Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201930821 nr. 70

30 821 Nationale Veiligheid

Nr. 70 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN, VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP, VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 maart 2019

Nederland is een open kenniseconomie en zet daarom sinds geruime tijd in op internationale wetenschappelijke samenwerking. Het stimuleren van vrije toegang tot onderzoek en onderwijs is een belangrijke kernwaarde en biedt kansen. Door deze open kennissamenleving scoort Nederland goed op allerlei internationale rankings. Soms staat ons open stelsel echter op gespannen voet met het belang van nationale en internationale veiligheid. In sommige gevallen is het onwenselijk dat bepaalde personen in Nederland kennis opdoen vanwege een hoog risico op ongewenste technologieoverdracht. Ook in EU-verband staat het onderwerp technologieoverdracht in toenemende mate hoog op de agenda.

Brede internationale ontwikkelingen op het gebied van digitalisering en veiligheid hebben de wens op scherper toezicht met betrekking tot de bescherming van kennis onderstreept. Daarom zet het kabinet proactief en in samenwerking met de sector in op beperking van ongewenste technologieoverdracht door het verscherpen van toezicht op academisch onderzoek en onderwijs voor studenten en onderzoekers uit risicolanden. Enerzijds maakt het kabinet daarbij gebruik van bestaande wet- en regelgeving, anderzijds zullen er nieuwe maatregelen genomen moeten worden.

Ten aanzien van bestaande wet- en regelgeving kent Nederland mogelijkheden om de toegang tot specifieke studies en onderzoeksvelden in Nederland te ontzeggen. Momenteel is de situatie zo dat alle studenten en onderzoekers uit welk land dan ook aan een risicoanalyse worden onderworpen indien zij toelating wensen tot een opleiding, genoemd in de bijlage van de Sanctieregeling Noord-Korea 2017. Deze regeling is ingesteld op basis van de Nederlandse sanctiewet (Sanctiewet 1977) ter uitvoering van een VN-resolutie en het Raadsbesluit van de EU. De regeling ziet toe op het voorkomen dat Noord-Korea wordt voorzien van kennis die bijdraagt aan proliferatiegevoelige activiteiten in dat land.

In aanvulling hierop wil het kabinet ook scherper gaan toezien op studenten en onderzoekers uit andere risicolanden. Vanwege een recente casus en het feit dat het kabinet zich in toenemende mate zorgen maakt over het ballistische raketprogramma van Iran omdat zich dat steeds verder blijft ontwikkelen zal prioriteit worden gegeven aan het verscherpen van het toezicht op studenten en onderzoekers die een link kunnen hebben met het Iraanse ballistische raketprogramma.1

Het kabinet verkent op dit moment verschillende opties om ongewenste technologie overdracht te voorkomen. Zo heeft het kabinet met betrekking tot Iran de Europese Commissie gevraagd om nadere schriftelijke duiding van de EU-sanctieverordening Iran (2012/267). In de verordening staat een verbod op de overdracht van specifieke omschreven technologie die kan bijdragen aan de ontwikkeling van het Iraanse ballistische raketprogramma en het verlenen van technische bijstand met betrekking tot deze technologie en/of goederen voor gebruik in Iran. Hoewel deze verordening niet is opgesteld met oog op hoger onderwijs, biedt het aanknopingspunten om scherper toe te zien op studenten en onderzoekers in specifieke studies en onderzoeksgroepen, die aan het Iraanse ballistische raketprogramma kunnen worden verbonden.

Parallel hieraan neemt het kabinet een aantal maatregelen voor scherper toezicht op studenten en onderzoekers uit Iran. Zo zal er een toetsingskader worden opgesteld en een Taskforce worden ingesteld van OCW, J&V en BZ. Deze Taskforce zal op basis van het toetsingskader de huidige groep studenten en onderzoekers in gevoelige studies en die een link kunnen hebben met het Iraanse ballistische raketprogramma toetsen, op zorgvuldige en non-discriminatoire wijze, om mogelijke veiligheidsrisico’s maximaal in te dammen. Voor het komende studiejaar zal het toezicht worden aangescherpt op nieuwe aanmeldingen uit Iran met betrekking tot specifieke studies en onderzoeksgroepen om het risico op ongewenste technologieoverdracht te verkleinen. Daarnaast zullen separaat aanvullende maatregelen worden ontwikkeld om het toezicht op studenten en onderzoekers voor andere risicolanden verder aan te scherpen.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, M.G.J. Harbers


X Noot
1

Tot 2016 bestond voor Iran een vergelijkbare regeling als voor Noord-Korea, als onderdeel van de Sanctieregeling Iran 2012. Met de implementatie van de VN Veiligheidsraadresolutie 2231 (2015) is dit kennisembargo t.a.v. Iran opgeschort.

Hierover zijn de universiteiten begin 2016 door het kabinet geïnformeerd.