Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 12764 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 12764 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
29 maart 2026
Nr. 2025-0000316107
Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op de artikelen 16c.3, derde lid, en 16c.5 van de Wet milieubeheer;
Besluit:
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 16c.3, derde lid, en 16c.5 van de Wet milieubeheer.
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 10 bis, vierde lid, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 2, eerste lid, 20, eerste lid, 21, vierde, vijfde en zevende lid, en 23, vierde, vijfde en zevende lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 van de Commissie van 17 maart 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever.
3. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, eerste tot en met derde lid, 7, 8 en 10 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2210 van de Commissie van 3 november 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad voor goederen en veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische zone van lidstaten worden gebracht.
Voor de toepassing van het criterium, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens, kan het bestuur van de emissieautoriteit bij de toelatingsaanvraag, bedoeld in artikel 5 van die verordening, verzoeken om overlegging van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg
Vanaf 1 oktober 2023 is de Verordening tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie van kracht (hierna: de Verordening koolstofcorrectie aan de grens).1 In het Engels heet dit mechanisme het ‘Carbon Border Adjustment Mechanism’ (hierna: CBAM). Het CBAM heeft als doel om koolstoflekkage te voorkomen door een koolstofprijs te heffen op ingevoerde goederen uit landen van buiten de Europese Unie (EU), zodat Europese bedrijven eerlijker kunnen concurreren en derde landen worden gestimuleerd om vergelijkbare klimaatmaatregelen te treffen. Tussen 1 oktober 2023 en 1 januari 2026 gold een overgangsperiode waarin importeurs van CBAM-goederen (hierna: importeurs) of hun indirecte douanevertegenwoordigers verplicht een CBAM-rapportage per kwartaal aanleverden. Voor de uitvoering van het CBAM in Nederland gedurende de overgangsperiode is de Wet van 4 oktober 2023 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de overgangsperiode bij de invoering van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens2 vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2026 is het CBAM volledig operationeel. Importeurs moeten nu toegelaten CBAM-aangever zijn om CBAM-goederen te mogen importeren. Importeurs betalen bovendien een prijs voor de broeikasgassen die zijn uitgestoten bij de productie van de door hen ingevoerde CBAM-goederen. Voor de uitvoering van het CBAM in Nederland na de overgangsperiode is de Wet van 17 december 2025 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de nadere operationalisering van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens3 vastgesteld. Deze wet bevat een grondslag om bij ministeriële regeling te verbieden in strijd te handelen met voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de Verordening koolstofcorrectie aan de grens. Ook bevat deze wet een grondslag om bij ministeriële regeling regels te stellen voor de uitvoering van het CBAM in Nederland. De Regeling CBAM is gebaseerd op deze grondslagen. De regeling verbiedt in strijd te handelen met verscheidene bepalingen die zijn opgenomen in de Verordening koolstofcorrectie aan de grens, de uitvoeringsverordening ten behoeve van de toelating tot CBAM-aangever (hierna: de toelatingsverordening)4 en de uitvoeringsverordening die is gericht op de exclusieve economische zone van een lidstaat (hierna: de EEZ-verordening).5 Door de verbodsbepalingen kan de Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: de NEa) toezien op de naleving van de genoemde bepalingen en handhavend optreden indien deze bepalingen worden overtreden. Daarnaast kent de regeling de NEa de bevoegdheid toe om te verzoeken om overlegging van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) bij de toelatingsaanvraag voor de status van toegelaten CBAM-aangever.
De Verordening koolstofcorrectie aan de grens is recent aangepast.6 Bij die aanpassing is een nieuwe verplichting geïntroduceerd voor geaccrediteerde verificateurs die zijn geregistreerd in het CBAM-register. Deze verificateur is voortaan verplicht om de NEa op de hoogte te stellen van latere wijzigingen van de in het registratieverzoek vermelde informatie. Deze verplichting is opgenomen in de verbodsbepaling van de regeling. Naleving van deze verplichting is belangrijk om de informatie in het CBAM-register over de geaccrediteerde verificateur actueel te houden. Door de verbodsbepaling kan de NEa toezien op de naleving en handhavend optreden bij overtredingen door een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen.
De uitvoeringsverordening die ziet op het CBAM-register (hierna: de registerverordening)7 is eveneens recent gewijzigd.8 Met die wijziging zijn voor geaccrediteerde onafhankelijke personen vergelijkbare verplichtingen geïntroduceerd als die voor geaccrediteerde verificateurs gelden. Onafhankelijke personen zijn de personen die de informatie van de CBAM-aangever over in een derde land betaalde koolstofprijzen certificeren. Ook geaccrediteerde onafhankelijke personen die zijn geregistreerd in het CBAM-register, moeten latere wijzigingen van de in het registratieverzoek vermelde gegevens bij de NEa melden.9
Onafhankelijke personen kunnen echter niet vóór 1 december 2026 een registratieverzoek indienen. Tot op heden heeft de Europese Commissie bovendien nog geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen omtrent de kwalificaties van de onafhankelijke persoon.10 Er is daardoor nog veel onduidelijk over de onafhankelijke persoon en diens accreditatie. Gelet hierop vindt vooralsnog geen nadere operationalisering plaats. Zodra er meer duidelijk is over de accreditatie van onafhankelijke personen zal worden vastgesteld of de meldplicht voor de onafhankelijke persoon eveneens nadere operationalisering vereist.
De toelatingsverordening bevat enkele bepalingen waarop de NEa moet kunnen toezien om de naleving ervan in Nederland te kunnen garanderen. De regeling verbiedt in strijd met die bepalingen te handelen. Zo verbiedt de regeling in strijd te handelen met de bepaling in de toelatingsverordening die een aanvrager verplicht de NEa onmiddellijk in kennis te stellen van eventuele wijzigingen in de in de aanvraag verstrekte informatie voor de verkrijging van de status van toegelaten CBAM-aangever.11 Ook verbiedt de regeling de persoon van wie de status van CBAM-aangever is ingetrokken, om in strijd te handelen met diens verplichtingen uit de toelatingsverordening die zien op het doen van aangifte en het inleveren van CBAM-certificaten voor de goederen die vóór de intrekking zijn ingevoerd.12
Door de verbodsbepalingen in de regeling wordt de NEa in staat gesteld om toe te zien op de naleving van deze bepalingen. De NEa verkrijgt bovendien de bevoegdheid om handhavend op te treden als toch in strijd met deze bepalingen wordt gehandeld. De NEa kan handhaven door middel van oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete.
Van één bepaling in de toelatingsverordening is geoordeeld dat deze vooralsnog niet nader in Nederland wordt geoperationaliseerd. Het betreft het artikel in de toelatingsverordening dat importeurs van elektriciteit opdraagt binnen een maand na de douaneaangifte specifieke informatie aan de NEa te verstrekken.13 Artikel 5, vierde lid, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens bepaalt welke partij als importeur van elektriciteit kwalificeert. Op basis van die bepaling is het echter niet duidelijk welke partij in Nederland importeur van elektriciteit is. Daardoor is het ook niet duidelijk op welke partij de informatieverplichting rust. Zolang deze zekerheid er niet is, is het niet wenselijk als de NEa handhavend kan optreden door een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen. Zodra voldoende zekerheid is verkregen omtrent de partij waarop deze verplichting rust, zal de bepaling alsnog nader worden geoperationaliseerd door handhaving daarop mogelijk te maken.
Van een aantal specifieke bepalingen is geoordeeld dat nadere operationalisering achterwege kan blijven. Het betreft hier bijvoorbeeld de verplichting om bij de toelatingsaanvraag de in artikel 5, vijfde lid, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens vermelde informatie te verstrekken. Niet-naleving van dit voorschrift leidt tot het niet verlenen van de status van toegelaten CBAM-aangever. Het is niet nodig om daarbovenop nog te voorzien in aanvullende handhavingsbevoegdheden voor de NEa. Dat geldt ook voor artikel 5, tweede lid, van de toelatingsverordening, dat de aanvrager verplicht door de NEa gevraagde aanvullende informatie te verstrekken die nodig is voor de beoordeling van de toelatingsaanvraag. Niet-naleving van een dergelijk informatieverzoek kan eveneens leiden tot het niet verlenen van de status van toegelaten CBAM-aangever.
De bepaling die CBAM-aangevers verplicht de gestelde zekerheid aan te passen indien de NEa dat verlangt14 heeft evenmin aanleiding gegeven tot aanvullende nationale regelgeving. Indien een toegelaten CBAM-aangever de gestelde zekerheid niet conform het verzoek van de NEa aanpast, moet de NEa immers de intrekkingsprocedure inleiden,15 waarmee de toelatingsverordening reeds in een handhavingsmechanisme voorziet en aanvullende handhavingsbevoegdheden niet nodig zijn.
De EEZ-verordening geeft ook aanleiding voor aanvullende bepalingen in deze regeling. Deze uitvoeringsverordening richt zich specifiek op goederen en veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische zone van een lidstaat worden gebracht. De regeling strekt ertoe te waarborgen dat de CBAM-verplichtingen ook in deze gevallen volledig worden nageleefd. De EEZ-verordening verduidelijkt onder meer wie in dergelijke situaties als importeur wordt aangemerkt. De EEZ-verordening stelt daarnaast specifieke procedurele verplichtingen vast, zoals het indienen van een aangifte van ontvangst en het verstrekken van CBAM-gerelateerde informatie aan de bevoegde douaneautoriteiten.
In dit kader bevat de EEZ-verordening enkele verplichtingen die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van het CBAM-mechanisme buiten het gebruikelijke douanegebied van de Unie. Zo verplicht artikel 4 de ontvanger van CBAM-goederen in de exclusieve economische zone tot het indienen van een aangifte van ontvangst binnen 30 dagen na de fysieke aankomst van de goederen. In de aangifte van ontvangst moeten specifieke gegevenselementen en bewijsstukken zijn opgenomen. Artikel 7 verplicht tot opname van voor het CBAM relevante informatie in de aanzuiveringsafrekening bij wederuitvoer van veredelingsproducten. Artikel 8 bevat aanvullende gegevensvoorschriften voor de wederuitvoeraangifte. Al deze stukken worden aangeleverd bij de Douane. De Douane beschikt over bevoegdheden om de juistheid van deze stukken te verifiëren.16 Op basis van een risicobeoordeling of indien er een redelijke grond is om aan te nemen dat de informatie in de stukken onjuist kan zijn, verstrekt de Douane de in de stukken opgenomen informatie op verzoek aan de NEa.17 Artikel 10 regelt aanvullend dat de aangifte van ontvangst, dan wel de aanzuiveringsafrekening, moet worden meegeleverd bij de CBAM-aangifte.
Door de genoemde artikelen op te nemen in de verbodsbepaling verkrijgt de NEa de bevoegdheid om handhavend op te treden in het geval van overtredingen. De NEa kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen.
De Verordening koolstofcorrectie aan de grens vereist dat in het kader van de toelatingsaanvraag wordt vastgesteld dat de aanvrager in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag niet betrokken is geweest bij ernstige of herhaalde overtredingen van onder meer douanewetgeving, belastingvoorschriften of regels inzake marktmisbruik.18 Tevens mag de aanvrager geen strafblad hebben met zware vergrijpen in verband met zijn economische activiteit. De regeling stelt de NEa in staat om dit te toetsen door aanvragers om overlegging van een VOG te verzoeken. Indien de aanvrager geen VOG kan overleggen, is niet vastgesteld dat de CBAM-aangever voldoet aan de vereisten uit de Verordening koolstofcorrectie aan de grens zoals hiervoor beschreven, en zal de NEa de toelatingsaanvraag tot CBAM-aangever niet honoreren.
Deze regeling voorziet enkel in de operationalisering van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens en de krachtens die verordening vastgestelde bindende EU-rechtshandelingen. De regeling bevat zodoende geen zelfstandige normen die leiden tot een toename van de regeldruk of de belasting van het doenvermogen. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft.
Met dit artikel wordt toegankelijk inzicht geboden in de wettelijke bepalingen waarop de onderhavige regeling berust en waar de regeling dus uitvoering aan geeft.
Artikel 16c.3, derde lid, van de Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling handelingen te verbieden die in strijd zijn met de Verordening koolstofcorrectie aan de grens of de krachtens die verordening vastgestelde EU-rechtshandelingen. De verbodsbepalingen uit artikel 2 berusten op deze grondslag.
Ambtenaren werkzaam bij de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit zijn belast met het toezicht op de naleving van de in deze regeling opgenomen verbodsbepalingen.19 Door de verbodsbepalingen verkrijgt de NEa bovendien de bevoegdheid om bij overtreding van de genoemde bepalingen te handhaven door middel van oplegging van een last onder dwangsom op grond van artikel 18.6a, vierde lid, van de Wet milieubeheer en door middel van oplegging van een bestuurlijke boete op grond van artikel 18.16c, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Voor deze bestuurlijke boete geldt op grond van artikel 18.16e, eerste lid, van de Wet milieubeheer een maximale hoogte van 10% van de omzet van de betrokken onderneming over het afgelopen jaar, dan wel € 450.000 indien deze jaaromzet minder dan € 4.500.000 bedroeg.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat de Verordening koolstofcorrectie aan de grens en de daarop gebaseerde EU-rechtshandelingen rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde. Eenieder heeft zich daarmee aan de bepalingen in deze verordeningen te houden, ook als er geen verbodsbepalingen in het nationale recht staan. De nationale verbodsbepalingen dienen zuiver om de NEa van bevoegdheden te voorzien om bij overtreding van bepaalde bepalingen handhavend te kunnen optreden.
Artikel 16c.5 van de Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling regels te stellen voor de uitvoering van een bindend onderdeel van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens of EU-rechtshandelingen die krachtens die verordening zijn vastgesteld. Dit artikel berust op die grondslag en kent de NEa de bevoegdheid toe om bij een toelatingsaanvraag als bedoeld in artikel 5 van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens om overlegging van een VOG te verzoeken. Hiermee wordt de NEa via het nationale recht in staat gesteld om uitvoering te geven aan het criterium uit artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens inzake de betrouwbaarheid van de aanvrager die de status van toegelaten CBAM-aangever wil verkrijgen.
Dat artikel vereist dat wordt vastgesteld dat de aanvrager in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag niet betrokken is geweest bij ernstige of herhaalde overtredingen van onder meer douanewetgeving, belastingvoorschriften of regels inzake marktmisbruik. Tevens mag de aanvrager geen strafblad hebben met zware vergrijpen in verband met zijn economische activiteit. Zonder de bevoegdheid om in het kader van de toelatingsaanvraag om een VOG te verzoeken, kan de NEa niet goed controleren of aan dit criterium is voldaan.
De mogelijkheid voor de NEa om overlegging van een VOG te verlangen biedt een juridisch en praktisch werkbare methode om de betrouwbaarheid van de aanvrager te toetsen. De VOG is een in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens verankerd instrument, dat door het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) wordt afgegeven. Daarbij wordt beoordeeld of strafrechtelijke antecedenten zich verzetten tegen het vervullen van een bepaalde functie of taak. Door aan te sluiten bij dit bestaande screeningsmechanisme wordt bijgedragen aan een uniforme, objectieve en integere uitvoering van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant. Op die manier beschikt de NEa zo spoedig mogelijk over de genoemde bevoegdheden. Een langere inwerkingtredingstermijn is niet nodig aangezien de in artikel 1 genoemde bepalingen uit de EU-rechtshandelingen reeds voor eenieder bindend zijn, waardoor de regeling geen nieuwe verplichtingen in het leven roept.
De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg
Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 van de Commissie van 17 maart 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2210 van de Commissie van 3 november 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad voor goederen en veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische zone van lidstaten worden gebracht.
Verordening (EU) 2025/2083 van het Europees Parlement en de Raad van 8 oktober 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de vereenvoudiging en versterking van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie.
Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3210 van de Commissie van 18 december 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het CBAM-register.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2550 van de Commissie van 10 december 2025 tot wijziging en rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3210 wat betreft het CBAM-register.
Artikelen 20, eerste lid, 21, vierde, vijfde en zevende lid, en 23, vierde, vijfde en zevende lid, van de toelatingsverordening.
Artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) 2025/2619 van de Commissie van 16 december 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door de douaneautoriteiten verstrekte informatie.
Zie artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Artikel 18.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer jo. artikel 1 van het Besluit aanwijzing toezichthouders CBAM. Zie in dit verband ook artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 van de Commissie van 17 maart 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2210 van de Commissie van 3 november 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad voor goederen en veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische zone van lidstaten worden gebracht.
Verordening (EU) 2025/2083 van het Europees Parlement en de Raad van 8 oktober 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de vereenvoudiging en versterking van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie.
Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3210 van de Commissie van 18 december 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het CBAM-register.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2550 van de Commissie van 10 december 2025 tot wijziging en rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3210 wat betreft het CBAM-register.
Artikelen 20, eerste lid, 21, vierde, vijfde en zevende lid, en 23, vierde, vijfde en zevende lid, van de toelatingsverordening.
Artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) 2025/2619 van de Commissie van 16 december 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door de douaneautoriteiten verstrekte informatie.
Zie artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens.
Artikel 18.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer jo. artikel 1 van het Besluit aanwijzing toezichthouders CBAM. Zie in dit verband ook artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-12764.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.