in onderdeel b is gewijzigd naar aanleiding van de verruiming van de doelgroep (zie paragraaf 2.2 van het algemeen deel). Een aanvraag voor subsidie wordt afgewezen indien de aanvraag geen betrekking heeft op een grote aansluiting. De hoogte van het gecontracteerd transportvermogen op de aansluiting is niet langer bepalend.
Aan afwijzingsgrond e is toegevoegd dat een aanvraag wordt afgewezen indien de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een vestiging met als primaire bedrijfsactiviteit het handelen in energie. Dit was reeds het geval voor vestigingen met als primaire bedrijfsactiviteit het opwekken van energie of het aanbieden van energieopslag- of balanceringsdiensten.
In de afwijzingsgrond in onderdeel g is verduidelijkt dat bij dezelfde aansluiting of vestiging niet tweemaal subsidie wordt verstrekt voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, ongeacht of het flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW of van 100 kW of meer betreft.
De afwijzingsgrond in onderdeel j bepaalt dat een subsidieaanvraag wordt afgewezen indien de ingehuurde energieadviseur zelf aanbieder is van flexibiliteitsmaatregelen of bijbehorende assets. In dit onderdeel wordt verduidelijkt dat een energie-adviseur wel actief kan zijn in het met behulp van onderaannemers installeren van flexibiliteitsmaatregelen. Zo kan een partij die naast het verlenen van energieadvies tevens bij derden ingekochte batterijen installeert, wel fungeren als energieadviseur in het kader van deze regeling. Een energie-adviseur kan echter niet zelf leverancier of producent zijn van flexibiliteitsmaatregelen of bijbehorende assets.
Aan de afwijzingsgrond in onderdeel l is toegevoegd dat subsidie wordt afgewezen indien een door de aanvrager voorgestelde flexibiliteitsmaatregel primair gericht is op handel op de energiemarkt, niet zijnde deelname aan congestiemanagement.
Daarnaast is een nieuwe afwijzingsgrond (onderdeel m) toegevoegd, die bepaalt dat een aanvraag wordt afgewezen indien de voorgestelde maatregel wordt ingekocht bij of geproduceerd is door de aanvrager zelf, of door aan de aanvrager gelieerde ondernemingen (een moeder-, dochter- of zusteronderneming).
Tot slot is een afwijzingsgrond (onderdeel n) toegevoegd, die bepaalt dat een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvraag enkel een batterij betreft en deze batterij een vermogen heeft van minder van 50 kW. Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel.
Dit onderdeel regelt dat flexibiliteitsmaatregelen ten minste vier jaar in gebruik worden genomen. Dit was reeds het geval gedurende de eerste openstellingsronde van de Flex-e. Daarnaast is toegevoegd dat gedurende deze vier jaar flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW niet primair benut morgen worden voor energiehandel, daarin niet begrepen congestiemanagement.
In het eerste lid, onderdeel a, wordt verduidelijkt dat een aanvrager, naast zijn KvK-nummer, ook het nummer van de vestiging zoals die geregistreerd staat bij de Kamer van Koophandel opneemt.
In de eerst openstellingsronde van de Flex-e is gebleken dat in enkele uiterste gevallen een aanvrager geen beschikking kon krijgen over zijn aansluit- en transportovereenkomst (ATO). Om die reden is in het tweede lid, onderdeel c, opgenomen dat in die gevallen de aanvrager een recente factuur van zijn netbeheerder meestuurt, waarop het gecontracteerd transport vermogen (GTV), het type netvlak, de EAN-code en de klantnaam zichtbaar zijn. Zo kan de aanvraag ook zonder de ATO beoordeeld worden.
In de eerste openstellingsronde werden in een aantal gevallen onvolledige of te summiere offertes bij de aanvragen opgenomen. Daarom is in het eerste lid, onderdeel d, verduidelijkt dat de offerte van een flexibiliteitsmaatregel voldoende specifiek moet zijn. Indien de aanvraag een batterij of een e-boiler omvat, staat op de offerte het totale vermogen van deze asset duidelijk vermeld.
Daarnaast zijn aan het eerste lid twee onderdelen (f en g) toegevoegd, die bepalen dat in subsidieaanvragen voor een flexibiliteitscan of haalbaarheidsstudie een verklaring wordt meegestuurd dat de onderneming geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. Bij subsidieaanvragen voor een haalbaarheidsstudie wordt tevens een onderbouwing bijgevoegd, in het formulier dat de minister ter beschikking stelt. Steekproefsgewijs kan RVO de aanvrager om een verdere onderbouwing van de verklaring vragen, te weten een organogram van de verbonden groep waarin de aandelenverhoudingen naar voren komen en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep. Op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°, worden aanvragen aan ondernemingen in moeilijkheden afgewezen.
In artikel 4.12.9, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 4°, is opgenomen dat bij subsidieaanvragen voor flexibiliteitsmaatregelen met een (gezamenlijk) flexibel vermogen van minder dan 100 kW een uitgebreider verslag van het verwacht effect wordt opgenomen dan in de eerste openstellingsronde het geval was. De aanvrager dient tevens enkele (gedetailleerde) beschrijvingen op te nemen die duidelijk maken hoe de maatregel past binnen de bedrijfsvoering. Voor dit type flexibiliteitsmaatregelen is het echter niet langer verplicht een kopie van een congestiemanagementcontract op te nemen in de aanvraag. Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel.
In artikel 4.12.9, tweede lid, onderdeel b, is opgenomen dat alleen voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van 100 kW of meer een kopie van een congestiemanagementcontract in de aanvraag opgenomen hoeft te worden. Daarnaast wordt verduidelijkt dat het een congestiemanagementcontract voor afname moet betreffen. Dat kan een biedplichtcontract voor redispatch zijn als bedoeld in bijlage 7 van de Systeemcode elektriciteit 2026, een capaciteitsbeperkingscontract (CBC) als bedoeld in bijlage 6, zevende lid, van de Systeemcode elektriciteit 2026 of een capaciteitssturingscontract (CSC) als bedoeld in bijlage 6, eerste lid, van de Systeemcode elektriciteit 2026. Als een aanvrager een kopie van een CSC of CBC opneemt in zijn aanvraag, moet deze overeenkomst beperkingen voor de afname van elektriciteit bevatten en niet (alleen) beperkingen voor het invoeden van elektriciteit. Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel.
Aan artikel 4.12.9, tweede lid, is toegevoegd dat een aanvraag voor flexibiliteitsmaatregelen met een (gezamenlijk) flexibel vermogen van onder de 100 kW een verklaring bevat dat aan de informatieplicht energiebesparing voor activiteiten, de informatieplicht energiebesparing voor gebouwen of de onderzoeksplicht energiebesparing is voldaan, indien een of meer van deze plichten van toepassing zijn op de aanvrager. Voor elk van de plichten die op de aanvrager rust, dient de aanvrager te verklaren aan de betreffende plicht te hebben voldaan. Indien een of meer van deze plichten niet van toepassing is op de aanvrager, onderbouwt hij dat bij zijn aanvraag in een door de minister ter beschikking gesteld formulier. De verplichtingen rusten bijvoorbeeld niet op de aanvrager als zijn energieverbruik onder de betreffende minimumgrenzen valt. Ook als de aanvrager niet al uiterlijk op 1 december 2023 een rapportage had hoeven indienen, hoeft de aanvrager niet te verklaren aan de plichten te hebben voldaan, maar onderbouwt de aanvrager dat de plicht(en) niet op hem van toepassing zijn. De volgende termijn (uiterlijk 1 december 2027) is immers nog niet verstreken.
Dit onderdeel voegt een lid toe aan artikel 4.12.11. Dit lid geeft aan dat subsidie voor flexibiliteitsmaatregelen met een flexibel vermogen van ten minste 100 kW (onderdeel d), gerechtvaardigd wordt door de relevante de-minimisverordeningen. Dit is tevens het geval voor kleinere flexibiliteitsmaatregelen (onderdeel c).
Dit artikel bevat een grondslag voor RVO om in het kader van de informatieplicht en onderzoeksplicht energiebesparing ingediende persoonsgegevens te gebruiken voor het beoordelen aanvragen voor Flex-e subsidie. Op grond van dit artikel kunnen deze gegevens gebruikt worden ter beoordeling van de juistheid van een verklaring van de aanvrager aan de informatieplicht en onderzoeksplicht te hebben voldaan. In onderdelen a tot en met d van dit artikel zijn nader gespecificeerd welke gegevens RVO mag verwerken. Daaronder moet tevens worden begrepen het referentienummer dat RVO zelf toekent aan de ingediende rapportages ter voldoening van de informatieplicht en onderzoeksplicht.
Het verwerken van deze gegevens voor het beoordelen van subsidieaanvragen is niet verenigbaar met het oorspronkelijke doel waarvoor deze gegevens zijn verzameld. Niet-verenigbare verdere verwerking van persoonsgegevens is alleen toegestaan op basis van toestemming of een wettelijke grondslag. Artikel 4.12.12 biedt die wettelijke grondslag.
Deze maatregel wordt noodzakelijk geacht omdat zonder deze maatregel de lasten voor zowel de aanvrager als RVO te hoog zouden zijn. Dat zou immers met zich meebrengen dat aanvragers hun (mogelijk enkele jaren geleden) reeds ingediende rapportages moeten opzoeken en dat RVO (opnieuw) moet beoordelen of deze rapportage voldoet aan de eisen. Met de grondslag voor gegevensverwerking in dit artikel worden die onnodige lasten vermeden. Dit artikel specificeert de gegevens die nader verwerkt mogen worden zo nauw mogelijk; slechts een selectie van de voor de informatie- en onderzoeksplicht ingediende gegevens is nodig voor de beoordeling en mag verder worden verwerkt.
De maatregel wordt tevens evenredig geacht. Daarin speelt mee dat het grotendeels gegevens betreft die ook zijn opgenomen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Het betreft geen verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Ook blijven de gegevens in beheer bij dezelfde partij (RVO), die beschikt over interne werkafspraken en processen voor zorgvuldige behandeling van persoonsgegevens.
In de bijlages behorende bij artikel 4.12.2, eerste lid, onderdelen a en b, zijn enkele wijzigingen aangebracht. Naast enkele verduidelijkingen betreft het inhoudelijke wijzigingen naar aanleiding van inzichten die zijn opgedaan in de eerste openstellingsronde. Zo zijn enkele elementen die minder passend zijn geacht bij het meer verkennende karakter van de flexibiliteitsscan of die lastig uitvoerbaar waren, niet langer een verplicht onderdeel van de scan. Dit geldt bijvoorbeeld voor het uitvoeringsplan. Ook hoeft in de scan niet langer een inschatting van de operationele uitgaven per realistische maatregel worden opgenomen. In plaats daarvan moet wel een inschatting van de eenvoudige terugverdientijd (EVTV) worden opgenomen. Daarmee wordt aangegeven na ongeveer hoeveel jaar verwacht kan worden dat de investering is terugverdiend, bijvoorbeeld binnen drie jaar, tussen drie en vijf jaar, vijf en zeven jaar, zeven en vijftien jaar, of langer dan vijftien jaar. Aan de haalbaarheidsstudie is daarnaast toegevoegd dat in het uitvoeringsplan ook inzicht wordt gegeven in de benodigde vergunningen voor de geselecteerde flexibiliteitsmaatregelen.
Artikel II brengt wijzigingen aan in de subsidieplafonds van de eerste openstellingsronde in 2025. Deze wijziging is aangebracht in het kader van de budgetflex-bepaling in de subsidieregeling Flex-e (artikel 4.12.5, tweede lid, van de Regeling nationale EZ, LVVN- en KGG-subsidies). Ingevolge deze bepaling kan eventueel resterend budget van onderdeel a (flexibiliteitsscans) worden toegevoegd aan de subsidieplafonds van de onderdelen b (haalbaarheidsstudies) en c (flexibiliteitsmaatregelen). Aan het eind van de openstellingsperiode is een groot deel van het budget van onderdeel a onbenut gebleven. Dit gehele bedrag is opgeteld bij het subsidieplafond van onderdeel c. Ten behoeve van de kenbaarheid wordt deze verschuiving van budget doorgevoerd in de Regeling openstelling EZ-, KGG- en LVVN-subsidies 2025.
Dit artikel wijzigt de Regeling openstelling EZ-, KGG- en LVVN-subsidies 2026. Het regelt de tweede openstellingsronde van de subsidiemodule, die loopt van 6 mei 2026 tot en met 15 oktober 2026.
Dit artikel regelt dat deze ministeriële regeling per 6 mei 2026 in werking treedt.
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat
Invoeringstoets Subsidie voor flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e) (Rapportage van De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 2026, in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Zie voor een toelichting op de overige doelgroep- en aanvraagvereisten paragraaf 5 en 6 van het algemeen deel van de toelichting bij de oorspronkelijke regeling (Stcrt. 2025, 6499).
De Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Zie voor een toelichting op de overige aanvraagvereisten paragraaf 6 van het algemeen deel van de toelichting bij de oorspronkelijke regeling (Stcrt. 2025, 6499).
In de haalbaarheidsstudie zoals bedoeld onder onderdeel b, moet een uitgebreider ‘conceptueel-technisch ontwerp’ worden opgenomen dan hier het geval is. Ook hiermee kan invulling worden gegeven aan dit aanvraagvereiste van onderdeel c
Aanbeveling uit onderzoek: de Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Aanbeveling uit onderzoek: de Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Vanwege efficiëntieredenen is het niet raadzaam om dit te combineren met een electrolyser op hetzelfde perceel.
Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking).
Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking).
Flitsonderzoek flexibiliteitsmaatregelen. Mogelijkheden voor bedrijven en instellingen om meer flexibiliteit en regelbaar vermogen te realiseren achter de meter (Onderzoeksrapport van Royal HaskoningDHV van 13 december 2024, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland).
Vanwege efficiëntieredenen is het niet raadzaam om dit te combineren met een electrolyser op hetzelfde perceel.
De Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Invoeringstoets Subsidie voor flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e) (Rapportage van De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 2026, in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Zie de kamerbrief over het aansluitoffensief, die de Minister van Klimaat en Groene Groei op 4 februari 2026 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden (Kamerstukken II 2025/26, 29 023, nr. 626).
De internetconsultatie van de regeling en de ingediende openbare reacties zijn in te zien op www.internetconsultatie.nl/wijzigingflexesubsidie/b1.
Invoeringstoets Subsidie voor flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e) (Rapportage van De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 2026, in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Zie voor een toelichting op de overige doelgroep- en aanvraagvereisten paragraaf 5 en 6 van het algemeen deel van de toelichting bij de oorspronkelijke regeling (Stcrt. 2025, 6499).
De Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Zie voor een toelichting op de overige aanvraagvereisten paragraaf 6 van het algemeen deel van de toelichting bij de oorspronkelijke regeling (Stcrt. 2025, 6499).
In de haalbaarheidsstudie zoals bedoeld onder onderdeel b, moet een uitgebreider ‘conceptueel-technisch ontwerp’ worden opgenomen dan hier het geval is. Ook hiermee kan invulling worden gegeven aan dit aanvraagvereiste van onderdeel c
Aanbeveling uit onderzoek: de Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Aanbeveling uit onderzoek: de Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Vanwege efficiëntieredenen is het niet raadzaam om dit te combineren met een electrolyser op hetzelfde perceel.
Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking).
Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking).
Flitsonderzoek flexibiliteitsmaatregelen. Mogelijkheden voor bedrijven en instellingen om meer flexibiliteit en regelbaar vermogen te realiseren achter de meter (Onderzoeksrapport van Royal HaskoningDHV van 13 december 2024, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland).
Vanwege efficiëntieredenen is het niet raadzaam om dit te combineren met een electrolyser op hetzelfde perceel.
De Flex-e subsidieregeling openstellen voor alle grootverbruikers. Een verkenning. (Onderzoeksrapport van Common Futures en KWA Bedrijfsadviseurs van 2026, in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Invoeringstoets Subsidie voor flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e) (Rapportage van De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 2026, in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei).
Zie de kamerbrief over het aansluitoffensief, die de Minister van Klimaat en Groene Groei op 4 februari 2026 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden (Kamerstukken II 2025/26, 29 023, nr. 626).
De internetconsultatie van de regeling en de ingediende openbare reacties zijn in te zien op www.internetconsultatie.nl/wijzigingflexesubsidie/b1.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-12853.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.