Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/359870, tot wijziging van bijlagen V en VI bij de Omgevingsregeling

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 4.3, vierde lid, van de Omgevingswet;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Omgevingsregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

1. In de rijen HA1.30 en HA3.2 wordt in de tweede kolom ’20 juli 2023’ vervangen door ‘1 januari 2024’.

2. In de rijen HD1.11, HD3.10 en HD5.14 wordt in de tweede kolom ‘1 januari 2023’ vervangen door ‘1 januari 2024’.

3. In rij HD5.9.1.2 wordt in de tweede kolom ‘0,18-0,27 m2’ vervangen door ‘ten hoogste 0,18 m2’.

4. In rij HD5.9.1.3 wordt in de zesde kolom ‘153’ toegevoegd.

B

In bijlage VI komt de tweede kolom van rij LW1.7 te luiden:

Biofilter waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 20 juli 2025 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor 20 juli 2025.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Bij deze wijziging zijn bijlage V (huisvestingssystemen en emissiefactoren) en bijlage VI (aanvullende technieken en reductiepercentages) gewijzigd. In de bijlagen V en VI zijn respectievelijk huisvestingssystemen met daaraan gekoppeld een emissiefactor en aanvullende technieken met daaraan gekoppeld een reductiepercentage opgenomen. De emissiefactoren en de reductiepercentages worden gebruikt voor de berekening van de ammoniakemissie vanuit veehouderijen. Aan de hand van de emissiefactoren en reductiepercentages wordt onder andere vastgesteld of wordt voldaan aan de in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen emissiegrenswaarden voor ammoniak vanuit stallen. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet waren de emissiefactoren en reductiepercentages opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).

Inhoud wijziging

Voor vijf huisvestingssystemen en één aanvullende techniek is de datum waarop de hiervoor geldende emissiefactor of het geldende reductiepercentage niet meer kan worden toegepast, gewijzigd.

Na deze einddata kunnen de emissiefactoren en het reductiepercentage voor deze huisvestingssystemen en de aanvullende techniek alleen nog maar worden toegepast in de volgende drie situaties:

  • Er is een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend voor de genoemde datum.

  • Er is een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van de Omgevingswet verleend voor de genoemde datum.

  • Er geldt geen vergunningplicht en het systeem is rechtmatig toegepast voor de genoemde datum.

Het gaat om de volgende huisvestingssystemen in bijlage V:

  • HA1.30 (ligboxenstal met sleufvloer met geprofileerde rubber tegels voor de diercategorie melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief kalveren jonger dan 14 dagen)),

  • HA3.2 (stal met volledige roostervloer voorzien van een bolle rubber toplaag en afdichtkleppen in de roosterspleten voor de diercategorie vleeskalveren jonger dan 1 jaar),

  • HD1.11 (hok met conditionering van de ligvloertemperatuur, mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, beide kanalen voorzien van een pan met watervulsysteem, dagelijkse mestafvoer uit het mestkanaal en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,062 m2 per dierplaats voor de diercategorie gespeende biggen minder dan 25 kg),

  • HD3.10 (hok met kelders met water- en mestkanaal, vloervoedering, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, mest- en watergoot met schuine puntwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem in mestgoot, dagelijkse mestafvoer en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,3 m2 per dierplaats voor de diercategorie guste en dragende zeugen) en

  • HD5.14 (hok met mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer, mestgoot met schuine putwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem, dagelijkse mestafvoer en een emitterende mestoppervlakte van ten hoogste 0,08 m2 per dierplaats voor de diercategorie vleesvarkens van 25 kg en meer, diercategorie opfokberen van 25 kg meer en jonger dan 7 maanden diercategorie opfokzeugen van 25 kg en meer)

En het gaat om de volgende aanvullende techniek in bijlage VI:

  • LW1.7 (biofilter voor de aanvullende techniek enkelvoudige biologische luchtwassystemen)

Voor de huisvestingssystemen en de aanvullende techniek was in de Omgevingsregeling (Or) bepaald dat de hiervoor opgenomen emissiefactoren en het reductiepercentage golden tot onderscheidenlijk 1 januari 2023 en 20 juli 2023. Vanaf deze data zouden de (hogere) emissiefactoren voor overige huisvestingssystemen gelden en kon het reductiepercentage niet meer worden toegepast. Het gaat hier om voorlopige emissiefactoren en een voorlopig reductiepercentage. In de Rav waren voor deze systemen en deze aanvullende techniek ook voorlopige emissiefactoren opgenomen en een voorlopig reductiepercentage. In de Rav was nog geen einddatum opgenomen, omdat deze niet op voorhand bij het opnemen van een huisvestingssysteem of een aanvullende techniek met een voorlopige emissiefactor of een voorlopig reductiepercentage werd vastgesteld. Voor het vaststellen van voorlopige emissiefactoren en reductiepercentages in de Rav waren de Beleidsregels voorlopige emissiefactoren Regeling ammoniak en veehouderij1 (hierna: Beleidsregels) van toepassing. Bij opname in de Or is ervoor gekozen om voor de voorlopige emissiefactoren en de voorlopige reductiepercentages direct een einddatum op te nemen. Overeenkomstig de Beleidsregels is daarbij uitgegaan van een geldigheid van drie jaar of van vijf jaar. Dit leidde voor de vijf huisvestingssystemen en de aanvullende techniek tot de einddata van 1 januari 2023 en 20 juli 2023.

Deze einddata staan weliswaar in de Or, maar zijn niet in de Rav verwerkt. Dit betekent dat deze systemen tot inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 nog steeds kunnen worden toegepast. Om te voorkomen dat veehouders die zo’n systeem nog hebben toegepast, op 1 januari 2024 te maken krijgen met een hogere emissiefactor en in strijd handelen met de in het Bal opgenomen emissiegrenswaarden, zijn de data voor de vijf huisvestingssystemen aangepast naar 1 januari 2024. Door deze wijziging blijft voor reeds vergunde of toegepaste systemen voor 1 januari 2024, de eerder vastgestelde (lagere) emissiefactor gelden. Voor de additionele techniek is de datum aangepast naar 20 juli 2025. Deze techniek kan daarom nog langer worden toegepast.

Verder is voor één huisvestingssysteem een fout in de omschrijving van dit systeem hersteld. En is voor één huisvestingssysteem de emissiefactor voor fijnstof toegevoegd, omdat deze eerder bij opname van onder meer dit systeem in de Omgevingsregeling per abuis niet is toegevoegd.

Gevolgen

- Administratieve lasten

Deze regeling bevat geen meldings-, registratie- of andere informatieverplichtingen en leidt niet tot een verhoging van administratieve lasten bij bedrijven.

- Effecten voor het bedrijfsleven

Voor veehouders die de betreffende huisvestingssystemen reeds hebben toegepast geldt dat de wijziging positieve effecten heeft. Met de wijziging wordt immers voorkomen dat voor reeds vergunde of rechtmatig toegepaste huisvestingssystemen een hogere emissiefactor gaat gelden na inwerkingtreding van de Or waardoor in strijd met het Bal zou worden gehandeld. Voor fabrikanten van de betreffende huisvestingssystemen zijn er geen effecten. Ook voor de wijziging gold reeds dat vanaf 1 januari 2024 de betreffende huisvestingssystemen niet meer konden worden toegepast.

- Lasten voor de overheid

Er is geen sprake van stijging van de bestuurlijke lasten voor gemeenten en provincies die bevoegd gezag zijn.

- Effecten voor het milieu

De wijzigingen leiden tot neutrale effecten op het milieu.

Consultatie

De fabrikanten van de huisvestingssystemen en de additionele techniek waarop deze wijziging ziet, zijn ingelicht over de wijziging.

Ook is de regeling aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) voorgelegd ter toetsing. Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

- Internetconsultatie

De wijziging heeft van 19 oktober 2023 tot en met 16 november 2023 open gestaan voor openbare internetconsultatie. Er zijn geen reacties binnengekomen. De consultatie heeft daarom niet geleid tot inhoudelijke aanpassingen van de regeling.

Inwerkingtreding

Bij de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding is afgeweken van de vaste verandermomenten (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, tweede lid) en de minimuminvoeringstermijn van twee maanden (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, vierde lid). De reden van deze afwijking is dat hiermee aanmerkelijke ongewenste private nadelen worden voorkomen (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, vijfde lid, onderdeel a). Met de wijziging wordt immers voorkomen dat veehouders die voor 1 januari 2024 één van de vijf genoemde huisvestingssystemen hebben toegepast of de aanvullende techniek, op 1 januari 2024 te maken krijgen met een hogere emissiefactor of het reductiepercentage niet meer kunnen toepassen. Dit is onbedoeld en onwenselijk en levert rechtsonzekerheid op voor veehouders. Daarom zijn deze data met deze wijziging aangepast.

Artikelsgewijs

Artikel I

In artikel I, onderdelen A en B, zijn de bijlagen V en VI bij de Or aangepast. Hieronder worden deze wijzigingen toegelicht.

- Onderdeel A, onder 1 en 2

De fabrikanten van de huisvestingssystemen in de rijen HA1.30 en HA3.2 van bijlage V hebben de meetrapporten die nodig zijn om een definitieve emissiefactor vast te kunnen stellen, niet binnen de maximale termijn van vijf jaar ingediend. De fabrikant van de huisvestingssystemen in de rijen HD1.11, HD3.10 en HD5.14 van bijlage V heeft eveneens de meetrapporten die nodig zijn om een definitieve emissiefactor vast te kunnen stellen, niet ingediend en aangegeven dat het systeem inmiddels niet meer wordt geleverd. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Beleidsregels komt een voorlopige emissiefactor na drie jaar en in bijzondere situaties na uiterlijk vijf jaar, te vervallen. In bijlage V was bij deze stalsystemen overeenkomstig deze termijnen reeds opgenomen dat de hiervoor geldende emissiefactor vanaf onderscheidenlijk 1 januari 2023 en 20 juli 2023 niet meer kon worden toegepast.

Omdat deze data zijn gelegen in 2023 zouden deze emissiefactoren na inwerkingtreding van de Or op 1 januari 2024 voor systemen die na deze data maar voor 1 januari 2024 zijn vergund of toegepast, niet meer kunnen worden toegepast. Voor deze reeds vergunde of toegepaste systemen zou na inwerkingtreding van de Or de (hogere) emissiefactor voor overige huisvestingssystemen gelden waardoor de emissiegrenswaarden van het Bal zouden worden overschreden. Ter voorkoming van dit effect zijn deze data aangepast naar 1 januari 2024.

- Onderdeel A, onder 3

Bij de opname van het huisvestingssysteem in rij HD5.9.1.2 (emitterende mestoppervlakte 0,18-0,27 m2 per dierplaats zonder spoelgoten) in bijlage V is per abuis een verkeerde omschrijving opgenomen. De emissiefactor geldt tot een emitterende oppervlakte van 0,18 m2, zoals het ook in bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij staat.

- Onderdeel A, onder 4

Bij opname van het huisvestingssysteem in rij HD5.9.1.3 (emitterende mestoppervlakte 0,18-0,27 m2 per dierplaats met spoelgoten) is per abuis de emissiefactor voor fijnstof niet vermeld. Deze factor is bij deze wijziging alsnog opgenomen.

- Onderdeel B

Voor de additionele techniek genoemd in rij LW1.7 is toepassing van het voorlopige reductiepercentage verlengd. In de Or was overeenkomstig de Beleidsregels uitgegaan van een termijn van drie jaar voor toepassing van het vastgestelde reductiepercentage. De leverancier van dit systeem heeft aannemelijk gemaakt dat binnen vijf jaar de benodigde metingen om een definitief reductiepercentage vast te kunnen stellen zullen zijn uitgevoerd. Daarom is overeenkomstig de Beleidsregels de geldende termijn voor het voorlopige reductiepercentage aangepast naar vijf jaar en vastgesteld op 20 juli 2025.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen


X Noot
1

Besluit van 31 januari 2011, nr. DP/2011037216, houdende vaststelling van beleidsregels voor het opnemen van huisvestingssystemen met een voorlopige emissiefactor in de Regeling ammoniak en veehouderij (Stcrt. 2011, 2434).

Naar boven