Circulaire Wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

27 maart 2025

kenmerk 2025-0000222133

Onderwerp: Wijzigingen in de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers n.a.v. Stb. 2025, 4

Doelstelling: Verschaffen van informatie

Juridische grondslag: Hoofdstuk 3 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Relaties met andere circulaires: –

Ingangsdatum: 9 januari 2025

Geldig tot: Nader bericht

Publicatie op internet

Circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een e-mail-attendering abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering.

1. Inleiding

Hierbij informeer ik u over de wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (hierna: rechtspositiebesluit), zoals deze tot stand zijn gekomen in het besluit van 16 december 2024 (Stb. 2025, 4). In sommige gevallen is terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 2019. In paragraaf 2 wordt op deze wijzigingen ingegaan: in subparagraaf A de wijzigingen per 9 januari 2025, in subparagraaf B de wijzigingen met terugwerkende kracht.

Van de gelegenheid van deze circulaire is gebruik gemaakt om in paragraaf 3 in te gaan op een aantal onderwerpen waar blijkens vragen uit de praktijk onduidelijkheid over bestaat. Het gaat over de bevestiging dat de uitvoering van het rechtspositiebesluit de verantwoordelijkheid is van het dagelijks bestuur en over de vraag of kosten van een parkeervergunning voor vergoeding in aanmerking komen.

2. Wijzigingen van het rechtspositiebesluit

A. Ingangsdatum 9 januari 2025

2.1. Toelage voor voorzitters van commissies

In het rechtspositiebesluit is in een nieuw artikel 3.1.4a de mogelijkheid geopend om, als de raad dat wenselijk acht, een gemaximeerde toelage voor de vaste voorzitter van een raadscommissie vast te stellen. Aan deze mogelijkheid bleek behoefte omdat er gemeenten zijn waar raadscommissies ter voorbereiding van de besluitvorming in de raad gemiddeld veertig keer per jaar in een vast stramien vergaderen, vaak meerdere dagdelen per week. In dergelijke situaties besteedt de vaak vaste voorzitter van een dergelijke raadscommissie aantoonbaar meer uren aan het raadslidmaatschap en heeft die extra verantwoordelijkheden. Er zijn echter ook gemeenten die aan deze toelage geen behoefte hebben. De grootte van de gemeente speelt hierbij blijkens onderzoek geen rol. Daarom is het aan de raad gelaten om te bepalen of hij van deze mogelijkheid gebruik wil maken. Daarbij wordt geabstraheerd van de vraag of die voorzitter wel of niet is benoemd: het gaat om de belasting en het tijdsbeslag, en dat oordeel velt de raad. De toepassing is beperkt tot voorzitters van raadscommissies op grond van artikel 82 van de Gemeentewet. Ten eerste omdat dit probleem in de praktijk kennelijk niet bij andere commissies (in dezelfde mate) speelt. Ten tweede omdat van commissies op grond van artikel 82 zeker is dat deze een raadslid als voorzitter hebben.

2.2. Voorziening voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden

Op grond van artikel 3.1.9 bestaat de aanspraak voor raadsleden om jaarlijks een bedrag te ontvangen ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden voor een maand, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het bedrag dient als compensatie voor het feit dat volksvertegenwoordigers vaak een deel van de werkweek voor de volksvertegenwoordiging bezig zijn en daardoor in hun hoofdfunctie minder pensioen kunnen opbouwen. De keuze voor deze voorziening was aan de gemeenteraad, waarbij gold dat als bij verordening hiervoor werd gekozen, deze tegemoetkoming werd toegekend aan alle leden van die raad. In de praktijk bleek deze verordenende bevoegdheid echter te leiden tot politiek gedrag dat een inhoudelijke discussie in de weg stond. Ook bleek er behoefte te zijn aan flexibilisering in die zin dat de voorziening daadwerkelijk voor pensioenvoorziening kan worden ingezet en dat deze dus niet ook van toepassing is op de ambtsdragers die al met pensioen zijn.

Gelet op deze twee bezwaren is gekozen voor een centrale, voor alle betrokken volksvertegenwoordigers geldende regeling, met dien verstande dat degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Deze norm is goed verdedigbaar gelet op het doel van de voorziening. Voor degene die de AOW-leeftijd heeft bereikt, is het onmogelijk zich alsnog te verzekeren voor pensioen, nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheid. De grens is gelegd bij de AOW-gerechtigde leeftijd en niet bij de daadwerkelijke pensioendatum. De keuze hiervoor is ingegeven door het feit dat een eventuele eerdere pensioendatum een in de privésfeer genomen beslissing is. Bovendien zijn door deze grens de administratieve lasten voor de decentrale overheden zo laag mogelijk. De AOW-datum is namelijk kenbaarder dan de individuele pensioendatum. De administratieve lasten blijven ook beperkt omdat er in de gekozen opzet niet inhoudelijk beoordeeld hoeft te worden of de vergoeding daadwerkelijk is ingezet voor een voorziening voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het zou bovendien de vraag zijn wie verantwoordelijk wordt voor deze controle, en wanneer die controle zou moeten plaatsvinden (alleen bij de eerste toekenning of jaarlijks).

In het nieuwe derde lid is opgenomen dat de aanspraak geldt tot de datum waarop betrokkene de AOW-leeftijd heeft bereikt. Net zoals dat in het tweede lid is bepaald voor degene wiens lidmaatschap van het vertegenwoordigend orgaan in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap toegekend.

Ten slotte is de formulering “eenmaal per jaar” veranderd in “per jaar”. Uit de praktijk kwam namelijk de wens naar voren navorderingen zoveel mogelijk te willen vermijden. Met deze formulering wordt de keuze om het bedrag in zijn geheel of in maandelijkse termijnen uit te betalen aan het overheidsorgaan gelaten, terwijl de aanspraak hetzelfde blijft.

2.3. Vergoeding voor verblijfkosten bij woon-werkverkeer

Een van de uitgangspunten voor de rechtspositie van politieke ambtsdragers is dat deze de toegankelijkheid van het ambt bevordert. Iedereen moet ongeacht de woonplaats een politiek ambt kunnen uitoefenen. Daarom is nu ook een grondslag opgenomen voor vergoeding van verblijfkosten voor woon-werkverkeer.

In het eerste lid, onder a, van artikel 3.1.7 is voor raadsleden de vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van een vergadering van de gemeenteraad (“woon-werkverkeer”) geregeld. In de praktijk is naar voren gekomen dat er ook behoefte is aan een grondslag voor het incidenteel vergoeden van verblijfkosten ingeval van dat woon-werkverkeer. Dit kan bijvoorbeeld spelen in een uitgestrekte gemeente waarbij het niet verantwoord is voor een volksvertegenwoordiger om na een vergadering die tot laat in de avond of nacht heeft geduurd, geruime tijd terug te rijden naar de woonplaats. Een ander voorbeeld waarin vergoeding van verblijfkosten redelijk is te achten, is als een volksvertegenwoordiger na een langdurige vergadering de volgende ochtend opnieuw in verband met de volksvertegenwoordigende functie aanwezig moet zijn in de plaats waar de volksvertegenwoordiging vergadert. Er is dan geen sprake van een dienstreis, waarvoor verblijfkosten op grond van artikel 3.1.7, eerste lid, onder b, vergoed kunnen worden. Daarom is het nu in het eerste lid, onder a, mogelijk gemaakt om ook, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten te vergoeden.

Voor burgemeester en wethouders is dit op dezelfde wijze geregeld in artikel 3.2.9; voor commissieleden in artikel 3.4.3.

Net zoals het de eigen verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdrager is om een bepaalde reis aan te merken als een dienstreis (een reis ten behoeve van de functie), is het ook de eigen verantwoordelijkheid om aanspraak te maken op verblijfkosten bij woon-werkverkeer. De nieuwe grondslag voor de vergoeding van verblijfkosten in verband met het bijwonen van een vergadering is uitdrukkelijk geclausuleerd door de omschrijving dat daarvoor redelijkerwijs aanleiding moet zijn. Dit houdt in dat de betrokken ambtsdrager dient te motiveren waarom het verblijf nodig was. Het aantonen van die noodzaak is niet de verantwoordelijkheid van het overheidsorgaan. Daarbij mag het in beginsel uitgaan van de motivering van de ambtsdrager, tenzij die erg onwaarschijnlijk is of in strijd met de regels. Het overheidsorgaan toetst dus slechts marginaal. Het overheidsorgaan moet daarnaast voor de loonheffingen als inhoudingsplichtige aan de fiscus aannemelijk kunnen maken dat die verblijfkosten zakelijk waren, wil de vergoeding ervan onbelast kunnen geschieden.

2.4. Vergoeding kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing

Op grond van artikel 3.3.3 komen de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor alle politieke ambtsdragers voor rekening van de gemeente. Omdat er behoefte bleek in de praktijk aan verduidelijking is dit artikel op twee punten aangevuld.

Ten eerste bestond het risico dat onredelijke kosten in rekening zouden worden gebracht bij de gemeente. De bepalingen zijn daarom aangevuld met de voorwaarde dat de prijs/kwaliteitverhouding naar het oordeel van het dagelijks bestuur redelijk moet zijn. Het gaat om de vraag of de kosten in redelijke verhouding staan tot de door de leverancier van de scholing te leveren prestaties. Hierbij kan ook meegewogen worden of er niet een goedkopere, kwalitatief betere of meer op de betrokkene toegesneden variant mogelijk is. En wellicht wordt een vergelijkbare cursus ook aangeboden op een locatie die dichter bij de woonplaats van de belanghebbende is gelegen. Tevens is als voorwaarde opgenomen dat de kosten niet al uit anderen hoofde worden vergoed.

Ten tweede is nu in het derde lid expliciet geregeld dat reiskosten die in het kader van niet-partijpolitiek georiënteerde scholing gemaakt zijn, voor vergoeding in aanmerking komen. Door de koppeling aan artikel 3.1.7 onderscheidenlijk 3.2.9 kunnen verblijfkosten, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, ook voor vergoeding in aanmerking komen (zie paragraaf 2.3). Voor commissieleden is artikel 3.3.3 via artikel 3.4.4 van overeenkomstige toepassing verklaard.

B. Terugwerkende kracht tot 1 januari 2019

2.5. Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering

Wanneer een raadslid een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, kan op grond van artikel 3.1.11 de vergoeding voor de werkzaamheden op verzoek van dat raadslid worden verlaagd. Hiermee kan worden voorkomen dat betrokkene naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage wordt uitbetaald. De verlaging van de vergoeding voor de werkzaamheden leidt ertoe dat het totaal van uitkering en vergoeding voor de werkzaamheden op hetzelfde niveau blijft. Deze voorziening is er om te voorkomen dat raadsleden met een beperking, door het enkele feit van de samenloop van hun uitkering en hun inkomsten als volksvertegenwoordiger, financieel nadeel ondervinden van deelname aan de politiek.

Door de formulering van het artikel was deze voorziening beperkt tot de vergoeding voor de werkzaamheden en gold deze niet ook voor de inkomsten als fractievoorzitter of als lid van de vertrouwenscommissie, een onderzoekscommissie of een bijzondere commissie. Dit is nu gerepareerd. Het is namelijk nooit de bedoeling geweest deze samenloopvoorziening te beperken tot de vergoeding voor de werkzaamheden; het ging en gaat om de inkomsten die van invloed zijn op de uitkering. Vandaar ook de terugwerkende kracht tot en met de datum waarop het rechtspositiebesluit in werking is getreden (1 januari 2019).

2.6. Verrekening van neveninkomsten

Voor alle voltijds bestuurders geldt dat hun eventuele neveninkomsten voor verrekening in aanmerking komen. De wijze waarop de gegevens over deze inkomsten door de ambtsdrager worden verstrekt en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens zijn geregeld in artikel 3.2.3. Het Ministerie van BZK biedt al sinds 2013 een applicatie aan waarmee de colleges worden ondersteund bij de berekening van de door het college toe te passen verrekening. Deze applicatie kent een deadline voor het gebruik ervan. Indien deze wordt overschreden, worden de colleges geadviseerd de maximale korting toe te passen van 35% van de bezoldiging. Deze situatie komt regelmatig voor. Daarom is in het artikel verduidelijkt dat het college geen maximale korting hoeft toe te passen als het na sluiting van de applicatie toch alle informatie heeft. Bijvoorbeeld doordat betrokkene alsnog met de verklaring komt dat hij geen neveninkomsten heeft gehad. Aangezien deze wijziging een verduidelijking betreft van de bestaande bepaling, is hieraan terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2019.

2.7. Stelsel Bewaken en beveiligen

In het eerste lid van artikel 3.3.1 is bepaald dat kosten die in het kader van het stelsel Bewaken en beveiligen zijn aangemerkt als werkgeverskosten, ten laste van de gemeente komen. De formulering was echter zodanig dat dit artikel enkel zag op kosten ten behoeve van “een veilige woon- en werkplek”. Het komt echter steeds vaker voor dat decentrale politieke ambtsdragers in het kader van het stelsel Bewaken en beveiligen vanwege bedreigingen een advies krijgen van het OM of de NCTV om ook voor privéritten gebruik te maken van de dienstauto. Ondanks dat het in zo'n geval niet de eigen keuze van betrokkene is om de dienstauto ook voor privéaangelegenheden te gebruiken, was die wel een eigen bijdrage voor de privékilometers verschuldigd en kwam de belastingheffing over de bijtelling voor zijn of haar rekening. Dat is niet gewenst en ook niet beoogd. Daarom is de beperking tot kosten ten behoeve van een veilige woon- en werkplek komen te vervallen en is aan deze aanpassing terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2019.

3. Overige aandachtspunten

3.1. Uitvoering rechtspositiebesluit is verantwoordelijkheid dagelijks bestuur

BZK ontvangt steeds vaker het signaal dat een rechtspositionele vergoeding of voorziening van een burgemeester of wethouder, maar soms ook van een individueel raadslid, onderwerp vormt van debat in de gemeenteraad. Dit heeft zich bijvoorbeeld voorgedaan bij de aanschaf van preventieve beveiligingsmaatregelen of bij voorzieningen die nodig zijn voor ambtsdragers met een structurele functionele beperking. De uitvoering van het rechtspositiebesluit is echter niet een verantwoordelijkheid van de raad.

De rechtspositie van decentrale politieke ambtsdragers is centraal geregeld. Die centrale regeling is voor de gemeenten gebaseerd op de Gemeentewet (voor burgemeesters bijvoorbeeld in artikel 66), het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers.

Er zijn gemeenteraden die zich beroepen op het begrotingsrecht en de informatieplicht van het college om de voorzieningen of vergoedingen van individuele ambtsdragers te agenderen voor bespreking of zelfs vaststelling in de raad. Dit is niet juist. Het is niet de bevoegdheid van de raad om centraal gereguleerde voorzieningen aan een individuele politieke ambtsdrager toe te kennen of te ontzeggen. De uitvoering van het rechtspositiebesluit is namelijk bij uitstek een zaak van het dagelijks bestuur. Daarmee zijn de uitbetaling van vergoedingen en het verstrekken van voorzieningen aan een ambtsdrager dus de verantwoordelijkheid van het college van B&W; binnen de centraal gestelde kaders van het rechtspositiebesluit.

Kenmerkend voor de rechtspositie van politieke ambtsdragers is dat de aanspraken kenbaar zijn, uitsluitend voortvloeien uit het rechtspositiebesluit, voor iedere categorie ambtsdrager op dezelfde manier gelden en dat over de inhoud niet onderhandeld kan worden. Daarom ook zijn de aanspraken in het rechtspositiebesluit verplichtend geformuleerd met weinig ruimte voor afwijking. Die verplichtende formulering betekent dat het college moet toetsen of in het individuele geval aan de centraal gestelde voorwaarden is voldaan en zo ja, om de vergoeding of voorziening dan toe te kennen. Deze werkwijze betekent ook dat het dus niet aan het college is, maar dus ook niet aan de raad, om op individuele basis uitzonderingen of beperkingen op deze aanspraken toe te passen. Het doel van de centrale regeling is namelijk om te voorkomen dat de vergoedingen of voorzieningen per individueel geval ter discussie worden gesteld. Ook moet worden voorkomen dat de vraag of en zo ja, in welke mate, een ambtsdrager recht heeft op een bepaalde voorziening, onderwerp wordt van politieke debat.

Wellicht ten overvloede, het rechtspositiebesluit heeft niet alleen bepalingen met standaardvergoedingen en standaardvoorzieningen. Het bevat ook vergoedingen en voorzieningen die een ambtsdrager in staat stellen zijn of haar functie volwaardig uit te voeren in bepaalde niet-standaardsituaties. Dit geldt niet alleen voor beveiligingsmaatregelen, maar ook wanneer een burgemeester of wethouder een structurele functionele beperking heeft. Deze hulpmiddelen en aanpassingen zijn geen extraatjes, maar essentieel voor het uitoefenen van het ambt. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van schermleessoftware voor een burgemeester met een visuele beperking of aan een aangepaste auto voor een wethouder met een fysieke beperking. Het rechtspositiebesluit wil ambtsdragers in zo’n niet-standaardsituatie in dezelfde uitgangspositie brengen als ambtsdragers die daar niet mee te maken hebben. In wezen is het verstrekken van een voorziening aan een ambtsdrager met een beperking niet anders dan dat de gemeente in het kader van de Arbo voor een ambtenaar een aangepaste stoel aanschaft omdat die rugklachten heeft en met die stoel zijn werkzaamheden wel kan uitvoeren. Het rechtspositiebesluit biedt aldus een waarborg voor inclusiviteit en gelijke toegang tot het ambt.

3.2 Parkeervergunning

Zoals aangegeven in de circulaire van 18 januari 2023 (Stcrt. 2023, 3845), en dan met name paragraaf 5.d en 5.e, geldt voor alle decentrale politieke ambtsdragers dat voor woon-werkverkeer alsmede voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt, bij gebruik van een eigen vervoermiddel ook de parkeerkosten worden vergoed. Voor volksvertegenwoordigers is het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies gelijkgesteld met woon-werkverkeer. De vraag was of een parkeervergunning ook voor vergoeding in aanmerking komt.

In het rechtspositiebesluit is niet bepaald in welke vorm deze vergoeding van de parkeerkosten plaatsvindt. Wel geldt de expliciete eis dat het parkeren in het kader van de uitoefening van het ambt plaatsvindt. Een parkeervergunning is dus in principe toegestaan, maar met de belangrijke kanttekening dat deze alleen mag worden gebruikt in het kader van de uitoefening van het ambt, en niet voor privédoeleinden.

4. Vragen en informatie op internet

Informatie die betrekking heeft op politieke ambtsdragers kunt u vinden op de volgende internetsite: www.politiekeambtsdragers.nl. Op deze site vindt u alle actuele wet- en regelgeving, circulaires en brochures over politieke ambtsdragers voor het Rijk, de provincies, de gemeenten, de waterschappen en ook voor het Koninkrijk en de BES-eilanden voor zover deze afkomstig is van het Ministerie van BZK. U vindt hier dus niet de modelverordeningen van de VNG of de provinciale verordeningen.

Voor eventuele nadere vragen kunt u ook contact opnemen met het Ministerie van BZK via postbus.helpdeskpa@minbzk.nl.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor deze, E. van Doorne, Directeur Democratie en Bestuur

Naar boven