De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet;
Besluit:
ARTIKEL I
De Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 4 wordt ‘28 februari 2023’ vervangen door ‘31 december 2023’.
B
In artikel 5, tweede lid, wordt na ‘kan de gemeente’ ingevoegd ‘voor 1 oktober van
het betreffende boekjaar’.
ARTIKEL II
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
TOELICHTING
Algemeen
De Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne (hierna: de bekostigingsregeling)
regelt een specifieke uitkering voor gemeenten in verband met de bekostiging van acute
opvang en verstrekkingen vanwege de oorlogssituatie in Oekraïne, voor de kosten die
gemeenten maken in verband met de uitvoering van hun taken op grond van de artikelen
2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking. De bekostigingsregeling is bekendgemaakt
op 3 juni 2022 (Stcrt 2022, 15021) en voorziet in een specifieke uitkering voor gemeenten die besteed kan worden vanaf
1 maart 2022. Deze wijzigingsregeling verlengt het in artikel 4 van de bekostigingsregeling
vermelde bestedingstijdvak tot en met 31 december 2023.
De bekostigingsregeling behoudt zijn eenmalige karakter en is gebaseerd op artikel
17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet. Inhoudelijk blijft de bekostigingsregeling
thans op een punt na ongewijzigd.
Deze wijziging heeft geen gevolgen voor het moment waarop gemeenten moeten verantwoorden
dat het bedrag is besteed aan de in de bekostigingsregeling beschreven doelen. Deze
verantwoording geschiedt volgens de regeling immers reeds achteraf en uiterlijk 15 juli
2023 en 15 juli 2024. Ook het moment van de vaststelling van de uitkering door de
staatssecretaris, uiterlijk 31 december 2023 en 31 december 2024, behoeft geen wijziging.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A (artikel 4)
In artikel 4 van de bekostigingsregeling is aangegeven over welk tijdvak gemeenten
de specifieke uitkering kunnen besteden ter dekking van de kosten van de opvang van
ontheemden die verblijven in een gemeentelijke opvang, de kosten van verstrekkingen
aan ontheemden die in opvangvoorzieningen van particulieren verblijven, en eventuele
transitiekosten.
Het kabinet heeft aangekondigd de indiening bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal
van een wetsvoorstel tot regeling van de tijdelijke opvang van ontheemden uit Oekraïne
voor te bereiden (Stcrt. 2022, 27525). Het wetsvoorstel voorziet in een door artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet
gevergde grondslag voor de bekostigingsregeling, om het vaker dan eenmalig verstrekken
van de specifieke uitkering mogelijk te maken. Met het oog daarop wordt het in artikel
4 van de bekostigingsregeling geregelde bestedingstijdvak verlengd tot en met 31 december
2023. Overeenkomstig datzelfde artikel is het verstrekkingstijdvak en daarmee de bestedingstermijn
evenwel langer als na 31 december 2023 het wetsvoorstel voor de tijdelijke wet met
een grondslag voor een vaker dan eenmalige specifieke uitkering op basis van deze
regeling is ingediend bij de Staten-Generaal. In dat geval loopt het bestedingstijdvak
ook na 31 december 2023 door tot het moment waarop het wetsvoorstel door de Staten-Generaal
wordt verworpen of, indien het wetsvoorstel tot wet wordt verheven en inwerking treedt,
tot het moment waarop de tijdelijke wet vervalt.
Onderdeel B (artikel 5, tweede lid)
Door middel van deze wijziging in de voorschotsystematiek dienen voorschotten ten
behoeve van het lopend boekjaar voor 1 oktober van dat boekjaar te worden aangevraagd.
Redengevend is dat dit een ordentelijke uitvoering bevordert. Na afloop van het boekjaar
kan er weer vanaf 1 januari tot 1 oktober een voorschot voor bestedingen voor het
dan lopende boekjaar worden aangevraagd.
Artikel II
De invoeringstermijn van deze regeling bedraagt minder dan twee maanden. Hiermee wordt
afgeweken van het in het Kabinetsstandpunt inzake Vaste Verandermomenten neergelegde
uitgangspunt. Deze uitzondering is toegestaan vanwege de spoed die voor invoering
van deze regeling is vereist (Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder b, van de Aanwijzingen
voor de regelgeving).
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg