Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2025, kenmerk 57892002, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Tresoar

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 97 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluit:

Artikel 1

Het Rijk neemt deel aan de Gemeenschappelijke regeling Tresoar.

Artikel 2

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke regeling Tresoar zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 10 november 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 723, nr. 4 en Kamerstukken I 2024/25, 36 723, nr. C).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes

TOELICHTING

Met dit besluit stemt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in met een wijziging aan de Gemeenschappelijke regeling Tresoar.

De aanleiding voor deze gewijzigde gemeenschappelijke regeling is de inwerkingtreding van de Wet van 15 december 2021 (Stb. 2022, 18), waarbij de Wet gemeenschappelijke regelingen werd gewijzigd, met als doelstelling het versterken van de democratische legitimatie. Behoudens deze wijzigingen is de gemeenschappelijke regeling niet aangepast. De hoogte van de bijdragen van alle deelnemers is dan ook gelijk gebleven.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes

Wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Tresoar

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het college van gedeputeerde staten van Fryslân en het bestuur van de Stichting Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum,

Gelet op de hoofdstukken II en IX van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluiten:

De Gemeenschappelijke regeling Tresoar wordt als volgt gewijzigd:

ARTIKEL I

A

In artikel 2, tweede lid, wordt ‘de provincie’ vervangen door ‘gedeputeerde staten’ en wordt ‘de stichting’ vervangen door ‘het stichtingsbestuur’.

B

Artikel 2b wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. In het eerste lid wordt na ‘Tresoar voert voor’ ingevoegd ‘de’.

  • 2. In het tweede lid wordt ‘het adviseren’ vervangen door ‘Het adviseren’.

  • 3. In het zesde lid wordt ‘tweede en derde’ vervangen door ‘tweede, derde en vierde’, wordt ‘de provincie’ vervangen door ‘gedeputeerde staten’ en wordt ‘de stichting’ vervangen door ‘het stichtingsbestuur’.

C

In artikel 4 vervalt het negende lid, onder vernummering van het tiende lid tot negende lid.

D

In artikel 6 worden de woorden ‘, bedoeld in artikel 29,’ vervangen door ‘van Tresoar’.

E

Artikel 7 komt te luiden:

  • 1. Het bestuur geeft de minister, provinciale staten en het stichtingsbestuur schriftelijk alle inlichtingen die:

    • a. deze organen nodig hebben voor de uitoefening van hun taken; of

    • b. door één of meer leden van die organen worden verlangd.

  • 2. De inlichtingen aan provinciale staten worden door tussenkomst van gedeputeerde staten verstrekt.

  • 3. Het algemeen bestuur wordt in kennis gesteld van inlichtingen die door het dagelijks bestuur en de voorzitter worden verstrekt.

F

In artikel 13 vervalt onderdeel d, onder verlettering van de onderdelen e tot en met i tot d tot en met h.

G

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. Het eerste lid komt te luiden:

    • 1. Het dagelijks bestuur stelt voor een aaneengesloten periode van vier jaren een ontwerpbeleidsplan en een ontwerpmeerjarenraming op.

  • 2. Het vierde lid komt te luiden:

    • 4. Het dagelijks bestuur stelt de minister, provinciale staten en het stichtingsbestuur gedurende 12 weken in de gelegenheid een zienswijze te geven op het ontwerpbeleidsplan en de ontwerpmeerjarenraming.

  • 3. Er worden twee leden toegevoegd, die luiden:

    • 5. Voorafgaand aan de vaststelling door het algemeen bestuur stelt het dagelijks bestuur de minister, provinciale staten, het stichtingsbestuur en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.

    • 6. Na de vaststelling, maar uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaand aan de periode waarop het beleidsplan en de meerjarenraming betrekking hebben, worden deze toegezonden aan de minister, provinciale staten en het stichtingsbestuur.

H

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. In het eerste lid wordt ‘15 april’ vervangen door ‘30 april’.

  • 2. In het tweede lid wordt ‘acht weken’ vervangen door ‘twaalf weken’.

  • 3. In het derde lid wordt ‘artikel 2, derde lid’ vervangen door ‘artikel 2, tweede lid’.

  • 4. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

    • 7. Het dagelijks bestuur stelt de minister, provinciale staten en het stichtingsbestuur voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het zesde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

I

In artikel 18a, derde lid, wordt ‘1 augustus’ vervangen door ‘15 september’.

J

In artikel 19, tweede lid, vervalt ‘eerste en’.

K

In artikel 20, tweede lid, wordt ‘de minister, de provincie en de stichting’ vervangen door ‘de minister en de provincie’.

L

In artikel 22, tweede lid, wordt ‘de deelnemers’ vervangen door ‘de minister en de provincie’.

M

In artikel 25 wordt ‘de provincie’ vervangen door ‘gedeputeerde staten’.

N

Artikel 29 vervalt.

O

Artikel 32 vervalt.

P

Na artikel 33 worden twee artikelen ingevoegd, die luiden:

Artikel 33a Participatie

Ten behoeve van de taakuitoefening overeenkomstig het bepaalde in artikel 2b kan het dagelijks bestuur, gehoord het algemeen bestuur, besluiten om enige vorm van participatie te initiëren.

Artikel 33b Evaluatie

  • 1. De regeling wordt ten minste eens per vier kalenderjaren geëvalueerd, te rekenen vanaf 1 januari 2020.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt op voorstel van het dagelijks bestuur, gehoord de minister, gedeputeerde staten en het stichtingsbestuur, de evaluatieopdracht vast.

  • 3. De evaluatie heeft in elk geval betrekking op de mate waarin Tresoar bijdraagt aan de behartiging van de in de gemeenschappelijke regeling opgenomen belangen.

  • 4. Het evaluatieverslag wordt aan de minister, gedeputeerde staten, het stichtingsbestuur en provinciale staten gezonden.

Q

Artikel 35 komt te luiden:

Artikel 35

  • 1. Uittreding uit de regeling wordt ingeleid door aangetekende toezending van een daartoe strekkend besluit van de minister, gedeputeerde staten of het stichtingsbestuur aan het algemeen bestuur. Gedeputeerde staten overleggen daarbij tevens het besluit tot toestemming van provinciale staten.

  • 2. Bij uittreding wordt een opzegtermijn van één jaar in acht genomen, te rekenen vanaf 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, tenzij de minister, gedeputeerde staten en het stichtingsbestuur unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.

  • 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en stelt daartoe een uittredingsplan op. Het uittredingsplan geeft inzicht in de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.

  • 4. Het algemeen bestuur kan een onafhankelijke derde opdracht geven om een uittredingsplan op te stellen, nadat op de inhoud van deze opdracht instemming is verkregen van de deelnemer die wenst uit te treden. De kosten van het inschakelen van de onafhankelijke derde zijn voor rekening van die deelnemer.

  • 5. Het uittredingsplan bevat een berekening van de financiële gevolgen van de uittreding (de uittreedsom).

  • 6. Het algemeen bestuur stelt het uittredingsplan vast binnen zes maanden na ontvangst van het besluit tot uittreding.

  • 7. Op grond van het vastgestelde uittredingsplan besluit de betreffende deelnemer of het besluit tot uittreding heroverweging behoeft.

  • 8. De uittreedsom bestaat uit een vergoeding ter compensatie van de kosten van uittreding, te weten frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten.

  • 9. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door Tresoar die het rechtstreekse gevolg zijn van het uittredingsbesluit.

  • 10. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten te maken dan wel te dragen door Tresoar, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als rechtstreeks gevolg van het uittredingsbesluit.

  • 11. Een vergoeding van door Tresoar toekomstig te maken dan wel te dragen desintegratiekosten beperkt zich tot kosten ontstaan binnen een periode van 5 jaar vanaf het moment van uittreding.

  • 12. De berekening van de kosten voor uittreding wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van het uittredingsbesluit, bedoeld in het eerste lid. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van dat besluit worden niet betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

  • 13. Tresoar is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden.

  • 14. Tresoar brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. De uittreedsom is definitief op het moment dat het uitredingsplan is vastgesteld.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes

Gedeputeerde staten van de provincie Fryslân De commissaris van de Koning, A.A.M. Brok

de secretaris, J. Algra

Het bestuur van de Stichting Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum Voorzitter, D. Sijens

de secretaris, H.J. Hilarides

Toelichting bij de wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Tresoar in verband met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen

Algemeen

Op 1 juli 2022 is een aanpassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen (verder: Wgr) in werking getreden.1 Uit de gewijzigde Wgr volgen voor alle samenwerkingsverbanden op basis van de Wgr verplichte wijzigingen, waarbij elk samenwerkingsverband twee jaar de tijd heeft om haar regelingen daarop aan te passen. Op 1 juli 2024 dienen alle samenwerkingsverbanden, zo ook Tresoar, hun gemeenschappelijke regeling te hebben aangepast. De wijzigingen die volgen uit de gewijzigde Wgr hebben als doel de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling beter in positie te brengen. Het betreft onder meer de facultatieve zienswijzeprocedure voor besluiten, de participatie van ingezetenen van de provincie Fryslân en belanghebbenden, de actieve informatieplicht, de wijziging van de termijnen voor het toezenden van de ontwerpbegroting aan provinciale staten, de verplichte reactie van het dagelijks bestuur op ingediende zienswijzen, de evaluatiebepaling en de aanscherping van de uittredingsregeling. Omdat op rijksniveau de verhoudingen tussen de minister en het controlerend orgaan niet vergelijkbaar zijn met de verhoudingen op decentraal niveau, zijn deze aanpassingen in deze gemeenschappelijke regeling niet gericht op het parlement, maar op de minister.

Artikelsgewijs

Artikel 2, 2b en 4

Dit betreffen tekstuele verbeteringen.

Artikel 6

Dit betreft een tekstuele wijziging in verband met het vervallen van artikel 29.

Artikel 7

Dit artikel is gewijzigd in verband met de actieve informatieplicht die is opgenomen in de gewijzigde Wgr.

Artikel 13

Onderdeel d is vervallen vanwege de inwerkingtreding van de Wet normalisatie rechtspositie ambtenaren (verder: Wnra).

Artikel 17

In dit artikel is de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op het ontwerpbeleidsplan en de ontwerpmeerjarenraming ingevoegd. De zienwijzentermijn is gesteld op twaalf weken.

Artikel 18

In de gewijzigde Wgr is de datum voor aanlevering van de ontwerpbegroting gewijzigd van 15 april naar 30 april. De termijn voor zienswijzen is verlengd naar twaalf weken. De verplichting van het dagelijks bestuur tot het geven van een schriftelijke reactie op de zienswijze, voorafgaande aan het vaststellen van de begroting, is toegevoegd.

Artikel 18a

Dit artikel is aangepast aan de gewijzigde Wgr ten aanzien van de aanleverdatum van de vastgestelde begroting aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 19, 20, 22 en 25

Dit betreffen tekstuele wijzigingen.

Artikel 29 en 32

Deze artikelen zijn vervallen vanwege de inwerkingtreding van de Wnra.

Artikel 33a

Dit artikel is ingevoegd in verband met de mogelijkheid tot het bieden van participatie bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.

Artikel 33b

Dit artikel is ingevoegd in verband met de mogelijkheid tot evaluatie van de regeling.

Artikel 35

Dit artikel is aangepast aan de gewijzigde Wgr en betreft de uittreding van een deelnemer uit de gemeenschappelijke regeling.

Het artikel ziet op het opstellen en vaststellen van het uittredingsplan, waarin de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties van de uittreding worden omschreven.

Voor de uittreding van de minister is een uitzondering op de bepalingen over de (financiële) gevolgen van de uittreding gemaakt. Reden hiervoor is dat de minister heeft aangekondigd ook na uittreding de financiering aan Tresoar in stand te houden op het niveau van het laatste jaar van deelname aan deze gemeenschappelijke regeling. De afspraken over de samenwerking en ondersteuning van Tresoar zijn opgenomen in het ‘Bestuursconvenant duurzame samenwerking Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de regionale historische centra’ d.d. 1 februari 2024.2 Het derde tot en met het veertiende lid van artikel 35 zijn om deze reden niet van toepassing op de uittreding van de minister. Wel zal de minister bij zijn uittreding met Tresoar in gesprek gaan over kosten die mogelijk alsnog met de uittreding samenhangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes

Gedeputeerde staten van de provincie Fryslân De commissaris van de Koning, A.A.M. Brok

de secretaris, J. Algra

Het bestuur van de Stichting Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum Voorzitter, D. Sijens

de secretaris, H.J. Hilarides

Naar boven