Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2025, 34806 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2025, 34806 | ander besluit van algemene strekking |
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat maakt ingevolge artikel 21.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer bekend dat een ieder gedurende vier weken na de dagtekening van deze Staatscourant schriftelijk een reactie kan geven over onderstaand ontwerp van een algemene maatregel van bestuur.
Uw zienswijze kunt u op de volgende manieren indienen:
1. bij voorkeur per e-mail naar: paralegalsHBJZ@minienw.nl of
2. per brief naar het volgende adres:
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
HBJZ/Paralegals
Postbus 20901
2500 EX Den Haag
Wij Willem-Alexander bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van [datum], nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 4.3, eerste en tweede lid, en 5.1, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet en artikel 10.43, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. ...); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van [datum], nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Besluit activiteiten leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 3.157, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen l en m tot m en n een onderdeel ingevoegd, luidende:
l. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a;
B
In artikel 3.165, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen l en m tot m en n een onderdeel ingevoegd, luidende:
l. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a;
C
In artikel 3.171, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen e tot en met g tot f tot en met h een onderdeel ingevoegd, luidende:
e. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a;
D
In artikel 3.185, derde lid, onder d, wordt ‘afgedankte elektrische of elektronische apparatuur’ vervangen door ‘afgedankte elektrische en elektronische apparatuur’.
E
In artikel 3.198, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen j tot en met m tot l, m, j, k en van de onderdelen n tot en met q tot o tot en met r wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
n. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a;
F
In artikel 3.230, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen l tot en met o tot m tot en met p een onderdeel ingevoegd, luidende:
l. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a;
G
In artikel 3.237, tweede lid, wordt onder verlettering van de onderdelen a en b tot b en c een onderdeel ingevoegd, luidende:
a. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a;
H
In artikel 3.244, eerste lid, wordt onder invoeging van ‘: b.’ na ‘over’ een onderdeel ingevoegd, luidende:
a. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a; en
I
In artikel 3.257, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen a en b tot b en c een onderdeel ingevoegd, luidende:
a. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bedoeld in paragraaf 4.48a;
J
Na paragraaf 4.48 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op het afgeven van afgedankte elektrische of elektronische apparatuur.
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt afgedankte elektrische of elektronische apparatuur afgegeven aan:
a. een verwerker die voldoet aan artikel 11 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
b. daartoe aangewezen inzamelpunten voor gescheiden inzameling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur afkomstig van bedrijven, die zijn ingesteld door- of namens de individuele producent van elektrische en elektronische apparatuur of door een producentenorganisatie voor de collectieve uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 6 en artikel 8 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; of
c. een inzamelbedrijf dat in het bezit is van een geldende vergunning voor de inzameling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen.
K
In bijlage I wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepaling ingevoegd:
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
L
In bijlage II, nummers 79A en 79B, vervalt ‘die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur,’.
Bijlage I bij het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel 1, onder j, vervalt, onder verlettering van subonderdeel k tot j.
2. Onder vernummering van de onderdelen 2 tot en met 8 tot 3 tot en met 9 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
2. het opslaan of overslaan van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur waarvoor verslag wordt gedaan als bedoeld in artikel 19 of 20 van die regeling.
Het Besluit inzamelen afvalstoffen wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 wordt een onderdeel g toegevoegd luidende:
elektrische of elektronische apparaten die afvalstoffen zijn in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG (de Kaderrichtlijn afvalstoffen), daaronder begrepen alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt.
B
In artikel 9 wordt onder het vervallen van ‘of’ bij punt b en het vervangen van de punt bij c door ‘; of’, een onderdeel ingevoegd luidende:
d. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en milieu,
Het Besluit activiteiten leefomgeving wordt gewijzigd in verband met de invoering van een verplichting tot het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (afgifteplicht AEEA) voor specifieke milieubelastende activiteiten. Het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt gewijzigd in verband met de invoering van een meldingsplicht voor de ontvangst van alle afgedankte elektrische en elektronische apparatuur bij verwerkers van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Het Besluit inzamelen afvalstoffen wordt gewijzigd in verband met de introductie van een vergunningplicht voor inzamelaars van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.
Het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) heeft tot doel zo veel mogelijk AEEA in te zamelen en bij de passende verwerking terecht te laten komen. Dit gebeurt door bedrijven te verplichten hun AEEA af te geven aan de correcte inzamelfaciliteiten. Via deze inzamelfaciliteiten wordt gegarandeerd dat de AEEA op de juiste wijze wordt verwerkt. Passende verwerking houdt in dat moet worden voldaan aan de eisen in artikel 11 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (Regeling AEEA) waaronder het bezit van een conformiteitsverklaring ingevolge de toepasselijke CENELEC-standaard1 voor verwerking van AEEA.
Het voorschrijven van het afgeven van AEEA is onderdeel van het Plan van Aanpak ter verhoging van het inzamelpercentage AEEA van 15 januari 2018 alsmede het daaropvolgende Actieplan 65% van 6 december 2020. Het plan van aanpak is overeengekomen tussen producenten, verwerkers, winkelbedrijven, gemeenten en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in het Monitoringsberaad AEEA en aangekondigd bij brief van 25 september 2017 van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer2. Zowel het plan van aanpak als het actieplan zijn gericht op de verhoging van het inzamelpercentage AEEA, zodanig dat het wettelijke inzameldoel van 65% van de nieuw op de markt gebrachte elektrische en elektronische apparatuur (EEA)3 wordt gerealiseerd. Er mag ook aan een andere doelstelling worden getoetst volgens de Regeling AEEA. Deze doelstelling betreft 85% van de jaarlijks gegenereerde AEEA. In een brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op 12 december 2024 aan de Tweede Kamer4 wordt aangekondigd dat het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voortaan op deze doelstelling zal toetsen. Dit doet niet af aan de benodigde acties om tot die doelstelling te komen, zoals omschreven in het Actieplan 65% van Stichting OPEN.
Door de Werkgroep ‘Lekstromen binnenland’ onder voornoemd plan van aanpak is geconstateerd dat in de huidige praktijk een deel van de AEEA buiten de officiële inzamelstructuur van de producenten wordt ingezameld, op illegale wijze wordt vermengd en niet op gepaste wijze volgens de CENELEC-standaard wordt verwerkt conform artikel 11 van de Regeling AEEA. Volgens de werkgroep bedraagt dit deel tussen de 40.000 en 110.000 ton per jaar. Volgens het met meer detail en diepgang uitgevoerde UNU-onderzoek ‘The Dutch WEEE Flows 2018’ dat in 2020 is uitgevoerd bedraagt het aandeel niet-passend verwerkt circa 100.000 ton. Na dit onderzoek in 2020 zijn geen gedetailleerde onderzoeken meer uitgevoerd, maar anno 2024 kan redelijkerwijs worden gesteld dat de lekstroom van 100.000 ton niet kleiner is geworden. Zo worden in verband met de energietransitie bestaande klimaatinstallaties versneld vervangen door energiezuinigere varianten. Deze apparaten zijn hoog- metaalhoudend en hebben een positieve waarde en daardoor aantrekkelijk als vrij verhandelbare lekstroom. Eén van de routes waarlangs AEEA weglekt is de inzameling en verhandeling van AEEA door veelal kleinere inzamelaars die opereren buiten de officiële inzamelinfrastructuur zoals voorgeschreven in de Regeling AEEA. Deze inzamelaars profiteren in directe zin van de positieve waarde van de AEEA. Naast mogelijke milieuschade van lekstromen wordt naast BTW ook vennootschapsbelasting ontlopen. Hieronder in meer detail een toelichting op omvang en samenstelling van de lekstroom.
In verband met de aanvraag voor een algemeen verbindend verklaring (avv) in 2020 heeft Stichting OPEN een Actieplan 65%5 opgesteld om lekstromen te dichten. In dit actieplan is een aantal acties opgenomen gericht op bedrijfsmatig AEEA die later een geïntegreerd onderdeel zijn geworden in de Stimuleringsregeling (onder de merknaam Wecyclevoorbedrijven). In het actieplan is aangegeven dat de Afgifteplicht AEEA en adequate handhaving essentieel zijn om de beschreven doelen te bereiken. Hieronder is aangegeven welke doelen bereikt zouden kunnen worden volgens het actieplan:
− Actie 1: Inzameling 15.000–20.000 ton per eind 2022 met een maximale potentie van 45.000–50.000 ton;
− Actie 6: Inzameling 1.000 ton per eind 2022. Er is weinig informatie over de maximale potentie van armaturen gezien de veelsoortigheid hiervan;
− Actie 7: 5.000 ton per eind 2022, daarna 9.500 ton per eind 2023 met een maximale potentie van 15 kton als alle schakels in de keten in elkaar grijpen;
− Actie 8: Inzameling 7.500 ton per eind 2022, daarna 15.000 ton met maximaal
− 40.000–50.000 ton als alle schakels in de keten in elkaar grijpen;
− Actie 11: Dit betrof voorwaardelijk onderzoek om een betere dienstverlening te realiseren op locaties waar naar verwachting veel AEEA vrij komt. Hier was geen doel aan gekoppeld maar heeft geleid tot Wecyclevoorbedrijven (brenglocatie systeem inclusief een gratis ophaalservice).
Gesommeerd was in 2020 ingeschat dat in 2022 in de range van 28.000–33.000 ton AEEA afkomstig uit het bedrijfsleven ingezameld zou kunnen worden. Dit zou kunnen oplopen naar ongeveer 35.000–40.000 ton eind 2023 onder de voorwaarde van een afgifteplicht en adequate handhaving. In 2022 is de inzameling voor bedrijfsmatige AEEA blijven steken op 11.000 ton. In 2023 is 42.000 ton ingezameld volgens de originele voorspelling uit 2020 (en binnen deze 42.000 ton circa 3.000 ton aan CV-ketels). Met de huidige inzichten wordt in 2024 een groei van de inzameling tot 52.000 ton voorzien. Er is sprake van een afvlakking in inzamelresultaat en een extra impuls in de vorm van een afgifteplicht in combinatie met handhaving dat door partijen noodzakelijk geacht wordt om de volledige potentie te benutten.
In 2020 is een inschatting gemaakt van 100.000 ton aan AEEA dat als ‘oud ijzer’ wordt afgevoerd, dat wil zeggen zonder verwerking volgens CENELEC en zonder veiligheidsmaatregelen zoals het verwijderen van batterijen, gebaseerd op eerder onderzoek van Unitar uit 2018. Op basis van dit toenmalige onderzoek had nog circa 58.000 ton via Stimuleringsregeling ingezameld kunnen worden in 2023 bij een 100% inzamelresultaat. De Stimuleringsregeling heft het prijsverschil op met ‘oud ijzer’ door de kosten voor depollutie (een CENELEC vereiste) af te dekken met een financiële ondersteuning variërend van € 125 tot € 200 per ton afhankelijk van de productcategorie. Inmiddels is het beleidsmatige kader in Nederland gewijzigd. In het verlengde van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) wordt meer ingezet op producthergebruik en levensduurverlenging. Voor een deel zal producthergebruik plaatsvinden in het buitenland (export reuse).
Door een zeer snelle stijging van nieuw verkochte producten (Put-on-Market/ PoM) stijgt
de feitelijke afdanking va EEA eveneens, maar wel vertraagd (veel producten gaan namelijk
lang mee in het gebruik). In Nederland is er uiteindelijk 348 kton beschikbaar voor
inzameling. De uiteindelijk lekstroom bedraagt 129 kton waarvan 66 kton zich bevindt
in het huishoudelijke en bedrijfsmatige restafval plus grofvuil vanuit de milieustraten
en 63 kton wordt afgevoerd via de metaalroute of andere routes en dus niet volgens
CENELEC verwerkt wordt. Deze 63 kton ligt iets boven de eerder aangegeven 58 kton.
Deze stijging heeft te maken met een verdere toename van het aantal nieuwe producten
op de Nederlands markt, dus meer PoM (zie ook de NWR- rapportages die deze groei laten
zien). Tot slot is nagegaan wat de PoM data is over 2023 voor apparaten die gebruikt
worden in de professionele branche waarop de Afgifteplicht zich richt:
Afgerond 151.000 ton aan nieuwe apparaten binnen een bedrijfsmatige context is op de Nederlandse markt gezet in 2023. Dit zal op termijn terugkomen als AEEA, waarbij er ook sprake is van een vervanging van product A door B. Als voorbeeld de warmtepompen (E1/04). Deze zullen CV-ketels gaan vervangen waardoor meer CV- ketels als AEEA afgevoerd zullen worden. Pas op de middellange termijn zullen de warmtepompen als AEEA vrijkomen. Warmtepompen zijn zwaarder dan CV-ketels waardoor alleen al door deze wijziging het volume verder zal toenemen. De bovengenoemde apparaten zijn hoog-metaal houdend dus gevoelig om als lekstroom te worden afgevoerd, exact de lekstromen waarop de afgifteplicht zich richt.
Zoals hierboven al aangestipt heeft de producentenorganisatie Stichting OPEN in 2023 een Stimuleringsregeling6 ingevoerd om afgedankte apparaten bij de vergunde verwerker te krijgen. Hierbij vergoedt Stichting OPEN € 125,– tot max € 200,– per ton afhankelijk van het type apparaat, mits deze apparaten bij een CENELEC gecertificeerde en vergunde verwerker wordt afgegeven. De facturering vindt plaats op basis van inweeggegevens en facturen. De regeling heeft in 2023 geleid tot een extra volume van 42.000 ton ingezamelde en correct verwerkte apparaten. In dit volume zaten 3.000 ton aan afgedankte CV ketels. Alhoewel dit een aanzienlijke hoeveelheid CV ketels betreft, zou op basis van de put-on-market data 10.000 tot 12.000 ton CV ketels op jaarbasis afgedankt moeten worden. In de markt ontbreekt er dus alleen al voor CV ketels een volume van 7.000 tot 9.000 ton en in totaal zou dus nog 58.000 ton extra ingezameld kunnen worden (100.000 ton minus 42.000 ton) waartoe de introductie van een afgifteplicht door partijen als noodzakelijk wordt beschouwd. Volgens partijen kan daarmede de aantrekkingskracht van het ‘grijze circuit’ (waarbinnen geen BTW afdracht plaatsvindt en vennootschapsbelasting wordt ontlopen) worden tegengaan.
Om te voorkomen dat AEEA in het ‘grijze circuit’ terechtkomt met het risico van onjuiste verwerking en kans op milieuschade, hebben vertegenwoordigers van belanghebbende partijen (producenten, inzamelaars en verwerkers) vastgesteld en geadviseerd dat het instellen van een afgifteplicht AEEA de tekortkoming in het huidige systeem voor een deel kan verhelpen. Met dit besluit wordt daarin voorzien.
Het alsnog introduceren van een afgifteplicht betreft niet het introduceren van een nieuwe en extra nationale verplichting. Het is mede een gevolg van het ontbreken van voldoende mate van duidelijkheid op dit aspect in de huidige regelgeving. De uitvoerende praktijk vraagt om bepalingen die een al bestaande verplichting over het correct afvoeren van hun AEEA helder en duidelijk maakt voor een ondernemer die hierop moet handelen. De afgifteplicht is feitelijk dus niets anders dan de nadere detaillering van bestaande regulering voor AEEA. Om dit facet inzichtelijk te maken wordt hieronder het algemene kader in het huidige stelsel kortweg toegelicht.
Volgens artikel 5 van de EU Richtlijn AEEA moeten de lidstaten passende maatregelen nemen om niet-gescheiden inzameling (bijvoorbeeld via het restafval) van AEEA te voorkomen. In artikel 11 van de EU Kaderrichtlijn afvalstoffen is bepaald dat de lidstaten maatregelen nemen om recycling van hoge kwaliteit te bevorderen en hiertoe gescheiden afvalinzamelingen in te voeren waar dat technisch, milieuhygiënisch en economisch haalbaar is, en geschikt om aan de noodzakelijke kwaliteitsnormen voor de desbetreffende recyclingsectoren te voldoen. In het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) paragraaf B.3.4.2.2, is bepaald voor welke bedrijfsafvalstoffen-categorieën scheiding door de bedrijven waar het afval ontstaat, altijd wordt gevergd; AEEA is als één van de afvalstromen opgenomen in het LAP. Bedrijven dienen deze afvalstroom dus gescheiden te houden en vervolgens ook gescheiden af te geven aan een afvalinzamelaar of zelf weg te brengen naar het juiste inzamelpunt. Mengen van afvalfracties is niet toegestaan. Ingevolge artikel 8 van de Regeling AEEA moet een producent zorgdragen voor de gescheiden inzameling van afgedankte door hem in de handel gebrachte elektrische en elektronische apparatuur, niet zijnde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens (uitgebreide producentenverantwoordelijkheid UPV). Producenten zijn gebonden aan het wettelijk verplichte inzameldoel volgens de Richtlijn AEEA van 65% van de driejaarlijkse PoM of 85% AEEA-gegenereerd in een jaar.
Vanuit deze kaders wordt in NL gestreefd naar zo goed mogelijk gescheiden inzameling
van AEEA van zowel particulieren als van bedrijven. Alle ontdoeners worden om die reden geacht om hun AEEA via de beschikbare correcte infrastructuur, zoals die van de collectieve producentenorganisatie Stichting OPEN, af te geven. Gescheiden inzameling van AEEA is volgens de Richtlijn AEEA immers een eerste vereiste om de specifieke behandeling en recycling van AEEA te waarborgen, en is noodzakelijk om het vastgestelde niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu in de EU te halen (toegelicht in recital 14 van de Richtlijn AEEA7).
De afgifteplicht AEEA is primair van toepassing op bedrijven waar een meer dan gemiddelde hoeveelheid AEEA vrijkomt op een structurele basis vanuit de aard van de beroepsmatige activiteit. De afbakening van bedrijven berust op de inschatting van genoemde vertegenwoordigers van belanghebbende partijen, van het aandeel van die bedrijven in het totaal van de voornoemde circa 100.000 ton niet-passende verwerking. Deze risicobenadering heeft geleid tot de keuze van een afgifteplicht AEEA voor kringloopbedrijven en bedrijven voor reparatie van gebruikte producten, metaalrecyclingbedrijven waaronder schroothandelaren, milieustraten, bouwbedrijven, installatiebedrijven, grondbouwbedrijven, wegbouwbedrijven, waterbouwbedrijven, schildersbedrijven, datacentra, laboratoria en ziekenhuizen conform het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor de bedrijven waarvoor de afgifteplicht van toepassing is, zal de verplichting gelden om het binnen de beroepsmatige uitoefening van de activiteiten ontstane AEEA af te geven volgens drie mogelijkheden. De eerste betreft het direct afgeven aan CENELEC gecertificeerde verwerkers zoals bepaald in artikel 11 van de Regeling AEEA. De AEEA wordt dan afgeleverd aan het bedrijf dat de passende verwerking uitvoert.
De tweede mogelijkheid betreft het afgeven aan het daartoe bestemde inzamelsysteem voor AEEA dat hetzij door een individuele producent of importeur beschikbaar is gesteld, hetzij door een producentenorganisatie namens de producent of importeur beschikbaar is gesteld. In Nederland is voor de inzameling van alle AEEA, afkomstig van zowel particulieren als bedrijven, momenteel één landelijk dekkende producentenorganisatie verantwoordelijk (Stichting OPEN – Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E- waste Nederland8). De producentenorganisatie draagt zorg voor de inzameling van AEEA dat zowel bij particulieren als bij bedrijven vrijkomt en waartoe specifieke inzamelpunten zijn opgericht. Het behoort tot de taken van een producentenorganisatie om ontdoeners te informeren en te adviseren over het gehele inzamelsysteem. Specifiek voor AEEA dat vrijkomt bij bedrijven is een inzamelinfrastructuur opgezet. Op de website www.wecyclevoorbedrijven.nl staan de verschillende mogelijkheden beschreven die bestaan uit ofwel het brengen naar een Wecycle inleverpunt voor bedrijven ofwel het laten ophalen door Stichting OPEN. Via accountmanagers, deelname aan beurzen en publicaties in vakbladen wordt dit systeem onder de aandacht gebracht.
Tenslotte de mogelijkheid om het af te geven aan een inzamelaar met een specifieke vergunning voor het ophalen van AEEA. De inzamelaar zal de AEEA afgeven aan een gecertificeerde verwerker of aan het inzamelsysteem van de producentenorganisatie. Deze verplichting zal in de inzamelvergunning worden opgenomen.
Het oogmerk van de afgifteplicht is dat AEEA uiteindelijk passend wordt verwerkt en niet weglekt uit de verwerkingsketen. De afgifteplicht heeft alleen betrekking op apparaten die de afvalstatus hebben bereikt en geldt niet voor apparaten die door de eigenaar van het apparaat ter reparatie worden aangeboden bij een reparatiebedrijf of als tweedehands product worden verkocht aan een refurbisher, of worden afgegeven aan een ander bedrijf voor hergebruik. De afgifteplicht gaat pas in zodra de eigenaar9 van elektrische en elektronische apparatuur (EEA) besluit zich daarvan te ontdoen, en aldus de afvalstatus (AEEA) van toepassing is, nadat de eigenaar heeft bepaald dat reparatie of refurbishment niet aan de orde is en het apparaat voor de eigenaar niet meer bruikbaar is. Deze afweging zit dus volledig in het domein van de eigenaar van het apparaat en heeft uitsluitend betrekking op apparaten die de afvalfase hebben bereikt. Op dat moment heeft de eigenaar de keuze uit de drie bovenomschreven opties. De afgifteplicht bepaalt niet de bewaartermijn noch de hoeveelheid opgeslagen EEA of onderdelen van EEA binnen een bedrijf waarvan de eigenaar voornemens is zich te ontdoen. Afhankelijk van de aard van een bedrijf kan het nodig of gewenst zijn dat EEA of onderdelen van EEA waarvan de eigenaar voornemens is zich te ontdoen, langer of korter wordt bewaard binnen dat bedrijf. Het is aan de eigenaar van die EEA om dat zelf te bepalen, tenzij voor die betreffende eigenaar specifieke regels voor opslag en bewaartermijnen gelden. Zoals hierboven al is aangegeven heeft de afgifteplicht geen betrekking op hergebruik of reparatie van EEA en de voorbereiding voor hergebruik van AEEA (waar het veelal gaat om reparatie of refurbishment van AEEA). De wijze waarop eventuele reparatie of refurbishment van EEA (niet in de afvalfase) wordt toegepast en uitgevoerd van producten en eventuele voorbereiding voor hergebruik ter plekke wordt toegepast en uitgevoerd valt buiten het kader van de afgifteplicht. Voor reparatie activiteiten aan EEA kunnen specifieke eisen van toepassing zijn indien op die EEA een uitvoeringsmaatregel volgens de Richtlijn Ecodesign10 van toepassing is. Voorbereiding voor hergebruik is een verwerkingshandeling van afval met het doel een AEEA zodanig te herstellen dat het weer als werkend apparaat op de markt kan worden (terug)gebracht. Op handelingen met afval zijn specifieke eisen van toepassing uit de Regeling AEEA. De afgifteplicht gaat vooraf aan eventuele voorbereiding voor hergebruik, want de afgifteplicht is van toepassing vanaf het moment dat een eigenaar van EEA besluit zich actief daarvan te ontdoen en de afgedankte EEA dan in juridische zin (volgens de Wet milieubeheer) als afval wordt aangemerkt. Degene die dit afval inneemt zijnde een inzamelaar, sorteerder of verwerker kan in principe verwerkingshandelingen verrichten op voorwaarde dat wordt voldaan aan de Regeling AEEA.11
Op het moment dat een verwerker een afgedankt elektrisch apparaat wil voorbereiden voor hergebruik en/of onderdelen opnieuw wil gebruiken (re-usen) in een ander apparaat, dan is daarvoor de CENELEC-conformiteitsverklaring ‘preparation for re-use’ nodig. In Nederland zijn momenteel in totaal 62 een dergelijke conformiteitsverklaringen ‘preparation for reuse’ uitgegeven waarmee de hogere R-strategieën in lijn met het NPCE bediend worden. Stichting OPEN biedt een financiële ondersteuning aan partijen die deze conformiteitsverklaring willen behalen. Deze ondersteuning richt zich niet alleen richt op verwerking (CENELEC I en II) van AEEA waarbij grondstoffen worden teruggewonnen maar ook op bedrijven die de CENELEC-conformiteitsverklaring ‘preparation for reuse’ willen behalen.
Het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (hierna: Besluit melden) wordt zodanig aangepast dat degene die de AEEA ontvangt voor verwerking, de ontvangst van AEEA moet melden aan het Landelijk meldpunt afvalstoffen (LMA) van Rijkswaterstaat. Bijlage I, behorende bij artikel 2 van het Besluit melden wordt daartoe gewijzigd met als doel de invoering van een meldingsplicht met betrekking tot het ontvangen van alle AEEA voor bedrijven die AEEA verwerken. De melding geschiedt aan het LMA. Op deze wijze wordt inzicht verkregen in de totale hoeveelheid AEEA die wordt afgegeven aan verwerkers voor passende verwerking overeenkomstig artikel 11 van de Regeling AEEA. De ontvangstmelding verbetert daarnaast de traceerbaarheid van de herkomst alsmede het inzicht in de toeleveringsketen van AEEA.
In het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen (Stb. 2020, nr 170) is bepaald dat er met betrekking tot zowel de ontvangst als afgifte van gevaarlijke afvalstoffen, waaronder gevaarlijke AEEA, een meldingsplicht geldt voor de gegevens die op die afvalstoffen betrekking hebben. Een meldingsplicht voor de ontvangst van afvalstoffen geldt dus al in een aantal gevallen waarin AEEA in ontvangst wordt genomen, bijvoorbeeld indien het gaat om gevaarlijke stoffen in combinatie met AEEA, of afzonderlijk gevaarlijke AEEA.
Door de wijziging in dit besluit van artikel 2 wordt de uitzondering op de meldingsplicht voor ontvangst van AEEA bij verwerkers van AEEA opgeheven. Voor verwerkers die al gevaarlijke AEEA ontvangen heeft deze uitzondering zoals gemeld geen effect omdat die verplicht zijn om de ontvangst reeds te melden, al dan niet in combinatie met andere afvalstoffen. Daarnaast zijn er verwerkers die geen gevaarlijk afval of gevaarlijke AEEA ontvangen die met deze wijziging alsnog ook een meldingsplicht krijgen voor de ontvangst van AEEA.
Het toezicht op de naleving van de meldingsplicht berust bij de ILT.
Op grond van artikel 10.45, eerste lid, van de Wet milieubeheer moeten inzamelaars van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ofwel vermeld staan op een landelijke lijst van inzamelaars ofwel beschikken over een vergunning. Volgens het Besluit inzamelen afvalstoffen (hierna: Besluit inzamelen) is een vergunning vereist voor het inzamelen van bepaalde categorieën van afgewerkte olie, scheepsafvalstoffen en klein gevaarlijk afval. Van inzamelen is in ieder geval sprake wanneer de afvalstoffen worden opgehaald bij degene die zich van de afvalstoffen ontdoet en waarbij de verantwoordelijkheid voor de afvalstoffen overgaat van de ontdoener op de inzamelaar.
De vergunningplicht dient het belang van een doelmatig beheer van het inzamelen van bepaalde categorieën van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. In artikel 9 van het Besluit inzamelen zijn hiertoe bepaalde categorieën afgewerkte olie, bepaalde soorten klein gevaarlijk afval en scheepsafvalstoffen aangewezen. Het instellen van een vergunningplicht voor deze afvalstromen heeft mede te maken met het verzekeren van voldoende kwaliteitsniveau in de inzameling en daaropvolgende verwerking van hoog risico afvalstromen. Het hoge risico van AEEA komt voort uit mogelijk lekgevaar van schadelijke stoffen aanwezig in veel AEEA, uit veiligheidsaspecten die samenhangen met elektrische circuits, brandgevaar van lithium-ion batterijen etc. In het Besluit inzamelen staan de regels voor vergunningverlening.
Alle personen en bedrijven die beroepsmatig afvalstoffen inzamelen, vervoeren, verhandelen of bemiddelen moeten zich laten registreren op de lijst vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars (de VIHB-lijst). Dit geldt ook voor inzamelvergunninghouders. In de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen zijn criteria vastgesteld voor vermelding op de VIHB-lijst en voor beëindiging van een zodanige vermelding. De criteria voor vermelding op de VIHB-lijst komen deels overeen met de eisen die in de vervoerswetgeving (Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie: NIWO-beroepsvervoersvergunning) gelden voor het vervoer van (afval)stoffen en een Europese richtlijn inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg. Het basiscriterium voor vermelding op de VIHB-lijst is betrouwbaarheid.
Volgens de in paragraaf 1.1 genoemde Werkgroep ‘Lekstromen binnenland’ is ook één van de problemen bij inzameling van AEEA, de activiteit van diverse veelal kleinere inzamelaars die het risico verhogen op een lekstroom buiten passende verwerking. Om dit probleem tegemoet te treden, wordt in lijn met de benadering voor hoog risico afvalstromen in het Besluit inzamelen een inzamelvergunningplicht voor AEEA ingevoerd. Naar verwachting zal dit leiden tot minder, doch meer professionele inzamelbedrijven van AEEA afkomstig van bedrijven en maakt het de handhaving hierop eenvoudiger. Het toezicht op de naleving van vergunde inzamelaars berust bij de ILT.
Het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) biedt via Sectorplan 71 Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur het algemene beleidskader bij vergunningverlening in het bijzonder de minimumstandaard voor doelmatig afvalbeheer van AEEA.
Er is gekozen voor algemene regels in het Besluit activiteiten leefomgeving voor het afgeven van AEEA en niet voor een vergunningplicht. Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. Voorts is vanuit het oogmerk van efficiency en regeldruk een vergunning niet het juiste instrument om voor een homogene groep een algemene verplichting op te leggen. Het toezicht op de naleving van de afgifteplicht bij bedrijven berust dan ook bij het lokale bevoegde gezag (gemeenten). Dit bevoegd gezag heeft reeds de verantwoordelijkheid de in dit besluit aangewezen bedrijven op de naleving van algemene bepalingen uit het Bal te controleren. Omdat deze bedrijven in principe op basis van de vigerende wetgeving hun AEEA op correcte wijze moeten afvoeren vormt de afgifteplicht op zichzelf geen extra last op de uitvoering van de naleving. Met de afgifteplicht hebben zij een eenduidig handelingskader wat de uitvoering van het toezicht verduidelijkt voor zowel
het betrokken bedrijf als de toezichthouder.
Handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF)
Op 17 maart 2023 is het resultaat van de HUF-toets (Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid) van de ILT ontvangen. De diverse voorstellen voor verbetering of verduidelijking van de tekst zijn overgenomen en verwerkt. Op voorwaarde dat met de opmerkingen van de ILT rekening wordt gehouden stelt de HUF toets dat het besluit handhaafbaar en uitvoerbaar is. De fraudebestendigheid wordt door de ILT gekoppeld aan het opnemen van een verplichting tot het afgeven van een afgiftebon.
Over de uitvoerbaarheid merkt de ILT op dat daarvoor een extra capaciteit nodig is van maximaal 3,8 fte bij de ILT. Dit betreft een tijdelijke inzet van circa 3 fte in verband met de piekbelasting voor de vergunningverlening aan inzamelaars onder het Bia. Een structurele inzet voor het uitvoeren van toezicht op circa 40 bedrijven per jaar en per controle een tijdsbesteding van twee dagen alsmede het opsporen van free riders, betekent een structurele inzet van circa 0,8 fte. Daarnaast zal het voor de omgevingsdiensten en regionale politie hoogstwaarschijnlijk extra tijd kosten toe te zien op naleving van de afgifte van AEEA, de ILT heeft hieromtrent geen inschatting van de tijdsbesteding gemaakt. Een inschatting van de extra tijd die hoogstwaarschijnlijk nodig is kan niet worden gegeven omdat die afhankelijk is van de prioriteitstelling die lokale instanties maken inzake het toezicht op de naleving. Die lokale afweging is gebaseerd op het eigenstandige beleid voor de uitvoering van het toezicht in combinatie met de
lokaal-specifieke omstandigheden in het betreffende gebied. Van belang is verder dat de
afgifteplicht de facto al onderdeel is van de bestaande uitvoering van toezicht en controles omdat het algemene Europese en nationale wettelijk kader al beoogd dat AEEA gescheiden wordt afgegeven.
Het positieve oordeel van de ILT over dit voorstel onderstreept overigens dat nadere verduidelijking en detaillering van verplichtingen in regulering bijdraagt aan een betere handhaafbaarheid van die regulering. Zoals beschreven in het algemene deel van deze toelichting is zowel het beleids- als het wetgevende kader gericht op gescheiden afgeven en inzamelen van AEEA. Het algemene karakter van dit kader bemoeilijkt volgens partijen de naleving daarvan. Met dit voorstel wordt meer precies beschreven hoe het afgeven van AEEA kan worden uitgevoerd en maakt dat het toezicht en de handhaving volgens een relatief eenvoudige structuur kan verlopen. Met een juridische regeling voor afgifteplicht wordt tevens een beter uitgangspunt gecreëerd om ontdoeners te informeren over- en te wijzen op de naleving van de juiste afgifte van AEEA, zoals wordt voorgestaan in de eerdergenoemde wettelijke kaders.12
Het toezicht van de ILT is selectief en gericht op effectiviteit. De ILT richt haar toezicht op de grootste maatschappelijke risico’s. In de HUF-toets van 17 maart 2023 heeft de ILT aangegeven welke extra capaciteit voor zowel vergunningverlening als voor toezicht nodig is. Dit is gebaseerd op de inschatting van circa 40 bedrijven die onder de wetgeving voor inzameling zullen vallen zoals hierboven al toegelicht. De toezichtstaak op de afgifteplicht van bedrijven ligt hoofdzakelijk bij de omgevingsdiensten en aldus zijn meerdere partijen bij het toezicht betrokken dan uitsluitend de ILT. ILT heeft geen zicht op de keuzes in- of controle over de risico-gerichte aanpak van de afzonderlijke omgevingsdiensten. De toezichtstaak van de ILT richt zich primair op de inzamelvergunning en de meldplicht van de bedrijven. Door deze koppeling van de meldplicht aan de inzamelvergunning zullen de primaire ontdoeners van AEEA beter in beeld komen. Hierdoor ontstaat ook beter zicht op de schaarse materialen. De ILT ziet wel een zeker risico op inefficiënties in het toezicht door onvolledige informatiestromen omdat een deel van de informatie loopt via de producentenorganisatie Stichting OPEN en een deel buiten de meldplicht valt. Van de 20.000 op de VIHB-lijst geregistreerde bedrijven staan er 6.500 als inzamelaar vermeld. Het is echter niet duidelijk welke afvalstoffen deze bedrijven precies inzamelen omdat die informatie er niet bij wordt vermeld. De ILT acht mede daarom dat beter en meer toezicht op de VIHB niet effectief en efficiënt.
Als laatste adviseert de ILT om een extra bepaling op te nemen over het bewijs van afgifte (een afgiftebon) dat moet worden overhandigd door de ontvanger van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur aan de ontdoener daarvan. Dit advies is niet overgenomen om de regeldruk van het voorstel beperkt te houden. In het formele, zakelijke circuit is het gebruikelijk dat er een factuur verstrekt wordt voor bewezen diensten zoals het ophalen of verwerken van AEEA. Deze factuur kan op zichzelf al fungeren als een zogenaamde afgiftebon wat de opname van een separate verplichting tot een afgiftebon overbodig maakt. Daarbij is iedere ontdoener in principe al verplicht om een afvalstoffenregistratie bij te houden dat afvalstromen op de juiste wijze en de juiste verwerkers zijn afgevoerd, inclusief de corresponderende afvalstroomnummers.
Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)
Op 24 november 2023 heeft het Adviescollege Toetsing regeldruk (ATR) advies uitgebracht op het voorstel voor een afgifteplicht AEEA. Het dictum bij het advies brengt tot uitdrukking dat de toelichting bij het voorstel aanvulling behoeft, alvorens besluitvorming op onderbouwde wijze kan plaatsvinden. Op advies van het ATR is de toelichting dan ook nader aangevuld op de volgende onderdelen:
− Een uitgebreider probleemanalyse over de lekstromen AEEA en het effect van de voorgestelde afgifteplicht – opgenomen in paragraaf 1.1 van de toelichting.
− De wijze waarop het risico-gerichte toezicht en handhaving om de lekstromen
− tegen te gaan wordt versterkt – opgenomen in paragraaf 2.2 van de toelichting.
− Een aanvullende beschrijving van de consultatie van bedrijven en de wijze waarop de inbreng is verwerkt – opgenomen als hoofdstuk 4 van de toelichting.
− Het verslag van de uitgevoerde MKB-toets – opgenomen in paragraaf 3.2 van de
− toelichting.
− Een verduidelijking op de capaciteit voor toezicht en handhaving – opgenomen in paragraaf 2.2 van de toelichting.
− Een aanvulling op de analyse van de regeldrukeffecten – opgenomen in paragraaf 3.3 van de toelichting.
Het aangevulde voorstel voor een afgifteplicht is op 19 juli 2024 opnieuw voorgelegd aan het ATR. Bij brief van 4 september 2024 meldt het ATR dat in de toelichting bij het voorstel wijzigingen zijn aangebracht ter verwerking van de ATR-advies-punten. Zo is de onderbouwing van nut en noodzaak nader uitgewerkt in de toelichting bij het voorstel.
Ook is een MKB-toets uitgevoerd. Naar aanleiding van de MKB-toets is onder andere besloten het afgiftebonnetje bij afgegeven AEEA te schrappen. De regeldrukgevolgen van het voorstel zijn naar aanleiding van het ATR-advies verder kwalitatief en kwantitatief uitgewerkt in de toelichting, conform de Rijksbrede methodiek. Deze analyse draagt bij aan onderbouwde besluitvorming over het voorstel. De omvang van de regeldrukgevolgen van de voorgestelde afgifteplicht wijzigt niet door de aangepaste toelichting. Het college constateert dat er geen sprake is van inhoudelijke wijzigingen in het voorstel met aanmerkelijke gevolgen voor de regeldruk, zoals genoemd in artikel 5, lid 3 van het Instellings-besluit van ATR. Het ziet daarom geen aanleiding tot het uitbrengen van een aanvullende zienswijze over het voorstel en de gewijzigde toelichting.
MKB-toets
Op advies van het ATR heeft op 23 april 2024 een MKB-toets plaatsgevonden waarbij ondernemers de gelegenheid is gegeven om vanuit hun praktijkervaring te reageren op het voorstel voor een afgifteplicht AEEA. Bij nieuwe regelgeving waarbij naar verwachting sprake is van substantiële regeldrukeffecten voor het MKB kunnen individuele mkb-ondernemers in een vroeg stadium met departementen meedenken over de vormgeving van deze regelgeving. De MKB-toets is uitgevoerd langs de volgende vier vragen:
− Op welke wijze voert u uw AEEA nu af?
− Wat vindt u van de wijze waarop AEEA moet worden afgegeven?
− Wat vindt u van de bewaarplicht van de afgiftebon?
− Denkt u dat de voorgestelde regeling het beoogde effect zal realiseren?
De ondernemers blijken allen bekend met de huidige regelgeving voor AEEA en geven AEEA doorgaans af aan het daartoe bestemde inzamelkanaal dat Wecycle beschikbaar stelt voor bedrijven. De invoering van een afgifteplicht zoals voorgesteld, verandert daar in principe niets aan. In het verleden werd AEEA overigens soms afgevoerd via de metaalrecycling of andere kanalen. De voorgestelde maatregel is voor ondernemers helder en het is evident dat AEEA uiteindelijk in het daartoe wettelijk bestemde inzamelpunt terecht moet komen – dat beginsel staat voor de ondernemers niet ter discussie. Wel werd door de ondernemers benadrukt dat de voorgestelde regeling tekortschiet op het aspect van voortgezet gebruik van apparatuur door middel van hergebruik of reparatie.
Gesteld werd dat ingezamelde afgedankte apparatuur niet zonder meer naar de recycling zou moeten worden gedirigeerd maar dat een tussenstap gewenst is gericht op hergebruik of reparatie teneinde het gebruik (of levensduur) te verlengen. Dit aspect is ook in de diverse zienswijzen tijdens de internetconsultatie naar voren gebracht.
Hierover is opgemerkt dat de voorgestelde afgifteplicht uitsluitend van toepassing is zodra de afvalstatus van een apparaat/product aan de orde is. Dat wil zeggen dat in het stadium dat voorafgaat aan de afvalfase, de houder/eigenaar van een apparaat/product zelf verantwoordelijk is voor levensduurverlenging via goed onderhoud en reparatie. In de huidige regelgeving voor AEEA is reeds bepaald dat zodra een apparaat/product is afgegeven aan de wettelijk verplichte inzamelinfrastructuur dat moet worden bevorderd dat AEEA die moet worden voorbereid voor hergebruik, wordt gescheiden van ander
ingezamelde AEEA.13 De producentenorganisatie Stichting OPEN heeft kenbaar gemaakt
dat hergebruik en reparatie van AEEA een belangrijk onderdeel vormen voor de invulling van de wettelijke producentenverantwoordelijkheid.14 Stichting OPEN bouwt momenteel mede daarom aan een nadere invulling van voorbereiding van hergebruik in de keten van AEEA. Dat vindt momenteel plaats aan de hand van pilotprojecten teneinde de juiste condities te bepalen voor mogelijk toekomstig opschalen. Op het moment dat een verwerker een afgedankt elektrisch apparaat wil voorbereiden voor hergebruik en/of onderdelen opnieuw wil gebruiken (re-usen) in een ander apparaat, dan is daarvoor het
CENELEC-certificaat ‘preparation for re-use’ nodig. In Nederland bleken in 2023 in totaal 38 verwerkers van AEEA een dergelijk certificaat te hebben. Stichting OPEN biedt een financiële ondersteuning aan verwerkers die het certificaat willen behalen.
Voorts is aan de orde gesteld de bewaarplicht van 5 jaar voor het bewijs van afgifte van
AEEA, de afgiftebon. Door ondernemers werd gemeld dat deze bewaarplicht tot een verhoogde administratieve belasting leidt. Daarnaast werd de daadwerkelijke handhaving van deze bepaling door de ondernemers in twijfel getrokken. Als gevolg van deze inbreng van ondernemers is besloten de bewaarplicht van 5 jaar te schrappen uit de bepalingen.
Tenslotte werd door enkele ondernemers gesteld dat naast de invoering van een afgifteplicht ook andere maatregelen mogelijk zijn, zoals het verder benutten van een financiële beloning voor correct inlevergedrag via een stimuleringsregeling of een statiegeldsysteem.
Administratieve lasten
De structurele administratieve lasten voor de bedrijven waarop de afgifteplicht van toepassing is stijgen niet door invoering van een afgifteplicht. Het afgeven (of zelf wegbrengen) van AEEA an sich is een handeling die voor elk bedrijf als gangbaar en structureel gebruikelijk kan worden aangemerkt en waarvoor ook als gebruikelijk al verwijderingskosten worden gemaakt. Het gaat immers om de verwijdering van het eigen bedrijfsafval. De afgifteplicht bepaalt slechts op welke wijze de AEEA moet worden afgegeven. Het is aan de ontdoener van AEEA te bepalen aan welke van de verplicht gestelde mogelijkheden de voorkeur wordt gegeven. Iedere ontdoener is in principe al verplicht om een afvalstoffenregistratie bij te houden dat afvalstromen op de juiste wijze en de juiste verwerkers zijn afgevoerd, inclusief de corresponderende afvalstroomnummers.
Met de invoering van een ontvangstmelding voor alle AEEA bij verwerkers zal een aantal verwerkers alsnog een ontvangstmelding moeten doen bij het LMA en te maken krijgen met een eenmalige administratieve last. De verwachting is dat het zal gaan om ongeveer 50 bedrijven die zich eenmalig moeten aanmelden voor toegang tot het LMA. De tijdsbesteding bedraagt voor de eenmalige aanmelding (toegang) ongeveer 1 uur en voor de maandelijkse ontvangstmelding ongeveer 2 uren bij arbeidskosten van € 50 per uur. De administratieve lasten voor eenmalige toegang melding LMA zijn in totaal: 50 x 1 x 50 = € 2.500, en de jaarlijks terugkerende kosten zijn in totaal: 50 x 24 (12 x aantal uren per maand) x 50 = € 60.000.
Volgens de in paragraaf 1.1 genoemde Werkgroep ‘Lekstromen binnenland’ is ook één van de problemen bij inzameling van AEEA, de activiteit van diverse veelal kleinere inzamelaars die het risico verhogen op een lekstroom buiten passende verwerking.
Vanwege de illegaliteit van deze activiteit is het volgens de werkgroep niet mogelijk gebleken de exacte omvang vast te stellen. Om dit probleem tegemoet te treden, wordt in lijn met de benadering voor hoog risico afvalstromen en mede op advies van de ILT, in het Besluit inzamelen een inzamelvergunningplicht voor AEEA ingevoerd. Naar verwachting zal dit leiden tot minder, doch meer professionele inzamelbedrijven van AEEA afkomstig van bedrijven en maakt het de handhaving hierop eenvoudiger. Het toezicht op de naleving van vergunde inzamelaars berust bij de ILT.
De administratieve last voor het verkrijgen van een inzamelvergunning bedraagt volgens het Besluit inzamelen per vergunning € 537, dit is echter het kostenniveau anno 2004.
Voor de gemiddelde kosten anno 2024 wordt door de ILT nu doorgaans € 1.175 van AEEA aanwezig is die alsnog een vergunning willen aanvragen. De totale eenmalige administratieve lasten voor het bedrijfsleven voor de inzamelvergunning bedragen dan 40 x 1175 = € 47.000.
De nalevingskosten zullen in beperkte mate wijzigen bijvoorbeeld doordat hogere vervoerskosten ontstaan voor AEEA die niet via een nabije inzamelaar of een nabij inzamelpunt kan worden afgegeven. Ook kan het gaan om afwijkende prijzen voor het afgeven van AEEA omdat soorten AEEA niet eerst in de gewenste mate van scheiding of sortering (kunnen) worden aangeboden. Ook zal voor een deel van de gevallen de keuze voor de afgifte van AEEA beperkter zijn geworden door de afgifteplicht. In die gevallen is de afzetmarkt kleiner geworden omwille van een doelmatig beheer van AEEA. Door het ontbreken van enige data is niet exact te voorspellen of- en in welke mate deze kostenverschillen zullen optreden. Ingeschat wordt dat met het aanbieden van de landelijk dekkende gratis service door het AEEA-inzamelsysteem voor bedrijven van ‘Wecyclevoorbedrijven’ in beginsel bedrijven zal ontlasten op het punt van afvoeren van AEEA. Met een groeiend aantal innamepunten voor bedrijven in dat systeem kan het per saldo wellicht zelfs tot een gemiddelde kostenbesparing leiden. Op basis van meerjarige ervaring en verzamelde data door Stichting OPEN zal daarover op termijn een conclusie kunnen worden getrokken.
Tenslotte is evident dat bedrijven die onder deze verplichting tot afgifte van AEEA vallen geïnformeerd moeten worden over de uitvoering en de naleving. Hierop ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de wetgever en de producentenorganisatie Stichting OPEN. Stichting OPEN heeft de wettelijke plicht ondernemers te informeren over relevante verplichtingen en waar nodig te begeleiden in de uitvoering. De rijksoverheid zal bij invoering van de afgifteplicht AEEA daarover informatie verstrekken via de de helpdesk van RWS.
Vooroverleg met partijen
In het eerdergenoemde Monitoringsberaad AEEA is de afgifteplicht AEEA geregeld aan de orde geweest en is enkele malen van gedachten gewisseld over de invulling daarvan. Op 15 december 2021 is een eerste uitgewerkte opzet voor een regulering op de afgifteplicht AEEA informeel voorgelegd aan enkele partijen15 uit de uitvoeringspraktijk en uit het Monitoringsberaad AEEA. Aanleiding voor deze actie was de gerezen twijfel over het effect en handhaafbaarheid van de initiële keuzes die in dat eerste voorstel waren gedaan. Uit de reacties van partijen bleek deze twijfel gegrond en is vervolgens het voorstel in de loop van 2022 aangepast tot het huidige voorstel.
Internetconsultatie
Van 5 oktober 2023 tot en met 16 november 2023 heeft de internetconsultatie plaatsgevonden waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld te reageren op de voorgestelde regeling en de toelichting. Er zijn in totaal 15 reacties ingediend, alle 15 reacties zijn openbaar. Indieners zijn particulieren (een derde van het aantal reacties), bedrijfsleven en branches (helft van de reacties) en overig.
Het algemene beeld van de reacties is dat deze overwegend positief zijn en het principe van een afgifteplicht steunen. De kritische noten en kanttekeningen betreffen in hoofdzaak:
a. Een aantal indieners vindt het besluit nog niet robuust genoeg, met name betreffende de realisatie van de circulaire doelstellingen;
b. De scope van de regelgeving zou te beperkt zijn; tevens zijn er vragen over de scope en randvoorwaarden van de regeling.
In onderstaand overzicht is een algemeen beeld geschetst, aan de hand van citaten uit individuele reacties. Deze reacties geven uitsluitend de mening van de indieners weer.
De steunende opmerkingen
De afgifteplicht wordt gezien als een cruciale voorwaarde om lekstromen AEEA te kunnen dichten. De afgifteplicht zal een grote stimulans zijn om de correcte inzameling van AEEA en de daarmee gepaard gaande passende verwerking en/of voorbereiding voor hergebruik van AEEA te realiseren. Een meldingsplicht en een (aanvullende) vergunningsplicht voor inzamelaars van AEEA kunnen helpen om risico’s op milieuschade en gezondheidsschade te beperken.
Over circulaire doelstellingen
Om circulaire doelstellingen te realiseren is er meer nodig dan het voorkomen van lekstromen. De afgifteplicht zoals opgenomen in het voorstel is niet robuust en is niet in lijn met de ambities van de overheid en vooruitstrevende producenten en bedrijven. Er moet in de besluiten en de hierin opgenomen afgifteplicht voldoende rekening worden gehouden met circulaire-, sociale en klimaatdoelen. De afgifteplicht mag een doelmatige afvalbeheersstructuur waarin (de voorbereiding van) hergebruik mogelijk wordt gemaakt en wordt gestimuleerd niet in de weg staan.
Over de scope en de randvoorwaarden regelgeving
De voorgestelde afgifteplicht betrekking heeft betrekking op een specifiek aantal categorieën bedrijven dan wel milieubelastende activiteiten, dit betekent dat niet al het AEEA onder de afgifteplicht valt. Met de afgifteplicht zou meer sturing kunnen worden gegeven aan circulariteit en tegengaan van vernietiging van producten en materialen. Het is noodzakelijk om de afgifteplicht te koppelen aan adequate handhaving. De huidige afgifteplicht beschrijft geen afvalbeheerstructuur die primair de afgiftemogelijkheden voor hergebruik en reparatie bevordert. Om ketenoptimalisatie en optimale circulariteit daadwerkelijk te realiseren, is een vergoedingensysteem nodig dat circulair handelen daadwerkelijk stimuleert en faciliteert.
Over de gevolgen voor bedrijven
De regelgeving betreft met name de klanten van datacenters, voor vele commerciële oftewel colocatie-datacenters geldt dat zij niet de eigenaar van de IT-apparatuur zijn en geen zeggenschap hebben en verantwoordelijkheid over de recycling van afgedankte elektronica. Er zijn twijfels over de uitvoerbaarheid door het beperkte aanbod van CENELEC-gecertificeerde afvalverwerkers. De voorgestelde bewaarplicht van afgiftebewijzen roept vragen op over de praktische uitvoerbaarheid en administratieve lasten voor bepaalde bedrijven.
Beschouwing van de kritische kanttekeningen
Wat betreft de eerste kritische kanttekening dat het besluit nog niet robuust genoeg in relatie tot de realisatie van de circulaire doelstellingen het volgende. Allereerst wordt daarbij opgemerkt dat het voorstel voor een afgifteplicht gericht is op een verduidelijking van reeds bestaande verplichtingen en het dientengevolge verbeteren van de handhaafbaarheid daarvan. Het voorstel is niet bedoeld om nieuwe of aanvullende (afrekenbare) doelen te stellen als nationale kop op de reeds bestaande wettelijke doelen en andere verplichtingen voor AEEA. Dat is ook niet de context waarbinnen is gekozen voor een afgifteplicht dat namelijk als hoofddoel heeft om de inzameling te verbeteren, lekstromen te beperken en milieuschade te voorkomen door zo veel mogelijk AEEA uiteindelijk op een correcte (voorgeschreven) wijze te verwerken. Lekstromen leveren een verhoogd risico op milieuschade en een verlies van waardevolle materialen waaronder edelmetalen en kritieke grondstoffen. Indien AEEA door bedrijven op een correcte wijze wordt afgegeven zoals voorgestaan in het voorstel, dan zal dat juist wél extra bijdragen aan de doelen voor de circulaire economie, in het bijzonder het sluiten van de kringloop. De door de Europese Commissie voorgenomen herziening van de Richtlijn AEEA in 2026 zal desgewenst moeten leiden tot hogere doelstellingen voor inzameling, hergebruik en recycling.
Wat betreft de tweede kritische kanttekening over de scope en randvoorwaarden van de voorgestelde regelgeving het volgende. In het bijzonder is gewezen op het ontbreken van bepalingen of doelen op reparatie en hergebruik in de inzamelketen. Daarover kan allereerst worden opgemerkt dat het voorstel voor afgifteplicht niet bedoeld is om nieuwe nationale doelen te introduceren voor hergebruik of reparatie. Het voorstel is strikt afgebakend op de facetten die hierboven al zijn toegelicht. Voor de goede orde wordt benadrukt dat de vigerende regelgeving voor AEEA niet van toepassing is op hergebruik en reparatie van EEA (zijnde een werkend-, niet afgedankt product of apparaat), maar wél op voorbereiding voor hergebruik van AEEA (waar het veelal gaat om reparatie of refurbishment van AEEA). De wijze waarop eventuele reparatie van producten en eventuele voorbereiding voor hergebruik ter plekke wordt toegepast en uitgevoerd valt buiten het kader van de afgifteplicht. Voor reparatie activiteiten aan EEA kunnen specifieke eisen van toepassing zijn indien op die EEA een uitvoeringsmaatregel volgens de Richtlijn Ecodesign16 van toepassing is. Voorbereiding voor hergebruik is een verwerkingshandeling van afval met het doel een AEEA zodanig te herstellen dat het weer als product op de markt kan worden (terug)gebracht. Op handelingen met afval zijn specifieke eisen van toepassing uit de Regeling AEEA. De afgifteplicht gaat vooraf aan eventuele voorbereiding voor hergebruik, want de afgifteplicht is van toepassing vanaf het moment dat een eigenaar van EEA besluit zich actief daarvan te ontdoen en de afgedankte EEA dan in juridische zin (volgens de Wet milieubeheer) als afval wordt aangemerkt. Gesteld wordt dat ingezamelde afgedankte apparatuur niet zonder meer naar de recycling zou moeten worden gedirigeerd maar dat een tussenstap gewenst is gericht op hergebruik of reparatie teneinde het gebruik (of levensduur) te verlengen. Dit aspect is ook in de MKB-toets naar voren gebracht. Hierover kan worden opgemerkt dat de voorgestelde afgifteplicht uitsluitend van toepassing is zodra de afvalstatus van een apparaat/product aan de orde is. Dat betekent dat in het stadium voorafgaand aan de afvalfase, de houder/eigenaar van een apparaat/product zelf verantwoordelijk is voor levensduurverlenging via goed onderhoud en reparatie. In de huidige regelgeving voor AEEA is reeds bepaald dat zodra een afgedankt apparaat/product is afgegeven aan de wettelijk verplichte inzamelinfrastructuur dat moet worden bevorderd dat AEEA die moet worden voorbereid voor hergebruik, wordt gescheiden van ander ingezamelde AEEA17.
De producentenorganisatie Stichting OPEN heeft kenbaar gemaakt dat hergebruik en reparatie van AEEA een belangrijk onderdeel vormen voor de invulling van de wettelijke producentenverantwoordelijkheid18. Stichting OPEN bouwt momenteel mede daarom aan een nadere invulling van voorbereiding van hergebruik in de keten van AEEA. Dat vindt momenteel plaats aan de hand van pilotprojecten teneinde de juiste condities te bepalen voor mogelijk toekomstig opschalen. Op het moment dat een verwerker een afgedankt elektrisch apparaat wil voorbereiden voor hergebruik en/of onderdelen opnieuw wil gebruiken (re-usen) in een ander apparaat, dan is daarvoor het CENELEC-certificaat ‘preparation for re-use’ nodig. In Nederland bleken in 2023 in totaal 38 verwerkers van AEEA een dergelijk certificaat te hebben. Stichting OPEN biedt een financiële ondersteuning aan verwerkers die het certificaat willen behalen.
Tenslotte wordt de bewaarplicht van 5 jaar voor het bewijs van afgifte van AEEA, de afgiftebon ter discussie gesteld omdat verondersteld wordt dat deze bewaarplicht tot een verhoogde administratieve belasting leidt.
Voorhang en voorpublicatie
pm
In artikel 3.157 (van paragraaf 3.5.2 Kringloopbedrijf en bedrijf voor reparatie van gebruikte producten) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen.
In artikel 3.165 (van paragraaf 3.5.4 Metaalrecyclingbedrijf) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen.
In artikel 3.171 (van paragraaf 3.5.6 Milieustraat) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen.
In artikel 3.185 is de term afgedankte elektrische of elektronische apparatuur vervangen door de term afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, omdat in bijlage I onder verwijzing naar de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur alleen van de laatstgenoemde term een begripsomschrijving is opgenomen.
In artikel 3.198 (van paragraaf 3.5.11 Verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen. Deze afgedankte apparatuur is een subcategorie afvalstoffen onder de categorie bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in de fase van ontdoening. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om, overeenkomstig de opzet van dit besluit, de onderdelen j tot en met m alsnog in de volgorde van de nummers van de paragrafen waarnaar zij verwijzen, te plaatsen.
In artikel 3.230 (van paragraaf 3.7.1 Bouwbedrijf, installatiebedrijf, grondbouwbedrijf, wegbouwbedrijf, waterbouwbedrijf en schildersbedrijf) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen.
In artikel 3.237 (van paragraaf 3.7.3 Datacentrum) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen.
In artikel 3.244 (van paragraaf 3.7.5 Laboratorium) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen.
In artikel 3.257 (van paragraaf 3.7.9 Ziekenhuis) wordt een onderdeel over het afgeven van AEEA toegevoegd met verwijzing naar een paragraaf met daarin regels waaraan het afgeven van AEEA moet voldoen.
Dit onderdeel voegt een nieuwe paragraaf 4.48a in met artikelen over het afgeven van AEEA bij het verrichten van de milieubelastende activiteiten verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
In bijlage I is de term afgedankte elektrische en elektronische apparatuur gedefinieerd onder verwijzing naar de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.
In bijlage II is de verwijzing naar de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur bij het gebruik van de term afgedankte elektrische en elektronische apparatuur geschrapt omdat in bijlage I nu een begripsomschrijving van afgedankte
Dit artikel regelt het toepassingsbereik van paragraaf 4.48a.
In dit artikel zijn de drie mogelijkheden voor het afgeven van AEEA opgenomen. De eerste betreft het direct afgeven aan CENELEC gecertificeerde verwerkers zoals bepaald in artikel 11 van de Regeling AEEA. De AEEA wordt dan afgeleverd aan het bedrijf dat de passende verwerking uitvoert.
De tweede mogelijkheid betreft het afgeven aan het daartoe bestemde inzamelsysteem voor AEEA dat hetzij door een individuele producent of importeur beschikbaar is gesteld, hetzij door een producentenorganisatie namens de producent of importeur beschikbaar is gesteld. In Nederland is voor de inzameling van alle AEEA momenteel één landelijk dekkende producentenorganisatie verantwoordelijk (Stichting OPEN – Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland19). De producentenorganisatie draagt zorg voor de inzameling van AEEA dat zowel bij particulieren als bij bedrijven vrijkomt en waartoe specifieke inzamelpunten zijn opgericht. Het behoort tot de taken van een producentenorganisatie om ontdoeners te informeren en te adviseren over het gehele inzamelsysteem. Specifiek voor AEEA dat vrijkomt bij bedrijven is een inzamelinfrastructuur opgezet. Op de website www.wecyclevoorbedrijven.nl staan de verschillende mogelijkheden beschreven bestaande uit ofwel het brengen naar een Wecycle inleverpunt voor bedrijven ofwel het laten ophalen door Stichting OPEN. Tenslotte de mogelijkheid om het af te geven aan een inzamelaar met een specifieke vergunning voor het ophalen van AEEA. De inzamelaar zal de AEEA afgeven aan een gecertificeerde verwerker of aan het inzamelsysteem van de producentenorganisatie.
Deze verplichting zal in de inzamelvergunning worden opgenomen.
Bijlage I. behorende bij artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt zodanig gewijzigd dat degene die de AEEA ontvangt voor verwerking, de ontvangst van AEEA moet melden aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, via het Landelijk meldpunt afvalstoffen (LMA) van Rijkswaterstaat. Deze wijziging heeft als doel de invoering van een ontvangstmelding met betrekking tot het ontvangen van alle AEEA voor bedrijven die AEEA verwerken.
Artikel 2, eerste lid, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen regelt de categorieën van gevallen waarin de in artikel 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer opgenomen verplichting om melding te doen van de afgifte van afvalstoffen, niet geldt. Deze verplichting geldt onder meer niet indien voor bedrijfsafvalstoffen de persoon aan wie de afvalstoffen zijn afgegeven, op de locatie van die persoon uitsluitend milieubelastende activiteiten met afvalstoffen verricht die behoren tot een in bijlage I bij dit besluit aangegeven categorie of een combinatie van die categorieën.
In bijlage I, onderdeel 1, aanhef en onder f, was als milieubelastende activiteit aangewezen het opslaan, overslaan of verwerken van AEEA. Dit artikel voorziet erin dat het verwerken van AEEA niet meer wordt uitgezonderd van de verplichting, bedoeld in artikel 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, door subonderdeel j van onderdeel 1 te schrappen en in plaats daarvan een nieuw onderdeel 2 in te voegen.
In artikel 9 van het Besluit inzamelen wordt het vereiste van een inzamelvergunning voor AEEA toegevoegd.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu,
Betreft de serie standaarden die is opgesteld en uitgegeven door het Europese normalisatie instituut Cenelec onder serienummer 50625.
Het gaat daarbij om het totale volume EEA over de drie voorafgaande jaren aan het toetsingsjaar voor de inzameldoelstelling.
Uitbreiding Stimuleringsregeling inbouw airco’s en warmtepompen – Stichting Open (stichting-open.org)
Gescheiden inzameling is een eerste vereiste om de specifieke behandeling en recycling van AEEA te waarborgen, en is noodzakelijk om het vastgestelde niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu in de Unie te halen. De consument moet actief bijdragen tot het succes van deze inzameling en moet worden aangemoedigd AEEA in te leveren. Met het oog daarop moeten geschikte voorzieningen voor het inleveren van AEEA, met inbegrip van openbare inzamelpunten waar particuliere huishoudens hun afval ten minste kosteloos moeten kunnen inleveren, worden opgezet.
In juridische termen wordt die doorgaans als ‘houder’ aangeduid, voor de duidelijkheid en voor de relatieve leek wordt in deze toelichting gesproken van eigenaar waar houder van EEA wordt bedoeld.
Richtlijn 2009/125/EG van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten.
De EU Kaderrichtlijn afvalstoffen, de EU Richtlijn AEEA, de Regeling AEEA en het Landelijk Afvalbeheerplan.
Stichting OPEN, VA, NVRD, VNG, Techniek Nederland, MRF, RND, INRetail, Thuiswinkel.org, BKN en enkele Omgevingsdiensten en afvalverwerkers.
Richtlijn 2009/125/EG van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-34806.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.