Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Autoriteit Consument en Markt | Staatscourant 2023, 17226 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Autoriteit Consument en Markt | Staatscourant 2023, 17226 | overige overheidsinformatie |
Datum: 26 mei 2023
Kenmerk: ACM/UIT/598777
Zaaknummer: ACM/22/181166
De Autoriteit Consument en Markt,
Gelet op artikel 31, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998;
Besluit:
De Netcode elektriciteit wordt gewijzigd als volgt:
In artikel 2.16, derde lid onderdeel a, sub 4°, wordt na ‘type B’ het tekstdeel verwijderd luidende ‘alsmede aan de voorwaarden zoals verwoord in artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en artikel 3.24, vijftiende lid’.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 26 mei 2023
Autoriteit Consument en Markt, namens deze: C.M.L. Hijmans van den Bergh bestuurslid
Als u belanghebbende bent, kunt u beroep instellen tegen dit besluit. Stuur uw gemotiveerde beroepschrift naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ‘s-Gravenhage. Dit moet u doen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt. Meer informatie over de beroepsprocedure vindt u op www.rechtspraak.nl.
In dit besluit beoordeelt de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) de bezwaren die de Vereniging Energie-Nederland (hierna: E-NL) heeft ingediend tegen het Besluit aansluitvoorwaarden elektriciteit 2022.1 Daarbij had de ACM de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet) voor onder meer elektriciteitsopslageenheden gewijzigd.
De ACM komt tot de conclusie dat het bezwaar dat E-NL heeft gemaakt tegen de opname in de voorwaarden van de op- en afregelsnelheid van elektriciteitsopslageenheden van het type B, gegrond is. Dat betekent dat het artikelonderdeel van het Besluit dat daarop betrekking heeft, vervalt.
1. Op 8 april 2022 heeft de ACM een voorstel van Netbeheer Nederland ontvangen tot wijziging van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de E-wet met betrekking tot onder meer elektriciteitsopslageenheden. Het voorstel is op 10 maart 2022 besproken in een overleg met representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt. Het verslag hiervan is opgenomen in het voorstel van Netbeheer Nederland.
2. Ter kennisgeving heeft de ACM het voorstel van Netbeheer Nederland op 2 juni 2022 op haar internetpagina gepubliceerd.
3. Op 20 oktober 2022 heeft de ACM het besluit genomen tot wijziging van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de E-wet voor elektriciteitsopslageenheden, synchrone elektriciteitsproductie-eenheden en vraagsturing leverende verbruikseenheden (het Besluit aansluitvoorwaarden elektriciteit 2022 of bestreden besluit).
4. Op 5 december 2022 heeft E-NL een bezwaarschrift ingediend tegen het Besluit aansluitvoorwaarden elektriciteit 2022.
5. Netbeheer Nederland heeft bij e-mailbericht van 22 februari 2023 aan de ACM aangegeven dat het voorstel van Netbeheer Nederland om artikel 3.24, vijftiende lid, van de Netcode Elektriciteit (NCE) ook van toepassing te laten zijn op opslageenheden van het type B, achteraf gezien berustte op onjuiste gronden. Op het moment van indiening van het voorstel leek een te snel op- of afregelende opslageenheid van grote invloed te kunnen zijn op de spanningshuishouding in een middenspanningsnet. Sindsdien zou echter zijn gebleken dat deze zorg niet terecht is. De eis kan wat Netbeheer Nederland betreft dan ook vervallen. Op na te melden hoorzitting heeft Netbeheer Nederland, desgevraagd door de ACM, verklaard dat dit betekent dat artikel I, onderdeel B, van het bestreden besluit kan komen te vervallen.
6. Op 28 februari 2023 heeft de ACM E-NL en Netbeheer Nederland gehoord. Het verslag van de hoorzitting is op 17 maart 2023 aan partijen gezonden.
7. Op de hoorzitting heeft Energie-Nederland een gedeelte van de bezwaargronden ingetrokken. Deze bezwaargronden zagen op (1) de vervanging van het begrip ‘energieopslagfaciliteit’ door ‘elektriciteitsopslageenheid’ en (2) de van toepassing verklaring van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) op elektriciteitsopslageenheden. Thans resteert nog de bezwaargrond die hierna in hoofdstuk 3 is weergegeven en vervolgens in hoofdstuk 4 wordt beoordeeld.
8. Bij artikel I, onderdeel B, van het bestreden besluit is aan artikel 2.16, derde lid, aanhef en onderdeel a, sub 4°, van de NCE na ‘type B’; ingevoegd: ‘alsmede aan de voorwaarden zoals verwoord in artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en artikel 3.24, vijftiende lid’.
9. Sindsdien luidt artikel 2.16, derde lid, aanhef en onderdeel a, sub 4°:
“3. Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding in het net van de netbeheerder kan leiden, als bedoeld in het eerste lid, een elektriciteitsopslageenheid betreft:
a. zijn aansluitvoorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en de daarbij behorende onderdelen van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
4° een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 1 MW en kleiner dan 50 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type B alsmede aan de voorwaarden zoals verwoord in artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en artikel 3.24, vijftiende lid;”
10. Artikel 15 van de NC RfG ziet op algemene eisen voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type C. Bij het zesde lid, onderdeel e, van dit artikel is bepaald dat elektriciteitsproductie-eenheden van het type C voldoen aan de volgende algemene eis qua systeembeheer: de relevante systeembeheerder stelt, in overleg met de relevante TSB, minimum- en maximumgrenzen vast voor de op- en afregelsnelheid van het opgewekte werkzaam [sic] van een elektriciteitsproductie-eenheid, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de technologie voor de primaire aandrijving.
11. Artikel 3.24 van de NCE behelst aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type C als bedoeld in artikel 5 van de NC RfG. Artikel 3.24, vijftiende lid, van de NCE luidt:
“15. Zoals bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) is:
a. het minimum van de op- en afregelsnelheid van het werkzame vermogen 1% van de maximumcapaciteit per minuut;
b. het maximum van de regelsnelheid van het werkzame vermogen 20% van de maximumcapaciteit per minuut.”
12. In het bestreden besluit is de wijziging van artikel 2.16, derde lid, aanhef en onderdeel a, sub 4°, van de NCE als volgt toegelicht:
“9. In de derde plaats wordt de op- en afregelsnelheid voor opslageenheden van het type B in de voorwaarden opgenomen. De op- en afregelsnelheid voor opslageenheden van het type C en D is, op grond van artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van de NC RfG en artikel 3.24, vijftiende lid, van de Netcode elektriciteit, al in de voorwaarden vastgelegd. Voor productie-eenheden van het type B is dit niet het geval, waardoor voor opslageenheden van 1 tot 50 MW er geen eisen gelden voor de op- en afregelsnelheid. In het voorstel wordt aangegeven dat voor een stabiele bedrijfsvoering van het elektriciteitsnet het noodzakelijk is om ook voor deze populatie opslageenheden grenzen te stellen aan de op- en afregelsnelheid. Daarom wordt in artikel 2.16, derde lid, onderdeel a, subonderdeel 4° van de Netcode elektriciteit bepaald dat de geldende eisen voor de op- en afregelsnelheid van type C en D ook van toepassing zijn op opslageenheden van het type B.
Reactie ACM
10. (...) Tot slot is de ACM van mening dat het in de voorwaarden opnemen van de op- en afregelsnelheid voor opslageenheden van het type B, de betrouwbaarheid van de energievoorziening bevordert.”
13. Op de hoorzitting heeft E-NL desgevraagd verklaard dat zij alleen nog het bezwaar handhaaft dat is gericht tegen artikel I, onderdeel B, van het bestreden besluit. Kort samengevat heeft E-NL in het kader van dit bezwaar het volgende naar voren gebracht.
14. E-NL voert aan dat uit bijlage 3 bij het codewijzigingsvoorstel dat heeft geleid tot het Besluit van de ACM van 20 december 2018 met kenmerk ACM/UIT/503723, blijkt dat regelsnelheid een vrijheid is van de markt en dat de Nederlandse balanceringsmethode een afdoende prikkel biedt om op een goede manier op- of af te regelen. Met andere woorden, een eis aan de regelsnelheid wordt eigenlijk onnodig geacht. Echter, louter om formele redenen – omdat artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van de NC RfG dat voorschrijft – zijn voor productie-eenheden van het type C toch waarden opgenomen. De keuze van de waarden is niet nader gemotiveerd. Het nadeel van een beperking van de regelsnelheid – en daarmee een beperking van de vrijheid van de markt, te weten een eventuele beperking van de optimale inzet (dispatch) – is voor wat betreft conventionele productie niet relevant. Daarmee was het ontbreken van een nadere motivering van deze waarden destijds minder relevant. Dat is anders wat betreft hernieuwbare productiemiddelen en opslagfaciliteiten. E-NL kan zich echter niet verenigen met de motivering die in de randnummers 9 en 10 van het bestreden besluit is gegeven voor de opname van de op- en afregelsnelheid voor opslageenheden van het type B in de voorwaarden.
15. In de NC RfG is voor productie-eenheden van het type B geen verplichting opgenomen om minimum- en maximumgrenzen vast te stellen voor de op- en afregelsnelheid. De ACM volstaat bij de motivering waarom dergelijke voorwaarden wel van toepassing moeten zijn op opslagfaciliteiten van het type B met de vermelding dat dit de betrouwbaarheid van de energievoorziening bevordert. Zij geeft echter niet aan waarom dat het geval is. Voorts laat de ACM achterwege de belangen van de aangeslotenen te wegen, in die zin dat zij in haar motivering geen aandacht besteedt aan de nadelige consequenties van een beperking van de regelsnelheid. De waarde van flexibele opslag wordt met de voorgestelde waarden van de regelsnelheid beperkt en het beperken van de maximale en minimale regelsnelheden leidt tot suboptimale inzet van opslag en inefficiënte marktuitkomsten, hetgeen leidt tot extra kosten voor de consument.
16. In het codewijzigingsvoorstel van 5 april 2022 ontbreekt de motivering waarom het voor een stabiele bedrijfsvoering van het net noodzakelijk is om ook voor elektriciteitsopslageenheden van het type B grenzen te stellen aan de op- en afregelsnelheid. Snel regelen kan juist helpen voor een stabiele bedrijfsvoering, aldus E-NL.
17. In 2018 lag er geen enkele overweging ten grondslag aan de keuze waarom voor deze op- en afregelsnelheid is gekozen. Evenmin zijn destijds doel en betekenis van de minimum- en maximumgrenzen nader geduid. Dat geschiedt evenmin in het bestreden besluit. Nu met het bestreden besluit op opslagfaciliteiten van het type B ook de vereisten van productie-eenheden van het type C van toepassing worden verklaard, had dit naar de mening van E-NL wel voor de hand gelegen.
18. Voor de goede orde merkt E-NL op, dat zij zich afvraagt waarom er minimum en maximum regelsnelheden gelden voor productie-eenheden in het algemeen en voor hernieuwbare productie zoals wind en zon in het bijzonder. Zij meent dat het meer voor de hand ligt om deze minimum en maximum regelsnelheden te schrappen in plaats van ze ook van toepassing te verklaren op opslagfaciliteiten.
19. Ten slotte merkt E-NL op dat een eis aan de regelsnelheid voor opslagfaciliteiten acceptabel zou kunnen zijn als het louter een geschiktheidseis zou zijn en dus alleen aangemerkt hoeft te worden als een aansluitvoorwaarde en het dus geen bedrijfsvoeringseis zou zijn. In dat geval dient de opslagfaciliteit aan te tonen met 20% en met 1% te kunnen op- en afregelen. Als het slechts een geschiktheidseis zou zijn, heeft deze eis geen nadelige invloed op de optimale inzet van opslagfaciliteiten.
20. De ACM stelt vast dat Netbeheer Nederland heeft verklaard dat artikel I, onderdeel B, van het bestreden besluit kan komen te vervallen. Daarmee is tegemoet gekomen aan het resterende bezwaar van Energie-Nederland, dat is gericht tegen die bepaling. Het bewaar is in zoverre gegrond en artikel I, onderdeel B, van het bestreden besluit dient te vervallen.
Het bezwaar van de Vereniging Energie-Nederland tegen het Besluit van de ACM van 20 oktober 2022 met kenmerk ACM/UIT/575492 is gegrond en artikel I, onderdeel B, van dat Besluit vervalt. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Besluit van 20 oktober 2022 met kenmerk ACM/UIT/575492, Staatscourant 2022, nr. 28082; in werking getreden op 25 oktober 2022.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2023-17226.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.