Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 7 juni 2024, nr. WJZ/ 58032956, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen aan provincies voor de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat (Regeling provinciale maatregelen landelijk gebied)

De Minister voor Natuur en Stikstof,

Gelet op de artikelen 2a, eerste lid, en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

Paragraaf 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

directe uitvoeringskosten:

apparaatskosten van de provincie of andere betrokken decentrale overheden die samenhangen met de regievoering van voorbereiding en uitvoering van maatregelen waarvoor op grond van artikel 5 een uitkering kan worden verstrekt en direct zijn toe te rekenen aan die maatregelen;

gebiedsgerichte aanpak:

gebiedsgerichte aanpak als bedoeld in artikel 5, eerste lid;

indirecte uitvoeringskosten:

apparaatskosten van de provincie die samenhangen met de gebiedsgerichte aanpak, maar niet direct zijn toe te rekenen aan de gebiedsprocessen en maatregelen waarvoor op grond van artikel 5 een uitkering kan worden verstrekt;

kaderrichtlijn water:

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;

minister:

Minister voor Natuur en Stikstof.

Paragraaf 2 Specifieke uitkering voor indirecte uitvoeringskosten

Artikel 2 Uitkering voor indirecte uitvoeringskosten 2024

  • 1. De minister verstrekt aan de provincies ambtshalve een specifieke uitkering voor de financiering van de indirecte uitvoeringskosten die zij in 2024 maken of hebben gemaakt.

  • 2. De uitkering wordt niet verstrekt voor:

    • a. de omzetbelasting die de provincie kan aftrekken op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968;

    • b. kosten waarvoor al uit anderen hoofde een uitkering of subsidie is of wordt verstrekt.

Artikel 3 Uitkeringsplafond en beschikbaar budget

  • 1. Het uitkeringsplafond bedraagt € 38.534.177, inclusief de omzetbelasting waarvoor de provincie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds voor compensatie in aanmerking komt.

  • 2. Het beschikbare budget, inclusief de in het eerste lid bedoelde omzetbelasting, bedraagt per provincie:

    Drenthe

    € 2.064.331

    Flevoland

    € 458.740

    Fryslân

    € 5.734.253

    Gelderland

    € 5.734.253

    Groningen

    € 1.605.591

    Limburg

    € 2.752.441

    Noord-Brabant

    € 6.881.102

    Noord-Holland

    € 1.834.961

    Overijssel

    € 5.275.512

    Utrecht

    € 2.064.331

    Zeeland

    € 1.376.221

    Zuid-Holland

    € 2.752.441

Artikel 4 Verlening en voorschot

  • 1. De minister geeft binnen zes weken na inwerkingtreding van deze regeling een beschikking tot verlening van de uitkering.

  • 2. De beschikking vermeldt het bedrag van de uitkering en het bedrag van de compensabele omzetbelasting, dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds.

  • 3. De minister verleent bij de beschikking tot verlening een voorschot van 100%.

Paragraaf 3 Specifieke uitkering voor kosten van gebiedsprocessen en maatregelen

Artikel 5 Uitkering voor kosten van gebiedsprocessen en maatregelen

  • 1. De minister kan aan een provincie op aanvraag een of meer specifieke uitkeringen verstrekken voor de financiering van een of meer gebiedsprocessen en maatregelen die de provincie wil uitvoeren als onderdeel van een brede, langjarige gebiedsgerichte aanpak om de stikstofbelasting van de natuur terug te dringen en de natuur te beschermen en te ontwikkelen, een bijdrage te leveren aan het tijdig voldoen aan de kaderrichtlijn water, de emissie van broeikasgassen door de landbouw en door landgebruik te verminderen en een bijdrage te leveren aan de verduurzaming van de landbouw.

  • 2. De uitkering kan alleen worden verstrekt voor de kosten van verplichtingen die door de provincie zijn of worden aangegaan vanaf 1 juli 2023 tot en met 31 december 2026.

  • 3. De uitkering wordt niet verstrekt voor:

    • a. indirecte uitvoeringskosten;

    • b. de koop van onroerende zaken;

    • c. de omzetbelasting die de provincie kan aftrekken op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968;

    • d. kosten waarvoor al uit anderen hoofde een specifieke uitkering of subsidie is of wordt verstrekt.

Artikel 6 Uitkeringsplafond en beschikbaar budget

  • 1. Het uitkeringsplafond bedraagt € 1.224.980.469, inclusief de omzetbelasting waarvoor de provincie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds voor compensatie in aanmerking komt.

  • 2. Het beschikbare budget, inclusief de in het eerste lid bedoelde omzetbelasting, bedraagt per provincie:

    Drenthe

    € 130.373.285

    Flevoland

    € 10.305.000

    Fryslân

    € 150.342.000

    Gelderland

    € 32.700.000

    Groningen

    € 54.719.730

    Limburg

    € 55.000.000

    Noord-Brabant

    € 221.700.000

    Noord-Holland

    € 11.672.000

    Overijssel

    € 142.004.300

    Utrecht

    € 232.614.154

    Zeeland

    € 3.900.000

    Zuid-Holland

    € 179.650.000

Artikel 7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag bevat in ieder geval gegevens of bescheiden waaruit blijkt dat de minister van oordeel is dat de betrokken gebiedsprocessen en maatregelen in aanmerking komen voor de door de provincie gewenste uitkering.

  • 2. Het aangevraagde bedrag kan:

    • a. maximaal 10% directe uitvoeringskosten bevatten;

    • b. rekening houden met de geraamde ontwikkeling van de consumentenprijsindex.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder a, worden de kosten van gebiedsprocessen niet aangemerkt als directe uitvoeringskosten.

  • 4. Bij de toepassing van het tweede lid, onder b, hanteert de provincie de raming in het centraal economisch plan van het Centraal Planbureau.

Artikel 8 Beslistermijn, verlening en voorschot

  • 1. De minister geeft binnen acht weken na het indienen van de aanvraag een beschikking omtrent verlening van de uitkering.

  • 2. De beschikking vermeldt het bedrag van de uitkering en, voor 2024, het bedrag van de compensabele omzetbelasting dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds.

  • 3. De minister verleent bij de beschikking een voorschot van 100% van het uitkeringsbedrag en betaalt dat voorschot binnen een of meer in de beschikking vermelde termijnen.

  • 4. Een uitkering ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 9 Verplichtingen

  • 1. De provincie spant zich ervoor in de uitkering zodanig aan te wenden dat de meest doelmatige en doeltreffende bijdrage wordt geleverd aan de doelen, genoemd in artikel 5, eerste lid.

  • 2. De provincie neemt bij de besteding van de uitkering het Unierecht met betrekking tot mededinging, aanbesteding en staatssteun in acht.

  • 3. De provincie rapporteert jaarlijks voor 1 mei over het voorgaande kalenderjaar aan de minister over de voortgang van de gebiedsprocessen en maatregelen. De rapportage bespreekt in ieder geval de in de beschikking tot verlening opgenomen elementen.

  • 4. De provincie deelt voor 1 oktober 2024 en 1 oktober 2025 aan de minister het bedrag mee dat zij voor 2025, respectievelijk 2026 raamt als compensabele omzetbelasting.

  • 5. De minister kan in de beschikking tot verlening verplichtingen opleggen over de wijze van vastlegging van de gegevens die zijn gebruikt bij het in kaart brengen van de effecten van de gebiedsprocessen of maatregelen waarvoor de uitkering is verstrekt.

  • 6. De minister kan in de beschikking tot verlening andere verplichtingen opleggen die bijdragen aan de in het eerste lid bedoelde doelen.

Artikel 10 Periode voor afronden gebiedsprocessen en maatregelen

  • 1. De minister bepaalt in de beschikking tot verlening tot wanneer de gebiedsprocessen en maatregelen kunnen worden uitgevoerd.

  • 2. De minister kan voor een of meer gebiedsprocessen of maatregelen de in het eerste lid bedoelde periode op verzoek van de provincie eenmalig verlengen met ten hoogste vier jaar.

Paragraaf 4 Slotbepalingen

Artikel 11 Verwerking van gegevens

  • 1. De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen op grond van deze regeling gebruikmaken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de volgende wettelijke voorschriften:

    • a. Meststoffenwet;

    • b. Wet dieren;

    • c. Landbouwwet;

    • d. Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’);

    • e. Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren.

  • 2. De minister kan gegevens die in het kader van deze regeling zijn verstrekt:

    • a. ook verwerken voor de toepassing van artikel 20.1, eerste lid, van de Omgevingswet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit;

    • b. verstrekken aan kennisinstellingen met het oog op monitoring, voortgang en evaluatie.

Artikel 12 Verantwoording en vaststelling

  • 1. De provincie legt verantwoording af over de besteding van de in de artikelen 2 en 5 bedoelde uitkeringen op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

  • 2. Voor zover de provincie een uitkering heeft verstrekt aan een gemeente, legt die gemeente verantwoording af over de besteding van de uitkering met toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.

  • 3. Nadat de minister voor een uitkering de relevante verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, heeft ontvangen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, stelt de minister die uitkering binnen 22 weken na die ontvangst ambtshalve vast.

Artikel 13 Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn aangevraagd, verleend of vastgesteld.

Artikel 14 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling provinciale maatregelen landelijk gebied.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 7 juni 2024

De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink

TOELICHTING

Inleiding

Met deze regeling, de Regeling provinciale maatregelen landelijk gebied (Rpml), stelt de Minister voor Natuur en Stikstof financiële middelen beschikbaar aan de provincies. De middelen hebben betrekking op de indirecte uitvoeringskosten die de provincies in 2024 maken voor de ontwikkeling van hun gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat, en op de gebiedsprocessen en maatregelen1 die de provincies in het kader van die gebiedsgerichte aanpak willen uitvoeren in de jaren 2024, 2025 en 2026. De middelen worden uitgekeerd in de vorm van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet. De uitkering is ook een subsidie waarop de subsidieregels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zijn.2

Gebiedsgerichte aanpak en provinciale maatregelpakketten

Het kabinet werkt aan een brede gebiedsgerichte aanpak met als doel om de opgaven voor natuur, stikstof, waterkwaliteit en klimaatverandering in het landelijk gebied te realiseren. Op 1 april 2022 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof in een brief aan de Tweede Kamer de hoofdlijnen uiteengezet voor deze gecombineerde aanpak.3 De basis voor de aanpak zijn de dwingende Europese en internationale doelen die Nederland binden wat betreft herstel en verbetering van natuur, broeikasgasemissies in landbouw en landgebruik en verbetering van het oppervlakte- en grondwater. Het doel van de integrale gebiedsgerichte aanpak is invulling geven aan deze verplichtingen door ze op te pakken in onderlinge samenhang en in samenhang met de daarvoor noodzakelijke verduurzaming van de landbouw.

Met het oog op deze gebiedsgerichte aanpak werkt de Minister voor Natuur en Stikstof aan de totstandkoming van een Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) als rijksprogramma onder de Omgevingswet. In het ontwerp-NPLG zijn structurerende, richtinggevende keuzes en (regionale) doelen vastgelegd als basis voor integrale provinciale programma’s landelijk gebied (hierna: gebiedsprogramma’s).4 Het demissionaire kabinet-Rutte IV heeft besloten om een besluit over de vaststelling van het NPLG over te laten aan een volgend kabinet.

Medio 2023 hebben de provincies aan de Minister voor Natuur en Stikstof voorstellen gedaan voor maatregelpakketten die zij vooruitlopend op vaststelling van hun gebiedsprogramma’s in uitvoering willen nemen. Het Rijk heeft deze voorstellen beoordeeld en deze ook door kennisinstellingen laten beoordelen.5 In oktober 2023 zijn de provincies geïnformeerd over het verloop van de beoordeling en is aan hen verzocht om de door het Rijk als kansrijk beschouwde maatregelen nader uit te werken. Voor deze maatregelpakketten is op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) € 1,28 miljard gereserveerd.6 Dit bedrag is gebaseerd op de middelen die provincies als rijksbijdrage hebben geraamd bij hun voorstellen voor maatregelen en gebiedsprocessen, waarvan Wageningen Economic Research (WEcR) het in haar appreciatie (zie voetnoot 5) aannemelijk acht dat zij bijdragen aan doelbereik.

Op verzoek van de Minister voor Natuur en Stikstof hebben de provincies rond 1 april 2024 voorstellen gedaan voor een verbeterde versie van de door hen uit te voeren maatregelpakketten. Het Rijk beoordeelt die voorstellen onder andere aan de hand van de eerdere adviezen van het Rijk en de analyse, uitgevoerd door WEcR7 en andere kennisinstellingen, zoals het Planbureau voor de Leefomgeving en de Ecologische Autoriteit.8 Deze beoordeling resulteert na besluitvorming in de ministerraad in een brief van de minister aan elke provincie, met het definitieve bedrag dat in de Rpml beschikbaar wordt gesteld. Voor de provincies gezamenlijk tellen die bedragen op tot ruim € 1,2 miljard. Dat bedrag en de voor de provincies beschikbare bedragen zijn opgenomen in artikel 6 Rpml. Voor gebiedsprocessen en maatregelen die volgens de brief van de minister in aanmerking komen voor de door de provincie gewenste uitkering kan de provincie een aanvraag indienen op grond van artikel 5 Rpml.9 Voor deze werkwijze is gekozen om de materiële beoordeling van de gebiedsprocessen en maatregelen niet te belasten met de formele aanvraagprocedure.

Twee specifieke uitkeringen

Inleiding

De Rpml bevat de regels voor de verstrekking van twee specifieke uitkeringen:

  • 1. een ambtshalve aan de provincies te verstrekken uitkering voor de indirecte uitvoeringskosten die de provincies in 2024 hebben gemaakt of nog maken voor de ontwikkeling van hun gebiedsgerichte aanpak (zie met name de artikelen 2 tot en met 4 Rpml), en

  • 2. een op aanvraag aan de provincies te verstrekken uitkering voor de gebiedsprocessen en maatregelen die de provincies in het kader van hun gebiedsgerichte aanpak willen uitvoeren in de jaren 2024, 2025 en 2026 (zie met name de artikelen 5 tot en met 10 Rpml).

Uitkering voor indirecte uitvoeringskosten 2024

Provincies maken uitvoeringskosten bij de ontwikkeling en uitvoering van hun gebiedsgerichte aanpak. Indirecte uitvoeringskosten zijn apparaatskosten die niet direct zijn toe te rekenen aan concrete gebiedsprocessen of maatregelen. Het gaat om bijvoorbeeld kosten voor personeel, huisvesting, ICT, voorbereidingskosten voor programmanagement, beleidsontwikkeling, maar ook materiële kosten en hieruit voortvloeiende overheadkosten. Op grond van artikel 2 Rpml verstrekt de minister voor Natuur en Stikstof ambtshalve een uitkering aan de provincies voor de indirecte uitvoeringskosten die zij in 2024 maken.

Uitkering voor kosten van gebiedsprocessen en maatregelen

Doel, budget, verdeling

Voor de uitkeringen ten behoeve van gebiedsprocessen en maatregelen is ruim € 1,2 miljard beschikbaar, inclusief directe uitvoeringskosten (apparaatskosten die direct zijn toe te rekenen aan gebiedsprocessen of maatregelen). De tabel in artikel 6 Rpml vermeldt het beschikbare budget voor elke provincie (inclusief btw). Zoals in paragraaf 2 van deze toelichting staat vermeld, vormt de beoordeling van de voorgestelde maatregelen door WEcR een belangrijke bouwsteen voor de onderbouwing van het beschikbare budget. De beoordeling door WEcR is ook gebruikt om het bedrag te verdelen over de provincies.

In aanmerking komende kosten

In de integrale beoordeling, genoemd in paragraaf 2, toetst een rijkstoetsteam de door provincies voorgestelde maatregelpakketten. De Minister voor Natuur en Stikstof legt de uitkomsten vast in een brief aan het college van gedeputeerde staten. Daarin staat welke (delen van de) maatregelpakketten een positief oordeel hebben gekregen. Met die brief kunnen provincies uitkeringen aanvragen op grond van artikel 5 Rpml. In de genoemde voorafgaande integrale beoordeling maken de verantwoordelijke ministeries de integrale beoordeling of de middelen die een provincie vraagt voor de dekking van de kosten van een maatregel(pakket), doelmatig en doeltreffend is. Het Ministerie van LNV heeft een aantal richtlijnen en ondersteunende handleidingen opgesteld en ter beschikking gesteld aan de provincies. De belangrijkste zijn de Spelregels Transitie Landelijk Gebied en de Werkwijzer Aanvraag Rijksbijdrage. De financiële uitgangspunten daaruit zijn vertaald in de Rpml voor zover dit nodig is voor de doorwerking daarvan in de verlening van de uitkeringen. Het betreft de opsomming van niet-financierbare kosten, genoemd in artikel 5, derde lid, de bepalingen over compensabele btw, en bepalingen over directe uitvoeringskosten en indexering van de kosten in artikel 7.

In de in ontwikkeling zijnde gebiedsprogramma’s geven provincies aan een groot aantal gebiedsprocessen te willen starten of voort te zetten. Hoewel gebiedsprocessen over het algemeen leiden tot maatregelen met doelbereik, scoren gebiedsprocessen niet altijd een-op-een op doelbereik. Overeenkomstig adviezen van PBL en WEcR beschouwt het kabinet gebiedsprocessen als essentieel en randvoorwaardelijk voor de gebiedsgerichte aanpak. Gebiedsprocessen zijn immers nodig om tot gebiedsspecifieke inpassing en effectieve uitvoering van maatregelen te komen. Provincies moeten in de gebieden samen met gebiedspartijen tot uitvoerbare keuzes en passende maatregelen komen. Het is daarom belangrijk om de processen op gang te krijgen of te houden die uiteindelijk nodig zijn om de gebiedsgerichte aanpak tot een succes te maken. De kosten van gebiedsprocessen, die door WEcR als low regret en verbeterbaar zijn beoordeeld, zijn dan ook onderdeel van de onderbouwing van het budget van ruim € 1,2 miljard.

Verplichtingen

In artikel 9 van de regeling zijn verplichtingen opgenomen die gelden voor alle uitkeringen op grond van artikel 5. Provincies moeten zich inspannen voor doelmatige en doeltreffende aanwending van de middelen met het oog op de doelen van hun gebiedsgerichte aanpak. Lock-in-effecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Met lock-in-effecten wordt de situatie bedoeld waarin er investeringen worden gedaan, die naderhand kunnen botsen met besluitvorming uit de gebiedsgerichte aanpak en daardoor niet doelmatig zijn. In de verleningsbeschikking kunnen aanvullende verplichtingen worden opgelegd die bijdragen aan de genoemde doelen, zoals nadere verplichtingen die lock-in-effecten voorkomen of verplichtingen gericht op integrale en brongerichte reductie van emissies (ammoniak, methaan, geur, fijnstof). Tegelijkertijd moet de provincies waarborgen dat reductie van stikstofemissie ten goede komt aan de doelen in de gebiedsgerichte aanpak.

In artikel 9, derde en vijfde lid, zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de informatie die de Minister voor Natuur en Stikstof nodig heeft. Zie verder hierover paragraaf 3.3.7.

In artikel 9, zesde lid, is ten slotte een bevoegdheid opgenomen voor de minister om verplichtingen op te nemen in de verleningsbeschikking. Het zal dan gaan om verplichtingen die niet in dezelfde mate voor alle ontvangers gelden. Te denken valt bijvoorbeeld aan verplichtingen over afwaardering van de grond, als de beschikking daarvoor middelen verleent.

Aanvragen

De aanvraag om een uitkering volgt na de brief van de minister met daarin de positief beoordeelde maatregelen. De aanvraag is bedoeld om de specifieke uitkering te kunnen verstrekken, waarbij alleen nog aanvullende informatie wordt opgevraagd als er wijzigingen zijn ten opzichte van de informatie die beoordeeld is in het voorafgaande toetsproces.

Artikel 5 Rpml laat ruimte om een uitkering te verstrekken voor een of meer gebiedsprocessen en maatregelen. In overleg met provincies is een uitvoeringspraktijk ontwikkeld die aansluit bij het voorafgaande proces van integrale beoordeling, dat uitgaat van maatregelpakketten. De aanvraag, beschikking en verantwoording vinden daarom in beginsel plaats op maatregelpakketniveau.

Verlening en voorschot

De minister keert de verleende middelen uit als voorschot aan de provincie. Bij de beschikking tot verlening zal de minister op grond van door de provincie verstrekte informatie besluiten over een jaarlijks kasritme van 2024–2025–2026. In die periode worden de verplichtingen aangegaan. In de beschikking wordt een uitvoeringstermijn toegekend.

Wijzigingen of verlenging

Gezien de omvang en de aard van de betrokken gebiedsprocessen en maatregelen kan het na de verlening van de uitkering nodig of wenselijk zijn om af te wijken van de verleningsbeschikking of eerder gestelde voorwaarden:

  • Administratieve wijzigingen hoeven niet gemeld te worden.

  • Verschuivingen binnen maatregelpakketten die geen nadelige gevolgen hebben voor het doelbereik en niet meer middelen vergen, worden geacht te blijven binnen het positieve oordeel van de minister, bedoeld in artikel 7, eerste lid, Rpml, en behoeven dus geen materiële beoordeling door de minister. Provincies kunnen deze inschatting maken in overleg met het Ministerie van LNV. Deze wijzigingen moeten wel worden aangevraagd, zodat de verleningsbeschikking daar eventueel op kan worden aangepast.

  • Elke wijziging die meer middelen vergt dan wel doelen raakt, dient het toetsproces te doorlopen vanaf de integrale beoordeling.

  • Een verzoek tot wijziging van de verleningsbeschikking mag niet zo ingrijpend zijn dat het in feite gaat om een geheel nieuwe aanvraag.

De verleningsbeschikking bepaalt tot wanneer de gebiedsprocessen en maatregelen kunnen worden uitgevoerd. Daarvoor zal een termijn van maximaal 4 jaar worden gehanteerd. De in de beschikking te stellen termijn is onderdeel van de integrale beoordeling. Als afronding van de betrokken gebiedsprocessen en maatregelen binnen de in de beschikking gestelde termijn niet mogelijk is, kan de minister deze periode op verzoek van de provincie eenmalig verlengen met een periode van ten hoogste vier jaar, bijvoorbeeld als dat nodig is voor de realisatie van afwaardering van grond. Zo’n verzoek moet het volgende bevatten:

  • Een beschrijving van de activiteiten die zijn ondernomen om tot uitvoering van het maatregelpakket te komen.

  • Een toelichting op de achtergrond van het verlengingsverzoek.

  • Een beschrijving van de te nemen stappen voor realisatie van het maatregelpakket in de komende periode.

Financiële verantwoording en vaststelling

De regeling bevat verplichtingen voor de financiële verantwoording van de bestedingen. Voorts is er een bepaling opgenomen op basis waarvan de minister nadere eisen kan opnemen in de verleningsbeschikking.

De verplichtingen hebben tot doel om informatie te verzamelen die inzicht geeft in de rechtmatige en doelmatige besteding van de middelen. Het Ministerie van LNV werkt samen met provincies aan een format voor de jaarlijkse provinciale rapportage over de voortgang van de betrokken gebiedsprocessen en maatregelen.

De besteding van de specifieke uitkering wordt uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar verantwoord, zoals geregeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. De financiële verantwoording geschiedt via het systeem van single information, single audit, zoals bepaald in de Regeling informatieverstrekking SiSa.

Daar waar sprake is van overdracht van middelen naar een medeoverheid is SiSa tussen medeoverheden van toepassing conform artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet. Zie artikel 12, tweede lid, Rpml en de toelichting bij die bepaling.

De Minister voor Natuur en Stikstof stelt de uitkering vast binnen 22 weken nadat zij de relevante eindverantwoordingsinformatie heeft ontvangen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In beginsel stelt de minister de uitkering overeenkomstig de verlening vast. De uitkering kan lager worden vastgesteld als:10

  • a. de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

  • b. de provincie niet heeft voldaan aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen;

  • c. de provincie onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening zou hebben geleid, of

  • d. de verlening anderszins onjuist was en de provincie dit wist of behoorde te weten.

Voordat de uitkering lager wordt vastgesteld, zal navraag bij de provincie worden gedaan. Verder zijn de algemene regels van de Awb voor de vaststelling van subsidies van toepassing. Dat betekent onder meer dat zo nodig kan worden overgegaan tot terugvordering van (een deel van de) verleende uitkering. Volledigheidshalve wordt gewezen op artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies.

Staatssteun

De Rpml is gericht op een financiële relatie tussen overheden. Beide specifieke uitkeringen zijn als zodanig niet aan te merken als staatssteun in de zin van het Verdrag van de Europese Unie. Ook zijn de kaders die in de Rpml aan provincies worden meegegeven met betrekking tot de besteding van de middelen, niet van zodanige aard dat die zich lenen voor een beoordeling onder de Europese staatssteunkaders.

Dit neemt niet weg dat de provincies in hun voorstellen voor maatregelen verschillende regelingen aankondigen die wel kunnen worden aangemerkt als de verlening van staatssteun. In de Rpml is de verplichting opgenomen dat de provincies bij de besteding van de uitkering het Unierecht met betrekking tot onder meer staatssteun in acht neemt (artikel 9, tweede lid). Als een provinciale regeling is aan te merken als staatssteun, dan is de provincie als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de melding of notificatie bij de Europese Commissie, al naar gelang wat is vereist.

Regeldruk

De Rpml is gericht op een financiële relatie tussen overheden en heeft daarom geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, en daarmee ook geen gevolgen voor de regeldruk.

Verwerking van gegevens

Het kan wenselijk zijn om de bij de aanvraag overgelegde gegevens (artikel 7) te vergelijken met de gegevens waarover de minister uit anderen hoofde beschikt. Het gaat daarbij in het bijzonder om gegevens die door veehouders zijn verstrekt op grond van de Wet dieren, de Meststoffenwet, de Landbouwwet en twee Europese verordeningen betreffende diergezondheid (in het bijzonder de identificatie en registratie van dieren). Het gaat daarbij om gegevens op geaggregeerd niveau. Daarvoor worden in beginsel geen gegevens verwerkt die zijn terug te leiden op individuele personen. Maar omdat veehouders hun bedrijf veelal voeren in de vorm van een eenmansbedrijf, een maatschap of een vennootschap onder firma, kan die herleidbaarheid niet volledig worden uitgesloten. Omdat in dat geval sprake is van hergebruik van persoonsgegevens die voor een ander doel zijn verzameld, is daarvoor in de regeling een aparte grondslag opgenomen (artikel 11, eerste lid).

Ook kunnen de in het kader van de Rpml verstrekte gegevens worden verwerkt ten behoeve van de monitoring van en rapportage over de wettelijke omgevingswaarden voor stikstofdepositie, het Programma stikstofreductie en natuurverbetering en het Legalisatieprogramma PAS-meldingen. Artikel 11, tweede lid, onder a, biedt daarvoor een grondslag. Voor monitoring, voortgang en evaluatie kunnen deze gegevens ook worden verstrekt aan kennisinstellingen zoals het RIVM en het PBL (artikel 11, tweede lid, onder b).

Artikelsgewijze toelichting

De Rpml bevat de regels voor de verstrekking van twee specifieke uitkeringen aan de provincies. De artikelen 2 tot en met 4 gaan over de uitkering voor indirecte uitvoeringskosten, de artikelen 5 tot en met 10 over de uitkering voor een of meer gebiedsprocessen en maatregelen, inclusief directe uitvoeringskosten. De artikelen 1 en 11 tot en met 13 gelden voor de hele Rpml.

Artikel 2 Uitkering voor indirecte uitvoeringskosten 2024

In dit artikel wordt een titel geboden voor de ambtshalve verstrekking van een uitkering voor de indirecte uitvoeringskosten die de provincies in 2024 maken of hebben gemaakt.

Artikel 3 Uitkeringsplafond en beschikbaar budget per provincie

Voor deze uitkering is op de begroting 2024 van het Ministerie van LNV ruim € 38,5 miljoen gereserveerd. Voor de verdeling van de middelen over de provincies is gebruikgemaakt van het verdeelmechanisme dat eerder is ontwikkeld om indicatieve budgetten uit het Transitiefonds te kunnen berekenen.11 De in de tabel genoemde bedragen zullen – na aftrek van de door de provincies geraamde compensabele btw – aan de provincies worden verstrekt. Compensabele btw is de btw waarvoor de provincie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds voor compensatie in aanmerking komt. De compensabele btw zal worden overgemaakt naar het BTW-compensatiefonds.

Artikel 4 Verlening en voorschot

De minister neemt de beschikking tot het verlenen van de uitkering binnen zes weken na het inwerkingtreden van de Rpml.

In de beschikking wordt het bedrag, genoemd in de tabel van artikel 3, tweede lid, gesplitst in het bedrag van de uitkering en het bedrag van de compensabele btw.

De middelen worden volledig als voorschot uitgekeerd. Daarvoor geldt een betaaltermijn van zes weken na bekendmaking van de verleningsbeschikking.12

Artikel 5 Uitkering voor kosten van gebiedsprocessen en maatregelen

Dit artikel bepaalt voor welke kosten een uitkering kan worden verstrekt. In het eerste lid is de doelomschrijving opgenomen. De gebiedsgerichte aanpak verwijst naar de aanpak zoals vormgegeven in het provinciaal gebiedsprogramma. Het gebruik van de term ‘gebiedsgericht’ sluit overigens niet uit dat de provincie kiest voor een maatregel met generieke werking (bijvoorbeeld een subsidie die openstaat voor haar gehele grondgebied).

Elke provincie vraagt voor haar eigen grondgebied een uitkering aan. In geval van samenwerking zal elke provincie voor haar eigen aandeel een aanvraag doen.

In paragraaf 3.3.1 is al genoemd dat het Rijk bij de integrale beoordeling van de provinciale voorstellen onder andere toetst op het doelbereik voor de doelen van het NPLG.

Het tweede lid gaat over de periode waarin door de provincie verplichtingen moeten zijn aangegaan om in aanmerking te komen voor een uitkering. De specifieke uitkering is bedoeld voor verplichtingen aangegaan vanaf 1 juli 2023 tot en met 31 december 2026. De verleningsbeschikking bepaalt tot wanneer de gebiedsprocessen en maatregelen kunnen worden uitgevoerd, zie artikel 10.

Het derde lid somt bestedingen op die niet met de uitkering kunnen worden gefinancierd:

  • De uitsluiting van indirecte uitvoeringskosten ligt voor de hand, om het onderscheid te markeren met de uitkering voor indirecte uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 2.

  • De uitsluiting van de koop van onroerende zaken houdt verband met de omstandigheid dat een dergelijke investering, dus de aankoopkosten en bijkomende kosten om een transactie tot stand te brengen, kan worden gefinancierd via provinciaal krediet of via aankoop door de Nationale Grondbank. Dit geldt voor de gehele grondvoorraad: aankoop gronden voor functieverandering (extra hectare natuur, bos en groenblauwe dooradering), aankoop binnen begrenzing van een gebiedsprogramma of -plan of gebied met bestemmingswijziging én ruilgronden buiten de begrenzing. Daarmee wordt een harmonisatie doorgevoerd voor alle NPLG-doelen voor wat betreft de aankoop van gronden.

  • De omzetbelasting die de provincie kan aftrekken op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, wordt uitgesloten.

  • Kosten waarvoor al uit anderen hoofde een specifieke uitkering of subsidie wordt verstrekt, zijn uitgesloten. Zo wordt dubbele financiering voorkomen.

Artikel 6 Uitkeringsplafond en beschikbaar budget per provincie

Het uitkeringsplafond bedraagt ruim € 1,2 miljard. Dit bedrag is inclusief de btw waarvoor de provincie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds voor compensatie in aanmerking komt. De compensabele btw wordt toegevoegd aan het compensatiefonds, zie artikel 8, tweede lid.

Artikel 7 Aanvraag

Het eerste lid beoogt de formele aanvraagprocedure te laten volgen op het besluitvormingsproces na de integrale beoordeling, en verzending van de brief van de minister daarover. De in dat lid genoemde gegevens of bescheiden omvatten dus in ieder geval een verwijzing naar die brief.

Het tweede lid regelt dat het aangevraagde bedrag niet meer dan 10% directe uitvoeringskosten mag bevatten en rekening mag houden met de geraamde indexatie van de kosten. Als de provincie in haar aanvraag rekening houdt met indexatie, dan moet zij daarbij de raming hanteren in het centraal economisch plan van het Centraal Planbureau (CPB).

Derde lid: het maximum van 10% directe uitvoeringskosten geldt niet voor de kosten van gebiedsprocessen.

Aanvragen kunnen worden ingediend tot eind 2026. Dat volgt uit het feit dat de Rpml vervalt met ingang van 1 januari 2027 en van toepassing blijft op voordien ingediende aanvragen, zie artikel 13, tweede lid.

Artikel 8 Beslistermijn, verlening en voorschot

De beslistermijn is acht weken. Dat is haalbaar omdat de gebiedsprocessen en maatregelen al positief zijn beoordeeld voordat de aanvraag wordt ingediend (zie artikel 7, eerste lid).

De beschikking vermeldt het bedrag van de uitkering en, voor zover al bekend, het bedrag van de compensabele omzetbelasting.

Artikel 9 Verplichtingen

Dit artikel regelt de verplichtingen die opgelegd worden na het verkrijgen van een positieve beschikking.

Vierde lid: Deze verplichting is nodig omdat de verleningsbeschikking alleen voor 2024 het bedrag van de compensabele btw vermeldt, zie artikel 8, tweede lid.

Vijfde en zesde lid: In de verleningsbeschikking kunnen nog andere verplichtingen worden opgelegd, zie paragraaf 3.3.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 10 Periode voor afronden gebiedsprocessen en maatregelen

In de verleningsbeschikking wordt de termijn opgenomen waarbinnen de uitvoering afgerond moet zijn. De minister kan die termijn voor een of meer gebiedsprocessen of maatregelen op verzoek verlengen met maximaal 4 jaar.

Artikel 11 Verwerken van gegevens

Zie paragraaf 6 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 12 Verantwoording en vaststelling

De besteding van de specifieke uitkering wordt uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar verantwoord, zoals geregeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. De financiële verantwoording geschiedt via het systeem van single information, single audit, zoals bepaald in de Regeling informatieverstrekking sisa.

Tweede lid: voor zover de provincie de uitkering heeft verstrekt aan een gemeente, moet die gemeente de besteding daarvan verantwoorden via de SiSa-systematiek (de zogeheten B-regeling) op grond van artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.

Het derde lid geeft toepassing aan de door artikel 4:47, onder a, Awb geboden mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift een termijn te bepalen waarbinnen de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld. De Minister voor Natuur en Stikstof stelt de uitkering vast binnen 22 weken nadat zij de relevante eindverantwoordingsinformatie heeft ontvangen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Gedeputeerde staten moeten de eindverantwoordingsinformatie uiterlijk aan de Minister van BZK zenden op 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarin de gebiedsprocessen en maatregelen ingevolge artikel 10 moeten zijn uitgevoerd. Voor zover de provincie de uitkering heeft verstrekt aan een gemeente, kan de provincie de eindverantwoordingsinformatie pas aan de Minister van BZK zenden nadat die gemeente op haar beurt aan de provincie de besteding van die middelen heeft verantwoord. De gemeente doet dat uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het jaar van besteding. Dat betekent dat de provincie uiterlijk 15 juli van het jaar daarná haar eindverantwoordingsinformatie aan de Minister van BZK zendt.

Artikel 13 inwerkingtreding en horizonbepaling

Met de inwerkingtreding van deze regeling op de dag na de publicatie in de Staatscourant wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn.13 Er is een groot belang gemoeid bij snelle inwerkingtreding. Het is zeer wenselijk dat de provincies zo spoedig mogelijk kunnen starten met de uitvoering van positief beoordeelde gebiedsprocessen en maatregelen.

Het tweede lid is een horizonbepaling, zoals voor subsidieregelingen wordt voorgeschreven door artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016. De in artikel 5 bedoelde uitkering is in beginsel bedoeld voor gebiedsprocessen en maatregelen die worden uitgevoerd in de jaren 2024, 2025 en 2026. Daarom geldt de Rpml tot 1 januari 2027, maar zij blijft van toepassing op uitkeringen die voordien zijn aangevraagd, verleend of vastgesteld.

De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink


X Noot
1

Artikel 5 Rpml laat ruimte om een uitkering te verstrekken voor een of meer gebiedsprocessen en maatregelen. In overleg met provincies is een uitvoeringspraktijk ontwikkeld die aansluit bij het voorafgaande proces van integrale beoordeling, dat uitgaat van maatregelpakketten.

X Noot
2

Zie artikel 3, vierde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies: ‘In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is titel 4.2 van die wet van toepassing op subsidies die worden verstrekt op grond van een (...) ministeriële regeling (...) die uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.’

X Noot
3

Kamerstukken II 2021/22, 33 576, nr. 265.

X Noot
5

Zie bijlage bij Kamerstukken II 2023/24, 34 682, nr. 186.

X Noot
6

Zie Stb. 2024, 113 en Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XIV, nr. 21, p. 3 (toelichting bij nota van wijziging).

X Noot
7

Zie voetnoot 5.

X Noot
8

Zie bijlage bij Kamerstukken II 2023/24, 34 682, nr. 187.

X Noot
9

Zie artikel 7, eerste lid, Rpml.

X Noot
10

Zie artikel 4:46 Awb, in samenhang met artikel 3, vierde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies.

X Noot
11

Kamerstukken II 2022/23, 34 682, nr. 174, p. 4.

X Noot
12

Zie de artikelen 4:87 en 4:95 Awb.

X Noot
13

Zie aanwijzing 4.17, tweede en vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Naar boven