Samenwerking Zuidelijk Maasdal

Overeenkomst Verkenning

Definitief

Partijen

1. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

handelend als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden en in de hoedanigheid van bestuursorgaan, namens deze de Directeur-generaal Water en Bodem, de heer Jaap Slootmaker, ter uitvoering van het besluit d.d. 25 juni 2025 met kenmerk IenW/BSK-2025/146311;

hierna: “de minister”;

2. De publiekrechtelijke rechtspersoon Waterschap Limburg,

handelend als rechtspersoon en bestuursorgaan,

zetelend te Roermond;

rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer Jeroen Achten, handelend ter uitvoering van het besluit van het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg d.d. 24 juni 2025, nummer 2025-Z183;

hierna aangeduid als: “het Waterschap”;

3. De publiekrechtelijke rechtspersoon provincie Limburg,

handelend als rechtspersoon en bestuursorgaan,

zetelend te Maastricht;

rechtsgeldig vertegenwoordigd door gedeputeerde de heer Michael Theuns, daartoe gemachtigd door de commissaris van de Koning, handelend ter uitvoering van het besluit van gedeputeerde staten van Limburg d.d. 24 juni 2025 met nummer BV-00050208;

hierna aangeduid als: “de Provincie”;

4. De publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Maastricht,

handelend als rechtspersoon en bestuursorgaan,

zetelend te Maastricht;

rechtsgeldig vertegenwoordigd door wethouder Hubert Mackus, daartoe gevolmachtigd door de burgemeester;

handelend ter uitvoering van het besluit van het college van burgemeester en wethouders en het bestuursorgaan college van burgemeester en wethouders voor zover het bestuursbevoegdheden betreft met kenmerk 2025.02221,

hierna aangeduid als: “de gemeente Maastricht”;

5. De publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Eijsden-Margraten,

handelend als rechtspersoon en bestuursorgaan,

zetelend te Margraten;

rechtsgeldig vertegenwoordigd door wethouder Mark Gerritsen, daartoe gevolmachtigd door de burgemeester;

handelend ter uitvoering van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 25 juni 2025, met kenmerk z/16/040263-959202, en het bestuursorgaan college van burgemeester en wethouders voor zover het bestuursbevoegdheden betreft,

hierna aangeduid als: “de gemeente Eijsden-Margraten”;

Alle partijen worden hierna gezamenlijk aangeduid als: “Partijen”.

De partijen onder 4 en 5 gezamenlijk aangeduid als: “Gemeenten”.

Elke partij afzonderlijk, hierna te noemen: “Partij”.

Nemen het volgende in aanmerking

  • I. Partijen werken samen om in één samenhangend Project de volgende nationale en regionale Opgaven (zoals beschreven in het Startdocument) te verkennen en zo mogelijk te verwezenlijken:

    • Hoogwaterveiligheid op orde;

    • Vlot en veilig transport over water;

    • Dynamisch riviersysteem met robuuste riviernatuur;

    • Ruimtelijke ontwikkeling met versterking van ruimtelijke kwaliteit.

  • II. De oplossingsrichtingen voor de Opgaven liggen in hetzelfde gebied en kunnen dus concurreren om ruimte. Ook kunnen oplossingsrichtingen elkaar zowel positief als negatief beïnvloeden. Om deze redenen hebben Partijen besloten de Opgaven in een gezamenlijk en integraal Project te verkennen, zodat ze in samenhang op hun effecten en meerwaarde worden gewogen.

    Door de samenhang te bezien kan worden bepaald welke combinatie van maatregelen voor alle Opgaven het meest optimaal en dus ook in het gezamenlijke belang van alle betrokken partijen zijn.

  • III. De Verkenning Zuidelijk Maasdal wordt uitgevoerd als verkenning binnen de projectbesluitprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet (art. 5.44a, lid 4 Ow) is de minister voor dit gezamenlijke project bevoegd de Voorkeursbeslissing vast te stellen. De Verkenning is gestart met de publicatie van de kennisgeving voornemen en participatie (Staatscourant 2023, 18156) en mondt uit in een Voorkeursbeslissing van de minister.

  • IV. De Scope van het Project en de Verkenning ligt vast in het bij de kennisgeving voornemen en participatie gepubliceerde Startdocument (Bijlage 2a) en een scopewijziging op het Startdocument (Bijlage 2b) ten aanzien van een langzaam-verkeersverbinding. Deze documenten liggen aan de basis van de samenwerking. Partijen leggen in deze Overeenkomst de afspraken vast die zij voor de Verkenning van het Project hebben gemaakt.

  • V. Partijen hebben afgesproken om integraal samen te werken om de Verkenning uit te voeren op basis van de samenwerkingsprincipes die in Bijlage 3 bij deze Overeenkomst zijn opgenomen.

Komen het volgende overeen

Artikel 1 De Overeenkomst

  • 1. De definities van de begrippen die in deze Overeenkomst met een hoofdletter zijn geschreven, staan in Bijlage 1.

  • 2. Deze Overeenkomst bevat de volgende bijlagen:

    • a. Bijlage 1: Definities;

    • b. Bijlage 2: Scope;

      • i. Bijlage 2a: Startdocument;

      • ii. Bijlage 2b: Scopewijziging Langzaamverkeersverbinding;

    • c. Bijlage 3: Samenwerkingsprincipes;

    • d. Bijlage 4: Uitgangspuntennotitie Governance

  • 3. Bij een eventuele tegenstrijdigheid tussen een artikel en een bijlage gaat het artikel voor. Bij een eventuele tegenstrijdigheid tussen bijlagen of binnen een bijlage gaat een nieuwer document voor een ouder document.

Artikel 2 Projectopgaven Verkenning

  • 1. In het Project willen Partijen in samenwerking met de omgeving en op basis van een integrale aanpak de hierna beschreven Opgaven verkennen en komen tot een Voorkeursbeslissing.

    De primaire Opgaven zijn:

    • i. het op orde brengen van de hoogwaterveiligheid, en

    • ii. het vlot en veilig transport over water.

      Daarnaast spelen in dit gebied ook andere nationale en regionale Opgaven die in samenhang met de primaire Opgaven verder moeten worden uitgewerkt. Dit betreft:

    • iii. het verbeteren van de natuurwaarden, en

    • iv. het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

    Voor een nadere beschrijving van de Opgaven wordt verwezen naar het Startdocument en Bijlage 2b.

  • 2. De minister brengt de volgende Opgaven in:

    • i. Hoogwaterveiligheid op orde, in het bijzonder de borging van voldoende afvoer- en bergingscapaciteit

    • ii. Vlot en veilig transport over water

    • iii. Dynamisch riviersysteem met robuuste riviernatuur, in het bijzonder de ecologische systeemopgave

  • 3. Het Waterschap brengt de volgende Opgave in:

    • i. Hoogwaterveiligheid op orde, in het bijzonder de dijkversterking

  • 4. De Provincie en Gemeenten brengen de volgende Opgaven in:

    • i. Dynamisch riviersysteem met robuuste riviernatuur, in het bijzonder Natuurnetwerk Limburg en Groen-blauwe mantel

    • ii. Ruimtelijke ontwikkeling met versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 3 De Samenwerking

  • 1. De samenwerking van Partijen heeft als doel om te komen tot een uitwerking van mogelijke oplossingen voor de Opgaven in een Voorkeursalternatief als onderdeel van de Voorkeursbeslissing. De Overeenkomst betreft de uitwerking van nadere afspraken voor de Verkenning. Bij de start van een volgende fase maken partijen in een separate overeenkomst nadere afspraken over die fase.

  • 2. Partijen voeren voor gezamenlijke rekening en risico het Project uit. Partijen hanteren daarbij de samenwerkingsprincipes zoals verwoord in Bijlage 3.

  • 3. Partijen stellen alles in het werk om de Resultaten binnen planning en Budget te realiseren.

  • 4. Partijen voeren de Verkenning gefaseerd uit, waarbij bij vier zeef-momenten keuzes zijn te maken op basis van effecten, haalbaarheid en financierbaarheid van oplossingen en alternatieven. Op hoofdlijnen zien deze zeefmomenten er als volgt uit:

    • a. Zeef 0: focus op Opgaven

      In het kader van zeef 0 wordt de vertaling gemaakt van beleidsopgave naar gebiedsopgave. Doel van zeef 0 is om een scherpere Scope te realiseren en focus aan te brengen in de Verkenning.

    • b. Zeef 1: focus op oplossingsrichtingen

      In het kader van zeef 1 wordt de stap van Opgaven naar mogelijke oplossingsrichtingen onderzocht. In deze fase worden de bouwstenen voor mogelijke oplossingen geïdentificeerd en bepaald welke bouwstenen doorgaan naar de volgende fase.

    • c. Zeef 1,5: focus op kansrijke oplossingen

      In het kader van zeef 1,5 worden van de bouwstenen oplossingen per deelgebied gemaakt, waarvan het de bedoeling is om alleen de integrale kansrijke oplossingen door te laten gaan naar de volgende fase.

    • d. Zeef 2: focus op Voorkeursalternatief.

      In deze fase worden de kansrijke oplossingen verder uitgewerkt tot integrale alternatieven en beoordeeld op effecten. Deze fase moet uiteindelijk tot een Voorkeursalternatief en Voorkeursbeslissing leiden.

  • 5. De Projectorganisatie verstrekt bij elke zeef de noodzakelijke informatie op basis waarvan tenminste haalbaarheid, uitvoerbaarheid, kosten en dekking inzichtelijk worden gemaakt. Partijen benutten deze informatie uitdrukkelijk voor de budgetsturing als bedoeld in Artikel 5 en de risicobeheersing in Artikel 7.

  • 6. Partijen beogen te voorkomen dat de Verkenning geheel of gedeeltelijk opnieuw moet plaatsvinden of anderszins moet worden aangepast. Indien partijen tot het oordeel komen dat de Verkenning geheel of gedeeltelijk opnieuw moet plaatsvinden of anderszins moet worden aangepast en dat dit te wijten is aan het handelen of nalaten van een Partij, komen de kosten daarvoor voor rekening van die Partij. In dat geval stemmen Partijen gezamenlijk af hoeveel die kosten bedragen. In alle gevallen dient betaling plaats te vinden voor de werkzaamheden die tijdens de Verkenning reeds zijn verricht.

  • 7. Partijen streven ernaar dat de Verkenning resulteert in een Voorkeursalternatief als onderdeel van een Voorkeursbeslissing. Partijen dragen er in ieder geval zorg voor dat de Verkenning zodanige uitkomsten oplevert dat de Partijen die deze uitkomsten nodig hebben voor het realiseren van hun Opgave deze uitkomsten kunnen gebruiken, zonder dat zij voor hun deel van de Opgave (een deel van) de Verkenning over hoeven te doen of zij daarvoor extra kosten moeten maken.

Artikel 4 Planning en proces

  • 1. Partijen spannen zich in om de hiervoor beschreven zeefmomenten volgens de hierna opgenomen planning te realiseren.

    Mijlpalen

    Resultaat

    Planning

    Publicatie kennisgeving voornemen en participatie

     

    Heeft reeds plaatsgevonden

    Zeef 0

    Vaststelling scope-verfijning door Stuurgroep

    Go/no-go besluit passende raming Verkenning binnen Budget door Stuurgroep

    Q2 2026

    Zeef 1

    Vaststelling Notitie Reikwijdte en Detailniveau door minister

    Q3 2026

    Zeef 1,5

    Vaststelling Notitie Kansrijke oplossingen door Stuurgroep

    Q1 2027

    Zeef 2

    Terinzagelegging Ontwerp-Voorkeursbeslissing door minister

    Q4 2027

    Vaststelling Voorkeursbeslissing door minister

     

    Q2 2028

  • 2. De projectvoortgang wordt, aan de hand van de in lid 1 vermelde planning en voortgangsrapportage inclusief risicodossier in het Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg besproken. Een eventuele aanpassing van de planning wordt eveneens ter vaststelling aan de Stuurgroep voorgelegd.

Artikel 5 Financiële afspraken

Budget en financiële bijdragen Partijen voor de Verkenning

  • 1. Het Budget voor de Verkenning bedraagt € 36,1 mio.Dit Budget is bepaald aan de hand van een SSK-raming (verwachtingswaarde) van de uit te voeren werkzaamheden in het kader van de Verkenning. Hierbij wordt uitgegaan van een sober en doelmatige aanpak van de Verkenning. Deze raming is gebaseerd op de Meest voor de hand liggende oplossingsrichting. Inclusief de Scopewijziging bedraagt het budget € 37,3 mio.

  • 2. Partijen leveren een financiële bijdrage (in miljoenen euro’s) aan de Verkenning volgens onderstaande tabel:

    Waterschap Limburg

    16,8

    Minister Infrastructuur en Waterstaat

    12,2

    Provincie Limburg

    3

    Gemeente Maastricht

    3,2

    Gemeente Eijsden Margraten

    0,1

    Partijen zijn er zich van bewust dat met de in het voorgaande tabel vermelde bijdragen aan de Verkenning nog een dekkingstekort voor de Verkenning bestaat ter hoogte van € 2 mio.

    Partijen achten het van groot belang om de Verkenning, ondanks dit dekkingstekort, te laten starten en spreken daarom af om naar besparingen in de aanpak en Scope van de Verkenning te zoeken, zodanig dat de Verkenning ondanks het dekkingstekort kan worden uitgevoerd en afgerond. Partijen beseffen dat dit kan betekenen dat dit een bijstelling van de doelstellingen, Scope, de ambities en/of uitwerkingsniveau van de Verkenning en/of het Project zal moeten leiden.

  • 3. Partijen stemmen nader af hoe, in welke vorm (opdracht of subsidie) en wanneer de financiële bijdragen het beste aan het Project ter beschikking kunnen worden gesteld, zodanig dat het Budget optimaal kan worden benut. De betalingswijze wordt daartoe geoptimaliseerd en Partijen dragen er zorg voor dat de kasritmes van de Partijen optimaal afgestemd zijn op het kasritme van het Project, opdat geen sprake is van voorfinanciering door de Administratieve Organisatie.

    Reeds door Partijen ingebrachte middelen worden met de bijdragen in lid 2 verrekend.

  • 4. De Projectorganisatie voert de financiële administratie. Partijen stemmen de eisen en randvoorwaarden voor deze financiële administratie inhoudelijk met elkaar af. Daarbij wordt op een praktische wijze, passend bij een integraal Project en de Administratieve Organisatie, omgegaan met financiële herleidbaarheid van kosten en belastingcomponenten (zoals btw), zodanig dat deze op een juiste wijze kunnen worden verwerkt in de administraties van de Partijen.

  • 5. Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld zijn in deze Overeenkomst genoemde bijdragen inclusief niet-verrekenbare / niet-compensabele btw. Dat betekent: als blijkt dat btw is verschuldigd zit die inbegrepen in de genoemde bedragen, tenzij vaststaat dat de btw verrekenbaar en/of compensabel is voor de Partij die de bijdrage verstrekt. In dat geval is het bedrag exclusief btw.

    Het Waterschap stemt de wijze waarop met btw binnen het Project omgegaan wordt af met de Partijen als met de Belastingdienst om te komen tot een werkwijze die past binnen de vigerende btw wet- en regelgeving, best for project is en eveneens praktisch uitvoerbaar is voor alle Partijen.

  • 6. Partijen stellen vast dat de Opgaven van het Waterschap en de minister opgaven van algemeen en nationaal belang betreffen. Deze vloeien voort uit een aantal nationale belangen uit de Nationale Omgevingsvisie en de wettelijke taak van het Waterschap. Deze opgaven komen toe aan de samenleving als geheel en worden beschouwd niet economisch van aard te zijn.

    De Opgaven van de Provincie betreft met name het realiseren van beleidsdoelen, met name met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit en natuur.

    De Opgaven van Gemeenten betreffen specifieke opgaven ten behoeve van de economische ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit van de Gemeenten en Provincie.

  • 7. Voor de opgave ‘Hoogwaterveiligheid op orde’ zal het Waterschap een subsidieaanvraag bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma indienen. De hoogte van de aan te vragen subsidie wordt ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst geraamd op €16,7 mln. Om die reden is uitgegaan van een eigen bijdrage van het Waterschap in het kader van het HWBP van €1,67 mln. De bijdrage van het Waterschap wordt dan ook gedaan onder de voorwaarde dat de subsidie als zodanig wordt verkregen. De bijdrage in lid 2 van het Waterschap is één op één gekoppeld aan de hoogte van de subsidie van het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Dit betekent concreet dat een lagere subsidietoekenning ook leidt tot een lagere bijdrage van het Waterschap.

  • 8. De minister en het Waterschap spreken als alliantiepartners in het Hoogwaterbeschermingsprogramma het volgende af:

    • a. Uitgangspunt van de afspraken is dat de dijkversterking is opgenomen in de programmering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma;

    • b. De financiële bijdrage van het Hoogwaterbeschermingsprogramma is bestemd voor de subsidiabele kosten in het kader van hoogwaterbescherming;

    • c. De omvang van de financiële bijdrage van het Hoogwaterbeschermingsprogramma voor de dijkversterking wordt vastgesteld overeenkomstig de geldende subsidieregels van het Hoogwaterbeschermingsprogramma;

  • 9. Partijen spannen zich in om de betreffende bijdrage te verkrijgen.

  • 10. Het Waterschap vraagt de subsidie bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma aan. De Projectorganisatie bereidt de subsidieaanvraag alsmede de subsidievaststelling voor en zal daarvoor, in overleg met het Waterschap, afstemmen met het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

  • 11. Alle in deze Overeenkomst genoemde bedragen hebben prijspeil 1 januari 2025.

  • 12. Het nog te betalen deel van de in lid 2 genoemde bijdragen van Partijen wordt jaarlijks, per 1 januari van het betreffende jaar, geïndexeerd op basis van de Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI), zoals gehanteerd door de Minister van Financiën. Indexering vindt voor het eerst plaats op 1 januari 2026.

Doorkijk volgende fasen

  • 13. De kosten van het Project zijn gebaseerd op een kosteninschatting die uitgaat van de Meest voor de hand liggende oplossingsrichting en de scopewijziging in bijlage 2b.

  • 14. Partijen hebben voor de bekostiging van alle Projectfasen overeenkomstig paragraaf 5.1 van het Startdocument een financiële toezegging gedaan ten behoeve van de dekking van de Opgaven. Ten behoeve van alle projectfasen voor de scopewijziging Langzaamverkeersverbinding heeft de gemeente Maastricht overeenkomstig Bijlage 2 een toezegging gedaan.

  • 15. Met de toezeggingen van Partijen is voldoende zicht op financiering. Partijen beseffen echter dat daarmee nog geen volledige financiering voor de volgende fasen bestaat.

    Partijen spreken af dat zij een inspanningsverplichting hebben om vanuit de eigen verantwoordelijkheid en opgaven noodzakelijke dekking te vinden en om steeds bij ieder zeef-moment vast te stellen of voldoende vertrouwen bestaat dat de kosten die behoren bij de gekozen oplossingsrichtingen ook daadwerkelijk gedekt kunnen worden.

    Als blijkt dat deze aanvullende dekking niet kan worden gevonden, dan hebben Partijen de verplichting om tijdig bij te sturen zodanig dat aan het einde van de Verkenning een realiseerbaar en betaalbaar Voorkeursalternatief ontstaat.

Projectuitgaven

  • 16. Met het hiervoor vermelde Budget bekostigen Partijen de volgende kosten voor de Verkenning:

    • a. De kosten van de Projectorganisatie;

    • b. De kosten die de Projectorganisatie maakt om Resultaten te kunnen halen binnen de in Artikel 4 beschreven planning, waaronder uitdrukkelijk begrepen de kosten voor de inzet van een extern ingenieursbureau en de inhuur van projectmedewerkers;

    • c. Kosten die de Projectorganisatie maakt in verband met risicobeheersmaatregelen en/of opgetreden risico’s als bedoeld in Artikel 7 van deze Overeenkomst;

    • d. De Projectorganisatie kan hierbij gebruik maken van kennis, kunde en capaciteit van de Partijen. De inzet van medewerkers van de Partijen wordt eveneens uit het Budget bekostigd als voldaan is aan alle volgende voorwaarden:

      • i. Met de inzet wordt een bijdrage geleverd aan de Resultaten;

      • ii. Voor verrekening van de inzet moet op voorhand instemming van de Ambtelijk Opdrachtgevers worden verkregen. Verrekening vindt plaats op basis van daadwerkelijke personeelskosten, waarbij maximaal het op de betreffende functie van toepassing zijnde HOT-tarief wordt gehanteerd.

  • 17. Partijen spannen zich in om individueel en gezamenlijk de werkzaamheden te verrichten die nodig zijn om de Resultaten te behalen binnen het Budget en de in Artikel 4 beschreven planning. Dit betekent onder meer:

    • a. Iedere Partij draagt binnen zijn eigen (wettelijke) taken, (wettelijke) verantwoordelijkheden en (wettelijke) bevoegdheden bij aan de werkzaamheden gedurende en ten behoeve van het de Verkenning en zet daarvoor de benodigde eigen capaciteit en/of middelen in;

    • b. Partijen spannen zich in om onder coördinatie van de Projectorganisatie, in natura actief bij te dragen aan de Verkenning met als doel om optimaal gebruik te maken van elkaars kennis.

  • 18. De volgende kosten komen in ieder geval niet ten laste van het Budget en worden door de Partijen zelf gedragen:

    • a. Deelname aan en voorbereiding van de Stuurgroep, Directeurenoverleg, Ambtelijk Opdrachtgeverschap en Ambtelijke Begeleidingsgroep;

    • b. Kosten voor interne review, toetsing, besluitvorming en dergelijke die een Partij voor zichzelf noodzakelijk acht;

    • c. Kosten voor proactieve risicobeheersing als bedoeld in Artikel 7;

    • d. Alle kosten die moeten worden gemaakt voor de uitvoering van de bevoegd gezag rol, zoals kosten voor de eigen organisatie, kosten voor eventuele inschakeling van deskundigen en kosten publicaties etc, voor zover de Projectorganisatie daar op grond van deze Overeenkomst niet verantwoordelijk voor is.

    Op het moment dat aan het einde van de Verkenning nog Budget resteert dan komt dit restant overeenkomstig de verhouding van de bijdragen van partijen in lid 2 toe aan Partijen.

Artikel 6 Governance

  • 1. Partijen dragen zorg voor het instellen van een adequate Governance.

  • 2. De samenwerking van Partijen betreft uitdrukkelijk een horizontale publiek-publieke samenwerking als bedoeld in artikel 2.24c van de Aanbestedingswet. Het bestaan van deze horizontale publiek publieke samenwerking geeft Partijen de mogelijkheid, niet de verplichting, om gebruik te maken van de uitzondering opgenomen in artikel 2.24c van de Aanbestedingswet 2012.

  • 3. Met de ondertekening van de Overeenkomst stellen Partijen een Stuurgroep in:

    • a. De Stuurgroep bestaat uit bestuurlijke vertegenwoordigers van Partijen;

    • b. De Stuurgroep komt twee keer per jaar bijeen of zoveel vaker als noodzakelijk is;

    • c. Partijen spannen zich in om hun deelnemer aan de Stuurgroep binnen de wettelijke mogelijkheden te machtigen om in de Stuurgroep besluiten te kunnen nemen;

    • d. De Stuurgroep geeft sturing aan Resultaten van dit Project overeenkomstig het proces zoals vermeld in Artikel 3;

    • e. Besluitvorming binnen de Stuurgroep vindt plaats op basis van consensus, met inachtneming van de financiële belangen van Partijen;

    • f. De voorzitter van de Stuurgroep wordt geleverd door de gemeente Maastricht.

  • 4. Met de ondertekening van de Overeenkomst stellen Partijen een Directeurenoverleg in:

    • a. Het Directeurenoverleg bestaat uit de directeuren van Partijen en de projectmanager;

    • b. Het Directeurenoverleg komt vier keer per jaar bijeen of zoveel vaker als nodig is;

    • c. Het Directeurenoverleg adviseert de Ambtelijk Opdrachtgevers en de Stuurgroep;

    • d. Adviezen van het Directeurenoverleg komen tot stand op basis van consensus.

  • 5. De minister en het Waterschap nemen gezamenlijk de taak van Ambtelijk Opdrachtgevers op zich:

    • a. De minister en het Waterschap leveren hiertoe in onderlinge afstemming beiden één afgevaardigde;

    • b. Ambtelijk Opdrachtgeverschap wordt op directeurenniveau ingevuld.

    • c. De Ambtelijk Opdrachtgevers zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse afstemming met de Projectorganisatie, de dagelijkse besluitvorming en de periodieke afstemming met het Directeurenoverleg;

    • d. Focus van de Ambtelijk Opdrachtgevers ligt op:

      • i. de voortgang,

      • ii. verantwoording en

      • iii. financiën binnen de Scope van deze Overeenkomst, waaronder opdrachtverlening naar de markt.

    • e. De Ambtelijk Opdrachtgevers komen zo vaak bij elkaar in een Ambtelijke Opdrachtgeversoverleg als voor de Verkenning noodzakelijk is. De projectmanager of zijn vervanger is bij dit Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg aanwezig;

    • f. De Projectorganisatie zorgt dat de Ambtelijk Opdrachtgevers tijdig over benodigde informatie beschikken;

    • g. Besluitvorming van de Ambtelijk Opdrachtgevers vindt plaats op basis van consensus. Als de Ambtelijk Opdrachtgevers geen consensus over een onderwerp kunnen bereiken, dan wordt dit aan de Stuurgroep voorgelegd.

  • 6. Met de ondertekening van de Overeenkomst stellen Partijen een Ambtelijke BegeleidingsGroep (ABG) in:

    • a. De ABG bestaat uit ambtelijke vertegenwoordigers van Partijen;

    • b. De ABG bespreekt periodiek, zo vaak als ABG en Projectorganisatie noodzakelijk achten, de projectvoortgang en relevante issues aan de hand van het Plan van Aanpak;

    • c. De ABG heeft een adviserende rol aan de Projectorganisatie, de Ambtelijk Opdrachtgevers, het Directeurenoverleg en de Stuurgroep;

    • d. De ABG is op initiatief van de Projectorganisatie verantwoordelijk voor een goede voorbereiding van de bijeenkomsten van het Directeurenoverleg en de Stuurgroep. Om deze reden is uitgangspunt dat het ABG in ieder geval bij elkaar komt ter voorbereiding van Directeurenoverleg en Stuurgroep.

  • 7. Met de ondertekening van de Overeenkomst stellen Partijen een Projectorganisatie in:

    • a. De Partijen borgen dat er voor de looptijd van de Verkenning een Projectorganisatie bestaat met voldoende deskundigheid om de Verkenning resultaatgericht, doelmatig, goed beheersbaar en met draagvlak voor alle partijen te kunnen begeleiden;

    • b. De Projectorganisatie wordt ingericht overeenkomstig het Integraal Projectmanagement (IPM)-rollenmodel;

    • c. De Projectorganisatie is samen verantwoordelijk voor de realisatie van de Resultaten en werkt op basis van één gezamenlijk werkproces;

    • d. De Projectorganisatie handelt op basis van de beginselen van ‘best for project’ en ‘white label’ (bijlage 3);

    • e. De medewerkers van de Projectorganisatie voeren hun taken uit op basis van hun expertise en professionele oordeel, onafhankelijk van hun reguliere functie of positie binnen hun eigen organisatie.

  • 8. De Projectorganisatie wordt administratief ondergebracht bij het Waterschap en werkt overeenkomstig de Administratieve Organisatie van het Waterschap. Uitgangspunt is dat de Projectorganisatie voor de uitvoering van de werkzaamheden gebruik maakt van het Waterschap als aanbestedende dienst en juridische entiteit namens de Partijen.

    De Projectorganisatie maakt met het Waterschap afspraken op welke wijze deze Administratieve Organisatie in acht wordt genomen, waarbij zowel recht wordt gedaan aan de vereisten van deze Administratieve Organisatie als aan het White Label- karakter van het projectteam.

  • 9. De Projectorganisatie legt de praktische uitwerking van de Overeenkomst verder vast in een Plan van Aanpak. Het Plan van Aanpak wordt door de Ambtelijk Opdrachtgevers vastgesteld en gaat in elk geval in op:

    • a. Budget en risicodossier;

    • b. Planning;

    • c. Aanpak en werkwijze;

    • d. De organisatie van de Verkenning.

  • 10. De Projectorganisatie stelt een voortgangsrapportage op in een frequentie die aansluit op de algemene voortgangsrapportage die het Hoogwaterbeschermingsprogramma van het Waterschap aan het Landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma dient te verstrekken en de MIRT-agenda ((periodes april/mei en oktober/november).

    Deze voortgangsrapportage gaat in ieder geval in op:

    • a. een opgave van de stand van zaken, eventueel reeds bereikte resultaten;

    • b. planning en behaalde mijlpalen;

    • c. raming en uitgaven, uitputting en financiële prognose;

    • d. eventuele aanpassingen van de Scope;

    • e. stand van zaken risico’s en risicobeheersing;

    • f. eventuele issues, afwijkingen, knelpunten;

    • g. een opgave van de consequenties hiervan voor de planning van het verdere verloop van de opdracht alsmede ook overige relevante zaken.

  • 11. De Projectorganisatie stelt na afronding van de Verkenning een eindrapportage op, waarin de Projectorganisatie van de Verkenning zijn beschreven en een financiële eindrapportage wordt gegeven, waarin mutatis mutandis dezelfde informatie is opgenomen als beschreven onder lid 10 De eindrapportage sluit aan op en is een logisch vervolg van de voortgangsrapportages.

  • 12. De voortgangsrapportage en de eindrapportage worden ter beschikking gesteld aan de Stuurgroep.

  • 13. Naast de verstrekking van de voortgangsrapportages en de eindrapportage stellen Partijen elkaar in ieder geval onverwijld tussentijds schriftelijk op de hoogte van ontwikkelingen met betrekking tot een onderwerp waarop de rapportages betrekking hebben en ontwikkelingen die van wezenlijk belang zouden kunnen zijn voor de nakoming van de Overeenkomst of voor de Verkenning.

Artikel 7 Risicoregeling

  • 1. In het Budget is, op basis van een gezamenlijk risicodossier, een risicoreservering opgenomen. Optredende risico’s uit dit risicodossier worden uit de betreffende risicoreservering bekostigd. De Projectorganisatie voert een risicoadministratie op basis waarvan de herleidbaarheid van risico’s en uitputting van de risicoreservering transparant blijkt, waarbij rekening gehouden wordt met het integrale karakter van de Verkenning. In het Plan van Aanpak wordt nader uitgewerkt op welke wijze deze herleidbaarheid concreet wordt vormgegeven.

  • 2. Partijen leveren een (pro)actieve bijdrage aan de beheersing van risico’s, een en ander in afstemming met de Projectorganisatie en periodiek besproken in de Ambtelijke Begeleidingsgroep, het Directeurenoverleg en zo nodig in de Stuurgroep.

  • 3. De in lid 1 genoemde risicoreservering bevat eveneens een reservering voor de ‘onvoorzien onvoorziene’ risico’s. Voordat deze risicoreservering kan worden aangesproken is een uitdrukkelijk besluit van de Ambtelijke Opdrachtgevers vereist. De Ambtelijk Opdrachtgevers kunnen besluiten om een dergelijk besluit aan de Stuurgroep voor te leggen.

  • 4. Als ondanks de risicoreservering het Budget overschreden dreigt te worden of niet toereikend is als gevolg van optredende risico’s (niet zijnde wijzigingen van de Scope) zoeken Partijen gezamenlijk naar een oplossing. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

    • a. Partijen zoeken eerst naar een oplossing die binnen het Budget kan worden gerealiseerd dit kan betekenen dat wijzigingen worden aangebracht in de aanpak, versoberingen worden toegepast en/of dat Opgaven geheel of gedeeltelijk komen te vervallen;

    • b. Op het moment dat het niet mogelijk blijkt om binnen het Budget een voor Partijen acceptabele oplossing die voldoet aan de doelstellingen te vinden, dan spannen Partijen zich in om aanvullende financiële middelen te verkrijgen. Hierbij hanteren de Partijen de in Bijlage 3 opgenomen samenwerkingsprincipes.

Artikel 8 Communicatie

  • 1. Partijen treden afzonderlijk en gezamenlijk in het kader van het Project op als één geheel. In de externe communicatie en participatie wordt geen onderscheid gemaakt tussen Partijen tenzij dit procedureel of op andere wijze wenselijk of wettelijk noodzakelijk is zoals bij de terinzagelegging en vaststelling van publiekrechtelijke besluiten. De Projectorganisatie maakt een gezamenlijk communicatie- en participatieplan, dat door de Ambtelijk Opdrachtgevers wordt vastgesteld en na vaststelling door Partijen wordt gebruikt.

  • 2. De Projectorganisatie coördineert namens Partijen de communicatie en participatie. Partijen dragen er zorg voor dat de Projectorganisatie daadwerkelijk communicatie namens Partijen kan verzorgen.

Artikel 9 Aanvullen en/of wijzigen van het Project en de Overeenkomst

  • 1. Een Partij kan verzoeken om een Meekoppelkans aan de Verkenning toe voegen. Een dergelijk verzoek wordt in het Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg besproken en ter goedkeuring voorgelegd aan de Stuurgroep. Aan de hand van de criteria die zijn opgenomen in paragraaf 3.5 van het Startdocument wordt bepaald of een Meekoppelkans aan de Verkenning zal worden toegevoegd.

  • 2. Een Partij kan ook om een andere aanvulling en/of wijziging van de overeenkomst of van het Project en/of de Overeenkomst verzoeken. Een dergelijk verzoek wordt in het Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg besproken en ter goedkeuring voorgelegd aan de Stuurgroep. Als de Stuurgroep van oordeel is dat de voorgestelde wijziging van meerwaarde is voor het Project kan besloten worden tot aanvulling of wijziging.

  • 3. Als instemming van Partijen met een verzoek als bedoeld in lid 1 en/of lid 2 leidt tot een verhoging van het Budget, verandering van het Risicodossier, aanpassing van de Resultaten dan wel de planning van de Verkenning dan maken Partijen afspraken over de bekostiging, beheersing dan wel aangepaste planning voordat zij instemmen met het verzoek. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de Partij die om de aanvulling of wijziging verzoekt ook zorg draagt voor de aanvullend benodigde bekostiging en ook de mogelijk aanvullende risico’s draagt. De Overeenkomst kan slechts schriftelijk en na instemming in de Stuurgroep, worden gewijzigd of aangevuld. De wijziging treedt in werking nadat deze rechtsgeldig door alle Partijen is ondertekend.

  • 4. Partijen kunnen voor eigen rekening en risico onderzoek doen naar oplossingen die buiten de Scope vallen. Als aan al de volgende voorwaarden is voldaan, komen de kosten van dergelijk onderzoek voor vergoeding in aanmerking, mits hierover voorafgaand in de Stuurgroep afspraken worden gemaakt:

    • a. In de Stuurgroep is op voorhand vastgesteld dat de betreffende onderzoeken potentieel meerwaarde hebben voor de Opgaven. Onder meerwaarde wordt in dit verband in ieder geval verstaan dat verwacht mag worden dat de voorgestelde oplossing en/of kans leidt tot:

      • i. Een vergunbare oplossing;

      • ii. Financieel voordeel voor het Project;

      • iii. Een substantiële en gewenste vergroting van effectiviteit;

      • iv. Een substantiële verkleining van de opgave, met behoud van effectiviteit;

    • b. Geen substantiële toename van het risicoprofiel voor het Project;

    • c. De hoogte van de onderzoekskosten is op voorhand, op advies van het Directeurenoverleg, door de Stuurgroep akkoord bevonden;

    • d. De onderzochte oplossing wordt in het Voorkeursalternatief opgenomen en is daarmee van meerwaarde voor de volgende fasen.

Artikel 10 Toetredingsregeling

  • 1. Voor Partijen bestaat de mogelijkheid om gedurende de looptijd van de Overeenkomst nieuwe partijen toe te laten treden. Een toetredende partij dient de verplichtingen die voor haar uit de Overeenkomst voortvloeien, te aanvaarden.

  • 2. Een toetredende Partij maakt haar verzoek tot toetreding schriftelijk bekend aan de Stuurgroep. Als deze met de toetreding heeft ingestemd kan de wijziging van de Overeenkomst worden voorbereid.

  • 3. Het verzoek tot toetreding en de afspraken met de toetredende Partij worden als addendum aan de Overeenkomst gehecht. Het betreffende addendum beschrijft uitdrukkelijk:

    • a. De aanleiding voor de toetreding van de betreffende partij;

    • b. Indien van toepassing, de opgave die de toetredende partij in brengt;

    • c. De rechten en verplichtingen van de toetredende partij.

Artikel 11 Publiekrechtelijke bevoegdheden

De in de Overeenkomst omschreven verplichtingen van Partijen laten de publiekrechtelijke verantwoordelijkheid en bevoegdheden van Partijen onverlet.

Artikel 12 Geschillen

  • 1. Eventuele geschillen in verband met de uitvoering van de Overeenkomst worden in eerste instantie in onderling overleg tot een oplossing gebracht, waarbij Partijen niet tussentijds over het geschil met derden zullen communiceren. Een geschil is aanwezig indien één der Partijen dat stelt en dit schriftelijk aan de andere Partijen heeft medegedeeld.

  • 2. Indien binnen 2 maanden na melding van een geschil over de uitvoering van deze Overeenkomst zoals bedoeld in lid 1, tussen Partijen geen overeenstemming is bereikt en bespreking van het geschil in de Stuurgroep niet tot een oplossing heeft geleid, staat het ieder van de Partijen vrij het geschil voor te leggen aan de rechtbank Limburg.

Artikel 13 Looptijd en beëindiging van de Overeenkomst

  • 1. De Overeenkomst treedt in werking op de dag dat deze door alle partijen rechtsgeldig is ondertekend, en eindigt op het moment dat:

    • a. Bij het go/no-go besluit bij het eerste zeefmoment (zeef 0) de Stuurgroep besluit dat er geen passende raming is die binnen het Budget ligt (waarbij de raming van de kosten van de Verkenning niet hoger liggen dan het budget); of

    • b. Partijen gezamenlijk besluiten dat de Verkenning (vooralsnog) geen doorgang meer vindt; of

    • c. De Verkenning is afgerond.

  • 2. Tussentijdse beëindiging van de Overeenkomst kan plaatsvinden door ontbinding of opzegging beschreven in Artikel 17 (Ontbinding) en Artikel 18 (Opzegging).

Artikel 14 Publicatie

  • 1. Binnen vijftien werkdagen na ondertekening van de Overeenkomst wordt de tekst daarvan gepubliceerd in de Staatscourant.

  • 2. Bij wijzigingen in de Overeenkomst vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing.

  • 3. Van toetreden, opzeggen of ontbinden wordt melding gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 15 Toepasselijk recht

Op deze Overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

Artikel 16 Ongeldigheid

Als een bepaling van de Overeenkomst in enige mate als nietig, vernietigbaar, ongeldig, onwettig of anderszins als niet-bindend moet worden beschouwd, wordt die bepaling, voor zover nodig, uit de Overeenkomst verwijderd en vervangen door een bepaling die wél bindend en rechtsgeldig is en die de inhoud van de niet-geldige bepaling zoveel als mogelijk benadert. Voor het overige blijft de Overeenkomst in een dergelijke situatie ongewijzigd, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 17 Ontbinding

  • 1. Indien een Partij in verzuim is, dan wel nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is en ontbinding redelijkerwijs in verhouding staat tot de niet-nakoming van de Overeenkomst, kunnen de overige Partijen de Overeenkomst met deze Partij geheel of gedeeltelijk ontbinden door middel van een aangetekend schrijven. Op het moment dat vaststaat dat nakoming door de betreffende Partij onmogelijk is, dan kan dit met onmiddellijke ingang.

  • 2. Bij ontbinding op grond van het voorgaande lid, blijft de Overeenkomst voor de overige Partijen in stand voor zover de inhoud en de strekking ervan zich daartegen niet verzetten.

  • 3. Indien Partijen tot het oordeel komen dat de Verkenning geheel of gedeeltelijk opnieuw moet plaatsvinden of anderszins moet worden aangepast als gevolg van de niet-nakoming van een Partij, komen de kosten daarvoor voor rekening van die Partij. In dat geval stemmen Partijen gezamenlijk af hoeveel die kosten bedragen. De partij dient bij ontbinding ten minste de werkzaamheden te betalen die tijdens de Verkenning reeds zijn verricht ten behoeve van de Opgave van de betreffende Partij.

Artikel 18 Opzegging

  • 1. Een Partij kan de Overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden schriftelijk opzeggen, bij aangetekend verzonden brief, als een zodanige verandering van omstandigheden is opgetreden dat deze Overeenkomst billijkheidshalve voor de betreffende Partij moet eindigen. De opzegging moet uitdrukkelijk de verandering in omstandigheden vermelden.

  • 2. Indien Partijen tot het oordeel komen dat de Verkenning geheel of gedeeltelijk opnieuw moet plaatsvinden of anderszins moet worden aangepast als gevolg van de opzegging van een Partij, komen de kosten daarvoor voor rekening van die Partij. In dat geval stemmen Partijen gezamenlijk af hoeveel die kosten bedragen. De partij dient bij opzegging ten minste de werkzaamheden te betalen die tijdens de Verkenning reeds zijn verricht ten behoeve van de Opgave van de betreffende Partij.

  • 3. Wanneer een Partij de Overeenkomst opzegt, blijft de Overeenkomst voor de overige Partijen in stand voor zover de inhoud en de strekking ervan zich daartegen niet verzetten.

Artikel 19 Onvoorziene omstandigheden

  • 1. De Partij aan wiens zijde een onvoorziene omstandigheid opkomt, is gehouden de Partijen daarvan onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen en in overleg te treden om de ontstane situatie en de consequenties daarvan te beperken en zo mogelijk in onderling overleg op te lossen in de geest van deze Overeenkomst.

  • 2. Als een onvoorziene omstandigheid ertoe leidt dat de uitvoering van de Overeenkomst niet of althans niet op de door Partijen bij het aangaan van de Overeenkomst voorgestane wijze kan worden uitgevoerd, bezien Partijen of deze Overeenkomst wijziging ofwel (gedeeltelijke) beëindiging behoeft.

Deze Overeenkomst is door de partijen digitaal ondertekend.

BIJLAGE 1: DEFINITIES

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

a. Administratieve Organisatie

De bij het Waterschap toepasselijke afspraken, regelingen, procedures, mandateringen en instructies die het kader vormen voor het administratieve proces.

b. Ambtelijke Begeleidingsgroep

De ambtelijke begeleidingsgroep, zoals beschreven Artikel 6 lid 6.

c. Ambtelijke Opdrachtgevers

De ambtelijk opdrachtgevers, zoals beschreven in Artikel 6 lid 5.

d. Budget

Het taakstellend Budget voor de Verkenning waarbinnen Partijen zich op basis van afspraken in deze Overeenkomst inspannen om de voor de Verkenningsfase beschreven Resultaten te bereiken.

e. Directeurenoverleg

Het overleg als bedoeld in Artikel 6 lid 4.

f. Governance:

De projectsturing zoals opgenomen in artikel 7 van deze Overeenkomst en verder uitgewerkt in het Plan van Aanpak.

g. Integraal Projectmanagement (IPM)-rollenmodel

Het projectmanagementmodel waarin een project wordt aangestuurd vanuit verschillende IPM-rollen.

h. Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)

Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een landelijke alliantie tussen de Nederlandse waterschappen en Rijkswaterstaat, gericht op het versterken van primaire waterkeringen in Nederland om te voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen en Nederland te beschermen tegen overstromingen.

i. Meekoppelkans

Een Meekoppelkans is een initiatief of project dat niet noodzakelijk is voor het behalen van de doelen van de Verkenning maar wel leidt tot meerwaarde.

j. Meest voor de hand liggende oplossingsrichting

Dit betreft de oplossingsrichting beschreven in het Startdocument in tabel 7 in paragraaf 3.4, onder ‘Maatregelen behorende bij de meest voor de hand liggende oplossingsrichting’.

k. MIRT Spelregels

Spelregels voor totstandkomingsproces van Projecten, zoals opgenomen in het MIRT Spelregelkader (d.d. 20-09-2022).

l Opgaven

De Opgaven die de Partijen inbrengen in de samenwerking, zoals beschreven in Artikel 2.

m. Overeenkomst

Deze Overeenkomst.

n. Overeenkomst Planning- en Studiefase

De Overeenkomst die Partijen in aansluiting op deze Overeenkomst sluiten met betrekking tot de Planning- en Studiefase van het Project.

o. Plan van Aanpak

Het Plan van Aanpak zoals genoemd in Artikel 6 lid 9.

p. Planning- en Studiefase

De fase waarin de Voorkeursbeslissing nader wordt uitgewerkt in (één of meer) besluiten die de realisatie van het Project mogelijk moeten maken.

q. Project

Het Project, zoals beschreven in Artikel 2 lid 1 van deze Overeenkomst.

r. Projectfase(n)

De fasen waarin Partijen streven om het Project mogelijk te maken, respectievelijk Verkenning, Plannings- en Studiefase en Realisatie.

s. Projectorganisatie

De Projectorganisatie zoals bedoeld Artikel 6 lid 7.

t. Resultaten

De resultaten die in de Verkenning noodzakelijk zijn om te komen tot een Voorkeursalternatief en de Verkenning succesvol af te ronden.

Hiertoe behoort in ieder geval het realiseren van de volgende documenten:

  • Notitie Reikwijdte en Detailniveau;

  • Notitie Kansrijke Oplossingen;

  • Plan-MER;

  • MKBA;

  • Notitie Voorkeursalternatief;

  • Ontwerp-voorkeursbeslissing;

  • Voorkeursbeslissing;

  • En indien Partijen gezamenlijk doorgaan naar de Plannings- en Studiefase een op die fase betrekking hebbende Bestuursovereenkomst

u. Scope

De scope zoals beschreven in de documenten in Bijlage 2a en 2b.

v. SSK-raming (p50)

Een SSK-raming is een kostenraming die wordt opgesteld volgens de Standaard Systematiek voor Kostenramingen (SSK). P50 vertegenwoordigt een 50% waarschijnlijkheidsniveau in een probabilistische kostenraming. Dit betekent dat er een 50% kans is dat de werkelijke kosten lager zullen zijn dan de P50-waarde, en een 50% kans dat ze hoger zullen zijn.

w. Stuurgroep

De stuurgroep zoals beschreven in Artikel 6 lid 3.

x. Startdocument

Het document als bedoeld in bijlage 2a van deze Overeenkomst.

y. Budget

Het budget dat de Partijen ter beschikking stellen ten behoeve van de Verkenningsfase van het Project. Dit budget moet worden beschouwd als een taakstellend budget.

z. Verkenning

De fase waarin de Partijen een gebiedsgerichte verkenning uitvoeren naar de verschillende Opgaven die spelen in het Zuidelijk Maasdal en de mogelijke oplossingen daarvoor. Deze fase eindigt in ieder geval als de Resultaten naar tevredenheid van Partijen zijn gerealiseerd.

aa. Voorkeursbeslissing

De beslissing van de minister zoals bedoeld in art. 5.49 Omgevingswet waarin het Voorkeursalternatief wordt vastgesteld die in de Plannings- en studiefase nader in een of meer besluiten zal worden uitgewerkt.

bb. Voorkeursalternatief

Het Voorkeursalternatief dat naar aanleiding van de Verkenning wordt bepaald en de basis vormt voor de Voorkeursbeslissing.

BIJLAGE 2B: SCOPEWIJZIGING

Voorstel wijziging scope

onderwerp

Langzaam verkeersbrug Maastricht

datum

27 januari 2025

aan

Stuurgroep Zuidelijk Maasdal

1. Voorstel

  • Instemmen met de scopewijziging waardoor een nieuwe langzaam verkeersbrug over de Maas in de verkenning Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht als oplossingsrichting binnen de opgave Ruimtelijke ontwikkeling met versterking ruimtelijke kwaliteit.

2. Samenvatting

In het BO MIRT van november 2024 hebben Rijk en de provincie Limburg afspraken gemaakt over de herbestemming van de Rijksbijdrage voor de tram Hasselt – Maastricht (AROV). Afgesproken is dat de provincie Limburg met deze middelen zal zorgdragen voor de sloop van de spoorbrug in Maastricht inclusief de pijlers. Tevens is er een afspraak gemaakt met de gemeente Maastricht over de AROV-bijdrage aan de nieuwe langzaam verkeersbrug.

Er liggen diverse raakvlakken tussen de aanleg van de langzaam verkeersbrug en de opgaven binnen de verkenning Zuidelijk Maasdal. De gemeente Maastricht verzoekt om de langzaam verkeersbrug mee te verkennen in de MIRT-verkenning Zuidelijk Maasdal. De sloop van de spoorbrug incl. pijlers volgt een separaat traject buiten het project Zuidelijk Maasdal om.

Op 19 december 2024 is de Stuurgroep geïnformeerd over het verzoek van de gemeente Maastricht om de mogelijke scopewijziging verder te onderzoeken. In het directeurenoverleg d.d. 20 november 2024 is door alle partners de gezamenlijke ambitie uitgesproken om deze ook een plek te geven in de te sluiten samenwerkingsovereenkomst. Gezien deze gezamenlijke ambitie en ook om de snelheid in het proces te houden, is aangegeven dat mogelijke besluitvorming is voorzien in de stuurgroep van 19 februari.

3. Toelichting

De Maasroute is de afgelopen decennia opgewaardeerd naar een vaarweg geschikt voor scheepvaartklasse Vb. Als gevolg van rivierverruiming zijn de stroomsnelheden op de Maas in Maastricht toegenomen. Hierdoor zijn voor de scheepvaart veiligheidsknelpunten ontstaan. Het amoveren van de spoorbrug draagt bij aan het verbeteren van de nautische veiligheid op dit traject.

In het BO MIRT van november 2024 hebben Rijk en de provincie Limburg afspraken gemaakt over de herbestemming van de Rijksbijdrage voor de tram Hasselt – Maastricht (AROV). Afgesproken is dat de provincie Limburg met deze middelen zal zorgdragen voor de sloop van de spoorbrug in Maastricht inclusief de pijlers, wat leidt tot het oplossen van een nautisch knelpunt en een verwachte daling van de waterstand in de Maas van ongeveer 5 cm. Daarnaast worden de gronden en assets van ProRail westelijk van de spoorbrug door de provincie Limburg verworven en overgedragen aan de gemeente Maastricht. Ook is er een afspraak gemaakt met de gemeente Maastricht over de AROV-bijdrage aan de nieuwe langzaam verkeersbrug onder de voorwaarde dat gemeente Maastricht uiterlijk in 2026 de benodigde vergunning voor sloop van de spoorbrug zal afgeven.

Verbindingen over de Maas zijn van zeer groot belang voor het functioneren van de stad en regio. Uit de Omgevingsvisie 2040 volgt de behoefte om meer (oost-west) verbindingen over de Maas te realiseren. Hierdoor worden barrières verminderd of verzacht en verbetert de bereikbaarheid van verschillende gebieden. Slimme investeringen zijn nodig om infrastructurele barrières op te heffen en te zorgen voor een goede inpassing van de infrastructuur in de stad.

In de integrale gebiedsgerichte verkenning Zuidelijk Maasdal wordt daarom naast de hoogwaterveiligheidsopgave, nautische veiligheidsopgave en de natuuropgave ook de opgave ruimtelijke ontwikkeling met behouden van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied meegenomen. Vanuit de gemeente Maastricht is die opgave geformuleerd vanuit drie doelen:

  • (1) een fijnmazig netwerk van ontmoetingsplekken;

  • (2) oost-west: barrières verminderen of verzachten;

  • (3) noord-zuid: verbinding met de Maas en toevoegen groen en natuur.

De langzaam verkeersbrug is daardoor te kenmerken als een oplossingsrichting (bouwsteen) voor deze opgave en zal verder integraal worden onderzocht in de verkenning. Er zijn meerdere oplossingsrichtingen denkbaar voor deze opgave, daarnaast zullen de oplossingsrichtingen in samenhang worden onderzocht. In dit specifieke geval is er samenhang met mogelijke oplossingsrichtingen voor hoogwaterbescherming en nautiek.

Met de gemeente Maastricht is afgesproken dat enkel de hoofdoverspanning over de Maas en daarbij behorende directe aansluiting op de aangrenzende Maasoevers voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) qua ruimtebeslag worden meegenomen in de verkenning Zuidelijk Maasdal. Met de gemeente Maastricht is verder afgestemd dat deze maatregel aan het eind van de verkenning aansluit bij het ontwerpniveau van een verkenning (ruimtebeslag/locatie, type functie (LV) en type brug (constructie). Hiermee volgt de langzaam verkeerbrug de stappen, detailniveau en planning van de verkenning Zuidelijk Maasdal.

Conform Startdocument is tot slot met de gemeente Maastricht afgestemd dat de integrale verkenning en de daaruit voortvloeiende voorkeursbeslissing het vertrekpunt vormen voor het vervolgproces qua planologische procedure in de vorm van een eigenstandig gemeentelijk besluitvormingsspoor (omgevingsplan/omgevingsvergunning). Aan het eind van de verkenning worden hier nadere afspraken over gemaakt.

4. Beoogd effect

De voorgestelde scopewijziging draagt bij aan de projectdoelstelling, specifiek de opgave Ruimtelijke ontwikkeling met behouden van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

5. Financiële consequenties

Financiële zekering is grotendeels gedekt vanuit de BO MIRT afspraken, vanuit de AROV-gelden. Binnen het beschikbare AROV-budget van € 36,7 mln. (prijspeil 2024) is € 17,9 mln. gereserveerd voor de langzaam verkeersbrug. Aan het eind van de verkenning, ervan uitgaande dat de langzaam verkeersbrug onderdeel uitmaakt van het voorkeursalternatief, zal op basis van een nieuwe kostenraming van het voorkeursalternatief de kosten geraamd worden voor deze maatregel. De gemeente Maastricht is, aanvullend op de hierboven genoemde bijdrage uit de AROV-middelen van € 17,9 mln. en de huidige bijdrage van de gemeente van € 15 mln. voor het project, in dat geval aan zet voor de totstandkoming van financiering van aanvullende dekking

De maatregel wordt opgenomen in de onderzoeken en indien onderdeel van het voorkeursalternatief op de plankaart van de voorkeursbeslissing. Voor de verkenning zal gebruik worden gemaakt van de onderzoeken en de bestaande info die beschikbaar is bij de gemeente Maastricht. Daarnaast zal binnen de verkenning de samenhang met de andere oplossingsrichtingen worden onderzocht en zullen er (extra) schetsen en een ontwerp gemaakt moeten worden dat past bij het VKA-detailniveau.

Toevoeging van de langzaam verkeersbrug aan de scope van de verkenning Zuidelijk Maasdal betekent ondermeer dat er extra effort moeten plaatsvinden op het gebied van omgevingsmanagement en communicatie. Aangezien realisatie van de langzaam verkeersbrug belangrijke raakvlakken heeft met (toekomstige) gebiedsontwikkelingen aan weerszijden van de Maas buiten de scope van het project, zullen gemeente en projectteam nauw samen moeten werken in de omgeving. Het realiseren van het benodigde draagvlak voor de langzaam verkeersbrug bij stakeholders is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid tussen gemeente en projectteam.

De inschatting voor deze werkzaamheden bedraagt € 1,2 mln. incl. BTW. Ter dekking van deze kosten wordt voorgesteld om een aanvullende bijdrage op te nemen in de samenwerkingsovereenkomst voor de verkenning van het Zuidelijk Maasdal ter aanvulling op tabel 9 (kosten en dekking) uit het Startdocument.

Bedragen in mln. euro incl. btw

Investeringskosten prijspeil 2025

Financiering prijspeil 2025

Doelstelling

Verk.

Planuitw.

Real.

Totaal

Verk.

Planuitw.

Real.

Totaal

Langzaamverkeersbrug over de Maas – Gem. Maastricht1

1,2

1,8

28,9

31,9

 

1,2

1,8

14,9

17,9

X Noot
1

De verkenning voor een nieuwe langzaam verkeersbrug over de Maas is (afhankelijk van besluitvorming in de stuurgroep van 19 febr.) in 2025 aan de scope van de ZMD Verkenningsfase toegevoegd. De vermelde kosten en toe te kennen financiering betreft alleen de engineering in de Verkenningsfase. Voor alle fases van de brug is in het MIRT € 17,9 mln. vermeld, een deel van de financiering zal nog gezocht moeten worden.

In het verzoek voor de scopewijziging is verder aangegeven dat de kosten die door het projectteam van Zuidelijk Maasdal worden gemaakt voor het komen tot een definitief voorstel tot scopewijziging voor rekening komen van gemeente Maastricht, aanvullend op de bestaande bijdrage voor het project. Gezien de reeds beschikbare informatie uit de gesprekken met de gemeente Maastricht en beperkte kosten, worden deze niet doorbelast aan de gemeente.

6. Risico

  • 1. De AROV-bijdrage aan de nieuwe langzaam verkeersbrug is onder de voorwaarde dat gemeente Maastricht uiterlijk in 2026 de benodigde vergunning voor de sloop van de spoorbrug zal afgeven. Als de sloopvergunning niet wordt afgegeven en er daardoor geen AROV-gelden beschikbaar komen voor de realisatie van de LV-brug, zal er opnieuw moeten worden bezien hoe om te gaan met deze maatregel.

  • 2. De gronden die nodig zijn voor de verbinding met de Maasoevers zijn deels particulier grondeigendom. Risico bestaat dat deze niet mee wil werken aan de realisatie van de maatregel.

  • 3. De langzaam verkeersbrug is gekoppeld aan de sloop van de spoorbrug via de AROV-middelen en is bestuurlijk een gevoelig dossier. Alhoewel de sloop van de spoorbrug zelf geen onderdeel uitmaakt van de scope van de verkenning Zuidelijk Maasdal, kunnen negatieve ontwikkelingen en publiciteit rondom dit dossier wel negatief afstralen op de verkenning Zuidelijk Maasdal.

7. Planning

Voor de doorlooptijd van de verkenning is er -buiten de genoemde risico’s- geen aanwijsbaar negatief effect, aangezien in het kader van de huidige startfase bekeken wordt welke knelpunten binnen de verkenning worden onderzocht (probleemanalyse) en in een parallel proces al een aantal bouwstenen worden ontworpen.

Ingeval de langzaam verkeersbrug wordt opgenomen in het uiteindelijke voorkeursalternatief, volgt de maatregel daardoor de planning van het project.

8. Imago

Het meenemen van een langzaam verkeersbrug is een logische en tastbare maatregel met meerwaarde voor het project.

9. Communicatie

Indien de langzaam verkeersbrug wordt onderzocht in de verkenning, zal communicatie via het project in nauwe samenspraak met de gemeente Maastricht verlopen.

BIJLAGE 3: DE SAMENWERKINGSPRINCIPES

Partijen werken samen op basis van een aantal duidelijke samenwerkingsprincipes. Iedereen die aan Zuidelijk Maasdal werkt is daarop aanspreekbaar:

  • 1. Best for project:

    Bij alle beslissingen staat centraal dat we zoveel mogelijk de projectdoelen willen realiseren.

  • 2. Gedeelde Verantwoordelijkheid en Eigenaarschap

    Vanuit de verschillende unieke opgaven en doelen van nationaal belang evenals regionaal belang ontstaat een integrale aanpak die vraagt om gelijkwaardigheid in afweging van belangen. Alle partners voelen zich verantwoordelijk voor het succes van het Project. Dit betekent gezamenlijk eigenaarschap voor het behalen van de projectdoelen, met behouden respect voor ieders verantwoordelijkheid.

  • 3. Vroege en Duidelijke Communicatie

    Partijen communiceren helder en hebben er belang bij om misverstanden te voorkomen. Dit betekent:

    • a. Een partij stelt de andere partijen direct op de hoogte van relevante informatie;

    • b. Partijen communiceren in beginsel langs 1 lijn en 1 kanaal en stemmen de communicatie onderling af.

  • 4. Transparantie en Openheid

    Partijen delen relevante informatie, zijn transparant over hun belangen en eventuele issues en risico’s die zij zien.

    Eventuele issues en risico’s die de projectdoelen raken of kunnen raken worden direct gemeld en in onderling overleg worden de benodigde maatregelen genomen. Partijen zijn open en alert voor issues en risico’s die mogelijk de projectdoelen kunnen raken.

  • 5. Flexibiliteit en Aanpassingsvermogen

    Partijen zijn flexibel om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden en nieuwe inzichten. Dit betekent dat Partijen bereid moeten zijn om plannen aan te passen en nieuwe strategieën te ontwikkelen wanneer dat nodig is.

  • 6. We werken voor gezamenlijke rekening en risico:

    Partijen spannen zich tot het uiterste in om het Project en de betreffende projectfase binnen het overeengekomen budget te realiseren. Hierbij hanteren zij de uitgewerkte risico-allocatie en het principe van “de veroorzaker betaalt”.

BIJLAGE 4: UITGANGSPUNTENNOTITIE GOVERNANCE

KADER VOOR DE STURING EN DE SAMENWERKING IN DEVERKENNINGSFASE

1. INLEIDING

  • Doel: De verkenning Zuidelijk Maasdal bevat een breed pakket aan opgaven vanuit verschillende partijen (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Waterschap Limburg, provincie Limburg en de gemeenten Maastricht, Eijsden-Margraten en Meerssen). Deze partijen werken samen aan de doelstelling als geformuleerd in paragraaf 2.3. van de startbeslissing. Het is belangrijk om met elkaar een zorgvuldige aansturing vast te leggen.

  • Dit is het kader sturing en samenwerking voor de verkenningsfase van het project Zuidelijk Maasdal. Aan het einde van de verkenningsfase wordt de samenwerking en de governance geëvalueerd en wordt opnieuw bepaald hoe de projectorganisatie voor de planning- en studiefase wordt ingericht.

  • De partijen streven naar een samenwerking, die de opgave door goede organisatie (tot in de partnerorganisaties) in een wendbaar proces en gecommitteerde samenwerking tot gedragen besluitvorming kan brengen.

  • De partijen werken toe naar een lerende organisatie: zij erkennen de complexiteit in dit project en zetten expliciet in op een lerende organisatie.

  • Bij de start van de verkenning wordt een samenwerkingsovereenkomst opgesteld.

  • Ook wordt de relatie met België in de eerste fase verder verkend.

2. STUURGROEP: SAMEN STUREN OP KEUZES EN GOEDE DOORWERKING IN EIGEN ORGANISATIE

  • Partijen werken met een brede stuurgroep van en voor alle partijen.

  • De stuurgroep heeft geen besluitvormende bevoegdheden, Rijk is mede namens WL bevoegd gezag.

  • Commitment voor doorwerking van het advies van de stuurgroep aan de minister, dat zij gezamenlijk hebben voorbereid en waarbij zij een afweging maken ten aanzien van alle belangen die er spelen in gelijkwaardigheid.

  • Met de deelname in de stuurgroep treden geen veranderingen op in bestaande bevoegdheden van elke partij.

  • De stuurgroep geeft sturing aan de doelen en resultaten van dit project. Belangenafweging vindt in SG plaats en niet in het projectteam of ABG.

3. INITIATIEFNEMERS/PARTIJEN

De initiatiefnemers/partijen zijn

  • Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (DGWB, DGLM, RWS en mogelijk DGMO),

  • Provincie Limburg,

  • Waterschap Limburg,

  • Gemeente Maastricht,

  • Gemeente Eijsden-Margraten,

  • Gemeente Meerssen.

  • Deze partijen vormen samen de stuurgroep. Zo geven partijen in de stuurgroep Zuidelijke Maasoevers samen richting en sturen op samenhang, draagvlak en eenduidige communicatie.

  • Gesprekken tussen IenW en RWS t.a.v. de rolverdeling tussen beide rijksonderdelen vinden nog plaats. De uitkomsten daarvan krijgen een plek in het projectteam en de werkprocessen.

  • Frequentie wordt in plan van aanpak opgenomen en wordt mede bepaald door dilemma’s en voortgang

4. VOORZITTER STUURGROEP

  • Als gezicht van het project Zuidelijk Maasdal neemt gemeente Maastricht de rol van voorzitter in de stuurgroep op zich.

5. TREKKERSCHAP

  • Waterschap Limburg en Ministerie van IenW nemen gezamenlijk het trekkerschap op zich voor de verkenningsfase van project Zuidelijk Maasdal. Samen vullen zij het ambtelijk opdrachtgeverschap voor deze verkenning in.

    • Met deze gedeelde positie is het belangrijkste financieel belang van beide trekkers gewaarborgd en ontstaat er ook een kritische blik naar de borging van de samenhang op inhoud.

    • Voor WL is dit relevant vanwege de subsidieregeling voor de HWBP-opgave; na het verlenen van de beschikking door het HWPB draagt het waterschap alle risico’s van de HWBP opgave.

    • Voor het ministerie is dit project anders dan de lopende MIRT/HWBP-trajecten binnen de hoogwaterveiligheidsopgave. De opgave vanuit het rijk komt voort uit het Programma Integraal Riviermanagement (IRM) en bestaat uit een combinatie van verschillende opgaven.

    • Ambtelijk opdrachtgeverschap wordt op directeurenniveau ingevuld.

    • Voor IenW zijn er in ieder geval vier partijen betrokken, te weten DGWB, DGMO, DGLM en RWS. Uitgangspunt is dat 1 partij namens alle de ambtelijk opdrachtgeversrol vervuld.

  • Het Directeurenoverleg (DO) bestaat uit de projectmanager, de ambtelijk opdrachtgevers en directeuren van de overige partijen.

  • Het DO adviseert aan de ambtelijk opdrachtgevers en aan de stuurgroep, waarmee regionale en rijksdoelen worden geborgd.

  • De focus van de stuurgroep ligt op:

    • de belangrijkste besluiten,

    • de bestuurlijke issues en

    • wijzigingen buiten het kader van de samenwerkingsovereenkomst.

  • De focus van de opdrachtgevers ligt op het sturen op:

    • de voortgang,

    • verantwoording en

    • financiën binnen de scope van de samenwerkingsovereenkomst, waaronder opdrachtverlening naar de markt.

  • Er is geen algemene stelregel of en wanneer afstemming met de bestuurlijke achterbannen nodig/wenselijk is.

6. ADMINSTRATIEVE ORGANISATIE, AANBESTEDENDE DIENST

  • Waterschap Limburg treedt op als aanbestedende dienst voor in ieder geval het HWBP-deel van de gezamenlijke opgaven. Partijen kunnen gebruik maken van de aanbestedende faciliteiten van WL om zo meer integraliteit te borgen in de aanpak. WL en IenW bekijken samen of de opgave van IenW in de beoogde WL aanbesteding mee kan of dat dit wenselijk of noodzakelijk apart moet.

  • WL treedt op als administratieve organisatie voor in ieder geval het HWBP-deel van de gezamenlijke opgave. Op basis van de benodigde, rapportages en eisen vanuit de andere opgaven bekijkt IenW of dit wenselijk is om uit elkaar te houden of dat dit gezamenlijk kan. Daarom levert WL de Manager Projectbeheersing. WL levert de Contractmanager voor door het WL beoogde aanbestedingsdeel. IenW levert voor haar aan te besteden onderdelen een adviseur contractmanagement. Beide personen zorgen voor een zo effectief mogelijke aanbesteding.

  • In het plan van aanpak voor de verkenning werken partijen uit met welke kaders en richtlijnen rekening gehouden moet worden en hoe dat in het werkproces wordt ingericht, waarbij deze uitgangspunten in de aanpak leidend zijn.

7. PROJECTTEAM

  • Om te komen tot één gezamenlijk voorkeursalternatief is bewust gekozen voor één projectteam en niet voor afzonderlijke teams voor bijvoorbeeld dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkeling.

  • Het projectteam is samen verantwoordelijk voor de realisatie van de projectopdracht en werkt op basis van één gezamenlijk werkproces.(geen dubbelingen, ook niet in de eigen organisaties). De aansturing van het project is vormgegeven vanuit het Integraal Projectmanagement-model (IPM-model), er is per rol 1 unieke/primaire rolhouder. Het IPM projectteam kent de functies:

    • Projectmanager

    • Contractmanager

    • Technisch manager

    • Manager projectbeheersing

    • Omgevingsmanager

    De onderstaande rollen worden toegevoegd afhankelijk van het type project

    • Manager planproducten (standaard in een verkenning/planuitwerking)

    • (Systeem)Integrator / integraal ontwerpmanager (standaard in een verkenning/planuitwerking met gebiedscomponent)

  • Organisaties leveren hun unieke kennis aan het projectteam en vullen elkaar aan daar waar het complementair en nodig is. Partijen streven ernaar om geen dubbelingen in het werkproces te organiseren, ook niet in de eigen organisaties.

  • Er is in de uitgangspunten gezamenlijk gekozen voor een aparte projectteam en een “white label “projectmanager. Het HWBP programma is een relevant onderdeel van de werkzaamheden. WL geeft daarmee een aantal van zijn bevoegdheden in handen van het projectteam. WL levert daarom 2 voor haar bedrijfsvoering cruciale rollen in de IPM-rollen, namelijk de Manager Projectbeheersing en de Contractmanager. Dat zorgt er tevens voor dat voor de HWBP bijdrage en beheersing, WL niet een dubbele organisatie hoeft in te richten.

  • De MPB vervult de linking pin naar de WL HWBP organisatie en is tevens plaatsvervanger van de Projectmanager in de IPM-structuur.

  • Vanwege de korte lijnen naar de omgeving levert de gemeente Maastricht de Omgevingsmanager. Het team aan omgevingsmanagement wordt aangevuld door alle partijen en daar waar nodig is. Communicatie en coördinatie naar de omgeving vindt plaats vanuit het projectteam en in afstemming met alle partijen via de stuurgroep.

  • Het project streeft naar integraliteit in een gebied met mogelijk tegengestelde belangen. Een systeemintegrator kan helpen om dat goed te borgen. Hoe deze rol in het projectteam wordt ingevuld en welke partij deze functionaris levert, wordt nog nader bepaald.

  • Ook dient voor de rollen van Technisch Manager en Manager planproducten nog nader bepaald te worden welke organisatie deze levert. Het zou logisch zijn deze bij RWS te beleggen, echter tussen IenW en RWS dienen nog nadere afspraken te worden gemaakt tav hun onderlinge rolverdeling.

  • Daar waar een partij de IPM-rol levert, sluiten andere partijen aan met hun expertise en kennis. Er is geen sprake van combinaties in de IPM-rollen, wel van complementariteit om het beste team voor het project te organiseren.

  • De samenwerking met de beheerdersrollen van de verschillende organisaties als stakeholder worden nog nader uitgewerkt. Dit krijgt een plek in het PVA. Partijen onderzoeken hoe de samenwerking met de Belgische overheden in dit project wordt vormgegeven.

8. PROJECTMANAGER

  • De partijen kiezen samen voor 1 projectmanager en stellen daartoe gezamenlijk het wervingsprofiel op en vast.

  • Deze Projectmanager is in dienst van het Ministerie van IenW.

  • Voordeel hiervan is dat kennis en kunde van MIRT trajecten direct inzetbaar is vanuit het team projecten en programma’s. Aansluitend worden er afspraken gemaakt hoe de Projectmanager zorgt voor maximale aanhaking en borging bij de processen van de andere partijen.

9. AMBTELIJKE BEGELEIDINGSGROEP

  • De ambtelijke begeleidingsgroep bestaat uit medewerkers van alle partijen.

  • De ambtelijke begeleidingsgroep bereidt de agenda van de Stuurgroep voor. Door kennis in te brengen van vraagstukken, van verschillende expertisegebieden en kennis over belangen die spelen.

  • Belangenafweging vindt vervolgens plaats in de stuurgroep Zuidelijk Maasdal.

  • De ambtelijke begeleidingsgroep bereidt de ambtelijke advisering voor de Stuurgroep voor; de ambtelijke begeleidingsgroep bevordert de sturing door de stuurgroep door de vergaderingen in gezamenlijkheid voor te bereiden en met elkaar te delen wat er speelt. De ABG deelt belangen met elkaar en signaleert waar mogelijke dilemma’s ontstaan om zo tijdig te kunnen escaleren. Eventuele escalaties brengt het ABG in een gezamenlijke annotatie naar het DO en de stuurgroep.

  • Frequentie wordt in plan van aanpak opgenomen en wordt mede bepaald door dilemma’s en voortgang.

Naar boven