Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2025, 35818 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2025, 35818 | ander besluit van algemene strekking |
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
Gelet op richtlijn (EU) 2019/1161 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PbEU 2019, L188) en artikel 9.6.1 juncto artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer;
BESLUIT:
De Regeling bevordering schone wegvoertuigen wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
Onder verlettering van de onderdelen a tot en met b tot b tot en met c wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
a. deze regeling niet van toepassing is op:
1°. voertuigen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, en derde lid, onderdelen a en b, van Verordening 2018/858; en
2°. voertuigen als bedoeld in de punten 5.2 tot en met 5.5 en 5.7 van deel A van Bijlage I bij Verordening 2018/858;
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen
De Regeling bevordering schone wegvoertuigen (hierna: Regeling) dient ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1161 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PbEU 2019, L188) (hierna: richtlijn 2019/1161).
Aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven zijn verplicht om bij het plaatsen van overheids- en speciale-sector opdrachten voor wegvoertuigen te voldoen aan minimumpercentages aan schone en emissievrije voertuigen van het totaal aantal aan te besteden voertuigen binnen een referentieperiode. Deze verplichte minimale percentages worden conform richtlijn 2019/1161 voor de tweede referentieperiode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 opgehoogd. Het doel hiervan is om de markt voor schone en energiezuinige voertuigen extra te stimuleren en daarmee C02-uitstoot te verminderen en het milieu en de luchtkwaliteit te verbeteren. Deze ophoging van de minimumpercentages is al opgenomen in artikel 4 van de Regeling. Hoewel er aanvankelijk sprake was van mogelijke aanvullende nationale doelstellingen om de minimumpercentages nog extra op te hogen, is na een internetconsultatie besloten hiervan af te zien.1
Richtlijn 2019/1161 biedt lidstaten de mogelijkheid om bepaalde voertuigen vrij te stellen van de regels voor de inkoop van schone- en emissievrije voertuigen en voertuigdiensten. Nederland heeft van deze vrijstellingsoptie gebruik gemaakt, door in artikel 3, onderdeel a, van de Regeling de voertuigen te noemen die zijn vrijgesteld van de Regeling. Het gaat onder andere om voertuigen die specifiek zijn ontworpen en gebouwd of aangepast voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, brandweerdiensten en diensten belast met de handhaving van de openbare orde. Door specifieke kenmerken van deze voertuigen, zoals de grootte, het gebruik en de betrouwbaarheid van het voertuig zijn er namelijk nog niet voldoende alternatieve schone voertuigen op de markt.
Deze vrijstellingen golden aanvankelijk slechts voor de eerste referentieperiode (2021–2025), maar zullen na deze wijziging van de Regeling ook voor de tweede referentieperiode (2026–2030) gaan gelden. Dit is reeds door de voormalig Staatssecretaris (Openbaar Vervoer en Milieu) op 10 december 2024 aan de Tweede Kamer gecommuniceerd.2
Deze wijziging van de Regeling is van toepassing op aanbestedende diensten en speciale-sector bedrijven waarop de Aanbestedingswet 2012 van toepassing is. Zij worden op grond van deze Regeling verplicht om bij het plaatsen van overheidsopdrachten respectievelijk speciale-sector opdrachten voor wegvoertuigen te voldoen aan een minimumpercentage van schone voertuigen. Deze verplichting ziet op twee referentieperiodes. De eerste referentieperiode loopt van 2 augustus 2021 tot en met 31 december 2025. De tweede referentieperiode loopt van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Uit artikel 3, onderdeel a, van de Regeling volgt dat voor de duur van de eerste referentieperiode, bepaalde voertuigen zijn vrijgesteld van de toepassing van de Regeling. Richtlijn 2019/1161 geeft lidstaten de mogelijkheid om bepaalde voertuigen, genoemd in Verordening 2018/8583, vrij te stellen van de vereisten die uit richtlijn 2019/1161 volgen. Het gaat hierbij om voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachten, voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd om hoofdzakelijk op bouwplaatsen, in steengroeven, in havens of op luchthavens te worden gebruikt, voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd of aangepast voor gebruik door de burgerbescherming, de brandweer en de ordehandhavingsdiensten, gepantserde voertuigen, ambulances, lijkwagens, gehandicaptenvervoer, en mobiele kranen.
De vrijstelling ziet uitdrukkelijk alleen op voertuigen waarvoor op het moment van aanbesteden geen of redelijkerwijze geen duurzaam alternatief beschikbaar is of dat deze onvoldoende breed beschikbaar is. Gedurende de eerste referentieperiode is besloten dat deze vrijstellingen uit artikel 3, onderdeel a, worden overgenomen in de tweede referentieperiode.
Indien sprake is van een aanbesteding van voertuigen die onder één van bovengenoemde vrijstellingen valt, worden aanbestedende diensten en speciale sector bedrijven verzocht om dit uitdrukkelijk in de publicatie van de aanbesteding te vermelden en om gemotiveerd aan te geven waarom het gebruik van de vrijstelling is gerechtvaardigd. Indien sprake is van aanbesteding van voertuigen die in eerste instantie onder de werkingssfeer van de richtlijn 2019/1161 valt, maar vervolgens zodanig is aangepast dat het voertuig redelijkerwijs onder één van bovengenoemde vrijstellingen valt, worden aanbestedende diensten en speciale sector bedrijven verzocht om dit uitdrukkelijk in de publicatie van de aanbesteding te vermelden en om gemotiveerd aan te geven dat sprake is van een substantiële aanpassing die de vrijstelling rechtvaardigt. Ter ondersteuning heeft PIANOo4 een handreiking beschikbaar gesteld waarin o.a. wordt ingegaan op de vrijstellingen.5
In de toelichting van de Regeling (pagina 6) is uitgebreid ingegaan op de financiële gevolgen.6 Aangezien deze wijzigingsregeling ervoor zorgt dat de huidige vrijstellingen blijven gelden voor de tweede referentieperiode, verandert er niets aan de huidige situatie en zijn er geen additionele financiële gevolgen. Deze wijzigingsregeling heeft geen negatieve financiële gevolgen voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven. Door de verlenging van de vrijstellingen voor bepaalde voertuigen, zijn aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven voor deze voertuigen nog niet verplicht om een minimumpercentage schone voertuigen aan te schaffen, die vaak duurder zijn.
Aanvankelijk was het de bedoeling om de verplichte percentages voor de aanbesteding van schone voertuigen voor de tweede referentieperiode extra op te hogen, zodat deze aansluiten bij de ambitieuzere afspraken in het Klimaatakkoord.7Deze verhoging zou boven op de verhoging komen die reeds in artikel 4 van de Regeling is opgenomen voor deze periode, die gebaseerd is op richtlijn 2019/1161. In eerste instantie was er steun voor de extra aanscherping en heeft deze wijziging van 9 juli 2024 tot en met 20 augustus 2024 open gestaan voor internetconsultatie.
In de internetconsultatie zijn echter zorgen geuit over het in sommige gevallen beperkte aanbod van emissievrije of schone voertuigen, de beperkte beschikbaarheid van laadinfrastructuur en het moeilijk kunnen aanleggen van laadinfrastructuur door netcongestie.8 Met een extra ophoging zou een nieuw monitoringssysteem moeten worden ontworpen om additionele uitzonderingen te controleren. Dat levert extra administratieve lasten op voor zowel de aanbestedende partijen als de uitvoerende instantie terwijl het niet de bedoeling is dat uitzonderingen de regel worden. Daarnaast bleek de verwachte CO2-winst die wordt behaald met de wijziging beperkter dan verwacht.
Geconcludeerd is dat de verwachte CO2-winst niet opweegt tegen de extra administratieve lasten. Daarom is er afgezien van de voorgenomen additionele ophoging van de percentages. Verder is besloten dat de vrijstellingen voor de in artikel 3, onderdeel a, van de Regeling genoemde voertuigen, worden verlengd en dus ook zullen gaan gelden in de tweede referentieperiode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Er is besloten af te zien van een tweede internetconsultatie voor specifiek deze kleine wijzigingsregeling die ervoor zorgt dat de huidige vrijstellingen ook blijven gelden in de tweede referentieperiode. Afwijken van het uitgangspunt om ontwerpregelgeving in internetconsultatie te brengen, is mogelijk op een aantal uitzonderingsgronden.9 Hier is van toepassing dat een tweede internetconsultatie niet in betekenende mate kan leiden tot aanpassing van het voorstel. De wens om de vrijstellingen te verlengen is al nadrukkelijk naar voren gekomen in de reeds gehouden internetconsultatie en belrondes over de eerder overwogen extra nationale aanscherping van de percentages. Daarnaast is de verlenging van de vrijstellingen reeds genoemd in het hoofdlijnenverslag10 van de bovengenoemde internetconsultatie en is hierover aan de Tweede Kamer gecommuniceerd door de voormalig Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu op 10 december 2024.11
Deze wijzigingsregeling is ter toetsing voorgelegd bij het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
De brancheorganisaties zijn in de bovengenoemde internetconsultatie reeds meegenomen en zijn via communicaties, de geactualiseerde handreiking12 en een webinar op de hoogte van de verlenging van de uitzonderingen.
Deze wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Die inwerkingtreding is in overeenstemming met de vaste verandermomenten die voor ministeriële regelingen zijn opgenomen in Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen
Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328).
PIANOo, Handreiking toepassing Regeling bevordering schone voertuigen, versie 3.0 maart 2025, te raadplegen via https://www.pianoo.nl/nl/document/19400/handreiking-toepassing-regeling-bevordering-schone-wegvoertuigen.
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 oktober 2021, nr. IENW/BSK-2021/265234, houdende regels ter bevordering van schone wegvoertuigen ter ondersteuning van emissiearme mobiliteit (Regeling bevordering schone wegvoertuigen) (Stcrt. 2021, 43413).
Hoofdlijnenverslag Internetconsultatie Wijziging Regeling bevordering schone wegvoertuigen, te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/wijziging_rbsw/b1.
Hoofdlijnenverslag Internetconsultatie Wijziging Regeling bevordering schone wegvoertuigen, te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/wijziging_rbsw/b1.
PIANOo, Handreiking toepassing Regeling bevordering schone voertuigen, versie 3.0 maart 2025, te raadplegen via https://www.pianoo.nl/nl/document/19400/handreiking-toepassing-regeling-bevordering-schone-wegvoertuigen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-35818.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.