De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
ARTIKEL I
Het vierde lid van artikel 7 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 wordt
als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel e komt als volgt te luiden:
-
e. de bestuurlijke boete op te leggen, bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969,
artikel 39 van de Leerplichtwet BES, artikel 15.7, derde lid, en artikel 15.8 van
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 11.2, tweede
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede, vanaf het moment dat het bij
Koninklijke boodschap van 14 april 2023 ingediende voorstel van wet houdende de vaststelling
van regels voor het Nederlandse kwalificatieraamwerk voor een leven lang leren (Wet
NLQF, Kamerstuk 2023 II 36 341, nr. 2) tot wet is verheven, artikel 4.3 van de Wet NLQF, of
2. Aan het slot van onderdeel f wordt ‘, of’ vervangen door een punt.
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de
Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H. Dijkgraaf
TOELICHTING
Het voorliggende besluit wijzigt op enkele punten de mandatering aan de inspecteur-generaal
van het onderwijs, zoals opgenomen in het vierde lid van artikel 7 van het Organisatie-
en Mandaatbesluit OCW 2008, zoals deze thans zijn opgenomen in de onderdelen e en
g.
Met de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs (WNG) en de Wet uitbreiding
bestuurlijk instrumentarium onderwijs is het voor de Minister mogelijk gemaakt om
een bestuurlijke boete op te leggen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon,
wanneer het in strijd handelt met deze wetten. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel
NLQF eveneens in een bevoegdheid voor de Minister om een bestuurlijke boete op te
leggen. Vooruitlopend op vaststelling en inwerkingtreding van de Wet NLQF wordt met
de wijziging van onderdeel e de bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen alvast
gemandateerd aan de Inspectie van het Onderwijs (de Inspectie).
Het opleggen van bestuurlijke boetes past goed bij de wettelijke taken van de Inspectie.
Het is logisch dat de Inspectie, nadat het zelf gedegen onderzoek naar het mogelijk
ten onrechte voeren van de naam universiteit of hogeschool of het ten onrechte verlenen
van graden heeft verricht (waaronder hoor en wederhoor met de betrokkene) vervolgens
zelf het boetebesluit neemt (en daarmee ook de hoogte van de boete vaststelt). Dat
geldt evenzeer voor de andere genoemde boetebesluiten die aan de Inspectie worden
gemandateerd. Het versnelt de procedure, legt meer eigenaarschap bij de Inspectie
en voorkomt dat het werk van de Inspectie wordt overgedaan door een ambtenaar van
een beleidsdirectie van het bestuursdepartement.
Met het mandateren van de bevoegdheid aan de Inspectie wordt aangesloten bij Rijksbeleid.
Verschillende inspecties die onder de verschillende ministeries vallen, kennen ook
de gemandateerde bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete. De Inspectie
voert deze werkzaamheden uit in een scheiding der functies. Die scheiding volgt uit
standaard jurisprudentie en is dan ook standaard praktijk van de Inspectie; de rapporten
worden door de toezichtdirectie opgesteld en de boetebesluiten door de juridische
afdeling.
Het huidige onderdeel g komt te vervallen. Dit onderdeel werd met de wijziging van
het Organisatie- en Mandaatbesluit OCW 2008 in 2018 (Staatscourant 2018, nr. 8895) toegevoegd aan dit besluit. In de toelichting daarbij is opgenomen dat deze wijziging
de Inspectie machtigt om ook voor aanbieders van onderwijs buiten het bestel van de
WHW een boeterapport op te maken. Dit sloot aan bij een destijds in voorbereiding
zijnde wetsvoorstel om duidelijk te maken dat de inspectie toezichthouder is voor
de genoemde aanbieders van onderwijs buiten het bestel. Deze machtiging zou komen
te vervallen, zodra die wetswijziging in werking trad. Met de inwerkingtreding van
de Variawet hoger onderwijs (Kamerstukken I, 2020/21, 35 582, A) per 1 september 2021 is dit inmiddels het geval.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H. Dijkgraaf