Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2025, 44686 | delegatie- of mandaatbesluit |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2025, 44686 | delegatie- of mandaatbesluit |
DE MINISTER VAN FINANCIËN,
Handelende met instemming van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid;
Gelet op de artikelen 10:1, 10:2, 10:3, 10:4, eerste lid, 10:9, eerste lid, en 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 28, tweede lid, 47a, 47b en 47c van de Handelsregisterwet 2007;
Gezien de instemming van de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau;
BESLUIT:
In dit besluit wordt verstaan onder:
Algemene wet bestuursrecht;
Dienst Financieel-Economische Integriteit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel k, van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020;
Centraal Justitieel Incassobureau als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder 1°, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid;
de bevoegdheid om namens de minister andere handelingen te verrichten dan die bedoeld onder e of g;
de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen in de zin van de Awb;
de Minister van Financiën;
de bevoegdheid om namens de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
Handelsregisterwet 2007.
1. Aan de directeur van DFEI wordt mandaat en machtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 47a, 47b en 47c van de wet.
2. Aan de directeur van DFEI wordt machtiging verleend tot de inzage, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de wet juncto artikel 51a, onderdeel b, van het Handelsregisterbesluit 2008, alsmede volmacht voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die verband houden met die inzage.
3. De directeur van DFEI kan voor de in het eerste en tweede lid bedoelde aangelegenheden ondermandaat, machtiging en volmacht verlenen aan medewerkers van DFEI.
1. Aan de directeur van DFEI wordt mandaat verleend voor het nemen van besluiten in het kader van de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 47a en 47b van de wet, met uitzondering van het in rekening brengen van een vergoeding voor een aanmaning.
2. Aan de directeur van DFEI wordt volmacht verleend voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 47a en 47b van de wet.
3. De directeur van DFEI kan voor de in het eerste en tweede lid bedoelde aangelegenheden ondermandaat en volmacht verlenen aan medewerkers van DFEI.
1. Aan de algemeen directeur van het CJIB wordt machtiging verleend voor het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 47a en 47b van de wet.
2. In het kader van de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 47a en 47b van de wet, wordt aan de algemeen directeur van het CJIB mandaat verleend voor het in rekening brengen van een vergoeding voor een aanmaning als bedoeld in artikel 4:113 van de Awb alsmede voor het treffen van betalingsregelingen en het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 van de Awb.
3. De algemeen directeur van het CJIB kan voor de in het eerste en tweede lid bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan medewerkers van het CJIB.
1. Aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën en de directeur van DFEI wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaarschriften tegen handhavingsbesluiten en besluiten in het kader van het invorderingsproces die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 47a en 47b van de wet.
2. De secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën en de directeur van DFEI kunnen voor de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan medewerkers van DFEI.
1. Aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën en de directeur van DFEI wordt volmacht en machtiging verleend voor het voeren van gerechtelijke procedures die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 47a, 47b en 47c van de wet.
2. De secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën en de directeur van DFEI kunnen voor de in het eerste en tweede lid bedoelde aangelegenheden volmacht en machtiging verlenen aan medewerkers van DFEI.
Het krachtens (onder)mandaat, machtiging of volmacht ondertekenen van stukken geschiedt als volgt:
De Minister van Financiën,
namens deze,
gevolgd door naam en functie van de (onder)gemandateerde.
Het Mandaatbesluit handhaving naleving UBO-registratie Handelsregisterwet 2007 wordt ingetrokken.
Ondermandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend op grond van het Mandaatbesluit handhaving naleving UBO-registratie Handelsregisterwet 2007 berusten na de inwerkingtreding van dit besluit op het van toepassing zijnde artikel van dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2026, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2026.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Met de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten (hierna: de implementatiewet) is artikel 30 van de Europese vierde anti-witwasrichtlijn1, zoals gewijzigd door de Europese richtlijn (EU) 2018/843 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering,2 geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving. Daarmee kent Nederland een register met informatie over de uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owners; hierna: UBOs) van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Dat UBO-register is geïntegreerd in het handelsregister dat wordt beheerd door de Kamer van Koophandel; de implementatie heeft derhalve mede geleid tot aanpassing van de Handelsregisterwet 2007.
Artikel 47a van de Handelsregisterwet 2007 bepaalt dat de Minister van Financiën een last onder dwangsom kan opleggen, indien een juridische entiteit niet, niet tijdig of onjuiste informatie over een UBO registreert. Op grond van het eerste lid van artikel 47b van de Handelsregisterwet 2007 kan de Minister van Financiën in die gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op grond van artikelen 47a en 47b van de Handelsregisterwet 2007 zijn gemandateerd aan de algemeen directeur van de directie Grote Ondernemingen van de Belastingdienst waar het Bureau Economische Handhaving (hierna: BEH) tot 1 januari 2026 onder valt. Deze mandatering is opgenomen in het Mandaatbesluit handhaving naleving UBO-registratie Handelsregisterwet 2007. In december 2023 besloot de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst echter dat de Belastingdienst zich meer ging focussen op de kerntaken en in dat licht om de niet-fiscale taken van het BEH – waaronder de onderhavige handhavingstaak – buiten de Belastingdienst te organiseren.3 In navolging van deze beslissing heeft de Bestuursraad van het Ministerie van Financiën op 28 juni 2024 besloten zowel de niet-fiscale taken als de medewerkers van o.a. het BEH onder te brengen in een nieuw organisatieonderdeel binnen het cluster secretaris-generaal: de Dienst Financieel-Economische Integriteit (hierna: DFEI). Deze dienst bestaat per 1 januari 2026.4 Het BEH wordt per genoemde datum opgeheven. Derhalve dient genoemd mandaatbesluit te worden ingetrokken en vervangen door een nieuw mandaatbesluit. Daartoe voorziet onderhavig besluit in de intrekking van het Mandaatbesluit handhaving naleving UBO-registratie Handelsregisterwet 2007, en in de benodigde verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur van DFEI c.q. aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën.
Onderhavig besluit voorziet bovendien in de mandatering van de inlichtingenbevoegdheid uit artikel 47c van de Handelsregisterwet 2007. Met ingang van 28 januari 2022 is artikel 47c ingevoegd in de Handelsregisterwet 2007.5 Dat artikel bepaalt dat de Minister van Financiën bevoegd is om van een juridische entiteit waarvan de UBOs zijn ingeschreven in het UBO-register of van een Wwft-instelling die een terugmelding heeft gedaan6 inlichtingen te vorderen die hij redelijkerwijs nodig heeft in het kader van artikelen 47a en 47b van de Handelsregisterwet 2007.
In artikel 1 wordt een aantal begrippen gedefinieerd.
In artikel 1 van het Mandaatbesluit handhaving naleving UBO-registratie Handelsregister 2007 is aan de algemeen directeur van de directie Grote Ondernemingen mandaat verleend voor het uitoefenen van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom op grond van artikel 47a Handelsregisterwet 20077 alsmede het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van artikel 47b van die wet. In artikel 2 van onderhavig besluit verleent de Minister van Financiën dit mandaat aan de directeur van DFEI, de dienst die de handhavingstaak per 1 januari 2026 uitvoert. Aan deze directeur wordt ook machtiging verleend om gebruik te maken van de in artikel 47c van de Handelsregisterwet 2007 opgenomen inlichtingenbevoegdheid.
Daarnaast wordt in het tweede lid van artikel 2 een verduidelijking c.q. explicitering gegeven ten aanzien van de inzagemogelijkheid van DFEI. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007 hebben bevoegde autoriteiten bijzondere, meer uitgebreide inzage in het UBO-register. Het gaat hier – kort samengevat – om autoriteiten die zich bezighouden met de opsporing van witwassen en/of terrorismefinanciering en autoriteiten die betrokken zijn bij de opsporing van de onderliggende delicten van witwassen. In artikel 51a, onderdeel b, van het Handelsregisterbesluit 2008 is bepaald om welke autoriteiten het gaat, waarbij de Minister van Financiën in onderdeel b is aangemerkt als een bevoegde autoriteit in het kader van de uitvoering van zijn handhavingstaak. Deze inzage wordt verleend aan DFEI daar bedoelde handhavingstaak per 1 januari 2026 door DFEI wordt uitgevoerd namens de minister. Het tweede lid van artikel 2 ziet hierop waarbij DFEI tevens volmacht wordt verleend om namens de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten in dat kader. Dit laatste ziet bijvoorbeeld op afspraken die DFEI met de beheerder van het register (de Kamer van Koophandel) maakt over de wijze waarop inzage wordt verleend.
Omdat alle hierboven bedoelde bevoegdheden in de praktijk veelal zullen worden uitgeoefend door medewerkers van DFEI, maakt het derde lid het de directeur van DFEI mogelijk om ondermandaat,8 machtiging en volmacht te verlenen aan medewerkers van zijn dienst. Dat zal in de praktijk veelal gebruikelijk en noodzakelijk zijn.
Artikelen 3 en 4 zien op de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheid een last onder dwangsom of bestuurlijk boete op te leggen op grond van artikel 47a respectievelijk 47b van de Handelsregisterwet 2007. In dit invorderingsproces speelt zowel DFEI als het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) een rol; deze instanties maken hierover onderlinge afspraken. Artikel 3 van onderhavig besluit ziet op de rol die DFEI hierin speelt. Daartoe wordt door de Minister van Financiën aan de directeur van DFEI mandaat verleend om besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan het nemen van invorderingsbeschikkingen, het verlenen van kwijtscheldingen en het invorderen bij dwangbevel.
In het tweede lid van artikel 3 wordt aan de directeur van DFEI volmacht verleend voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen in het kader van de invordering.
Omdat in de praktijk veelal medewerkers van DFEI betrokken zullen zijn bij het invorderingsproces, mag de directeur van DFEI op grond van het derde lid ondermandaat en volmacht verlenen aan zijn medewerkers, hetgeen in de praktijk dus veelal gebruikelijk en noodzakelijk zal zijn.
Naast DFEI (zie artikel 3) zal ook het CJIB een belangrijke rol spelen in het proces rondom de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheid een last onder dwangsom of bestuurlijk boete op te leggen op grond van artikel 47a respectievelijk 47b van de Handelsregisterwet 2007. In dat kader wordt door de Minister van Financiën aan de algemeen directeur van het CJIB machtiging verleend om in dat kader feitelijke handelingen te verrichten. Hierbij kan ook gedacht worden aan het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de aan het CJIB opgedragen werkzaamheden. Voor het in rekening brengen van een vergoeding voor een aanmaning (zie ook artikel 4:113 van de Awb) en voor het treffen van betalingsregelingen en het verlenen van uitstel van betaling (zie ook artikel 4:94 van de Awb) wordt aan het CJIB mandaat verleend. Uit het derde lid van artikel 4 volgt dat de algemeen directeur van het CJIB ondermandaat en machtiging mag verlenen aan zijn medewerkers, hetgeen in de praktijk veelal gebruikelijk en noodzakelijk zal zijn.
Het is uiteraard mogelijk dat tegen een handhavingsbesluit of tegen een besluit dat in het kader van het invorderingsproces is genomen, bezwaar wordt ingediend in de zin van de Awb.9 Met artikel 5 van onderhavig besluit wordt de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën en de directeur van DFEI zowel mandaat als machtiging verleend voor het behandelen van dergelijke bezwaarschiften. Het gaat hier dus niet enkel om de bevoegdheid om bezwaarschiften te behandelen maar ook om een machtiging voor o.a. het voeren van correspondentie van procedurele aard. Deze functionarissen kunnen op hun beurt weer ondermandaat en machtiging verlenen aan medewerkers van DFEI. Gelet op artikel 10:3, derde lid, van de Awb, mag een beslissing op bezwaar uiteraard niet genomen worden door een medewerker die het primaire besluit nam waarop het betreffende bezwaar ziet.
Met artikel 6 wordt aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën en aan de directeur van DFEI volmacht en machtiging verleend om gerechtelijke procedures te voeren die voortvloeien uit de uitoefening van de in artikelen 47a, 47b en 47c van de Handelsregisterwet 2007 opgenomen bevoegdheden. Het gaat hier zowel om bestuursrechtelijke procedures als om civielrechtelijke procedures. Bij civielrechtelijke procedures betreft het ook executiegeschillen in het kader van de invordering.
Uit het tweede lid volgt dat medewerkers van DFEI deze gerechtelijke procedures ook namens de Minister van Financiën mogen voeren indien daartoe aan hen machtiging c.q. volmacht is verleend.
Dit artikel bepaalt hoe stukken die op grond van dit besluit in mandaat, volmacht dan wel machtiging namens de Minister van Financiën worden genomen, ondertekend dienen te worden.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141).
Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU 2018, L 156).
Het gaat hier om een instelling in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) die op grond van artikel 10c, eerste lid, Wwft bij de Kamer van Koophandel een melding heeft gemaakt van een discrepantie tussen informatie over een UBO zoals opgenomen in het UBO-register en informatie over die UBO waarover zij uit anderen hoofde beschikt.
Hieronder valt tevens de bevoegdheid een last onder dwangsom op verzoek van de overtreder op te heffen of aan te passen als bedoeld in artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de medewerker die op grond van artikel 47b van de Handelsregisterwet 2007 een bestuurlijke boete oplegt, op grond van artikel 10:3, vierde lid, van de Awb niet dezelfde medewerker mag zijn die in diezelfde zaak een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt van de overtreding nu de verzwaarde procedure van artikel 5:53 van de Awb moet worden gevolgd. Op grond van artikel 47b, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007 juncto artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan immers een boete van ten hoogste € 25.750,– (per 1 januari 2024) worden opgelegd, hetgeen ruim boven het in artikel 5:53, eerste lid, van de Awb genoemde bedrag van € 340,– ligt.
DFEI behandelt bezwaarschriften, (hoger) beroepsschriften en daarmee verband houdende procedures die voortvloeien uit zijn eigen taken, zelf. Zie artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020 (Stcrt. 2025, nr. 33869).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-44686.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.