Afbouw

Bedrijfstakeigen regelingen 2023/2026

Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 mei 2023 tot wijziging van het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Afbouw inzake de bedrijfstakeigen regelingen

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van het Technisch Bureau Afbouw namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij ter ener zijde: de Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven (NOA);

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV Vakmensen.nl.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Afbouw inzake de bedrijfstakeigen regelingen1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:

A

De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:

Artikel 10 lid 2 van de cao komt te luiden:

‘Artikel 10

  • 2. De hoogte van de premies worden jaarlijks – na overleg met de CAO-partijen – door de besturen van de betreffende fondsen bepaald. Voor de onderstaande fondsen en regelingen zijn de volgende premies vastgesteld:

    Regeling

    Grondslag

    Aandeel

    werkgever

    Aandeel

    werknemer

    O&O Afbouw

    premie werknemer

    Deze premie geldt niet voor het

    natuursteenbedrijf als bedoeld in artikel 2 lid 7.

    bruto sv-loon

    1,665%

    0,065%

    O&O Afbouw

    premie werknemer.

    Deze premie geldt uitsluitend voor het natuursteenbedrijf als bedoeld in artikel 2 lid 7.

    bruto sv-loon

    1,795%

    0,065%

    Fysiotherapie

    premie per werknemer

    sv-dag

    € 0,12

     

    Voorziening bij ongeval

    premie per werknemer

    sv-dag

    € 0,13

     

    Het uurloon, dat wordt gebruikt voor de berekening van alle uurloon afhankelijke regelingen, komt tot stand door het garantie-uurloon te vermeerderen met (indien van toepassing) diplomatoeslag, voorliedentoeslag, prestatietoeslag en tariefloon.

    Onder garantieloon wordt verstaan het loon waarop de werknemer krachtens hoofdstuk 6 van de cao Afbouw recht kan doen gelden.’

Artikel 16 lid 3 van de cao komt te luiden:

‘Artikel 16 80/90/100-regeling

  • 3. De werkgever kan een deel van de loonkosten over de extra verlofuren conform het bepaalde in artikel 10 het Reglement duurzame inzetbaarheid (bijlage 4) declareren bij het O&O fonds.’

Na artikel 24 van de cao wordt een nieuw hoofdstuk 7 ingevoegd met de nieuwe artikelen 25 en 26 die komen te luiden:

‘HOOFDSTUK 7 SUBSIDIEREGELINGEN AFBOUWACADEMIE

Artikel 25 Subsidieregeling cursus- en verletkosten

  • 1. Ter stimulering van bijscholing kan een werkgever een beroep doen op de subsidieregeling voor cursus- en verletkosten voor cursussen die door zijn werknemers worden gevolgd.

  • 2. Voor deze subsidieregeling trekt het O&O fonds Afbouw een bedrag uit van € 200.000,– per jaar. De subsidie voor cursus- en verletkosten wordt uitsluitend toegekend voor zover het budget dat toelaat. Wanneer dit budget niet volledig wordt besteed, kan het saldo worden toegevoegd aan het budget van de subsidieregeling als bedoeld in artikel 26.

  • 3.

    • a. Gesubsidieerd worden de cursussen uit de Opleidingscatalogus van de Afbouwacademie (www.afbouwacademie.com) waarbij vermeld staat dat ze vallen onder de subsidieregeling van het O&O fonds Afbouw.

    • b. Andere werkgerelateerde cursussen kunnen worden gesubsidieerd wanneer de werkgever vooraf schriftelijk toestemming van het O&O fonds Afbouw heeft ontvangen. Toestemming moet schriftelijk worden gevraagd via de Afbouwacademie (info@afbouwacademie.com). Op basis van het advies van de Afbouwacademie neemt het O&O fonds Afbouw een besluit. Het O&O fonds Afbouw brengt de werkgever schriftelijk van de uitslag op de hoogte. Het O&O fonds Afbouw kan nadere voorwaarden aan het besluit verbinden.

  • 4.

    • a. De kosten van de door de werknemer te volgen cursus worden door de werkgever betaald.

    • b. De werkgever komt in aanmerking voor subsidie als wordt voldaan aan de voorwaarden.

    • c. Voor subsidie aan de werkgever komt in aanmerking:

      • verletkosten;

      • cursuskosten.

    • d. De hoogte van de uit te betalen verletkosten, cursuskosten en eigen bijdrage wordt door het bestuur van het O&O fonds Afbouw bepaald.

    • e. Voor iedere werknemer geldt dat per jaar maximaal twee cursussen en maximaal twee dagen verletkosten worden vergoed.

    • f. De subsidie aan de werkgever wordt uitsluitend toegekend wanneer de werknemer de cursus daadwerkelijk heeft gevolgd, ten bewijze door de werkgever.

    • g. De subsidie wordt niet toegekend indien voor dezelfde cursus subsidie wordt verstrekt door derden zoals een verzekeraar of het UWV.

  • 5.

    • a. De subsidie dient binnen 2 maanden na de beëindiging van de cursus door de werkgever te worden aangevraagd bij het O&O fonds Afbouw met het daartoe bestemde aanvraagformulier dat volledig dient te worden ingevuld.

    • b. Het aanvraagformulier kan worden gedownload van www.mijnafbouw.nl.

    • c. Het aanvraagformulier dient te zijn voorzien van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de deelnemer de cursus daadwerkelijk heeft gevolgd.

  • 6. Een bezwaar tegen de afwijzing van de subsidie dient binnen 6 weken na dagtekening van de afwijzingsbrief schriftelijk te worden ingediend bij het bestuur van het O&O fonds Afbouw, Mauritskade 27, 2514 HD, Den Haag (info@tbafbouw.nl). Het bestuur van het O&O fonds Afbouw doet binnen 3 maanden schriftelijk uitspraak.

  • 7. Indien de werkgever zijn werknemer niet in de gelegenheid stelt om een cursus in de zin van lid 3 van dit artikel te volgen, kan de werknemer zelf de subsidie voor cursuskosten aanvragen bij het bestuur van het O&O fonds Afbouw (info@tbafbouw.nl). Het fonds kan besluiten om toegekende subsidie rechtstreeks uit te keren aan de cursusaanbieder.

Artikel 26 Cursusdoorgangsregeling

  • 1.

    • a. Om te waarborgen dat een aantal cursussen daadwerkelijk plaatsvindt kan een cursusaanbieder van een cursus met startgarantie een beroep doen op de Cursusdoorgangsregeling. In de Opleidingscatalogus van de Afbouwacademie (www.afbouwacademie.com) wordt vermeld of een cursus een startgarantie heeft.

    • b. Het bestuur van het O&O fonds Afbouw bepaalt op advies van Branche Platform Afbouw welke cursussen daadwerkelijk moeten plaatsvinden.

    • c. Per cursus wordt door het bestuur van het O&O fonds Afbouw op advies van Branche Platform Afbouw bepaald wat de cursuskosten zijn, hoeveel aanmeldingen er minimaal moeten zijn ontvangen bij de cursusaanbieder en vanaf welk aantal deelnemers de cursusaanbieder geen recht meer heeft op subsidie. Het subsidiebedrag bedraagt het cursusgeld van het aantal deelnemers tot dat aantal, verminderd met het cursusgeld van de deelnemers die zich hebben aangemeld.

  • 2. Voor de subsidieregeling trekt het O&O fonds Afbouw een bedrag uit van € 100.000,– per jaar. De in lid 1 bedoelde subsidie wordt uitsluitend toegekend voor zover het budget dat toelaat. Wanneer dit budget niet volledig wordt besteed, kan het saldo worden toegevoegd aan het budget van de subsidieregeling als bedoeld in artikel 25.

  • 3.

    • a. De subsidie dient binnen 3 maanden na de beëindiging van de cursus door de cursusaanbieder te worden aangevraagd bij het O&O fonds Afbouw met het daartoe bestemde aanvraagformulier dat volledig dient te worden ingevuld.

    • b. Het aanvraagformulier kan worden gedownload van www.mijnafbouw.nl.

    • c. Het aanvraagformulier dient te zijn voorzien van de gevraagde bewijsmiddelen.

  • 4. Een bezwaar tegen de afwijzing van de subsidie dient binnen 6 weken na dagtekening van de afwijzingsbrief schriftelijk en gemotiveerd te worden ingediend bij het bestuur van het O&O fonds Afbouw, Mauritskade 27, 2514 HD, Den Haag (info@tbafbouw.nl). Het bestuur van het O&O fonds Afbouw doet binnen 3 maanden schriftelijk uitspraak.’

BIJLAGE 2 STATUTEN VAN DE STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS AFBOUW,

Artikel 3 van bijlage 2 komt te luiden:

‘Artikel 3 Bestuur

  • 1. Het bestuur is belast van het besturen van de stichting. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuursleden zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.

  • 2. Het bestuur bestaat uit drie (3) bestuursleden A en drie (3) bestuursleden B.

  • 3. De bestuursleden A worden benoemd en ontslagen door de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven, statutair gevestigd te Utrecht en kantoorhoudend te 3903 LP Veenendaal, De Smalle Zijde 20 A, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 30171023, danwel haar rechtsopvolger onder algemene titel (NOA).

  • 4. De bestuursleden B worden benoemd en ontslagen als volgt:

    • twee (2) bestuursleden B worden benoemd en ontslagen door de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Federatie Nederlandse Vakbeweging, statutair gevestigd te Utrecht en kantoorhoudend te 3543 AS Utrecht, Hertogswetering 159, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 40531840, danwel haar rechtsopvolger onder algemene titel (FNV);

    • één (1) bestuurslid B wordt benoemd en ontslagen door de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: CNV Vakmensen.nl, statutair gevestigd te Utrecht en kantoorhoudend te 3561 GG Utrecht, Tiberdreef 4, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 64395960, danwel haar rechtsopvolger onder algemene titel (CNV Vakmensen).

  • 5. Een bestuurslid verliest zijn functie:

    • a. door zijn overlijden;

    • b. door zijn faillissement of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of doordat hij surséance van betaling aanvraagt;

    • c. door zijn ondercuratelestelling of de onderbewindstelling van zijn gehele vermogen;

    • d. door zijn vrijwillig aftreden;

    • e. door zijn ontslag door de rechtbank; en

    • f. door zijn ontslag door diegene die bevoegd is hem te benoemen.

  • 6. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen en tot het sluiten van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.

  • 7. In het geval het bestuur bestaat uit minder dan zes (6) bestuursleden is het bestuur nog steeds bevoegd tot het nemen van besluiten.

  • 8. Het bestuur vergadert ten minste één maal per jaar, waarbij het jaarverslag en de jaarrekening worden vastgesteld.

  • 9. De oproeping tot een bestuursvergadering wordt ten minste één week voor de bestuursvergadering verzonden aan alle bestuursleden. Elk bestuurslid is bevoegd een vergadering op te roepen. Deze bevoegdheid komt ook toe aan de Voorzitter (zoals gedefinieerd in artikel 10).

  • 10. Ook indien de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van bestuursvergaderingen niet in acht zijn genomen kunnen er geldige besluiten worden genomen over alle aan de orde komende onderwerpen, mits alle in functie zijnde bestuursleden aanwezig zijn.

  • 11. In geval van ontstentenis of belet van een bestuurslid A, worden de taken en bevoegdheden van dat bestuurslid A tijdelijk uitgeoefend door de overblijvende bestuursleden A. In geval van ontstentenis of belet van alle bestuursleden A worden de taken en bevoegdheden van de bestuursleden A tijdelijk uitgeoefend door één of meer (doch maximaal drie) door de NOA voor deze situatie aangewezen perso(o)n(en).

  • 12. In geval van ontstentenis of belet van een bestuurslid B, worden de taken en bevoegdheden van dat bestuurslid B tijdelijk uitgeoefend door de overblijvende bestuursleden B. In geval van ontstentenis of belet van alle bestuursleden B worden de taken en bevoegdheden van de bestuursleden B tijdelijk uitgeoefend door één of meer (doch maximaal drie) door voor deze situatie aangewezen perso(o)n(en). FNV kan één of twee personen aanwijzen en CNV Vakmensen één persoon.

  • 13. Een bestuurslid neemt niet deel aan de beraadslaging en onthoudt zich van stemming over een bestuursbesluit indien hij bij het onderwerp van het bestuursbesluit een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting of de met haar verbonden onderneming of organisatie. Het bestuurslid heeft wel het recht de desbetreffende vergadering van het bestuur bij te wonen.’

Artikelen 5 en 6 van bijlage 2 komen te luiden:

‘Artikel 5 Vicevoorzitters en vertegenwoordiging

  • 1. Het bestuur wijst uit haar midden twee vicevoorzitters aan, met dien verstande dat één vicevoorzitter wordt aangewezen uit de leden benoemd door NOA en één uit de leden benoemd door FNV en CNV Vakmensen.

  • 2. De stichting wordt vertegenwoordigd door haar bestuur. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt bovendien toe aan de twee vicevoorzitters, gezamenlijk handelend.

Artikel 6 Quorum en stemming

  • 1. Voor het houden van bestuursvergaderingen en het nemen van bestuursbesluiten is de aanwezigheid vereist van één bestuurslid A en één bestuurslid B.

  • 2. Elk aanwezig bestuurslid A heeft in een vergadering van het bestuur evenveel stemmen als het aantal aanwezige bestuursleden B, met een minimum van één. Elk aanwezig bestuurslid B heeft in een vergadering van het bestuur evenveel stemmen als het aantal aanwezige bestuursleden A, met een minimum van één.

  • 3. Indien een bestuurslid zich ten aanzien van een bepaald bestuursbesluit dient te onthouden van stemming in verband met een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 3 lid 13 wordt hij ten aanzien van dat besluit geacht niet aanwezig te zijn voor de toepassing van het bepaalde in de leden 1 en 2.

  • 4. Besluitvorming vindt plaats bij gewone meerderheid.’

Na artikel 9 van bijlage 2 wordt een nieuw artikel 10 ingevoegd dat komt te luiden:

‘Artikel 10 Voorzitter

  • 1. De stichting kent een technisch voorzitter welke door het bestuur wordt benoemd en ontslagen (de Voorzitter). De Voorzitter maakt geen deel uit van het bestuur en draagt uit dien hoofde ook geen bestuursverantwoordelijkheid. De Voorzitter adviseert het bestuur.

  • 2. Alle vergaderingen van het bestuur van de stichting worden geleid door de Voorzitter. Bij ontstentenis of belet van de Voorzitter treedt de oudste van de twee vicevoorzitters op als voorzitter van de vergadering of, bij zijn afwezigheid, de jongste van de twee vicevoorzitters. Wordt ook op deze wijze niet in het voorzitterschap voorzien, dan voorziet de vergadering daarin zelve.’

De artikelen 10 en 11 van bijlage 2 worden vernummerd naar de artikelen 11 en 12.

Artikel 12 van bijlage 2 wordt vernummerd naar artikel 13 en de leden 6, 7, 8 en 9 komen te luiden:

‘Artikel 13 Beheer en administratie

  • 6. Het bestuur benoemt een externe registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.

  • 7. De accountant is gerechtigd tot inzage in alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.

  • 8. De accountant brengt ten minste een maal per jaar aan het bestuur verslag uit van zijn bevindingen.

  • 9. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording schriftelijk verantwoording af aan NOA, FNV en CNV Vakmensen.’

De artikelen 13 en 14 van bijlage 2 worden vernummerd naar de artikelen 14 en 15.

Na artikel 15 van bijlage 2 worden de artikelen 16, 17 en 18 ingevoegd die komen te luiden:

‘Artikel 16 Statutenwijziging en ontbinding

  • 1. Wijziging van de statuten, het huishoudelijk- en het financieringsreglement kan slechts plaatsvinden krachtens een besluit van het bestuur, genomen met de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van NOA, FNV en CNV Vakmensen. De statuten en reglementen en de in de statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken, of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.

  • 2. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het daartoe strekkende bestuursbesluit vereist de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van NOA, FNV en CNV Vakmensen.

  • 3. Indien NOA, FNV en CNV Vakmensen gezamenlijk in een aangetekend schrijven aan het bestuur hebben medegedeeld hun samenwerking met de stichting te beëindigen zal het bestuur binnen twee (2) jaar na bedoelde kennisgeving de stichting ontbinden. Het daartoe strekkende bestuursbesluit behoeft, in afwijking van het bepaalde in lid 2, geen goedkeuring van NOA, FNV en/of CNV Vakmensen.

  • 4. In geval van ontbinding is het bestuur belast met de liquidatie, tenzij zij daarvoor een andere organisatie, persoon of personen heeft aangewezen.

  • 5. Het bestuur beslist bij ontbinding over de bestemming van het batig saldo. Een batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van de stichting.

Artikel 17 Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de stichting is voorzien beslist het bestuur.

Artikel 18 Inwerkingtreding

Deze statuten treden eerst in werking nadat een door het bestuur getekend afschrift van deze akte voor een ieder ter inzage is gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.’

BIJLAGE 3 FINANCIERINGSREGLEMENT VAN DE STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS AFBOUW

Artikel 2 leden 4 en 5 van bijlage 3 komen te luiden:

‘Artikel 2 Premieverplichting

  • 4. De premie bedraagt 1,665% van het bruto sv-loon, te betalen door de werkgever en 0.065% van het bruto sv-loon, te betalen door de werknemer. Deze premie geldt niet voor het natuursteenbedrijf als bedoeld in artikel 2 lid 7 van de cao.

  • 5. Voor natuursteenbedrijven als bedoeld in artikel 2 lid 7 van de cao bedraagt de premie 1,795% van het bruto sv-loon, te betalen door de werkgever en 0.065% van het bruto sv-loon, te betalen door de werknemer.’

BIJLAGE 4 REGLEMENT DUURZAME INZETBAARHEID, ALS BEDOELD IN ART. 15 EN 16

Artikel 2 lid 3 van bijlage 4 komt te luiden:

‘Artikel 2 Mijn Loopbaan

  • 3. De kosten van de intake, advisering en begeleiding door Mijn Loopbaan worden door het O&O fonds vergoed tenzij in dit reglement anders is bepaald.’

Artikel 8 van bijlage 4 komt te luiden:

‘Artikel 8 Uitkomsten advies

Mogelijke adviezen aan de deelnemer aan de trajecten kunnen zijn:

  • er zijn geen maatregelen nodig;

  • aanpassing van het werkpakket in de huidige functie;

  • aanpassing van de arbeidsduur in de huidige functie;

  • om-/bijscholing;

  • bemiddeling naar een andere functie binnen of buiten het bedrijf of de Afbouwsector;

  • deelname aan de 80/90/100 regeling.’

Na artikel 9 lid 8 van bijlage 4 wordt een nieuw lid 9 ingevoegd dat komt te luiden:

‘Artikel 9 Maatregelen

  • 9. De kosten van een traject in verband met deelname aan de 80/90/100 regeling als bedoeld in artikel 16 van deze cao komen voor rekening van de werkgever. De werkgever kan het O&O fonds verzoeken om vergoeding van 50% van deze kosten met uitzondering van de btw. Een verzoek daartoe moet binnen 3 maanden na het beëindigen van het traject zijn ingediend bij het fonds met het daartoe bestemde formulier (www.mijnafbouw.nl/Mijn-cao-aanvragen). Het O&O fonds wijst een verzoek toe, indien en voor zover het budget dat toelaat. Hiervan zal tijdig melding worden gedaan.’

Artikel 10 van bijlage 4 komt te luiden:

‘Artikel 10 80/90/100 regeling

  • 1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van de cao kunnen werknemers vanaf 57 jaar recht hebben op deelname aan de 80/90/100-regeling: de werknemer werkt gedurende 80% van zijn werkweek, de werkgever betaalt 90% van het voor de verkorting van de arbeidsduur overeengekomen loon voor die werkweek en de pensioenopbouw blijft gebaseerd op 100%. Bij deeltijd geldt de regeling naar rato. In individuele gevallen kan per besluit van cao-partijen worden afgeweken van de in artikel 16 lid 1 van de cao genoemde leeftijdsgrens.

  • 2. De werknemer moet op een vast tijdstip of op vaste tijdstippen van de week vrij worden gesteld van het verrichten van arbeid. Hierover worden tussen de desbetreffende werknemer en zijn werkgever schriftelijke afspraken gemaakt.

  • 3.

    • a. Aan de werkgever worden door het O&O fonds de loonkosten en pensioenpremies in verband met de deelname van de werknemer aan de regeling voor een deel vergoed. Niet voor vergoeding komt in aanmerking de vrijgestelde dag als bedoeld in lid 2, die samenvalt met ziekte of een feestdag.

    • b. Bij deelname aan artikel 16 lid 1 van de cao geldt bovendien: Per kwartaal komen de eerste € 250,– van de loonkosten en pensioenpremies over de dagen waarop de werknemer is vrijgesteld van het verrichten van arbeid, voor rekening van de werkgever en kunnen daarom niet worden gedeclareerd bij het O&O fonds. Het genoemde bedrag van € 250,– geldt per deelnemende werknemer.

      Voor werkgevers die activiteiten verrichten in het natuursteenbedrijf als bedoeld in artikel 2 lid 7 van de cao geldt niet het hiervoor genoemde bedrag van € 250,– maar van € 125,–.

    • c. Bij deelname aan artikel 16 lid 1 sub a van de cao geldt bovendien: Per kwartaal komen de eerste € 500,– van de loonkosten en pensioenpremies over de dagen waarop de werknemer is vrijgesteld van het verrichten van arbeid, voor rekening van de werkgever en kunnen daarom niet worden gedeclareerd bij het O&O fonds. Het genoemde bedrag van € 500,– geldt per deelnemende werknemer.

      Voor werkgevers die activiteiten verrichten in het natuursteenbedrijf als bedoeld in artikel 2 lid 7 van de cao geldt niet het hiervoor genoemde bedrag van € 500,– maar van € 300,–.

    • d. Een werkgever kan voor het eerst declareren nadat het O&O fonds de werkgever en de desbetreffende werknemer hierover per brief heeft geïnformeerd. Een kopie van deze brief wordt door het O&O fonds gezonden aan APG die belast is met de uitvoering van de declaraties.

  • 4.

    • a. De loonkosten en pensioenpremies over de dagen waarop de werknemer is vrijgesteld van het verrichten van arbeid dienen door de werkgever per kwartaal te worden gedeclareerd bij het O&O fonds (www.mijnafbouw.nl/Mijn-cao-aanvragen) met het daartoe bestemde formulier.

    • b. Op het formulier dient de werkgever opgave te doen van:

      • De vaste vrijgestelde dag van de werknemer als bedoeld in lid 2.

      • De dagen waarop de werknemer op de vaste vrijgestelde dag niet heeft gewerkt wegens ziekte.

      • De datum van uitval van de werknemer door arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 75 cao Afbouw.

    • c. Een formulier dat onvolledig is ingevuld, wordt niet in behandeling genomen. De werkgever wordt één keer in de gelegenheid gesteld om het voorgaande binnen één maand te herstellen.

    • d. De formulieren met declaraties dienen binnen drie maanden na het verstrijken van het kwartaal te zijn ingediend. Na deze termijn ontvangen declaraties worden niet vergoed.

  • 5. Het O&O fonds kan bij de werkgever een boekenonderzoek laten uitvoeren om te controleren of de gedeclareerde loonkosten en pensioenpremies daadwerkelijk zijn gemaakt. Door het indienen van een declaratie geeft de werkgever toestemming voor een boekencontrole. Ten onrechte gedeclareerde loonkosten en pensioenpremies worden teruggevorderd. De kosten van het boekenonderzoek kunnen in rekening van de werkgever worden gebracht wanneer er ten onrechte loonkosten en pensioenpremies zijn gedeclareerd.

  • 6. Wanneer de werknemer gebruik maakt van de 80/90/100 regeling kan geen gebruik meer worden gemaakt van de overgangsregeling seniorendagen als bedoeld in de artikelen 21 en 22 van de cao.

  • 7. Cao-partijen Afbouw evalueren in november 2023 de 80/90/100 regeling, onder meer met het doel de kostenontwikkeling te bewaken.

  • 8. Het O&O fonds is bevoegd de deelname aan de 80/90/100 regeling te beëindigen wanneer de deelnemer 8 weken of meer door ziekte is uitgevallen. Daarvan wordt schriftelijk melding gedaan aan de desbetreffende werknemer, zijn werkgever en APG die belast is met de uitvoering van de declaraties.’

BIJLAGE 6 REGLEMENT ZWARE BEROEPEN VAN DE STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS AFBOUW

Artikel 11 lid 4 van bijlage 6 komt te luiden:

‘Artikel 11 Einde van de uitkering

  • 4. Ingeval van overlijden van de uitkeringsgerechtigde wordt de uitkering maandelijks door de uitvoeringsorganisatie betaald aan diens partner zoals gedefinieerd in artikel 1 lid 7 van dit reglement. Dit gebeurt onder dezelfde voorwaarden en beperkingen, met dien verstande dat de uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overleden uitkeringsgerechtigde zijn AOW-gerechtigde leeftijd zou hebben bereikt of – als dat eerder is – twee maanden na het overlijden van de partner.’

Dictum II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 3 mei 2023

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, M.H.M. van der Goes


X Noot
1

Stcrt. 2021, nr. 45648; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 februari 2022 (Stcrt. 2022, nr. 3161)

Naar boven