Regeling tewerkstelling niet EU-Officieren op zeeschepen onder Nederlandse vlag 2025/2027

Verbindendverklaring cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 oktober 2025 tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Regeling tewerkstelling niet EU-Officieren op zeeschepen onder Nederlandse vlag

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van Nautilus International mede namens de overige partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partijen ter ener zijde: Netherlands Maritime Employers Association, Vereniging van Werkgevers in de Handelsvaart, Maritime Employers Association Neptune, Sociaal Maritiem Werkgeversverbond, optredendend namens de leden Hal Beheer B.V, Maersk Ship Management B.V, P&O Ferries B.V, Spliethoff Beheer B.V. en Stena Line B.V;

Partij ter andere zijde: Nautilus International.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III, IV en V is bepaald:

Artikel 1 Definities

1.1 EU-officier(en)

Onder EU-officier(en) wordt verstaan:

  • .1 officieren die in Nederland woonachtig zijn;

  • .2 officieren die woonachtig zijn in lidstaten van de Europese Unie, voor zover zij niet uitgesloten zijn van het vrije verkeer van werknemers;

  • .3 officieren die voldoen aan het gestelde in art. 4 van de Wet Arbeid Vreemdelingen 1 januari 2024, Stbl. 2023, 247, laatstelijk gewijzigd bij wet van 12 mei 2023 (Stbl. 2023, 168);

  • .4 officieren die niet behoren tot de categorieën genoemd onder de punten .1, .2, .3 van dit lid, die voorafgaande aan een mogelijke aanstelling tenminste twee jaren vaartijd op Nederlandse zeeschepen, onder toepassing van een Nederlandse CAO hebben behaald, mits het laatste dienstverband niet langer dan drie jaar geleden geëindigd is.

1.2 niet-EU-officier(en)

Onder niet-EU-officier(en) wordt verstaan officieren die geen EU-officier(en) zijn als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

1.3 Officier(en)

Onder ‘officier’ wordt verstaan degene die de functie van stuurman, werktuigkundige, maritiem officier, officier elektrotechniek of radio-operator vervult en verder iedere zeevarende die door de scheepsbeheerder als officier wordt aangemerkt.

1.4 Nederlandse zeeschepen

Onder ‘Nederlandse zeeschepen’ wordt verstaan schepen als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek, boek 8, titel 1, artikel 2, eerste lid, voor zover op grond van Nederlandse rechtsregels de vlag van het Koninkrijk wordt gevoerd.

1.5 Scheepsbeheerder

Onder ‘scheepsbeheerder’ wordt verstaan de beheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet zeevarenden.

Artikel 2 Werkingssfeer

  • 1.1 Onder de werkingssfeer van deze Regeling vallen de arbeidsplaatsen van alle aan boord van Nederlandse zeeschepen te werk gestelde officieren.

  • 1.2 De Regeling is niet van toepassing op:

    • .1 reddingsvaartuigen;

    • .2 vissersvaartuigen;

    • .3 pleziervaartuigen, welke uitsluitend als zodanig worden gebezigd, voor zover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren;

    • .4 zeeschepen speciaal ontworpen voor het opnemen en dumpen van zand, klei of stenen en de daarbij betrokken hulpschepen;

    • .5 (zee)schepen die aan het Rijk of enig openbaar lichaam toebehoren, welke tot de openbare dienst zijn bestemd.

Artikel 3 Doelstellingen

De werkgevers- en werknemersorganisaties staan met het overeenkomen van deze Regeling gezamenlijk voor het reguleren van de werkgelegenheid/arbeidsvoorziening van officieren op Nederlandse zeeschepen.

Artikel 4 Het bemannen van Nederlandse zeeschepen met officieren

  • 1.1 De scheepsbeheerder mag geen niet-EU-officieren te werk stellen aan boord van haar Nederlandse zeeschepen, tenzij er een vergunning als bedoeld in lid 2 van dit artikel is afgegeven.

  • 1.2 Een vergunning tot het te werk stellen van niet-EU-officieren wordt op verzoek van de scheepsbeheerder voor een of meerdere Nederlandse zeeschepen afgegeven door de Commissie Vergunningen als bedoeld in artikel 6, als uit het vacature-overzicht van het UWV blijkt dat er bij het UWV een relatief beperkt aantal reëel bemiddelbare werkloze officieren is ingeschreven.

  • 1.3 Er is sprake van een relatief beperkt aantal bij het UWV ingeschreven reëel bemiddelbare werkloze EU-officieren als dit aantal, uitgedrukt als een percentage van het totaal aantal op de Nederlandse zeeschepen werkzame EU-officieren, kleiner is dan of gelijk aan het landelijk werkloosheidspercentage van een gelijksoortige categorie werknemers.

    Het werkloosheidspercentage van de ‘reëel bemiddelbare officieren’ wordt vastgesteld aan de hand van het aantal werkloze EU-officieren die zijn ingedeeld in fase 1 van de fase-indeling van het UWV en het aantal EU-officieren werkzaam op Nederlandse zeeschepen. De in fase 1 ingedeelde officieren zijn slechts reëel bemiddelbaar als zij onmiddellijk op de gebruikelijke voorwaarden kunnen worden tewerkgesteld. Het totaal aantal op de Nederlandse zeeschepen werkzame EU-officieren wordt ontleend aan de meest recente Monitor Maritieme Arbeidsmarkt van Nederland Maritiem Land (NML). Het landelijk werkloosheidspercentage van een gelijksoortige categorie werknemers is gelijk aan het door het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek gepubliceerde werkloosheidspercentage van autochtone mannen met een MBO- of een HBO-opleiding.

  • 1.4 Een besluit tot afgifte dan wel tot weigering van de afgifte van de vergunning wordt binnen 14 dagen genomen nadat de leden van de Commissie Vergunningen een verzoek als bedoeld in lid 2 van dit artikel hebben ontvangen. Een besluit tot weigering van afgifte van een vergunning wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien niet binnen 14 dagen nadat een verzoek als bedoeld in lid 2 van dit artikel is ingediend een besluit is genomen door de Commissie Vergunningen, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.

  • 1.5 Een vergunning kan worden ingetrokken door de Commissie Vergunningen als blijkt dat de scheepsbeheerder niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning. Alvorens de Commissie Vergunningen een besluit neemt de vergunning in te trekken, deelt zij schriftelijk aan de scheepsbeheerder mee dat zij voornemens is de vergunning in te trekken. In de mededeling inzake haar voornemen tot intrekking van de vergunning wordt gemotiveerd vermeld op welk punt resp. op welke punten de scheepsbeheerder niet of niet meer voldoet aan de vergunningsvoorwaarden. De scheepsbeheerder wordt in de gelegenheid gesteld op het voornemen van de Commissie Vergunningen schriftelijk verweer te voeren en/of in een vergadering van de Commissie Vergunningen te worden gehoord.

  • 1.6 De vergunning heeft een geldigheidsduur van 1 kalenderjaar. Op verzoek van de scheepsbeheerder kan de geldigheidsduur van de vergunning voor een langere periode dan 1 jaar worden verleend, maar nooit langer dan 5 jaar. Indien de scheepsbeheerder voldoet aan de voorwaarden voor de afgifte van een vergunning, kan de vergunning, op verzoek van de scheepsbeheerder, per einddatum van de vergunning, worden verlengd.

Artikel 5 Voorwaarden

De Commissie Vergunningen weigert de afgifte van een vergunning als:

  • 1.1 door de scheepsbeheerder niet voorafgaande aan een verzoek tot afgifte van een vergunning de arbeidsplaatsen welke de scheepsbeheerder met niet-EU-officieren wil vervullen als vacatures bij het UWV zijn gemeld. Door het melden van deze vacatures wordt het UWV in de gelegenheid gesteld om voor deze vacatures geschikte EU-officieren aan te bieden. De scheepsbeheerder rapporteert terug aan het UWV of deze de door het UWV aangeboden kandidaten al dan niet zijn tewerkgesteld en vermeldt vervolgens bij het verzoek om vergunning het resultaat van de bemiddeling door het UWV. Bij niet-aanname van de door het UWV aangeboden kandidaten motiveert de scheepsbeheerder dat summier. Het niet aannemen van kandidaten heeft geen gevolgen voor de vergunningsverlening.

  • 1.2 de aanstelling van niet-EU-officieren op Nederlandse zeeschepen leidt tot gedwongen ontslag van EU-officieren. Niettegenstaande deze bepaling, behouden scheepsbeheerders zich het recht voor aan officieren ontslag aan te zeggen in geval van economische noodzaak, door inkrimping van activiteiten, door vermindering van het aantal Nederlandse zeeschepen in eigendom of onder beheer, dreiging van sluiting van een bedrijf, etc.;

  • 1.3 er geen overeenstemming bestaat tussen de aanvragende scheepsbeheerder en Nautilus International over de van toepassing zijnde loon- en arbeidsvoorwaarden;

  • 1.4 de scheepsbeheerder niet meewerkt aan de in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directoraat-Generaal Luchtvaart en Maritieme zaken, uit te voeren onderzoeken naar de werkgelegenheid op Nederlandse zeeschepen.

Artikel 6 Commissie Vergunningen

  • 1.1 Er is een Commissie Vergunningen.

  • 1.2 De Commissie Vergunningen bestaat uit:

    • twee leden aan te wijzen door de werkgeversorganisaties (hierna: ‘werkgeversleden’);

    • twee leden aan te wijzen door de werknemersorganisatie (hierna: ‘werknemersleden’)

  • 1.3 De Commissie Vergunningen kiest uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. De functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter worden in oneven kalenderjaren vervuld door een werkgeverslid en in even kalenderjaren door een werknemerslid.

  • 1.4 De leden kunnen een plaatsvervanger aanwijzen, die recht heeft op bijwoning van de vergaderingen van de Commissie Vergunningen.

  • 1.5 Het secretariaat van de Commissie Vergunningen wordt gevoerd door de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders.

  • 1.6 Besluiten tot afgifte van vergunningen worden genomen bij eenstemmigheid van de leden van werkgevers en werknemers. Als er geen eenstemmigheid van de leden van werkgevers en werknemers van de Commissie Vergunningen is, dan wordt de afgifte van de vergunning geweigerd.

  • 1.7 De Commissie Vergunningen regelt in een huishoudelijk reglement de organisatie en de werkwijze van de Commissie en van het secretariaat.

Dictum II

De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard voor een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Dictum III

Voor zover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

Dit betekent in het licht van de gelijke behandelingswetgeving dat ten aanzien van bepalingen waarin onderscheid wordt gemaakt terwijl daarvoor een objectieve rechtvaardiging vereist is, partijen in de uitvoeringspraktijk moeten zorgen voor een legitiem doel waarbij de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Dictum IV

Voor zover in de in dictum I opgenomen bepalingen wordt verwezen naar informatie die gepubliceerd is op een website, geldt dat de informatie zoals opgenomen op die website geen onderdeel uit maakt van dit besluit tot algemeenverbindendverklaring. Deze informatie wordt aangemerkt als toepassingspraktijk van cao-bepalingen, zoals bedoeld in paragraaf 3.1. van het Toetsingskader AVV. De inhoud van deze informatie valt niet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uitgezonderd zijn de verwijzingen die wettelijk zijn toegestaan.

Dictum V

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt na twee jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 1 oktober 2025

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur Collectieve Arbeidsovereenkomsten, P.S. Nanhekhan

Naar boven