Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2024, 42955 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2024, 42955 | ander besluit van algemene strekking |
De Minister van Economische Zaken,
Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; de Minister van Financiën; de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; de Minister van Justitie en Veiligheid; de Minister van Klimaat en Groene Groei; de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Gelet op artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder:
de Minister van Economische Zaken;
Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
Stichting Wageningen Research;
Stichting Deltares;
Stichting Koninklijk Nederland Lucht- en Ruimtevaartcentrum;
Stichting Maritiem Research Instituut Nederland;
TNO, WR, Deltares, NLR en Marin;
Evaluatiecommissie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2) 2024–2025;
subcommissies die de evaluaties van de afzonderlijke TO2-instellingen uitvoeren in 2024 en 2025.
1. Er is een Evaluatiecommissie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2) 2024–2025, een subcommissie TNO, een subcommissie WR, een subcommissie Deltares, een subcommissie NLR en een subcommissie Marin.
2. De commissie heeft tot taak om:
a. het functioneren van de Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2) te beoordelen op de drie hoofdcriteria kwaliteit, impact en vitaliteit conform het Evaluatie en Monitoringskader Toegepast Onderzoek (EMTO);
b. de financiële bijdragen van de rijksoverheid aan deze organisaties te evalueren op doeltreffendheid en doelmatigheid conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE);
c. een aantal aanvullende evaluatievragen te beantwoorden rondom onderzoeksfaciliteiten, samenwerking met MKB-bedrijven, effecten van recente rijksmiddelen, valorisatie en kennisveiligheid.
3. De subcommissies verrichten onderzoek naar:
a. het functioneren van een specifieke Toegepaste Onderzoek Organisatie (TO2);
b. de doeltreffendheid en doelmatigheid van de bijdragen van de rijksoverheid daaraan; en
c. onderwerpen zoals onderzoeksfaciliteiten, samenwerking met MKB-bedrijven, effecten van recente rijksmiddelen, valorisatie en kennisveiligheid ten behoeve van de beantwoording van de aanvullende evaluatievragen.
4. De rapporten van de subcommissies, waarin de resultaten hiervan worden weergegeven, worden door de commissie vastgesteld en vormen de basis voor de eindevaluatie door de commissie met conclusies en aanbevelingen op TO2-breed niveau.
De voorzitter van de commissie brengt voor 1 april 2025 zijn schriftelijke eindrapport uit aan de Minister. De rapporten van de subcommissies zijn onderdeel van het eindrapport.
1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden.
2. Vijf leden van de commissie zijn tevens voorzitter van de subcommissie TNO, de subcommissie WR, de subcommissie Deltares, de subcommissie NLR, dan wel de subcommissie Marin. Een Subcommissie bestaat uit ten hoogste vijf andere leden.
3. Één lid van de commissie brengt methodologische expertise in.
4. De voorzitter en de andere leden van de commissie en van de subcommissies worden door de Minister benoemd. Zij kunnen door de Minister worden geschorst en ontslagen.
5. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep.
1. De commissie en de subcommissies stellen hun eigen werkwijzen schriftelijk vast.
2. De Minister voorziet in het secretariaat van de commissie en de subcommissies.
3. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie en de subcommissies geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie en de subcommissies bewaard in het archief van dat ministerie.
4. De commissie en de subcommissies verstrekken desgevraagd aan de Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
1. De leden van de commissie en de subcommissies zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens en inlichtingen die zij in het kader van hun werkzaamheden voor de commissie en de subcommissies ontvangen.
2. De leden van de commissie en de subcommissies behandelen alle verkregen gegevens en inlichtingen vertrouwelijk, tenzij zij deze op grond van een wettelijke verplichting aan een derde dienen te verstrekken of de Minister toestemming heeft verleend voor het verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op gegevens en inlichtingen die reeds anderszins openbaar zijn gemaakt.
1. Aan de voorzitter van de commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,083 (3 uur per week).
2. Aan de leden van de commissie die tevens voorzitter zijn van de subcommissie TNO en WR wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 17 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,083 (3 uur per week).
3. Aan de andere leden van de subcommissies TNO en WR wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,044 (1,6 uur per week).
4. Aan de leden van de commissie die tevens voorzitter zijn van de subcommissie Deltares, Marin en NLR wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 17 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,069 (2,5 uur per week).
5. Aan de andere leden van de subcommissies Deltares, NLR en Marin wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,031 (1,13 uur per week).
6. Aan het lid van de commissie welke geen voorzitter is van een subcommissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,042 (1,5 uur per week).
7. Indien een voorzitter of lid van de (sub)commissie werkzaam is bij een bekostigde instelling voor hoger onderwijs of een kennisinstituut, dan wordt geen vergoeding toegekend aan de betreffende voorzitter of lid maar wordt aan zijn werkgever de kosten voor voornoemde werkzaamheden schadeloos gesteld. Maandelijks wordt een vast bedrag zijnde het betreffende aantal uur per week vermenigvuldigd met 4,333 en vermenigvuldigd met € 160 per uur overgemaakt aan de werkgever.
1. Ter gelegenheid van de instelling van de commissie worden te rekenen vanaf 1 september 2024 tot en met 31 maart 2025 tot lid van de commissie benoemd:
a. de heer prof. dr. C.C.A.M. Gielen, te Bunnik, tevens voorzitter;
b. de heer ir. A.C.J. Besselink, te Oudenbosch, tevens voorzitter van de subcommissie NLR;
c. mevrouw prof. dr. ir. P.M. Herder, te Delfgauw, tevens voorzitter van de subcommissie TNO;
d. de heer drs. J.H. Heres, te Nieuw-Vennep, (methodoloog).
e. de heer prof. ir. J.J. Hopman, te Warmond, tevens voorzitter van de subcommissie Marin;
f. mevrouw ir. H.C. Klavers, te Almere, tevens voorzitter van de subcommissie Deltares;
g. de heer dr. ir. H. Paul MPA, te Moerkapelle, tevens voorzitter van de subcommissie WR.
2. Tot lid van de subcommissie TNO worden te rekenen vanaf 1 september 2024 tot en met 31 maart 2025 benoemd:
a. mevrouw prof. dr. ir. P.M. Herder, te Delfgauw, tevens voorzitter;
b. de heer dr.ir. E.R. Fledderus, te Woerden;
c. de heer dr. H. van Houten, te Eindhoven;
d. de heer prof. dr. H.A.P. Pols, te Rotterdam;
e. de heer L. Roffel, te Huizen;
f. de heer prof. dr. G. van der Steenhoven, te Voorthuizen.
3. Tot lid van de subcommissie WR worden te rekenen vanaf 1 september 2024 tot en met 31 maart 2025 benoemd:
a. de heer dr. ir. H. Paul MPA, te Moerkapelle, tevens voorzitter;
b. mevrouw prof. dr. G. de Boeck, te Keerbergen, België;
c. de heer dr. M. Gorselink, te Velp;
d. de heer drs. ing. A.N. Hoogendijk, te Gouda;
e. mevrouw prof. dr. A.P. van Wezel, te Vianen;
f. de heer prof. dr. A.N. van der Zande, te Gouda.
4. Tot lid van de subcommissie Deltares worden te rekenen vanaf 1 september 2024 tot en met 31 maart 2025 benoemd:
a. mevrouw ir. H.C. Klavers, te Almere, tevens voorzitter;
b. de heer prof. dr. ir. S.G.J. Aarninkhof, te Wageningen;
c. de heer ir. F.R. Goossensen, te Hooglanderveen;
d. de heer ir. A.J. Hekman, te Oterleek.
5. Tot lid van de subcommissie NLR worden te rekenen vanaf 1 september 2024 tot en met 31 maart 2025 benoemd:
a. de heer ir. A.C.J. Besselink, te Oudenbosch, tevens voorzitter;
b. de heer ir. C.A.M. de Koning, te Nootdorp;
c. de heer drs. luitenant-generaal b.d. M.H. Verbeek MPA, te Breda;
d. mevrouw prof. dr. ir. M.P.C. Weijnen, te Maasmechelen (Eisden), België.
6. Tot lid van de subcommissie Marin worden te rekenen vanaf 1 september 2024 tot en met 31 maart 2025 benoemd:
a. de heer prof. ir. J.J. Hopman, te Warmond, tevens voorzitter;
b. de heer ir. W. Hoebée, te Krimpen aan den IJssel;
c. mevrouw mr. drs. A. Koster, te Leiden;
d. de heer prof. dr. ing. T. Tinga, te Bolsward.
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2024.
2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 april 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen.
De evaluatie van de vijf toegepaste onderzoeksinstellingen over de periode 2020–2023, die verenigd zijn in de TO2-federatie, volgt uit de Visie op het toegepast onderzoek van het kabinet uit 2013. Om de doelmatigheid en de kwaliteit van de instituten te bewaken zullen de instituten eens per vier jaar worden geëvalueerd op een vergelijkbare wijze (Kamerstukken II 2012/13, 32 637, nr. 68). Als systeemverantwoordelijke voor de TO2-instellingen is het Ministerie van Economische Zaken verantwoordelijk voor deze evaluatie. TO2-instellingen verrichten onder meer onderzoek en taken ten behoeve van meerdere departementen. Verschillende departementen zijn vertegenwoordigd in de begeleidingscommissie waarin de vraagstelling en aanpak van de evaluatie zijn afgestemd. Naast het Ministerie van Economische Zaken gaat het hierbij om het Ministerie van Defensie; het Ministerie van Financiën; het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; het Ministerie van Justitie en Veiligheid; het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn agendalid van de begeleidingscommissie.
De Evaluatiecommissie Toegepaste Onderzoek Organisaties (hierna: de commissie) heeft tot taak om het functioneren van de Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2) te evalueren op de criteria kwaliteit, impact en vitaliteit, zoals vastgelegd in het Evaluatie en Monitoringskader Toegepast Onderzoek (EMTO).
Daarnaast wordt ook bezien in hoeverre de bijdragen van de rijksoverheid aan de Toegepaste Onderzoek Organisaties doeltreffend en doelmatig zijn. De commissie behandelt tevens een aantal aanvullende evaluatievragen rondom onderzoeksfaciliteiten, samenwerking met MKB-bedrijven, effecten van recente rijksmiddelen, valorisatie en kennisveiligheid.
De vijf subcommissies hebben tot taak de evaluaties van de afzonderlijke instellingen uit te voeren. De rapporten van de subcommissies, waarin de resultaten hiervan worden weergegeven, worden door de commissie vastgesteld en vormen de basis voor de eindevaluatie door de commissie met conclusies en aanbevelingen op TO2-breed niveau.
De commissie bestaat uit een onafhankelijk voorzitter en een evaluatie-expert van het Nederlandse onderzoekslandschap. De andere leden zijn tevens voorzitter van de vijf subcommissies. De commissie stuurt voor 1 april 2025 de deelrapporten en het syntheserapport op aan de Minister van Economische Zaken.
De omvang van de evaluatie en het diverse en specifieke karakter van de werkzaamheden van de te evalueren TO2-instellingen maakten het onmogelijk deze opdracht onder te brengen bij een bestaande commissie of adviescollege. Derhalve is besloten tot instelling van de Evaluatiecommissie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2) 2024–2025 en de vijf genoemde subcommissies. De leden van de commissie en de subcommissies zijn afkomstig uit de publieke en private sector en beschikken over brede expertise op de terreinen waarin de betreffende instellingen actief zijn. Een aantal is daarnaast betrokken geweest bij eerdere (onafhankelijke) audits van onderdelen van de TO2-instellingen (TNO en WR) of zijn lid (geweest) van ter zake relevante gremia als adviescommissies, topteams/topsectoren, Rathenau en NWO.
Bij de berekening van de arbeidsduurfactor en bezoldiging is verdisconteerd dat de evaluaties van TNO en WR, vanwege hun grotere omvang en complexiteit, meer tijd in beslag zullen nemen dan de evaluaties van Deltares, NLR en Marin. Commissieleden en subcommissieleden die werkzaam zijn voor overheden krijgen geen vergoeding.
De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-42955.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.