Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2026

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

Gelet op het bepaalde in artikel 65f Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67d Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikelen 26 lid 1 en 34 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikelen 2:18 en 3:66 Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, artikel 76 Werkloosheidswet, artikel 11 Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en artikel 30a Wet Suwi;

besluit:

Artikel 1 Begrippen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

Arbeidsmarktrelevant:

De scholing draagt bij aan de invulling van de vraag naar arbeidskrachten op de arbeidsmarkt in loondienst of voorziet in het verwerven van een inkomen als zelfstandig ondernemer.

Bemiddelingsberoep of functie:

het kansrijke beroep of functie waarnaar de cliënt bemiddeld wordt en dat past bij de vaardigheden en kwaliteiten van de cliënt.

CREBO:

Centraal register Beroepsopleidingen; in dit register staan de door Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) erkende Mbo-opleidingen.

Certificaat of Diploma:

Een bewijs waaruit blijkt dat de scholing:

  • Of is erkend door de Minister van OCW (CREBO, CROHO), afgegeven door een organisatie dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt dan wel verband houdt met onderdelen van een door de Minister van OCW vastgesteld kwalificatiedossier, vastgestelde kwalificatie of een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie geaccrediteerde opleiding;

  • Of is afgegeven door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF betreffende een ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NLQF-register;

  • Of is afgegeven door een opleidingsinstituut, een trainingsbureau of een examenaanbieder die is opgenomen in het CRKBO-register of een vergelijkbaar keurmerk;

  • Of is erkend door een landelijke branchesector, dan wel verband houdt met branchestandaarden of branchekwalificaties die worden gebruikt binnen sectoren en branches om de eisen die aan vakbekwame medewerkers worden gesteld aan te geven.

Uit dit bewijs blijkt dat een cliënt met goed gevolg heeft deelgenomen aan de scholing.

Cliënt:

Een persoon aan wie een uitkering op grond van de WAO, WAZ, Wajong, Wet WIA, IOW, ZW en/of WW wordt verstrekt én voor wie UWV re-integratieverantwoordelijke is op grond van artikel 30a Wet Suwi. Niet als cliënt wordt aangemerkt de uitkeringsgerechtigde op grond van Hoofdstuk IV van de WW en de uitkeringsgerechtigde op grond van artikel 18 van de WW.

CROHO:

Centraal register opleidingen Hoger Onderwijs; in dit register staan de door Minister van OCW erkende Hbo- en universitaire opleidingen.

Dienstbetrekking:

Een arbeidsverhouding waarbij sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek of die op grond van artikel 4 of 5 ZW/WW voor de verzekering voor de werknemersverzekeringen daarmee wordt gelijkgesteld.

Docent:

een persoon die verantwoordelijk is voor het overdragen van kennis en (praktische) vaardigheden. Deze persoon voldoet aan de kwalificaties om als zodanig op te treden.

Hbo-instelling:

een instelling dat Hoger beroepsonderwijs verzorgt.

Kansrijk beroep of functie:

Een beroep of functie waarvan UWV heeft geoordeeld dat er voldoende tot goede kansen op werk zijn in het betreffende beroep/functie.

Mbo-instelling:

een instelling dat Middelbaar beroepsonderwijs verzorgt.

Meerjarige scholing:
  • een scholing die een nominale studieduur van meer dan 12 maanden kent, én

  • waarbij er sprake is van verschillende – afzonderlijke – opleidingsjaren. Eerst dient een opleidingsjaar succesvol doorlopen te worden om in een volgend opleidingsjaar te kunnen instromen.

Nationaal Coördinatiepunt NLQF:

de organisatie die zorgt voor invoering van het Nederlands Kwalificatieraamwerk NLQF. Het NLQF beschrijft de acht niveaus van kwalificaties (basis tot universitair); de daarbij behorende kennis, vaardigheden, de mate van verantwoordelijkheid en zelfstandigheid. Dit kwalificatieraamwerk biedt inzicht over het niveau van het behaalde diploma.

Relevante wetgeving:

WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Wet Suwi: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

WW: Werkloosheidswet

IOW: Wet inkomensvoorziening oudere werklozen

ZW: Ziektewet

Praktijkleren in het Mbo met een praktijkverklaring:

een specifieke type scholing waarbij de cliënt (veelal eenvoudige) vaardigheden op de werkvloer krijgt aangeleerd door een docent of begeleider in de praktijk. Het praktijkleren in het Mbo wordt afgerond met een praktijkverklaring.

Praktijkverklaring:

Een door een Mbo-school afgegeven verklaring waaruit blijkt dat de cliënt (veelal eenvoudige) werkzaamheden op de werkvloer heeft aangeleerd.

Scholing:

Het systematisch verwerven van arbeidsmarktrelevante kennis en/of vaardigheden voor de uitoefening, het behoud of het verkrijgen van een taak, functie of beroep in dienstbetrekking dan wel als zelfstandig ondernemer waarbij het verwerven van de kennis en/of vaardigheden plaats vindt onder begeleiding van daartoe aangestelde docenten volgens een vooraf vastgesteld programma en de opgedane kennis en/of vaardigheden worden getoetst. De scholing leidt tot een certificaat, diploma of praktijkverklaring.

Schoolbaar:

De cliënt is gemotiveerd en in staat om de beoogde scholing met goed gevolg af te ronden. De scholing – en de functie of het beroep waar de scholing voor opleidt in dienstbetrekking dan wel als zelfstandig ondernemer – sluit aan bij de cognitieve vaardigheden, de belastbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de cliënt.

UWV:

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Werkverkenner:

Een door UWV gehanteerd instrument dat een indicatie geeft over de kans op werkhervatting van een cliënt.

Zelfstandig ondernemer:

Een natuurlijk persoon die voor eigen rekening en risico deelneemt aan het economisch verkeer.

ONDERDEEL A: BEPALEN INZET EN NOODZAAK TOT SCHOLING

Artikel 2 Scholing is de meest effectieve en efficiënte weg naar duurzaam werk

Cliënten kunnen uitsluitend met instemming van UWV een scholing met behoud van uitkering volgen als er een noodzaak bestaat om duurzaam aan het werk te komen. De scholing vormt voor de cliënt – gelet op diens persoonlijke situatie – de meest effectieve en efficiënte weg naar duurzaam werk.

Artikel 3 Noodzaak tot scholing

  • 1. Er is sprake van een noodzaak tot het volgen van scholing als aan alle navolgende vereisten is voldaan:

    • a) de scholing is arbeidsmarktrelevant, én

    • b) de duur van de scholing voldoet aan de bepalingen ten aanzien van de maximum duur van de scholing, én

    • c) de cliënt is schoolbaar.

  • 2. Wanneer de duur van de scholing maximaal 4 weken bedraagt, dan gaat UWV er vanuit dat de cliënt schoolbaar is.

Artikel 4 Arbeidsmarktrelevantie van de scholing

Een scholing is arbeidsmarktrelevant als bedoeld in artikel 3, sub a, als aan één van de navolgende vereisten is voldaan:

  • a) Er is sprake van een baanintentie of baangarantie. Deze baanintentie of baangarantie blijkt uit een door de werkgever en de cliënt ondertekende verklaring of arbeidsovereenkomst, dan wel uit een mondelinge verklaring door de werkgever. De verklaring houdt in dat de werkgever voornemens is om de cliënt na het behalen van het certificaat, diploma of de praktijkverklaring een dienstbetrekking aan te bieden. De dienstbetrekking waarop de baanintentie of baangarantie betrekking heeft, start uiterlijk op de eerste dag van de maand direct volgend op de maand waarin de cliënt de scholing met een diploma, certificaat of praktijkverklaring heeft afgerond. De omvang van de dienstbetrekking bedraagt minimaal hetzelfde aantal uren per week als de wekelijkse studiebelasting van de scholing en duurt minimaal 6 maanden, óf

  • b) De cliënt kan na het volgen van de scholing een door UWV vastgesteld kansrijk beroep of kansrijke functie vervullen, óf

  • c) De cliënt maakt naar genoegen van UWV inzichtelijk dat hij na het volgen van de scholing een reële kans heeft op (duurzaam) werk in dienstbetrekking of om als zelfstandig ondernemer in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De cliënt maakt hiervoor inzichtelijk tot welk (zelfstandig) beroep of functie de scholing opleidt. Wil de cliënt in een dienstbetrekking gaan werken, dan geeft hij inzicht in de vacatures die hij na het afronden van zijn scholing kan vervullen. Wil de cliënt als zelfstandig ondernemer gaan werken dan maakt de cliënt inzichtelijk op welke wijze hij na het volgen van de scholing als zelfstandig ondernemer in zijn onderhoud kan voorzien.

Artikel 5 Maximum duur van de scholing

  • 1. De scholing mag maximaal één jaar duren.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de scholing van een jonggehandicapte cliënt met ernstige scholingsbelemmeringen door een ziekte of een handicap maximaal 2,5 jaar duren.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan UWV in individuele gevallen een langere scholingsduur toestaan.

Artikel 6 Schoolbaar

  • 1. UWV toetst of de cliënt schoolbaar is aan de hand van de navolgende drie criteria:

    • a) de cognitieve vaardigheden: de cliënt voldoet aan de formele instroomeisen die het opleidingsinstituut stelt aan personen die de scholing willen gaan volgen, én

    • b) de belasting en de belastbaarheid: de cliënt is gemotiveerd én zowel fysiek als mentaal voldoende belastbaar om de scholing met goed gevolg af te kunnen ronden én de functie of het beroep, waar de scholing voor opleidt, uit te voeren, én

    • c) de persoonlijke omstandigheden: de persoonlijke omstandigheden van de cliënt moeten zodanig zijn dat hij in staat is om de scholing met goed gevolg af te ronden.

  • 2. In geval van een meerjarige scholing beoordeelt UWV voorafgaand aan de start van elk opleidingsjaar de schoolbaarheid.

ONDERDEEL B: VOORWAARDEN VERGOEDING SCHOLINGSKOSTEN DOOR UWV

UWV beschikt over budget om een noodzakelijke scholing voor een cliënt te kunnen financieren. Er dient dan wél aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Deze voorwaarden zijn opgenomen in dit onderdeel B van de Beleidsregels Scholing en vergoeding scholingskosten UWV 2026.

Artikel 7 Doelgroep vergoeding scholingskosten

  • 1. UWV kan scholingskosten voor cliënten vergoeden als de noodzaak tot het volgen van een scholing is vastgesteld.

  • 2. Voor cliënten die recht hebben op een WW- of IOW-uitkering geldt dat zij een grote kans op langdurige werkloosheid en/of een zwakke of matige arbeidsmarktpositie hebben.

  • 3. De grote kans op werkloosheid of de zwakke tot matige arbeidsmarktpositie als bedoeld in het tweede lid van dit artikel is vastgesteld op basis van uitkomsten van de Werkverkenner dan wel op basis van een gemotiveerde en onderbouwde beoordeling van een UWV-adviseur.

Artikel 8 Scholingskosten die voor vergoeding in aanmerking komen

  • 1. UWV verstrekt een vergoeding voor de scholingskosten voor zover de cliënt voor deze kosten geen recht heeft op een voorliggende voorziening.

  • 2. Met in achtneming van het navolgende vergoedt UWV de volgende scholingskosten ten behoeve van een cliënt:

    • a) De kosten van het cursus/lesgeld.

    • b) De kosten van het examengeld en maximaal één keer de kosten van een herexamen.

    • c) De kosten voor eventuele leer- en beschermingsmiddelen voorzover deze door de opleider verplicht zijn gesteld.

    • d) Een vergoeding van de reiskosten als de reisafstand meer dan 15 kilometer enkele reis openbaar vervoer bedraagt.

  • 3. UWV vergoedt geen algemeen gebruikelijke middelen als leermiddel. Als algemeen gebruikelijke middelen worden in ieder geval aangemerkt elektronische apparatuur (zoals een laptop, tablet, smartphone).

Artikel 9 Voorwaarden voor financiering

  • 1. Als voorwaarden voor de financiering van een noodzakelijke scholing door UWV geldt dat:

    • a) UWV beschikt over voldoende budget om de scholingskosten te kunnen bekostigen, én

    • b) De scholingskosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking na expliciete en voorafgaande toestemming van UWV, én

    • c) De startdatum van de scholing ligt binnen de UWV-uitkeringsperiode, én

    • d) UWV heeft de noodzaak tot het volgen van een scholing vóór de startdatum van de scholing vastgesteld.

  • 2. Voor cliënten met een WW-uitkering geldt dat zij op de startdatum van de scholing nog recht hebben op minimaal 3 maanden uitkering, tenzij de doorlooptijd van de scholing eindigt binnen de termijn van de resterende uitkeringsduur.

  • 3. UWV vergoedt de scholingskosten van een meerjarige scholing per opleidingsjaar onder voorwaarde van blijvende schoolbaarheid.

  • 4. UWV vergoedt geen scholingskosten die uitsluitend toezien op het ontwikkelen van algemene vaardigheden.

Artikel 10 Intrekking Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2024

Het besluit Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2024, gepubliceerd in de Staatscourant van 18 april 2024, nummer 12538 wordt ingetrokken.

Artikel 11 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

Artikel 12 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2026.

Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Amsterdam, 9 december 2025

M.R.P.M. Camps Voorzitter Raad van bestuur

TOELICHTING

Algemene toelichting

UWV onderkent het grote belang van het instrument scholing. In een sterk veranderende arbeidsmarkt is het essentieel om te kunnen blijven inspelen op vraag en aanbod. Daar waar banen in de ene sector verdwijnen, groeit juist de vraag naar gekwalificeerd personeel in een andere sector. Om gebruik te maken van deze arbeidsmarktkansen, is het nodig dat personen hun vaardigheden en kennis verdiepen, uitbreiden dan wel andere vaardigheden aanleren. Scholing richt zich enerzijds op de versterking van vaardigheden en kennis van cliënten in het eigen werkveld. Anderzijds stelt scholing een persoon – daar waar een directe match met werk niet (meer) mogelijk is – in staat om zich (om) te scholen naar sectoren met meer duurzame baankansen. Zo zijn zij in staat om mee te bewegen in de dynamiek van de arbeidsmarkt van vandaag en morgen.

Werken loont; als er nog geen werk voor handen is, kan een beroep op inkomensondersteuning in de vorm van een uitkering worden gedaan. Is een cliënt aangewezen op (extra) ondersteuning bij het weer (duurzaam) aan het werk gaan? Dan kan UWV deze ondersteuning ook bieden bij het volgen van een scholing als onderdeel van de re-integratie-activiteiten naar werk. UWV draagt namelijk de verantwoordelijkheid voor de re-integratie van ontslagwerklozen en cliënten met een ziekte of handicap.

De Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2026 bieden een methodisch kader om de noodzaak van de inzet van scholing op weg naar (meer) duurzame arbeid te toetsen. Het gaat dan om werk in zowel dienstbetrekking als in zelfstandig ondernemerschap. Het initiatief tot het volgen van scholing kan zowel van UWV als van de cliënt uitgaan. Scholing komt in zicht als zonder de inzet van een scholing de kans om weer aan het werk te gaan voor een cliënt minimaal is. De scholing dient relevant te zijn voor de arbeidsmarkt. Is er een reële kans om met de door de scholing verkregen vaardigheden en kennis weer (duurzaam) aan het werk te gaan waarbij wordt voldaan aan de criteria zoals opgenomen in onderdeel A van deze Beleidsregels? In dat geval staat de noodzaak van de scholing voor de cliënt vast. De verworven kennis en vaardigheden worden getoetst en vastgelegd in een certificaat, diploma of praktijkverklaring.

Als de noodzaak vast staat dan kan de cliënt de beoogde scholing met behoud van uitkering volgen. Gedurende de scholingsperiode voorziet de UWV-uitkering in het (tijdelijk) inkomen van de cliënt en wordt deze vrijgesteld van een aantal uitkeringsverplichtingen. Het gaat dan om de verplichtingen gericht op werkhervatting zoals de sollicitatieplicht en het aanvaarden van passend werk. De cliënt kan zich zo ten volle richten op het succesvol doorlopen van de scholing. Mocht de uitkering tijdens de scholing vanwege het bereiken van de wettelijke uitkeringstermijn eindigen, dan kan de cliënt de scholing volgens afspraak afronden.

Naast deze inkomensondersteuning kan UWV onder voorwaarden de kosten van een door UWV noodzakelijk geachte scholing vergoeden. UWV beschikt over budget om een scholing te bekostigen als de cliënt over een zwakke tot matige arbeidsmarktpositie beschikt én de scholing voor een cliënt de meest effectieve en efficiënte weg naar duurzaam werk vertegenwoordigt. Het budget is kader stellend. Dit betekent dat UWV dit budget niet kan overschrijden. Financiering van een scholing door UWV vindt dus alleen plaats als UWV over voldoende budget beschikt. Daarnaast dient aan een aantal andere voorwaarden te zijn voldaan; zie hiervoor de criteria zoals opgenomen in onderdeel B van deze Beleidsregels. Door toetsing aan deze criteria houdt UWV regie op het benutten van het budget en wijst dit toe aan cliënten die dit het hardst nodig hebben om duurzaam aan het werk te komen.

Mocht na toetsing aan de criteria in onderdeel A komen vast te staan dat de beoogde scholing niet noodzakelijk is, dan kan de cliënt, als die dat wil, toch de scholing volgen. De cliënt dient dan wel te blijven voldoen aan al zijn uitkeringsverplichtingen. UWV faciliteert de cliënt niet met vrijstelling hiervan; noch vergoedt UWV de scholingskosten.

Wijzigingen ten opzichte van de Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2024

Ten opzichte van de Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2024 zijn in deze Beleidsregels de volgende artikelen gewijzigd:

  • Artikel 6 – toevoeging van een 2e lid dat regelt dat UWV in geval een meerjarige scholing voorafgaand aan elk opleidingsjaar de schoolbaarheid toetst.

  • Artikel 8 lid 1 – UWV verstrekt een vergoeding voor de scholingskosten voor zover de cliënt voor deze kosten geen recht heeft op een voorliggende voorziening.

  • Artikel 9 – toevoeging van een drietal nieuwe leden die borgen dat UWV het scholingsbudget primair besteedt aan cliënten voor wie UWV re-integratieverantwoordelijk is, als er sprake is van schoolbaarheid én aan scholingen die niet enkel en uitsluitend het aanleren van algemene vaardigheden tot doel hebben.

Zie voor meer inhoudelijke informatie de artikelsgewijze toelichting.

Daarnaast zijn de Beleidsregels geactualiseerd en verduidelijkt, zonder dat er sprake is van inhoudelijke wijzigingen.

Artikelsgewijze toelichting

ONDERDEEL A: BEPALEN NOODZAAK TOT SCHOLING

Artikel 1

In dit artikel worden de begrippen omschreven die worden gebruikt in deze beleidsregels.

Arbeidsmarktrelevant: de scholing dient bij te dragen aan de invulling van de vraag naar arbeidskrachten op de arbeidsmarkt. De scholing richt zich op wat nodig is voor de cliënt om een kansrijk beroep of functie te kunnen gaan uitvoeren. De cliënt is – door het volgen van de scholing en het behalen van zijn diploma/certificaat/praktijkverklaring – te kwalificeren/gekwalificeerd om het beoogde beroep/functie uit te kunnen gaan voeren. In artikel 4 is uitgewerkt hoe UWV toetst of een scholing arbeidsmarktrelevant is.

Bemiddelingsberoep: is het kansrijke beroep/functie waarnaar de cliënt bemiddeld wordt en die past bij diens vaardigheden en kwaliteiten. Het bemiddelingsberoep of functie biedt de cliënt een reëel en realistisch perspectief op een duurzame werkhervatting.

Certificaat of diploma: De scholing kent als uitkomst dat de cliënt is gekwalificeerd om het beoogde beroep/functie – waartoe de scholing opleidt – uit te kunnen gaan oefenen. Om te borgen dat de behaalde kennis en/of vaardigheden (een blijvende) Nederlandse arbeidsmarktwaarde heeft is een aantal eisen gesteld welke organisatie(s) een certificaat of diploma kunnen afgeven. Naast de Minister van OCW is dit o.a. het Coördinatiepunt NLQF, een organisatie die is opgenomen in het CRKBO-register of een landelijke brancheorganisatie.

De kwalificatie zorgt er voor dat onderwijsinstellingen maar ook werkgevers het diploma of certificaat op een gelijke wijze waardeert.

Kansrijk beroep of functie: Een beroep of functie waarvan UWV – bijvoorbeeld op basis van een arbeidsmarktanalyse – heeft geoordeeld dat er voldoende tot goede kansen op werk zijn in het betreffende beroep. Het gaat hierbij om een beroep of functie waar naar veel vraag is in relatie tot het aanbod. De vraag in absolute zin hoeft niet groter te zijn dan het aanbod.

Praktijkverklaring: Een verklaring waaruit blijkt dat de cliënt de processen die in de praktijk zijn aangeleerd, beheerst. Het gaat in deze situatie veelal om de combinatie van parallel leren en werken. Een cliënt leert in de praktijk. Deze is veelal niet in staat om een volledige Mbo-opleiding af te ronden. Een Mbo-instelling geeft de praktijkverklaring af.

Scholing: Een scholing gaat om het systematisch verwerven van arbeidsmarktrelevante kennis en/of vaardigheden voor de uitoefening, het behoud of het verkrijgen van een taak, functie of (zelfstandig) beroep. Als onderdeel van een scholing kunnen naast theoretische kennis ook praktische vaardigheden worden opgedaan. Praktische vaardigheden zijn activiteiten waarbij het niet gaat om het uitoefenen van werkzaamheden die productie tot doel hebben en daarmee zijn te waarderen in het economisch verkeer. Een scholing wordt afgesloten met certificaat, diploma dan wel een praktijkverklaring.

Schoolbaar: Een cliënt dient de beoogde scholing met goed gevolg te kunnen afronden. Hoe UWV de schoolbaarheid toetst is uitgelegd in artikel 6.

Artikel 2

De cliënt heeft er financieel baat bij om weer aan het werk te gaan. Een uitkeringssituatie voorziet slechts tijdelijk in een (lager) inkomen. Voor cliënten die – gelet op hun kennis en ervaring – een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben biedt scholing een mogelijkheid om duurzaam aan het werk te komen.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan situaties waarbij een cliënt op tijdelijke en/of kortdurende overeenkomsten werkt en/of langdurig hetzelfde type (veelal laaggeschoolde) arbeid blijft verrichten. Er is dan mogelijk sprake van een verhoogd risico op ontslag met een hoge frequentie van periodieke uitkeringsafhankelijkheid (zgn. draaideureffect). In deze situaties onderzoekt UWV of een scholing naar werk in een meer kansrijke sector/beroep de cliënt een beter perspectief biedt op duurzamer werk. Als de cliënt voor scholing is te motiveren én het werk is voor hem passend, dan vormt de scholing op de langere termijn de meest effectieve en efficiënte weg naar duurzaam werk. Dit ondanks het feit dat de cliënt zonder inzet van scholing wellicht direct te bemiddelen is naar werk.

UWV heeft geen taak om cliënten – die al een goed perspectief op duurzaam werk hebben – met een ‘wensscholing’ te ondersteunen. Zou een cliënt graag eens ander werk willen verrichten of in een andere arbeidsmarktsector willen werken? Is hiervoor (aanvullende) scholing nodig? Dan onderzoekt UWV eerst of er een noodzaak tot scholing is. UWV gaat niet zonder meer mee in deze wens. Scholing komt in zicht als zonder de inzet van een scholing de kans om weer aan het werk te gaan voor een cliënt minimaal is.

UWV faciliteert de gewenste scholing bijvoorbeeld niet als de cliënt werkzaam is (geweest) in een beroep/functie of sector waar grote vraag naar arbeidskrachten is. Dit geldt ook in het geval de cliënt over zodanige kennis en/of kwaliteiten beschikt om zonder inzet van scholing duurzaam aan het werk te gaan in het eigen of een ander kansrijk beroep/functie. In deze situatie gaat duurzaam werk boven een uitkeringssituatie. UWV acht het volgen van een scholing niet noodzakelijk. De gewenste scholing vertegenwoordigt niet de meest effectieve en efficiënte weg naar duurzaam werk.

UWV maakt zo voor elke cliënt de afweging wat voor die persoon de meest effectieve en efficiënte weg naar duurzaam werk is.

Artikel 3 Noodzaak tot scholing

Artikel 3 lid 1 – noodzaak tot scholing

Er bestaat een noodzaak tot scholing als aannemelijk is dat voor een cliënt geen duurzaam passend beroep of functie is te duiden om weer aan het werk te gaan. Zonder de inzet van de scholing is de kans op werk minimaal. Scholing is dan het belangrijkste re-integratie-instrument voor een cliënt om weer aan het werk te komen. UWV toetst de noodzaak van een scholing op basis van een drietal vereisten, te weten:

  • a) de scholing is arbeidsmarktrelevant;

  • b) de scholing overschrijdt niet de gestelde maximum duur;

  • c) de cliënt is schoolbaar.

Alleen in het geval aan alle drie de vereisten is voldaan, acht UWV de beoogde scholing noodzakelijk.

Wordt aan een of meer vereisten niet voldaan, dan merkt UWV de scholing als niet noodzakelijk aan. De cliënt kan de scholing wel volgen, alleen hij dient zich wel aan de uitkeringsverplichtingen te houden, zoals het beschikbaar blijven stellen voor de arbeidsmarkt en de sollicitatieplicht. Is er een concreet passend werkaanbod, dan dient de cliënt dit aanbod te aanvaarden.

De cliënt heeft namelijk geen mogelijkheid om het werkaanbod te weigeren, als dit naar zijn oordeel het succesvol afronden van de scholing in de weg zou staan. Een en ander hoeft elkaar niet te bijten, denk bijvoorbeeld aan een situatie waarbij een cliënt buiten werktijden de scholing volgt.

Het feit dat een scholing door UWV als niet noodzakelijk wordt aangemerkt, kan veel oorzaken hebben. Het kan zijn, dat bijvoorbeeld de kans op een duurzame werkhervatting niet realistisch is, de cliënt (nog) niet klaar voor scholing is of de beoogde scholing of het bemiddelingsberoep/functie waartoe de scholing opleidt niet passend is voor de cliënt dan wel niet passend is te maken. Zie voor verdere uitleg de toelichting bij de artikelen 4, 5 en 6.

Tot slot: als de cliënt over een voldoende bij de arbeidsmarkt passend opleidingsniveau beschikt, dan gaat UWV er van uit dat de cliënt al een reële kans heeft om aan het werk te gaan. UWV neemt in zijn beoordeling de door de cliënt opgedane werkervaring mee. Er is geen sprake van een bij de arbeidsmarkt passend opleidingsniveau als:

  • De cliënt zijn beroep door ziekte of gebrek niet meer kan uitoefenen, óf

  • Er een zeer beperkt aantal vacatures beschikbaar is dat aansluit op de met opleiding en werkervaring verkregen competenties en vaardigheden van de cliënt. Daarnaast is groei van het aantal vacatures binnen een termijn van een jaar niet te verwachten.

Artikel 3 lid 2 – noodzaak scholingen met een doorlooptijd van maximaal 4 weken

In de praktijk kent het begrip scholing een groot aantal variaties. Zo zijn er bijv. 1- en meerdaagse scholingen. Meerdaagse scholingen kunnen direct achter elkaar worden gevolgd in een beperkt tijdbestek van bijvoorbeeld een week of over een langere periode van weken/maanden worden uitgesmeerd. Ook de tijdsinvestering voor een cliënt verschilt per scholing.

UWV wil meer aansluiten op de ontwikkelingen op het gebied van een ‘leven lang ontwikkelen’. Een leven lang ontwikkelen vraagt dat personen zich flexibel opstellen en o.a. door scholing blijven aansluiten bij de vraag op de arbeidsmarkt. UWV toetst daarom in ieder geval scholingen met een doorlooptijd van minimaal 4 weken aan alle criteria zoals opgenomen in artikel 3 lid 1.

Door toevoeging van artikel 3 lid 2 gaat UWV er van uit dat een cliënt in geval van een scholing met een maximale doorlooptijd van 4 weken schoolbaar is. De toets op het arbeidsmarktrelevant inzetten van een scholing blijft wel (en als enig toets criterium) overeind.

Het gaat om scholingen met een doorlooptijd van 4 weken vanaf de startdatum van de scholing tot de beoogde einddatum. De scholing eindigt in de regel op de laatste opleidingsdag dan wel op de dag waarop de toets/het examen plaatsvindt. Mede gelet op de korte doorlooptijd is de verwachting dat de scholing tijdelijk valt te combineren met eventuele overige activiteiten van de cliënt. Is de cliënt echter evident niet schoolbaar dan zal UWV de scholing op deze grond niet als noodzakelijk verklaren.

Artikel 4

Een scholing dient te allen tijde gericht te zijn op de vervulling van een vacature in dienstbetrekking of het aan het werk gaan als zelfstandig ondernemer. De scholing dient daarmee arbeidsmarkt relevant te zijn. UWV beschouwt het volgen van een scholing, die uitsluitend bedoeld is om de cliënt een bepaald kwalificatieniveau te laten behalen, als niet noodzakelijk. Dit laat onverlet dat het mogelijk is dat de cliënt na het succesvol afronden van de scholing zijn opleidingsniveau verbetert. In de volgende 3 situaties neemt UWV aan dat de scholing arbeidsmarktrelevant is.

Artikel 4 sub a Baanintentie of baangarantie

Er is sprake van een baanintentie dan wel een baangarantie. In het geval van een baanintentie geeft de werkgever aan dat hij de cliënt in dienst wil nemen als hij de scholing succesvol heeft afgerond. Biedt de werkgever de cliënt al voor het volgen van de scholing een dienstbetrekking aan waarvoor het volgen van de scholing een voorwaarde is, dan is er sprake van een baangarantie. In beide gevallen oordeelt UWV de scholing als arbeidsmarktrelevant. Het moet dan wel gaan om een (intentie voor een) dienstbetrekking die minimaal 6 maanden duurt. De omvang van de dienstbetrekking bedraagt tenminste minimaal het aantal uren van de wekelijkse urenbelasting van de scholing. Met andere woorden; cliënt is 20 uur per week bezig met de scholing. De dienstbetrekking bedraagt daarmee ook minimaal 20 uur per week.

De dienstbetrekking start uiterlijk op de eerste dag van de maand direct volgend op de maand waarin de cliënt de scholing met een diploma of certificaat heeft afgerond. De baanintentie of een baangarantie blijkt uit een bij voorkeur door de werkgever en de cliënt ondertekende schriftelijke verklaring of arbeidsovereenkomst. UWV accepteert ook een mondelinge toezegging van een werkgever om de cliënt in dienst te nemen. Een mondeling toezegging doet recht aan formele en informele samenwerkingsconvenanten of samenwerkingsverbanden die door UWV met (individuele) werkgevers zijn afgesloten.

Artikel 4 sub b Kansrijk beroep of functie

Bij een kansrijk beroep of functie gaat het om een beroep of functie met voldoende tot goede kans op werk. Daaronder vallen in ieder geval beroepen of functies met moeilijk vervulbare vacatures (ook wel bekend onder de term krapteberoepen), maar de afbakening is ruimer dan dat. Het aantal krapteberoepen/functies zal als het economisch slechter gaat vaak afnemen. Om voldoende kansen over te houden voor beroepen en functies die aansluiten bij de talenten, bekwaamheden en het (opleidings)niveau van een grote groep werkzoekenden, hanteert UWV het ruimere begrip kansrijk beroep of functie.

Het aantal mogelijke beroepen en functies dat in aanmerking komt voor inzet van scholing blijft zo breed mogelijk en stelt cliënten in staat om hun kansen op werk substantieel te verbeteren. Het begrip kansrijk beroep of functie sluit zo aan op de dynamiek van de arbeidsmarkt.

Artikel 4 sub c Scholing biedt een reële kans op werk

Wil de cliënt een scholing volgen zonder dat er sprake is van een scholing met een baanintentie, baangarantie of naar een kansrijk beroep of functie? Dan kan de cliënt aannemelijk maken dat hij met de scholing een reële kans heeft om aan het werk te gaan. De cliënt maakt inzichtelijk tot welk voor hem passend (zelfstandig) beroep of functie de scholing opleidt. Wil de cliënt in een dienstbetrekking gaan werken, dan geeft hij inzicht in de vacature(s) die hij na het afronden van zijn scholing kan vervullen. Gaat het om zelfstandig ondernemerschap dan maakt de cliënt inzichtelijk op welke wijze hij na het volgen van de scholing als zelfstandig ondernemer in zijn onderhoud kan voorzien.

Artikel 5

De ervaring leert dat in het bijzonder kortdurende opleidingen meer uitstroom naar werk genereren. Om deze reden geldt voor alle cliënten dat arbeidsmarktrelevante scholingen maximaal één jaar duren.

Gaat het om een cliënt met een scholingsbeperking dan geldt standaard een maximale scholingstermijn van 2,5 jaar. Deze bepaling komt voort uit de Subsidieregeling scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen.

Artikel 5 lid 3 biedt een mogelijkheid om van de standaardtermijn van één of 2,5 jaar voor cliënten met een scholingsbeperking af te wijken. Zo wordt een cliënt in staat gesteld om, als dit de best passende optie is, een meerjarige scholing en/of een combinatie van leren en werken te starten, dan wel een scholing op maat te volgen bijvoorbeeld als gevolg van een aangepast leertempo.

Artikel 6

Artikel 6 lid 1 – De schoolbaarheid

UWV beoordeelt of de cliënt schoolbaar is. Onder schoolbaar verstaat UWV dat de cliënt in staat is om zowel de scholing met goed gevolg af te ronden als de functie of het bemiddelingsberoep, waar de scholing voor opleidt, met eventuele aanpassingen uit te voeren. Het schoolbaar zijn toetst UWV aan de hand van:

  • de cognitieve vaardigheden van de cliënt, én

  • de belasting en belastbaarheid van de cliënt, én

  • de persoonlijke omstandigheden van de cliënt.

Als de cliënt op alle drie de aspecten positief scoort, dan is deze schoolbaar. Is de uitkomst van de toetsing aan één of meerdere aspecten negatief, dan is de cliënt (nog) niet schoolbaar.

Artikel 6 sub a Cognitieve vaardigheden

UWV beoordeelt of de cliënt kan voldoen aan de formele instroomeisen die het opleidingsinstituut stelt aan personen die de scholing via het betreffende instituut willen gaan volgen. UWV kijkt in dit verband o.a. naar het arbeidsverleden van de cliënt en naar de scholingen die de cliënt in het (recente) verleden heeft gevolgd.

Een cliënt die op Mbo-niveau opereert zal UWV niet snel voor een opleiding op Hbo-niveau voordragen en vice versa. Afhankelijk van de cognitieve vaardigheden is te kiezen voor een meer theoretische of praktische scholing dan wel een combinatie van beide.

Artikel 6 sub b Belasting en belastbaarheid

De fysieke en mentale belastbaarheid van de cliënt staat bij deze toets centraal. Om te kunnen bepalen of de cliënt voldoende belastbaar is om de scholing met goed gevolg af te kunnen ronden en de functie of het bemiddelingsberoep waar de scholing voor opleidt uit te voeren, stelt UWV zich de volgende vragen:

  • Is de cliënt gemotiveerd om zich (in de beoogde beroepsrichting) te scholen?

  • Hoe kijkt de cliënt de tegen zijn eigen functioneren aan?

Voor cliënten met ziekte en/of gebrek:

  • Hoe gaat de cliënt om met eventuele (arbeids)beperkingen?

  • Past de belasting in de functie waarvoor de cliënt scholing wil/gaat volgen bij zijn belastbaarheid of zijn er aanpassingen in de opleiding/functie mogelijk om aan te sluiten bij zijn belastbaarheid?

  • Welke ontwikkeling is te verwachten in de eventuele klachten/beperkingen en welke invloed heeft dit op de belastbaarheid van de cliënt?

Artikel 6 sub c Persoonlijke omstandigheden

UWV toetst of de cliënt een realistisch beeld heeft van de scholing die hij wil volgen en de (arbeids)mogelijkheden na scholing. UWV beoordeelt onder andere of de cliënt een reële tijdsinvestering kan doen om de scholing succesvol af te ronden.

Deze tijdsinvestering hangt onder meer samen met overige taken die de cliënt op zich heeft genomen die belemmerend kunnen werken voor het volgen van de scholing. Denk bijvoorbeeld aan zorgtaken of het verlenen van mantelzorg. Ook kijkt UWV naar de sociale omgeving van de cliënt. Tot de sociale omgeving behoort het gezin, de vriendenkring en/of de buurt waar de cliënt woont. De vraag hierbij is of zijn sociale omgeving de cliënt – indien gewenst – ondersteuning kan bieden om de scholing te volgen en om uiteindelijk weer aan het werk te gaan. UWV toetst ook of de cliënt over adequate sociale en/of werknemersvaardigheden beschikt die van belang zijn om de scholing met succes te kunnen afronden. Ook wordt getoetst of de cliënt belemmeringen ervaart bij het succesvol afronden van de scholing. Als dit het geval is, dan zal de cliënt eerst hier zijn aandacht op dienen te richten (zoals het regelen van kinderopvang, beheersbaar maken van schulden) alvorens deze de scholing kan starten.

Samenvattend: de cliënt is schoolbaar, als hij geen belemmeringen (meer) ervaart die het succesvol afronden van de scholing bemoeilijken dan wel om het beoogd beroep/functie te vervullen. Zijn deze er wel, dan onderzoekt UWV eerst samen met de cliënt of door eventuele aanpassingen de scholing toch is te volgen dan wel eerst aandacht aan andere interventies moet worden gegeven. Zijn aanpassingen aan de scholing niet mogelijk, of zijn voorliggende interventies nodig; dan is de cliënt (nog) niet schoolbaar.

Artikel 6 lid 2 – Schoolbaarheid in relatie tot een meerjarige scholing

UWV constateert dat cliënten die een meerjarige scholing volgen deze verhoudingsgewijs – t.o.v. cliënten die een scholing volgen met een doorlooptijd van maximaal 1 jaar – voortijdig afbreken. Zij ontvangen geen diploma, certificaat of praktijkverklaring. UWV beoordeelt daarom voorafgaand aan elk opleidingsjaar de schoolbaarheid. Er kunnen zich immers gedurende de meerjarige scholing diverse gebeurtenissen voordoen, die impact hebben op het succesvol afronden van de scholing. Een cliënt krijgt zo meer verantwoordelijkheid om de volledige meerjarige scholing succesvol af te ronden.

ONDERDEEL B: VOORWAARDEN VERGOEDING SCHOLINGSKOSTEN DOOR UWV

Artikel 7

Artikel 7 lid 1

UWV kan slechts scholingskosten vergoeden aan personen die op de startdatum van de scholing als cliënt zijn te definiëren. De noodzaak tot het volgen van de scholing heeft UWV – overeenkomstig artikel 3 lid 1 – voor de startdatum van de scholing vastgesteld. Zo behoudt UWV de regie op zowel de inzet van scholingen op weg naar werk als de vergoeding van de scholingskosten.

Eindigt de UWV-uitkering voordat de scholing is afgerond? Dan kan de cliënt overeenkomstig de hierover gemaakte afspraken met UWV de scholing afronden en betaalt UWV de bij de start van de scholing toegezegde scholingskosten. UWV vergoedt echter geen aanvullende en/of nieuwe scholingskosten.

Artikel 7 lid 2

Dit artikellid bevat aanvullende voorwaarden voor de vergoeding van scholingskosten voor cliënten met een WW- of IOW-uitkering. Voor hen geldt dat zij een hoge blijfkans in de WW/IOW dienen te hebben, dan wel beschikken over een zwakke of matige arbeidsmarktpositie. Door toevoeging van deze bepaling bewerkstelligt UWV dat het aan haar toegekende scholingsbudget terecht komt bij WW/IOW-cliënten die dit het hardste nodig hebben.

Artikel 7 lid 3

Cliënten met een ziekte en/of handicap beschikken vanwege ziekte of (arbeids)handicap al over een zwakkere arbeidsmarktpositie t.o.v. ‘gezonde’ werkzoekenden. Bovendien beschikken zij – anders dan WW/IOW-cliënten – veelal niet over een recent arbeidsverleden. UWV stelt voor WW-/IOW-cliënten de arbeidsmarktpositie vast op basis van de uitkomsten van de Werkverkenner of een onderbouwde visie van de zwakke of matige arbeidsmarkpositie door de UWV-adviseur.

Artikel 8

Artikel 8 lid 1

Het eerste lid van artikel 8 ziet toe op het voorkomen van dubbele vergoeding van dezelfde kosten voor dezelfde scholing door UWV. Naast de UWV-budgetten bestaan er andere mogelijkheden om scholing te financieren. Maakt een cliënt gebruik van een andere financieringsbron of kan de cliënt daar gebruik van maken? Dan vergoedt UWV de scholingskosten niet. Dit artikellid biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld als onderdeel van een arrangement de scholingskosten samen met de toekomstige werkgever te betalen (cofinanciering).

Artikel 8 lid 2

De volgende kosten komen voor vergoeding in aanmerking: het les/cursusgeld, kosten voor een examen en indien nodig één herexamen, kosten voor leer- en beschermingsmiddelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en eventueel door de cliënt te maken reiskosten.

UWV vergoedt slechts een leer- en/of beschermingsmiddel (artikel 8 lid 1 onder c) als deze niet door de opleider in het les/cursusgeld is opgenomen. Een leer- en/of beschermingsmiddel is een middel die nodig is om de veelal praktische vaardigheden aan te leren ten behoeve van het beroep/functie waartoe de scholing opleidt. UWV gaat er vanuit dat een opleider primair de materialen (in bruikleen) ter beschikking stelt om deze vaardigheden aan te leren. Denk daarbij aan lasapparatuur voor een lasopleiding, een vrachtwagen voor een vrachtwagenchauffeursopleiding maar ook kappersbenodigdheden t.b.v. een kappersopleiding. Echter een massagetafel/stoel komt niet voor vergoeding in aanmerking; deze middelen zijn niet essentieel om de opleiding tot masseur te kunnen volgen. Per situatie weegt UWV af welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

In artikel 8 lid 1 onder d is bepaald dat UWV ook de reiskosten die een cliënt maakt om bij de opleidingslocatie te komen. De reiskosten worden vergoed overeenkomstig de Beleidsregel kostenvergoeding UWV.

Artikel 8 lid 3

In het derde lid zijn algemeen gebruikelijke middelen als een te vergoeden leermiddel uitgesloten. Een algemeen gebruikelijk middel is een middel waarover ook personen kunnen beschikken die geen scholing volgen en/of die niet speciaal bedoeld zijn om (praktische/beroeps)vaardigheden aan te leren. Denk daarbij aan de vergoeding van schrijfwaren zoals pennen, potloden, schriften, printpapier, ordners etc. Daarnaast wordt het beschikken over elektronische apparatuur, zoals computers, smartphones, laptops, tablets, fototoestellen als algemeen gebruikelijk gezien. Deze komen evenmin voor vergoeding als leermiddel in aanmerking.

Artikel 9

Artikel 9 lid 1 Voorwaarden financiering

In artikel 9 lid 1 is een aantal voorwaarden over de financiering van een scholing opgenomen. Aan al deze voorwaarden dient te worden voldaan om tot financiering van een scholing te kunnen overgaan.

Artikel 9 lid 1 sub a Voldoende budget

Onder a is vermeld dat UWV over voldoende budget dient te beschikken om de noodzakelijke scholing te bekostigen. De aan UWV toegekende budgetten kennen namelijk een maximumgrens. Deze grens kan en mag UWV niet overschrijden.

Artikel 9 lid 1 sub b Expliciete en voorafgaande toestemming UWV

Onder b is bepaald dat UWV slechts die kosten vergoedt, waar UWV vooraf expliciete en voorafgaande toestemming voor heeft gegeven. Op deze manier behoudt UWV de regie op de besteding van het budget. Daarnaast biedt dit UWV de mogelijkheid om een gewogen oordeel te geven of de investering leidt tot het resultaat; het succesvol afsluiten van de scholing.

Artikel 9 lid 1 sub c Startdatum ligt binnen UWV-uitkeringsperiode

In de bepaling onder c is opnieuw benoemd dat de scholing dient te starten binnen de UWV-uitkeringsperiode. In dit geval is er sprake van een rechtmatige besteding van het aan UWV beschikbaar gestelde budget.

Artikel 9 lid 1 sub d UWV bepaalt de noodzaak tot scholing vóór startdatum scholing

Om voor vergoeding van scholingskosten in aanmerking te kunnen komen, stelt UWV vóór de startdatum van de scholing de noodzaak hiervan vast. Is een cliënt op eigen initiatief al gestart met een scholing zonder voorafgaand overleg met UWV? Dan vergoedt UWV de kosten van deze scholing niet.

Artikel 9 lid 2 Vergoeding van scholingskosten < 3 maanden voor de maximale WW-uitkeringstermijn

De WW-uitkeringstermijn kent een beperkte looptijd. UWV streeft er naar om scholingen zo vroegtijdig mogelijk tijdens de WW-uitkering te laten starten om overloop na einde WW-uitkering te voorkomen. Na beëindiging van de WW-uitkering heeft UWV geen zicht meer op de persoon en de voortgang van de scholing. Mogelijk dat de persoon na beëindiging van de WW-uitkering andere verplichtingen krijgt waardoor het succesvol kunnen beëindigen van de scholing in het gedrang komt.

Om zowel de cliënt als de scholing te kunnen blijven monitoren, vergoedt UWV geen scholingen voor WW-cliënten als de startdatum van de scholing binnen 3 maanden voor het bereiken van de maximale WW-uitkeringstermijn ligt.

Hierop is slechts één uitzondering mogelijk: nl. als het om een zodanig kortdurende scholing gaat, dat de einddatum van de scholing ligt vóór de datum waarop de cliënt de maximale WW-uitkeringstermijn bereikt. Is dit laatste niet het geval? Dan kan UWV wél een uitspraak doen over de noodzaak van de scholing. De WW-cliënt kan dan met behoud van WW-uitkering de scholing volgen (zie onderdeel A van deze Beleidsregels).

Artikel 9 lid 3 financiering van meerjarige scholingen

Bij een meerjarige scholing beoordeelt UWV per opleidingsjaar of er nog sprake is van schoolbaarheid om het eerstvolgende opleidingsjaar met succes te kunnen doorlopen. Zie artikel 6 lid 2. Alleen als er nog sprake is van schoolbaarheid zal UWV de scholingskosten voor dat betreffende opleidingsjaar vergoeden. Bij voldoende voortgang is de cliënt er van verzekerd dat UWV een bijdrage levert aan de scholingskosten.

Is geen sprake meer van schoolbaarheid bij de start van een nieuw opleidingsjaar? Dan vergoedt UWV geen scholingskosten.

Artikel 9 lid 4 Vergoeding van scholingskosten die uitsluitend toezien op het ontwikkelen van algemene vaardigheden

UWV zet scholingen arbeidsmarktgericht in; te weten met het oog op het weer aan het werk gaan van een cliënt (artikel 4). Dit betekent dat UWV uitsluitend scholingskosten vergoedt die betrekking hebben op het aanleren van de vakvaardigheden die vereist zijn voor het beoogd beroep van de werkhervatting waartoe de scholing opleidt. UWV vergoedt geen scholing gericht op het aanleren van algemene vaardigheden. Denk daarbij aan (Nederlandse) taal- digi- en rijvaardigheid. Deze algemene vaardigheden zien primair toe om te kunnen functioneren in maatschappelijke en/of sociale verbanden. Zo zijn gemeenten verantwoordelijk voor het aanleren van de Nederlandse taal, maar ook werkgevers kunnen hun toekomstige werknemers hierin ondersteunen.

Artikel 11 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels zijn van toepassing op beslissingen die worden genomen op of na de datum inwerkingtreding van dit besluit.

Amsterdam, 9 december 2025

M.R.P.M. Camps Voorzitter Raad van bestuur

Naar boven