Regeling van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2024, nr. 2024-0000382167, tot wijziging van de Subsidieregeling JTF 2021–2027, in verband met het vaststellen van titel 2.11 en enkele wijzigingen in de hoofdstukken 1 tot en met 3

De Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op verordening (EU), nr. 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PbEU 2021, L 231);

Gelet op artikel 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 2 en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en de artikelen 3, eerste, derde en vierde lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluiten:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling JTF 2021–2027 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.11, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel e vervalt ‘en’.

2. Er wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door ‘; en’, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. fondskapitaal.

B

Artikel 1.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zesde lid, onderdeel a, wordt na ‘het eerste lid, onderdeel a’ ingevoegd ‘en het zevende lid’.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het vaste uurtarief voor medewerkers die op basis van het minimumloon werken, € 20,90.

  • 8. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt bij een voltijd dienstverband het vaste percentage berekend over een maandtarief van € 2.891 per werknemer die op basis van het minimumloon werkt, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat de werknemer per maand aan het project werkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten.

C

In artikel 1.30, vierde lid, wordt ‘20’ vervangen door ‘40’.

D

Artikel 2.1.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien het project valt onder het werkingsgebied van de Regionale Steunkaart 2022–2027, bedoeld in artikelen 13 en 14 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, bedraagt de subsidie voor een:

    • a. kleine onderneming maximaal 30 procent van de subsidiabele kosten;

    • b. middelgrote onderneming maximaal 20 procent van de subsidiabele kosten;

    • c. grote onderneming maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten.

2. Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot derde, vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien het project niet valt onder het werkingsgebied van de Regionale Steunkaart 2022–2027 bedraagt de subsidie voor een:

    • a. kleine onderneming maximaal 20 procent van de subsidiabele kosten;

    • b. middelgrote onderneming maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten.

3. In het vijfde lid (nieuw) wordt, onder verlettering van onderdeel b tot c, na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. artikel 17 inzake investeringssteun voor kmo’s;.

E

In artikel 2.1.14 wordt na ‘artikelen 13, 14’ ingevoegd ‘, 17’.

F

Titel 2.11 komt te luiden:

Titel 2.11. Steun aan langdurig werkzoekenden

Artikel 2.11.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

langdurig werkzoekende:

een persoon die valt onder de Participatiewet met een vergrote afstand tot de arbeidsmarkt, die niet in staat is op eigen kracht aan de arbeidsmarkt deel te nemen, niet zijnde leerlingen van scholen en opleidingen;

loonwaarde:

de waarde, uitgedrukt in euro's, van de arbeid die iemand nog kan uitvoeren. Voor de berekening van de loonwaarde wordt bepaald wat de actuele inzetbaarheid van de werknemer is ten opzichte van de normfunctie;

professional:

een persoon met hbo werk- of denkniveau die binnen het project is aangesteld om een langdurig werkzoekende te begeleiden;

RIS3 transities:

de transities, zoals beschreven in hoofdstuk 1.4 van de RIS3 2021–2027;

RIS3 2021–2027:

Research & Innovation Strategy for Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2021–2027 is uiteengezet;

SOB:

sociaal ontwikkelbedrijf, een bedrijf dat langdurig werkzoekenden aan het werk helpt;

sociaaleconomisch traject:

SOB's stellen in samenspraak met een of meerdere bedrijven een traject op om langdurig werkzoekenden in staat te stellen om op termijn deel te nemen aan de arbeidsmarkt;

TJTP:

Territorial Just Transition Plan, het territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie voor JTF-regio Groningen-Emmen 2021–2027, zoals opgenomen als bijlage bij het nationaal JTF-programma 2021–2027;

werkingsgebied:

de JTF-regio Groningen-Emmen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel a.

Artikel 2.11.2. Doel subsidie
  • 1. Het doel van de openstelling op grond van deze titel is om sociaaleconomische trajecten uit te voeren die passen binnen de RIS3 transities.

  • 2. Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen Spoor 3 van het TJTP voor het toekomstbestendig maken van de beroepsbevolking en het versterken van menselijk kapitaal en maatschappelijk perspectief.

  • 3. Trajecten waar langdurig werkzoekenden op worden ingezet moeten bijdragen aan minimaal één van de vier transities die zijn opgenomen in de RIS3 2021–2027.

  • 4. Projecten hebben als doel dat de deelnemende langdurig werkzoekende gedurende een traject van maximaal achttien maanden een duurzame aansluiting kan vinden op de arbeidsmarkt ten einde:

    • a. de positie van de langdurig werkzoekenden te versterken op de arbeidsmarkt, zodat het risico dat zij definitief de aansluiting met de arbeidsmarkt verliezen wordt voorkomen of beperkt; en

    • b. het ondersteunen en ontzorgen van werkgevers voor de invulling dan wel toekomstige invulling van vacatures door langdurig werkzoekenden uit het onbenut arbeidspotentieel in de vorm van het aanbieden van passende werkgelegenheid, aansluitend op de RIS3-transities.

Artikel 2.11.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een project aan:

  • a. een SOB;

  • b. een samenwerkingsverband van SOB’s; of

  • c. een gemeente.

Artikel 2.11.4. Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze titel kan worden verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op:

  • a. het aanbieden van passende werkgelegenheid door publieke- en private partijen, die bijdraagt aan de arbeidsmarktpositie van langdurig werkzoekenden;

  • b. het stimuleren en aanbieden van begeleiding en scholing en ontwikkeling van vaardigheden voor langdurig werkzoekenden, met daarbij in begrepen de kosten voor randvoorwaardelijke activiteiten die daarvoor noodzakelijk zijn;

  • c. het begeleiden van langdurig werkzoekenden om te integreren in de bedrijfsomgeving indien zij een baan hebben gevonden;

  • d. het begeleiden van de langdurig werkzoekende waardoor de arbeidsvaardigheden toenemen en de positie van de langdurig werkzoekenden op de door transitie veranderende arbeidsmarkt wordt versterkt; of

  • e. loonwaardemeting uitgevoerd door een professional, als (eind)onderdeel van het traject passende werkgelegenheid binnen dit project.

Artikel 2.11.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling
  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 15.000.000.

  • 2. De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

  • 3. Aanvragen worden beoordeeld door de deskundigencommissie overeenkomstig artikel 1.21.

Artikel 2.11.6. Aanvraagperiode
  • 1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 1 november 2024 09.00 uur tot en met 14 februari 2025 17.00 uur.

  • 2. Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het www.jtf-webportal.nl/mijn/ of via www.snn.nl.

Artikel 2.11.7. Hoogte subsidie
  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste:

    • a. 50 procent van de in aanmerking komende subsidiabele kosten voor in dienst genomen langdurig werkzoekenden, bedoeld in artikel 2.11.8, onderdeel b; of

    • b. 100 procent voor de loonkosten voor de begeleiding van langdurig werkzoekenden, bedoeld in artikel 2.11.8, onderdeel a, en overige kosten als bedoeld in artikel 2.11.8, onderdeel c.

Artikel 2.11.8. Subsidiabele kosten
  • 1. In afwijking van artikel 1.11 komen uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van het project:

    • a. loonkosten inclusief overheadkosten voor de begeleiding van langdurig werkzoekenden;

    • b. loonkosten van in dienst genomen langdurig werkzoekenden tegen maximaal het minimumloon, bedoeld in artikel 1.12, zevende en achtste lid, voor een maximale termijn van 18 maanden; of

    • c. overige kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd.

  • 2. Artikel 1.11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.11.9. Starttermijn en looptijd
  • 1. Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking.

  • 2. De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid.

  • 3. Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijnen bedoeld in het eerste of tweede lid verlengen.

Artikel 2.11.10. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de activiteiten niet worden uitgevoerd in het werkingsgebied, tenzij de resultaten overwegend en aantoonbaar ten goede komen aan het werkingsgebied tijdens of na de te subsidiëren activiteiten;

  • b. de aan het project te verlenen subsidie minder bedraagt dan € 2.000.000 per project;

  • c. de financiering van het project, met uitzondering van de gevraagde subsidie, niet aantoonbaar sluitend is; of

  • d. niet aannemelijk is dat alle projectactiviteiten van het project uiterlijk 31 december 2028 volledig ten uitvoer kunnen zijn gebracht.

Artikel 2.11.11. Beoordelingscriteria
  • 1. Gelet op artikel 1.20, tweede lid, wordt een project uitsluitend beoordeeld op de onderdelen a, d, e en f van het eerste lid van dat artikel.

  • 2. Gelet op artikel 1.20, derde lid, bedraagt het maximaal aantal punten per onderdeel van het eerste lid:

    • a. voor criterium a maximaal 40 punten;

    • b. voor criterium d maximaal 30 punten;

    • c. voor criterium e maximaal 15 punten; en

    • d. voor criterium f maximaal 15 punten.

Artikel 2.11.12. Voorschot
  • 1. De Minister van SZW verleent op aanvraag een voorschot vooruitlopend op te maken kosten als bedoeld in artikel 1.30 van 20 procent van de verleende subsidie met een maximum van € 500.000.

  • 2. De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend, wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 3. De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

Artikel 2.11.13. Subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

  • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;

  • b. de bij het aanvraagformulier behorende documenten als bijlagen.

Artikel 2.11.14. Verplichtingen subsidieontvanger

Onverminderd artikel 1.26 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a. de resultaten van de samenwerking met bedrijven in Noord-Nederland in overwegende mate ten goede te laten komen aan het werkingsgebied;

  • b. een deelnemersadministratie te voeren op een door de Minister van SZW voorgeschreven wijze; en

  • c. op basis van in de verleningsbeschikking aangewezen indicatoren te rapporteren.

Artikel 2.11.15. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.11.3, bevat geen staatssteun.

Artikel 2.11.16. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

G

In artikel 3.2.8, derde lid, vervalt onderdeel b, onder vernummering van onderdeel c tot onderdeel b.

H

Na artikel 3.2.14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.2.14a. Wijzigingsverzoeken

Onverminderd artikel 1.26, vierde lid, kan de Minister van SZW op verzoek van de subsidieaanvrager of subsidieontvanger een wijzigingsverzoek in behandeling nemen voor een reeds ingediende aanvraag, toestemming verlenen voor de wijziging van een project waarvoor subsidie wordt verstrekt, of toestemming verlenen voor afwijking van de subsidieverleningsbeschikking, indien de wijziging of afwijking verband houdt met een wijziging in deze subsidietitel die plaatsvond na indiening van de subsidieaanvraag.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inhoud regeling

Met deze wijzigingsregeling worden de hoofstukken 1, 2 en 3 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 gewijzigd.

In hoofdstuk 1 wordt een drietal artikelen gewijzigd. Zo wordt een kostenpost toegevoegd aan artikel 1.11, wordt in artikel 1.12 een vast uurtarief opgenomen voor medewerkers die op basis van het minimumloon werken en wordt het voorschotpercentage voor nog te maken kosten verhoogd van maximaal 20 naar maximaal 40 procent van het oorspronkelijk verleende subsidiebedrag. In hoofdstuk 1 zijn de algemene bepalingen opgenomen.

In hoofdstuk 2 wordt het voor titel 2.1 mogelijk gemaakt steun te verleningen onder artikel 17 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening1. Daarnaast wordt titel 2.11 vastgesteld, zie hiervoor paragraaf 1.1 van deze toelichting. Hoofdstuk 2 ziet op de JTF-regio Groningen-Emmen.

In hoofdstuk 3 wordt het aanpassing gedaan in titel 3.2. Hoofdstuk 3 ziet op de JTF-regio IJmond.

1.1. Titel 2.11. Steun aan langdurig werkzoekenden
1.1.2. Doel

Het Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF) voor de regio Groningen-Emmen richt zich op een nieuw, economisch en groen perspectief en daaraan gekoppeld een wendbare en weerbare beroepsbevolking. Hierbinnen wordt het bedrijfsleven, bij voorkeur samen met kennisinstellingen, uitgedaagd om te innoveren langs de lijnen van de regionale innovatiestrategie 2021–2027 (RIS3 2021–2027).

De RIS3 is de ‘Research & Innovation Strategy for Smart Specialization’, een overkoepelende innovatiestrategie, voor Noord-Nederland. Kenmerkend voor RIS3 2021–2027 is het uitgangspunt te werken aan grote maatschappelijke vraagstukken, de ’transities’. Met de subsidietitels onder hoofdstuk 2 worden aanvragers uitgedaagd om te komen met projecten die gericht zijn op de vier transities uit deze RIS3, zijnde:

  • 1. van een lineaire naar een circulaire economie;

  • 2. van fossiele naar hernieuwbare energie;

  • 3. van zorg naar duurzame gezondheid;

  • 4. van analoog naar digitaal.

Hieronder volgt een korte toelichting per transitie:

  • 1. Van een lineaire naar een circulaire economie: inzet op minder, ander, optimaal en intensief grondstoffen- en materialengebruik. De circulaire economie biedt kansen voor de economie op het gebied van onder meer recycling, watertechnologie, duurzame energie, health, landbouw en groene chemie en draagt bij aan een groener en schoner Noord-Nederland (NNL). Via innovatie worden positieve effecten beoogd op luchtkwaliteit, stikstof/CO2 uitstoot en biodiversiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om innovaties rond de ontwikkeling van niet-dierlijke eiwitten. Om de doelstelling 100 procent circulair in 2050 te behalen volstaan hergebruik en bestaande technologieën niet en zijn ook nieuwe innovaties nodig. Op elk van de genoemde terreinen zijn er investeringsbehoeften die partijen die rond deze thema’s in ketenbenaderingen actief zijn, in staat stellen kansen te benutten.

  • 2. Van fossiele naar hernieuwbare energie: om de doelstellingen op het vlak van CO2-reductie in 2030 en 2050 te halen én gezien de regio specifieke kenmerken ligt hier een belangrijke innovatiekans. NNL heeft relatief veel biomassa (organische stoffen uit de landbouw), water en aardwarmtebronnen. De energiesector vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijk- en sociaaleconomische structuur. NNL heeft mede door de gaswinning een sterk ontwikkelde energie infrastructuur en daaraan gerelateerde kennis en kunde. NNL loopt voorop in de ontwikkeling van groene waterstofproductie, transport en toepassingen. Specifieke kansen zijn er bijvoorbeeld op het gebied van groene chemie, watertechnologie, milieutechnologie en voedselchemie.

  • 3. Van zorg naar duurzame gezondheid. De groeiende vraag naar zorg en de steeds krapper wordende arbeidsmarkt zetten het zorgsysteem onder druk. COVID-19 heeft die druk fors verhoogd en zwaktes in het systeem blootgelegd. De urgentie om te komen tot snellere en betere uitwisseling van capaciteits- en patiënt gerelateerde data, het versterken van de rol en informatiepositie van burgers en patiënten daarbij en een verschuiving van zorg naar gezondheid (preventie) is door COVID-19 nog verder toegenomen. Daarvoor zijn innovaties noodzakelijk. Hier liggen ontwikkelkansen voor NNL, ook gerelateerd aan de toepassing van digitale technologieën.

  • 4. Van analoog naar digitaal. Er is een ingrijpende transitie gaande naar een digitale economie die raakt aan elk maatschappelijk vraagstuk en elke sector, zoals ook zichtbaar in de EU-strategie uitgestippeld in de EU Digital Compass. De kansen voor NNL liggen niet op het gebied van sleuteltechnologieën, maar op het gebied van toepassing van digitale technologieën en daaruit afgeleide kansen. Dit werkt twee kanten op: het aanhaken van MKB bij de digitaliseringstransities en het benutten van ICT-gerelateerde kansen. Dit laatste kan bijvoorbeeld in de energie-intensieve procesindustrie waar digitalisering, sensoren en data steeds belangrijker worden om zicht te krijgen op het energiegebruik in het productieproces en om besparingskansen te identificeren.

Deze transities moeten overigens niet opgevat worden als een sectorale afbakening. Een nadere toelichting staat in de RIS3 2021–2027.

De resultaten van het project dienen overwegend ten goede te komen aan de JTF-regio Groningen-Emmen. Wanneer de activiteiten in deze regio worden uitgevoerd, en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen van de activiteiten in de JTF-regio Groningen-Emmen worden uitgevoerd is het van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit dient aantoonbaar in overwegende mate in de JTF-regio Groningen-Emmen te zijn. Dit dient door de aanvrager(s) in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd. Dit kan onder meer blijken uit de samenstelling van het projectpartnerconsortium, de verdeling van kosten alsook het aantal beoogde deelnemers afkomstig uit het werkingsgebied.

1.1.3. Project

De RIS3 transities hebben grote invloed op bestaande en toekomstige banen. Huidige en toekomstige werknemers dienen nieuwe vaardigheden en kennis op te doen, zodat zij nu en in de toekomst de voor de RIS3 transities noodzakelijke werkzaamheden passend kunnen vervullen. Daarnaast vraagt structurele krapte op de arbeidsmarkt in onze regio van werkgevers een andere manier van strategische personeelsplanning waaronder een andere manier van werving en selectie van werknemers. Hierbij is het belangrijk dat er ook gebruik gemaakt kan worden van potentiële arbeidskrachten die op dit moment niet of slechts gedeeltelijk deelnemen aan de arbeidsmarkt.

De JTF-regio Groningen-Emmen zet met de al opengestelde subsidieregelingen binnen het Just Transition Fund Nederland grootschalig in op het om- her- en bijscholen van de (potentiële) beroepsbevolking zodat zij op zowel korte als lange termijn de bovengenoemde vaardigheden en kennis eigen kunnen maken, waardoor een evenwichtige sociaaleconomische transitie bevorderd wordt en de negatieve gevolgen van de transities verzacht worden.

Deze subsidietitel voor langdurig werkzoekenden is nadrukkelijk bedoeld voor inwoners die de aansluiting met de bestaande functies en werkzaamheden op de arbeidsmarkt zijn verloren en voor wie ‘reguliere’ trajecten die gericht zijn op de ontwikkeling van vaardigheden in specifieke sectoren of beroepen (zoals in de regeling voor transitie arbeidsmarkt) geen oplossing bieden omdat het hen onder andere ontbreekt aan de hiervoor benodigde basale vaardigheden. Voor deze inwoners zijn specifieke vormen van werkgelegenheid de beste manier om te gaan deelnemen aan de arbeidsmarkt en/of zich daarna alsnog te ontwikkelen naar andere (reguliere) vormen van werk.

Om richting deze banen te ontwikkelen, is het voor langdurig werkzoekenden de enig mogelijke stap om tijdelijke passende werkgelegenheid te vervullen in combinatie met de juiste training, coaching en begeleiding. Deze passende werkgelegenheid is gelieerd aan de RIS transities en richt zich op een doelgroep die niet direct in staat is de productiviteit te leveren die een commercieel bedrijf verlangt. Om deze stap wel te kunnen maken, wordt er in een tijdsbestek van 18 maanden gebouwd aan werk in combinatie met training, coaching en begeleiding. Hiervoor zal het minimumloon (de loonkosten van de langdurig werkzoekenden) voor 50 procent via JTF gefinancierd worden voor maximaal 18 maanden teneinde de verminderde productiviteit op te vangen en dus verminderde loonwaarde. De loonwaarde is de waarde, in geld, van de arbeid die iemand nog kan uitvoeren. Met de berekening van de loonwaarde wordt bepaald wat de actuele inzetbaarheid van de werknemer is ten opzichte van de normfunctie.

De reële verwachting is dat de feitelijke loonwaarde aan het begin van de arbeidsovereenkomst aanzienlijk lager zal zijn dan 50 procent. Dit zal zich positief ontwikkelen en de verwachting is dat de gemiddelde loonwaarde tijdens de gehele periode uitkomt op 50 procent. Daarom is een vast bedrag aan subsidiabele kosten voor het minimumloom inclusief werkgeverslasten in het leven geroepen van € 20,90.

Professionals die de werkzoekenden begeleiden, kunnen aan het einde van het traject bepalen of de productiviteit van de deelnemer dusdanig gegroeid is, dat de loonwaarde dusdanig is gestegen dat uitstroom mogelijk is. Hierbij is het uitgangspunt dat deelnemers die de maximale trajectduur volgen niet op 100 procent economische inzetbaarheid komen. Voor zover deelnemers wel op de 100 procent inzetbaarheid komen tijdens het traject, zal dit traject worden beëindigd. De reden hiervoor is dat er dan sprake zal zijn van een economische inzetbaarheid die voordeel oplevert. Doordat het minimumloon als beginwaarde wordt gerekend, is pas vanaf de 100 procent sprake van economische inzetbaarheid met voordelen. Het is aannemelijk dat een langdurig werkzoekende over het traject gemiddeld 50 procent inzetbaar is. Naar verwachting zal deze inzetbaarheid aan het begin van het traject op 10 tot 20 procent zitten en aan het eind mogelijk op 80 procent. Hierbij is een loonwaardemeting een instrument om objectief te beoordelen of iemand de stap naar een reguliere baan kan maken, of dat er gekeken zou moeten worden naar andere opties. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld beschut werk of een verlengde gesubsidieerde baan. Wanneer blijkt dat de loonwaarde voldoende is gestegen, zal de langdurig werkzoekende geen gebruik meer maken van het onder JTF gesubsidieerde traject. Het traject hoeft hierbij niet gelijk te zijn aan de subsidieperiode van 18 maanden.

De langdurig werkzoekenden ontvangen een minimumloon en zullen sociaaleconomische trajecten volgen. Deze trajecten worden direct binnen de regeling ondersteund en zijn gelieerd aan de RIS transities, bijvoorbeeld gericht op de transitie naar groene energiebronnen of de transitie naar circulariteit. Dit gebeurt in een niet-commerciële omgeving, waarbij zoveel mogelijk werk of informatie over de aan te leren competenties van reguliere bedrijven naar het sociaal ontwikkelbedrijf wordt gebracht als mogelijke opstap naar een commerciële baan ten behoeve van de RIS-transities. Het doel is uiteindelijk zelfstandig te kunnen werken.

Daarnaast ondersteunt en ontzorgt deze regeling werkgevers bij de werving en selectie van (toekomstige) werknemers uit het onbenut arbeidspotentieel.

1.1.4. Vormgeving
1.1.4.1. Subsidieaanvraag

Voor volledigheid van de aanvraag – en daarmee de behandelvolgorde – is het noodzakelijk dat alle vereiste informatie bij de aanvraag wordt ingediend (artikel 1.22 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027). Aanvragen worden ingediend via het digitale loket dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/ of via www.snn.nl., waar de aanvullende verplichte bijlagen worden benoemd.

1.1.4.2. Subsidiebeoordeling

Bij alle subsidietitels worden aanvragen op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria (zie voor een nadere toelichting de toelichting bij artikel 2.11.11). Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het voor deze subsidietitel geldende subsidieplafond is bereikt.

Bij het uitvoeren van de subsidietitel wordt gebruik gemaakt van een deskundigencommissie, waarvan de voorzitter en ten minste drie leden op voordracht van de intermediaire instantie door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister van SZW) zijn benoemd (artikel 1.12, vierde lid, van de Subsidieregeling JTF 2021–2027). Deze deskundigencommissie adviseert de Minister van SZW.

Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan door het SNN. Vervolgens wordt het project voorgelegd aan de deskundigencommissie die het project inhoudelijk op kwaliteit beoordeelt en advies geeft ten aanzien van de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in artikel 2.11.11.

Indien de Minister van SZW, op advies van de deskundigencommissie, besluit minimaal 70 punten aan het project toe te kennen en voor alle gehanteerde criteria minimaal de helft van de mogelijke punten is toegekend, wordt tenslotte in de derde stap het project financieel-technisch getoetst. Denk hierbij aan de toets op de staatssteunregelgeving, de uitvoeringsperiode, de maximaal gevraagde subsidie en dekking van de kostenbegroting. In dit kader wordt ook getoetst of de begrote projectkosten voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving. Als na de inhoudelijke toetsing ook de financieel-technische toetsing positief blijkt, dan kan subsidie worden verleend en volgt de verleningsbeschikking. Indien hiertoe aanleiding is kan een afwijkende werkwijze worden gevolgd.

De Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie, kent resultaat- en outputindicatoren. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten. Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te worden gemotiveerd. De streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken te worden gestaafd.

2. Staatssteun

2.1. Algemeen

Een belangrijke voorwaarde bij deze regeling is dat wanneer op grond van staatssteunbeperkingen (zoals de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening) een lager maximumpercentage aan subsidie geldt, het geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening. Er kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. Steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun geoorloofd is en past binnen geldende staatssteunregels. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.

De steunanalyse of er sprake is van staatssteun in de aanvraag, en indien dat zo is welke grondslag tot geoorloofde staatssteun van toepassing is, is een verplicht onderdeel van het aanvraagformulier. De steunanalyse dient dus door de aanvrager te worden aangeleverd. Het verdient aanbeveling deze te laten opstellen door een deskundige in dit specifieke rechtsgebied. De steunanalyse wordt door de intermediaire instantie beoordeeld als onderdeel van de financieel-technische toets.

2.2. Titel 2.11. Steun aan langdurig werkzoekenden

Voor titel 2.11 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 geldt dat de steun die middels deze titel wordt verleend, niet is aan te merken als economisch en de steun levert derhalve geen voordeel op voor de ontvangers. Hierdoor wordt niet voldaan aan de cumulatieve staatssteuncriteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en daardoor is er geen sprake van staatssteun. Steun tot wel 100 procent is daardoor toegelaten. Mocht blijken dat er wel sprake is van economische activiteiten en staatssteun dan is het subsidiepercentage voor de subsidiabele kosten gemaximeerd op het percentage of bedrag uit het artikel waarop deze vrijgesteld is.

3. Regeldruk

3.1. Titel 2.11. Steun aan Langdurig Werkzoekenden

De verwachting is dat onder deze titel één projectaanvraag zal worden ingediend voor het maximaal beschikbare subsidieplafond, € 15.000.000. Uitgaande van een gemiddelde aanvraag met vijf projectpartners en een duur van drie jaar en één aanvraag binnen deze openstelling geldt dat er één verleningstraject, drie wijzigingen, drie voortgangsrapportages en één eindrapportage gemaakt moet worden. Samen kost dit 250 uur per aanvraag voor gemiddeld twee personen aan € 100 per uur hetgeen resulteert in: 500 uur maal € 100 per aanvraag en monitoring. Er wordt uitgegaan van maximaal één gehonoreerde aanvraag binnen deze module. Deze rekensom resulteert daarmee in € 50.000,00 administratieve lasten. Dit zijn dus uitsluitend de kosten aan de kant van de aanvragen voor indienen, verantwoorden en vast laten stellen. Uitgangspunt is verplicht gebruik van een Simplified Cost Option (SCO) of Integrale Kostensystematiek (IKS) voor loonkosten.

4. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Met de datum van publicatie en inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep van deze regeling gebaat is bij spoedige inwerkingtreding.

II. ARTIKELEN

De onderhavige wijzigingen van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 worden hierna, waar nodig, toegelicht.

Artikel I, onderdeel A (artikel 1.11)

Met dit onderdeel wordt het mogelijk gemaakt subsidie te verlenen voor de kostenpost fondskapitaal. Fondskapitaal is het bedrag aan financiële middelen dat wordt beheerd binnen een financieringsinstrument met als doel het verstrekken van leningen aan bijvoorbeeld startups en mkb. Fondskapitaal wordt ingezet als kostenpost om te verantwoorden welke leningen zijn verstrekt aan startups en mkb.

Artikel I, onderdeel B (artikel 1.12)

Dit onderdeel introduceert een vast uurtarief voor medewerkers die op basis van het minimumloon werken. Het vaste uurtarief is gebaseerd op het geldende minimumloon (prijspeil 2024 geïndexeerd met 2 procent inflatiecorrectie over drie jaar) vermeerderd met de SCO voor werkgeverlasten tegen een percentage van 37,5 en vakantiebijslag tegen een percentage van 8. De berekening wordt dan als volgt:

€ 13,27 * 1,023 (indexatie) * 1,08 (vakantiegeld) * 1,375 (SCO werkgeverslasten) = € 20,90.

Artikel I, onderdeel C (artikel 1.30)

Met dit onderdeel wordt het voorschotpercentage voor nog te maken kosten verhoogd van maximaal 20 naar maximaal 40 procent van het oorspronkelijk verleende subsidiebedrag.

Artikel I, onderdelen D en E (titel 2.1)

Met deze onderdelen wordt het mogelijk gemaakt om voor aanvragen op basis van titel 2.1 steun te verlenen onder artikel 17 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel I, onderdeel F (titel 2.11)

Dit onderdeel introduceert titel 2.11 in hoofdstuk 2. Dat hoofdstuk ziet op de JTF-regio Groningen-Emmen.

Titel 2.11. Steun aan Langdurig Werkzoekenden
Artikel 2.11.1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat voor deze titel relevante begrippen, in aanvulling op de begrippen uit artikel 1.1 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027.

Artikel 2.11.2. Doel subsidie

Deze subsidietitel is gericht op het creëren van sociaaleconomische trajecten waarmee langdurig werkzoekenden alsnog deel kunnen nemen aan de arbeidsmarkt óf alsnog de stap kunnen maken naar andere vormen van betaald werk. Dit kan op verschillende manieren:

  • door tijdelijke werkgelegenheid te creëren in een niet-commerciële omgeving waarmee men vaardigheden, passend bij de RIS3 transities, opdoet die voorbereiden op deelname aan de reguliere commerciële arbeidsmarkt op termijn. Op deze manier kunnen langdurig werkzoekenden via een ge-update CV (inclusief de – in het uitgevoerde werk opgedane – werknemersvaardigheden en skills die passen bij de huidige vraag) weer een plaats innemen op de arbeidsmarkt;

  • door bestaande werkgelegenheid anders te organiseren en uit te voeren waardoor werk wél kan worden gedaan waarvoor anders geen personeel te vinden zou zijn (bijvoorbeeld door jobcarving of jobcreatie binnen bijvoorbeeld technische-, bouw- en energiebedrijven of door delen van werk uit te besteden aan sociale ontwikkelbedrijven).

Aanvragen zijn gericht op het creëren van passende werkgelegenheid in combinatie met de juiste training, coaching en begeleiding voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zodat zij over de vaardigheden gaan beschikken die de veranderende arbeidsmarkt vraagt. Voor de uitvoering van deze regeling zetten aanvragers hun eigen netwerk en infrastructuur in en maken zij waar mogelijk gebruik van het aanbod aan werkzaamheden van reguliere werkgevers. Dat kan zowel op de locatie van de werkgever als van de aanvrager, bijvoorbeeld waar de reguliere werkgever zijn materialen en grondstoffen brengt om te laten repareren of assembleren. Hier worden herbruikbare grondstoffen gesorteerd, zodat de deelnemers kunnen wennen aan het werkritme en in aanraking komen met het bedrijf en de werkzaamheden.

De inzet van minimumloon is een instrument om de (zeer) beperkte productiviteit van de langdurig werkzoekenden te ondervangen in het economische bedrijfsleven, zodat deze groep toch een kans geboden wordt ondanks zwaarwegende bedrijfseconomische overwegingen. Het uiteindelijke doel is dat de persoon, met de inzet van minimumloon in het voortraject van 18 maanden, een duurzame aansluiting vindt op de arbeidsmarkt. Uit meerdere onderzoeken blijkt dat minimumloon een effectief instrument is om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt naar werk te begeleiden, zeker in tijden van krapte op de arbeidsmarkt.

Deze subsidietitel draagt hiermee bij aan actielijn L van het JTF-programma: Begeleiding van werkzoekenden bij het zoeken van een baan. Deze subsidietitel draagt daarnaast bij aan het interventiegebied:

  • 135: Maatregelen voor betere toegang tot de arbeidsmarkt voor langdurig werklozen.

Deze subsidietitel heeft een mogelijke spin-off naar:

  • 136: Specifieke ondersteuning van werkgelegenheid bij jongeren en sociaaleconomische integratie van jongeren;

  • 141: Ondersteuning voor arbeidsmobiliteit.

Artikel 2.11.3. Doelgroep

De doelgroep binnen deze openstelling bestaat uit een SOB, een samenwerkingsverband van SOB’s of een gemeente.

Een project binnen deze subsidietitel richt zich op langdurig werkzoekenden die op dit moment de aansluiting met de arbeidsmarkt hebben verloren of door omstandigheden de aansluiting nog niet hebben kunnen maken zoals gedefinieerd in de begripsbepalingen van de regeling. Ook zijn deze werkzoekenden op dit moment (nog) niet in staat om deel te nemen aan activiteiten die hen direct voorbereiden op werk. Middels deze regeling kan deze doelgroep een actueel CV opbouwen en werken aan algemene- en vakvaardigheden. Het gaat bijvoorbeeld (en niet uitsluitend) om werkzoekenden die:

  • al jaren inactief zijn geweest op het gebied van betaald werk;

  • geen actuele werkervaring en werkritme hebben;

  • geen kennis van werkmethodieken hebben die werkgevers vragen en niet in het bezit zijn van een actueel CV;

  • weinig kennis hebben van de Nederlandse taal, werkcultuur en vakvaardigheden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan statushouders;

  • lichamelijk en/of psychisch niet fit zijn voor wat de arbeidsmarkt nu vraagt of te maken hebben met omstandigheden waardoor zij de binding met de arbeidsmarkt hebben verloren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan inwoners met een Wajong-uitkering;

  • een beroep doen op sociale voorzieningen of bestaande ondersteuningsinstrumenten;

  • geen onderwijs/opleiding hebben afgerond. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan schoolverlaters;

  • een op zichzelf staande cursus volgen. Hieronder vallen geen leerlingen van onderwijsinstellingen; of

  • te maken hebben met een multi-problematische achtergrond.

Binnen deze subsidietitel worden sociaaleconomische trajecten uitgevoerd die passen binnen de RIS. Bedrijven kunnen door middel van intentieverklaringen aantonen dat zij de intentie hebben om mee te doen met het traject en/of bereid zijn om de doelgroep een arbeidscontract na afloop van het te subsidiëren traject te bieden, waarbij de resultaten in overwegende mate direct of toekomstig ten goede zullen komen aan het werkingsgebied.

Artikel 2.11.4. Subsidiabele activiteiten

Dit artikel geeft meer duiding aan de aard en inhoud van projecten, waar met deze subsidietitel op wordt gedoeld. Deze omschrijving komt voort uit de duiding in het regionaal transitieplan. Dit schrijft ten aanzien van Spoor 3: Het stimuleren van de (potentiële) beroepsbevolking tot scholing en een leven lang ontwikkelen. Daarbij gaat het over langdurig werkzoekenden, die zich de vaardigheden eigen moeten maken die straks noodzakelijk zijn, in sectoren en beroepen ten behoeve van de RIS-transities. Het creëren van passende werkgelegenheid is hier onderdeel van.

Met deze subsidietitel worden publieke- (en private) partijen opgeroepen om passende werkgelegenheid te bieden die bijdraagt aan de arbeidsmarktpositie van langdurig werkzoekenden (en daarmee hun bestaanszekerheid). Hierdoor kunnen deze langdurig werkzoekenden alsnog deelnemen aan de arbeidsmarkt óf alsnog de stap maken naar andere vormen van betaald werk. Hieronder valt ook het aanpassen van een werkplek gericht op de doelgroep van de openstelling.

In artikel 2.11.4, eerste lid, onderdeel b, zijn als subsidiabele activiteiten opgenomen het stimuleren en aanbieden van begeleiding en scholing en ontwikkeling van vaardigheden voor langdurig werkzoekenden. Hierbij inbegrepen zijn ook de randvoorwaardelijke activiteiten. Dit zijn activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hiervoor omgeschreven activiteiten en waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd (artikel 2.11.8, onderdeel c). Hierbij kan onder meer gedacht worden aan kosten voor aanpassingen werkplek en gereedschap. Ook kan gedacht worden aan kosten voor kinderopvang. Hierbij gaat het dan om opvang die specifiek wordt gefaciliteerd ten behoeve van projecten binnen deze subsidietitel.

Onder het begeleiden van langdurig werkzoekenden om te integreren in de bedrijfsomgeving (artikel 2.11.4, eerste lid, onderdeel c) wordt bijvoorbeeld verstaan: ondersteuning bij analfabetisme, laaggeletterdheid, Nederlandse taal leren, trauma(verwerking) en verslavingsproblematiek voor zover dit direct verband houdt met voornoemde integratie. Om een langdurig werkzoekende te integreren in een bedrijfsomgeving is het essentieel dat naast de werkinhoudelijke skills ook de randvoorwaarden aanwezig zijn. Indien deze ondersteuning niet wordt geboden is integratie (vrijwel) onmogelijk.

Als onderdeel van het traject passende werkgelegenheid kan een professional die de langdurig werkzoekende begeleiden een loonwaardemeting (artikel 2.11.4, eerste lid, onderdeel 3) uitvoeren. Dit om te bepalen of de productiviteit van de deelnemer dusdanig gegroeid is, dat de loonwaarde is gestegen gedurende het traject. Door de loonwaardemeting kan worden bepaald of de langdurig werkzoekende de stap kan maken naar een reguliere baan.

De professional bepaalt – indien nodig – wanneer er een loonwaarde meting wordt gedaan.

Hieronder volgen voorbeelden van situaties die op deze subsidietitel van toepassing zijn en waarvoor subsidie kan worden gevraagd.

Voorbeeld I

Jan (45 jaar) is al langere tijd op zoek naar een baan, hij is door omstandigheden niet in staat om het wettelijk minimumloon te verdienen middels de reguliere weg. Hij staat relatief ver van de arbeidsmarkt af, zo heeft hij o.a. ruim 15 jaar niet meer gewerkt. Zijn laatste functie was als automonteur. Bij sociaal ontwikkelbedrijf De Noorderling krijgt hij een arbeidscontract voor 18 maanden aangeboden (assembleren zonneboilers), voor het wettelijk minimum maandloon (€ 2.000,– afgerond). Dit bedrag wordt gedekt vanuit het minimumloon. Het minimumloon wordt verstrekt door de gemeente/het sociaal ontwikkelbedrijf (50 procent) vanuit de Participatiewet. Dit wordt aangevuld met middelen vanuit het JTF (50 procent). Dit geldt voor de gehele periode van 18 maanden. Om hem verder te helpen ontwikkelen krijgt Jan ook coaching en training op maat. Gedurende het traject zal zo duidelijk worden of Jan kan doorstromen naar een reguliere betaalde baan bij een reguliere werkgever, of dat er andere opties onderzocht moeten worden (andere gesubsidieerde baan, beschut werk etc.). Uitstromen naar een reguliere baan bij een reguliere werkgever kan ook tijdens het traject. Dan wordt het traject eerder afgesloten. Het minimumloon vanuit JTF stopt zodra Jan in dienst treedt bij een reguliere werkgever.

Voorbeeld II

Achmed is sinds 2020 in Nederland. Hij heeft twee jaar in verschillende asielzoekerscentra gebivakkeerd. In Afghanistan was Achmed kledingmaker en had hij een eigen winkeltje. Achmed heeft de status Nederlander gekregen in 2022 en heeft een woning in Winschoten toegekend gekregen. Achmed moet nog zijn eigen inburgering verzorgen. Dit is moeizaam voor hem, omdat hij enkele traumatische incidenten heeft meegemaakt waar hij last van heeft. Achmed kan binnen het Sociaal Ontwikkelbedrijf De Noordeling aan de slag voor 18 maanden. Hier leert hij meer over het assembleren van zonneboilers. Een particulier bedrijf waar De Noorderling mee samenwerkt, brengt de werkzaamheden ten aanzien van de zonneboilers binnen de muren van het sociaal ontwikkelbedrijf waardoor Achmed in een beschermde omgeving leert werken binnen de RIS3 transities en toekomstig regulier werk in dienst bij een bedrijf met economische meerwaarde kan vervullen. Ondertussen krijgt hij tijdens de werkuren ook intensieve taallessen en leert hij over de Nederlandse ‘werk’-cultuur en is er aandacht voor zijn trauma’s. Na 18 maanden kan Achmed een eerste stap maken richting de arbeidsmarkt bij het particuliere bedrijf waarvoor hij maandenlang steeds meer en beter de werkzaamheden verrichtte.

Voorbeeld III

Tineke leeft al 20 jaar in de bijstand. Ze houdt van de natuur en maakt zich druk over het klimaat. Ze heeft zelf niet het idee dat zij aan het werk kan en zegt dat ze dit ook niet wil. Via het buurtteam komt ze in aanraking met Kees. Kees is buurtwerker in het buurtcentrum. Hier raakt hij gesprek met Tineke en vraagt hij of ze eens wil proberen om een tijdje met andere buurtgenoten kleding te sorteren. Dit in het kader van een circulariteitsproject voor kleding. Dit wil Tineke wel proberen. Dit gebeurt in de constructie van een basisbaan. Tineke krijgt een contract van 18 maanden en heeft voor de eerste keer in haar leven een contract. Tijdens het werken ontvangt ze ook een taalcursus, omdat Kees erachter kwam dat ze niet kon lezen en schrijven en hierdoor niet de stap uit de bijstand durfde te maken. Tineke bloeit op in het werk en wil dit verder blijven doen. Een sociale onderneming die zich bezighoudt met recycling van kleding grijpt de kans en gaat met Tineke verder.

Artikel 2.11.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

In dit artikel is het subsidieplafond opgenomen. Dit bedraagt € 15.000.000. Aanvragen worden verdeeld op volgorde van ontvangst, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 2.11.6. Aanvraagperiode

De aanvraag kan binnen de benoemde periode worden ingediend via het webportal. De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats via het zogenaamde molenaarsprincipe: ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Hierbij geldt dat er voor de verdeling van subsidie pas sprake is van een ‘aanvraag’, wanneer er conform alle formats en (digitale) procedures een volledige aanvraag is ingediend, dit wil zeggen een aanvraag waarin (vrijwel) alle aspecten en antwoorden op vragen aanwezig zijn en zijn gevuld en waarbij alle voorgeschreven bijlagen zijn gevoegd.

Op de dag dat het plafond wordt overschreden, wordt er geloot, zoals in artikel 1.18, derde lid, van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 is aangegeven. De subsidietitel wordt gesloten zodra de sluitingsdatum is bereikt of als het beschikbare budget volledig is beschikt.

Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 1 november 9.00 uur tot en met 16 december 2024 17.00 uur. Aanvragen kan via het webportaal, dat beschikbaar is in via de website via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/ of via www.snn.nl.

Artikel 2.11.7. Hoogte subsidie

De subsidie betreft 50 procent van de subsidiabele kosten voor de deelnemers die gebruik maken van het minimumloon, bedoeld in artikel 1.12, zevende en achtste lid, en 100 procent van de begeleidingskosten en overige subsidiabele kosten. Wanneer een aanvrager een lager percentage vraagt in zijn aanvraag, wordt maximaal het gevraagde percentage aan subsidie verleend. Aanvragen ingediend door een samenwerkingsverband kunnen daarmee oplopen tot € 15.000.000.

Artikel 2.11.8. Subsidiabele kosten

In dit artikel is bepaald welke kosten subsidiabel zijn voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van het project.

De loonkosten inclusief overhead kosten voor de begeleiding van langdurig werkzoekenden (artikel 2.11.8, onderdeel a), betreffen loonkosten van ten hoogste € 55 per uur voor de professionele begeleiding van de langdurig werkzoekenden op het gebied van werk en andere levensgebieden die hier direct op van invloed zijn, waarmee arbeidsvaardigheden worden ontwikkeld en belemmeringen worden weggenomen.

Voor de loonkosten van in dienst genomen langdurig werkzoekenden tegen maximaal het minimumloon, bedoeld in artikel 1.12, zevende en achtste lid, voor een maximale termijn van 18 maanden, is binnen de Subsidieregeling JTF 2021–2027 de vergoeding van medewerkers die werken tegen het minimumloon gebaseerd op het geldende minimumloon. Voor verdere toelichting zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel B.

Tot slot zijn overige kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd subsidiabel (artikel 2.11.8, onderdeel c). Hieronder vallen kosten gericht op het verbeteren van de arbeidsvaardigheden van de langdurig werkzoekenden en het wegnemen van belemmeringen om te werken voor de langdurig werkzoekenden. Ten aanzien van deze kosten (> € 250) dient een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht te worden overgelegd.

Artikel 2.11.9. Starttermijn en looptijd

Als startdatum voor subsidiabiliteit van de kosten en activiteiten geldt de datum dat een complete aanvraag is ingediend. Wanneer de aanvrager in de aanvraag een andere startdatum invult die later is dan de datum dat een complete aanvraag is ingediend, dan wordt de latere datum als startdatum voor subsidiabiliteit vastgelegd in de verleningsbeschikking.

In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden.

Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.

Een project duurt in beginsel maximaal drie jaar (36 maanden). Bij de start worden de deelnemers in beeld gebracht en door de SOB's gekoppeld aan de bedrijven. Dit neemt in totaal maximaal een jaar in beslag. Het totale traject van een deelnemer met betrekking tot minimumloon duurt maximaal 18 maanden. Eventuele begeleiding kan doorlopen na deze 18 maanden.

Indien gedurende de projectperiode blijkt dat door onvoorziene omstandigheden een project toch enkele maanden langer de tijd nodig heeft om volledig te worden afgerond, dan kan een verzoek tot verlenging van de projectperiode worden ingediend.

Artikel 2.11.10. Afwijzingsgronden

In aanvulling op de algemene weigeringsgronden opgenomen in artikel 1.25 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027, zijn in dit artikel nadere afwijzingsgronden opgenomen.

Artikel 2.11.10, onderdeel a, gaat in op het werkingsgebied van deze subsidietitel. Het werkingsgebied is de provincie Groningen en de gemeente Emmen. Daarnaast kunnen aanvragers buiten dit gebied een aanvraag indienen of partijen buiten dit gebied deelnemen aan projectconsortia, wanneer aanvragers aantonen dat de resultaten van het project overwegend (toekomstig) ten goede komen aan het werkingsgebied. Aanvragers buiten het primaire werkingsgebied moeten aannemelijk kunnen maken dat hun initiatieven een bijdrage (op termijn) leveren aan het primaire werkingsgebied.

Een voorbeeld: om ten goede te komen aan het werkingsgebied is het niet strikt noodzakelijk dat langdurig werkzoekenden wonen in het werkingsgebied. Immers, de afstanden in Nederland zijn klein en werkzoekenden hoeven niet per se te wonen in het JTF-COROP gebied om daar (toekomstig) vervolgens wel te gaan werken. De Noord-Nederlandse arbeidsmarkt staat in nauwe verbinding met elkaar. De sociaaleconomische trajecten zijn gericht op het (toekomstig) vervullen van RIS3-gerelateerd werk dat in het primaire werkingsgebied voorhanden is. Daarmee is het aannemelijk dat, na afloop van het sociaaleconomische traject, men emplooi zoekt in het primaire werkingsgebied aansluitend op de vaardigheden die binnen het traject zijn opgedaan. Het gaat hier om de inhoud van de werkgelegenheid, niet tot welke producten deze werkgelegenheid leidt.

Daarnaast is de doelstelling van de regeling om middels sociaaleconomische trajecten de doelgroep langdurig werkzoekenden een werkend perspectief te bieden gelieerd aan de Noord-Nederlandse RIS3-transities. Het primaire werkingsgebied (Groningen-Emmen) heeft er baat bij als a) de doelgroep middels het sociaaleconomisch traject (toekomstig) een baan kan vervullen in het primaire werkingsgebied en b) bij sociaaleconomische trajecten die gevolgd worden buiten het primaire werkingsgebied om zo ervaring op te doen om (toekomstig) in of ten behoeve van het primaire werkingsgebied banen te vervullen.

Ten slotte is het juist de doelstelling om werkzoekenden en langdurig werklozen verbonden aan het doel van de openstelling van buiten de regio aan te trekken om zodoende bij te dragen aan de transitie in het gebied. Het feit dat zij worden opgeleid voor banen die relevant zijn voor het werkingsgebied is voldoende onderbouwing dat de resultaten ten goede komen aan het werkingsgebied.

Om te bepalen of een project in overwegende mate ten goede komt aan het primaire werkingsgebied, neemt de regio de combinatie a) woonplaats en b) afstand primaire werkingsgebied van de deelnemers als uitgangspunt. De aanvrager dient hiertoe een onderbouwde inschatting aan te leveren waaruit aannemelijk wordt dat de baten primair in het werkingsgebied neerslaan. De vestigingsplaats en het verzorgingsgebied van het projectpartnerconsortium kan hiervoor als basis worden genomen. Het is immers niet mogelijk om in aanvragen exact aan te geven hoeveel deelnemers woonachtig zijn in primair/secundair gebied en, bij ingezetenen secundair gebied, wat de afstand tot primair gebied is.

In artikel 2.11.10, onderdeel b, is een minimumbedrag van € 2.000.000 per project opgenomen. Er is voor dit minimumbedrag gekozen omdat het doel is een aantal wat grotere projecten te ondersteunen en niet tientallen kleine projecten.

Ten aanzien van de zekerheid van financiering om tot daadwerkelijke uitvoering over te gaan, borgt onderdeel c het belang van sluitende financiering. Dit betekent in beginsel dat van cofinancieringen – anders dan de eigen bijdrage(n) en gevraagde JTF-subsidie – bindende toezeggingen moeten worden overlegd. Wanneer een aanvraag positief wordt beoordeeld maar er is op het moment van verleningsbeschikking nog geen sluitende financiering aangetoond, kan de subsidie onder opschortende voorwaarde worden toegekend. Aan deze opschortende voorwaarde wordt dan in de subsidieverleningsbeschikking een termijn verbonden. Deze termijn is in beginsel zes maanden. Oftewel, wanneer binnen deze termijn na afgifte van de verleningsbeschikking deze opschortende voorwaarde niet is vervuld, vervalt de subsidie. Bij het niet vervullen van een opschortende voorwaarde komt de verleningsbeschikking nooit formeel tot stand. Dit betekent dat er géén enkel recht op subsidie tot stand is gekomen. De aanvraag wordt dan alsnog afgewezen.

Artikel 2.11.10, onderdeel d, borgt dat projecten daadwerkelijk én binnen de programmaperiode worden uitgevoerd. Dit is zowel vanuit Europese regels ten aanzien van voortgang in het programma als vanuit urgentie in de regio noodzakelijk.

Artikel 2.11.11. Beoordelingscriteria

De beoordeling vindt in drie stappen plaats:

  • 1. beoordeling op volledigheid en ontvankelijkheid door de intermediaire instantie (SNN);

  • 2. inhoudelijke beoordeling door de Deskundigencommissie;

  • 3. beoordeling op financieel-technische subsidie-aspecten door de intermediaire instantie (SNN).

De beoordeling sluit aan op vier van de zes criteria die in artikel 1.20 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 zijn voorgeschreven. Met het oog op de doelstelling, de inhoud en het karakter van deze subsidietitel is de weging van de vier criteria als volgt bepaald:

  • voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 40 punten;

  • voor de mate van het economisch of financieel toekomstperspectief: 30 punten;

  • voor de mate van kwaliteit van het projectplan: 15 punten; en

  • voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 15 punten.

De mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027

Bij het beoordelen van dit criterium wordt een oordeel gegeven over de passendheid van de aanvraag in het Operationeel Programma JTF 2021–2027 en meer specifiek de bijdrage aan de doelstellingen (inclusief bijbehorende output- en resultaatindicatoren) waar deze subsidietitel op inzet.

Onderdeel daarvan is de beoordeling in hoeverre het project daadwerkelijk bijdraagt aan het opvangen van mogelijk negatieve effecten van de klimaattransitie in de regio beredeneerd vanuit het perspectief van de doelgroep van de openstelling. Bovenliggend kader voor het programma zijn de TJTP’s.

Een meer onderscheidend karakter van het project blijkt uit:

  • de kwaliteit van de onderbouwing van de bijdrage aan de doelstellingen van het programma;

  • de aansluiting op de relevante indicatoren en de kwaliteit van de onderbouwing. De mate waarin de doelgroep in staat wordt gesteld om (toekomstig) deel te nemen aan de reguliere arbeidsmarkt rechtvaardigt daarbij het maken van ‘meer kosten’ en een lagere value-for-money op persoonsbasis, afgezet tegen de te bereiken indicatoren (streefwaardes) op programmaniveau.

De mate van het economisch of financieel toekomstperspectief

Voor projecten die een meer maatschappelijke bijdrage leveren is het van belang om de kosten in relatie te brengen met de maatschappelijke opbrengsten. Binnen deze openstelling die ziet op het arbeidsmarktspoor is het toekomstperspectief op werk, of ander of beter werk, het beoordelingsaspect.

Ten aanzien van het criterium economisch of financieel toekomstperspectief dienen aanvragers aannemelijk te maken dat de sociaaleconomische trajecten worden opgezet in samenwerking met reguliere bedrijven. Dit dient te blijken uit aangeleverde intentieverklaringen. In de intentieverklaring dient per bedrijf aangegeven te worden wat de inbreng en het belang of de behoefte van het bedrijf is. Hierbij gaat het nadrukkelijk om het toekomstperspectief van de langdurig werkzoekende en de bereidheid van het bedrijfsleven tot samenwerking.

Een meer onderscheidend karakter van het project blijkt uit:

  • de kwaliteit van de beschrijving van de door de aanvrager voorgenomen sociaaleconomische trajecten;

  • de mate waarin het project voorziet in een arbeidsmarkt-gerelateerd toekomstperspectief voor de deelnemer;

  • de mate waarin het project bijdraagt aan het (toekomstig) vullen van (RIS3-gerelateerde) vacatures;

  • de mate van de verbinding en samenwerking van de aanvrager met bedrijven buiten het consortium. De koppeling tussen een SOB en de behoeftevraag van bedrijven dient aanwezig te zijn in de aanvraag door middel van het benoemen van de specifieke vraag vanuit het bedrijf of de organisatie in aangeleverde intentieverklaringen.

De mate van kwaliteit van het projectplan

Bij het criterium kwaliteit van het projectplan wordt gekeken naar de kwaliteit van de aanvrager en het projectplan. De planning en organisatie van het project, beschikbare team en samenstelling van het consortium zijn beoordelingsaspecten bij dit criterium. Daarnaast kan worden gekeken naar de keuze van activiteiten om het probleem aan te pakken, en met welke argumentatie en bewijskracht die keuzes zijn onderbouwd.

Dit blijkt uit de volgende elementen:

  • de mate waarin het projectplan concreet antwoord geeft op alle onderwerpen van het format;

  • realistische planning in relatie tot de activiteiten en mogelijke uitvoeringsrisico’s;

  • de mate van ervaring van de aanvrager of de (beoogd) exploitant en eventuele partners met het type project waar de aanvraag over gaat;

  • de kwaliteit van een eventueel samenwerkingsverband naar complementariteit, rolverdeling, vorm en omvang van commitment.

De mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact

Bij het beoordelen van dit criterium wordt een kwalitatief en kwantitatief oordeel gegeven over de mate waarin er binnen het project sprake is van duurzame ontwikkeling en in hoeverre het project een bredere maatschappelijke impact heeft. Meer specifiek kan worden beoordeeld in welke mate beoogde sociaal economische trajecten (en daaraan verbonden vacatures) inspelen op de transities uit de RIS3 2021–2027. Hierbij wordt de mate waarin positief wordt bijgedragen aan:

  • van analoog naar digitaal;

  • van fossiel naar hernieuwbaar;

  • van zorg naar positieve gezondheid;

  • van lineair naar circulair.

Ook zal er getoetst worden in hoeverre het project positief bijdraagt aan de beginselen gendergelijkheid en non-discriminatie in brede zin.

Ten aanzien van een bredere maatschappelijke impact van het project, blijkt de bijdrage uit

  • de mate waarin de aanvrager voorziet in een planmatige aanpak voor de in- en doorstroom en het vervolgperspectief van de deelnemers naar regulier werk. Indien dit niet haalbaar is alternatieven zoals beschutwerk, dagbesteding, afspraakbaan of een verlengde basisbaan biedt;

  • de mate waarin de intentieverklaringen en planmatige aanpak op elkaar aansluiten.

In artikel 1.25, onderdelen k en l, van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 is bepaald dat de uitslag van de inhoudelijke beoordeling door de Deskundigencommissie negatief is, wanneer:

  • het project in totaal minder dan 70 punten scoort; of

  • het project op een of meer van de gehanteerde criteria minder dan de helft van het maximumaantal punten op dat criterium scoort.

Artikel 2.11.12. Voorschot

Dit artikel bepaalt in welke mate en wanneer bevoorschotting of uitbetaling van subsidie plaatsvindt. Geen voorschotten worden verleend wanneer de beschikking opschortende of ontbindende voorwaarden bevat en deze voorwaarden nog niet zijn vervuld.

Artikel 2.11.13. Subsidieaanvraag

Dit artikel bepaalt op welke wijze de subsidieaanvraag ingediend moet worden.

Artikel 2.11.14. Verplichtingen van de subsidieontvanger

In artikel 2.11.14, onderdeel a, is bepaald dat de subsidieontvanger de resultaten van de samenwerking met bedrijven in Noord-Nederland in overwegende mate ten goede dient te laten komen aan het primaire werkingsgebied.

Deze openstelling valt onder actielijn L: begeleiding van werkzoekenden bij het zoeken van een baan. Binnen deze actielijn is een deelnemersadministratie noodzakelijk. De deelnemersadministratie bedoeld in artikel 2.11.14, onderdeel b, bevat onder andere het Burgerservicenummer (BSN) van de deelnemers aan het project, geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de activiteiten van de individuele deelnemer zelf en van de per individuele deelnemer behaalde resultaten. De deelnemersadministratie dient beschikbaar, raadpleegbaar en verwerkbaar te zijn.

Gelet op artikel 2.1.14, onderdeel c, dienen aanvragers te rapporteren op basis van de in de subsidieverlening aangewezen indicatoren. Dit zijn in ieder geval de volgende:

  • EECO11 totaal aantal deelnemers (totaal aantal personen dat deelneemt aan scholings- en arbeidsmarkt activiteiten) en de bijbehorende resultaatindicatoren;

  • EECR03 deelnemers die na deelname een kwalificatie behalen;

  • EECR04 deelnemers die na deelname aan het werk zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld contracten met een SOB.

Artikel 2.11.15. Staatssteun

De steun die middels deze subsidietitel wordt gegeven, is niet aan te merken als economisch en levert geen voordeel op voor de ontvangers. Hierdoor wordt niet voldaan aan de cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het VWEU, en daardoor is er geen sprake van staatssteun. Hierdoor is steun tot wel 100 procent toegestaan.

De cumulatieve criteria zijn:

  • de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • de steun wordt door staatsmiddelen bekostigd;

  • deze staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit);

  • de maatregel is selectief: het geldt voor één of enkele ondernemingen, een specifieke sector/regio;

  • de maatregel vervalst de mededinging (in potentie) en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.

Mocht blijken dat er wel sprake is van economische activiteiten en staatssteun dan is het subsidiepercentage voor de subsidiabele kosten gemaximeerd op het percentage uit het artikel waarop deze vrijgesteld is.

Artikel I, onderdeel G en H (artikelen 3.2.8 en 3.2.14a)

Met dit onderdeel komt voor aanvragen op basis van titel 3.2 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 te vervallen dat investeringen in niet permanent op de bedrijfslocatie aanwezige duurzame bedrijfsuitrusting niet in aanmerking komt voor subsidie. Met de toevoeging van artikel 3.2.14a wordt het ook expliciet voor subsidieaanvragers en subsidieontvangers ook mogelijk gemaakt om een verzoek in te dienen om gebruik te maken van deze wijziging.

Artikel II

Met dit artikel wordt de inwerkingtreding geregeld. In paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting is de inwerkingtreding nader toegelicht.

De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel


X Noot
1

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).

Naar boven