Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2023, 11710 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2023, 11710 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Bouw & Infra
Bedrijfstakeigen Regelingen 2023/2025
Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van Technisch Bureau Bouw en Infra namens alle partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partijen ter ener zijde: Bouwend Nederland, de vereniging van bouw- en infrabedrijven, Bond van Aannemers van Tegelwerken in Nederland (Bovatin), Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven (VSB), Vereniging van Infrabedrijven MKB INFRA, Boorinfo Branche Vereniging, Ondernemersorganisatie MKB Bouw, Vereniging Wapeningsstaal Nederland (VWN), Vereniging voor aannemers in de sloop (VERAS), Noordelijke Vereniging Burgerlijke- en Utiliteitsbouw (NVBU), Ondernemersvereniging Bestratingsbedrijven Nederland (OBN), Vereniging Gebouwgeschil Nederland, secties Metselen en Voegen, NVB, vereniging voor ontwikkelaars & bouwondernemers en Vereniging van Waterbouwers;
Partijen ter andere zijde: FNV en CNV Vakmensen.nl.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen Bouw & Infra1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:
A
De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:
Artikel 16 van Hoofdstuk 1 wordt toegevoegd en komt te luiden:
1. Een werkingssfeeronderzoek is een onderzoek naar de vraag of de werkzaamheden die een onderneming verricht of gaat verrichten vallen onder de werkingssfeer van deze cao, de cao Bouw & Infra, de cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra en het verplichtstellingsbesluit tot deelneming in bpfBOUW.
2. De hiervoor geldende regels staan in het reglement werkingssfeer. Zie bijlage 2.’
Artikel 3 van Hoofdstuk 2 komt te luiden:
De stichting heeft ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de Bouw & Infra twee deelfondsen. De deelfondsen met de daarbij behorende bestedingsdoelen zijn:
A-Fonds: De financiering/subsidiëring van activiteiten welke tot doel hebben:
1. De financiering van kosten verbonden aan het opleiden van leerlingwerknemers.
2. Het bevorderen van de kwaliteit, organisatie en uitvoering van de vak- en beroepsopleidingen in de Bouw & Infra.
3. Het bevorderen van kwalitatief en kwantitatief voldoende instroom van werknemers in de Bouw & Infra. Hieronder valt ook het verbeteren van het imago van de bedrijfstak en van het beroep van de werknemer door:
– het geven van voorlichting en/of publicitaire acties aan (potentieel) nieuwe werknemers en werkgevers ter bevordering van de instroom en/of toetreding;
– projecten gericht op het promoten van bedrijfstakberoepen binnen en buiten de bedrijfstak;
– projecten gericht op de integriteit van werkgevers en werknemers in de Bouw & Infra.
4. Het bevorderen van de opleiding, bij-, om- en nascholing van werkgevers en werknemers in de Bouw & Infra. Bij werknemers gaat het om scholing ter verbetering van hun employability/inzetbaarheid, bij werkgevers om scholing die betrekking heeft op de arbeidsverhouding werkgever/werknemer. Hieronder valt ook:
o het onderzoeken van actuele technologische en voor de bouw relevante algemene en maatschappelijke ontwikkelingen in het belang van het op peil houden van kennis van werkgevers en werknemers, het behoud van werkgelegenheid en het verhogen van de employability/(duurzame) inzetbaarheid van werknemers;
o het voorkomen van uitval/uitstroom en het bevorderen van doorstroom van werknemers in verschillende functies en beroepen binnen de Bouw & Infra.
5. Het bevorderen van de bescherming van de gezondheid en veiligheid en van goede arbeidsomstandigheden in de Bouw & Infra. Hieronder valt ook het uitvoeren van Duurzame inzetbaarheidsanalyses en het Individugericht pakket preventiezorg (zoals bedoeld in de cao Bouw & Infra).
6. Het bevorderen van onderzoekactiviteiten op het gebied van arbeidsvoorwaarden, medezeggenschap, arbeidsmarkt en werkgelegenheid, beroepsonderwijs en scholing, werkmethoden en technieken, arbeidsomstandigheden, veiligheid en gezondheid en sociale zekerheid in de Bouw & Infra, inclusief het bevorderen van de resultaten van de onderzoekingen door publicaties, vergaderingen en bijeenkomsten.
7. De vervaardiging, uitgifte en verzending van cao-boekjes ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de Bouw & Infra.
8. De financiering van de kosten van uitkeringen in geval van overlijden of blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval, welke voorwaarden in het reglement ‘Collectieve Ongevallenregeling’ (III) nader zijn uitgewerkt.
9. De financiering van kosten van scholingsactiviteiten ten behoeve van werknemers gericht op het bevorderen van een goede werking van de arbeidsmarkt in de sector en van activiteiten die de employability van werknemers in de sector verhogen.
10. Het bevorderen van een eenduidige uitleg en toepassing van de bepalingen en het voorkomen van geschillen over de uitleg en toepassing van de cao. Hieronder valt ook de financiering van de kosten van de commissie naleving als genoemd in bijlage 3 van deze cao en het voeren van juridische procedures en afhandelen van arbeidsgeschillen, voor zover dat tot doel of effect heeft het verkrijgen van een eenduidige interpretatie.
11. Het (doen) verrichten van werkingssfeeronderzoeken en het voeren van juridische procedures die hieruit voortvloeien. Hieronder valt ook de financiering van de kosten van de commissie werkingssfeer als genoemd in bijlage 2 van deze cao.
B-Fonds: De financiering/subsidiëring van activiteiten van werkgevers- en werknemersorganisaties welke tot doel hebben:
1. Het bevorderen van de kwaliteit, organisatie en uitvoering van de vak- en beroepsopleidingen in de Bouw & Infra.
2. Het bevorderen van kwalitatief en kwantitatief voldoende instroom van werknemers in de Bouw & Infra. Hieronder valt ook het verbeteren van het imago van de bedrijfstak en van het beroep van de werknemer door:
– het geven van voorlichting en/of publicitaire acties aan (potentieel) nieuwe werknemers en werkgevers ter bevordering van de instroom en/of toetreding;
– projecten gericht op het promoten van bedrijfstakberoepen binnen en buiten de bedrijfstak;
– projecten gericht op de integriteit van werkgevers en werknemers in de Bouw & Infra.
3. Het bevorderen van de opleiding, bij-, om- en nascholing van werkgevers en werknemers in de Bouw & Infra. Bij werknemers gaat het om scholing ter verbetering van hun employability/inzetbaarheid, bij werkgevers om scholing die betrekking heeft op de arbeidsverhouding werkgever/werknemer. Hieronder valt ook:
o het onderzoeken van actuele technologische en voor de bouw relevante algemene en maatschappelijke ontwikkelingen in het belang van het op peil houden van kennis van werkgevers en werknemers, het behoud van werkgelegenheid en het verhogen van de employability/(duurzame) inzetbaarheid van werknemers;
o het voorkomen van uitval/uitstroom en het bevorderen van doorstroom van werknemers in verschillende functies en beroepen binnen de Bouw & Infra.
4. Het bevorderen van de bescherming van de gezondheid en veiligheid en van goede arbeidsomstandigheden in de Bouw & Infra;
5. Het bevorderen van onderzoekactiviteiten op het gebied van arbeidsvoorwaarden, medezeggenschap, arbeidsmarkt en werkgelegenheid, beroepsonderwijs en scholing, werkmethoden en technieken, arbeidsomstandigheden, veiligheid en gezondheid en sociale zekerheid in de Bouw & Infra, inclusief het bevorderen van de resultaten van de onderzoekingen door publicaties, vergaderingen en bijeenkomsten.
6. Het ontwikkelen en implementeren van beleid ten behoeve van het uitvoeren van projecten op het gebied van
– arbeidsmarkt en werkgelegenheid, beroepsonderwijs en scholing, arbeidsomstandigheden, veiligheid en gezondheid;
– sociale zekerheid, waaronder preventie en re-integratie van werkzoekenden en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten afkomstig uit de Bouw & Infra;
– medezeggenschap, participatie, personeelsvertegenwoordigingen en ondernemingsraden als vormen van overleg op ondernemingsniveau in de Bouw & Infra.
7. Het bevorderen van kennis bij werknemers en werkgevers, alsmede het bevorderen van ontwikkelingen in bedrijven, over sectorrelevante onderwerpen op het terrein van arbeidsvoorwaarden, medezeggenschap, arbeidsmarkt en werkgelegenheid, beroepsonderwijs en scholing, arbeidsomstandigheden, veiligheid en gezondheid, sociale zekerheid (w.o. preventie, re-integratie, werkgelegenheidsprojecten). Hieronder valt ook het geven van voorlichting, onder meer middels brochures, publicaties, bijeenkomsten, via helpdesken en internet en door het inzetten van consulenten.
8. Het bevorderen van een goede toepassing van en afstemming op de wet- en regelgeving op sociaal-economisch terrein binnen de Bouw & Infra.
9. Het coördineren en voorbereiden van overleg tussen sociale partners (met uitzondering van het cao-overleg zelf).
10. Het bevorderen van een eenduidige uitleg en toepassing van de bepalingen en het voorkomen van geschillen over de uitleg en toepassing van de cao. Hieronder valt ook het voeren van juridische procedures en afhandelen van arbeidsgeschillen, voor zover dat tot doel of effect heeft het verkrijgen van een eenduidige interpretatie.
11. Het bevorderen van een kwalitatief goede inzet van arbeid door de ondersteuning van werknemers en werkgevers in de Bouw & Infra bij persoonlijke problemen.
12. Het (deels) bekostigen van activiteiten van werkgevers en werknemers die voortvloeien uit de in de cao opgenomen overlegverplichtingen op ondernemingsniveau, zoals het afsluiten van sociale plannen in het kader van reorganisaties bij bedrijven in de Bouw & Infra.’
Artikel 2 en artikel 3 van Hoofdstuk 3 komen te luiden:
1. Een belanghebbende heeft recht op een eindejaarsuitkering indien aan de volgende voorwaarden is voldaan. De belanghebbende:
a. heeft recht op een WAO-uitkering zoals bedoeld in de WAO in het kalenderjaar waarin eindejaarsuitkeringen worden verstrekt;
b. is 35% of meer arbeidsongeschikt;
c. heeft geen recht op een verhoogde WAO-uitkering op grond van artikel 22 WAO;
d. had het voorafgaande kalenderjaar eveneens recht op de eindejaarsuitkering.
2. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt bepaald door de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de belanghebbende is ingedeeld in het kalenderjaar waarin eindejaarsuitkeringen worden verstrekt. Het bestuur stelt de hoogte van de uitkering jaarlijks vast. Vanaf 2023 wordt de uitkering jaarlijks verhoogd met de in de cao Bouw & Infra overeengekomen structurele loon- en salarisverhogingen van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering wordt verstrekt.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, geldt voor een arbeidsongeschikte bouwplaatswerknemer het volgende:
a. Als de WAO-uitkering slechts een gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar is ontvangen, heeft de belanghebbende recht op een evenredig deel van de eindejaarsuitkering.
b. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten die ingedeeld zijn in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45% of hoger, ontvangen een eindejaarsuitkering afhankelijk van de arbeidsongeschiktheidsklasse die in dat jaar op 1 november van toepassing was. Als in het desbetreffende jaar echter een hogere klasse van toepassing was, dan heeft de belanghebbende recht op een eindejaarsuitkering die afhankelijk is van de laatst van toepassing zijnde hogere klasse.
c. Indien in het desbetreffende kalenderjaar voorafgaand aan een indeling op 1 november in één van de twee laagste arbeidsongeschiktheidsklassen een hogere klasse van toepassing was, heeft de belanghebbende recht op een eindejaarsuitkering die afhankelijk is van de laatst van toepassing zijnde hogere klasse en de periode waarover hij op basis van een hogere klasse een WAO-uitkering ontving.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, geldt voor een arbeidsongeschikte uta-werknemer het volgende. Indien de belanghebbende de WAO-uitkering slechts een gedeelte van het jaar heeft ontvangen en/of de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in de loop van het jaar is gewijzigd, zal hij de uitkering naar rato ontvangen.
5. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld.
6. In de situatie dat de werkgever aan een werknemer een aanvulling op de WAO-uitkering verstrekt tot 100% van het loon of salaris bij werken, kan deze werkgever het met de eindejaarsuitkering overeenkomende bedrag in mindering brengen op de aanvulling, zodat de situatie wordt voorkomen dat de arbeidsongeschikte werknemer meer zou ontvangen dan een werknemer in actieve dienst.
1. Een belanghebbende heeft recht op een eindejaarsuitkering indien aan de volgende voorwaarden is voldaan. De belanghebbende:
a. heeft recht op een uitkering op grond van de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) of de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) bij 80-100% arbeidsongeschiktheid, in het kalenderjaar waarin eindejaarsuitkeringen worden verstrekt;
b. heeft geen recht op een verhoogde IVA-uitkering op grond van artikel 53 WIA;
c. had het voorafgaande kalenderjaar eveneens recht op de eindejaarsuitkering.
2. Het bestuur stelt de hoogte van de uitkering jaarlijks vast. Vanaf 2023 wordt de uitkering jaarlijks verhoogd met de in de cao Bouw & Infra overeengekomen structurele loon- en salarisverhogingen van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering wordt verstrekt.
3. Bij beëindiging van de arbeidsongeschiktheid ontvangt de belanghebbende een eindejaarsuitkering naar rato van de duur van de arbeidsongeschiktheid in het betreffende kalenderjaar.
4. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld, onder de voorwaarde dat APG uiterlijk 1 december van het betreffende kalenderjaar van de belanghebbende alle gegevens heeft ontvangen die nodig zijn voor de vaststelling van het recht op de eindejaarsuitkering en de uitbetaling ervan.
5. Een bouwplaatswerknemer met recht op een IVA- of WGA-uitkering moet zich voor het aanvragen van de eindejaarsuitkering melden bij een vakbondsconsulent van FNV of CNV Vakmensen.
Een uta-werknemer met recht op een IVA- of WGA-uitkering kan zich voor het aanvragen van de eindejaarsuitkering melden bij APG.
Bij de melding dient de belanghebbende alle gegevens te verstrekken die relevant zijn voor de vaststelling van het recht op de eindejaarsuitkering. De belanghebbende dient zich te melden vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin hij recht had op de eindejaarsuitkering.
6. In de situatie dat de werkgever aan een belanghebbende een aanvulling op de IVA- of WGA-uitkering verstrekt tot 100% van het loon of salaris bij werken, kan deze werkgever het met de eindejaarsuitkering overeenkomende bedrag in mindering brengen op de aanvulling, zodat de situatie wordt voorkomen dat de arbeidsongeschikte werknemer meer zou ontvangen dan een werknemer in actieve dienst.’
Bijlage 2 wordt toegevoegd en komt te luiden:
In dit reglement wordt verstaan onder:
de Stichting Technisch Bureau Bouw & Infra, kantoorhoudende te Harderwijk (Postbus 1128, 3840 BC Harderwijk).
de commissie werkingssfeer.
de cao Bouw & Infra. Daaronder wordt mede verstaan de cao Onwerkbaar weer Bouw & Infra en de cao BTER Bouw & Infra.
het verplichtstellingsbesluit tot deelneming in bpfBOUW van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
de werkgevers- en werknemersorganisaties die de cao hebben afgesloten.
de werkgever zoals bedoeld in de cao en de verplichtstelling.
onderzoeken naar de vraag of ondernemingen werkzaamheden verrichten of gaan verrichten die al dan niet onder de werkingssfeer van de cao en de verplichtstelling vallen.
de werknemer zoals bedoeld in de cao en de verplichtstelling.
1. Het bureau stelt namens partijen werkingssfeeronderzoeken in. De onderzoeken kunnen worden verricht door een daartoe aan te wijzen extern bureau.
2. Het bureau oefent haar controletaak uit met inachtneming van de zorgvuldigheid die controlerende instanties in gelijksoortige situaties in acht dienen te nemen.
3. Het werkingssfeeronderzoek bestaat in eerste instantie uit een (eenzijdig) bureauonderzoek. Indien op basis van het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor een uitspraak, wordt een onderzoek ter plaatse of een schriftelijk onderzoek ingesteld.
4. Alle betrokkenen bij een werkingssfeeronderzoek zijn gehouden geheimhouding te bewaren ten aanzien van al datgene wat hen uit hoofde van hun betrokkenheid ter kennis komt.
1. Een melding kan worden gedaan door:
a. elk van de partijen;
b. iedere onderneming, voor wat betreft de eigen of een andere onderneming;
c. iedere werknemer van zodanige onderneming zoals bedoeld in lid 1 sub b.
2. Een melding wordt schriftelijk ingediend bij het bureau onder vermelding van ‘werkingssfeeronderzoek’.
3. De melding dient ten minste te bevatten:
a. naam en adres van de melder;
b. ondertekening door de melder;
c. naam en adres van de onderneming waarop de melding betrekking heeft;
d. een nauwkeurige beschrijving van de bedrijfsactiviteiten, vergezeld van de argumenten waaruit blijkt dat de cao en/of verplichtstelling in redelijkheid van toepassing kan worden geacht;
e. de dagtekening.
4. De melder verschaft desgevraagd (aanvullende) gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van de melding nodig zijn en waarover hij of zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
5. Indien of zodra de melding volledig is, wordt de melding in behandeling genomen. De melder ontvangt hiervan bericht.
6. De melder wordt geacht zich niet te mengen in de behandeling van de melding. Gedurende het werkingssfeeronderzoek dient de melder zich dan ook te onthouden van gedragingen die de uitkomst van het onderzoek kunnen beïnvloeden.
7. Onder een ‘melding’ wordt tevens verstaan signaleringen die volgen uit bestandsvergelijkingen.
1. De onderneming wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van het instellen van een onderzoek ter plaatse of een schriftelijk onderzoek. Indien de onderneming niet instemt met een onderzoek ter plaatse, wordt een schriftelijk onderzoek ingesteld.
2. Ingeval een schriftelijk onderzoek wordt ingesteld, ontvangt de onderneming bericht welke specifieke gegevens, die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling, hij binnen drie weken dient over te leggen.
3. De onderneming dient te allen tijde mee te werken aan een werkingssfeeronderzoek. Indien de onderneming weigert medewerking te verlenen of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt, is sprake van een gegrond vermoeden van toepasselijkheid van de cao en verplichtstelling.
1. De commissie werkingssfeer is door partijen belast met het houden van toezicht op de werkingssfeeronderzoeken.
2. De commissie is namens partijen beslissingsbevoegd om uitspraken te doen over de werkingssfeeronderzoeken.
3. Het bureau legt de onderzoeksresultaten – voorzien van een aanbeveling – voor aan de commissie.
4. De commissie bestaat uit 3 vertegenwoordigers van werkgeverszijde en 3 vertegenwoordigers van werknemerszijde van partijen.
5. De werkgeversleden worden benoemd door Bouwend Nederland. Twee werknemersleden worden benoemd door FNV en één werknemerslid wordt benoemd door CNV Vakmensen.
6. De commissie wordt ondersteund door een of meer medewerkers van het bureau en laat zich – indien van toepassing – bijstaan door een medewerker van het extern onderzoeksbureau.
7. Het secretariaat wordt gevoerd door het bureau.
8. Besluiten worden genomen indien zowel de werkgeversgeleding als de werknemersgeleding met het voorstel instemmen. De werkgeversgeleding en de werknemersgeleding brengen ieder één stem uit. Binnen de werkgeversgeleding respectievelijk de werknemersgeleding bepaalt een gewone meerderheid van de leden van de betreffende geleding het standpunt van die geleding. Medewerkers van het bureau en het extern onderzoeksbureau hebben geen stemrecht.
9. Voor het nemen van besluiten moeten ten minste één lid van werkgeverszijde en ten minste één lid van werknemerszijde aanwezig zijn.
10. Indien de commissie niet tot besluitvorming komt nadat een zaak twee keer is behandeld, wordt de zaak aan partijen voorgelegd.
Het bureau deelt de uitspraak schriftelijk mee aan de melder en de onderneming waarop de uitspraak betrekking heeft, waarbij wordt gewezen op de verder te volgen procedure en op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de uitspraak.
1. Zowel de melder als de onderneming waarop de uitspraak betrekking heeft, kunnen bezwaar maken tegen de uitspraak.
2. Het bezwaar wordt schriftelijk, per aangetekende post, ingediend bij het bureau onder vermelding van ‘Bezwaar werkingssfeeronderzoek’ en dient ten minste te vermelden:
a. naam en adres van de bezwaarhebbende;
b. ondertekening door de bezwaarhebbende;
c. de gronden, inclusief onderbouwing, van het bezwaar, vergezeld van bescheiden die de onderbouwing staven;
d. de dagtekening.
3. Bij het bezwaarschrift dient een kopie gevoegd te worden van de uitspraak waartegen het bezwaar zich richt.
4. De termijn voor het indienen van bezwaar bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak schriftelijk bekend is gemaakt zoals bedoeld in artikel 6. Een na afloop van deze termijn ingediend bezwaar, is niet-ontvankelijk en wordt derhalve niet in behandeling genomen.
5. Een bezwaar kan tevens niet ontvankelijk worden verklaard indien het niet voldoet aan de eisen zoals gesteld in lid 2 van dit artikel, mits de bezwaarhebbende nog eenmaal de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een termijn van vier weken. Nader uitstel wordt niet verleend.
6. Zowel de bezwaarhebbende als de melder c.q. onderneming, ontvangen bericht van de indiening van het bezwaar.
7. Het bureau legt het bezwaar voor aan de commissie.
8. De commissie doet uitspraak op bezwaar.
Het bureau deelt de uitspraak op bezwaar schriftelijk mee aan de bezwaarhebbende en de melder c.q. onderneming.
1. Aan het indienen van een melding respectievelijk een bezwaar en de behandeling ervan zijn voor de melder en de partij waarop de melding betrekking heeft, respectievelijk de indiener van het bezwaar, geen kosten verbonden.
2. De melder en de partij waarop de melding betrekking heeft, respectievelijk de indiener van het bezwaar, dragen ieder de eigen kosten en komen niet in aanmerking voor vergoeding daarvan jegens elkander, de commissie, het bureau, een eventuele derde aan wie onderzoekswerkzaamheden zijn opgedragen of partijen.
Stcrt. 2020, nr. 58904; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 30 november 2022 (Stcrt. 2022, nr. 29566)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2023-11710.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.