Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Dienst Justitiële Inrichtingen | Staatscourant 2025, 9014 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Dienst Justitiële Inrichtingen | Staatscourant 2025, 9014 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Gelet op artikel 3 en 4 Kaderwet overige JenV-subsidies;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid;
een persoon die de activiteiten, bedoeld in artikel 1.6, op vrijwillige basis zonder financieel gewin uitvoert in georganiseerd verband;
de Dienst Justitiële Inrichtingen;
1° de gedetineerde in de zin van de Penitentiaire beginselenwet;
2° de verpleegde in de zin van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
3° de jeugdige in de zin van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of
4° de onder 1°, 2° en 3° genoemde personen gedurende 6 maanden na hun ontslag uit detentie of andere wijze van vrijheidsbeneming.
1° de inrichting in de zin van de Penitentiaire beginselenwet;
2° de inrichting in de zin van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
3° de inrichting in de zin van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
de aantoonbare additionele inkomsten ten behoeve van het aangevraagde subsidiebedrag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 1.6, dat buiten de rijksoverheid is toegezegd en verkregen dan wel uit eigen middelen van de subsidieontvanger is ingezet.
1. De staatssecretaris verstrekt subsidies aan de subsidieontvanger ter stimulering van de inzet van actieve vrijwilligers voor het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 1.6 ten behoeve van een humaan leefklimaat en succesvolle re-integratie van justitiabelen.
2. De verstrekte subsidie is niet kostendekkend voor de inzet van vrijwilligers.
De subsidie wordt voor een periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 januari 2029 verstrekt.
Voor de uitvoering van deze regeling is per kalenderjaar een bedrag ter grootte van € 4.299.260,– beschikbaar.
Dit bedrag geldt als subsidieplafond in de zin van artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht, zij het dat de bedragen over de jaren 2025 tot en met 2028 jaarlijks geïndexeerd worden op basis van de door het Ministerie van Financiën toegekende middelen voor loonbijstelling.
Subsidie wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.
De subsidie wordt verstrekt voor de volgende activiteiten:
1. tijdens het verblijf in detentie voor:
a. het ondersteunen bij het regelen van basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie op de volgende terreinen:
1° werk en inkomen;
2° zorgtrajecten;
3° huisvesting (onderdak);
4° schuldhulpverlening;
5° identiteitsdocumenten;
b. het afleggen van individuele bezoeken of groepsbezoeken;
c. het ondersteunen bij diensten, vieringen en gespreksgroepen die door de geestelijke verzorging worden georganiseerd;
d. het ondersteunen van het gezinssysteem en het sociaal netwerk;
e. het ondersteunen van ouders in hun relatie met kinderen;
f. het organiseren van groepsbijeenkomsten in het kader van vrijetijdsbesteding;
g. het geven van cursussen;
h. het bevorderen van innerlijk herstel van justitiabelen en herstel met slachtoffers, familieleden en samenleving;
i. het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van radicalisering;
j. het bijdragen aan activiteiten gericht op het uitvoeren van detentie & re-integratieplannen in den brede, bijvoorbeeld inzet taal- of voorleesmaatje bij laaggeletterdheid.
2. gedurende een periode van zes maanden na detentie voor:
a. het begeleiden van justitiabelen ten behoeve van een succesvolle re-integratie in de samenleving, bijvoorbeeld ten aanzien van:
1. het vinden van (on)betaald werk
2. het regelen van basisvoorzieningen: identiteitsbewijs, woning, uitkering, zorg(verzekering)
b. het afleggen van bezoeken;
c. het begeleiden van ouders bij het uitoefenen van hun opvoedingstaken;
d. het ondersteunen van het gezinssysteem en het sociaal netwerk;
e. het bevorderen van innerlijk herstel van justitiabelen en herstel met slachtoffers, familieleden en samenleving;
f. het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van radicalisering;
g. het overleggen met ketenpartners over individuele justitiabelen.
De kosten waaraan de subsidie slechts op doelmatige wijze kan worden besteed, zijn:
a. kosten voor werving, deskundigheidsbevordering en binding (jaarlijkse attentie) van de vrijwilligers;
b. kosten voor het reizen van en naar de justitiabelen door de vrijwilligers;
c. administratiekosten;
d. coördinatiekosten voor de inzet van vrijwilligers, of
e. aantoonbare huisvestingskosten, voor zover deze voor het werk van de vrijwilligers noodzakelijk door de vrijwilligersorganisaties moeten worden gemaakt.
1. Subsidie wordt geweigerd indien:
a. de aanvraag gebreken bevat en deze niet binnen twee weken na een verzoek daartoe zijn hersteld;
b. de aanvrager geen rechtspersoon is met volledige rechtspersoonlijkheid en als zodanig is ingeschreven in de Kamer van Koophandel;
c. voor dezelfde activiteiten subsidie wordt verstrekt door de rijksoverheid, anders dan DJI;
d. de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, niet in verband staan tot het doel, bedoeld in artikel 1.2, of de in subsidieaanvraag opgesomde activiteiten onvoldoende bijdragen aan dat doel.
2. Onverminderd de in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht opgesomde weigeringsgronden kan subsidie geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien:
a. de aanvrager in de voorgaande subsidieperiode niet heeft voldaan aan een of meer aan een subsidie verbonden voorwaarden of verplichtingen;
b. de vrijwilligersorganisatie is aangesloten bij een andere organisatie en van deze organisatie subsidie ontvangt;
c. bij een organisatie die subsidie aanvraagt, vrijwilligersorganisaties zijn aangesloten en die laatsten ook zelfstandig een subsidieaanvraag doen;
d. als de aanvraag op andere wijze niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling.
Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is gedurende het subsidiejaar van toepassing ten aanzien van een subsidieontvanger aan wie op grond van onderhavige regeling van € 125.000,– of meer per kalenderjaar subsidie is verleend met dien verstande dat:
a. de artikelen 4:71, eerste lid, onderdelen i en j, en 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht eveneens van toepassing zijn;
b. de in artikel 4:78, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde opdracht zich tevens uitstrekt tot het onderzoek van de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
1. De aanvrager kan slechts een aanvraag per jaar indienen in het kader van deze regeling.
2. Een aanvraag voor het verlenen van subsidie wordt digitaal ingediend door middel van een aanvraagformulier.
3. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als het volledig en juist ingevulde aanvraagformulier tijdig is ontvangen en vergezeld gaat van de gevraagde bijlagen, zoals op het aanvraagformulier gesteld.
4. In de aanvraag maakt de aanvrager duidelijk welke activiteiten als bedoeld in artikel 1.6 hij voornemens is te verrichten tijdens de subsidieperiode.
1. De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.
2. De aanvraag dient elk jaar vanaf 1 mei maar uiterlijk voor 1 juli om 12.00 uur voor het subsidiejaar dat start op 1 januari daaropvolgend, digitaal te zijn ontvangen. Een aanvraag die na 1 juli wordt ingediend, wordt niet in behandeling genomen.
1. De staatssecretaris beoordeelt of de aanvraag volledig en compleet is ingevuld.
2. In geval van een aanvraag met gebreken wordt de aanvrager door de staatssecretaris twee weken de tijd gegeven om de gebreken te herstellen. Indien de gebreken niet binnen twee weken worden hersteld, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
1. De beschikbare subsidiegelden worden per jaar verdeeld volgens de volgende formule:
2. Indien na de verdeling op grond van het eerste lid de beschikbare subsidiegelden niet in het geheel zijn verdeeld, zal op basis van dezelfde formule het resterende bedrag worden verdeeld over de subsidieontvangers die in het aanvraagformulier hebben aangegeven hiervoor in aanmerking te willen komen. Dit kan zich voordoen wanneer in de subsidieaanvragen van de vrijwilligersorganisaties het aantal vooraf ingeschatte actieve vrijwilligers hoger is dan bij de eindafrekening.
In het geval dat een specifieke actieve vrijwilliger bij meerdere vrijwilligersorganisaties in hun subsidieaanvraag voor komt (vanaf hier; dubbelingen), wordt het subsidiebedrag voor deze vrijwilliger naar rato verdeeld over de vrijwilligersorganisaties die deze vrijwilliger opgeven in hun subsidieaanvraag.
De staatssecretaris neemt een besluit tot subsidieverlening op basis van de ingediende subsidieaanvraag voor 1 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.
In geval van subsidieverlening gelijk aan of meer dan € 25.000,– wordt 90% van het toegekende bedrag als voorschot verstrekt. Dit bedrag wordt uiterlijk drie maanden na de beslissing tot subsidieverlening uitgekeerd. De definitieve afrekening van de subsidie geschiedt op grond van de werkelijk gemaakte kosten, rekening houdend met de hoogte van het subsidiebedrag.
1. Uiterlijk 1 juli dient de aanvrager aan wie in het vorige kalenderjaar subsidie is verleend, een verzoek tot vaststelling van de subsidie voor het vorige kalenderjaar in.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de subsidie tot € 25.000,– ambtshalve gelijk met de subsidieverlening vastgesteld.
3. Binnen 22 weken na 1 juli wordt een besluit op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie aan de aanvrager toegezonden.
4. De subsidie kan geheel of gedeeltelijk ambtshalve worden vastgesteld indien:
a. de aanvrager nalaat tijdig een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in te dienen;
b. de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de aanvrager gewijzigd.
Aan de subsidie zijn de volgende verplichtingen verbonden:
a. De subsidieontvanger dient als rechtspersoon met volledige rechtspersoonlijkheid ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel.
b. De competenties die aan de vrijwilligers worden gesteld, worden vastgelegd in een competentieprofiel.
c. De selectie van vrijwilligers vindt plaats aan de hand van het vastgestelde competentieprofiel.
d. De subsidieontvangers dragen zorg voor het inwerken van nieuwe vrijwilligers aan de hand van een programma.
e. De aan de subsidieontvanger verbonden vrijwilligers die binnen of buiten de justitiële inrichting met justitiabelen werkzaam zijn, moeten in het bezit zijn van een geldige Verklaring omtrent gedrag (VOG) voor vrijwilligerswerk, of een geldige Referentie (voorheen Beschrijving Getoond Gedrag). Deze VOG of Referentie mag ten tijde van het indienen van de subsidieaanvraag niet ouder dan vier jaar zijn.
f. De subsidieontvanger sluit met iedere vrijwilliger een schriftelijk vrijwilligerscontract. Dit contract bevat in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
1° rechten en de verplichtingen van de vrijwilliger bij de uitvoering van zijn activiteiten in de inrichtingen en instellingen of in het kader van de re-integratie van de justitiabele;
2° geheimhouding;
3° aansprakelijkheidsverzekering;
4° onkostenvergoedingen;
5° instemming van de vrijwilliger met de verwerking van zijn persoonsgegevens zoals vermeld op zijn VOG door de staatssecretaris.
g. De subsidieontvanger is verplicht het jaarplan dat ziet op de subsidieperiode binnen twee weken na vaststelling van dit plan aan de staatssecretaris toe te zenden. In het jaarplan wordt in ieder geval vermeld hoe vorm en inhoud gegeven wordt aan deskundigheidsbevordering van de vrijwilligers.
h. De subsidieontvanger die in een inrichting of instelling actief is en minimaal 15 vrijwilligers heeft, stelt een coördinator aan die:
1° eindverantwoordelijk is voor een adequate begeleiding, aansturing en ondersteuning van de vrijwilligers;
2° voor de leiding van de inrichting als aanspreekpunt fungeert, en
3° blijkens een verklaring heeft ingestemd met de verwerking van zijn persoonsgegevens door de staatssecretaris.
i. De subsidieontvanger doet melding:
1° zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;
2° van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot een intrekking of wijziging van de subsidieverlening, zoals geregeld in artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht dan wel zodra er wetenschap of een redelijk vermoeden is dat zich een dergelijk feit of een dergelijke omstandigheid op korte termijn zou kunnen voordoen;
3° als op enig moment gedurende de looptijd van de subsidie zich gebeurtenissen voordoen of dreigen voor te doen die invloed kunnen hebben op de inhoud, de planning van de activiteiten en/of de voortgang van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend of anderszins op de subsidie van invloed kunnen zijn;
4° van eventuele wijzigingen in de inhoud, financiering en/of planning van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend.
j. De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een controle door de staatssecretaris.
k. De subsidieontvanger is verplicht de bij het besluit tot subsidieverlening opgenomen voorwaarden strikt na te leven.
l. De subsidieontvanger waaraan een subsidie is verleend, is verplicht om uiterlijk 1 juli de aanvraag tot subsidievaststelling te doen vergezellen van een verantwoording waarin schriftelijk wordt aangetoond:
1° aan de hand van het eindverantwoordingsformulier dat de activiteiten hebben plaatsgevonden, en via dit formulier verantwoording af te leggen over de gemaakte kosten;
2° dat aan de verbonden verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn is voldaan;
De subsidieontvanger waaraan een subsidie van meer dan of gelijk aan € 25.000,– is verleend, is verplicht om naast de verplichtingen uit artikel 6.2 lid l uiterlijk 1 juli de aanvraag tot subsidievaststelling te doen vergezellen van een verantwoording waarin schriftelijk wordt aangetoond:
1° op welke wijze het totale bedrag aan subsidiabele kosten, eigen bijdragen en de mate van cofinanciering aan de gerealiseerde activiteiten zijn besteed.
Met betrekking tot cofinanciering bestaat er onderscheid tussen subsidieverlening tussen € 25.000,– tot € 125.000,– en subsidieverlening vanaf € 125.000,–. In alle gevallen geldt voor de subsidieontvanger gedurende het subsidiejaar de volgende procentuele verplichting tot cofinanciering:
Subsidiejaar |
Subsidieverlening tussen € 25.000,– tot € 125.000,– |
Subsidieverlening vanaf € 125.000,– |
---|---|---|
2026 |
10% |
25% |
2027 |
10% |
25% |
2028 |
10% |
25% |
In geval een vrijwilligersorganisatie een bedrag van € 125.000,– of meer aan subsidie van DJI ontvangt, dient uiterlijk op 1 juli aan de hand van het eindverantwoordingsformulier aangetoond te worden dat de vooraf opgegeven activiteiten waarvoor subsidie is verkregen hebben plaatsgevonden. Tevens dient de subsidiedieontvanger verantwoording af te leggen over de gemaakte kosten. Dit kan de subsidieontvanger doen door of in de jaarrekening het eindverantwoordingsformulier op te nemen of het eindverantwoordingsformulier apart door de accountant te laten waarmerken waarbij de accountant aangeeft dat de cijfers dienovereenkomstig zijn opgenomen in de jaarrekening.
Indien de subsidieontvanger het eindverantwoordingsformulier in de jaarrekening opneemt, dient de jaarrekening voorzien te zijn van een controleverklaring van een accountant. Een samenstellings- of beoordelingsverklaring wordt niet geaccepteerd. Indien de subsidieontvanger het eindverantwoordingsformulier apart door de accountant laat waarmerken, dient dit ook op basis van een controleverklaring te worden gedaan. Ook hier geldt dat een samenstellingsverklaring of beoordelingsverklaring niet wordt geaccepteerd.
De staatssecretaris bewaart gedurende een periode van zeven jaar de schriftelijke stukken op grond van deze regeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, I. Coenradie
Bij de sanctietoepassing zijn vrijwilligers actief om justitiabelen op verschillende manieren te begeleiden en zo de kansen op een duurzame re-integratie te vergroten en daardoor bij te dragen aan het terugdringen van recidive. De doelstellingen van de vrijwilligersorganisaties sluiten daarmee aan bij de doelstellingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid: een humane tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen die, vanuit een persoonsgerichte benadering, moeten leiden tot een veilige terugkeer en een succesvolle re-integratie in de samenleving. Door vrijwilligers gericht in te zetten in het detentie en re-integratietraject van justitiabelen wordt een nuttige en noodzakelijke bijdrage geleverd aan de re-integratie en veilige terugkeer van justitiabelen naar de samenleving. Dit sluit aan bij de ambities die met de Wet Straffen en Beschermen worden nagestreefd. Het hebben van sociale contacten is voor justitiabelen van groot belang om zich weer geaccepteerd te voelen en niet terug te vallen in oud gedrag. Juist door de vrijwillige inzet en persoonlijke binding van vrijwilligers kunnen nieuwe positieve relaties ontstaan. Voor personen voor wie de datum van terugkeer in de Nederlandse samenleving nog ver weg is of uitblijft, dient de inzet van vrijwilligers voornamelijk ter versterking van het humane leefklimaat. Het belang van vrijwilligers voor justitiabelen wordt onderstreept in de visie op gevangenisstraffen: ‘Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen’1.
Met onderhavige subsidieregeling wordt de inzet van vrijwilligers vormgegeven. Deze toelichting van de subsidieregeling bevat achtereenvolgens:
− inleiding; (paragraaf 1);
− de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige subsidieregeling; (paragraaf 2);
− een omschrijving van de vrijwilligersactiviteiten die voor subsidiëring in aanmerking komen (paragraaf 3);
− de voorwaarden waaraan de vrijwilligersorganisaties moeten voldoen om voor subsidiëring in aanmerking te komen (paragraaf 4);
− de te subsidiëren kosten, de te subsidiëren kostensoorten en de verdeelsleutel (paragraaf 5);
− een toelichting met betrekking tot de aanvraag, subsidieverlening, toekenning en verantwoording van de subsidie (paragraaf 6).
Net als de vorige subsidieregeling zal deze subsidieregeling gelden voor drie jaar, van 1 januari 2026 tot 1 januari 2029. Op deze manier wordt continuïteit en perspectief geboden aan de vrijwilligersorganisaties en hebben zij de tijd om eventuele noodzakelijke veranderingen door te voeren binnen hun organisatie. Voor DJI biedt dit de mogelijkheid en de tijd om de doelmatigheid van de wijzigingen in de regeling te beoordelen. De periode van drie jaar zal tevens benut worden voor het uitvoeren van evaluaties en het verzamelen van (beleids)informatie met als doel te bezien of onderhavige regeling verdere aanpassingen behoeft.
Met het opstellen van de aanvraag-, toekenning- en verantwoordingsbepalingen in deze subsidieregeling is rekening gehouden met de Rijksbrede Aanwijzingen voor subsidieverstrekking2. Deze aanwijzingen voorzien onder meer in een differentiatie in het toekennings- en verantwoordingsproces gerelateerd aan de omvang van het subsidiebedrag. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geldt dat de subsidiebedragen jaarlijks bij een eenmalige beschikking worden verleend en vastgesteld. Dit geschiedt op basis van het tijdig digitaal ingezonden aanvraagformulier.
In de subsidieregeling blijft voor de periode 2026–2028 de verdeelsleutel ‘het aantal actieve vrijwilligers per 1 januari per organisatie’ gehandhaafd; zie daarvoor artikel 3.2. Hierbij geldt dat niet-actieve (‘slapende’) vrijwilligers niet meegerekend worden, en dat vrijwilligers een VOG of Referentie die maximaal 4 jaar oud is moeten hebben.3
In de afgelopen periode is veel gesproken omtrent de contouren van een nieuwe subsidieregeling voor de vrijwilligersorganisaties. Tijdens de evaluatie van de subsidieregeling 2023-2025 is een aantal relevante constateringen gedaan die hebben aangezet tot de belangrijkste wijzigingen in de subsidieregeling die per 1 januari 2026 in moet gaat.
In de eerste plaats is gebleken dat het aantal actieve vrijwilligers volgens het aantal aangeleverde VOG’s voor sommige vrijwilligersorganisaties veel hoger lag dan het aantal vrijwilligers dat zich volgens de urenregistraties dat jaar daadwerkelijk had ingezet voor deze vrijwilligersorganisaties. Tegelijkertijd bleek een groot aantal VOG’s sterk verouderd te zijn. Om het aantal actieve vrijwilligers accurater in te kunnen schatten, worden in de huidige regeling extra voorwaarden gesteld aan de geldigheidstermijn van de VOG’s en Referenties van vrijwilligers, zodat deze in lijn zijn met het VOG-beleid voor de eigen medewerkers van DJI. Vrijwilligers kunnen immers ook contact hebben met justitiabelen en daarom spelen dezelfde veiligheidsrisico’s als bij medewerkers van DJI.
In de tweede plaats is gebleken dat vrijwilligersorganisaties soms (in sterke mate) dezelfde vrijwilligers opvoeren in hun subsidieaanvraag als andere vrijwilligersorganisaties. De huidige subsidieregeling heeft daarom een extra bepaling opgenomen die erop toeziet dat vrijwilligers slechts eenmaal meetellen voor de verdeling van het totale subsidiebedrag.
In de derde plaats is gesproken over het al dan niet voortzetten van de urenverantwoording zoals in de vorige subsidieregeling verplicht was voor het jaar 2023. Er is besloten dat het verplicht meesturen van de urenregistraties bij de eindverantwoording komt te vervallen. De eindverantwoording zelf, middels het eindverantwoordingsformulier, komt echter niet te vervallen.
Tot slot wordt het subsidiebedrag jaarlijks geïndexeerd, en is er een nieuwe bepaling opgenomen over het verplicht meesturen van de controleverklaring.
Hieronder worden de belangrijkste wijzigingen nader uiteengezet en toegelicht.
Een eerste punt dat in de subsidieregeling aangepast wordt naar aanleiding van de bevindingen van DJI, is dat de VOG of Referentie van actieve vrijwilligers niet ouder dan vier jaar mag zijn bij het indienen van de subsidieaanvraag. Er is immers geconstateerd dat voor veel vrijwilligers een veel oudere VOG aangeleverd werd. In de vorige regeling gold nog geen geldigheidstermijn voor de VOG’s van vrijwilligers om in aanmerking te komen voor subsidie. Vrijwilligersorganisaties worden met de met deze regeling ingevoerde geldigheidstermijn verplicht om periodiek hun vrijwilligers te screenen. Het periodiek screenen van vrijwilligers die met kwetsbare doelgroepen werken, waaronder (ex-)gedetineerden, is in lijn met het advies van het CIBG van het Ministerie van VWS, dat de Regeling Gratis VOG voor deze vrijwilligers uitvoert. De termijn van vier jaar komt tevens overeen met de standaard terugkijktermijn van Justis en is in lijn met het VOG-beleid van DJI voor de eigen medewerkers. Met het instellen van de geldigheidstermijn van vier jaar blijft de veiligheid binnen de inrichtingen gewaarborgd.
Vrijwilligers met een VOG of Referentie ouder dan vier jaar, waaronder intussen inactieve vrijwilligers, komen niet meer in aanmerking voor subsidie op grond van deze regeling. Van de groep met oude VOG’s rees namelijk het vermoeden dat een deel hiervan intussen niet actief meer was als vrijwilliger, omdat uit de urenregistraties bleek dat het aantal vrijwilligers dat in de urenregistraties voorkwam een stuk lager lag dan het aantal actieve vrijwilligers volgens de aangeleverde VOG’s. DJI wil een systeem waarin alleen voor daadwerkelijk actieve vrijwilligers een subsidie verleend wordt.
Een tweede punt dat in de subsidieregeling aangepast wordt naar aanleiding van de bevindingen van DJI, is dat het subsidiebedrag voor vrijwilligers die door meerdere vrijwilligersorganisaties opgevoerd worden naar verhouding verdeeld wordt over deze betreffende vrijwilligersorganisaties. Er werd immers gesignaleerd dat er overlap zit in de aangeleverde vrijwilligersbestanden van enkele vrijwilligersorganisaties.
Volgens de huidige regeling ontvangen de vrijwilligersorganisaties een subsidiebedrag per actieve vrijwilliger die activiteiten ontplooit zoals genoemd in artikel 1.6 van de regeling. Met de nieuwe bepaling wordt voorkomen dat voor eenzelfde vrijwilliger aan meerdere organisaties een subsidiebedrag wordt verstrekt dat gelijk is aan het bedrag dat wordt verstrekt voor “unieke” vrijwilligers. Een vrijwilliger kan immers maar op één plek tegelijk zijn/haar vrijwilligerswerk verrichten. Het wordt dan ook niet als rechtvaardig beschouwd om meerdere organisaties te subsidiëren voor dezelfde vrijwilliger, omdat vrijwilligers die zich voor één organisatie inzetten en voor die organisatie ook meerdere activiteiten kunnen verrichten, ook slechts eenmaal gesubsidieerd worden.
Om inzicht te verkrijgen in de gepleegde inzet van vrijwilligers op de verschillende activiteiten zoals genoemd in artikel 1.6, werden de vrijwilligersorganisaties in de vorige regeling verplicht om over het jaar 2023 een urenverantwoording in te dienen. Deze verplichting gold voor de vrijwilligersorganisaties aan wie gedurende 2023 een subsidie van € 25.000,– of meer is verleend.
Op dit moment is ervoor gekozen om de vrijwilligersorganisaties op dit punt te ontlasten. Wel blijft op grond van artikel 6.2 van de regeling voor vrijwilligersorganisaties de plicht bestaan om achteraf via het eindverantwoordingsformulier te verantwoorden welke activiteiten binnen welk tijdsbestek hebben plaatsgevonden, voor welke doelgroep en op welke locatie. Via dit formulier wordt ook verantwoording afgelegd over de gemaakte kosten en de cofinanciering.
Het bedrag dat vrijwilligersorganisaties van DJI ontvangen wordt op grond van de motie Bikker en Van Dijk jaarlijks geïndexeerd.4 De vrijwilligersorganisaties zijn hierover per brief geïnformeerd.
Naast bovengenoemde wijzigingen is in de regeling tevens de verplichting tot het aanleveren van een controleverklaring van de accountant (in geval een vrijwilligersorganisatie een bedrag van € 125.000,– of meer aan subsidie van DJI ontvangt) opgenomen. Voorheen was deze verplichting al in de verleningsbrieven vermeld, maar is nu derhalve in de regeling verwoord.
Deze verplichting tot het aanleveren van een accountantsverklaring komt voor deze groep vrijwilligersorganisaties bovenop de voor alle vrijwilligersorganisaties geldende verplichting om aan de hand van het ingevulde eindverantwoordingsformulier aan te tonen dat de vooraf opgegeven activiteiten waarvoor subsidie is verleend, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dit formulier dient uiterlijk op 1 juli van het jaar volgend op de subsidietoekenning te zijn ingediend. Daarnaast dienen de vrijwilligersorganisaties verantwoording af te leggen over de door hen gemaakte kosten in het kader van de subsidieverlening.
Er zijn verschillende manieren waarop de vrijwilligersorganisaties dit aan kunnen tonen. De eerste optie is dat de vrijwilligersorganisaties dit doen door in de jaarrekening het eindverantwoordingsformulier op te nemen, waarbij de jaarrekening voorzien dient te zijn van een controleverklaring. Een andere optie is om het eindverantwoordingsformulier apart door de accountant te laten waarmerken, waarbij wederom de controleverklaring de basis vormt en waarbij de accountant aangeeft dat de cijfers overeenkomstig zijn opgenomen in de jaarrekening. Beide opties zijn door het nieuwe artikel 6.4 in de regeling toegestaan.
Deze wijzigingen kunnen betekenen dat subsidiebedragen vanaf het kalenderjaar 2026 aanmerkelijk veranderen. Dit kan een verhoging, maar ook een (aanmerkelijke) verlaging of zelfs een stopzetting van de subsidie betekenen.
Ingevolge artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht geldt dat in het geval dat een subsidie voor drie of meer jaar is verstrekt voor dezelfde activiteiten, een (gedeeltelijke) weigering voor een nieuw tijdvak slechts kan worden doorgevoerd met inachtneming van een redelijke termijn. De hierboven gestelde wijzigingen gaan vanaf 1 januari 2026 in. De termijn tot 1 januari 2026 is een redelijke termijn in de zin van artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht. Op deze wijze wordt elke vrijwilligersorganisatie in staat gesteld zich voor te bereiden op de komende wijzigingen
Als algemeen uitgangspunt geldt dat de vrijwilligersactiviteiten de werkzaamheden van de beroepskrachten in de justitiële inrichtingen niet mogen overlappen of verdringen. Niet alleen vrijwilligersactiviteiten tijdens het verblijf in een justitiële inrichting komen voor financiering in aanmerking, maar ook vrijwilligersactiviteiten die tot zes maanden na de beëindiging van het verblijf in een justitiële inrichting of daarbuiten ten behoeve van ex-justitiabelen uitgevoerd worden.
Vrijwilligersorganisaties komen alleen in aanmerking voor subsidie van activiteiten die passen binnen de persoonsgerichte benadering en gericht zijn op het bevorderen van de zelfredzaamheid en re-integratie van justitiabelen. Het betreft hier de activiteiten die in artikel 1.6 van de regeling zijn opgesomd.
Voor subsidiëring komen uitsluitend zelfstandige vrijwilligersorganisaties in aanmerking die voldoen aan de verplichtingen zoals genoemd in de regeling. Enkele punten uit de regeling behoeven echter nog enige toelichting:
− In het algemeen geldt dat er een verbinding dient te zijn tussen de aangeboden activiteiten en het aantal daarbij in te zetten vrijwilligers. Vrijwilligers dienen doelmatig per activiteit ingezet te worden (artikel 1.2 eerste lid).
− Per subsidieontvanger wordt maar één aanvraag voor alle activiteiten ingediend (artikel 2.1 eerste lid). Er kan enkel subsidie worden aangevraagd door de organisatie waar de vrijwilliger ingeschreven staat en waarvoor hij actief is (artikel 1.2 eerste lid en artikel 1.8 eerste lid onder d). Een aanvraag voor het verlenen van subsidie wordt digitaal ingediend door middel van een aanvraagformulier. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het projectenbureau DJI.
− Alleen actieve vrijwilligers mogen meegerekend worden als vrijwilliger (artikelen 1.2, 3.2 en 6.1).5
− Alle aan de subsidieontvanger verbonden vrijwilligers die binnen of buiten justitiële inrichtingen met justitiabelen werkzaam zijn, moeten in beginsel in het bezit zijn van een Verklaring omtrent gedrag (VOG) of een Referentie.6 De screening hiervan dient uitgevoerd te worden conform de circulaire van DJI7.
− De vrijwilligersorganisatie sluit een schriftelijk vrijwilligerscontract met iedere vrijwilliger die activiteiten verricht in het kader van de sanctietoepassing. De vrijwilligersorganisaties en de vrijwilligers geven zelf invulling aan wat er in dit contract opgenomen wordt. Echter, dit contract bevat in ieder geval de bepalingen zoals opgenomen onder artikel 6.1 eerste lid 1 onder f van de regeling.
− De subsidieontvanger heeft een uitgebreide mededelingsverplichting die in artikel 6.1, onderdeel i, is uitgewerkt.
De regeling geeft in artikel 1.7 de kostensoorten die in aanmerking komen voor subsidiëring. Deze kostensoorten zijn geen onderdeel van de berekening van de hoogte van de subsidie.
In deze subsidieregeling wordt één verdeelsleutel gehanteerd. Subsidiëring vindt plaats op basis van het aantal vrijwilligers dat op 1 januari daadwerkelijk actief aan de vrijwilligersorganisatie is verbonden en dat de onder artikel 1.6 van de regeling vermelde vrijwilligersactiviteiten verricht.
Het bedrag dat uit de berekening onder artikel 3.2 vervolgens per vrijwilliger komt dient echter in het geval de vrijwilliger bij meerdere vrijwilligersorganisaties actief is nog verder verdeeld te worden. Dit gebeurt door het bedrag voor die vrijwilliger te delen door het aantal organisaties waar deze vrijwilliger actief is.
Met deze verdeelsleutel wordt voorkomen dat het totaalbedrag van de aanvragen de beschikbare budgettaire ruimte voor het vrijwilligerswerk overschrijdt. Indien na de verdeling op grond van het eerste lid de beschikbare subsidiegelden niet in het geheel zijn verdeeld, zal op basis van dezelfde formule het resterende bedrag worden verdeeld over de subsidieontvangers die in het aanvraagformulier hebben aangegeven hiervoor in aanmerking te willen komen. Wel moet worden bedacht dat hierdoor de subsidieontvanger meer subsidie kan ontvangen en dientengevolge meer verantwoordingsverplichtingen kan hebben.
De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt (artikel 2.2, eerste lid). Voor 1 juli dient de subsidieaanvraag voor het daaropvolgende jaar digitaal te worden ingediend (artikel 2.2, tweede lid). Het betreft hier een fatale termijn. Aanvragen die na deze termijn worden ingediend, dan wel aanvragen die niet naar het goede (digitale) adres zijn gezonden en na het verstrijken van de fatale termijn alsnog worden ingediend, worden niet in behandeling genomen (artikel 2.2, tweede lid).
Besluitvorming inzake subsidieverlening vindt uiterlijk voor 1 december plaats (artikel 4.1).
Aan een organisatie die een subsidie ontvangt vanaf € 25.000,– wordt in eerste instantie een voorschot van 90% van het verleende subsidiebedrag uitbetaald. De definitieve afrekening van de subsidie geschiedt op grond van de werkelijk gemaakte kosten, rekening houdend met de hoogte van het subsidiebedrag (artikel 4.2).
De subsidieontvanger dient uiterlijk op 1 juli een aanvraag voor subsidievaststelling met betrekking tot het vorige kalenderjaar in (artikel 5.1, eerste lid). Dit geldt niet voor subsidiebedragen van € 25.000,– of minder. De vaststelling geschiedt dan gelijktijdig bij de verlening (artikel 5.1, tweede lid). Binnen 22 weken na 1 juli wordt de subsidie vastgesteld (artikel 5.1, derde lid).
Vanaf 1 januari 2010 gelden de Rijksbrede Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Deze aanwijzingen zijn van belang voor de subsidieverstrekking van de rijksoverheid, maar vooral ook voor de verantwoording door de organisaties. Op grond van deze aanwijzingen zijn, afhankelijk van de omvang van de toe te kennen subsidies, voor de toekenning en verantwoording de bepalingen uit artikel 6.1 van toepassing. Zo is in artikel 6.1, onderdeel i van de regeling een uitgebreide meldingsverplichting opgenomen voor de subsidieontvanger ongeacht de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag. Voor subsidieontvangers aan wie een subsidiebedrag vanaf € 25.000,– of meer is verleend geldt een specifieke verantwoordingverplichting, die hierboven in paragraaf 4.1 is toegelicht.
In artikel 7 zijn nog enkele nadere bepalingen opgenomen zoals de citeertitel, de ingangsdatum en de vervaldatum van de regeling en een bepaling over de bewaartermijn van de door DJI opgevraagde gegevens. De grondslag van deze bewaartermijn is artikel 4 van de Kaderwet overige JenV subsidies en de AVG. Daar staat ook reeds het doel, de noodzaak en de proportionaliteit van deze regel uitgewerkt.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, I. Coenradie
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2024 | Tweede Kamer der Staten-Generaal
Het aantal actieve vrijwilligers kan worden geteld door controle van de afgegeven Verklaringen Omtrent Gedrag (VOG) of Referentie en mede op de verklaring van de vrijwilligersorganisatie dat de opgegeven vrijwilligers daadwerkelijk ingezet worden.
Wanneer de vrijwilligersorganisatie een vrijwilliger die geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) kan overleggen – bijvoorbeeld een ervaringsdeskundige – wel geschikt acht voor vrijwilligerswerk bij de Sanctietoepassing kan ook worden volstaan met het overleggen van een Referentie (voorheen: Beschrijving Getoond Gedrag) die aan de vrijwilliger tijdens diens detentie is verstrekt door de vestigingsdirecteur. Die beschrijving kan de justitiabele gebruiken bij sollicitaties en bij de procedure voor het verkrijgen van een VOG. Een Referentie kan worden afgegeven als een justitiabele zich binnen de detentie dusdanig gedragen heeft dat deze het grootste gedeelte van de detentie, in ieder geval meer dan de helft van de detentieperiode, heeft deelgenomen aan het plusprogramma, met succes in de arbeid gefunctioneerd heeft (bijvoorbeeld door meer verantwoordelijk of complex werk) én tijdens de detentieperiode een positieve werkervaring buiten de justitiële inrichting heeft opgedaan. Indien iemand op basis van de screening géén VOG verstrekt krijgt, dan kan hij/zij zich alleen onder voorwaarden inzetten in de inrichting (bijvoorbeeld altijd onder begeleiding en geen een-op-een contact met justitiabelen). Dit geldt ook voor personen die wel een Referentie hebben.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-9014.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.