Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2 juni 2023, nr. Min-Buza.2023.15336-25, tot wijziging van de Sanctieregeling Iran 2012

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (Pb L 88);

Gelet op artikel 2, tweede lid, en artikel 3 van de Sanctiewet 1977;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2012, nr. Minbuza-2012.7941, houdende beperkende maatregelen jegens Iran wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, zesde lid, komt te luiden:

  • 6. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is, afhankelijk van de aard van de informatie, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel de Minister van Financiën, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j, l en m, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012 verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d en k, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012 verstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 40 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken.

B

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5

  • 1. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap adviseert in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking kennisinstellingen gevraagd of ongevraagd over een risico op overtreding van de verboden, bedoeld in artikel 4bis en artikel 4ter van Verordening (EU) nr. 267/2012.

  • 2. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming ter uitvoering van de taken bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Voor zover deze noodzakelijk zijn voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de taak bedoeld in het eerste lid, kunnen bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt.

C

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Iran 2012.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Buitenlandse Zaken, W.B. Hoekstra

TOELICHTING

Inleiding

Op grond van de EU-Iran Verordening 267/20121 (hierna: Verordening 267/2012 of Verordening) is het verlenen van technische bijstand of overdragen van goederen of technologie voor het Iraanse ballistische raketprogramma verboden. Nederland dient als lidstaat van de EU-maatregelen te nemen om te zorgen dat de verboden van de Verordening worden nageleefd en is verantwoordelijk voor de handhaving van die verboden.

In 2019 heeft het Kabinet het toezicht op studenten en onderzoekers die een relatie kunnen hebben met het Iraanse ballistische raketprogramma aangescherpt. Dit verscherpt toezicht ziet onder andere op het (preventief) toetsen van studenten en onderzoekers in gevoelige onderwijs- en onderzoeksgebieden die relevant zijn voor de productie en ontwikkeling van ballistische raketten om in te schatten of er een mogelijk risico bestaat op overtreding van de Verordening 267/20122. Het verscherpt toezicht is erop gericht de kennisinstellingen te ondersteunen in het voorkomen dat de verboden uit de Verordening worden overtreden. In de Sanctieregeling Iran 2012 moet bij gespecialiseerde vorming of opleiding gedacht worden aan Nederlandse kennisinstellingen in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Het verbod uit de sanctieregeling ziet niet op bacheloropleidingen, aangezien het specialistische niveau onvoldoende is om tot risico’s in de zin van de Verordening te kunnen leiden.

Met onderhavige wijziging wordt de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap belast met de taak gevraagd of ongevraagd kennisinstellingen te adviseren over risico’s op overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 4bis en 4ter van Verordening 267/2012.

Aanleiding wijziging Sanctieregeling Iran 2012

Het (preventief) toetsen van studenten en onderzoekers in gevoelige onderwijs- en onderzoeksgebieden op een mogelijke relatie met het Iraanse ballistische raketprogramma gebeurt in opdracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking primair door het OCW-Loket Kennisembargo namens deze bewindspersonen.

Wanneer mogelijke risico’s worden geconstateerd door het OCW-Loket Kennisembargo wordt de aanvraag nader onderzocht door de Taskforce Ongewenste kennisoverdracht die sinds april 2019 is ingesteld om vorm te geven aan het verscherpte toezicht. De Taskforce bestaat uit ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, welke ambtenaren handelen namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap respectievelijk de Minister van Buitenlandse Zaken.

Op 6 juli 2021 is de evaluatie van de Taskforce gepubliceerd. In deze evaluatie is het verscherpte toezicht, de organisatie en de doelmatigheid er van geëvalueerd. In de evaluatie zijn diverse aanbevelingen gedaan. Een van de aanbevelingen is om het opdrachtgeverschap eenduidiger te organiseren. Om zowel het opdrachtgeverschap als het eigenaarschap te verbeteren is de aanbeveling om het coördinerend (beleidsmatig) opdrachtgeverschap bij Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te beleggen (aanbeveling 2). Voor een structurele inbedding is het eenduidig beleggen van de opdrachtgeversrol noodzakelijk. Onverlet de beleidsverantwoordelijkheid van de Ministers van Buitenlandse Zaken (voor de coördinatie van de naleving van de internationale sanctieregelingen) en die voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (voor het opleggen van handelsbeperkingen) wordt de coördinerende opdrachtgeversrol bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap belegd.

Om de werkzaamheden van zowel het OCW-Loket als de Taskforce onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te kunnen laten vallen, wordt met onderhavige wijziging de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap belast met de taak gevraagd of ongevraagd kennisinstellingen te adviseren over de vraag of toelating van een persoon in strijd is met artikel 1 van de Sanctieregeling Iran 2012 in samenhang met artikelen 4bis en 4ter van Verordening 267/2012.

Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat ook al is het de opdracht van de Taskforce om de kennisinstellingen te adviseren over risico’s op overtreding van Verordening 267/2012, het de verantwoordelijkheid van de kennisinstelling blijft om te voldoen aan de bepalingen in de Verordening en om op basis van een verhoogd risicoadvies noodzakelijke maatregelen te nemen.

Met onderhavige wijziging wordt de advisering van instellingen over risico’s op overtreding van de verordening formeel belegd bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die doet dit in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken. Daarmee worden de taken – die het OCW-Loket Kennisembargo3 en de Taskforce reeds uitvoeren namens de Minister van OCW bevestigd, waarbij tevens vanaf de overname het coördinerend opdrachtgeverschap van de Taskforce onder verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden uitgevoerd. OCW draagt dan zorg voor de benodigde interdepartementale afstemming.

Verboden uit artikelen 4bis en 4ter van Verordening 267/2012 in relatie tot onderwijs

Zowel het OCW-Loket als de Taskforce heeft geen bevoegdheid tot het vaststellen van concrete overtredingen, maar zij hebben als opdracht om voor individuele gevallen de risico’s op overtreding van de verboden uit de artikelen 4bis en 4ter van de Verordening te onderzoeken en de kennisinstellingen daarover te adviseren.

Artikel 2, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 geeft de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde, dan wel de bestrijding van terrorisme.

Artikel 2, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 bepaalt, dat indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen, die voortvloeien uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, deze regels in een ministeriële regeling (lees: sanctieregeling) kunnen worden neergelegd. In de onderhavige regeling is hiervan sprake. Er worden aanvullende regels gesteld, ter uitvoering van verplichtingen opgenomen in de Verordening.

Het EU-recht staat de nationale overheid toe een steunpunt in te stellen met een adviserende taak om de kennisinstellingen bij te staan teneinde hen in staat te stellen de betreffende verbodsbepalingen in Verordening 267/2012 na te leven. Een dergelijk steunpunt kan worden gezien als middel om een goede naleving van Verordening 267/2012 die verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, te realiseren. Omdat i.c. sprake is van regels die uitsluitend ter uitvoering van de verordening worden opgesteld, is een ministeriële regeling het juiste instrument.

Verordening 267/2012 verbiedt in artikel 4bis de verkoop, levering, uitvoer of overdracht van goederen en technologieën, genoemd in bijlage III van de Verordening, aan Iraanse personen, entiteiten of lichamen (als gedefinieerd in de Verordening) of voor gebruik in Iran. Alsmede elk ander voorwerp waarvan de lidstaten van mening zijn dat die bij zou kunnen dragen aan de ontwikkeling of overbrenging van kernwapens naar Iran of Iraanse personen, entiteiten of lichamen.

Artikel 4ter verbiedt onder meer het verlenen van technische bijstand in verband met de goederen of technologieën, genoemd in bijlage III van de Verordening, of in verband met het leveren, vervaardigen, onderhouden en gebruik van die goederen of technologieën wanneer die technische bijstand dient voor gebruik in Iran of wordt verleend aan een Iraanse persoon, entiteit of lichaam (als gedefinieerd in de Verordening). Op basis van de verboden is het opdoen van kennis dan wel het overdragen van technische gegevens aan Iraanse personen, entiteiten of lichamen (als gedefinieerd in de Verordening) of voor gebruik in Iran verboden als dit aan te merken valt als relevant voor de ontwikkeling van ballistische raketten.

Technische bijstand

Technische bijstand kan de vorm aannemen van bijvoorbeeld het verlenen van instructies, advies, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden of adviesdiensten. Desgevraagd heeft de Europese Commissie, middels een formele opinie, aangegeven dat het aanbieden van bepaalde vormen van hoger onderwijs en het verrichten van toegepast onderzoek onder het begrip ‘technische bijstand’ kunnen vallen4.

In overleg met de kennisinstellingen is in 2019 een lijst van vakgebieden opgesteld waarin de technologie van bijlage III van de Verordening aan de orde komt. De technologie van bijlage III is afgeleid van de controlelijst zoals opgesteld door het Missile Technology Control Regime (MTCR).

Doelgroep

Het risicoadvies met betrekking tot de verboden in Verordening 267/2012 geldt voor alle onderzoekers (inclusief PhD-kandidaten, PDEng-kandidaten en Postdocs), hoogleraren, technisch ondersteunend personeel en masterstudenten die een afstudeeropdracht of onderzoek doen binnen de vastgestelde risicovolle vakgebieden5. Het risicoadvies kan aan de orde zijn voor iedereen aan wie ‘gespecialiseerde kennis’ die voorkomt op de lijst wordt overgedragen. Er is in 2019 voor gekozen om bachelor- en masterstudenten (die nog niet in de onderzoeksfase zitten) te ontzien voor het risicoadvies aan instellingen, aangezien de kennis die in deze fase wordt opgedaan in open bronnen te vinden is.

De onderzoeksfase binnen een master verdient wel speciale aandacht, omdat er in deze fase nieuwe toegang is tot relevante kennis dan wel deze kennis opgedaan kan worden. Dit geldt ook voor bepaalde extra curriculaire activiteiten zoals studentenprojecten, waarbij mogelijk unieke kennis wordt opgedaan.

Taak- en procesbeschrijving OCW-Loket Kennisembargo en de Taskforce Verscherpt toezicht/ Ongewenste kennisoverdracht

Het OCW-Loket Kennisembargo is ingesteld als single point of contact voor de aanvrager van zowel een ontheffing voor het kennisembargo tegen Noord-Korea als het risicoadvies voor naleving van de verboden uit Verordening 267/2012. De aanvrager dient een vragenlijst in te vullen en stuurt deze met bijbehorende bewijsstukken naar het OCW-Loket Kennisembargo.

De taak van het OCW-Loket Kennisembargo bestaat uit onder andere6 het gevraagd of ongevraagd adviseren van kennisinstellingen over de vraag of toelating van een persoon in strijd is met artikel 1 van de Sanctieregeling 2012 in samenhang met de artikelen 4bis en 4ter van Verordening 267/2012 (zie artikel 5 (nieuw), eerste lid). Het is de verantwoordelijkheid van de kennisinstellingen om ervoor te zorgen dat de Verordening niet wordt overtreden. Het OCW-Loket Kennisembargo dient als steunpunt, met een adviserende taak om de kennisinstellingen bij te staan teneinde ze in staat te stellen de betreffende verboden in Verordening 267/2012 na te leven.

De Taskforce Ongewenste Kennisoverdracht dient als tweede lijn in het toetsingsproces en verricht aanvullend onderzoek in het geval er mogelijke risico’s op kennisoverdracht die op grond van de verordening verboden is, zijn geconstateerd door het OCW-Loket Kennisembargo.

Zoals hiervoor aangegeven wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de taak van het OCW-Loket Kennisembargo en de Taskforce en de grondslag voor het verwerken van de daarvoor benodigde persoonsgegevens te bevestigen.

Volledigheidshalve wordt hier nog opgemerkt dat het OCW-Loket Kennisembargo niet hetzelfde is als het Loket Kennisveiligheid7.

Aanwijzen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als een van de bevoegde autoriteiten

De wijziging van artikel 3, zesde lid, van de Sanctieregeling Iran 2012 strekt tot het aanwijzen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als één van de bevoegde autoriteiten in het kader van artikel 40 van Verordening (EU) nr. 267/2012.

Artikel 40, eerste lid, onder a, van Verordening (EU) nr. 267/2012 verplicht personen en entiteiten alle informatie ‘die de naleving van deze verordening vergemakkelijkt (-) onverwijld te verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten (-) en deze informatie, direct of via deze bevoegde autoriteiten, aan de Commissie te doen toekomen’. Uit artikel 40, eerste lid, onder b, van die verordening volgt voor personen en entiteiten de verplichting tot samenwerking met de aangewezen bevoegde autoriteiten.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt vanwege zijn betrokkenheid bij het verscherpte toezicht op studenten en onderzoekers in gevoelige en/of sensitieve technologische onderwijs- en onderzoeksgebieden aangewezen als één van de bevoegde autoriteiten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap neemt vanaf de datum van inwerkingtreding van de wijzigingsregeling het coördinerend opdrachtgeverschap van de Taskforce Ongewenste Kennisoverdracht over van de Minister van Buitenlandse Zaken.

Bevoegdheden Taskforce in relatie tot het verwerken van persoonsgegevens

De Taskforce bestaat uit ambtenaren van diverse ministeries (Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) die op basis van samenwerking en het inbrengen van expertise een adviestaak uitvoeren namens deze bewindspersonen8. Zowel het OCW- Loket Kennisembargo als de Taskforce kan alleen die bevoegdheden uitoefenen die door de ambtenaren, namens hun Ministers, kunnen worden uitgeoefend.

Door middel van onderhavige wijziging worden het OCW-Loket Kennisembargo en de Taskforce uitdrukkelijk belast met de taak om kennisinstellingen gevraagd of ongevraagd te adviseren op overtreding van de artikelen 4bis en/of 4ter van Verordening 267/2012).

Door het vastleggen van deze wettelijke taak, staat de bevoegdheid voor het verwerken van persoonsgegevens ook vast (voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van die taak).

Algemene verordening gegevensverwerking

In de Algemene verordening gegevensverwerking (AVG)9 is opgenomen dat een wettelijke verplichting een noodzakelijke voorwaarde is voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. In de memorie van toelichting bij de Uitvoeringsregeling AVG is het volgende nader opgenomen.

‘De publieke taak en de gegevensverwerking moeten hun grondslag vinden in het in Nederland geldende recht. Dit hoeft echter niet uitputtend te zijn geregeld, en de publieke taak behoeft ook niet altijd in een wet in formele zin te zijn vastgelegd. Deze lezing strookt ook met het uitgangspunt van het EVRM inzake beperking van grondrechten, waarbij de beperking van het privéleven op grond van artikel 8, tweede lid, voorzienbaar moet zijn bij wet. Het begrip «voorzienbaar bij wet» wordt hierbij opgevat als een materieel wetsbegrip, dat niet beperkt is tot wetten in formele zin. In de kern gaat het erom dat het voor het individu kenbaar moet zijn dat zijn persoonsgegevens met betrekking tot een specifieke publieke taak worden verwerkt.

De nationale regelgeving moet het doel van de verwerking bepalen en zou kunnen ingaan op de voorwaarden die de verordening stelt aan een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Bij dit laatste kan blijkens overweging 45 worden gedacht aan specificaties voor het bepalen van de verwerkingsverantwoordelijke, het type verwerkte persoonsgegevens, de betrokkenen, de entiteiten waaraan de persoonsgegevens mogen worden vrijgegeven, de doelbinding, de opslagperiode en andere maatregelen’ 10.

Met onderhavige wijziging van de Sanctieregeling Iran 2012 wordt derhalve ook een grondslag in het leven geroepen voor de verwerking van persoonsgegevens.

Bijzondere persoonsgegevens

Voor het uitvoeren van de taak van de Taskforce en het OCW-Loket Kennisembargo is het niet noodzakelijk om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Er kan echter sprake zijn van het verwerken van bijzondere persoonsgegevens, omdat zaken als etniciteit, mogelijk geloof en/of politieke voorkeur af te leiden zijn uit de combinatie van naam met geboorteplaats. Om dit risico te beperken, worden betrokkenen gevraagd de foto op het paspoort en het BSN-nummer af te dekken. De mogelijke (bijzondere) persoonsgegevens worden alleen gebruikt om te beoordelen of er sprake is van een persoonlijke, academische of professioneel netwerk met of in Iran. Mochten deze bijzondere gegevens verwerkt worden, dan is deze verwerking toegestaan op grond van de uitzonderingsgrond zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid onder g, van de Algemene Verordening Gegevensverwerking, te weten ‘de verwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeen belang’. Het zwaarwegend algemene belang is hierin gelegen dat getoetst moet kunnen worden of er risico’s zijn dat de verboden uit de Verordening worden overtreden. Tot die risico’s behoort de overdracht van kennis of technische gegevens, relevant voor de productie en ontwikkeling van ballistische raketten, aan Iraanse personen, entiteiten of lichamen.

Verwerkingsverantwoordelijk in de zin van de AVG

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt vanwege de taak van het OCW-Loket Kennisembargo en de taak van de Taskforce ongewenste kennisoverdracht, de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (zie artikel 5 (nieuw), tweede lid).

Advies en consultatie

De regeling is ter consultatie voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens. De autoriteit persoonsgegevens heeft aangegeven dat uit het rapport ‘Procesinrichting aanvragen ontheffing Kennisembargo, Impactanalyse en scenarioverkenning’ blijkt dat niet uit te sluiten is dat er informatie beschikbaar komt over politieke voorkeur, geloof of gezondheid. De AP adviseert om in de toelichting te verduidelijken dat er bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt en de uitzonderingsgrond hiervoor te onderbouwen.

In bovenstaande toelichting is dit advies overgenomen en verwerkt.

Citeertitel

Abusievelijk ontbrak aan de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2012, nr. Minbuza-2012.7941, houdende beperkende maatregelen jegens Iran een citeertitel. Deze wordt alsnog toegevoegd in artikel 6a (nieuw).

Sancties algemeen

Voor meer informatie over de beperkende maatregelen zij verwezen naar de website www.rijksoverheid.nl/sancties.

Inwerkingtreding

Onderhavige regeling strekt tot naleving van een internationale verplichting. Uit dien hoofde vindt inwerkingtreding niet plaats conform de Vaste Verander Momenten-systematiek.

De Minister van Buitenlandse Zaken, W.B. Hoekstra


X Noot
1

Verordening (EU) Nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (Pb L88).

X Noot
4

Commission opinion of 5.8.2019 on a request for interpretation concerning the provision of higher education and the undertaking of applied research in the framework of a prohibition to provide technology or technical assistance to a third country.

X Noot
5

Dit zijn de vakgebieden waarin technologie aan de orde komt, zoals vermeldt in bijlage III uit de verordening (welke is afgeleid van de controlelijst zoals opgesteld door het Missile Technology Control Regime (MTCR)).

X Noot
6

De aanvrager wordt door het OCW-Loket Kennisembargo tegelijkertijd getoetst op zowel de uitvoering van de Sanctieregeling Noord-Korea 2017 als op de verboden uit de EU-Iran Verordening 267/2012. Volledigheidshalve wordt in deze toelichting opgemerkt dat de taken van de Taskforce en het OCW-Loket Kennisembargo anders zijn ten aanzien van de Sanctieregeling Noord-Korea 2017. In de Sanctieregeling Noord-Korea 2017, welke een uitvoering is van de EU Sanctieverordening 2017/1509 met betrekking tot Noord-Korea, is er sprake van uitvoering van openbaar gezag door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de vorm van ontheffingsverlening.

X Noot
7

Het loket kennisveiligheid biedt hulp aan iedereen die verbonden is aan een kennisinstelling met vragen over kansen, risico's en praktische zaken van internationale samenwerking, zie https://www.rvo.nl/onderwerpen/loket-kennisveiligheid. Het Loket kennisveiligheid biedt hulp om te voorkomen dat internationale samenwerking leidt tot ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie.

X Noot
8

Zie voor nadere uitleg van de taak en governance in de ABD-evaluatie.

X Noot
9

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119)

Naar boven