Regeling van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2025, WJZ/97642671, tot wijziging van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 in verband met de toevoeging van subsidietitel 2.15 en enkele wijzigingen in de hoofdstukken 1, 2 en 3

De Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op verordening (EU), nr. 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PbEU 2021, L 231);

Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en de artikelen 2, 3, eerste, derde en vierde lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluiten:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling JTF 2021–2027 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zesde lid vervalt ‘en het zevende lid’.

2. Het zevende en achtste lid vervallen.

B

Artikel 2.11.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt ‘, bedoeld in artikel 1.12, zevende en achtste lid,’.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt voor medewerkers die op basis van het minimumloon werken in afwijking van artikel 1.12, eerste lid, onderdeel a respectievelijk b:

    • a. het vaste uurtarief vastgesteld op € 20,90;

    • b. het vaste percentage voor een voltijd dienstverband berekend over een maandtarief van € 2.892 per werknemer, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat de werknemer per maand aan het project werkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten.

C

Na titel 2.14 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 2.15. Pilotprogramma Praktisch Perspectief

Artikel 2.15.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

economische activiteit:

economische activiteiten zijn alle activiteiten die gericht zijn op het aanbieden van goederen of diensten op een markt. Ze worden uitgevoerd door ondernemingen, organisaties of individuen met als doel winst te genereren. Voorbeelden van economische activiteiten zijn handel, productie, dienstverlening en commerciële exploitatie;

initieel onderwijs:

initieel onderwijs is de eerste, oorspronkelijke onderwijsloopbaan van personen in het voltijdonderwijs voordat zij de arbeidsmarkt betreden;

niet economische activiteit:

niet-economische activiteiten zijn activiteiten die geen marktgericht karakter hebben en waarbij geen winstoogmerk is. Ze worden doorgaans uitgevoerd door overheden, non-profitorganisaties of onderwijsinstellingen en zijn gericht op het algemeen belang, zoals onderwijs, gezondheidszorg, sociale ondersteuning, en culturele of sportieve initiatieven;

post-initieel onderwijs:

onderwijs dat iemand volgt na zijn eerste, oorspronkelijke onderwijsloopbaan in het voltijdonderwijs gegeven door met publieke middelen gefinancierde onderwijsinstellingen;

primaire werkingsgebied:

de provincie Groningen en de gemeente Emmen;

programmatische aanpak:

een tijdelijke manier van samenwerken aan een complexe opgave bestaande uit verschillende, maar samenhangende te verwezenlijken doelen, die een organisatie of een samenwerkingsverband in staat stelt bepaalde baten (effecten van veranderingen) tot stand te brengen. Daarbij staan de activiteiten niet bij voorbaat vast voor de gehele looptijd, deze kunnen wijzigen naargelang het bereiken van het doel dat verlangt;

regionaal bedrijfsleven:

ondernemingen die gevestigd zijn in het primaire werkingsgebied;

RIS3 2021–2027:

regionale innovatiestrategie 2021–2027 voor slimme specialisatie voor Noord-Nederland, zoals vastgesteld door de colleges van gedeputeerde staten van de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen;

roc:

regionaal opleidingscentrum, een samenwerkingsverband van onderwijsinstituten in het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie in Nederland;

start van de werkzaamheden:

start van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, onder 23, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

studenten:

natuurlijke personen die initieel onderwijs genieten aan een roc;

TJTP:

Territoriaal Just Transition Plan, het territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie voor JTF-regio Groningen-Emmen 2021–2027, bedoeld in de bijlage bij het nationaal JTF-programma 2021–2027.

Artikel 2.15.2. Doel subsidie
  • 1. Het doel van de openstelling op grond van deze titel is om roc's middels een programmatische aanpak in een samenwerkingsverband aan innovatieve en toekomstbestendige manieren te laten werken om te voorzien in de vraag naar praktisch geschoolden door het regionaal bedrijfsleven op basis van het TJTP alsook de RIS3-transities. Daarbij ligt het zwaartepunt op het geheel van instroom, opleiding en uitstroom van studenten in het primaire werkingsgebied voor de technische sectoren en sectoren gelieerd aan de RIS3-transities waarbij omgang met techniek onderdeel is of mogelijkerwijs moet vormen van het opleidingscurriculum.

  • 2. Plannen waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen Spoor 3 van het TJTP met een focus op het bijdragen aan het leveren van ondersteuning van werkgelegenheid bij jongeren en de sociaaleconomische integratie van jongeren.

Artikel 2.15.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een project aan:

  • a. roc's; of

  • b. samenwerkingsverbanden hoofdzakelijk bestaande uit roc's.

Artikel 2.15.4. Subsidiabele activiteiten
  • 1. Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor een programmatische aanpak, waarbij activiteiten worden uitgevoerd ten behoeve van:

    • a. het op innovatieve wijze bevorderen van de instroom van studenten bij of tussen roc's, mede gericht op het voorkomen van uitval van studenten;

    • b. ontwikkeling, vormgeving, en implementatie van (modulaire) curricula;

    • c. het bevorderen van de samenwerking tussen het regionaal bedrijfsleven en roc's wat betreft de (toekomstige) vraaggestuurde opvulling van vacatures en doorstroommogelijkheden binnen en buiten het bedrijfsleven in het primaire werkingsgebied;

    • d. ondersteuning met betrekking tot verdere loopbaanontwikkeling binnen het regionaal bedrijfsleven of richting postinitieel onderwijs;

    • e. het behouden en uitbouwen van samenwerkingsverbanden van roc's om aan de vraag naar praktisch geschoolde personen te kunnen voldoen;

    • f. verspreiding van opgedane kennis met de uitvoering van het project binnen en buiten het primaire werkingsgebied.

  • 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, worden verricht ten behoeve van de uitdagingen in het primaire werkingsgebied.

Artikel 2.15.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling
  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 10.500.000.

  • 2. De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 2.15.6. Aanvraagperiode
  • 1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 14 april 2025 vanaf 9.00 uur tot en met 16 mei 2025 vóór 17.00 uur.

  • 2. Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het www.jtf-webportal.nl/mijn of via www.snn.nl.

Artikel 2.15.7. Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 100 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2. Indien er sprake is van economische activiteiten binnen de subsidieaanvraag, wordt het maximaal toegestane subsidiepercentage bepaald op basis van de staatssteunregels.

Artikel 2.15.8. Subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.11, derde lid, komen voorbereidingskosten als subsidiabele kosten in aanmerking, indien deze kosten:

  • a. worden gemaakt om te komen tot een projectplan dat in aanmerking komt voor subsidie op grond van deze titel;

  • b. zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag ter verkrijging van subsidie;

  • c. zijn gemaakt op of na de startdatum van het project zoals ingevuld in de aanvraag ter verkrijging van subsidie;

  • d. zijn gemaakt na 22 maart 2022;

  • e. niet strijdig zijn met artikel 6 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.15.9. Starttermijn en looptijd
  • 1. Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking.

  • 2. De uitvoering van het project is binnen 48 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid, echter uiterlijk vóór 30 september 2029.

  • 3. Het vaststellingsverzoek van het project dient uiterlijk op 31 december 2029 te zijn ingediend.

  • 4. Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijnen, bedoeld in het eerste lid, verlengen.

Artikel 2.15.10. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. onvoldoende vertrouwen bestaat in het betrekken van het regionale bedrijfsleven bij de uitvoering van het plan;

  • b. door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel, juridisch of anderszins, obstakelvrij is;

  • c. de aangevraagde en te verlenen subsidie minder dan € 5.000.000 bedraagt.

Artikel 2.15.11. Beoordelingscriteria
  • 1. Gelet op artikel 1.20, eerste lid, wordt een project uitsluitend beoordeeld op de onderdelen a, b, e en f van het eerste lid van dat artikel.

  • 2. Gelet op artikel 1.20, derde lid, bedraagt het aantal punten per onderdeel als bedoeld in het eerste lid ten hoogste:

    • a. voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF Nederland 2021–2027: 45 punten;

    • b. voor de mate waarin het project sociaaleconomisch integraal is: 25 punten;

    • c. voor de kwaliteit van het projectplan: 15 punten;

    • d. voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 15 punten.

Artikel 2.15.12. Voorschot
  • 1. De Minister van SZW verleent op aanvraag, vooruitlopend op te maken kosten als bedoeld in artikel 1.30, een voorschot van 20 procent van de verleende subsidie met een maximum van € 1.500.000.

  • 2. De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 3. De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

  • 4. In afwijking van artikel 1.31, zesde lid, bedragen de voorschotten in totaal maximaal 100 procent van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 2.15.13. Subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

  • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;

  • b. de bij het aanvraagformulier behorende documenten als bijlagen.

Artikel 2.15.14. Staatssteun

De subsidie kan staatssteun bevatten en kan gerechtvaardigd worden door de in artikel 1.4 opgenomen artikelen uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.15.15. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

D

In artikel 3.1.8, tweede lid, wordt ‘31 december 2026’ vervangen door ‘31 december 2029’.

E

Artikel 3.2.5 komt te luiden:

Artikel 3.2.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1. Voor aanvragen die uiterlijk op 14 mei 2025 zijn ingediend, bedraagt het subsidieplafond € 12.500.000, met dien verstande dat er maximaal € 5.000.000 beschikbaar is voor projecten van grote ondernemingen.

  • 2. Voor aanvragen die op of na 15 mei 2025 zijn ingediend, bedraagt het subsidieplafond € 10.500.000, met dien verstande dat er maximaal € 5.000.000 beschikbaar is voor projecten van grote ondernemingen.

  • 3. De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

F

In de artikelen 3.2.6, eerste lid, en 3.2.15 wordt ‘1 september 2025’ vervangen door ‘1 maart 2026’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 31 maart 2025

De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inhoud van de regeling

1.1 Titel 2.15. Pilotprogramma Praktisch Perspectief
1.1.1 Inleiding

Met deze wijzigingsregeling wordt een subsidietitel toegevoegd aan hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027.

1.1.2 Doel

Het Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF) voor de regio Groningen-Emmen richt zich op een nieuw, economisch en groen perspectief en daaraan gekoppeld een wendbare en weerbare beroepsbevolking. Hierbinnen wordt het bedrijfsleven, bij voorkeur samen met onderwijs- en kennisinstellingen, uitgedaagd om te innoveren langs de lijnen van de regionale innovatiestrategie 2021–2027 (RIS3 2021–2027).

De RIS3 is de ‘Research & Innovation Strategy for Smart Specialization’, een overkoepelende innovatiestrategie, voor Noord-Nederland. Kenmerkend voor RIS3 2021–2027 is het uitgangspunt te werken aan grote maatschappelijke vraagstukken, de ‘transities’. Met de subsidietitels onder hoofdstuk 2 worden aanvragers uitgedaagd om te komen met projecten die gericht zijn op de vier transities uit deze RIS3, zijnde:

  • 1. van een lineaire naar een circulaire economie;

  • 2. van fossiele naar hernieuwbare energie;

  • 3. van zorg naar duurzame gezondheid;

  • 4. van analoog naar digitaal.

Een nadere toelichting van bovenstaande transities staat in de RIS3 2021–2027.

De resultaten van project(en) binnen deze titel dienen overwegend ten goede te komen aan de JTF-regio Groningen-Emmen; het primaire werkingsgebied. Wanneer de activiteiten in deze regio worden uitgevoerd en het project daar plaatsvindt, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle of geen van de activiteiten in de JTF-regio Groningen-Emmen worden uitgevoerd, is het van belang waar de resultaten van het project terechtkomen, namelijk in overwegende mate in de JTF-regio Groningen-Emmen. Dit dient door de aanvrager in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd en kan onder meer blijken uit de samenstelling van het projectpartnerconsortium, ondernemingen die (niet-financiële) steun ontvangen, de verdeling van kosten en het aantal beoogde deelnemers en de leer-werktrajecten (waaronder stages) die worden verzorgd in het werkingsgebied.

1.1.3 Project

De RIS3-transities hebben grote invloed op de regionale economie en daaraan gekoppeld de invulling van bestaande en toekomstige banen. Huidige en toekomstige werknemers dienen nieuwe vaardigheden en kennis op te doen, zodat zij nu en in de toekomst de voor de RIS3-transities noodzakelijke werkzaamheden passend kunnen vervullen. Daarnaast vraagt structurele krapte en toenemende vergrijzing op de arbeidsmarkt in de regio enerzijds van werkgevers een andere manier van strategische personeelsplanning- en verwerving gericht op vaardigheden en competenties en anderzijds van onderwijs- en kennisinstellingen nieuwe samenwerkings- en opleidingsvormen om te voldoen aan de (veranderende) vraag naar praktisch opgeleid personeel. Idealiter worden deze twee werelden bij elkaar gebracht in een structurele samenwerking door het geheel van instroom, opleiding en uitstroom van studenten op de regionale arbeidsmarkt en de uitbouw van samenwerkingsstructuren verder te brengen.

De JTF-regio Groningen-Emmen zet met de bestaande openstellingen ‘transitie arbeidsmarkt 2.0’, ‘opleidingsinfrastructuur en flankerende campusactiviteiten’, ‘langdurig werkzoekenden’ en ‘MKB personeel en scholing’ binnen het JTF Nederland grootschalig in op het om-, her- en bijscholen van de (potentiële) beroepsbevolking, zodat zij aansluiting vinden bij de economie van de toekomst, alsook op de realisatie van campussen waar scholing voor de nieuwe, groene economie van de toekomst gegeven kan worden. Zo kunnen zowel op korte als lange termijn de bovengenoemde vaardigheden en kennis eigen gemaakt worden, waardoor een evenwichtige sociaaleconomische transitie structureel bevorderd wordt en de negatieve gevolgen van de transities verzacht worden.

Deze openstelling is specifiek gericht op het versterken van het beroepsonderwijs in de regio Groningen-Emmen om nu en toekomstig te kunnen voorzien in voldoende praktisch geschoold personeel dat wendbaar kan aansluiten bij de vraag van het regionale bedrijfsleven. Hiermee wordt invulling gegeven aan de ‘sociaaleconomische integratie van jongeren’, opgenomen in het Operationeel Programma JTF.

Om dit te faciliteren, wordt van de aanvrager(s) een programmatische/samenhangende aanpak gevraagd waarbij samengewerkt wordt tussen onderwijs, arbeidsmarktregio's en het regionale bedrijfsleven ten behoeve van studenten in het beroepsonderwijs. Los van de al geschetste uitdagingen voor de regio die deze samenwerking noodzakelijk maakt, is bijkomende uitdaging dat er bij de regionale opleidingscentra (roc's) sprake is van ontgroening (minder instroom van studenten, daarop slimme organisatie nodig). Er wordt daarom nadrukkelijk gevraagd om innovatieve benaderingen om continuïteit in instroom richting beroepsonderwijs, gerelateerd aan de (technische kant van de) RIS3-transities, te borgen, zoals het kunnen uitwisselen van studenten, het toepassen van nieuwe technieken en opleidingsvormen in het reguliere beroepsonderwijs en vernieuwende werkwijzen om de studenten te binden aan het regionale bedrijfsleven en de regio, zodanig dat hierop gezamenlijk de verantwoordelijkheid wordt gepakt.

Omdat de vraag van het regionale bedrijfsleven richting een nieuwe, groene economie veranderlijk is en de na te streven doelen (instroom, opleiding, doorstroom) met elkaar op complexe wijze samenhangen (vraag en aanbod), wordt van de aanvrager(s) verlangd om een concreet plan van aanpak voor te leggen voor de eerste twee uitvoeringsjaren en te schetsen hoe de resultaten daaruit worden gecontinueerd gedurende de rest van de beoogde projectlooptijd. De projectaanvrager richt een governance-structuur op die de uitvoering van het project monitort en de voortgangsrapportages opstelt en indient. Deze is zodanig ingericht dat het regionale bedrijfsleven en de arbeidsmarktregio betrokken zijn bij de uitvoering en te behalen/behaalde resultaten. Op basis van deze jaarlijkse voortgangsrapportages worden gesprekken tussen het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN), de leden van de Deskundigencommissie en de governance van het project ingepland en gevoerd, om ook de (bij)sturing en de planning voor de overige uitvoeringsjaren overeen te komen.

1.1.4 Vormgeving

Subsidieaanvraag

Voor volledigheid van de aanvraag – en daarmee de behandelvolgorde – is het noodzakelijk dat alle vereiste informatie bij de aanvraag wordt ingediend (artikel 1.22 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027). Aanvragen worden ingediend via het digitale loket dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn of via www.snn.nl, waar de aanvullende verplichte bijlagen worden benoemd.

Subsidiebeoordeling

Bij alle subsidietitels worden aanvragen op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria (zie voor een nadere toelichting de toelichting bij artikel 2.15.11). Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het voor deze subsidietitel geldende subsidieplafond is bereikt.

Bij het uitvoeren van de subsidietitel wordt gebruik gemaakt van een deskundigencommissie, waarvan de voorzitter en ten minste drie leden op voordracht van de intermediaire instantie door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister van SZW) zijn benoemd (artikel 1.12, vierde lid, van de Subsidieregeling JTF 2021–2027). Deze deskundigencommissie adviseert de Minister van SZW.

Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een deskundigencommissie, is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan door het SNN. Vervolgens wordt het project voorgelegd aan de deskundigencommissie die het project inhoudelijk op kwaliteit beoordeelt en advies geeft ten aanzien van de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in artikel 2.15.11.

Indien de Minister van SZW, op advies van de deskundigencommissie, besluit minimaal 70 punten aan het project toe te kennen en voor alle gehanteerde criteria minimaal de helft van de mogelijke punten is toegekend, wordt tenslotte in de derde stap het project financieel-technisch getoetst. Denk hierbij aan de toets op de staatssteunregelgeving, de uitvoeringsperiode, de maximaal gevraagde subsidie en dekking van de kostenbegroting. In dit kader wordt ook getoetst of de begrote projectkosten voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving. Als na de inhoudelijke toetsing ook de financieel-technische toetsing positief blijkt, dan kan subsidie worden verleend en volgt de verleningsbeschikking. Indien hiertoe aanleiding is kan een afwijkende werkwijze worden gevolgd.

De Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie kent resultaat- en outputindicatoren. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten. Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te worden gemotiveerd. De streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken te worden gestaafd.

1.2 Overige wijzigingen

Naast de invoering van titel 2.15 worden enkele andere wijzigingen doorgevoerd in de hoofdstukken 1, 2 en 3 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

2. Regeldruk

Titel 2.15

De verwachting is dat onder deze titel één projectaanvraag zal worden ingediend voor het maximaal beschikbare subsidieplafond van € 10.500.000. Dit houdt in dat er één aanvraag, vier voortgangsrapportages, vier wijzigingen, en één eindrapportage gemaakt moeten worden. Samen kost dit circa 800 uur per aanvraag voor € 67 per uur, hetgeen resulteert in een kostenpost van € 53.600. Het betreft de kosten aan de kant van de aanvrager voor het indienen, verantwoorden en vast laten stellen. Uitgangspunt is verplicht gebruik van Simplified Cost Option (SCO) voor interne loonkosten.

3. Staatssteun

Het is noodzakelijk dat er toetsing plaatsvindt op staatssteunaspecten. In artikel 1.4 van deze subsidie-regeling zijn alle relevante artikelen uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening opgenomen die van toepassing kunnen worden verklaard. De intermediaire instantie beoordeelt de projecten bij aanvraag op de regionale bepalingen en beoordelen of het verlenen van staatssteun geoorloofd is. Een belangrijke voorwaarde bij deze regeling is dat wanneer op grond van staatssteunbeperkingen (zoals de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening) een lager maximumpercentage aan subsidie geldt, het geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening.

Er kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. Steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.

4. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Met de datum van publicatie en inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep van deze regeling gebaat is bij spoedige inwerkingtreding.

II. ARTIKELEN

De onderhavige wijzigingen van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 worden hierna, waar nodig, toegelicht.

Artikel I, onderdelen A en B (wijziging van de artikelen 1.12 en 2.11.8)

Bij de wijziging van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 van 25 oktober 2024 (Stcrt. 2024, 34627) is per abuis de SCO van het vaste uurtarief voor medewerkers die op basis van het minimumloon werken, opgenomen in hoofdstuk 1 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027. Omdat dit SCO-tarief op een zeer specifieke doelgroep betrekking heeft die enkel voorkomt binnen de openstelling langdurig werkzoekenden onder titel 2.11 van regio Groningen-Emmen, is het niet wenselijk dat deze in het algemene deel van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 wordt opgenomen. Om deze reden wordt het SCO-tarief verplaatst naar artikel 2.11.8 in titel 2.11 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027.

Artikel I, onderdeel C (toevoegen titel 2.15)

Artikel 2.15.1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat voor deze titel relevante begrippen, in aanvulling op de begrippen in artikel 1.1 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027.

Nadere toelichting definitie Programmatische aanpak

Het op te stellen projectplan kent de vorm van een programmatische aanpak. Daarbij staat de beschrijving van de (uiteindelijke) te behalen doelen, de voorziene samenwerking tussen partijen en hun rationale gedurende de projectlooptijd centraal. Vanwege de complexiteit en samenhang van de beoogde doelen van de subsidie (instroom, opleiding en uitstroom van studenten) dienen nieuwe activiteiten en samenwerkingsstructuren ontwikkeld en uitgebouwd te worden. Hiervoor is een zekere ruimte benodigd om te innoveren en flexibel te werken gedurende de projectuitvoering. Daarom wordt van de aanvragers verlangd om de ‘stip op de horizon’ voor hun doelstellingen te beschrijven met daaraan gekoppeld een concreet plan aan samenhangende activiteiten voor de eerste twee uitvoeringsjaren, inclusief begroting. Gedurende de uitvoering van het project vinden gesprekken plaats met de Deskundigencommissie en een door aanvrager in te stellen governance om te beoordelen of de gestelde doelstellingen nog te behalen zijn en/of hoe men de overige uitvoeringsjaren qua activiteiten en budgettering inricht. Het gaat hier nadrukkelijk om additionele subsidiabele activiteiten voor de roc's waarvoor geen reguliere financiering vanuit de overheid beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 2.15.2. Doel subsidie

De JTF-regio Groningen-Emmen kampt met samenhangende multiproblematiek. De nieuwe, groene economie van nu en de toekomst vraagt op basis van de RIS3-transities om voldoende praktisch en flexibel opgeleid personeel dat zich ook voor langere tijd wil committeren aan de regio. De regio Groningen-Emmen kampt met toenemende vergrijzing van de huidige beroepsbevolking en wegtrekkende jongeren die het personeelsbestand zou moeten vormen voor het regionale bedrijfsleven. Specifiek voor roc's en daaraan verbonden regionaal bedrijfsleven en de arbeidsmarktregio, speelt ontgroening ook een grote rol (afname van instroom studenten praktische opleidingen). Vanuit deze achtergrond bezien is de ‘sociaaleconomische integratie van jongeren’ opgenomen in het TJTP van de regio.

De vraag naar praktisch opgeleid personeel binnen het bedrijfsleven is groot: zij zijn immers (gezamenlijk) de uitvoeringspilaar van de verschillende RIS3-transities. In de huidige situatie is er sprake van een vraag vanuit het bedrijfsleven waaraan niet kan worden voldaan, gelet op het huidige aanbod. Er is sprake van een structurele mismatch. Met een programmatische aanpak ‘pilotprogramma praktisch perspectief’ wordt ingezet op het doorbreken van deze structurele mismatch door innovatieve werkwijzen in de praktijk te toetsen die betrekking hebben op het geheel van instroom, opleiding en doorstroom van studenten, alsook de uitbouw van samenwerkingsstructuren tussen roc's en het regionale bedrijfsleven/arbeidsmarktregio's. Er wordt aan de aanvrager de ruimte geboden om met Europese middelen activiteiten om te zetten die niet vanuit reguliere publieke middelen bekostigd wordt.

De openstelling is gericht op de uiteindelijke, structurele, sociaaleconomische integratie van jongeren en het scheppen van de werkwijzen en samenwerkingsstructuren die dit borgen. Dit kan binnen deze openstelling gerealiseerd worden door activiteiten te ontplooien op, onder andere, maar niet-limitatief:

  • oriëntatie- en schakelperiodes: het gezamenlijk opzetten en aanbieden van schakel- en oriëntatieperiodes (conform één model) binnen het primaire werkingsgebied. Dit geeft studenten de kans om diverse kansrijke beroepssectoren en opleidingsmogelijkheden te verkennen voordat zij een definitieve keuze maken. Het maakt de drempel om initieel te kiezen voor een roc-opleiding naar verwachting lager. Ook helpt dit onjuiste studiekeuzes te voorkomen en zorgt voor meer balans en spreiding bij andere relevante, kansrijke studies waar techniek een rol speelt. Het bieden van opleidingsperspectief, indien een eerste keuze niet passend blijkt te zijn, helpt om uitval van studenten te voorkomen;

  • het inhoudelijk vormgeven van onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven (iteratief) dat tegemoetkomt aan de toenemende behoefte en vraag naar flexibel opgeleid personeel (studenten primair) met technische ervaring, gerelateerd aan de RIS-3 transities. Dit gebeurt zodanig dat ingespeeld kan worden op plotseling/nieuw opkomende, innovatieve ontwikkelingen in de regio. Daarbij kan gedacht worden aan inzet op de sectoren ‘duurzame energie’, ‘agrifood en landbouw’, ‘gezondheid en life sciences’, ‘chemie en circulaire economie’ en ‘high tech en digitalisering’;

  • het realiseren van een sterkere en duurzamere positie van afgestudeerde mbo-studenten op de regionale arbeidsmarkt. Daarbij kan onder andere loopbaanoriëntatie en -begeleiding ná het afronden van de initiële studie centraal staan. Het betreft hier de fase na het behalen van een mbo-diploma. De focus is daarbij enerzijds gericht op de uitstroom naar werk, maar anderzijds ook op de doorstroom naar een vervolgopleiding op een hoger niveau en/of in een andere sector. Om alle gediplomeerden op korte en/of langere termijn zo optimaal mogelijk te kunnen inzetten op de arbeidsmarkt, is het tevens van belang – naast kansrijk opleiden – de relatie met de gediplomeerde mbo’er op alle niveaus en zijn of haar (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt blijvend te onderhouden;

  • het duurzaam borgen van de beoogde en behaalde resultaten van het ingediende project door (bestaande) samenwerkingsstructuren met relevante actoren op het gebied van economie en regionale arbeidsmarkt uit te bouwen en tegelijkertijd in te laten zetten op toekomstige (financierings)kansen, zodat ook (toekomstig) ingespeeld kan blijven worden op de economische- en sociale gevolgen van de klimaattransitie;

  • disseminatie van opgedane kennis met de uitvoering van het project binnen en buiten het primaire werkingsgebied. De arbeidsmarkt- en onderwijsregio van de provincie Groningen en de gemeente Emmen is nauw verbonden met overige Drenthe en de provincie Fryslân. Voor de continuatie van succesvolle werkwijzen en het vergroten van impact in Noord-Nederland verdient het aanbeveling om ‘best-practices’ met elkaar uit te wisselen, zowel binnen als buiten het projectpartnerconsortium, alsook binnen (uit te bouwen) samenwerkingsstructuren.

De openstelling draagt primair bij aan actielijn D van het JTF-programma ‘Investeringen in het gebruik van technologie, alsook in systemen en infrastructuur voor betaalbare schone energie, met inbegrip van technologieën voor energieopslag, en ter vermindering van broeikasgasemissies’, waarbij specifiek wordt ingezet op interventiegebied 136: sociaaleconomische integratie van jongeren. De regeling heeft een mogelijke spin-off naar actielijnen K en L op hetzelfde interventiegebied.

Artikel 2.15.3. Doelgroep

De doelgroep binnen deze openstelling bestaat uit roc of een samenwerkingsverband hoofdzakelijk bestaand uit roc’s.

Een aanvraag wordt ingediend door een publiek gefinancierde roc of een samenwerkingsverband bestaande uit overwegend publiek gefinancierde roc’s. In hun aanvraag staat de instroom, opleiding en doorstroom van jongeren in het primaire werkingsgebied (studenten die beroepsonderwijs volgen of gevolgd hebben) centraal, alsook de uitbouw en bestendiging van de samenwerkingsstructuur die nodig is tussen relevante actoren, zoals het regionale bedrijfsleven en de verschillende arbeidsmarktregio's. Bedrijven en andere relevante actoren in de beoogde samenwerkingsstructuur kunnen onder andere middels intentieverklaringen aantonen dat zij zich voor een langere periode dan de projectlooptijd committeren aan dit initiatief.

Artikel 2.15.4. Subsidiabele activiteiten

De subsidiabele activiteiten vormen de basis voor de uitwerking van de concrete acties, uit te werken in de projectaanvraag in samenhangende werkpakketten.

Artikel 2.15.5. Subsidieplafond

De beschikbare middelen voor deze titel bedragen in totaal € 10.500.000.

Artikel 2.15.6. Aanvraagperiode

De aanvraag kan binnen de benoemde periode worden ingediend via het webportal. De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats via het zogenaamde molenaarsprincipe – ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Hierbij geldt dat er voor de verdeling van subsidie pas sprake is van een aanvraag, wanneer er conform alle formats en (digitale) procedures een volledige aanvraag is ingediend, dit wil zeggen een aanvraag waarin (vrijwel) alle aspecten en antwoorden op vragen aanwezig zijn en zijn gevuld en waarbij alle voorgeschreven bijlagen zijn gevoegd.

Op de dag dat het plafond wordt overschreden, wordt er geloot, zoals in artikel 1.18, derde lid, van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 is aangegeven. De subsidietitel wordt gesloten zodra de sluitingsdatum is bereikt of als het beschikbare budget volledig is beschikt.

Artikel 2.15.7. Hoogte subsidie

De subsidie betreft 100 procent van de subsidiabele kosten, voor zover er sprake is van niet-economische activiteiten. Voor economische activiteiten bedraagt het maximale subsidiepercentage ook 100 procent, tenzij staatssteunbepalingen aanleiding geven om dit percentage lager vast te stellen.

Artikel 2.15.8. Subsidiabele kosten

Deze regeling subsidieert de volgende kosten:

  • a. loonkosten (inclusief overhead kosten): dit zijn interne loonkosten van ten hoogste € 55 per uur (SCO);

  • b. overige kosten derden: hieronder vallen alle kosten, niet zijnde loonkosten, conform het JTF-handboek die ingezet worden ten behoeve van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Ten aanzien van deze kosten (> € 250,–) dient een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht te worden overgelegd.

  • c. voorbereidingskosten: deze kosten zijn subsidiabel binnen deze titel, indien zij worden gemaakt om te komen tot een projectplan. Het is van belang dat de kosten nauwkeurig worden onderbouwd met bewijsstukken, zoals offertes, facturen en urenregistraties, om hun subsidiabiliteit aan te tonen.

Artikel 2.15.9. Starttermijn en looptijd

Als startdatum voor subsidiabiliteit van de kosten en activiteiten geldt de datum dat een complete aanvraag is ingediend (met uitzondering van voorbereidingskosten). Wanneer de aanvrager in de aanvraag een andere startdatum invult die later is dan de datum dat een complete aanvraag is ingediend, legt de intermediaire instantie die latere datum als startdatum voor subsidiabiliteit vast in de verleningsbeschikking.

In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden.

Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.

Het in te dienen project duurt in beginsel maximaal vier jaar (48 maanden).

Artikel 2.15.10. Afwijzingsgronden

In aanvulling op de algemene weigeringsgronden opgenomen in artikel 1.25 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027, zijn in dit artikel nadere afwijzingsgronden opgenomen.

Onderdeel a is opgenomen om betrokkenheid van het regionaal bedrijfsleven bij de uitvoering van activiteiten te borgen in de projectaanvraag. Deelname van het regionale bedrijfsleven is noodzakelijk om een vraag-gestuurde uitvoering van het plan te bewerkstelligen. Cruciaal bij het aspect van voldoende vertrouwen staat de verankering van het bedrijfsleven in de verplicht in te richten governance.

Ten aanzien van de zekerheid van financiering om tot daadwerkelijke uitvoering over te gaan, borgt onderdeel b het belang van sluitende financiering. Dit betekent in beginsel dat van cofinancieringen – anders dan de eigen bijdrage(n) en gevraagde JTF-subsidie – bindende toezeggingen moeten worden overlegd. Wanneer een aanvraag positief wordt beoordeeld maar er is op het moment van verleningsbeschikking nog geen sluitende financiering aangetoond, kan de subsidie onder opschortende voorwaarde worden toegekend. Aan deze opschortende voorwaarde wordt dan in de subsidieverleningsbeschikking een termijn verbonden. Deze termijn is in beginsel zes maanden. Oftewel, wanneer binnen deze termijn na afgifte van de verleningsbeschikking deze opschortende voorwaarde niet is vervuld, vervalt de subsidie. Bij het niet vervullen van een opschortende voorwaarde komt de verleningsbeschikking nooit formeel tot stand. Dit betekent dat er geen recht op subsidie tot stand is gekomen. De aanvraag wordt dan alsnog afgewezen.

In onderdeel c is een minimumbedrag van € 5.000.000 subsidie per project opgenomen. Er is voor dit minimumbedrag gekozen omdat het doel is om omvangrijke initiatieven te ondersteunen.

Artikel 2.15.11. Beoordelingscriteria

De beoordeling vindt in drie stappen plaats:

  • 1. beoordeling op volledigheid en ontvankelijkheid door de intermediaire instantie (SNN);

  • 2. inhoudelijke beoordeling door de Deskundigencommissie;

  • 3. beoordeling op financieel-technische subsidie-aspecten door de intermediaire instantie (SNN).

De beoordeling sluit aan op vier van de zes criteria die in artikel 1.20 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 zijn voorgeschreven. Met het oog op de doelstelling, de inhoud en het karakter van deze titel is de weging van de vier criteria als volgt bepaald:

  • A. voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma/vigerend beleid JTF Nederland 2021–2027: 45 punten;

  • B. voor de mate waarin het project sociaaleconomisch integraal is: 25 punten

  • C. voor de kwaliteit van het projectplan: 15 punten; en

  • D. voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 15 punten.

Ad A. Mate van bijdrage aan de doelstellingen van het Programma JTF Nederland 2021–2027

Bij het beoordelen van dit criterium wordt een oordeel gegeven over de passendheid van de aanvraag in het Operationeel Programma JTF 2021–2027. Onderdeel daarvan is de beoordeling in hoeverre het project daadwerkelijk bijdraagt aan het opvangen van mogelijk negatieve effecten van de klimaattransitie in de regio beredeneerd vanuit het perspectief van de behoefte aan voldoende praktisch opgeleid personeel om de klimaat- en RIS3-transities om te zetten. Bovenliggend kader voor het programma zijn de TJTP’s.

Een meer onderscheidend karakter van het project blijkt onder andere uit:

  • de kwaliteit van de onderbouwing van de (verwachte) bijdrage aan de doelstellingen van het programma;

  • de mate waarin er op innovatieve wijze wordt ingezet op het geheel van instroom, opleiding en doorstroom van studenten in het beroepsonderwijs in het primaire werkingsgebied, alsook op welke toekomstbestendige wijze integrale samenwerkingsstructuren worden doorontwikkeld om aan de toekomstige en veranderende vraag naar praktisch geschoold personeel door het regionale bedrijfsleven te voldoen;

  • de wijze waarop de projectaanvrager de effectiviteit van te plegen interventies monitort gedurende de projectlooptijd;

  • de wijze waarop (voor langere termijn) er invulling wordt gegeven aan het begrip ‘sociaaleconomische integratie van jongeren’ bezien vanuit de behoefte van het primaire werkingsgebied.

Ad B. Mate van sociaaleconomische integraliteit

Voor projecten die een meer maatschappelijke bijdrage leveren is het van belang om de kosten in relatie te brengen met de maatschappelijke opbrengsten. Binnen deze openstelling die een integrale sociaaleconomische werking heeft is het toekomstperspectief en de sociaaleconomische integratie van jongeren in de regio, meer specifiek (aankomende) studenten in het beroepsonderwijs, het beoordelingsaspect.

Centraal bij dit criterium staat de onderbouwing hoe de beoogde activiteiten ten goede komen aan het behalen van de doelstelling van de openstelling (artikel 2.15.2).

Ad C. Mate van kwaliteit van het projectplan

Bij het criterium kwaliteit van het projectplan wordt gekeken naar de kwaliteit van de aanvrager en het projectplan. De planning, interne sturing op activiteiten en het behalen van doelstellingen en organisatie van het project, beschikbare team en samenstelling van het consortium zijn beoordelingsaspecten bij dit criterium. Daarnaast kan worden gekeken naar de keuze van activiteiten om het probleem aan te pakken, en met welke argumentatie en bewijskracht die keuzes zijn onderbouwd.

Dit blijkt uit de volgende elementen:

  • de mate waarin het projectplan concreet antwoord geeft op alle onderwerpen van het format;

  • realistische planning in relatie tot de activiteiten in het eerste uitvoeringsjaar en mogelijke uitvoeringsrisico’s;

  • de mate van ervaring van de aanvrager of de (beoogd) exploitant en eventuele partners met het type project waar de aanvraag over gaat;

  • de kwaliteit van een eventueel samenwerkingsverband naar complementariteit, rolverdeling, vorm en omvang van commitment en de inrichting van de projectgovernance.

Ad D. Mate van bijdrage aan duurzame ontwikkeling en maatschappelijke-sociale impact

Bij het beoordelen van dit criterium wordt een kwalitatief en kwantitatief oordeel gegeven over de mate waarin er binnen het project sprake is van duurzame ontwikkeling en in hoeverre het project een bredere maatschappelijke impact heeft.

Ten aanzien van een bredere maatschappelijke impact van het project, blijkt de bijdrage onder andere uit:

  • de mate waarin de aanvrager voorziet in een programmatische aanpak zoals beschreven in de openstelling;

  • de mate waarin voorgesorteerd wordt op continuering van het project na afloop van de projectlooptijd (borging resultaten).

In artikel 1.25, onderdelen k en l, van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 is bepaald dat de uitslag van de inhoudelijke beoordeling door de Deskundigencommissie negatief is, wanneer:

  • het project in totaal minder dan 70 punten scoort; of

  • het project op een of meer van de gehanteerde criteria minder dan de helft van het maximumaantal punten op dat criterium scoort.

Artikel 2.15.12. Voorschot

Dit artikel bepaalt in welke mate en wanneer bevoorschotting of uitbetaling van subsidie plaatsvindt. Geen voorschotten worden verleend wanneer de beschikking opschortende of ontbindende voorwaarden bevat en deze voorwaarden nog niet zijn vervuld.

Artikel 2.15.13. Subsidieaanvraag

Dit artikel bepaalt op welke wijze de subsidieaanvraag ingediend moet worden.

Artikel 2.15.14 Staatssteun

De steun die middels deze subsidietitel wordt gegeven, is in de basis niet aan te merken als economisch en levert geen voordeel op voor de ontvangers. Hierdoor wordt niet voldaan aan de cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en daardoor is er geen sprake van staatssteun. Hierdoor is steun tot wel 100 procent toegestaan.

De cumulatieve criteria zijn:

  • de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • de steun wordt door staatsmiddelen bekostigd;

  • deze staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit);

  • de maatregel is selectief: het geldt voor één of enkele ondernemingen, een specifieke sector/regio;

  • de maatregel vervalst de mededinging (in potentie) en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.

Mocht blijken dat er wel sprake is van economische activiteiten en staatssteun dan is het subsidiepercentage voor de subsidiabele kosten gemaximeerd op het percentage uit het artikel van de Algemene groepsvrijstellingsverordening waarop deze vrijgesteld is.

Artikel I, onderdeel D

Artikel 3.1.8, tweede lid

Deze wijziging betreft het verlengen van de looptijd van de openstelling. Veel projecten hebben een langere looptijd dan voorzien bij de aanvraag. Dit kan bijvoorbeeld liggen aan vergunningverlening of aan issues met aansluiting aan het stroomnet.

Artikel I, onderdeel E

Artikel 3.2.5

Deze wijziging betreft het verlagen van het subsidieplafond met € 2.000.000 vanwege achterblijvende aanvragen en het verlengen van de periode waarin aanvragers een aanvraag kunnen doen met zes maanden. Het bedrag van € 2.000.000 wordt gereserveerd voor een geplande openstelling voor een Sociaal Impact Fonds, waarvoor een programmawijziging is gedaan. Voor aanvragen tot en met 14 mei 2025 geldt nog het oude subsidieplafond.

Artikel I, onderdeel F

Artikelen 3.2.6, eerste lid, en 3.2.15

Het ontwikkelen van projecten en voorbereiden van aanvragen kost meer tijd dan was voorzien. Daarom wordt de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend, met zes maanden verlengd naar 1 maart 2026. Met het verlengen van de aanvraagtermijn schuift ook de vervaltermijn door naar 1 maart 2026.

De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

Naar boven