Zorgvervoer en Taxi 2022

Verbindendverklaring cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 mei 2022 tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Zorgvervoer en Taxi

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van de Atriumgroep namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij ter ener zijde: KNV Zorgvervoer en Taxi;

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV Vakmensen.nl.

Naar aanleiding van dit verzoek zijn schriftelijke bedenkingen ingebracht door Stibbe advocaten namens Uber B.V.;

Deze bedenkingen kunnen als volgt worden samengevat:

Primair stelt Uber zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan het wettelijke meerderheidsvereiste ex artikel 2, lid 1, Wet AVV, waardoor de Minister de cao Zorgvervoer en Taxi niet algemeen verbindend kan verklaren. Cao-partijen hebben chauffeurs die de Uber-app gebruiken ten onrechte niet meegeteld. Onafhankelijk onderzoek door KPMG leidt tot een representativiteit van 47,9%.

De Rechtbank Amsterdam heeft in de zaak FNV/Uber bepaald dat de cao Taxivervoer van toepassing is op alle chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg (Rb. Amsterdam 13 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5029). Zodra deze chauffeurs gebruik maken van de Uber-app en daarop ingelogd zijn vallen zij volgens de rechter onder ‘modern werkgeversgezag’ van Uber, waardoor aan alle kenmerken van werknemerschap wordt voldaan en dus de cao moet worden toegepast. De overeenkomsten tussen Uber en de chauffeurs, die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden, moeten worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Dit vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard heeft tot gevolg dat de betreffende chauffeurs moeten worden meegeteld bij de beoordeling van de representativiteit van de cao Zorgvervoer en Taxi. De cao-partijen hebben dit, ondanks de op hen rustende verplichting om de juiste gegevens aan te leveren voor een toets op representativiteit, niet gedaan.

Uber verwijst hierbij nadrukkelijk naar het onderzoeksrapport van KPMG, die de consequenties van het vonnis van de Rechtbank Amsterdam heeft gekwantificeerd en de representativiteit van de cao Zorgvervoer en Taxi heeft berekend. En verwijst naar de conclusies die daarin worden getrokken ten aanzien van de representativiteit van de cao Zorgvervoer en Taxi.

Onafhankelijk onderzoek door KPMG leidt tot een representativiteit van 47,9%. KPMG heeft de representativiteit van de cao Zorgvervoer en Taxi berekend op basis van de door cao-partijen opgegeven werknemersaantallen vermeerderd met het aantal chauffeurs dat gebruik maakt van de Uber-app. Het totale aantal chauffeurs dat gebruik maakt van de Uber-app is opgebouwd uit twee componenten. Ten eerste zijn de ‘chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg’ meegerekend. Dit zijn de chauffeurs waarop de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam expliciet betrekking heeft. Ten tweede zijn de chauffeurs die de Uber-app gebruiken, maar die zich in persoon jegens een derde hebben verbonden en dus niet rechtstreeks met Uber hebben gecontracteerd, meegenomen. Blijkens het KPMG-rapport betreft het aantal chauffeurs dat gebruik maakt van de Uber-app 11.058 chauffeurs. Wanneer deze chauffeurs worden meegenomen en met betrekking tot de rest van de marktomvang wordt uitgegaan van de juistheid van de aantallen in de representativiteitsopgave (d.w.z. 17.719 werknemers van rechtstreeks aan de cao gebonden werkgevers en 25.946 werknemers van onder de cao vallende werkgevers), bedraagt het representativiteitspercentage 47,9% (17.719: (25.946 + 11.058) x 100%).

Subsidiair stelt Uber dat zelfs als sprake zou zijn van een meerderheid niet tot avv kan worden overgegaan. Al zou de cao Zorgvervoer en Taxi wèl reeds gelden voor een meerderheid tot 55% van de in de bedrijfstak werkzame personen, hetgeen Uber uitdrukkelijk betwist, dan heeft te gelden dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die avv van de cao rechtvaardigen. Bovendien is sprake van een zeer scheve verdeling waardoor ook bij een representativiteit tussen 55% en 60% de cao niet voor avv in aanmerking komt. Er is een scheve verdeling m.b.t. de omvang van werkgevers, met betrekking tot deelsectoren waarin werkgevers actief zijn en met betrekking tot het afzetgebied waarin werkgevers actief zijn.

Tot slot merkt bedenkinghebbende op dat indien de Minister desondanks overgaat tot avv van de cao Zorgvervoer en Taxi, dit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Overwegende ten aanzien van de bedenkingen:

Primair stelt Uber zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan het wettelijke meerderheidsvereiste ex artikel 2, lid 1, Wet AVV, waardoor de Minister de cao Zorgvervoer en Taxi niet algemeen verbindend kan verklaren.

De cao-bepalingen waarop het verzoek tot avv betrekking heeft, moeten reeds gelden voor een naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen (artikel 2, eerste lid, van de Wet AVV). Deze belangrijke meerderheid moet blijken uit een opgave van het aantal werkgevers lid van werkgeversvereniging(en) die partij zijn bij de cao onderscheidenlijk het aantal werkgevers dat naar de aard van de bedrijfsactiviteiten en de werkzaamheden tot de werkingssfeer van de cao kan worden gerekend alsmede het aantal personen werkzaam bij werkgevers die lid zijn van de werkgeversvereniging(en) die partij zijn bij de cao, onderscheidenlijk het aantal personen werkzaam bij werkgevers die naar de aard van de bedrijfsactiviteiten en de werkzaamheden tot de werkingssfeer van de cao gerekend kunnen worden.

Deze opgave dient voorzien te worden van een toelichting op de wijze van verzameling van de gegevens als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, sub c, van het Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en het verzoeken om algemeenverbindendverklaring.

Uit de overgelegde representativiteitsopgave blijkt dat voor de berekening van het aantal direct aan de cao gebonden werkgevers en werkgevers gebonden door de werkingssfeer van de cao gebruik is gemaakt van het ledenbestand van de werkgeversorganisatie Taxivervoer Nederland en de databestanden van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg (hierna: Pensioenfonds) en de Stichting Sociaal Fonds Mobiliteit (hierna: SFM) met peildatum 31 december 2020.

Het Pensioenfonds heeft aan de hand van de ledenlijst van de werkgeversorganisatie het totale bestand opgesplitst in gebonden en niet-gebonden werkgevers. Bedrijven zonder personeel, dochtermaatschappijen, holdings, beheermaatschappijen, dubbel en failliete bedrijven zijn uit de ledenlijst van de werkgeversorganisatie gehaald. In het pensioenfondsbestand worden werkgevers, deelnemers en dienstverbanden onderscheiden. Vervolgens zijn alle dienstverbanden met peildatum 31 december 2020 geselecteerd zodat het aantal werknemers bekend is in de leeftijdscategorie van 21 t/m 68 jaar.

De categorie werknemers van jonger dan 21 jaar en ouder dan 68 jaar is gebaseerd op het bestand van SFM. Deze laatste categorie valt vanwege hun leeftijd immers niet onder de verplichtstellingsbeschikking van het bedrijfstakpensioenfonds. De categorie werknemers < 21 jaar en > 68 jaar is bepaald aan de hand van 438 bruikbare verzamelloonstaten 2020 die door werkgevers ten behoeve van de premievaststelling aan SFM zijn verstrekt. Aan de hand van die verzamelloonstaten is via een berekeningsmodel en door middel van extrapolatie het aantal werknemers in deze categorie in dienst van KNV werkgevers en in dienst van niet-KNV leden berekend. De uitkomsten hiervan zijn toegevoegd aan de uitkomsten van het onderzoek door het Pensioenfonds naar het aantal werknemers van 21 t/m 68 jaar.

Ten aanzien van de gebruikte bronnen, het Pensioenfonds Vervoer en SFM, wordt opgemerkt:

  • dat de verplichtstellingsbeschikking van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg en de werkingssfeer van de cao Zorgvervoer en Taxi voor de werknemers van 21 jaar tot en met 68 jaar elkaar overlappen;

  • dat partijen bij de cao Zorgvervoer en Taxi, Pensioenfonds Vervoer en SFM een actief handhavingsbeleid hebben waarbij taxibedrijven die ten onrechte niet zijn aangemeld, actief worden opgespoord;

  • het Pensioenfonds Vervoer is gekoppeld aan het bestand van UWV zodat alle werknemers die in de taxibranche zijn verloond ook in beeld zijn bij het Pensioenfonds.

Ten aanzien van de bedenkingen van Uber dat als gevolg van het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 13 september 2021 dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard ‘de chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg’ mee hadden moeten worden geteld bij de beoordeling van de representativiteit van de cao Zorgvervoer en Taxi, wordt het volgende opgemerkt.

Voor de rechterlijke uitspraak inzake FNV/Uber geldt dat alle relevante partijen, zoals platforms, platformwerkers, sociale partners, de Belastingdienst, UWV, Inspectie SZW en pensioenfondsen consequenties kunnen verbinden aan de uitspraak. In het geval dat er nog geen sprake is van een onherroepelijke uitspraak (hoger beroep of cassatie is nog mogelijk) zullen partijen hun eigen afweging moeten maken of de lijn in de jurisprudentie bestendig genoeg is om consequenties aan de uitspraak te verbinden (dit om bijvoorbeeld terugbetalingen van opgelegde belastingen en/of boetesom te voorkomen). Zie ook de beantwoording van de Kamervragen van het lid Van Baarle (Denk) aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht dat volgens de rechter Uber chauffeurs in dienst moet nemen van 17 november 2021.

Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een onherroepelijke uitspraak. Vast staat dat Uber in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis van 13 september 2021. In het verzoek tot dispensatie van de cao Taxivervoer en de cao Stichting Sociaal Fonds Mobiliteit dat Uber op 27 december 2021 bij partijen bij de cao Taxivervoer heeft ingediend schrijft Uber dat op 14 september 2021 hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 13 september 2021 is ingesteld, omdat zij het daarmee fundamenteel oneens is. Dit hoger beroep loopt nog en het zal naar verwachting van Uber nog enige tijd (medio 2022) duren voordat er een eindarrest van het Hof komt.

Gelet op het feit dat nog geen sprake is van een onherroepelijke uitspraak, is in deze zaak net zoals in soortgelijke gevallen waar tegen een uitspraak nog hoger beroep of cassatie mogelijk is, overeenkomstig de hierboven aangehaalde lijn, geoordeeld om bij de representativiteitsbepaling nog geen consequenties aan de uitspraak te verbinden. Voor de vaststelling van de representativiteitsopgaven bij dit avv-verzoek en de representativiteitsopgaven bij eerdere avv-verzoeken waarin nog niet onherroepelijk vast staat of arbeidskrachten onder de werkingssfeer van een cao vallen, is geoordeeld deze arbeidskrachten vooralsnog buiten beschouwing te laten. Concreet betekent dit dat de ‘chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg’ niet in de representativiteitsopgaven hoefden te worden betrokken.

Naar aanleiding van de bedenking dat het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 13 september 2021 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat dit tot gevolg heeft dat de betreffende chauffeurs moeten worden meegeteld bij de beoordeling van de representativiteit van de cao Zorgvervoer en Taxi, wordt opgemerkt dat nu Uber zelf betwist dat de desbetreffende chauffeurs onder de werkingssfeer van de cao Zorgvervoer en Taxi vallen en daar blijk van heeft gegeven door hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 13 september 2021 en zelf geen uitvoering aan het vonnis heeft gegeven èn de uitspraak nog niet onherroepelijk vast staat, hoefden partijen bij de cao Zorgvervoer en Taxi de Uber-chauffeurs niet in de representativiteitsopgaven te betrekken.

Ten aanzien van de KPMG-rapportage waaruit een representativiteit van 47,9% zou blijken wordt hier – ten overvloede, zie hierboven – opgemerkt dat KPMG de representativiteit heeft berekend op basis van de door cao-partijen opgegeven werknemersaantallen vermeerderd met het aantal chauffeurs dat gebruik maakt van de Uber-app. Het totale aantal chauffeurs dat gebruik maakt van de Uber-app is opgebouwd uit twee componenten. Ten eerste zijn de ‘chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg’ meegerekend. Dit zijn de chauffeurs waarop de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam expliciet betrekking heeft. Ten tweede zijn de chauffeurs die de Uber-app gebruiken, maar die zich in persoon jegens een derde hebben verbonden en dus niet rechtstreeks met Uber hebben gecontracteerd, meegenomen. Overeenkomstig het vonnis van 13 september 2021 zouden bij die tellingen echter uitsluitend ‘chauffeurs die zich in persoon jegens Uber hebben verbonden om personen met een personenauto te vervoeren over de weg’ betrokken moeten worden en niet de categorie die niet rechtstreeks met Uber heeft gecontracteerd.

Ten aanzien van de gepresenteerde cijfers merkt KPMG op: ‘KPMG heeft gedetailleerde informatie kunnen ontvangen van Uber B.V. en hoewel we de brongegevens niet hebben ontvangen, hebben we kunnen deelnemen aan het opvragen van de gegevens via een videoverbinding. De analyses en conclusie van KPMG zijn daarom alleen geldig voor zover de verstrekte datakwaliteit van de markt- en bedrijfsinformatie ook geldig is.’

Het ministerie stelt eisen aan representativiteitsopgaven. In artikel 2.2.b van het Besluit aanmelden van collectieve arbeidsovereenkomsten en het verzoek om algemeenverbindendverklaring (hierna: het Besluit aanmelden) is vermeld waaraan representativiteitsopgaven moeten voldoen.

Vereist wordt:

  • c. een toelichting op de wijze van de verzameling van de representativiteitsgegevens, die in ieder geval het volgende bevat:

    • 1. een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen werkgevers en personen zoals genoemd onder onderdeel b, onder 1 en 2;

    • 2. een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode;

    • 3. een opgave van de wijze van meting;

    • 4. een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben;

Daarnaast vereist het Toetsingskader AVV dat de bij het avv-verzoek opgegeven aantallen van recente datum zijn. Dit betekent dat de representativiteitsgegevens in beginsel niet ouder mogen zijn dan één jaar, te rekenen vanaf de ingangsdatum van de cao.

Naast het voorbehoud dat KPMG maakt over de datakwaliteit vanwege het niet kunnen beschikken over de brongegevens wordt in onvoldoende mate voldaan aan de vereisten genoemd onder c, 1 t/m 4 van het Besluit aanmelden. Daarnaast zijn de gegevens, die in de KPMG-rapportage worden gepresenteerd afkomstig uit het jaar 2020, terwijl de cao Zorgvervoer en Taxi een looptijd heeft van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.

Subsidiair stelt Uber dat zelfs als sprake zou zijn van een meerderheid niet tot avv kan worden overgegaan. Al zou de cao Zorgvervoer en Taxi wèl reeds gelden voor een meerderheid tot 55% van de in de bedrijfstak werkzame personen, hetgeen Uber uitdrukkelijk betwist, dan heeft te gelden dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die avv van de cao rechtvaardigen. Bovendien is sprake van een zeer scheve verdeling waardoor ook bij een representativiteit tussen 55% en 60% de cao niet voor avv in aanmerking komt, omdat geen sprake is van een belangrijke meerderheid. Er is een scheve verdeling m.b.t. de omvang van werkgevers, met betrekking tot deelsectoren waarin werkgevers actief zijn en met betrekking tot het afzetgebied waarin werkgevers actief zijn.

Op grond van het Toetsingskader AVV, paragraaf 4.1 geldt het volgende:

Om te bepalen of wordt voldaan aan het vereiste van een belangrijke meerderheid worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • een meerderheid van 60% van de personen of meer wordt in ieder geval als ‘belangrijk’ gekwalificeerd;

  • een meerderheid tussen 55% en 60% wordt nog als een belangrijke meerderheid gekwalificeerd tenzij het draagvlak voor de cao binnen het werkingssfeergebied gering is of er een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen het werkingssfeergebied bestaat;

  • bij een meerderheid beneden 55% vindt avv niet plaats, tenzij er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere omstandigheden.

Met een representativiteit van 68,29% op basis van het gebruikte bronmateriaal is sprake van een belangrijke meerderheid. Alleen bij een meerderheid tussen 55% en 60% zou geen belangrijke meerderheid worden aangenomen als het draagvlak van de cao binnen het werkingssfeergebied gering is of er een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen het werkingssfeergebied bestaat. Dit is bij een representativiteit van 68,29% niet het geval.

Door cao-partijen is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat de bepalingen van de cao waarop het verzoek tot avv betrekking heeft reeds gelden voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen. Uit de aangeleverde representativiteitsgegevens waarbij een toelichting wordt gegeven op de gehanteerde onderzoeksmethode, de gebruikte bronnen, de wijze van meting, de relatie tot de werkingssfeer en de actualiteit van de cijfers, volgt een representativiteit die ruimschoots voldoet aan het meerderheidsvereiste. De voor de representativiteitsopgave gehanteerde bronnen, namelijk de ledenlijst van de werkgeversorganisatie Taxivervoer Nederland, Pensioenfonds en SFM zijn door cao-partijen in voldoende mate toegelicht.

Met een representativiteit van 68,29% op basis van het gebruikte bronmateriaal kan met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan het meerderheidsvereiste.

De bedenkingen zijn naar mijn oordeel voldoende weerlegd en doen geen afbreuk aan de door cao-partijen overgelegde representativiteitsgegevens.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III, IV en V is bepaald:

1.2 Werkingssfeer van deze CAO

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op ondernemingen, op werkgevers en werknemers van elke in Nederland gevestigde arbeidsorganisatie:

  • die tegen betaling vervoer van personen verricht, met een personenauto, krachtens een vergunning op grond van de Wet Personenvervoer 2000 (in werking sinds 1 januari 2001, wet van 6 juli 2000, Stb. 2000, 314);

  • en/of die tegen betaling vervoer van personen verricht, met een personenauto, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is ook van toepassing op ondernemingen, op werkgevers en werknemers van elke in Nederland gevestigde arbeidsorganisatie die arbeidskrachten ter beschikking stelt om:

  • tegen betaling vervoer van personen te verrichten, met een personenauto, krachtens een vergunning op grond van de Wet Personenvervoer 2000 (in werking sinds 1 januari 2001, wet van 6 juli 2000, Stb. 2000, 314);

  • en/of tegen betaling vervoer van personen te verrichten, met een personenauto, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is niet van toepassing op:

  • Uitzendondernemingen die lid zijn van de Nederlandse Bond voor Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU);

  • Uitzendondernemingen die gebonden zijn aan de CAO van de Algemene Bond voor Uitzendondernemingen (ABU);

  • Uitzendondernemingen niet zijnde lid van NBBU of ABU, die weliswaar vallen onder de werkingssfeer van de CAO Zorgvervoer en Taxi, doch die daarnaast voldoen aan de volgende cumulatieve vereisten:

  • a. de bedrijfsactiviteiten van de uitzendonderneming bestaan uitsluitend uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in artikel 7:690 BW, én

  • b. de arbeidskrachten (uitzendkrachten) van die werkgever zijn voor tenminste 25 procent van de loonsom, betrokken bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf dan in de werkingssfeer van de CAO Zorgvervoer en Taxi omschreven, én

  • c. de werkgever zendt voor tenminste vijftien procent van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uit op basis van uitzendovereenkomsten met uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 BW, zoals laatstelijk nader gedefinieerd in Bijlage 1, behorend bij artikel 5.1 van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv), gepubliceerd in de Staatscourant nummer 242 van 13 december 2005. De werkgever heeft aan dit criterium voldaan indien en voor zover dit door de uitvoeringsinstelling als zodanig is vastgesteld, én

  • d. de uitzendonderneming is geen onderdeel van een concern dat rechtstreeks of door algemeenverbindendverklaring gebonden is aan de CAO Zorgvervoer en Taxi, én,

  • e. de uitzendonderneming is geen paritair afgesproken arbeidspool.

  • Rijdend personeel van de KLM afdeling wegvervoer;

  • Vervoer dat valt onder de CAO voor het personeel in de Ambulancezorg;

  • Vervoer dat valt onder de CAO Openbaar Vervoer.

1.3 Buitenlandse werknemers

In overeenstemming met de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU), zijn verbindend verklaarde bepalingen van deze CAO ten aanzien van (zie bijlage 1):

  • a. maximale werktijden en minimale rusttijden;

  • b. minimum aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting van de werkgever om loon te betalen bestaat;

  • c. het loongebouw in deze CAO, inclusief de functie-indeling en ervaring (diensttijd) van werknemers, en/of aard van de verrichte werkzaamheden, salarisschalen met inbegrip van periodiek systeem (ook voor jeugdigen);

  • d. de vakantiebijslag over het loongebouw;

  • e. tussentijdse CAO-loonsverhogingen;

  • f. overwerkvergoedingen;

  • g. kostenvergoedingen: reistijdvergoeding;

  • h. toeslag voor verschoven uren;

  • i. feestdagentoeslag;

  • j. werken op zon- en feestdagen;

  • k. scholing;

  • l. minimumlonen, daaronder begrepen vakantiebijslag, vergoedingen voor overwerk, en daar niet begrepen aanvullende bedrijfspensioenregelingen;

  • m. voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werknemers;

  • n. gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk;

  • o. beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van kinderen, jongeren en van zwangere of pas bevallen vrouwen;

  • p. gelijke behandeling van mannen en vrouwen, alsmede andere bepalingen inzake niet- discriminatie,

ook van toepassing op de ter beschikking gestelde werknemer, die tijdelijk in Nederland arbeid verricht en wiens arbeidsovereenkomst wordt beheerst door een ander dan het Nederlandse recht. Onder ter beschikking gestelde werknemer wordt in dit verband verstaan iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt in Nederland, dat niet het land is waar die werknemer gewoonlijk werkt.

1.4 Dispensatie van deze CAO

Partijen bij deze CAO kunnen aan de werkgever of werknemer die daarom vraagt dispensatie verlenen van (één of meer bepalingen in) deze overeenkomst. De procedure voor het indienen en behandelen van een dispensatieverzoek is opgenomen in bijlage 6 van deze CAO.

Partijen bij deze CAO kunnen dispensatie verlenen als:

  • de situatie (tijdelijk) zo afwijkend is van hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is dat in redelijkheid niet van een werkgever kan worden gevergd dat de CAO (bepalingen) onverkort word(t)(en) toegepast of

  • de situatie (tijdelijk) zo afwijkend is van hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is dat in redelijkheid niet van een werkgever kan worden gevergd dat de CAO (bepalingen) onverkort word(t)(en) toegepast, het afwijkende arbeidsvoorwaardenpakket tot stand is gekomen in samenspraak met een werknemersorganisatie die onafhankelijk is van de werkgever en het gehele arbeidsvoorwaardenpakket tenminste gelijkwaardig blijft aan deze CAO.

c. Werkgever

Elke natuurlijke of rechtspersoon die in Nederland door één of meer werknemers arbeid doet verrichten als bedoeld in artikel 1.2,

d. Werknemer

De persoon die met de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor bepaalde of onbepaalde tijd. Hieronder wordt ook verstaan een AOW gerechtigde die een arbeidsovereenkomst met werkgever heeft gesloten.

Onder werknemer wordt niet verstaan de directeur/grootaandeelhouder van een N.V. of B.V., echtgeno(o)t(e) en familieleden, die niet (meer) verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Onder werknemer wordt tevens niet verstaan een persoon die conform de regeling proefplaatsing van het UWV bij een werkgever te werk wordt gesteld. Een proefplaatsing is het plaatsen van iemand met een WAO-, WIA-, WAZ-, Wajong-, Ziektewet- of WW-uitkering die moeilijk aan werk komt en van wie niet bekend is of hij geschikt is voor de functie. Proefplaatsing geschiedt normaal gesproken gedurende 2 maanden met behoud van uitkering; een proefplaatsing kan maximaal 6 maanden duren. Een eventuele wijziging in de definiëring van proefplaatsing geldt onverkort voor deze CAO.

e. Fulltimer

De werknemer met wie in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen dat hij gedurende de volledige werkweek werkzaamheden verricht.

f. Parttimer

De werknemer met wie in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen dat hij gedurende een gedeelte van de volledige werkweek werkzaamheden verricht.

g. M.U.P.-kracht

De werknemer met wie in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen dat hij een Uitgestelde Prestatieplicht (M.U.P.-overeenkomst) heeft en op afroep werkzaamheden verricht.

h. Kalenderweek

Een periode van 7 aaneengesloten dagen, die begint op maandag 00.00 uur en eindigt op zondag 24.00 uur. Daar waar in deze CAO over week gesproken wordt, wordt kalenderweek bedoeld.

i. Loon

Minimaal het functieloon waarop de werknemer aanspraak maakt per betalingsperiode van een kalenderweek, 4 weken, een maand of een kalenderkwartaal.

j. Functieloon

Daar waar in deze CAO wordt gesproken over functieloon, wordt daarmee bedoeld het loon conform de trede in de loontabel waar de werknemer recht op heeft.

k. Echtgenoot

De huwelijkse partner, de wettelijk geregistreerde partner, of de partner met wie de werknemer bij de notaris een samenlevingsovereenkomst heeft opgesteld.

l. Uitzendonderneming

De natuurlijke of rechtspersoon, zijnde de werkgever, die uitzendkrachten ter beschikking stelt van (uitzendt naar) opdrachtgevers, in de zin van titel 7.10 BW.

m. Uitzendkracht

De natuurlijke persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst met een uitzendonderneming arbeid verricht ten behoeve van de inlenende werkgever. Onder uitzendkrachten worden ook verstaan payrollers en gedetacheerden (de ter beschikking gestelde arbeidskrachten).

n. SFM

Stichting Sociaal Fonds Mobiliteit

o. Uitzendovereenkomst

De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.

p. Payrollovereenkomst

De payrollovereenkomst is de uitzendovereenkomst, waarbij de overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en de derde niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en waarbij de werkgever alleen met toestemming van de derde bevoegd is de werknemer aan een ander ter beschikking te stellen.

q. Payroller/payrollkracht

De natuurlijke persoon die op basis van een payrollovereenkomst met een uitzendonderneming arbeid verricht ten behoeve van de inlenende werkgever.

1.6 In dienst

1.6.1 De individuele arbeidsovereenkomst

De arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer moet schriftelijk worden aangegaan.

1.6.2 Arbeidsovereenkomst jaarurenregeling (bijvoorbeeld schoolvervoer)

  • 1. De jaarurenregeling kan van toepassing zijn op al dat Zorgvervoer en Taxi waarbij personen behorend tot een beperkte groep volgens een schema op regelmatige tijden worden vervoerd, waarbij de opdrachtgever expliciet bepaalt wanneer vervoer verricht dient te worden.

  • 2. Indien en voor zover de werknemer op parttimebasis vervoer verricht zoals bedoeld onder lid 1, mogen in afwijking van artikel 3.4, artikel 3.5.2 en artikel 3.12.2 de arbeidsuren en de daarop gebaseerde beloning worden gemiddeld over een periode van maximaal 12 maanden, te rekenen tot 1 augustus van enig jaar met dien verstande dat per betalingsperiode een evenredig gedeelte van dat jaargemiddelde uitbetaald wordt (met in achtneming van het SFM-rekenschema, terug te vinden op de site van SFM). Uiterlijk in de maand augustus van het daaropvolgende kalenderjaar worden de meeruren in het kader van de jaarurenregeling uitbetaald. De minder gemaakte uren zijn voor rekening van werkgever.

  • 3. In het kader van de jaarurenregeling dient in de loonberekening de vakantie-aanspraak te worden opgenomen conform het volgende schema.

    23 vakantiedagen = 23:237 (260 werkbare dagen minus 23) x 100% = 9,70%

    Bestaande rechten, voor zover er sprake is van opvolgend werkgever als bedoeld in artikel 3.2.1 en 3.4.1 alsmede bestaande rechten van werknemers die op 1 januari 2018 reeds in dienst waren bij werkgever, worden gerespecteerd dat wil zeggen bij:

    25 vakantiedagen = 25:235 (260 werkbare dagen minus 25) x 100% = 10,63%

    26 vakantiedagen = 26:234 (260 werkbare dagen minus 26) x 100% = 11,11%

    27 vakantiedagen = 27:233 (260 werkbare dagen minus 27) x 100% = 11,58%

    Onder bestaande rechten in bovenstaande alinea wordt verstaan: het aantal vakantiedagen zoals opgenomen op de laatste loonstrook dan wel laatste vakantiekaart.

1.7 CAO-uitgave

De werkgever verstrekt aan werknemer een digitale versie van de tekst van de CAO Zorgvervoer en Taxi, zoals deze algemeen verbindend is verklaard.

1.8 Overgang vervoerscontracten

De regeling ‘Overgang personeel bij overgang vervoerscontracten (OPOV)’ is van toepassing op een openbare procedure, waarbij een opdrachtgever middels een openbare publicatie bekend maakt een (vervoer)opdracht te willen laten uitvoeren.

Daarbij staat de procedure open voor eenieder om in te schrijven (voor zover een ieder kan voldoen aan de door een opdrachtgever gestelde voorwaarden en vereisten), worden de inschrijvingen op een vooraf bepaalde datum gesloten en selecteert de opdrachtgever de onderneming die de vervoersopdracht gegund krijgt.

De huidige contractpartij/vervoerder doet een opgave van betrokken personeel aan SFM, die op basis daarvan bepaalt op welke werknemers de OPOV-regeling van toepassing is. SFM stuurt de betrokken werknemers een brief met informatie over de regeling. De verkrijgende contractpartij/vervoerder doet de betrokken werknemers een aanbod, waarbij tenminste vijf nader in deze CAO te noemen kenmerken gelijk blijven, welke de werknemer heeft bij de huidige contractpartij/vervoerder.

De regeling ‘Overgang bij contractwisseling (OPBC)’ is van toepassing bij wijzigingen van vervoerscontracten, waarop de OPOV-regeling van toepassing was en waarbij gedurende het vervoerscontract van contractpartij en/of vervoerders wordt gewisseld. Deze regeling geldt ook bij tijdelijke overbruggingen. De huidige contractpartij/vervoerder doet een opgave van betrokken personeel aan SFM, die op basis daarvan bepaalt op welke werknemers de OPBC regeling van toepassing is. SFM stuurt de betrokken werknemers een brief met informatie over de regeling. De verkrijgende contractpartij/vervoerder doet de betrokken werknemers een aanbod, waarbij tenminste vijf nader in deze CAO te noemen kenmerken gelijk blijven, welke de werknemer heeft bij de huidige contractpartij/vervoerder.

De regeling ‘Regeling bij faillissementen (RBF)’ is van toepassing bij faillissementen, waarbij vervoerscontracten zijn betrokken, waarop de OPOV-regeling van toepassing was. Deze regeling houdt in dat een werknemer die gedurende 3 kalendermaanden voor de derde partij of contractpartij daadwerkelijk heeft gewerkt, deze automatisch een arbeidsovereenkomst krijgt waarvan de omvang gelijk is aan het gemiddeld aantal gewerkte uren en waarvan het type arbeidsovereenkomst gelijk is aan de arbeidsovereenkomst die werknemer had bij de failliete vervoerder/contractpartij.

De OPOV-regeling alsmede de regelingen OPBC en RBF zijn opgenomen in bijlage 3 van deze CAO.

Indien de wet overgang van onderneming van toepassing is, geldt deze boven de bepalingen in dit artikel.

1.9 Verplichtingen van werkgever en werknemer

1.9.1 Meldingsplicht werknemer

Werknemer is verplicht werkgever direct te informeren als hij, al dan niet tijdelijk, niet langer bevoegd is om zorgvervoer en taxivervoer te verrichten, omdat hij, al dan niet tijdelijk, niet langer over een geldige chauffeurskaart taxi (waaronder begrepen geldige verklaring omtrent het gedrag en geldige medische verklaring) of, al dan niet tijdelijk, niet langer over een geldig rijbewijs beschikt.

1.9.2 Toestemming voor ander werk

De werknemer is verplicht bij indiensttreding de werkgever te melden of hij elders (betaalde of onbetaalde) werkzaamheden verricht.

De werknemer mag geen arbeid in loondienst verrichten voor derden, zaken voor eigen rekening doen of als vertegenwoordiger voor derden optreden, tenzij hij hiervoor schriftelijke toestemming heeft van werkgever. Werkgever geeft de toestemming, tenzij hij aannemelijk kan maken dat er sprake is van een kans op schade, een te grote werkbelasting, overtreding van geldende wet en regelgeving of het ontstaan van een belangenconflict. Werkgever deelt schriftelijk en gemotiveerd met werknemer de reden van afwijzing.

1.9.3 Geheimhouding bedrijfsinformatie

De werknemer moet informatie geheimhouden die niet voor derden bestemd is, met uitzondering van mededelingen die van hem kunnen worden verlangd op grond van wettelijke bepalingen of bedrijfsvoorschriften.

Iedere werknemer is echter, met inachtneming van het in het vorige zin gestelde, bevoegd mededelingen die wensen en bezwaren inhouden, aan de bestuurders van zijn vakvereniging mee te delen en toe te lichten.

1.9.4 Uiterlijke verzorging en dienstkleding

De werknemer zorgt ervoor dat hij tijdens diensttijd voldoet aan de in het bedrijf geldende normen voor uiterlijke verzorging en kleding.

Als de werkgever specifieke kleding voorschrijft, wordt dit aangemerkt als dienstkleding die door de werkgever wordt betaald.

1.9.5 Beheer geld van de werkgever

De werknemer dient gelden, die hem in het kader van zijn functievervulling zijn toevertrouwd en/of aan hem zijn afgedragen, zorgvuldig te bewaren of te gebruiken voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. Deze gelden moeten worden afgedragen zodra hij de gelden voor zijn dienst niet meer nodig heeft of wanneer de werkgever daarom vraagt, verlies ervan dient zo spoedig mogelijk te worden gemeld. De werknemer dient de afdracht van deze gelden op door de werkgever aan te geven wijze te bevestigen.

1.9.6 Afdracht geld aan de werkgever

De werkgever dient de werknemer, rekening houdend met het tijdstip waarop de dienst zal eindigen, gelegenheid te bieden om op nader aan te geven wijze tijdens diensttijd ontvangen gelden tegen ontvangstbewijs af te dragen.

1.9.7 Schade

Schade, die de werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden toebrengt aan de werkgever of aan een derde tegenover wie de werkgever verplicht is schade te vergoeden, kan in beginsel niet op de werknemer worden verhaald.

Hoge uitzondering op dit beginsel is de situatie waarin de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Van opzet is sprake wanneer de werknemer de bedoeling heeft gehad om schade toe te brengen.

Van bewuste roekeloosheid is alleen dan sprake wanneer de werknemer zich letterlijk bewust is van zijn handelingen en van het feit dat die handelingen tot schade kunnen leiden.

De bewijslast ligt in beide situaties bij de werkgever.

Als moet worden aangenomen dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid dan moet de werkgever de volgende stappen ondernemen:

  • aan de werknemer binnen één maand nadat hij van de gebeurtenis kennis heeft genomen schriftelijk mee delen dat hij vergoeding van de schade zal eisen;

  • het bedrag van de schade zo snel mogelijk vaststellen, doch uiterlijk binnen één jaar nadat hij van de gebeurtenis kennis heeft genomen.

De hoogte van de vergoeding van de schade kan niet meer bedragen dan de kosten voor herstel of vervanging.

1.9.8 Rijvaardigheid beïnvloedende middelen

De werknemer dient vanaf het begin tot aan het eind van zijn diensttijd vrij te zijn van alcohol en andere middelen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden.

Als de werknemer geneesmiddelen gebruikt, dient hij aan zijn arts te vragen of deze middelen de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden. De werknemer stelt de werkgever op de hoogte van het oordeel van de arts. De werkgever neemt dat oordeel over.

1.9.9 Boetes verkeersovertredingen

Boetes die voortkomen uit verkeersovertredingen van de werknemer kunnen door de werkgever worden ingehouden op het loon.

Hierbij is het een voorwaarde dat de werkgever moet kunnen aantonen dat hij de werknemer tijdig in de gelegenheid heeft gesteld om tegen de boete bezwaar aan te tekenen of ertegen in beroep te gaan. De werkgever moet dan ook kunnen aantonen dat de werknemer van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, of dat het bezwaar of beroep is afgewezen.

1.9.10 Medewerking aan medische keuringen

De werknemer verleent zijn medewerking aan medische keuringen die door de werkgever ten behoeve van zijn taakvervulling nodig worden geacht, tenzij dwingende medische bezwaren en/of wettelijke regelingen zich hiertegen verzetten.

1.9.11 Kosten voor de werkgever

Voor rekening van de werkgever komen de kosten voortkomend uit:

  • de geneeskundige verklaring, daaronder begrepen de daarvoor benodigde medische keuring;

  • specifieke bedrijfskleding die door de werkgever verplicht is gesteld.

  • de volgende kosten voor het verlengen van de chauffeurskaart:

    • de betreffende kosten die door KIWA Register in rekening worden gebracht

    • de kosten voor de aanvraag van de verklaring omtrent het gedrag.

    Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op verzoek van werknemer binnen 6 maanden nadat de in dit artikel genoemde kosten aan werkgever zijn doorbelast, kunnen deze kosten door de werkgever op de werknemer als volgt worden verhaald:

    in de eerste twee maanden volledig;

    in de derde maand tot 80%;

    in de vierde maand tot 60%;

    in de vijfde maand tot 40%;

    en in de zesde maand tot 20%.

1.10 Loondoorbetaling bij ziekte

  • 1.

    • a. Onderstaande afspraak is van toepassing op nieuwe ziektegevallen vanaf 1 januari 2021: de werknemer die wegens ziekte niet in staat is om zijn werkzaamheden te verrichten, heeft recht op:

      • doorbetaling van 70% van zijn laatstverdiende loon gedurende de eerste 2 weken van de arbeidsongeschiktheidsperiode.

        Perioden van ziekte worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

      • doorbetaling van 80% van zijn laatstverdiende loon gedurende de periode vanaf 3 weken tot en met 8 weken van de arbeidsongeschiktheid.

      • doorbetaling van 90% van zijn laatstverdiende loon gedurende de periode vanaf 9 weken tot en met 104 weken van de arbeidsongeschiktheid.

      • Per kalenderjaar geldt voor de loondoorbetaling van 70% van het laatstverdiende loon een maximum van 2 weken. Indien aan een werknemer in enig kalenderjaar reeds gedurende 2 weken als gevolg van arbeidsongeschiktheid 70% van zijn laatstverdiende loon is doorbetaald, wordt bij een eventuele volgende ziekmelding in datzelfde kalenderjaar vanaf de 1e ziektedag tot en met 8 weken 80% van zijn laatstverdiende loon doorbetaald en vanaf 9 weken tot en met 104 weken 90% van zijn laatstverdiende loon van de arbeidsongeschiktheid.

      • deze regeling mag er nimmer toe leiden dat per betalingsperiode minder dan het minimumloon wordt uitbetaald.

    • b. Voor AOW-gerechtigden geldt ten aanzien van de duur waarover loon tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid dient te worden betaald en de omvang van de loondoorbetalingsverplichting bij arbeidsongeschiktheid, de wettelijke regeling, zoals vastgelegd in de Wet werken na AOW-gerechtigde leeftijd (7:629 lid 2 sub b BW). Voor wat betreft de omvang van de loondoorbetalingsverplichting bij arbeidsongeschiktheid, geldt dat deze er nimmer toe mag leiden dat per betalingsperiode minder dan het minimumloon wordt uitbetaald.

  • 2. De werkgever is bevoegd bij de 1e, 2e en 3e ziekmelding binnen één kalenderjaar één wachtdag en bij de 4e ziekmelding en volgenden binnen één kalenderjaar twee wachtdagen toe te passen. Registratie van wachtdagen dient door de werkgever schriftelijk te gebeuren.

    De wachtdagen mogen er nimmer toe leiden dat minder dan het minimumloon wordt uitbetaald.

    Op verzoek van de werknemer kan de werkgever, in plaats van het toepassen van een wachtdag, een bovenwettelijke vakantiedag afschrijven van het tegoed aan vakantiedagen van de werknemer.

    Indien één wachtdag wordt toegepast geldt dat de dag van de ziekmelding als wachtdag gezien kan worden (dat is namelijk de eerste ziektedag). De dag erna wordt gezien als eerste betaalde ziektedag. Indien twee wachtdagen worden toegepast geldt dat de dag van de ziekmelding en de eerste dag daarna als wachtdagen gezien kunnen worden. De dag daarna wordt gezien als eerste betaalde ziektedag.

  • 3. De verplichting tot loondoorbetaling ontstaat vanaf de eerste dag dat de werknemer verhinderd is om zijn arbeid te verrichten. In geval de werkgever één of twee wachtdagen toepast als gevolg van lid 2 van dit artikel, geldt deze verplichting vanaf de tweede (bij één wachtdag) resp. de derde (bij twee wachtdagen) dag dat de werknemer verhinderd is om zijn arbeid te verrichten.

  • 4. De werknemer kan geen aanspraak maken op loondoorbetaling:

    • indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt of een gevolg is van een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;

    • voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid voor de werkgever of een door de werkgever met toestemming van de uitvoeringsinstelling waarbij deze is aangesloten aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht.

  • 5. In geval van ziekte wordt onder laatstverdiend loon in de zin van dit artikel verstaan, het gemiddeld aantal gewerkte uren (tevens rekening houdend met eventuele eerdere ziektedagen en verlof) in de referteperiode van de 12 voorafgaande betalingsperioden, vermenigvuldigd met het uurloon waar de werknemer recht op had direct voorafgaande aan het moment van de ziekmelding. Indien de duur van de arbeidsovereenkomst, die op het moment van de ziekmelding met werknemer is gesloten, korter is dan 12 betalingsperioden, wordt gerekend met een kortere periode, zijnde de periode waarop de arbeidsovereenkomst betrekking heeft.

  • 6. Indien de ongeschiktheid tot werken van de werknemer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, heeft de werkgever op grond van art 6:107A BW een wettelijk verhaalsrecht ter zake van het doorbetaalde netto loon.

1.11 WGA-premie

De werkgever is bevoegd een gedeelte van de WGA-premie te verhalen op het loon van de werknemer.

De werkgever dient ieder jaar aan iedere werknemer opgave te doen van de totale WGA-premie. De werkgever stelt in het begin van het kalenderjaar de werknemer in het bezit van een afschrift van de door de belastingdienst voor dat jaar vastgestelde WGA-premie.

Indien de werknemer van mening is dat de premie die door de werkgever- eigen risicodrager wordt ingehouden op zijn loon uitzonderlijk hoog is, kan de werknemer SFM verzoeken een oordeel te geven omtrent de hoogte van de premie.

1.12 Vakbondswerk in de onderneming

Kaderlid van een werknemersorganisatie is de in de onderneming werkzame persoon, die een bestuurlijke of vertegenwoordigende functie uitoefent voor de werknemersorganisatie waarvan hij lid is en die als zodanig door die organisatie bij de werkgever schriftelijk is aangemeld.

De werkgever draagt er zorg voor, dat een kaderlid van de werknemersorganisaties uit hoofde van zijn verenigingswerk in de onderneming niet in zijn positie als werknemer wordt geschaad.

1.12.1 Vakbondscontributie

De werkgever werkt mee aan fiscaal vriendelijke verwerking van contributie, verschuldigd door de werknemer

1.13 Scholing

Onder scholing wordt verstaan: elke vorm van een gestructureerde activiteit die, ongeacht of de scholing wordt aangemerkt als een aan de functie van de werknemer verbonden wettelijke verplichting, gericht is op het door de werknemer verkrijgen van kennis en/of vaardigheden.

Onder scholingskosten wordt, in de ruimste zin van het woord, onder andere verstaan: de cursuskosten; de kosten voor het organiseren van een interne en / of externe scholing; de vergoedingen van reis- en verblijfskosten en de ontwikkelingskosten.

Opleidingstijd voor het in opdracht van de werkgever volgen van een, voor de functie vereiste, opleiding is voor rekening van de werkgever. Reistijd nodig om van en naar een cursus of opleiding toe te gaan is niet voor rekening van werkgever. De opleidingstijd van een werknemer die ook OV werk doet (conform hoofdstuk 6 van deze CAO) wordt uitbetaald tegen het van toepassing zijnde uurloon rijdend personeel dat is opgenomen in artikel 3.5.

Werkgevers kunnen in geval van opleidingen die middels e-learning worden verzorgd, voor het berekenen van de te vergoeden opleidingstijd uitgaan van hetgeen de e-learning instituten aangeven als benodigde opleidingstijd of, indien er geen opleidingstijd bekend is, zelf de gemiddelde benodigde opleidingstijd vaststellen gebaseerd op de tijd die een aantal personen die de e-learning hebben uitgeprobeerd, nodig hadden.

De kosten gemoeid met het behalen van het rijbewijs, de wettelijke verplichte chauffeursexamens en eventuele andere voor de functie wettelijk vereiste scholing (niet zijnde scholing die een opdrachtgever verlangt) zijn voor rekening van werknemer.

De kosten van overige examens incl. de kosten van minimaal één herexamen zijn voor rekening van werkgever. Kosten van meer herexamens hoeft werkgever niet voor zijn rekening te nemen.

Onder een gestructureerde activiteit wordt verstaan een activiteit die aan de volgende voorwaarden voldoet: bij de scholing is begeleiding vereist; daar waar scholing mogelijk is door middel van een interactief systeem, dient begeleiding beschikbaar te zijn en na afloop wordt door of namens de werkgever de scholing met de werknemer geëvalueerd.

Ieder jaar, of zoveel eerder als wenselijk, dient de werkgever met de werknemer een gesprek te voeren over zijn behoefte aan scholing. Daarbij wordt tevens aan de orde gesteld in hoeverre de individuele scholingsbehoefte van de werknemer aansluit bij het opleidingsaanbod van de werkgever. Wanneer aan de werknemer scholing wordt aangeboden, komen de werkgever en de werknemer dit schriftelijk overeen.

Elke fulltime werknemer krijgt in een tijdsbestek van 5 dienstjaren 5 opleidingsdagen, te rekenen vanaf 1 januari 2014 (voor M.U.P.-krachten en parttime krachten mag het aantal opleidingsdagen naar rato van het aantal verloonde uren bepaald worden, waarbij de volgende berekeningsmethode dient te worden gehanteerd door werkgever: per 1 januari van ieder kalenderjaar wordt de omvang van het dienstverband bepaald aan de hand van het gemiddelde van het aantal gewerkte uren in voorafgaand kalenderjaar; indien de M.U.P.-kracht en parttime klacht in voorgaand kalenderjaar niet volledig heeft gewerkt, wordt de omvang van het dienstverband naar rato van de duur van het dienstverband bepaald). Deze opleidingsdagen mogen direct in het eerste kalenderjaar al gegeven worden, of anders minimaal 1 opleidingsdag per kalenderjaar. Het is niet toegestaan de opleidingsdagen op te sparen en pas in een later stadium ineens te besteden. Werkgever en werknemer bepalen onderling wanneer deze opleidingsdagen genoten worden en waaraan deze worden besteed. SFM zal een lijst opstellen van activiteiten waaraan deze opleidingsdagen besteed kunnen worden, welke na goedkeuring van CAO partijen onderdeel uitmaakt van deze overeenkomst. Werkgevers en werknemers kunnen hiervoor suggesties aanleveren bij het SFM. Voor taxibedrijven die beschikken over TX-keur moet met de opleidingseisen van TX-keur rekening gehouden worden. Taxibedrijven die beschikken over TX-keur voldoen al aan deze bepaling. Zij hoeven dus buiten de vereisten van TX-keur om niet nog eens 5 opleidingsdagen aan te bieden. Daarbij wordt er van uitgegaan dat het hier om volledige opleidingsdagen gaat.

Indien de werkgever scholing noodzakelijk acht vanwege opleidingsvereisten van opdrachtgevers of vanwege de uitoefening van de functie door de werknemer, dan is de werknemer verplicht aan deze scholing mee te werken c.q. deel te nemen.

De scholingskosten, zoals eerder genoemd, komen volledig voor rekening van de werkgever.

In afwijking hiervan komen de scholingskosten (met uitzondering van de opleidingstijd) gedeeltelijk voor rekening van de werknemer wanneer de werknemer ontslag neemt resp. wordt ontslagen, waarbij dit ontslag de werknemer te verwijten is:

  • a. binnen één jaar na het behalen van een diploma of certificaat 75%

  • b. binnen twee jaar na het behalen van een diploma of certificaat 50%

  • c. binnen drie jaar na het behalen van een diploma of certificaat 25%

HOOFDSTUK 2 WERK EN RUSTTIJDEN

2.1. Standplaats, onderbreking onbetaalde periodes en verloonde tijd (vanaf 1 maart 2022) rijdend personeel

2.1.1 Werkweek

Voor fulltime rijdend personeel geldt een arbeidstijd van 40 uren per week, verdeeld over gemiddeld 5 dagen per week.

De parttime werknemer heeft een arbeidsovereenkomst van minder dan 40 uur per week. Het aantal overeengekomen uren moet in de arbeidsovereenkomst worden vastgelegd.

2.1.2 Bepalen standplaats
  • a. Elke werknemer heeft twee standplaatsen. Het woonadres van de werknemer is er te allen tijde één van.

  • b. De tweede standplaats is het adres (of indien er meer zijn: één van de adressen) waar het bedrijf zowel in administratieve zin (inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel) als materieel is gevestigd (hierna te noemen het vestigingsadres, zijnde standplaats). Met de term materieel wordt aangesloten bij de voorwaarden die de Kamer van Koophandel hanteert om een (neven)vestiging in te kunnen schrijven. Werkgever legt de standplaats schriftelijk vast en deelt deze mede aan werknemer.

  • c. Indien de werkgever geen vestigingsadres als standplaats bepaalt, heeft werknemer naast zijn woonadres als tweede standplaats het voor werknemer, gerekend vanaf zijn woonadres, dichtstbijzijnde vestigingsadres van werkgever. Echter, in geval werkgever geen vestigingsadres als standplaats heeft bepaald en de werknemer het meeste van zijn tijd begint en eindigt op een vestigingsadres dat verder weg ligt dan het dichtstbijzijnde vestigingsadres, dan dient toch uitgegaan te worden van het voor werknemer, gerekend vanaf zijn woonadres, dichtstbijzijnde vestigingsadres als standplaats.

  • d. Het staat werkgever en werknemer vrij om met wederzijds goedvinden een derde standplaats te bepalen, zijnde een tweede vestigingsadres of het adres van een andere werknemer, waar de werknemer een voertuig van de werkgever mee deelt. Deze derde standplaats wordt schriftelijk vastgelegd, voorzien van handtekening van zowel werkgever als werknemer.

  • e. In geval van uitzendkrachten moet, in afwijking van het bepaalde onder b, onder de standplaats verstaan worden: het vestigingsadres (of indien er meer zijn: één van de adressen) van het bedrijf waar de uitzendkracht te werk gesteld wordt. De uitzendonderneming bepaalt voorgaand bedoelde standplaats.

2.1.3 Procedure wijzigen van de standplaats, zijnde het vestigingsadres
  • a. Indien de conform artikel 2.1.2 lid b, c en e bepaalde standplaats, zijnde vestigingsadres, nadien wordt gewijzigd dient dit door de werkgever schriftelijk aan de werknemer medegedeeld te worden. Tussen het mededelen van de gewijzigde standplaats aan werknemer en het daadwerkelijk in kunnen gaan van de gewijzigde standplaats zit een periode van tenminste 5 werkdagen.

  • b. Indien van de gewijzigde standplaats als bedoeld in lid a van dit artikel, daadwerkelijk gebruik gemaakt wordt, waardoor de enkele reisafstand 50 kilometer of meer extra wordt – vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie kortste route), in vergelijking met de reisafstand die vóór die standplaatswijziging aan de orde was – geldt een compensatie regeling. Deze compensatie regeling houdt in dat de werknemer gedurende de eerste zes maanden, gerekend vanaf het moment dat van de gewijzigde standplaats als bedoeld in lid a van dit artikel daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt, ter zake de extra reistijd – vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie snelste route), die een gevolg is van die standplaatswijziging – gecompenseerd wordt middels uitbetaling van functieloon aangaande die extra reistijd. De eventuele extra reiskosten zijn voor rekening van werknemer.

  • c. De in lid b van dit artikel bedoelde compensatie vindt niet plaats indien de enkele reisafstand als gevolg van de standplaatswijziging minder dan 50 kilometer extra wordt in vergelijking met de reisafstand die voor die standplaatswijziging aan de orde was.

  • d. Wijziging van de in artikel 2.1.2 lid d bedoelde derde standplaats kan enkel met wederzijds goedvinden gerealiseerd worden.

  • e. De in lid b van dit artikel bedoelde compensatie vindt niet plaats bij het wijzigen van de derde standplaats conform het vorige lid van dit artikel.

2.1.4 Procedure wijzigen standplaats, zijnde het woonadres werknemer

Indien werknemer van woonadres verandert en deze verandering leidt tot extra reiskosten voor en/of extra reistijd van werknemer, in vergelijking met de situatie van vóór deze verandering, dan is dat voor rekening van werknemer. Indien het in voorgaande situatie om een werknemer gaat die het voertuig van werkgever bij het woonadres heeft staan, staat het werkgever vrij om te besluiten dat werknemer (na genoemde wijziging van het woonadres) niet langer een voertuig van werkgever bij het woonadres heeft staan.

2.1.5 Verloonde tijd

Cao-partijen hebben een regeling verloonde tijd afgesproken. Deze regeling gaat in op 1 maart 2022.

  • b. Vanaf 1 maart 2022 vervalt de oude regeling en gelden de nieuwe regels zoals hieronder opgenomen in artikel 2.1.6 tot en met 2.1.15. In de periode vanaf 1 maart 2022 tot het gereedkomen van het portaal, als bedoeld in artikel 2.1.7 onder c, wordt een ieder geacht te werken conform het bepaalde in de nieuwe regeling.

2.1.6 Definitie dienst in de zin van verloonde tijd vanaf 1 maart 2022

Met diensten in de zin van verloonde tijd wordt bedoeld de maxflex-regeling of dienstblokken. Voor de definitie van dienst wordt verwezen naar artikel 2.1.8 en 2.1.9 van de cao.

2.1.7 Algemene uitgangspunten verloonde tijd vanaf 1 maart 2022
  • a. Voor het bepalen van de verloonde tijd wordt onderscheid gemaakt tussen twee regelingen:

    • maxflex-regeling (maximering flexibiliteit)

    • dienstblokken

    Nadere uitwerking van de regelingen is opgenomen in artikel 2.1.8 (maxflex-regeling) en 2.1.9 (dienstblokken)

  • b. Een werknemer werkt op een dag in de maxflex-regeling of in dienstblokken. Een werknemer kan dus niet op één dag in de maxflex-regeling werken en ook nog in dienstblokken werken.

  • c. Er wordt een portaal ontwikkeld door SFM. De werkgever dient de begin- en eindtijd van de dienst (diensten op grond van de maxflex-regeling of afzonderlijke blokken) via het portaal uiterlijk om 23.59 uur op de dag voorafgaand aan de dienst door te geven. Daarbij moet tevens aangegeven worden of de werknemer de betreffende dag in de maxflex-regeling of in dienstblokken werkt. Indien de werknemer pas op de dag zelf wordt opgeroepen vanwege piek en/of ziek en/of vanwege incidentele werkzaamheden die zich op de dag zelf aandienen en de werknemer wordt daartoe opgeroepen dan dient dit voorafgaand aan de dienst in het portaal te worden opgegeven. Opgave in het portaal dient eveneens op de dag van uitvoering te geschieden indien werknemer werkzaamheden verricht in het kader van een extra dienstblok als bedoeld in artikel 2.1.9. Aan het eind van de betalingsperiode dienen alle diensturen en dus minimaal alle contracturen (met uitzondering van ziekte en verlofuren) betreffende de betalingsperiode opgegeven te zijn in het portaal van SFM. Alle vooraf in het portaal aangemelde diensten zijn in beginsel het uitgangspunt voor de verloonde tijd. Afwijkingen op begin- en eindtijden van de dienst, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, en zowel in positieve als in negatieve zin, zijn bepalend voor de daadwerkelijke verloning. Het gestelde in artikel 3.12.2 is onverkort van toepassing.

  • d. Werkgever bepaalt op welke conform artikel 2.1.2. vastgestelde standplaats de dienst aanvangt en op welke conform artikel 2.1.2 vastgestelde standplaats de dienst eindigt.

  • e. De tijd benodigd met het reizen van het woonadres naar het vestigingsadres, zijnde standplaats, van werkgever en vice versa is geen verloonde tijd. Indien werkgever vraagt om het voertuig naar het vestigingsadres te brengen, staat het de werknemer vrij om daar geen gehoor aan te geven. Indien werknemer door werkgever aantoonbaar verplicht wordt het voertuig terug te komen brengen naar het vestigingsadres, dan is de werknemer gehouden daar gehoor aan te geven en is de reistijd benodigd om van het woonadres naar het vestigingsadres te komen verloonde tijd.

  • f. Indien, in afwijking van lid f, werkgever aangeeft dat de werkzaamheden van werknemer eindigen op een locatie welke geen standplaats is en werknemer de volgende dienst daar ook weer aanvangt (enkel overnachtingen) dan eindigt de verloonde tijd op die locatie op het moment dat de dienst daar eindigt en vangt deze aan wanneer de dienst op die locatie ook weer aanvangt. Indien van voorgaande sprake is wordt dit schriftelijk vastgelegd, voorzien van een handtekening van werkgever en werknemer.

  • g. De werkgever zal naast het gestelde in artikel 6 van het controlereglement SFM als opgenomen in de cao SFM het volgende bij een CAO controle door SFM aan moeten kunnen tonen:

    • de vastlegging van de standplaats(-en)

    • de wijziging van de standplaats

    • het tijdstip van de daadwerkelijke aanvang en einde van de dienst- de verplichting indien werknemer het voertuig terug moet komen brengen naar het vestigingsadres

Artikel 2.1.8. Maxflex-regeling vanaf 1 maart 2022
  • a. Bij toepassing van de maxflex-regeling is de definitie van een dienst als volgt:

    Een aaneengesloten periode waarin arbeid wordt verricht. Deze periode kan onderbroken worden door een of meerdere onbetaalde perioden waarin de werknemer geacht wordt niet ter beschikking te hebben gestaan van werkgever.

  • b. De in sub a bedoelde onbetaalde periode waarin de werknemer geacht wordt niet ter beschikking te hebben gestaan van werkgever is maximaal 12,5% van de tijd per betalingsperiode, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT-gegevens, voor zover die betrekking hebben op de maxflex-regeling, met dien verstande dat het percentage van 12,5% het maximum percentage is dat forfaitair per betalingsperiode in het kader van verloonde tijd gemiddeld mag worden toegepast.

  • c. De aanvang van de dienst op basis van de maxflex-regeling wordt door de werkgever van tevoren aan de werknemer kenbaar gemaakt.

Artikel 2.1.9. Dienstblokken vanaf 1 maart 2022
  • a. Bij toepassing van de dienstblokken is de definitie van een dienst als volgt:

    Een aaneengesloten periode waarin arbeid wordt verricht. Deze periode kan onderbroken worden door een of meerdere onbetaalde perioden waarin de werknemer niet ter beschikking staat aan werkgever.

  • b. De in sub a bedoelde onbetaalde periode is afhankelijk van de omvang van de arbeidsovereenkomst en wordt hierna uitgewerkt onder sub d en e.

  • c. Voor het systeem van dienstblokken wordt onderscheid gemaakt in contracten van 0 tot en met 28 uur per week en contracten boven de 28 uur per week.

  • d. Voor contracten van 0 tot en met 28 uur per week geldt het volgende.

    • Er kunnen maximaal 4 dienstblokken gegeven worden in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur;

    • Een dienstblok heeft een minimale duur van 1 uur;

    • Tussen twee opeenvolgende dienstblokken zit minimaal een onbetaalde periode van 15 minuten. In deze 15 minuten staat de werknemer niet ter beschikking van de werkgever. Is de onbetaalde periode minder dan 15 minuten, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, dan wordt de tijd tussen de twee dienstblokken volledig doorbetaald.

    • Per dienstblok wordt door de werkgever de begin- en eindtijd van tevoren aan de werknemer bekend gemaakt;

    • Alle tijd binnen een dienstblok is te verlonen tijd. Afwijkingen op begin- en eindtijden van de dienstblokken, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, en zowel in positieve als in negatieve zin, zijn bepalend voor de daadwerkelijke verloning met inachtneming van een minimale duur van 1 uur per dienstblok.

    • Een extra dienstblok kan uitsluitend gegeven worden na akkoord van de werknemer;

    • Bij meer dan 4 blokken in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur, wordt, gebaseerd op de afwijkingen op basis van BCT gegevens, automatisch de maxflex-regeling als bedoeld in artikel 2.1.8 van toepassing, waarbij de aanvang van de maxflex-regeling overeenkomt met de begintijd van het eerste dienstblok en de eindtijd van de maxflex-regeling overeenkomt met de eindtijd van het laatste dienstblok.

  • e. Voor contracten boven de 28 uur per week geldt het volgende

    • Er worden 2 dienstblokken gegeven in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur. De duur van die twee dienstblokken samen is minimaal 7 uur.

    • Tussen de 2 dienstblokken zit minimaal een onbetaalde periode van 2 uur. In deze tijd staat werknemer niet ter beschikking van werkgever. Is de onbetaalde periode, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, minder dan 2 uur dan wordt de tijd tussen de twee blokken volledig doorbetaald.

    • Per dienstblok wordt door de werkgever de begin- en eindtijd van tevoren aan de werknemer bekend gemaakt;

    • Alle tijd binnen de twee dienstblokken is te verlonen tijd; Afwijkingen op begin- en eindtijden van de dienstblokken, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, en zowel in positieve als in negatieve zin, zijn bepalend voor de daadwerkelijke verloning met inachtneming van een minimale duur van 7 uur per 2 dienstblokken

    • Bij meer dan twee dienstblokken in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur, wordt automatisch de maxflex-regeling als bedoeld in artikel 2.1.8. van toepassing, waarbij de aanvang van de maxflex-regeling overeenkomt met de begintijd van het eerste dienstblok en de eindtijd van de maxflex-regeling overeenkomt met de eindtijd van het laatste dienstblok, met inachtneming van een minimale duur van 7 uur, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens.

    • Wanneer tussen het begin van het eerste dienstblok en het einde van het tweede dienstblok, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, meer dan 12 uur zit, geldt een toeslag van 10% over die uren waarmee de periode van 12 uur wordt overschreden.

2.1.10 Spelregels onbetaalde perioden vanaf 1 maart 2022

is aan de werkgever en de bij hem werkzame werknemers om overleg te voeren over de benodigde faciliteiten tijdens een of meerdere onbetaalde periodes waarin werknemer buiten standplaats daadwerkelijk niet ter beschikking staat van werkgever.Zodra er daadwerkelijk sprake is van een onbetaalde periode waarin werknemer niet ter beschikking staat van werkgever, staat het de werknemer vrij om te doen en laten wat deze wil. Indien een werknemer zijn onbetaalde periode vervolgens op een andere locatie wenst door te brengen, dan is de aan- en afrijtijd resp. naar en van deze andere locatie onbetaalde tijd. Het staat de werknemer niet vrij om naar eigen inzicht voor het aan- en afrijden naar deze andere locatie een voertuig te gebruiken dat toebehoort aan de werkgever.

2.1.11 Standplaats en verloonde tijd inzake huisartsenvervoer

In afwijking van het gestelde in de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.10 wordt onder standplaats verstaan: een huisartsenpost, daar waar een werknemer zijn dienst aanvangt en beëindigt.

In afwijking van het gestelde in de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.10 wordt onder verloonde tijd verstaan: alle tijd waarvoor werkgever de werknemer heeft ingeroosterd, gerekend vanaf de standplaats.

2.1.12 Taakuitvoering

De werknemer is verplicht om een voor het einde van zijn diensttijd opgedragen rit uit te voeren, tenzij op het moment van de opdracht was te voorzien dat daardoor wordt gehandeld in strijd met het Arbeidstijdenbesluit Vervoer.

2.1.13 Normering rijtijd

De rijtijd kan worden genormeerd bij zorgvervoer en taxivervoer waarbij personen behorend tot een beperkte groep volgens een schema op regelmatige tijden voor de duur van minimaal 6 maanden worden vervoerd. Normering vindt in dat geval plaats volgens de onderstaande methode:

  • a. De werkgever bepaalt in eerste instantie de normtijd.

  • b. Gedurende 14 dagen na aanvang van de werkzaamheden zal de werknemer dagelijks de tijd gemoeid met het rijden van de route noteren of via in het voertuig beschikbare meetapparatuur laten registreren.

  • c. Op basis van de uitkomsten van de onder b gehouden meting wordt de definitieve normtijd vastgesteld, schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend. De definitieve normtijd gaat onmiddellijk in. Voor de arbeidstijdberekening wordt de nieuwe normtijd gehanteerd vanaf de datum van aanvang van de procedure.

  • d. In geval van structurele wijzigingen die van invloed zijn op de tijdsduur van de vervoerroute wordt de procedure onder a t/m c herhaald.

De tijd besteed aan andere werkzaamheden, waaronder tanken en schoonmaken, wordt niet genormeerd en dient afzonderlijk als arbeidstijd te worden geteld.

Indien werkgever en/of werknemer ten aanzien van de normering rijtijd bepaald volgens bovenstaande methode niet tot overeenstemming komen, zal werkgever een tweede persoon met betreffende werknemer gedurende één dag laten meerijden. Werknemer registreert ook gedurende die dag de tijd gemoeid met het rijden van de route of laat dat via in het voertuig beschikbare meetapparatuur registreren. Werkgever en werknemer bespreken vervolgens deze resultaten en komen aan de hand daarvan tot een normtijd. Deze wordt vervolgens schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend.

2.1.14 Normering woon-werkverkeer

De werkgever en de werknemer die belast is met vervoer kunnen in overleg besluiten dat de werknemer een personenauto mee naar huis neemt. In dat geval parkeert de werknemer het voertuig in de nabijheid van zijn woning. Bij aanvang van de volgende dienst kan de werknemer dan direct over het voertuig beschikken. Op de totale diensttijd worden maximaal 15 minuten per dag in mindering gebracht zijnde maximaal 7,5 minuten tot het eerste ophaaladres voor aanvang en maximaal 7,5 minuten vanaf het laatste uitstapadres. De tijd gemoeid met woon- werkverkeer is daarmee verrekend. Indien de tijd tot het eerste ophaaladres voor aanvang en de tijd vanaf het laatste uitstapadres minder dan 7,5 minuten bedraagt dient deze (werkelijke) tijd in mindering te worden gebracht op de totale diensttijd.

2.1.15 Arbeidstijdadministratie van de werkgever

De werkgever dient een inzichtelijke en deugdelijke administratie te voeren van de dagelijkse arbeidstijd van de werknemer.

Uit deze administratie kan worden afgeleid op welke tijdstippen de dienst begint, eindigt en wordt onderbroken in die zin dat de werknemer niet ter beschikking van de werkgever staat.

Werkgever verstrekt aan werknemer per betalingsperiode een overzicht van de uren die werknemer heeft gewerkt. De werkgever maakt per betalingsperiode op dag niveau inzichtelijk wat de verloonde tijd is geweest, of er gebruik is gemaakt van de maxflex-regeling of van dienstblokken en of er correcties zijn doorgevoerd. Het inzichtelijk maken kan via een chauffeursportaal (digitaal) en/of schriftelijk. Werkgever verstrekt tevens maandelijks een overzicht van de gemaakte extra uren, het aantal vergoede extra uren, de over de gemaakte extra uren opgebouwde vakantiebijslag en opgebouwde vakantie-uren. De vorm waarin dit gebeurt, is vrij. Onder extra uren wordt verstaan: het verschil in uren tussen de uren zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst en de daarboven gemaakte uren.

2.2 Arbeidstijd niet-rijdend personeel

2.2.1 Werkweek (niet-rijdend)

Voor fulltime niet-rijdend personeel geldt een arbeidstijd van 40 uren per week, verdeeld over gemiddeld 5 dagen per week.

De parttime werknemer heeft een arbeidsovereenkomst van minder dan 40 uur per week. Het aantal overeengekomen uren moet in de arbeidsovereenkomst worden vastgelegd.

2.2.2 Arbeidstijd (niet-rijdend)

Onder arbeidstijd wordt verstaan de tijd, gelegen tussen het tijdstip waarop de dienst aanvangt en het tijdstip waarop de dienst eindigt na aftrek van de genoten pauzes.

2.2.3 Pauze (niet-rijdend)

Pauze is een tijdruimte waarmee de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en de werknemer geen enkele verplichting heeft ten aanzien van zijn werk.

2.3 Dienstrooster

De werkgever stelt het dienstrooster vast in overleg met:

  • a. de ondernemingsraad, of als die ontbreekt

  • b. de gekozen personeelskern, of als die ontbreekt

  • c. het personeel

2.3.1 Wettelijke regels voor arbeid en rust
  • a. De werkgever die een arbeids- en rusttijdenpatroon voor de bij hem werkzame werknemers vaststelt of opnieuw vaststelt, deelt dit zo tijdig mogelijk aan de werknemers mee. Met betrekking tot de tijdigheid geldt hetgeen daaromtrent bij collectieve regeling is bepaald of, indien geen collectieve regeling van toepassing is dan wel een collectieve regeling ter zake geen bepaling bevat, telkens met instemming van de betrokken werknemer is bepaald.

  • b. Indien een bepaling inzake de tijdigheid, bedoeld in de tweede zin van het eerste lid, ontbreekt, deelt de werkgever het arbeids- en rusttijdenpatroon ten minste 28 dagen van te voren aan de werknemer mee.

  • c. Indien in verband met de aard van de arbeid toepassing van het tweede lid onmogelijk is, deelt de werkgever ten minste 28 dagen van te voren aan de werknemer mee op welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 5:5 en 5:6 van de Arbeidstijdenwet (ATW), begint. Tevens maakt hij aan de werknemer ten minste 4 dagen van te voren de tijdstippen bekend waarop hij arbeid moet verrichten.

2.3.2 Langer werken door de werknemer en intrekken vrije dag
  • 1. Bij een plotselinge en onvoorziene opeenhoping van werk waarbij de werkgever in redelijkheid geen andere oplossing kan vinden, kan de werkgever verlangen dat de werknemer meer uren werkt dan het aantal uren dat is vastgelegd in zijn arbeidsovereenkomst.

  • 2. De werkgever kan na overleg met de werknemer een (on)betaalde vrije dag, niet zijnde buitengewoon verlof of een vakantieperiode, intrekken als er op die dag aantoonbaar onvoorzien sprake is van:

    • een verhoogde vraag naar vervoer en/of

    • uitval van werknemers die op die dag dienst zouden hebben.

  • 3. De werkgever geeft binnen 14 dagen een andere vrije dag terug als compensatie van de ingetrokken roostervrije dag. Als het bedrijfsbelang het toekennen van deze compensatieroostervrije dag binnen 14 dagen niet toelaat, ontvangt de werknemer voor deze dag een dagloon bij de eerstvolgende loonbetaling.

2.4 Feestdagen

Op algemeen erkende feestdagen wordt in de regel geen arbeid verricht, tenzij de werknemer volgens dienstrooster is ingedeeld voor arbeid. In overleg en met instemming van de werkgever is het voor de werknemer mogelijk algemeen erkende feestdagen om te ruilen voor niet-Nederlandse feest- en gedenkdagen. Werknemer maakt jaarlijks, voor 1 januari, schriftelijk (of per email) kenbaar of hij eventueel te werken feestdagen in tijd of in geld gecompenseerd wil hebben. Voor M.U.P.-krachten geldt de voorgaande bepaling aangaande een keuze tussen compensatie in tijd of compensatie in geld niet, en geldt in afwijking daarvan dat enkel in geld kan worden gecompenseerd.

Compensatie in geld vindt plaats op basis van het voor de betreffende werknemer geldende functieloon.

Indien werknemer niet tijdig of geen keuze kenbaar heeft gemaakt, dan geeft de werkgever binnen 14 dagen na de gewerkte feestdag een andere vrije dag terug als compensatie voor de gewerkte feestdag.

Erkende feestdagen:

  • nieuwjaarsdag

  • beide paasdagen

  • Hemelvaartsdag,

  • beide pinksterdagen

  • beide kerstdagen

  • Koningsdag

  • 5 mei (in lustrumjaren).

2.5 Collectieve regeling Atb-v/ATW

In de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atb-v) is in een aantal artikelen opgenomen dat bij collectieve regeling afgeweken kan worden van de standaardregels. Middels dit artikel wordt invulling gegeven aan die mogelijkheid om bij collectieve regeling af te wijken. In de hierna volgende leden wordt per onderwerp aangegeven welke afspraken gelden, voor zover een eventuele bestaande OR of PVT daar mee heeft ingestemd. Wanneer er geen OR of PVT aanwezig is gelden de afspraken als opgenomen in de hierna volgende leden onverkort.

2.5.1 Pauze

Gelet op artikel 5.4 lid 3 Arbeidstijdenwet, in afwijking van het gestelde in artikel 5:4 lid 2 Arbeidstijdenwet, geldt dat indien werknemers meer dan 5,5 uren arbeid per dienst verrichten, de arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 15 minuten.

2.5.2 Dagelijkse/wekelijkse rusttijd

Gelet op artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer, in afwijking van het gestelde in artikel 2.5:1 lid 3 Arbeidstijdenbesluit vervoer, hebben werknemers:

  • a. in elke aaneengesloten periode van 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 10 uren, welke rusttijd tweemaal in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren; én

  • b. in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren een rusttijd van 72 uren, die mag worden gesplitst in perioden van ten minste 24 uren.

2.5.3 Arbeidstijd

Gelet op artikel 2.5:7 lid 5 Arbeidstijdenbesluit vervoer, in afwijking van het gestelde in artikel 2.5:7 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer, geldt dat de werknemers in elke periode van 26 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid verrichten.

2.5.4 Nachtarbeid
  • 1. Gelet op artikel 2.5:4 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer, in afwijking van het gestelde in artikel 2.5:4 lid 3 Arbeidstijdenbesluit vervoer, geldt dat werknemers van de ondernemer onbeperkt nachtarbeid kunnen verricht.

  • 2. De werkgever dient er voor zorg te dragen dat elke individuele werknemer aantoonbaar instemt met het gestelde in lid 1.

2.5.5 Arbeid op zondag
  • 1. : de aard van de arbeid in de taxisector is zodanig dat gewerkt dient te worden op zondagen, en dat werknemers van de werkgever als gevolg daarvan verplicht kunnen worden om zondagsarbeid te verrichten.

  • 2. Het gestelde in lid 1 leidt ertoe dat op grond van artikel 5:6 lid 3 Arbeidstijdenwet, inzet van werknemers van de werkgever op 39 zondagen in elke periode van 52 aaneengesloten weken kan geschieden zonder dat voor elk afzonderlijk geval de individuele instemming van de werknemer vereist is.

  • 3. Indien de werkgever werknemers na de in lid 2 van dit artikel genoemde 39 zondagen in elke periode van 52 aaneengesloten weken wil inzetten, dan is dat tevens toegestaan, maar zal de werknemer in kwestie telkens individueel daarmee aantoonbaar moeten instemmen.

HOOFDSTUK 3 INSCHALING EN BELONING

3.1 Definitie ervaringsjaar en dienstjaar

3.1.1 Ervaringsjaar

Een ervaringsjaar is ieder vol jaar waarin een werknemer van 21 jaar of ouder in deze bedrijfstak, op basis van een arbeidsovereenkomst, in een soortgelijke functie heeft gewerkt als de functie waarvoor hij wordt aangesteld.

Indien de werknemer heeft gewerkt op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden voor de vaststelling van het aantal ervaringsjaren de tijdvakken van de afzonderlijke arbeidsovereenkomsten bij elkaar geteld.

Voor M.U.P.-krachten geldt dat de opgebouwde ervaring voor 1 maart 2003 niet meetelt.

De bewijslast van het aantal ervaringsjaren ligt bij werknemer. Deze kan door gebruik te maken van ingangsdatum chauffeurskaart, pensioenfondsgegevens, vorige loonstroken of oude arbeidsovereenkomsten bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoeveel ervaringsjaren hij/zij heeft.

3.1.2 Dienstjaar

Een dienstjaar is ieder vol jaar dat de werknemer in dienst is van de werkgever.

Als de werknemer werkte op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en de arbeidsovereenkomsten elkaar binnen 3 maanden hebben opgevolgd, worden voor de vaststelling van het aantal dienstjaren de tijdvakken van de afzonderlijke arbeidsovereenkomsten bij elkaar geteld.

3.2 Inschaling rijdend personeel

3.2.1 Inschaling rijdend personeel ingeval van opvolgend werkgever per 1 januari 2021

Werknemers die in geval van opvolgend werkgever vanaf 1 januari 2021 overgaan behouden de door hen opgebouwde ervaringsjaren (vastgesteld conform de bepalingen onder artikel 3.2.3). Bij indiensttreding wordt door werkgever en werknemer onderstaand formulier ingevuld, aan de hand waarvan werkgever en werknemer bepalen of er sprake is van opvolgend werkgever of niet (in dat laatste geval geldt artikel 3.2.2). Dit formulier wordt door werkgever en werknemer ondertekend en gedateerd en in het personeelsdossier van betreffende werknemer bewaard. In verband met controle op juiste inschaling kan SFM inzage verlangen in het door werkgever en werknemer ondertekende formulier.

In geval van overgang van onderneming (ook wel bedrijfsovername genoemd) zullen op grond van artikel 7:663 BW de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst met een werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijgende werkgever.

Formulier Inschaling in geval van opvolgend werkgever:

Werknemer zal per datum ..... (invullen) in dienst treden bij werkgever. Teneinde te bepalen of de door werknemer opgedane ervaring in de taxisector al dan niet van invloed is op de inschaling bij werkgever, dient aangekruist te worden welke van de onderstaande situatie van toepassing is, en dient vastgesteld te worden tot welke inschaling dat leidt, waarna het formulier door zowel werknemer als werkgever dient te worden ondertekend.

DEEL I

(aankruisen hetgeen van toepassing is)

[ ] 1)

De vorige werkgever van werknemer is failliet geraakt waarna het failliete bedrijf door werkgever is doorgestart; werkgever heeft het door de vorige werkgever gesloten vervoerscontract geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het faillissement, werknemer verricht bij werkgever soortgelijk werk als bij de vorige werkgever, en werknemer is niet op eigen initiatief bij werkgever in dienst getreden, maar als gevolg van een aanleiding aan de kant van werkgever of de vorige werkgever; de overgang naar werkgever is een gevolg van een situatie die voortvloeit uit het handelen van één of beide werkgevers; werknemer heeft het werk dat over is gegaan van de oude werkgever naar werkgever, gevolgd;

[ ] 2)

Werknemer was eerst via een uitzendonderneming bij werkgever werkzaam, en is vervolgens, binnen zes maanden na beëindiging van die uitzendwerkzaamheden, rechtstreeks bij werkgever in dienst getreden, terwijl werknemer bij werkgever soortgelijke werkzaamheden zal verrichten als de werkzaamheden die op uitzendbasis werden verricht.

[ ] 3)

Werknemer was eerst rechtstreeks bij werkgever in dienst en is vervolgens binnen zes maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst via een uitzendonderneming opnieuw bij werkgever werkzaam, terwijl werknemer via de uitzendonderneming bij werkgever soortgelijke werkzaamheden zal verrichten als de werkzaamheden die op basis van de arbeidsovereenkomst bij werkgever werden verricht.

[ ] 4)

Werknemer gaat in concern/groepsverband op initiatief van werkgever over van één vennootschap naar een andere vennootschap, terwijl de door werknemer uit te voeren werkzaamheden niet wijzigen, of soortgelijk zijn aan de eerder uitgevoerde werkzaamheden;

[ ] 5)

Werknemer is werkzaam ten behoeve van een vervoerscontract, treedt niet op eigen initiatief uit dienst bij zijn oude werkgever, aanvaardt een dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever, en blijft in dat kader werkzaam ten behoeve van hetzelfde vervoerscontract.

[ ] 6)

Werknemer is werkzaam bij werkgever en treedt binnen zes maanden na het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opnieuw bij werkgever in dienst.

[ ] 7)

Werknemer is werkzaam bij werkgever en treedt binnen zes maanden na het einde van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, opnieuw bij werkgever in dienst.

[ ] 8)

Werknemer is werkzaam bij een werkgever, en verricht werkzaamheden in het kader van een specifiek vervoerscontract. Het vervoerscontract wordt via onderhandse gunning, of anderszins, maar in elk geval niet via een aanbestedingsprocedure als bedoeld in artikel 1.8 van de CAO Zorgvervoer en Taxi, overgenomen door de -nieuwe- werkgever. Werknemer verricht bij de nieuwe werkgever soortgelijk werk als bij de vorige werkgever, en werknemer is niet op eigen initiatief bij de nieuwe werkgever in dienst getreden, maar als gevolg van een aanleiding aan de kant van de nieuwe werkgever of de vorige werkgever; de overgang naar werkgever is een gevolg van een situatie die voortvloeit uit het handelen van één of beide werkgevers; werknemer heeft het werk dat is over is gegaan van de oude werkgever naar de nieuwe werkgever, gevolgd;

[ ] 9)

Werknemer komt bij werkgever in dienst als gevolg van artikel 1.8 van de CAO Zorgvervoer en Taxi deel uitmakende regeling Overgang personeel bij overgang vervoerscontracten en regeling Overgang personeel bij overgang contractwisseling;

[ ] 10)

Geen van de bovenstaande situaties is van toepassing;

DEEL II

(aankruisen hetgeen van toepassing is)

[ ] (in geval één van de punten 1 t/m 8 van Deel I is aangekruist)

Partijen bepalen op basis van door de werknemer aangeleverde informatie dat er sprake is van …… ervaringsjaren, met inschaling in loontrede ..... per ..... tot gevolg;

[ ] (in geval punt 9 van Deel I is aangekruist)

Partijen bepalen op basis van door werknemer aangeleverde laatste loonstrook dat werknemer bij zijn voorgaande werkgever € ... als laatstverdiend bruto uurloon genoot. Partijen stellen vast dat er op grond van artikel 3.6.2 of 3.11.2 er wel of geen* tredeverhoging moet worden toegepast. Indien werknemer nog recht heeft op een tredeverhoging en de hoogte van het laatstverdiende bruto uurloon tussen twee tredes in het loongebouw rijdend of niet-rijdend valt, wordt de werknemer minimaal ingeschaald in de naasthogere trede. De werknemer zal bij werkgever per ..... worden ingeschaald in loontrede .....;

[ ] (in geval punt 10 van Deel I is aangekruist)

Partijen stellen op grond van het vorenstaande vast dat werknemer vrij kan worden ingeschaald, en komen in dat kader in onderling overleg overeen dat werknemer per ..... ingeschaald wordt in loontrede ...

*: doorhalen wat niet van toepassing is

Aldus vastgesteld, overeengekomen en in tweevoud ondertekend op ……………. (datum invullen) te ……………. (plaats)

Naam werkgever

naam werknemer

DIT FORMULIER IS UITSLUITEND EN ALLEEN BEDOELD TER BEPALING VAN DE INSCHALING CONFORM DE CAO ZORGVERVOER EN TAXI; HET FORMULIER GEEFT GEEN INVULLING OF NADERE INVULLING AAN HET BEGRIP OPVOLGEND WERKGEVERSCHAP ZOALS DAT VOORTVLOEIT UIT DE WET, ER KUNNEN DIENAANGAANDE DAN OOK GEEN RECHTEN AAN WORDEN ONTLEEND.

3.2.2 Inschaling rijdend personeel bij geen opvolgend werkgever

Het aan werkgever en werknemer om in onderling overleg te bepalen in welke trede van de loontabel een nieuwe werknemer wordt ingeschaald. Eventuele ervaring (bijvoorbeeld uitgedrukt in ervaringsjaren die een werknemer in de bedrijfstak, op basis van een arbeidsovereenkomst, in een soortgelijke functie heeft gewerkt als de functie waarvoor hij wordt aangesteld) opgedaan in de bedrijfstak is niet meer dwingend bepalend voor inschaling in de loontabel. Werkgever en werknemer zijn vrij om zelf te bepalen in welke trede van de loontabel een nieuwe werknemer wordt ingeschaald.

Voor de ‘chauffeur contractvervoer beperkt’ (uitsluitend als zodanig werkzaam) wordt het maximum gesteld op loontrede 10. Nadat deze chauffeur op ander werk is ingezet, zal wel doorgroei naar de hoogste trede in de loonschaal plaatsvinden, met ingang van 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

Onder 'chauffeur contractvervoer beperkt' wordt verstaan een chauffeur die zorgvervoer en taxivervoer verricht waarbij personen behorend tot een vaste groep volgens een schema op regelmatige tijden worden vervoerd.

De ‘chauffeur straattaxi’ wordt in verband met inkomsten uit fooien, op een lager maximum in de schaal gezet, te weten maximaal trede 8. Dit geldt alleen voor chauffeurs die uitsluitend (dus 100% van hun arbeidstijd) als zodanig werkzaam zijn. Nadat deze chauffeur op ander werk is ingezet, zal wel doorgroei naar de hoogste trede in de loonschaal plaatsvinden, met ingang van 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

Onder de term straattaxi in het begrip 'chauffeur straattaxi' wordt verstaan het vervoer per taxi waarbij niet uitsluitend voor gedurende een bepaalde periode meermalen te verrichten vervoer waarvoor schriftelijk in een overeenkomst tarieven zijn vastgelegd, wordt verricht.

3.2.3 Inschaling rijdend personeel in geval van toepassing artikel 3.2.1

Dit artikel is alleen van toepassing indien er conform artikel 3.2.1 sprake is van opvolgend werkgever.

Voor de ‘chauffeur contractvervoer beperkt’ (uitsluitend als zodanig werkzaam) wordt het maximum gesteld op loontrede 10. Nadat deze chauffeur op ander werk is ingezet, zal wel doorgroei naar de hoogste trede in de loonschaal plaatsvinden, met ingang van 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

Onder 'chauffeur contractvervoer beperkt' wordt verstaan een chauffeur die zorgvervoer en taxivervoer verricht waarbij personen behorend tot een vaste groep volgens een schema op regelmatige tijden worden vervoerd.

De ‘chauffeur straattaxi’ wordt in verband met inkomsten uit fooien, op een lager maximum in de schaal gezet, te weten maximaal trede 8. Dit geldt alleen voor chauffeurs die uitsluitend (dus 100% van hun arbeidstijd) als zodanig werkzaam zijn. Nadat deze chauffeur op ander werk is ingezet, zal wel doorgroei naar de hoogste trede in de loonschaal plaatsvinden, met ingang van 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

Onder de term straattaxi in het begrip 'chauffeur straattaxi' wordt verstaan het vervoer per taxi waarbij niet uitsluitend voor gedurende een bepaalde periode meermalen te verrichten vervoer waarvoor schriftelijk in een overeenkomst tarieven zijn vastgelegd, wordt verricht.

A. Inschaling personeel tot en met 20 jaar

Werknemers t/m 20 jaar worden ingeschaald in de loontrede 2. Gelet op artikel 3.1.1 bouwt een werknemer t/m 20 jaar namelijk geen ervaringsjaren op.

B. Inschaling personeel (21 jaar en ouder) zonder ervaring.

Werknemer (21 jaar en ouder) die zonder ervaring vanaf januari 2010 de taxibranche instroomt, wordt minimaal ingeschaald in loontrede 2 uit de loontabel.

C. Inschaling personeel (21 jaar en ouder) met ervaring die voor 2010 al in de branche werkzaam was.

  • Ervaringsjaren van een werknemer die 3 jaar of langer niet meer in de branche werkzaam is geweest, tellen niet mee (althans de ervaringsjaren voor de periode van 3 jaar of meer dat werknemer niet meer in de branche werkte). Het is aan werkgever en werknemer om in gezamenlijk overleg te bepalen of en in welke mate toch rekening wordt gehouden met de opgedane ervaring (van voor de 3 jaar periode) en op welke trede de werknemer dan wordt ingeschaald. De ervaringsjaren daarna tellen wel mee.

  • Bij een werknemer die vanaf 2010 van werkgever verandert moet de nieuwe werkgever rekening houden met de ervaringsjaren van deze werknemer, volgens onderstaande methode:

    • Bepaal met behulp van de inschalingsmatrix (artikel 3.7 (op basis van t/m 2009 behaalde diploma’s)) de loonschaal waarin de werknemer moet worden ingeschaald.

    • Bepaal het aantal ervaringsjaren waar rekening mee gehouden moet worden.

    • Het aantal ervaringsjaren correspondeert met het tredenummer in de loonschaal juli 2009.

    • Nu is bekend welke loonschaal (A t/m D) en welk tredenummer van toepassing is op deze werknemer.

      Loontabel juli 2009 rijdend personeel
         

      A

       

      B

       

      C

       

      D

       

      leeftijd

      loontrede

      maandloon

      uurloon

      maandloon

      uurloon

      maandloon

      uurloon

      maandloon

      uurloon

      18 jaar

      0

      699,28

      4,03

      709,13

      4,10

      712,42

      4,11

      725,59

      4,18

      19 jaar

      0

      806,85

      4,66

      818,24

      4,72

      822,04

      4,74

      837,24

      4,83

      20 jaar

      0

      945,16

      5,46

      958,52

      5,54

      962,97

      5,56

      980,75

      5,66

      21 jaar

      0

      1.114,22

      6,43

      1.129,78

      6,52

      1.135,19

      6,55

      1.156,17

      6,68

      22 jaar

      0

      1.306,32

      7,54

      1.324,77

      7,65

      1.330,92

      7,68

      1.355,51

      7,83

      0/3 mnd

      0

      1.491,52

      8,60

      1.513,23

      8,73

      1.520,46

      8,78

      1.549,39

      8,94

      4/12 mnd

      0

      1.536,85

      8,87

      1.558,56

      8,99

      1.565,78

      9,03

      1.594,72

      9,20

       

      1

      1.552,13

      8,96

      1.573,84

      9,08

      1.581,07

      9,12

      1.610,01

      9,29

       

      2

      1.567,90

      9,04

      1.588,83

      9,17

      1.595,81

      9,21

      1.625,29

      9,38

       

      3

      1.583,65

      9,13

      1.603,81

      9,25

      1.611,64

      9,30

      1.640,56

      9,47

       

      4

      1.599,42

      9,23

      1.618,80

      9,34

      1.625,27

      9,38

      1.655,84

      9,55

       

      5

      1.628,56

      9,40

      1.650,27

      9,52

      1.657,50

      9,56

      1.685,89

      9,73

       

      6

      1.662,95

      9,60

      1.679,85

      9,70

      1.685,49

      9,73

      1.714,82

      9,90

       

      7

      1.685,49

      9,73

      1.707,50

      9,85

      1.714,82

      9,90

      1.743,76

      10,06

       

      8

      1.736,53

      10,02

      1.743,76

      10,06

      1.772,69

      10,23

       

      9

      1.801,63

      10,40

       

      10

      1.829,47

      10,56

       

      11

      1.859,49

      10,73

       

      12

      1.888,44

      10,89

    • Neem het maandloon uit deze loontabel en zoek in onderstaande overschalingstabel het naast hogere maandloon op.

    • Nu is bekend welk tredenummer op deze werknemer van toepassing is

      Overschalingstabel rijdend personeel
       

      loontrede

      maandloon

      uurloon

       

      0 t/m 4 mnd

      1

      1.515,00

      8,74

       

      5 t/m 12 mnd

      2

      1.550,00

      8,94

       
       

      3

      1.585,00

      9,15

       
       

      4

      1.620,00

      9,35

       
       

      5

      1.655,00

      9,55

       
       

      6

      1.690,00

      9,75

       
       

      7

      1.725,00

      9,95

       
       

      8

      1.760,00

      10,16

      Max. trede chauffeur straattaxi

       

      9

      1.795,00

      10,36

       
       

      10

      1.830,00

      10,56

      Max. trede chauffeur contractvervoer beperkt

       

      11

      1.865,00

      10,76

       
       

      12

      1.900,00

      10,96

    • Zoek in de loontabel die geldt op het moment dat de werknemer bij de nieuwe werkgever in dienst treedt aan de hand van het hierboven vastgesteld tredenummer het juiste maandloon op.

    • NB: Indien werknemer (21 jaar en ouder) met ervaring bij een nieuwe werkgever uitsluitend ‘chauffeur straattaxi’ of ‘chauffeur contractvervoer beperkt’ zal zijn, hoeft deze werknemer niet hoger dan op resp. trede 8 of trede 10 ingeschaald te worden, ook al was hij bij een vorige werkgever hoger ingeschaald.

D. Inschaling personeel (21 jaar en ouder) met ervaring vanaf 2010

Bij inschaling van nieuw personeel (21 jaar en ouder) moet de werkgever rekening houden met eerder opgebouwde ervaring. De werknemer komt in de loonschaal op de loontrede die hoort bij zijn ervaring die hij heeft opgebouwd in de bedrijfstak.

E. Inschaling personeel (21 jaar en ouder) vanaf 1 januari 2014, die al voor 2010 in de branche werkzaam was

  • Ervaringsjaren van een werknemer die 3 jaar of langer niet meer in de branche werkzaam is geweest, tellen niet mee (althans de ervaringsjaren voor de periode van 3 jaar of meer dat werknemer niet meer in de branche werkte). Het is aan werkgever en werknemer om in gezamenlijk overleg te bepalen of en in welke mate toch rekening wordt gehouden met de opgedane ervaring (van voor de 3 jaar periode) en op welke trede de werknemer dan wordt ingeschaald. De ervaringsjaren daarna tellen wel mee.

  • Bij een werknemer die vanaf 2014 van werkgever verandert moet de nieuwe werkgever rekening houden met de ervaringsjaren van deze werknemer, volgens onderstaande methode:

    • Bepaal met behulp van de inschalingsmatrix (artikel 3.7 (op basis van t/m 2009 behaalde diploma’s)) de loonschaal waarin de werknemer moet worden ingeschaald.

    • Bepaal het aantal ervaringsjaren dat werknemer heeft op 31 december 2009.

    • Het aantal ervaringsjaren correspondeert met het tredenummer in de loonschaal juli 2009.

    • Nu is bekend welke loonschaal (A t/m D) en welk tredenummer van toepassing is op deze werknemer.

      Loontabel juli 2009 rijdend personeel
         

      A

       

      B

       

      C

       

      D

       

      leeftijd

      loontrede

      maandloon

      uurloon

      maandloon

      uurloon

      maandloon

      uurloon

      maandloon

      uurloon

      18 jaar

      0

      699,28

      4,03

      709,13

      4,10

      712,42

      4,11

      725,59

      4,18

      19 jaar

      0

      806,85

      4,66

      818,24

      4,72

      822,04

      4,74

      837,24

      4,83

      20 jaar

      0

      945,16

      5,46

      958,52

      5,54

      962,97

      5,56

      980,75

      5,66

      21 jaar

      0

      1.114,22

      6,43

      1.129,78

      6,52

      1.135,19

      6,55

      1.156,17

      6,68

      22 jaar

      0

      1.306,32

      7,54

      1.324,77

      7,65

      1.330,92

      7,68

      1.355,51

      7,83

      0/3 mnd

      0

      1.491,52

      8,60

      1.513,23

      8,73

      1.520,46

      8,78

      1.549,39

      8,94

      4/12 mnd

      0

      1.536,85

      8,87

      1.558,56

      8,99

      1.565,78

      9,03

      1.594,72

      9,20

       

      1

      1.552,13

      8,96

      1.573,84

      9,08

      1.581,07

      9,12

      1.610,01

      9,29

       

      2

      1.567,90

      9,04

      1.588,83

      9,17

      1.595,81

      9,21

      1.625,29

      9,38

       

      3

      1.583,65

      9,13

      1.603,81

      9,25

      1.611,64

      9,30

      1.640,56

      9,47

       

      4

      1.599,42

      9,23

      1.618,80

      9,34

      1.625,27

      9,38

      1.655,84

      9,55

       

      5

      1.628,56

      9,40

      1.650,27

      9,52

      1.657,50

      9,56

      1.685,89

      9,73

       

      6

      1.662,95

      9,60

      1.679,85

      9,70

      1.685,49

      9,73

      1.714,82

      9,90

       

      7

      1.685,49

      9,73

      1.707,50

      9,85

      1.714,82

      9,90

      1.743,76

      10,06

       

      8

      1.736,53

      10,02

      1.743,76

      10,06

      1.772,69

      10,23

       

      9

      1.801,63

      10,40

       

      10

      1.829,47

      10,56

       

      11

      1.859,49

      10,73

       

      12

      1.888,44

      10,89

    • Neem het maandloon uit deze loontabel en zoek in onderstaande overschalingstabel het naast hogere maandloon op.

    • Nu is bekend welk tredenummer op deze werknemer van toepassing is

      Overschalingstabel rijdend personeel

       

      loontrede

      maandloon

      uurloon

       

      0 t/m 4 mnd

      1

      1.515,00

      8,74

       

      5 t/m 12 mnd

      2

      1.550,00

      8,94

       
       

      3

      1.585,00

      9,15

       
       

      4

      1.620,00

      9,35

       
       

      5

      1.655,00

      9,55

       
       

      6

      1.690,00

      9,75

       
       

      7

      1.725,00

      9,95

       
       

      8

      1.760,00

      10,16

      Max. trede chauffeur straattaxi

       

      9

      1.795,00

      10,36

       
       

      10

      1.830,00

      10,56

      Max. trede chauffeur contractvervoer beperkt

       

      11

      1.865,00

      10,76

       
       

      12

      1.900,00

      10,96

    • Bepaal de ervaring die werknemer heeft opgedaan vanaf 2010 tot aan het moment van in dienst treden. Werkgever heeft rekening te houden met deze opgebouwde ervaring. De werknemer komt in de loonschaal op de loontrede die hoort bij zijn ervaring die hij heeft opgebouwd in de bedrijfstak.

    • Zoek in de loontabel die geldt op het moment dat de werknemer bij de nieuwe werkgever in dienst treedt aan de hand van het hierboven vastgesteld tredenummer het juiste maandloon op.

    • NB: Indien werknemer (21 jaar en ouder) met ervaring bij een nieuwe werkgever uitsluitend ‘chauffeur straattaxi’ of ‘chauffeur contractvervoer beperkt’ zal zijn, hoeft deze werknemer niet hoger dan op resp. trede 8 of trede 10 ingeschaald te worden, ook al was hij bij een vorige werkgever hoger ingeschaald.

3.3 Inschaling niet-rijdend personeel

3.3.1 Inschaling niet-rijdend personeel in geval van opvolgend werkgever per 1 januari 2021

Werknemers die in geval van opvolgend werkgever vanaf 1 januari 2021 overgaan behouden de door hen opgebouwde ervaringsjaren (vastgesteld conform de bepaling onder artikel 3.3.3). Bij indiensttreding wordt door werkgever en werknemer onderstaand formulier ingevuld, aan de hand waarvan werkgever en werknemer bepalen of er sprake is van opvolgend werkgever of niet (in dat laatste geval geldt artikel 3.3.2). Dit formulier wordt door werkgever en werknemer ondertekend en gedateerd en in het personeelsdossier van betreffende werknemer bewaard. In verband met controle op juiste inschaling kan SFM inzage verlangen in het door werkgever en werknemer ondertekende formulier.

In geval van overgang van onderneming (ook wel bedrijfsovername genoemd) zullen op grond van artikel 7:663 BW de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst met een werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijgende werkgever.

Formulier Inschaling in geval van opvolgend werkgever:

Werknemer zal per datum ..... (invullen) in dienst treden bij werkgever. Teneinde te bepalen of de door werknemer opgedane ervaring in de taxisector al dan niet van invloed is op de inschaling bij werkgever, dient aangekruist te worden welke van de onderstaande situatie van toepassing is, en dient vastgesteld te worden tot welke inschaling dat leidt, waarna het formulier door zowel werknemer als werkgever dient te worden ondertekend.

DEEL I

(aankruisen hetgeen van toepassing is)

[ ] 1)

De vorige werkgever van werknemer is failliet geraakt waarna het failliete bedrijf door werkgever is doorgestart; werkgever heeft het door de vorige werkgever gesloten vervoerscontract geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het faillissement, werknemer verricht bij werkgever soortgelijk werk als bij de vorige werkgever, en werknemer is niet op eigen initiatief bij werkgever in dienst getreden, maar als gevolg van een aanleiding aan de kant van werkgever of de vorige werkgever; de overgang naar werkgever is een gevolg van een situatie die voortvloeit uit het handelen van één of beide werkgevers; werknemer heeft het werk dat over is gegaan van de oude werkgever naar werkgever, gevolgd;

[ ] 2)

Werknemer was eerst via een uitzendonderneming bij werkgever werkzaam, en is vervolgens, binnen zes maanden na beëindiging van die uitzendwerkzaamheden, rechtstreeks bij werkgever in dienst getreden, terwijl werknemer bij werkgever soortgelijke werkzaamheden zal verrichten als de werkzaamheden die op uitzendbasis werden verricht.

[ ] 3)

Werknemer was eerst rechtstreeks bij werkgever in dienst en is vervolgens binnen zes maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst via een uitzendonderneming opnieuw bij werkgever werkzaam, terwijl werknemer via de uitzendonderneming bij werkgever soortgelijke werkzaamheden zal verrichten als de werkzaamheden die op basis van de arbeidsovereenkomst bij werkgever werden verricht.

[ ] 4)

Werknemer gaat in concern/groepsverband op initiatief van werkgever over van één vennootschap naar een andere vennootschap, terwijl de door werknemer uit te voeren werkzaamheden niet wijzigen, of soortgelijk zijn aan de eerder uitgevoerde werkzaamheden;

[ ] 5)

Werknemer is werkzaam ten behoeve van een vervoerscontract, treedt niet op eigen initiatief uit dienst bij zijn oude werkgever, aanvaardt een dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever, en blijft in dat kader werkzaam ten behoeve van hetzelfde vervoerscontract.

[ ] 6)

Werknemer is werkzaam bij werkgever en treedt binnen zes maanden na het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opnieuw bij werkgever in dienst.

[ ] 7)

Werknemer is werkzaam bij werkgever en treedt binnen zes maanden na het einde van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, opnieuw bij werkgever in dienst.

[ ] 8)

Werknemer is werkzaam bij een werkgever, en verricht werkzaamheden in het kader van een specifiek vervoerscontract. Het vervoerscontract wordt via onderhandse gunning, of anderszins, maar in elk geval niet via een aanbestedingsprocedure als bedoeld in artikel 1.8 van de CAO Zorgvervoer en Taxi, overgenomen door de -nieuwe- werkgever. Werknemer verricht bij de nieuwe werkgever soortgelijk werk als bij de vorige werkgever, en werknemer is niet op eigen initiatief bij de nieuwe werkgever in dienst getreden, maar als gevolg van een aanleiding aan de kant van de nieuwe werkgever of de vorige werkgever; de overgang naar werkgever is een gevolg van een situatie die voortvloeit uit het handelen van één of beide werkgevers; werknemer heeft het werk dat is over is gegaan van de oude werkgever naar de nieuwe werkgever, gevolgd;

[ ] 9)

Werknemer komt bij werkgever in dienst als gevolg van artikel 1.8 van de CAO Zorgvervoer en Taxi deel uitmakende regeling Overgang personeel bij overgang vervoerscontracten en regeling Overgang personeel bij contractwisseling;

[ ] 10)

Geen van de bovenstaande situaties is van toepassing;

DEEL II

(aankruisen hetgeen van toepassing is)

[ ] (in geval één van de punten 1 t/m 8 van Deel I is aangekruist)

Partijen bepalen op basis van door de werknemer aangeleverde informatie dat er sprake is van …… ervaringsjaren, met inschaling in loontrede ..... per ..... tot gevolg;

[ ] (in geval punt 9 van Deel I is aangekruist)

Partijen bepalen op basis van door werknemer aangeleverde laatste loonstrook dat werknemer bij zijn voorgaande werkgever €.... als laatstverdiend bruto uurloon genoot. Partijen stellen vast dat er op grond van artikel 3.6.2 of 3.11.2 er wel of geen* tredeverhoging moet worden toegepast. Indien werknemer nog recht heeft op een tredeverhoging en de hoogte van het laatstverdiende bruto uurloon tussen twee tredes in het loongebouw rijdend of niet-rijdend valt, wordt de werknemer minimaal ingeschaald in de naasthogere trede. De werknemer zal bij werkgever per ..... worden ingeschaald in loontrede .....;

[ ] (in geval punt 10 van Deel I is aangekruist)

Partijen stellen op grond van het vorenstaande vast dat werknemer vrij kan worden ingeschaald, en komen in dat kader in onderling overleg overeen dat werknemer per ..... ingeschaald wordt in loontrede .....

*: doorhalen wat niet van toepassing is

Aldus vastgesteld, overeengekomen en in tweevoud ondertekend op ……………. (datum invullen) te ……………. (plaats)

Naam werkgever

naam werknemer

DIT FORMULIER IS UITSLUITEND EN ALLEEN BEDOELD TER BEPALING VAN DE INSCHALING CONFORM DE CAO ZORGVERVOER EN TAXI; HET FORMULIER GEEFT GEEN INVULLING OF NADERE INVULLING AAN HET BEGRIP OPVOLGEND WERKGEVERSCHAP ZOALS DAT VOORTVLOEIT UIT DE WET, ER KUNNEN DIENAANGAANDE DAN OOK GEEN RECHTEN AAN WORDEN ONTLEEND.

3.3.2 Inschaling niet-rijdend personeel bij geen opvolgend werkgever

Werknemers t/m 20 jaar worden ingeschaald in de loontrede behorend bij hun leeftijd. Met ingang van de maand waarin zij jarig zijn stromen zij door naar de volgende trede. Het artikel over tredeverhoging is voor hen niet van toepassing. De werknemer die 21 jaar oud wordt, stroomt door naar de loontrede van 4-12 maanden uit de loontabel.

Werknemer (21 jaar en ouder) die bij een werkgever in dienst treedt, wordt ingeschaald in de geldende loontabel niet-rijdend personeel in de loontrede die werknemer en werkgever bij het in dienst treden met elkaar zijn overeengekomen.

Het is aan werkgever en werknemer (van 21 jaar en ouder) om in onderling overleg te bepalen in welke trede van de loontabel een nieuwe werknemer wordt ingeschaald. Eventuele ervaring (bijvoorbeeld uitgedrukt in ervaringsjaren die een werknemer in de bedrijfstak, op basis van een arbeidsovereenkomst, in een soortgelijke functie heeft gewerkt als de functie waarvoor hij wordt aangesteld) opgedaan in de bedrijfstak is niet meer dwingend bepalend voor inschaling in de loontabel. Werkgever en nieuwe werknemer zijn vrij om zelf te bepalen in welke trede van de loontabel een werknemer wordt ingeschaald.

3.3.3 Inschaling niet-rijdend personeel in geval van toepassing artikel 3.3.1

Dit artikel is alleen van toepassing indien er conform artikel 3.3.1 sprake is van opvolgend werkgever.

Werknemers t/m 20 jaar worden ingeschaald in de loontrede behorend bij hun leeftijd. Met ingang van de maand waarin zij jarig zijn stromen zij door naar de volgende trede. Het artikel over tredeverhoging is voor hen niet van toepassing. De werknemer die 21 jaar oud wordt, stroomt door naar de loontrede van 4-12 maanden uit de loontabel.

Bij inschaling van werknemers van 21 jaar en ouder moet de werkgever rekening houden met eerder opgebouwde ervaring. De werknemer komt in de loonschaal op de loontrede die hoort bij zijn ervaring die hij heeft opgebouwd in de bedrijfstak. Gelet op artikel 3.1.1 bouwt een werknemer tot en met 20 jaar geen ervaringsjaren op.

Deze inschalingsafspraak houdt het volgende in:

  • Werknemer van 21 jaar en ouder die zonder ervaring vanaf januari 2010 de taxibranche instroomt, wordt minimaal ingeschaald in de loontrede 0-3 maanden uit de loontabel.

  • Voor een werknemer van 21 jaar en ouder die met ervaring vanaf januari 2010 de taxibranche instroomt, moet een werkgever rekening houden met het aantal ervaringsjaren dat deze werknemer heeft. Het aantal ervaringsjaren correspondeert met het loontrede nummer uit de loontabel.

3.4 Loonbetaling

Hoofdregel:

De werkgever zorgt ervoor dat de werknemer uiterlijk op de eerste dag na afloop van de betalingsperiode over zijn loon kan beschikken. Onder loon wordt in dit geval verstaan, het aantal uren dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde uurloon waar werknemer, conform deze CAO, recht op heeft.

Voor M.U.P.-krachten geldt dat zij gedurende de eerste 6 maanden van hun contract uiterlijk op de laatste dag van de volgende betalingsperiode kunnen beschikken over hun loon. Na deze 6 maanden worden de contractueel overeengekomen uren aan het eind van de betreffende betalingsperiode betaald.

Variabele loonbestanddelen, waaronder eventuele extra uren, worden uiterlijk in de maand na de betreffende betalingsperiode vergoed, tenzij overeenkomstig het gestelde in de artikelen 3.12.2 en 3.12.3 meer- en overuren, afhankelijk van de in genoemde artikelen opgenomen keuzes, op een ander moment worden vergoed.

Indien een werkgever een voertuig en werknemer om niet ter beschikking stelt in geval van sponsoring, waarbij er een verklaring wordt getekend door zowel werkgever als de betrokken werknemer dat het hierbij inderdaad gaat om een belangeloze inzet van de werknemer, dan hoeft werkgever voor deze inzet geen loon uit te betalen.

3.4.1 Loonspecificatie

De werkgever verstrekt per betalingsperiode van een kalenderweek, 4 weken, maand of kalenderkwartaal een loonspecificatie.

De specificatie wordt uiterlijk in de volgende betalingsperiode verstrekt.

Op de specificatie staan naast de door de werkgever gewenste vermeldingen, in elk geval – voor zover van toepassing – de navolgende bestanddelen:

  • Aard van het dienstverband (tijdelijk of vast);

  • Overeengekomen arbeidsduur;

  • Functieloon;

  • Dienst-/ervaringsjaren;

  • Meer- en overuren;

  • Toeslagen, waaronder OV ORT, HAP (indien van toepassing);

  • Vakantiedagen (indien geen apart overzicht wordt verstrekt);

  • Inhoudingen voor:

  • ondernemings- of bedrijfstakpensioenfonds;

  • loonheffing;

  • sociaal fonds;

  • wachtdagen;

  • WGA premie.

Werkgever verstrekt per betalingsperiode aan werknemer een overzicht van de verloonde uren op dagbasis en of er gebruik is gemaakt van de maxflex-regeling of van dienstblokken. en of er correcties zijn doorgevoerd. Deze specificatie maakt inzichtelijk hoe werkgever tot het verloonde aantal uren op dagbasis is gekomen.

3.5 Lonen rijdend personeel

De lonen gelden voor een arbeidstijd van 40 uren per week, verdeeld over gemiddeld 5 dagen per week.

Onder rijdend personeel wordt verstaan alle werknemers die in het bezit zijn van een geldige chauffeurskaart en een personenauto (motorvoertuig ingericht om naast de bestuurder maximaal 8 personen te vervoeren) besturen in opdracht van de werkgever. Dit laat onverlet dat rijdend personeel zo nodig ook andere met de chauffeursfunctie samenhangende werkzaamheden dient te verrichten.

Loontabel per rijdend personeel (inclusief 2,5% loonsverhoging)

loontrede

maandloon

uurloon

categorie chauffeurs

3

€ 2.110,27

€ 12,17

 

4

€ 2.156,87

€ 12,44

 

5

€ 2.203,45

€ 12,71

 

6

€ 2.250,07

€ 12,98

 

7

€ 2.296,67

€ 13,25

 

8

€ 2.343,25

€ 13,52

maximale trede chauffeur straattaxi

9

€ 2.389,86

€ 13,79

 

10

€ 2.436,46

€ 14,06

maximale trede chauffeur contractvervoer beperkt

11

€ 2.483,06

€ 14,33

 

12

€ 2.529,66

€ 14,59

 
3.5.1 Berekening dagloon

Het dagloon wordt berekend door het functieloon per maand te delen door 21,67 of door het functieloon per week te delen door 5.

3.5.2 Berekening uurloon

Het uurloon wordt berekend door het functieloon per maand te delen door 173,33 of door het functieloon per week te delen door 40.

Het loon van de parttimer wordt vastgesteld overeenkomstig de bij de functie behorende loonschaal naar rato van het aantal overeengekomen arbeidsuren.

3.5.3 Berekening periodeloon van vier weken

Het periodeloon van vier weken wordt berekend door het functieloon per maand te vermenigvuldigen met de factor 160/173,33.

3.5.4 Berekening weekloon

Het weekloon wordt berekend door het functieloon per maand te vermenigvuldigen met de factor 40/173,33.

3.6 Loonsverhogingen rijdend personeel

3.6.1 CAO-stijgingen

De CAO-lonen (uitgangspunt is maandloon, week- en uurloon worden daarvan afgeleid) voor het rijdend personeel worden verhoogd met:

2,5% met ingang van

De lonen van werknemers die reeds boven het CAO-loon worden betaald kunnen worden ‘bevroren’ totdat zij correct zijn ingeschaald. Deze bepaling geldt dus ook indien een werknemer uitsluitend als chauffeur contractvervoer beperkt of als chauffeur straattaxi werkzaam is en hoger dan de bij deze functie behorende loontrede is ingeschaald. Echter, zodra deze werknemer ook op ander werk wordt ingezet, heeft hij vanaf dat moment alsnog recht op de bovengenoemde structurele loonstijging.

3.6.2 Tredeverhoging en -onthouding

Bij normale uitvoering van zijn werkzaamheden heeft de werknemer telkens op 1 januari van het kalenderjaar recht op een tredeverhoging die gelijk is aan één loontrede van de loonschaal waarin de werknemer is ingedeeld, tot het maximum van die loonschaal is bereikt.

Indien een werknemer tussen twee tredes ingeschaald is en deze heeft recht op 1 januari van het kalenderjaar op een tredeverhoging, dan dient deze werknemer op 1 januari ingeschaald te worden in de naasthogere trede.

De tredeverhoging kan worden onthouden indien er geen sprake is van normale uitvoering van de werkzaamheden door werknemer. De werkgever kan in de navolgende situaties oordelen dat normale uitvoering van de werkzaamheden door de werknemer niet aan de orde is:

  • 1. Gegronde klacht over het functioneren van de werknemer. Er is sprake van een gegronde klacht, als werkgever en werknemer naar aanleiding van een klacht over het functioneren van de werknemer een gesprek hebben gehad, waarbij is vast komen te staan dat de werknemer het eens is met de klacht. Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt, dat zowel werkgever als werknemer ondertekenen voor akkoord. Het verslag wordt door werkgever opgenomen in het personeelsdossier van betreffende werknemer.

  • 2. Niet op tijd op het werk zijn. Indien werknemer op de door werkgever aangegeven tijd aanwezig en beschikbaar is voor zijn bedongen arbeid, maar het voertuig waar deze geacht wordt zijn werk mee uit te voeren is nog niet aanwezig, kan werkgever de werknemer niet aanrekenen dat deze niet op tijd is begonnen.

  • 3. Schade, daaronder mede begrepen letselschade, veroorzaakt door aantoonbare schuld van de werknemer.

  • 4. Schuldig bevonden en beboet voor de volgende verkeersovertredingen begaan door de werknemer:

    • a. eenmaal meer dan 30 km harder rijden dan toegestaan dan wel;

    • b. tweemaal meer dan 10 km harder rijden dan toegestaan doch minder dan 30 km te hard dan wel;

    • c. tweemaal door een rood verkeerslicht is gereden of tweemaal over de vluchtstrook dan wel;

    • d. driemaal andersoortige verkeersovertredingen heeft begaan, waarbij de eerste 3 verkeersovertredingen niet worden meegeteld.

Indien werkgever één of meer van de situaties onder 1, 2 of 3 van invloed wil laten zijn op het niet toekennen van de tredeverhoging als genoemd in dit artikel, hanteert werkgever de volgende werkwijze:

  • 1. Bij de eerste keer ontvangt werknemer binnen 10 werkdagen nadat werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 1, 2 of 3 een schriftelijke waarschuwing van werkgever

  • 2. Bij de tweede keer ontvangt werknemer binnen 10 werkdagen nadat een werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 1, 2 of 3 een schriftelijke waarschuwing van werkgever, waarbij wordt aangegeven dat een derde keer zal leiden tot het niet toekennen van een tredeverhoging

  • 3. Bij de derde keer ontvangt werknemer schriftelijk binnen 10 werkdagen nadat werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 1, 2 of 3 de mededeling dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend

Indien werkgever op basis van verkeersovertredingen de tredeverhoging als genoemd in dit artikel, niet wil toekennen, hanteert werkgever de volgende werkwijze:

Bij het schuldig bevonden en beboet zijn voor een verkeersovertreding door werknemer maakt werkgever dit steeds schriftelijk binnen 10 werkdagen nadat werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 4a t/m 4d kenbaar aan werknemer, aangevuld met het volgende:

  • Bij een verkeersovertreding als genoemd onder 4a maakt werkgever direct kenbaar dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend.

  • Bij een verkeersovertreding als genoemd onder 4b en 4c maakt werkgever bij de tweede keer kenbaar dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend.

  • Bij een verkeersovertreding als genoemd onder 4d maakt werkgever bij de derde keer, waarbij de eerste 3 verkeersovertredingen niet worden meegeteld, kenbaar dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend

De in 1 t/m 4 genoemde situaties dienen zich daadwerkelijk te hebben voorgedaan in het jaar direct voorafgaand aan het jaar waarin een tredeverhoging bij normale uitvoering van de werkzaamheden zou zijn doorgevoerd. Indien de werkgever pas na 31 december op de hoogte is van een omstandigheid die aanleiding had kunnen zijn voor het niet toekennen van een tredeverhoging, kan hij deze niet meer laten meetellen. Deze kan dan wel meegeteld worden bij het eventueel niet toekennen van een tredeverhoging bij de eerstvolgende wisseling van het kalenderjaar.

3.7 Inschalingsmatrix

Omschrijving diploma

loongroep

loongroep

loongroep

loongroep

 

A

B

C

D

vrijstelling van het wettelijk verplichte examen voor het CCV Chauffeursdiploma Taxi

X

     

(= chauffeurs die in het bezit zijn van een chauffeurspas van vóór 1 juli 2001)

       

of

       

CCV Chauffeursdiploma Taxi (beperkt)

X

     

(= vaste routes, vaste tijden, vaste klanten etc.)

       
         

CCV Chauffeursdiploma Taxi (volledig) of

 

X

   

Diploma CCV-Taxivervoer of

 

X

   

uitslagformulier/ aantekening opleidingspaspoort TC 1

 

X

   
         

Diploma CCV-Taxivervoer plus of

   

X

 

uitslagformulier / aantekening opleidingspaspoort TC2 of

   

X

 

CCV diploma Sociale Vaardigheden of CCV diploma Doelgroepenvervoer Taxi

   

X

 
         

SKKP Vakdiploma Taxivervoer of

     

X

CCV Vakdiploma Taxivervoer of

     

X

CCV Chauffeursdiploma Taxi en

       

CCV diploma Sociale Vaardigheden en

       

CCV diploma Doelgroepenvervoer Taxi

     

X

De werknemer die is vrijgesteld van het wettelijk verplicht examen die één deelcertificaat heeft, valt in loonschaal C.

De werknemer die is vrijgesteld van het wettelijk verplichte examen die twee deelcertificaten heeft, valt in loonschaal D.

Omschrijving diploma

loongroep

loongroep

loongroep

loongroep

 

A

B

C

D

vrijstelling van het wettelijk verplichte examen voor het CCV Chauffeursdiploma Taxi

       

(= chauffeurs die in het bezit zijn van een chauffeurspas van vóór 1 juli 2001)

       

of

       

CCV Chauffeursdiploma Taxi (beperkt)

       

(= vaste routes, vaste tijden, vaste klanten etc.)

       
         

en

       
         

Diploma CCV-Taxivervoer plus of

   

X

 

uitslagformulier / aantekening opleidingspaspoort TC2 of

   

X

 

CCV diploma Sociale Vaardigheden of CCV diploma Doelgroepenvervoer Taxi

   

X

 
         

en

       
         

SKKP Vakdiploma Taxivervoer of

     

X

CCV Vakdiploma Taxivervoer of

     

X

CCV Chauffeursdiploma Taxi en

       

CCV diploma Sociale Vaardigheden en

       

CCV diploma Doelgroepenvervoer Taxi

     

X

3.8 CAO-lonen en een provisiesysteem

Een provisieloon moet minstens gelijk zijn aan het loon waarop de werknemer recht heeft volgens de CAO (over dezelfde loonperiode en bij hetzelfde aantal arbeidsuren). Valt het provisieloon lager uit dan heeft de werknemer recht op bijbetaling tot het loon volgens de CAO.

De berekening van het loon, provisie en/of toeslagen vindt veelal plaats aan de hand van gegevens die na afsluiting van de betalingsperiode beschikbaar komen. In dat geval moet een voorschotbetaling plaatsvinden ten minste op het niveau van het (CAO)loon. In de daarop volgende betalingsperiode worden provisie en/of toeslagen uitbetaald.

Een verlofdag moet worden afgerekend tegen CAO-dagloon.

3.9 Functiebeschrijvingen niet-rijdend personeel

Telefonist(e)

Doel van de functie:

Het correct en klantvriendelijk beantwoorden en bewerken van al het binnenkomende telefoonverkeer.

Resultaatgebied:

  • * Het bedienen van de telefooncentrale.

  • * Het registreren van ritopdrachten en klantgegevens ten behoeve van de uitvoering van ritopdrachten.

  • * Het verwerken van mutaties en het invoeren hiervan in het operationele systeem.

  • * Het verstrekken van (product)informatie aan klanten.

Centralist(e)/Planner

Doel van de functie:

Het efficiënt registreren, plannen en uitgeven van ritaanvragen.

Resultaatgebied:

  • * Het aannemen en verdelen van ritten binnen wettelijke en bedrijfskaders, resulterend in een efficiënte verdeling en uitvoering van diensten.

  • * Het aansturen van het rijdend personeel bij de toewijzing van ritten.

  • * Het signaleren van afwijkende vervoersprocessen.

  • * Het ondersteunen van andere afdelingen.

  • * Het uitvoeren van administratieve werkzaamheden.

Administratieve kracht op bedrijfsniveau

Doel van de functie:

Het uitvoeren van algemene administratief ondersteunende werkzaamheden, die in een directe relatie staan tot het zorgvervoer en taxivervoer taxivervoerproces.

Resultaatgebied:

  • * Het verwerken van uren, ritopdrachten, rittenstaten en gegevens van de boordcomputer taxi.

  • * Het verrichten van voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de facturering.

  • * Het administreren van kwantitatieve gegevens.

  • * Het verrichten van voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de financiële administratie.

  • * Het ondersteunen van andere afdelingen.

3.10 Lonen niet-rijdend personeel

De lonen gelden voor een arbeidstijd van 40 uren per week, verdeeld over gemiddeld 5 dagen per week.

Onder niet-rijdend personeel wordt in ieder geval de centralist/planner, telefonist en administratieve kracht verstaan, zoals omschreven in artikel 3.9. Voor zover de functie van niet-rijdend personeel niet onder één van de beschrijvingen uit artikel 3.9 valt, kan de werkgever deze in de loonschaal ‘overige’ plaatsen.

Loontabel niet- rijdend personeel (inclusief 2,5% loonsverhoging)
   

Overige

Telefonist(e)

Administr. Medew.

Centralist/planner

Leeftijd

Loontrede

maandloon

uurloon

maandloon

uurloon

maandloon

uurloon

maandloon

uurloon

15 jaar

 

€ 600,12

€ 3,46

€ 600,12

€ 3,46

€ 617,32

€ 3,56

€ 655,90

€ 3,78

16 jaar

 

€ 690,14

€ 3,98

€ 690,14

€ 3,98

€ 709,85

€ 4,10

€ 754,32

€ 4,35

17 jaar

 

€ 790,12

€ 4,56

€ 790,12

€ 4,56

€ 812,78

€ 4,69

€ 863,60

€ 4,98

18 jaar

 

€ 910,15

€ 5,25

€ 910,15

€ 5,25

€ 936,25

€ 5,40

€ 994,77

€ 5,74

19 jaar

 

€ 1.050,16

€ 6,06

€ 1.050,16

€ 6,06

€ 1.080,27

€ 6,23

€ 1.147,83

€ 6,62

20 jaar

 

€ 1.398,26

€ 8,07

€ 1.398,26

€ 8,07

€ 1.398,26

€ 8,07

€ 1.398,26

€ 8,07

                   

0/3 mnd

0

€ 1.939,29

€ 11,19

€ 1.939,29

€ 11,19

€ 1.994,73

€ 11,51

€ 2.119,43

€ 12,23

4/12 mnd

0

€ 2.000,36

€ 11,54

€ 2.000,36

€ 11,54

€ 2.057,68

€ 11,87

€ 2.186,33

€ 12,61

 

1

€ 2.020,72

€ 11,66

€ 2.043,41

€ 11,79

€ 2.100,57

€ 12,12

€ 2.243,53

€ 12,94

 

2

€ 2.060,70

€ 11,89

€ 2.086,27

€ 12,04

€ 2.143,47

€ 12,37

€ 2.300,69

€ 13,27

 

3

€ 2.121,75

€ 12,24

€ 2.126,32

€ 12,27

€ 2.186,33

€ 12,61

€ 2.357,88

€ 13,60

 

4

€ 2.169,00

€ 12,51

€ 2.172,06

€ 12,53

€ 2.229,22

€ 12,86

€ 2.415,04

€ 13,93

 

5

€ 2.213,34

€ 12,77

€ 2.214,92

€ 12,78

€ 2.272,14

€ 13,11

€ 2.472,22

€ 14,26

 

6

   

€ 2.257,83

€ 13,03

€ 2.315,01

€ 13,36

€ 2.529,40

€ 14,59

 

7

   

€ 2.300,69

€ 13,27

€ 2.357,88

€ 13,60

€ 2.586,57

€ 14,92

 

8

   

€ 2.343,60

€ 13,52

€ 2.400,77

€ 13,85

€ 2.643,76

€ 15,25

 

9

   

€ 2.386,48

€ 13,77

€ 2.443,65

€ 14,10

€ 2.700,96

€ 15,58

 

10

   

€ 2.429,35

€ 14,02

€ 2.486,51

€ 14,35

€ 2.758,11

€ 15,91

 

11

       

€ 2.529,40

€ 14,59

€ 2.815,30

€ 16,24

 

12

           

€ 2.872,45

€ 16,57

3.11 Loonsverhogingen niet-rijdend personeel

3.11.1 CAO-stijgingen

De CAO-lonen (uitgangspunt is maandloon, week- en uurloon worden daarvan afgeleid) voor het niet-rijdend personeel worden verhoogd met:

2,5%

3.11.2 Tredeverhoging

Een tredeverhoging gaat in op 1 januari van het kalenderjaar.

Bij normale uitvoering van zijn werkzaamheden maakt de werknemer op 1 januari van het kalenderjaar aanspraak op een tredeverhoging die gelijk is aan één loontrede van de loonschaal waarin de werknemer is ingedeeld, tot het maximum van die loonschaal is bereikt.

In aanvulling op de voorgaande afspraak geldt voor de tredes 0-3 mnd en 4-12 mnd uit de loontabel voor niet-rijdend personeel het volgende schema:

Niet-rijdend personeel

In dienst op

In trede 0 van / tot en met

In trede 0 van / tot en met

In trede 1 van / tot en met

In trede 2 na verloop van

1 januari

Januari t/m maart = 3 mnd

April t/m december = 9 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

24 maanden

1 februari

Februari t/m april = 3 mnd

Mei t/m december = 8 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

23 maanden

1 maart

Maart t/m mei = 3 mnd

Juni t/m december = 7 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

22 maanden

1 april

April t/m juni = 3 mnd

Juli t/m december = 6 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

21 maanden

1 mei

Mei t/m juli = 3 mnd

Augustus t/m december = 5 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

20 maanden

1 juni

Juni t/m augustus = 3 mnd

September t/m december = 4 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

19 maanden

1 juli

Juli t/m september = 3 mnd

Oktober t/m december = 3 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

18 maanden

1 augustus

Augustus t/m oktober = 3 mnd

November t/m december = 2 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

17 maanden

1 september

September t/m november = 3 mnd

December = 1 mnd

Januari t/m december = 12 mnd

16 maanden

1 oktober

Oktober t/m december = 3 mnd

Januari t/m september = 9 mnd

Oktober t/m december = 3 mnd

15 maanden

1 november

November t/m december = 2 mnd

Januari t/m september = 9 mnd

Oktober t/m december = 3 mnd

14 maanden

1 december

December = 1 mnd

Januari t/m september = 9 mnd

Oktober t/m december = 3 mnd

13 maanden

3.11.3 Garantieregeling

Voor werknemers met een loon dat hoger is dan het functieloon volgens de hoogste loontrede van de schaal die op hen van toepassing is, geldt de volgende regeling. Het loon wordt geïndexeerd met maximaal de CAO-verhoging te berekenen over het functieloon volgens de hoogste loontrede van de schaal die op hen van toepassing is.

3.12 Toeslagen en vergoedingen

3.12.1 Vakantiebijslag
  • 1. Uiterlijk op 31 mei krijgt de werknemer de vakantiebijslag uitbetaald, die hij heeft opgebouwd vanaf 1 mei in het voorafgaande kalenderjaar tot en met 30 april in het lopende jaar. De toeslag bedraagt 8% van het loon (zie lid 4) over de referteperiode.

  • 2. De werknemer met een dienstverband voor bepaalde tijd heeft recht op 1/12 van de genoemde vakantiebijslag voor elke aaneengesloten periode van 30 dagen dat deze overeenkomst op hem van toepassing is. Uiterlijk op 31 mei krijgt de werknemer de vakantiebijslag uitbetaald, die hij heeft opgebouwd vanaf 1 mei in het voorafgaande kalenderjaar tot en met 30 april in het lopende jaar. De toeslag bedraagt 8% van het loon (zie lid 4) over de referteperiode. Bij het einde van het dienstverband wordt de resterende vakantiebijslag uitbetaald.

  • 3. Als de werknemer langdurig ziek is, betaalt de werkgever over de eerste 2 jaar van de ziekte, met inachtneming van artikel 1.10 lid 1, b, 8% vakantiebijslag over het ten laste van de werkgever komende loon.

  • 4. Loon voor de berekening van de 8% vakantiebijslag is alles wat uit hoofde van de arbeidsovereenkomst van werkgever is ontvangen, met uitzondering van:

    • verdiensten uit overwerk

    • vakantiebijslag

    • winstuitkeringen

    • uitkeringen bij bijzondere gelegenheden

    • uitkeringen als gevolg van aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen

    • vergoedingen, voor zover zij bedoeld zijn ter bestrijding van noodzakelijke kosten, die de werknemer in verband met zijn dienstverband heeft te maken

    • de HAP toeslag

    • de OV ORT (als opgenomen in artikel 6.2).

    Onverminderd het bepaalde in artikel 16, tweede lid, Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

  • 5. De werkgever verstrekt bij uitbetaling en/of verrekening van de vakantiebijslag een specificatie met het bedrag aan genoten loon en de data van de perioden waarover dit is berekend. Plus de verrekeningen van eventueel daarop verleende voorschotten en inhoudingen wegens loonheffing, premie pensioen en premie Sociaal Fonds Mobiliteit.

3.12.2 Berekenen meer/overuren en overurenvergoeding

A. Meeruren zijn de uren die de contracturen, niet zijnde overuren, berekend over een periode van één kalenderkwartaal te boven gaan. Ziekte-uren, wachtdagen en betaald verlof tellen mee bij voorgaande berekening.

De navolgende bepalingen gelden:

  • 1. In elke betalingsperiode dient minimaal het aantal contracturen verloond te worden.

  • 2. Rekening houdend met het gestelde onder 1) dient binnen een kalenderkwartaal per betalingsperiode minimaal 75% van het aantal arbeidsuren in de opvolgende betalingsperiode verloond te worden. Voor zover deze verloonde arbeidsuren de contracturen te boven gaan, wordt dit gezien als een voorschot.

  • 3. Indien het aantal arbeidsuren in een kalenderkwartaal minder is dan het aantal verloonde uren, kan het daarmee corresponderende deel van het voorschot als bedoeld onder 2) worden verrekend met het over de betalingsperiode na het kalenderkwartaal door werkgever verschuldigde loon. Deze verrekening is alleen toegestaan in de betalingsperiode na afloop van het kalenderkwartaal tot maximaal 25% van het aantal contracturen per betalingsperiode.

  • 4. Indien het aantal arbeidsuren in een kalenderkwartaal meer is dan het aantal verloonde uren, krijgt werknemer deze, voor zover nog geen verloning daarvan heeft plaatsgevonden, vergoed in de betalingsperiode na afloop van het kalenderkwartaal.

  • 5. Opbouw van verlof vindt plaats over het aantal verloonde uren per betalingsperiode. Indien het aantal verloonde uren per betalingsperiode hoger is dan het aantal contracturen, dan mag het opgebouwde verlof over het verschil in tijd of in geld vergoed worden. Indien na afloop van het kalenderkwartaal sprake is van een aantal te verrekenen uren, dan mag het opgebouwde verlof over deze te verrekenen uren, afhankelijk van de wijze waarop vergoed werd, in tijd of in geld verrekend worden.

  • 6. Opbouw van vakantiebijslag vindt plaats over het aantal verloonde uren per betalingsperiode. Indien het aantal verloonde uren per betalingsperiode hoger is dan het aantal contracturen, dan mag de opgebouwde vakantiebijslag over het verschil in geld vergoed worden. Indien na afloop van het kalenderkwartaal sprake is van een aantal te verrekenen uren, dan mag de opgebouwde vakantiebijslag over deze te verrekenen uren in geld verrekend worden.

  • 7. Indien een werknemer gedurende een kalenderkwartaal uit dienst treedt, kan voorgaande berekening plaatsvinden per het moment dat de werknemer uit dienst treedt. De in dit artikel genoemde wijze van berekenen vindt dan dus plaats over een kortere periode dan een volledig kalenderkwartaal.

B. Overuren zijn de uren die de gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week berekend over een periode van één kalenderkwartaal te boven gaan. Ziekte-uren, wachtdagen en betaald verlof tellen mee bij de berekening of er sprake is van betreffende overuren.

C. Bij gebruik van een zogenaamd cyclisch rooster is er pas sprake van meeruren en/of overuren als deze de met het rooster corresponderende aantal uren te boven gaan.

Vergoeding van overuren in tijd en/of geld

De werknemer bepaalt hoe hij de overurenvergoeding ontvangt: in geld, in tijd of in combinaties daarvan.

In alle gevallen krijgt hij een toeslag van 20%:

  • tijd + toeslag van 20% in tijd; dan wel

  • tijd + toeslag van 20% in geld; dan wel

  • uurloon + toeslag van 20% in geld.

Bij berekening van de vergoeding wordt de duur van het overwerk afgerond volgens onderstaand schema:

  • 00–14 minuten = 0 minuten overwerk

  • 15–44 minuten = 30 minuten overwerk

  • 45–60 minuten = 60 minuten overwerk

De overwerkregeling wordt niet toegepast op:

  • overuren voor leidinggevenden, die zelf bevoegd zijn tot het laten verrichten van overwerk;

  • overuren die zijn ontstaan door eigen schuld of toedoen van de werknemer;

  • overuren door werknemers met een zelfstandige functie, voor wie geen diensttijden zijn vastgesteld;

De laatste bullet is alleen van toepassing op niet-operationele functies (kantoorfuncties), waarbij het niet altijd mogelijk is om met vaste arbeidstijden te werken.

3.12.3 Procedure bij overuren en meeruren
  • a. Werknemer kan jaarlijks eenmaal kenbaar maken of hij overuren of de meeruren als bedoeld in artikel 3.12.2 in tijd of in geld vergoed wil hebben. Werknemer dient zijn keuze voor 1 januari schriftelijk (of per email) aan te geven. Als werknemer de keuze kenbaar heeft gemaakt, dan blijft deze gelden, totdat werknemer schriftelijk (of per email) aangeeft zijn keuze te willen wijzigen. Indien werknemer niet tijdig of geen keuze heeft gemaakt, dan legt werkgever de keuze die hij maakt schriftelijk (of per email) vast en maakt dat schriftelijk (of per email) kenbaar aan werknemer. De werknemer heeft tot 14 dagen na bekendmaken van de keuze van werkgever de tijd om schriftelijk (of per email) te reageren en aan te geven of hij de vergoeding anders wil.

  • b. Overuren/meeruren mogen tot maximaal 60 uren meegenomen worden naar het volgende kalenderjaar, indien werknemer dit bij de werkgever voor 1 januari schriftelijk (of per email) kenbaar maakt. Het aantal overuren/meeruren dat de 60 uren te boven gaat moet uiterlijk in de maand januari van het volgende kalenderjaar worden uitbetaald. Indien werknemer geen uren wenst mee te nemen naar het daaropvolgende kalenderjaar worden de uren die niet binnen 12 maanden, na 1 januari van het jaar waarin ze zijn opgebouwd, zijn opgenomen uitbetaald in de maand januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

  • c. De werkgever verstrekt minimaal eens per 3 maanden een overzicht van het opgebouwde urentegoed.

  • d. Opname door de werknemer van uren uit het opgebouwde urentegoed dient door de werkgever schriftelijk te worden vastgelegd.

3.12.4. Bedrijfshulpverlening

De werknemer met een fulltime dienstverband, die daadwerkelijk belast is met bedrijfshulpverlening maakt aanspraak op een toelage van € 20,77 bruto per maand.

Als er sprake is van een parttime dienstverband geldt de aanspraak op de toelage naar rato van de omvang van het dienstverband.

3.12.5 Uurlonen bij huisartsenvervoer

Chauffeurs, die daadwerkelijk huisartsenvervoer verrichten, zijnde het in opdracht van een huisartsenpost en / of huisarts vervoeren en desgewenst assisteren van een huisarts in een speciaal daartoe uitgerust en als zodanig herkenbaar voertuig, dan wel de chauffeurs, die wachten op de huisartsenpost, ontvangen voor dit werk een toeslag ad € 1,25 bruto per uur (zogenaamde HAP-toeslag).

HOOFDSTUK 4 VAKANTIEDAGEN EN VERLOF

4.1 Vakantiedagen

Het vakantiejaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

De werknemer heeft recht op 23 vakantiedagen, op basis van een fulltime dienstverband.

De medewerkers die op 1 januari 2018 al in dienst waren en recht hadden op meer dan 23 vakantiedagen behouden dat recht. In geval van parttime medewerkers en M.U.P.-krachten wordt het recht op vakantiedagen bepaald naar rato van het aantal verloonde uren.

Indien de werknemer overuren maakt worden hierover geen vakantiedagen opgebouwd.

Om in geval van een parttime medewerker of een M.U.P.-kracht het recht op vakantiedagen te kunnen berekenen, moet werkgever het aantal verloonde uren per betalingsperiode vermenigvuldigen met 8,85% (23 vakantiedagen = 23 : 260 (werkbare dagen) x 100% = 8,85%) (bij 23 vakantiedagen).

Bestaande rechten, voor zover er sprake is van opvolgend werkgever als bedoeld in artikel 3.2.1 en 3.4.1, alsmede bestaande rechten van werknemers die op 1 januari 2018 reeds in dienst waren bij werkgever, worden gerespecteerd, dat wil zeggen:

25 vakantiedagen = 25 : 260 (werkbare dagen) x 100% = 9,62%

26 vakantiedagen = 26 : 260 (werkbare dagen) x 100% = 10,00%

27 vakantiedagen = 27 : 260 (werkbare dagen) x 100% = 10,38%

Onder bestaande rechten in bovenstaande alinea wordt verstaan: het aantal vakantiedagen zoals opgenomen op de laatste loonstrook dan wel laatste vakantiekaart.

4.2 Vakantiebijslag en vakantiedagen M.U.P.-kracht

De vakantiebijlag en de vakantiedagen ontstaan naar rato van het aantal gewerkte uren.

De M.U.P.-kracht kan ervoor kiezen het uit te betalen uurloon te laten verhogen met de vakantiedagen volgens onderstaande berekening en/of het uurloon te laten verhogen met de vakantiebijslag (8%).

Indien de M.U.P.-kracht ervoor kiest zijn uurloon te laten verhogen met de vakantiedagen dan geldt dat verhoogd uurloon als basisloon voor het berekenen van de vakantiebijslag (van 8%).

23 vakantiedagen = 23 : 237 (260 werkbare dagen minus 23) x 100% = 9,70%

Bestaande rechten worden gerespecteerd, voor zover er sprake is van opvolgend werkgever als bedoeld in artikel 3.2.1 en 3.4.1, alsmede bestaande rechten van werknemers die op 1 januari 2018 reeds in dienst waren bij werkgever, worden gerespecteerd, dat wil zeggen bij:

25 vakantiedagen = 25 : 235 (260 werkbare dagen minus 25) x 100% = 10,63 %

26 vakantiedagen = 26 : 234 (260 werkbare dagen minus 26) x 100% = 11,11%

27 vakantiedagen = 27 : 233 (260 werkbare dagen minus 27) x 100% = 11,58%

Onder bestaande rechten in bovenstaande alinea wordt verstaan: het aantal vakantiedagen zoals opgenomen op de laatste loonstrook dan wel laatste vakantiekaart.

4.3 Afronden aanspraak vakantiedagen op jaarbasis

De totale aanspraak op vakantie wordt bij het einde van het vakantiejaar (en/of bij het einde van het dienstverband) naar boven afgerond op halve dagen, indien het dienstverband van de werknemer ten minste 2 maanden onafgebroken heeft geduurd.

4.4 Vakantiekaart

De werkgever dient de werknemer jaarlijks een vakantiekaart te verstrekken, tenzij de loonspecificatie het tegoed aan vakantiedagen vermeldt. Op de vakantiekaart komt het onderscheid in wettelijke, bovenwettelijke vakantiedagen en tijd voor tijd saldo duidelijk terug.

De werkgever is verplicht aantekening te houden van de door de werknemer opgenomen, respectievelijk aan hem uitbetaalde vakantiedagen. Deze aantekening wordt door de werknemer geparafeerd.

4.5 Opnemen vakantie

Eén vakantiedag (voor een fulltime medewerker) staat gelijk aan 8 werkuren.

Als een volgens rooster opgenomen vakantiedag een hiervan afwijkend aantal werkuren heeft, wordt het werkelijke aantal arbeidsuren in mindering gebracht op het tegoed aan vakantie-uren.

Voor de toepassing van deze systematiek is de instemming van de OR of Personeelsvertegenwoordiging vereist.

De werknemer vraagt vakantie aan volgens de regels in het bedrijf. Deze regels moeten zijn opgesteld met de OR of Personeelsvertegenwoordiging en aan de werknemer ter kennis zijn gebracht. Bij gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, waarbij de werknemer op arbeidstherapeutische basis wordt ingezet of vervangende aangepaste werkzaamheden verricht dan wel bij volledige arbeidsongeschiktheid worden vakantiedagen afgeschreven wanneer vakantie wordt opgenomen.

De volgorde van het opnemen van vrije dagen vindt als volgt plaats: de dagen met de eerste vervaldatum of eerste verjaringstermijn worden als eerste opgenomen. De werkgever dient ter genoeg doening van het SFM een deugdelijke verlof registratie te voeren. Indien het SFM oordeelt dat de registratie onvoldoende is, dan geldt voor de wettelijke vakantiedagen een verjaringstermijn van 5 jaar in plaats van een vervaltermijn van 6 maanden.

De werknemer die daarvoor voldoende vakantiedagen heeft opgebouwd, wordt in de gelegenheid gesteld ten minste 16 kalenderdagen aaneengesloten vakantiedagen op te nemen.

Bij beëindiging van het dienstverband wordt aanspraak op te veel genoten vakantiedagen verrekend.

Voor de vervaltermijn van de vakantiedagen wordt aangesloten bij de bepaling hierover in het Burgerlijk Wetboek.

4.6 Betaald verlof

Afwezigheid mét behoud van loon wordt toegestaan:

  • Bij overlijden van de echtgeno(o)t(e) of een inwonend tot het gezin behorend kind, pleegkind of stiefkind: te rekenen vanaf de dag van overlijden 4 dagen.

  • Bij het huwelijk van de werknemer en bij het overlijden van één van zijn ouders of schoonouders of niet-inwonende kinderen, pleegkinderen, stiefkinderen, schoonzoons of schoondochters: mits de plechtigheid wordt bijgewoond 2 dagen;

  • Bij de bevalling van zijn echtgenote en de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind erkent: eenmaal de arbeidsduur per week; werknemer kan dit verlof naar eigen inzicht opnemen; maar wel binnen 4 weken na de geboorte van het kind.

  • Bij het huwelijk van een kind, pleegkind of stiefkind, broer of zuster, zwager of schoonzuster van de werknemer: mits het huwelijk wordt bijgewoond 1 dag.

  • Bij het overlijden van een broer, zuster, zwager, schoonzuster, één der wederzijdse grootouders of een kleinkind van de werknemer: mits de uitvaart wordt bijgewoond 1 dag.

  • Bij het 25- of 40-jarige huwelijk van de werknemer: 1 dag.

Voor zover het binnen arbeidstijd noodzakelijk is, wordt afwezigheid mét behoud van loon toegestaan:

  • Bij het 25-, 40-, 50- of 60-jarige huwelijk van de ouders of schoonouders: 1 dag.

  • Bij het 25-, 40- of 50-jarig dienstjubileum: 1 dag.

  • Bij verhuizing in geval van overplaatsing: 1 dag.

  • Na opzegging van het dienstverband door werkgever voor het zoeken van een nieuwe baan: indien de werknemer ten minste 6 weken onafgebroken in dienst is geweest ten hoogste 5 uur, al of niet ineens.

  • Bij vervulling van een van overheidswege, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde persoonlijke verplichting: de werkelijk benodigde tijd, maar maximaal 12 uur.

  • Bij ondertrouw van de werknemer: 1 dag;

  • Voor het afleggen van een vakexamen (wettelijk verplicht examen en/of examen doelgroepenvervoer CCV en/of examen sociale vaardigheden CCV en die vakexamens die als zodanig door de werkgever zijn aangemerkt) en wettelijk verplichte examen(s): de daarvoor benodigde tijd met een minimum van 1 dag.

  • Voor bezoek aan arts, tandarts of specialist: als de werknemer aannemelijk maakt dat deze afspraken niet buiten werktijd mogelijk zijn, de tijd die daarvoor nodig is.

4.7 Onbetaald verlof

Afwezigheid zonder behoud van loon wordt toegestaan voor:

  • Het uitoefenen van het lidmaatschap van een openbaar bestuurslichaam, tenzij het bedrijfsbelang zich daartegen verzet

HOOFDSTUK 5 UITZEND- EN PAYROLLKRACHTEN

5.1.1 Regels betreffende uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

  • 1. De artikelen 2.1 (standplaats, onbetaalde periodes en verloonde tijd (vanaf 1 maart 2022) rijdend personeel), 2.2 (arbeidstijd niet-rijdend personeel), 2.3 (dienstrooster) -echter met uitzondering van art. 2.3.2 (langer werken door de werknemer en intrekken roostervrije dag)-, 2.5 (collectieve regeling Atb-v/ATW), 3.1 (definities ervaringsjaar en dienstjaar), 3.2 (inschaling rijdend personeel), 3.3 (inschaling niet-rijdend), 3.5 (lonen rijdend personeel), 3.6 (loonsverhoging rijdend personeel), 3.7 (inschalingsmatrix), 3.9 (functiebeschrijving niet-rijdend personeel), 3.10 (lonen niet-rijdend personeel), 3.11 (loonsverhoging niet-rijdend personeel), 3.12.2 (berekenen meer/overuren en overurenvergoeding), en de bepalingen in hoofdstuk 6 van deze CAO zijn van overeenkomstige toepassing op de uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, als vakkracht (en op de uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, die langer dan 26 weken werkzaam is bij een werkgever), met dien verstande dat voor die vakkracht respectievelijk uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, de bij zijn functie behorende loonschaal geldt naar rato van het aantal gewerkte uren en met dien verstande dat met ‘werkgever’ steeds ‘inlener’ bedoeld wordt.

  • 2. Als vakkracht wordt aangemerkt de uitzendkracht, niet zijnde payrollkracht, die als taxichauffeur wordt uitgezonden en in het bezit is van een geldige chauffeurskaart.

  • 4. De werkgever dient zich er van te verzekeren dat aan uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten, en vakkrachten die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld loon, overige vergoedingen en premies worden betaald overeenkomstig lid 1.

5.1.2 Regels betreffende payrollkrachten

  • 1. De arbeidsvoorwaarden, zoals opgenomen in de Cao Zorgvervoer en Taxi (onder meer daaronder begrepen bijlage 3), zijn van toepassing op payrollkrachten omdat voor de payrollkrachten ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden dienen te gelden als die gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de ter beschikkingstelling plaatsvindt.

  • 2. De werkgever dient zich er van te verzekeren dat aan payrollkrachten die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld loon, overige vergoedingen en premies worden betaald overeenkomstig lid 1.

5.2 Regels betreffende uitzendondernemingen

  • 1.

    • a. De werkgever is verplicht zich er van te verzekeren dat ten aanzien van werknemers die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld gedurende deze periode de relevante wettelijke verplichtingen door de uitlener worden nageleefd.

    • b. De werkgever is verplicht zich er van te verzekeren dat ten aanzien van werknemers die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld gedurende deze periode de betaling van de van toepassing zijnde pensioenpremie van de uitlener plaatsvindt.

    • c. De werkgever is verplicht zich er van te verzekeren dat ten aanzien van werknemers die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld gedurende deze periode de afdracht aan de voor de uitlener van toepassing zijnde bedrijfstakfondsen plaatsvindt.

  • 2.

    • a. De werkgever wordt geacht het bepaalde onder lid 1 van dit artikel te zijn nagekomen indien hij gebruik maakt van een bedrijf dat ingeschreven staat in het register dat SFM voor dit doel heeft ingericht.

    • b. Indien er geen register met bedrijven, die voldoen aan het gestelde in artikel 5.2.1 tot stand komt, is werkgever niet gehouden aan artikel 5.2.1.

5.3 Regels betreffende inhuur

De onderneming mag, per kalenderjaar gerekend, niet meer dan 15% van het vigerende loon voor de Zorgverzekeringswet, uitgezonderd loon uit vroegere dienstbetrekking aanwenden voor de inhuur van werknemers die niet onder de werkingssfeer van deze CAO vallen.

Het voornoemde percentage wordt als volgt berekend

Kosten ingeleend personeel niet rechtstreeks vallend onder de werkingssfeer ex. BTW gedeeld door:

Loon voor de Zorgverzekeringswet, uitgezonderd loon uit vroegere dienstbetrekking + kosten ingeleend personeel rechtstreeks vallend onder werkingssfeer ex. BTW + kosten ingeleend personeel niet rechtstreeks vallend onder de werkingssfeer ex. BTW

Onder inhuur van werknemers wordt niet verstaan, werknemers die in het kader van social return bij de werkgever geplaatst worden. Onder de inhuur van werknemers wordt ook niet verstaan de directeur/grootaandeelhouder van een N.V. of B.V., echtgeno(o)t(e) en familieleden, die niet (meer) verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Onder de inhuur van werknemers wordt in ieder geval wel verstaan, de inhuur van zzp-chauffeurs (zijnde een chauffeur die zich zonder eigen taxivergunning verhuurt aan een taxibedrijf). De kostenpost van de inhuur van deze zzp-chauffeurs wordt opgenomen onder ‘kosten ingeleend personeel niet rechtstreeks vallend onder de werkingssfeer ex. BTW. Ook wordt onder de inhuur van werknemers in ieder geval verstaan, werknemers die conform de regeling proefplaatsing van het UWV bij werkgever te werk wordt gesteld. De hoogte van de uitkering van dit personeel wordt opgenomen onder ’kosten ingeleend personeel niet rechtstreeks vallend onder de werkingssfeer ex. BTW’. Voor deze kosten moet een bruto uurloon van € 16,– per uur gehanteerd worden.

HOOFDSTUK 6 OPENBAAR VERVOER EN BESLOTEN BUSVERVOER

6.1 Uurloon bij dienst in Openbaar Vervoer

Aan de chauffeur die met een personenauto openbaar vervoer verricht (als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000) wordt in plaats van het uurloon voor zorgvervoer en taxivervoer een ander uurloon toegekend, zijnde € 14,85.

Het openbaar vervoeruurloon wordt vergoed over arbeidsuren besteed aan:

  • het daadwerkelijk verrichten van openbaar vervoer;

  • de aan- en afrijtijd voorafgaand aan en volgend op het verrichten van openbaar vervoer als de werknemer gedurende de gehele dienst exclusief beschikbaar is voor het openbaar vervoer;

  • de aan- of afrijtijd voorafgaand aan of volgend op het verrichten van openbaar vervoer als de werknemer gedurende een deel van de dienst exclusief beschikbaar is voor het openbaar vervoer en voor het andere dienstdeel beschikbaar is voor regulier Zorgvervoer en taxivervoer.

Het OV uurloon moet ook bij bepaling van de hoogte van de vakantiebijslag en de loondoorbetaling in geval ziekte meegenomen worden.

6.2 Onregelmatigheidstoeslag bij dienst in Openbaar vervoer

Aan de werknemer die openbaar vervoer verricht, wordt voor gewerkte uren op werkdagen tussen 19.00 en 07.30 uur en op zaterdagen, zon- en feestdagen een onregelmatigheidstoeslag toegekend van € 4,86.

Indien aan de werknemer voornoemde onregelmatigheidstoeslag wordt toegekend is artikel 2.4 van deze CAO niet van toepassing.

6.4 CAO Openbaar Vervoer of CAO Zorgvervoer en Taxi?

Deze CAO Zorgvervoer en Taxi geldt alléén voor ondernemingen waarvan het pakket openbaar vervoer niet meer omvat dan 30.000 arbeidsuren per jaar.

Wordt dit aantal overschreden, dan dient de onderneming de CAO Openbaar Vervoer toe te passen op het aantal arbeidsuren dat de 30.000 per jaar overschrijdt.

Ondernemingen waarvan het personeel openbaar vervoer verricht met een personenauto – maar in totaal minder dan 30.000 arbeidsuren per jaar – vallen wel onder deze CAO Zorgvervoer en Taxi. Met uitzondering van de bepalingen over uurloon en de onregelmatigheidstoeslag.

6.5 Besloten Busvervoer

Op arbeidsuren die worden besteed aan het verrichten van Besloten Busvervoer zijn niet de bepalingen in deze CAO, maar de bepalingen uit de CAO Besloten Busvervoer van toepassing.

HOOFDSTUK 7 COLLECTIEVE REGELINGEN

7.2 Collectieve ongevallenverzekering

  • 1. De werkgever is verplicht voor zijn werknemers een collectieve ongevallenverzekering af te sluiten.

  • 2. De polisvoorwaarden hiervan liggen op de vestiging(en) voor iedere werknemer ter inzage.

  • 3. De verzekering dekt ten minste de risico's van ongevallen binnen diensttijd en 1 uur voor aanvang tot 1 uur na einde diensttijd. De verzekering dekt ook de risico’s van ongevallen tijdens activiteiten die uit hoofde van het werk buiten diensttijd zijn georganiseerd.

  • 4. De gerechtigde van de uitkering is de verzekerde werknemer of diens nagelaten betrekkingen. Hieronder wordt verstaan:

    • 1. de echtgenoot/echtgenote;

    • 2. de erfgenamen.

    De fiscale consequenties bij uitbetaling komen voor rekening van de gerechtigde.

  • 5. Als door nalatigheid van de werkgever bij een ongeval, dat de dood of blijvende invaliditeit veroorzaakt, geen recht op de hierboven beschreven uitkeringen bestaat, dan is de werkgever verplicht de betrokkene(n) schadeloos te stellen.

  • 6. Behoudens de uitkering uit de ongevallenverzekering of de schadeloosstelling, hebben de werknemer en/of diens nabestaanden eveneens recht op de wettelijke uitkering bij overlijden.

8.2.3 Verplichtingen bij fusies en reorganisatie

Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de fusiegedragsregels van de SER, is de (overnemende) werkgever verplicht om bij fusies, bedrijfssluitingen, reorganisaties, concentraties, surséances van betaling, faillissementen, overnames en dergelijke, zo spoedig mogelijk de werkgevers- en werknemersorganisatie(s) en Sociaal Fonds Mobiliteit daarvan in kennis te stellen, indien 1 van de betrokken bedrijven ten minste 10 werknemers in dienst heeft.

Indien sprake is van overgang van vervoerscontracten waarbij ten minste 10 werknemers betrokken zijn, is de overdragende vervoerder verplicht de betrokken vakorganisaties binnen 2 weken over de beoogde overgang in te lichten.

Als een werknemer als gevolg van een fusie, reorganisatie, overname van bedrijf of bedrijfsonderdelen, formeel of feitelijk in dienst komt van een bij deze fusie, reorganisatie, surséance van betaling, faillissement of overname betrokken bedrijf, moeten de dienstjaren doorgebracht in het vorige bedrijf meetellen voor de vaststelling van het loon in de desbetreffende loonschaal.

DEEL C BIJLAGEN

2.1.5 Definitie dienst

  • a. Een aaneengesloten periode waarin arbeid wordt verricht die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur.

  • b. De aanvang van de dienst wordt door de werkgever aantoonbaar kenbaar gemaakt aan de werknemer.

2.1.6 Definitie verloonde tijd

  • a. De verloonde tijd is de tijd tussen het tijdstip waarop de dienst daadwerkelijk aanvangt en het tijdstip waarop de dienst daadwerkelijk eindigt, na aftrek van onderbrekingen (met inachtneming van de artikelen 2.1.11 en 2.1.12).

  • b. De dienst vangt daadwerkelijk aan op één van de door werkgever bepaalde standplaatsen en eindigt daadwerkelijk op één van de door werkgever bepaalde standplaatsen.

  • c. Een onderbreking op standplaats is geen verloonde tijd.

  • d. Het aantal onderbrekingen op standplaats is niet gemaximeerd. De duur van een onderbreking op standplaats is niet gemaximeerd.

  • e. De tijd benodigd met het reizen van het woonadres naar het vestigingsadres, zijnde standplaats, van werkgever en vice versa is geen verloonde tijd. Indien werkgever vraagt om het voertuig naar het vestigingsadres te brengen, staat het de werknemer vrij om daar geen gehoor aan te geven. Indien werknemer door werkgever aantoonbaar verplicht wordt het voertuig terug te komen brengen naar het vestigingsadres, dan is de werknemer gehouden daar gehoor aan te geven en is de reistijd benodigd om van het woonadres naar het vestigingsadres te komen verloonde tijd.

  • f. Indien, in afwijking van lid b, werkgever aangeeft dat de werkzaamheden van werknemer eindigen op een locatie welke geen standplaats is en werknemer de volgende dienst daar ook weer aanvangt (enkel overnachtingen) dan eindigt de verloonde tijd op die locatie op het moment dat de dienst daar eindigt en vangt deze aan wanneer de dienst op die locatie ook weer aanvangt. Indien van voorgaande sprake is wordt dit schriftelijk vastgelegd, voorzien van een handtekening van werkgever en werknemer.

  • g. De werkgever zal het volgende bij een CAO controle door SFM aan moeten kunnen tonen:

    • de vastlegging van de standplaats(-en)

    • de wijziging van de standplaats

    • het tijdstip van de daadwerkelijke aanvang en einde van de dienst

    • de verplichting indien werknemer het voertuig terug moet komen brengen naar het vestigingsadres

Toelichting

De definitie van verloonde tijd is noodzakelijk om te kunnen bepalen welke tijd een werkgever dient te verlonen (dat wil zeggen uit te betalen in loon of uit te betalen in tijd, conform de CAO artikelen die hiervoor gelden).

Bij artikel 2.1.6f:

Voorbeeld

Een werknemer woont in Amsterdam en staat daar ook ingeschreven. Dat is dan ook zijn woonadres (en standplaats zoals bedoeld in artikel 2.1.2a). Hij werkt maandag tot en met vrijdag in Utrecht. De vestiging van het bedrijf in Utrecht is zijn tweede standplaats (zoals bedoeld in artikel 2.1.2b). Hij rijdt een schoolroute in Utrecht, en verblijft door de week (overnacht) bij familie aldaar. Bij die woning staat ook het voertuig dat werknemer gebruikt voor deze schoolroute.

Gelet op het gestelde in artikel 2.1.6f begint en eindigt de verloonde tijd in dit voorbeeld als volgt (waarbij werkgever heeft aangegeven dat de dienst op maandag aanvangt en op vrijdag eindigt op het vestigingsadres in Utrecht):

  • Maandag: aanvang dienst (en dus verloning) vanaf vestigingsadres bedrijf in Utrecht (zijnde standplaats), einde dienst (en einde verloning) op locatie verblijfplaats familie in Utrecht;

  • Dinsdag, woensdag en donderdag: aanvang (en begin verloning): verblijfplaats familie in Utrecht, aldaar ook einde dienst en einde verloning;

  • Vrijdag: aanvang dienst (en begin verloning) op verblijfplaats familie in Utrecht, einde dienst (en einde verloning) op vestigingsadres bedrijf in Utrecht (zijnde standplaats).

Voorgaande is schriftelijk vastgelegd, voorzien van een handtekening van werkgever en werknemer.

2.1.7 Definitie onderbreking

  • a. Een periode van ten minste 15 aaneengesloten minuten, waarmee de arbeid wordt onderbroken en de werknemer geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen arbeid (met inachtneming van hetgeen onder lid c van artikel 2.1.6 de definitie van verloonde tijd is opgenomen). Indien werkgever voorafgaand aan de onderbreking een eindtijd van de onderbreking kenbaar heeft gemaakt, omdat de werknemer na afloop van de onderbreking geacht wordt zijn bedongen arbeid weer aan te vangen, wordt van werknemer verwacht dat deze zijn bedongen arbeid ook daadwerkelijk aanvangt na de eindtijd van de onderbreking.

  • b. Zodra de werknemer een onderbreking heeft gekregen staat het de werknemer vrij om te doen en laten wat deze wil. Als de werknemer vervolgens op een andere locatie de onderbreking wil genieten, dan is de aan- en afrijtijd resp. naar en van deze andere locatie onbetaalde tijd. Het staat de werknemer niet vrij om naar eigen inzicht voor het aan- en afrijden naar deze andere locatie een voertuig te gebruiken dat toebehoort aan de werkgever.

  • c. De totale maximale duur van de onderbrekingen buiten standplaats bedraagt per dienst 1,5 uur. Het aantal onderbrekingen buiten standplaats is maximaal 6.

  • d. Werknemer dient de ingehouden tijd van de onderbrekingen daadwerkelijk als onderbreking genoten te hebben.

  • e. In afwijking van lid a kan het einde van een onderbreking samenvallen met het daadwerkelijk einde van de dienst.

  • f. Het is aan de werkgever en de bij hem werkzame werknemers om overleg te voeren over de benodigde faciliteiten tijdens onderbrekingen buiten standplaats.

  • g. De werkgever zal het volgende bij een CAO controle door SFM aan moeten kunnen tonen:

    • het aantonen van het daadwerkelijk genoten hebben van de onderbreking(-en)

    • het tijdstip van de aanvang en het einde van de onderbreking

Toelichting:

Het artikel geeft aan dat een onderbreking een periode is waarmee de arbeid wordt onderbroken. Indien werkgever direct bij aanvang van de dienst werknemer een onderbreking geeft is dat geen onderbreking. Het einde van een onderbreking kan wel samenvallen met het daadwerkelijke einde van de dienst.

Werknemer moet eventuele onderbrekingen daadwerkelijk genoten hebben, als werkgever deze in mindering wil kunnen brengen op de te verlonen tijd.

Voorbeelden bij de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.7:

  • 1. Werknemer haalt een voertuig van werkgever op het vestigingsadres (=standplaats) op en laat dit daar ook weer achter. Werkgever maakt aantoonbaar kenbaar dat werknemer om 8.00 uur op het vestigingsadres (=standplaats) moet beginnen. Voor het overige ligt niets vast en is niets bekend over hoelang werknemer moet werken of tot wanneer.

    Werknemer komt op eigen initiatief om 7.45 uur aan op het vestigingsadres en rijdt tot 10.30 uur ritten voor werkgever, waarna hij terugkomt op het vestigingsadres. Werkgever heeft geen aansluitend werk en geeft werknemer een onderbreking (waarbij werkgever geen eindtijd kenbaar maakt), werknemer gaat terug naar zijn woonadres en houdt zich niet bereikbaar voor werkgever. De verloonde tijd is 2,5 uur:

    8.00 ------ 10.30 uur

    2u 30 min

  • 2. Werknemer heeft het voertuig van werkgever bij het woonadres. En rijdt normaal gesproken twee routes, één ’s ochtends en één ’s middags. Zijn werkgever maakt aantoonbaar kenbaar wanneer werknemer moet beginnen, dat is om 7.45 uur vanaf het woonadres, zodat deze om 8.00 uur de eerste klant kan oppikken. Werknemer vertrekt vanaf het woonadres en eindigt ook weer op het woonadres. Werkgever maakt verder aantoonbaar kenbaar dat werknemer ’s middags om 15.00 uur moet beginnen vanaf het woonadres, om zo om 15.30 uur bij de instelling te kunnen zijn om de klanten op te kunnen pikken. Werknemer vertrekt vanaf het woonadres en eindigt ook weer op het woonadres.

    Werknemer begint op eigen initiatief om 7.30 uur. Hij rijdt vervolgens zijn route en is om 12.00 uur klaar met werken en op zijn woonadres. Om 12.00 uur start de onderbreking. Hij kiest er voor bereikbaar te blijven voor werkgever. Werkgever belt werknemer om 13.00 uur met de vraag of deze een extra rit wil doen. Werknemer zegt daarop ja. En rijdt vanaf 13.15 uur weg vanaf zijn woonadres en is om 14.30 uur weer terug. Werknemer rijdt vervolgens om 15.15 weg, rijdt zijn middagroute en komt vervolgens om 17.00 uur weer terug op het woonadres. De verloonde tijd in dit voorbeeld is 7 uur en 15 minuten. Echter, omdat werknemer het voertuig op het woonadres heeft staan, kan werkgever op de totale tijd maximaal 15 minuten woon- werkverkeer (zijnde maximaal 2x 7,5 minuten zoals opgenomen in artikel 2.1.12 woon-werkverkeer) aftrekken, de verloonde tijd is in dat geval 7 uur en geen 7 uur en 15 minuten:

    7.45

    12.00

    13.15

    14.30

    15.15

    17.00u

    4u 15 min

    1u 15 min

    1u 45 min

    Indien in voorgaande situatie werkgever (na 17.00 uur) aan werknemer vraagt om het voertuig naar het vestigingsadres (=standplaats) te brengen, staat het de werknemer vrij om daar geen gehoor aan te geven. Is deze echter aantoonbaar verplicht het voertuig te komen brengen, dan is de tijd van woonadres naar het vestigingsadres (standplaats) verloonde tijd.

  • 3. Werknemer haalt een voertuig van werkgever op het vestigingsadres (=standplaats) op en laat dit daar ook weer achter. Werkgever maakt aantoonbaar kenbaar dat werknemer om 8.00 uur op het vestigingsadres (=standplaats) moet beginnen en dat einde dienst 17.00 uur is.

    In verband met veranderingen in het werk, maakt werkgever later kenbaar dat de dienst om 9.00 aanvangt. Werknemer vangt om 9.00 uur aan op het vestigingsadres en rijdt tot 10.30 uur ritten voor werkgever. Werknemer komt dan terug op het vestigingsadres waar werkgever de werknemer een onderbreking geeft tot 11.00 uur. Werknemer start om 11.00 uur met het rijden van ritten voor werkgever en krijgt om 13.30 uur opnieuw een onderbreking tot 15.00, nu buiten standplaats. Werknemer kiest er voor om naar zijn woonadres te gaan. Werkgever heeft daar geen bezwaar tegen. Vanaf 15.00 tot 16.00 uur rijdt werknemer ritten voor werkgever, om 16.00 uur is werknemer weer terug op het vestigingsadres en krijgt te horen dat er geen werk meer is. De verloonde tijd is 5 uur:

    9.00

    10.30

    11.00

    13.30

    15.00

    16.00 uur

    1u 30 min

    2u 30 min

    1 uur

  • 4. Werknemer heeft het voertuig bij zijn woonadres. Werkgever maakt aantoonbaar kenbaar dat werknemer om 8.00 uur moet beginnen vanaf zijn woonadres en dat einde dienst 17.00 uur is, op het vestigingsadres (=standplaats).

    Werknemer vangt om 8.00 uur aan en rijdt tot 13.00 uur ritten voor werkgever. Werkgever geeft werknemer een onderbreking buiten standplaats van 1,5 uur. Werknemer start om 14.30 met het doen van ritten voor werkgever. Om 16.00 uur geeft werkgever de werknemer opnieuw een onderbreking buiten standplaats van 30 minuten. Werknemer rijdt van 16.30 uur tot 17.00 uur ritten door werkgever en komt dan terug op het vestigingsadres waar werknemer het voertuig achter laat. De tijd die werknemer maakt om terug naar zijn woonadres te komen is geen verloonde tijd. Omdat de maximum duur van de onderbrekingen buiten standplaats 1,5 uur is, is de tweede onderbreking buiten standplaats verloonde tijd. De te verlonen tijd is 7 uur en 30 minuten. Echter, omdat de werknemer het voertuig op het woonadres heeft staan, kan werkgever op de totale tijd maximaal 7,5 minuten woon-werkverkeer (zoals opgenomen in artikel 2.1.12 woon-werkverkeer) aftrekken, de verloonde tijd is in dat geval 7 uur en 22,5 minuten en geen 7 uur en 30 minuten:

    8.00

    13.00 uur

    14.30 uur

    16.00 uur

    16.30 uur

    17.00 uur

    4u 52,5 min

    1u 30 min

    30 min

    30 min

  • 5. Werknemer heeft als standplaatsen zijn woonadres en een vestigingsadres (=standplaats). Het voertuig van werkgever staat op het vestigingsadres (=standplaats). Werkgever maakt aantoonbaar kenbaar dat werknemer om 8.00 uur op het vestigingsadres (=standplaats)moet beginnen en dat einde dienst 16.00 uur is.

    Werknemer vangt om 8.00 uur aan en rijdt tot 11.00 uur ritten voor werkgever. Werkgever geeft werknemer van 11.00 tot 12.00 uur een onderbreking op standplaats, waarna werknemer ritten rijdt tot 14.00 uur. Werkgever geeft werknemer van 14.00 tot 15.00 uur een onderbreking op standplaats. Werkgever geeft werknemer aan dat na de laatste rit werknemer het voertuig achter moet laten op een ander vestigingsadres (niet zijnde een standplaats). Werknemer gaat op eigen gelegenheid terug naar zijn woonadres en is daar om 16.30 uur. De te verlonen tijd is 6 uur en 30 minuten:

    8.00

    11.00 uur

    12.00 uur

    14.00 uur

    15.00 uur

    16.30 uur

    3 uur

    2 uur

    1u 30 min

2.1.8 Standplaats en verloonde tijd inzake huisartsenvervoer

In afwijking van het gestelde in de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.7 wordt onder standplaats verstaan: een huisartsenpost, daar waar een werknemer zijn dienst aanvangt en beëindigt.

In afwijking van het gestelde in de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.7 wordt onder verloonde tijd verstaan: alle tijd waarvoor werkgever de werknemer heeft ingeroosterd, gerekend vanaf de standplaats.

2.1.9 Taakuitvoering

De werknemer is verplicht om een voor het einde van zijn diensttijd opgedragen rit uit te voeren, tenzij op het moment van de opdracht was te voorzien dat daardoor wordt gehandeld in strijd met het Arbeidstijdenbesluit Vervoer.

2.1.10 Normering rijtijd

De rijtijd kan worden genormeerd bij taxivervoer waarbij personen behorend tot een beperkte groep volgens een schema op regelmatige tijden voor de duur van minimaal 6 maanden worden vervoerd. Normering vindt in dat geval plaats volgens de onderstaande methode:

  • a. De werkgever bepaalt in eerste instantie de normtijd.

  • b. Gedurende 14 dagen na aanvang van de werkzaamheden zal de werknemer dagelijks de tijd gemoeid met het rijden van de route noteren of via in het voertuig beschikbare meetapparatuur laten registreren.

  • c. Op basis van de uitkomsten van de onder b gehouden meting wordt de definitieve normtijd vastgesteld, schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend. De definitieve normtijd gaat onmiddellijk in. Voor de arbeidstijdberekening wordt de nieuwe normtijd gehanteerd vanaf de datum van aanvang van de procedure.

  • d. In geval van structurele wijzigingen die van invloed zijn op de tijdsduur van de vervoerroute wordt de procedure onder a t/m c herhaald.

De tijd besteed aan andere werkzaamheden, waaronder tanken en schoonmaken, wordt niet genormeerd en dient afzonderlijk als arbeidstijd te worden geteld.

Indien werkgever en/of werknemer ten aanzien van de normering rijtijd bepaald volgens bovenstaande methode niet tot overeenstemming komen, zal werkgever een tweede persoon met betreffende werknemer gedurende één dag laten meerijden. Werknemer registreert ook gedurende die dag de tijd gemoeid met het rijden van de route of laat dat via in het voertuig beschikbare meetapparatuur registreren. Werkgever en werknemer bespreken vervolgens deze resultaten en komen aan de hand daarvan tot een normtijd. Deze wordt vervolgens schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend.

2.1.11 Normering woon-werkverkeer

De werkgever en de werknemer die belast is met vervoer kunnen in overleg besluiten dat de werknemer een personenauto mee naar huis neemt. In dat geval parkeert de werknemer het voertuig in de nabijheid van zijn woning. Bij aanvang van de volgende dienst kan de werknemer dan direct over het voertuig beschikken. Op de totale diensttijd worden maximaal 15 minuten per dag in mindering gebracht zijnde maximaal 7,5 minuten tot het eerste ophaaladres voor aanvang en maximaal 7,5 minuten vanaf het laatste uitstapadres. De tijd gemoeid met woon- werkverkeer is daarmee verrekend. Indien de tijd tot het eerste ophaaladres voor aanvang en de tijd vanaf het laatste uitstapadres minder dan 7,5 minuten bedraagt dient deze (werkelijke) tijd in mindering te worden gebracht op de totale diensttijd.

2.1.12 Arbeidstijdadministratie van de werkgever

De werkgever dient een inzichtelijke en deugdelijke administratie te voeren van de dagelijkse arbeidstijd van de werknemer.

Uit deze administratie kan worden afgeleid op welke tijdstippen de dienst begint, eindigt en wordt onderbroken in die zin dat de werknemer niet ter beschikking van de werkgever staat.

Werkgever verstrekt aan werknemer per betalingsperiode een overzicht van de uren die werknemer heeft gewerkt. Werkgever verstrekt tevens maandelijks een overzicht van de gemaakte extra uren, het aantal vergoede extra uren, de over de gemaakte extra uren opgebouwde vakantietoeslag en opgebouwde vakantie-uren. De vorm waarin dit gebeurt, is vrij. Onder extra uren wordt verstaan: het verschil in uren tussen de uren zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst en de daarboven gemaakte uren.

BIJLAGE 1 BUITENLANDSE WERKNEMERS

Artikel

Van toepassing zijnde delen

Artikel 1.5 definities

Integraal

Artikel 1.9 verplichtingen werkgever en

werknemer

1.9.11

Artikel 1.13 scholing

integraal

Artikel 2.1. standplaats, onbetaalde periodes en verloonde tijd (vanaf 1 maart 2022) rijdend personeel

2.1.2: t/m 2.1.15.

in dit geval moet onder ‘woonadres’ worden verstaan de tijdelijke verblijfplaats in Nederland van de ter beschikking gestelde werknemer.

Artikel 2.2. Arbeidstijd niet-rijdend personeel

2.2.2. en 2.2.3.

Artikel 2.3. Dienstrooster

integraal

Artikel 2.3.1. Wettelijke regels voor arbeid en

rust

integraal

Artikel 2.5 Collectieve regeling Atb-v/ATW

Integraal

Artikel 3.1 Definitie ervaringsjaar en dienstjaar

Integraal

Artikel 3.2 Inschaling rijdend personeel

Integraal

Artikel 3.3 Inschaling niet-rijdend personeel

Integraal

Artikel 3.5 Lonen rijdend personeel

Integraal

Artikel 3.6 Loonsverhogingen rijdend

personeel

Integraal

Artikel 3.7 Inschalingsmatrix

Integraal

Artikel 3.8 Cao-lonen en een provisiesysteem

Integraal

Artikel 3.9 Functiebeschrijvingen niet-rijdend

personeel

Integraal

Artikel 3.10 Lonen niet-rijdend personeel

Integraal

Artikel 3.11 Loonsverhogingen niet rijdend-

personeel

Integraal

Artikel 3.12.1 vakantiebijslag

integraal

3.12.2 Berekenen meer/overurenvergoeding

integraal

3.12.3 Procedure bij overuren en meeruren

Integraal

Artikel 4.1 vakantiedagen

Integraal

Artikel 4.2 vakantiebijslag en vakantiedagen

M.U.P. kracht

Integraal

Artikel 4.3 Afronden aanspraak vakantiedagen

op jaarbasis

integraal

Artikel 4.6 Betaald verlof

integraal

Artikel 5.1.1. regels betreffende uitzendondernemingen niet zijnde payrollkrachten

Lid 2

Lid 4

Artikel 5.1.2 Regels betreffende

payrollkrachten

integraal

Artikel 5.2 Regels betreffende

uitzendondernemingen

integraal

Artikel 5.3 Regels betreffende inhuur

integraal

Artikel 6.1 uurloon bij dienst in Openbaar

Vervoer

integraal

Artikel 6.2 Onregelmatigheidstoeslag bij dienst

in Openbaar Vervoer

integraal

Artikel 6.4 CAO Openbaar Vervoer of CAO

Zorgvervoer en Taxi

integraal

Artikel 6.5 Besloten Busvervoer

integraal

BIJLAGE 3 OVERGANG VERVOERSCONTRACTEN

Indien de wet overgang van onderneming van toepassing is, geldt deze boven de bepalingen in de bijlagen 3A t/m 3C.

3A OVERGANG PERSONEEL BIJ OVERGANG VERVOERSCONTRACTEN (OPOV)

1. DEFINITIES
1.1a Betrokken werknemer: rijdend

Een betrokken werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder begrepen een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) is een werknemer die gedurende tenminste 6 aaneengesloten maanden, direct voorafgaand aan de publicatiedatum, elke maand werkzaamheden heeft uitgevoerd ten behoeve van het vervoerscontract. Verlof en/of ziekte zijn geen onderbreking in de zin van betrokkenheid.

Een werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder begrepen een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) waarvan de arbeidsovereenkomst afloopt tussen de publicatiedatum en de datum daadwerkelijke aanvang vervoer is geen betrokken werknemer.

1.1b Betrokken werknemer: niet-rijdend

Een betrokken werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder begrepen een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) is een werknemer die gedurende tenminste 6 aaneengesloten maanden, direct voorafgaand aan de publicatiedatum, elke maand werkzaamheden heeft uitgevoerd ten behoeve van het vervoerscontract, voorzover deze, gerekend over de periode van 6 maanden, direct voorafgaand aan de publicatiedatum voor 50% of meer van zijn werkzaamheden werkzaam is geweest ten behoeve van het vervoerscontract. Verlof en/of ziekte zijn geen onderbreking in de zin van betrokkenheid.

Een werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder begrepen een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) waarvan de arbeidsovereenkomst afloopt tussen de publicatiedatum en de datum daadwerkelijke aanvang vervoer is geen betrokken werknemer.

1.1c Arbeidsongeschikte werknemer

Werknemer die direct voorafgaand aan de publicatiedatum 6 weken of langer aaneengesloten volledig arbeidsongeschikt is voor zijn bedongen arbeid, wordt niet als betrokken werknemer beschouwd. Perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Voorgaande alinea leidt er toe dat een werknemer die direct voorafgaand aan de publicatiedatum minder dan 6 weken volledig arbeidsongeschikt is, alsmede een werknemer die niet volledig arbeidsongeschikt is, en tevens een werknemer die na de publicatiedatum volledig arbeidsongeschikt wordt, als betrokken werknemer wordt beschouwd. De voornoemde werknemers worden in afwijking van het vorenstaande niet als betrokken werknemer aangemerkt indien op de hieronder omschreven wijze is vastgesteld dat de huidige contractpartij/vervoerder niet aan zijn verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan.

Voor het vaststellen of de huidige contractpartij/vervoerder al dan niet aan eerder genoemde re-integratieverplichtingen heeft voldaan geldt de volgende werkwijze:

  • 1. Van een werknemer, die direct voorafgaand aan de publicatiedatum minder dan 6 weken volledig arbeidsongeschikt is, alsmede van de werknemer die niet volledig arbeidsongeschikt is en tevens van de werknemer die na de publicatiedatum volledig arbeidsongeschikt wordt, wordt door de huidige contractpartij/vervoerder 8 weken voor aanvang van het nieuwe vervoerscontract een zo recent mogelijk oordeel van een door SFM gecontracteerde organisatie overlegd aan SFM, waaruit blijkt dat de huidige contractpartij/vervoerder al dan niet aan zijn verplichtingen inzake re- integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan.

  • 2. Indien uit het onder 1 bedoelde oordeel blijkt dat de huidige contractpartij/vervoerder niet aan de verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan, heeft de huidige contractpartij/vervoerder twee weken, gerekend vanaf het moment dat deze het onder 1 bedoelde oordeel overlegd heeft aan SFM, de tijd om alsnog aan die verplichtingen te voldoen. Indien, naar het oordeel van de door SFM gecontracteerde organisatie, de huidige contractpartij/vervoerder na die termijn van twee weken niet aan eerder genoemde re-integratieverplichtingen heeft voldaan, wordt de betreffende arbeidsongeschikte werknemer als niet betrokken werknemer beschouwd.

  • 3. Indien uit het onder 1 bedoelde oordeel blijkt dat de huidige contractpartij/vervoerder wel aan de verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan, draagt SFM er zorg voor dat de verkrijgende contractpartij/vervoerder het oordeel ontvangt. De huidige contractpartij/vervoerder is verplicht het re-integratiedossier (m.u.v. medische gegevens) te overleggen aan de verkrijgende contractpartij/vervoerder, zodra deze met de betreffende arbeidsongeschikte werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan.

Als genoemd onder 1 draagt SFM er zorg voor dat een organisatie gecontracteerd wordt, die door de huidige contractpartij/vervoerder dient te worden ingeschakeld om te bepalen of al dan niet aan de verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter is voldaan. Op het oordeel van de door SFM te contracteren organisatie kan enkel en alleen een beroep worden gedaan in het licht van de OPOV-regeling. Er kan anderszins op geen enkele manier enig recht aan worden ontleend.

1.1d Leerlingenvervoer

Zorgvervoer en taxivervoer van leerlingen behorende tot een beperkte groep, te vervoeren over een bepaalde verbinding (route), op vaste tijden.

1.1e Contractvervoer

Al het overige zorgvervoer en taxivervoer, niet vallend onder 1.1d.

1.1f Contractpartij(en)

De partij(en) waar mee de aanbestedende opdrachtgever het vervoerscontract sluit of heeft gesloten.

1.1g Vervoerder(s)

De partij(en) die het feitelijk vervoer verricht (verrichten) of heeft (hebben) verricht. Hieronder worden ook alle onderaannemers verstaan.

1.1h Intra-concern detachering

Een driehoeksverhouding waarbij de werknemer een arbeidsovereenkomst sluit met een vennootschap en feitelijk werkzaam is bij een andere tot hetzelfde concern behorende vennootschap die als huidige contractpartij/vervoerder kan worden gekwalificeerd.

In geval van intra-concern detachering door een personeelsvennootschap is de regeling integraal van toepassing op die personeelsvennootschap. Het onderdeel van het concern dat als huidige contractspartij kan worden gekwalificeerd is verplicht zich ervan te verzekeren dat de regeling door de tot hetzelfde concern behorende vennootschap waarbij de werknemer in dienst is, wordt nageleefd.

1.1i Publicatiedatum

De datum waarop de aanbestedende opdrachtgever de opdracht publiceert. Met de publicatie geeft de betreffende opdrachtgever aan dat hij een opdracht wil laten uitvoeren en vraagt hij ondernemingen om een offerte in te dienen. Zie ook onder artikel 1.1n.

1.1j Definitieve gunning

De datum waarop de opdrachtgever de opdracht gunt aan een contractpartij(en)/vervoerder(s) na het verstrijken van de bezwaartermijn.

1.1k Vervoerscontract

Een schriftelijke overeenkomst waarbij een contractpartij(en)/vervoerder(s) zich verplicht(en) om bepaalde vormen van dienstverlening te verrichten welke vallen onder deze CAO.

1.1l Betrokkenheidpercentage

Het aantal uur dat een werknemer betrokken is bij een vervoerscontract gedeeld door het aantal gewerkte uren x 100% berekend over de 6 kalendermaanden direct voorafgaand aan publicatiedatum.

1.1m Personeel ingezet voor het vervoerscontract

Werknemers, die bij de huidige contractpartij/vervoerder in dienst zijn, de payrollkrachten en andere uitzendkrachten (in dienst van uitzendondernemingen die al dan niet rechtstreeks vallen onder de werkingssfeer van deze CAO), die ingezet worden ten behoeve van vervoerscontract op het moment van de publicatiedatum.

Indien een aanbestedende opdrachtgever besluit om het vervoerscontract op te delen in percelen of basepoints, of indien aanbestedende opdrachtgever besluit om een vervoerscontract dat is opgedeeld in percelen of basepoints samen te voegen, bepaalt SFM, zo mogelijk op basis van informatie van de opdrachtgever en/of van de huidige contractpartij/vervoerder, welke werknemers aan welke percelen of basepoints worden toegerekend. Op het moment dat de toerekening van de betrokken werknemers aan verschillende vervoerscontracten, percelen of basepoints niet eenduidig kan worden vastgesteld, dan zal SFM de betrokken werknemers naar rato van de grootte van het over te nemen vervoerscontract, perceel of basepoint toerekenen aan de hand van de dichtstbijzijnde postcode of respectievelijk het woonadres van de betrokken werknemer.

1.1n Aanbesteding van een vervoerscontract

Onder aanbesteding van een vervoerscontract wordt een openbare procedure verstaan, waarbij een opdrachtgever middels een openbare publicatie bekend maakt een (vervoers)opdracht te willen laten uitvoeren. Daarbij staat de procedure open voor een ieder om in te schrijven (voor zover een ieder kan voldoen aan de door een opdrachtgever gestelde voorwaarden en vereisten), worden de inschrijvingen op een vooraf bepaalde datum gesloten en selecteert de opdrachtgever de onderneming die de vervoersopdracht gegund krijgt.

Iedere belanghebbende, zijnde partijen betrokken bij deze CAO, betrokken contractpartijen/vervoerders, vervoerders, onderaannemers of werknemers kunnen bij SFM melding maken van een aanbesteding van een vervoerscontract, waarop de regeling mogelijk van toepassing is.

1.1o Opzegtermijn

In beginsel is de werknemer die in het kader van de regeling een arbeidsovereenkomst aangaat met de verkrijgende contractpartij/vervoerder gehouden aan de wettelijke of overeengekomen opzegtermijn bij de zijn huidige werkgever, tenzij en voor zover deze termijn de werknemer belet zijn werkzaamheden aan te vangen.

1.1p Aanvangsdatum arbeidsovereenkomst

De datum waarop werknemers in het kader van de regeling in dienst treden bij de verkrijgende vervoerder is gelijk aan de aanvangsdatum van het verkregen vervoerscontract.

Betrokken partijen (zijnde de verkrijgende contractpartij/vervoerder, de huidige contractpartij/vervoerder en de vakbonden) kunnen, onder toezicht van SFM besluiten dat de arbeidsovereenkomsten bij de verkrijgende partij niet ingaan op de ingangsdatum van het vervoerscontract is, maar op de datum waarop het vervoer daadwerkelijk aanvangt.

1.1q Concurrentiebeding en proeftijd

Voor de betrokken werknemer welke een arbeidsovereenkomst aangaat met de verkrijgende contractpartij/vervoerder geldt dat deze niet gehouden is aan een eventueel van toepassing zijnde concurrentiebeding.

Het opnemen van een proeftijd in de nieuwe arbeidsovereenkomst is niet toegestaan

1.1r Rapportage

De verkrijgende contractpartij/vervoerder dient op twee momenten aan SFM te rapporteren en wel als volgt:

  • a. Een overzicht waarin de verkrijgende contractpartij/vervoerder inzichtelijk maakt welke betrokken werknemers gerangschikt per categorie een schriftelijk baanaanbod hebben gekregen. Tevens dient in de rapportage te worden aangegeven welke werknemers het aanbod hebben geaccepteerd dan wel hebben afgewezen. Van de werknemers die het baanaanbod hebben afgewezen wordt een kopie van het document waarin de werknemer deze afwijzing kenbaar maakt, bij de rapportage gevoegd.

    De verkrijgende contractpartij/vervoerder stuurt binnen vier weken na ontvangst van de personeelsopgave van SFM aan SFM de volledige rapportage met betrekking tot de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 2.3. Indien een verkrijgende contractpartij/vervoerder voorziet dat deze de rapportage niet binnen vier weken aan SFM kan toesturen, kan deze, met redenen omkleed, een verzoek om uitstel indienen bij SFM.

  • b. Een overzicht waarin de verkrijgende contractpartij/vervoerder inzichtelijk maakt welke betrokken werknemers gerangschikt per categorie een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden hebben gekregen. Tevens dient in de rapportage te worden aangegeven welke werknemers de arbeidsovereenkomst hebben geaccepteerd dan wel hebben afgewezen. Van de werknemers die de arbeidsovereenkomst hebben geaccepteerd wordt een kopie hiervan bij de rapportage gevoegd.

    De verkrijgende contractpartij/vervoerder stuurt uiterlijk zes weken voor aanvang van het vervoerscontract aan SFM de volledige rapportage met betrekking tot de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 2.3. Indien een verkrijgende contractpartij/vervoerder voorziet dat deze de rapportage niet tijdig aan SFM kan toesturen, kan deze, met redenen omkleed, een verzoek om uitstel indienen bij SFM.

1.1s Gewerkte uren

Het gemiddelde aantal gewerkte uren (inclusief betaald verlof en ziekte) in de referteperiode van 3 kalendermaanden direct voorafgaand aan de publicatiedatum, van welke periode door de huidige contractpartij/vervoerder kan worden afgeweken indien die periode niet representatief is; in dat geval kan de huidige contractpartij/vervoerder, mits onderbouwd, uitgaan van een andere, meer representatieve referteperiode. Voor een fulltime werknemer wordt uitgegaan van 173,33 uur per maand, 160 uur per periode van 4 weken of 40 uur per week aan gewerkte uren. Voor werknemers die minder gewerkte uren hebben dan het aantal uren zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, is het aantal uren zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst leidend.

1.1t Aantal dienstjaren

Het aantal jaren, relevant voor het vaststellen van de transitievergoeding.

1.1u Anciënniteit

Het aantal jaren dat een werknemer in de bedrijfstak werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst, waarbij elk kalenderjaar waarin werknemer werkzaam is geweest als volledig jaar wordt meegeteld, ook indien niet gedurende dat gehele kalenderjaar werkzaamheden zijn verricht.

1.1v Schriftelijk baanaanbod

In deze regeling wordt onder schriftelijk baanaanbod verstaan: een schriftelijke uitvraag onder de betrokken werknemers of deze een baanaanbod zouden accepteren. Als dit wordt bevestigd dan volgt een baanaanbod in de vorm van een schriftelijke arbeidsovereenkomst.

2. REGELING

De Regeling overgang personeel bij overgang vervoerscontracten (hierna te noemen: OPOV-regeling) is van toepassing op een aanbesteding zoals bedoeld in 1.1n.

Voor de navolgende situaties geldt de regeling ‘Overgang van personeel bij contractwisseling’ (OPBC) zoals is opgenomen in bijlage 3b:

  • a) Vervoerscontracten, welke het gevolg zijn van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n, die tussentijds eindigen of beëindigd worden, waarbij een derde partij het beëindigde of geëindigde vervoerscontract geheel of gedeeltelijk overneemt of voortzet, uitgezonderd faillissementssituaties, zoals bedoeld onder de ‘Regeling bij faillissementen’, zoals opgenomen in bijlage 3c.

  • b) Een contractpartij aan wie een vervoerscontract, welke het gevolg is van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n, werd gegund, die tijdens de looptijd van dat vervoerscontract de daadwerkelijke uitvoering daarvan verwezenlijkt of laat verwezenlijken door één of meer andere vervoerders dan de vervoerder of vervoerders die het vervoer bij aanvang van het betreffende vervoerscontract uitvoerden. Het kan hierbij gaan om de situatie dat een contractpartij de samenwerking met de vervoerder of vervoerders beëindigt of dat de vervoerder of vervoerders de samenwerking met een contractpartij beëindigt resp. beëindigen.

  • c) Een vervoerscontract, welke het gevolg is van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n, geëindigd is, voordat de nieuwe aanbesteding definitief is gegund en waarbij direct aansluitend aan de beëindiging van het vervoerscontract middels een tijdelijke voorziening het vervoer wordt uitgevoerd door een andere contractpartij/vervoerder.

Voor de navolgende situaties geldt de ‘Regeling bij faillissementen’ (RBF) zoals is opgenomen in bijlage 3c:

  • a) Vervoerscontracten, welke het gevolg zijn van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n, die tussentijds eindigen of beëindigd worden als gevolg van een faillissementssituatie van een contractpartij, waarbij een derde partij het beëindigde of geëindigde vervoerscontract geheel of gedeeltelijk overneemt of voortzet.

  • b) Een contractpartij aan wie een vervoerscontract, welke het gevolg is van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n, werd gegund, die tijdens de looptijd van dat vervoerscontract de daadwerkelijke uitvoering daarvan verwezenlijkt of laat verwezenlijken door één of meer andere vervoerders dan de vervoerder of vervoerders die het vervoer bij aanvang van het betreffende vervoerscontract uitvoerden, als gevolg van een faillissementssituatie van de vervoerder of vervoerders die het vervoer bij aanvang van het betreffende vervoerscontract uitvoerden.

2.1

Uiterlijk 8 werkdagen na publicatiedatum, waarin ten minste een deel van het door de huidige contractpartij/vervoerder verzorgde vervoer aan de orde is, dient deze contractpartij/vervoerder schriftelijk opgave te doen van het betrokken personeel bij het vervoerscontract dat aanbesteed wordt.

De huidige contractpartij/vervoerder dient een volledige opgave te doen aan SFM van:

Personeel dat ingezet is bij het vervoerscontract, gerangschikt per perceel / basepoint, per vervoerder (inclusief eigen personeel of dat van ingeschakelde onderaannemers of van een uitzendonderneming) met daarbij de volgende gegevens:

  • a. Voorletter(s), achternaam

  • b. Adresgegevens en telefoonnummer

  • c. Emailadres

  • d. Geboortedatum

  • e. Aantal gewerkte uren per maand/periode/week

  • f. Betrokkenheidpercentage

Van de betrokken werknemers zoals opgenomen onder de definities 1.1a en 1.1b levert de huidige contractpartij/vervoerder de volgende gegevens ook nog aan:

  • g. Aantal vakantiedagen

  • h. Duur dienstverband: bepaalde / onbepaalde tijd

  • i. Aantal dienstjaren, die relevant zijn voor het vaststellen van de transitievergoeding

  • j. Anciënniteit

  • k. Einddatum arbeidsovereenkomst bij bepaalde tijd

  • l. Bruto uurloon

  • m. Aantal arbeidsovereenkomsten (bij bepaalde tijd)

  • n. Naam van de functie

  • o. Standplaats, zijnde vestigingsadres

De huidige contractpartij/vervoerder levert tevens per betrokken werknemer een kopie van de loonstrook aan, waarop het laatstverdiende bruto uurloon is opgenomen.

SFM is bevoegd de opgave op juistheid te controleren. Ingeval van daadwerkelijke onjuistheden treedt SFM in contact met de huidige contractpartij/vervoerder, waarna SFM de opgave aanpast.

SFM bepaalt op basis van de personeelsopgave van de huidige contractpartij/vervoerder het totaal aantal inzeturen, door per werknemer die betrokken is bij het vervoerscontract het aantal inzeturen te bepalen (zijnde het aantal gewerkte uren (zonder ziekte en verlof) x het betrokkenheidspercentage), waarna deze inzeturen voor alle werknemers betrokken bij het vervoerscontract bij elkaar opgeteld worden. Vervolgens wordt door SFM per vervoerder de overnamelijst met betrokken werknemers vastgesteld, waarbij het totaal van de opgegeven gewerkte uren van deze werknemers, 75% van het aantal inzeturen bedraagt. De laatst betrokken werknemer staat altijd voor het totaal aantal door hem gewerkte uren als bedoeld in 1.1s op de lijst. De volgorde wordt volgens de navolgende systematiek bepaald:

Ingeval van leerlingenvervoer:

  • 1. Groter of gelijk aan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst bij huidige contractpartij/vervoerder en payrollkrachten

    • b. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

  • 2. Kleiner dan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst bij huidige contractpartij/vervoerder en payrollkrachten

    • b. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

SFM zet per categorie de werknemer met de hoogste betrokkenheid bovenaan. Indien er sprake is van een gelijk betrokkenheidspercentage komt de oudste werknemer bovenaan. In geval van AOW gerechtigden komt bij een gelijk betrokkenheidspercentage de jongste werknemer bovenaan.

Ingeval van contractvervoer:

  • 1. Groter of gelijk aan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor onbepaalde tijd,

    • b. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor bepaalde tijd,

    • c. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder zijnde AOW-gerechtigden en payrollkrachten zijnde AOW-gerechtigden

    • d. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

  • 2. Kleiner dan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor onbepaalde tijd,

    • b. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor bepaalde tijd,

    • c. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder zijnde AOW-gerechtigden en payrollkrachten zijnde AOW-gerechtigden

    • d. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

SFM zet per categorie de werknemer met de hoogste anciënniteit bovenaan. Indien er sprake is van een gelijke anciënniteit komt de oudste werknemer bovenaan. In geval van AOW gerechtigden komt bij gelijke anciënniteit de jongste werknemer bovenaan.

Na ontvangst van de opgave van de huidige contractpartij/vervoerder stuurt SFM binnen 3 werkdagen de betreffende werknemers een brief met informatie over de regeling en vraagt om de betreffende gegevens te controleren. SFM vermeldt in de brief tevens de te verwachten datum van de definitieve gunning en de te verwachten datum aanvang van het vervoerscontract.

Werknemer dient binnen 6 werkdagen na ontvangst van voornoemde brief te reageren naar SFM. Geen reactie betekent akkoord van de zijde van werknemer met de informatie van SFM. Indien de werknemer niet akkoord is met de in de brief vermelde uren, dan toont de werknemer aan hoeveel uren hij daadwerkelijk heeft gewerkt en hoeveel uren hij daadwerkelijk voor het betreffende vervoerscontract heeft gewerkt. Indien de werknemer met andere gegevens uit voornoemde brief niet akkoord is, maakte deze aantoonbaar kenbaar wat de juiste gegevens moeten zijn. SFM verifieert deze gegevens bij de huidige contractpartij/vervoerder en past de opgave indien nodig aan.

SFM zorgt er voor dat binnen één week na de hierboven genoemde termijn van 6 werkdagen, een geanonimiseerde lijst op de website van SFM wordt gepubliceerd. Per betrokken werknemer wordt vermeld:

  • a. aantal gewerkte uren,

  • b. duur dienstverband: bepaalde / onbepaalde tijd

  • c. aantal vakantiedagen

  • d. betrokkenheidpercentage bij rijdend personeel: groter dan of gelijk aan 25% of kleiner dan 25%,

  • e. einddatum arbeidsovereenkomst bij bepaalde tijd

  • f. bruto uurloon .

  • g. aantal dienstjaren, die relevant zijn voor het vaststellen van de transitievergoeding

  • h. anciënniteit

  • i. aantal arbeidsovereenkomsten (bij bepaalde tijd)

  • j. naam van de functie

  • k. standplaats (eerste 4 cijfers van postcode, van zowel het woonadres als het vestigingsadres)

Indien de huidige contractpartij/vervoerder nalaat om binnen de gestelde termijn aan SFM deze opgave te doen, dan wel er sprake is van opzettelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens verbeurt hij aan SFM een boete van € 1.000,00 per dag waarmee de hiervoor aangegeven termijn wordt overschreden dit tot een maximum van 10% van de totale contractwaarde van het vervoerscontract. Indien binnen de hiervoor genoemde termijn geen opgave wordt gedaan aan SFM, dan wel er sprake is van opzettelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens dan zal de huidige contractpartij/vervoerder nog eenmaal in de gelegenheid worden gesteld zijn verzuim te herstellen en wel binnen één week, bij gebreke waarvan hij genoemde boete verschuldigd zal zijn.

2.2

De opgave wordt door SFM bewaard met gegarandeerde geheimhouding tot het moment van definitieve gunning.

  • a. Wanneer blijkt dat de vervoersopdracht opnieuw aan de huidige contractpartij/vervoerder is gegund en er zijn geen onderaannemers betrokken dan zal de opgave van personeel intern worden vernietigd. De regeling is in dat geval niet van toepassing.

  • b. Wanneer de vervoersopdracht is gegund aan een andere dan de huidige contractpartij/vervoerder, is de regeling van toepassing en zal de opgave worden doorgestuurd naar de verkrijgende contractpartij/vervoerder en tevens in kopie worden verzonden naar de huidige contractpartij/vervoerder en de vakbonden die betrokken zijn bij deze CAO. Er is tevens sprake van een ‘andere dan de huidige contractpartij/vervoerder’ indien de samenstelling van de verkrijgende contractpartij/vervoerder op enigerlei wijze anders is dan die van de huidige contractpartij/vervoerder.

  • c. Wanneer blijkt dat de vervoersopdracht opnieuw aan de huidige contractpartij/vervoerder is gegund die gebruik maakt van onderaannemer(s) waarvan na overgang van het vervoerscontract geen gebruik meer gemaakt wordt, is de regeling van toepassing. Ook in deze situatie zal opgave van personeel worden doorgestuurd naar de verkrijgende contractpartij/vervoerder en tevens in kopie worden verzonden naar de huidige contractpartij/vervoerder en de vakbonden die betrokken zijn bij deze CAO.

  • d. Wanneer blijkt dat de vervoersopdracht opnieuw aan de huidige contractpartij/vervoerder is gegund die gebruik maakt van onderaannemers waarvan na overgang van het vervoerscontract dezelfde onderaannemers het vervoer blijven doen, maar de omvang van het werk tussen de onderaannemers onderling dan wel tussen onderaannemers en hoofdaannemer zich wijzigt dan is de regeling van toepassing. In deze situatie zal opgave van personeel formeel worden doorgestuurd naar de verkrijgende contractpartij/vervoerder en tevens in kopie worden verzonden naar de huidige contractpartij/vervoerder en de vakbonden die betrokken zijn bij deze CAO.

2.3

Bij het aanbieden van respectievelijk een schriftelijk baanaanbod en een arbeidsovereenkomst door de verkrijgende contractpartij/vervoerder, blijven tenminste onderstaande vijf kenmerken gelijk, welke de werknemer heeft bij de huidige contractpartij/vervoerder:

  • aantal gewerkte uren,

  • contractduur, bepaalde of onbepaalde tijd, conform de schriftelijke arbeidsovereenkomst

  • aantal vakantiedagen, conform de laatste loonstrook of laatste vakantiekaart

  • de inhoud van de functie, conform de schriftelijke arbeidsovereenkomst

  • laatstverdiende bruto uurloon zoals deze van toepassing was op publicatiedatum, met inachtneming van een eventuele nog van toepassing zijnde tredeverhoging (conform artikel 3.6.2 of artikel 3.11.2 van deze CAO), conform de laatst verkregen loonstrook.

Onder schriftelijk wordt in geval van een baanaanbod ook verstaan dat deze digitaal aangeboden kan worden.

Indien de verkrijgende contractpartij/vervoerder een baanaanbod of een arbeidsovereenkomst moet aanbieden aan een uitzendkracht (als bedoeld in artikel 1.1a en 1.1b) dan staat het de verkrijgende contractpartij/vervoerder vrij om deze uitzendkracht onder de brengen bij een willekeurige uitzendonderneming vallend onder de werkingssfeer van deze CAO.

Indien de verkrijgende contractpartij/vervoerder een baanaanbod of een arbeidsovereenkomst moet aanbieden aan een payrollkracht (als bedoeld in artikel 1.1a en 1.1b) dan staat het de verkrijgende contractpartij/vervoerder vrij om deze payrollkracht onder de brengen bij een willekeurige payrollonderneming.

Indien de verkrijgende contractpartij een baanaanbod of arbeidsovereenkomst moet aanbieden aan een betrokken werknemer, die in dienst was bij een vervoerder waar de huidige contractpartij een vervoerscontract mee had, dan staat het de verkrijgende contractpartij vrij om deze werknemer onder te brengen bij een vervoerder waar de verkrijgende contractpartij een vervoerscontract mee heeft.

De verkrijgende contractpartij/vervoerder dient binnen 2 weken na ontvangst van de opgave van SFM een schriftelijk baanaanbod te doen. De werknemer dient binnen 2 weken na ontvangst van dat baanaanbod aan de verkrijgende contractpartij/vervoerder te laten weten of hij het aanbod al dan niet accepteert.

Indien werknemer het baanaanbod niet wenst te accepteren maakt de werknemer dat schriftelijk (waaronder ook wordt verstaan digitaal) kenbaar aan de partij die het baanaanbod heeft gedaan. Indien werknemer heeft aangegeven het baanaanbod niet te accepteren hoeft de verkrijgende contractpartij/vervoerder deze werknemer geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden. Indien de werknemer, na aanvullende aantoonbare inspanning van de verkrijgende contractpartij/vervoerder, niet reageert op het baanaanbod, hoeft de verkrijgende contractpartij/vervoerder deze werknemer geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden.

De schriftelijke arbeidsovereenkomst dient, met in achtneming van artikel 1.1c, uiterlijk 8 weken voor aanvang van het vervoerscontract aangeboden te worden. De werknemer dient binnen 2 weken na ontvangst van de arbeidsovereenkomst aan de verkrijgende contractpartij/vervoerder te laten weten of deze al dan niet de arbeidsovereenkomst accepteert.

Indien een werknemer ondubbelzinnig te kennen geeft minder of geen uren in zijn arbeidsovereenkomst te willen laten opnemen, dan staat het werknemer vrij hiervoor te kiezen.

2.4

Indien ten aanzien van de werknemer bij de verkrijgende contractpartij/vervoerder als gevolg van toepassing van de OPOV-regeling een standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder, wordt bepaald, waardoor de enkele reisafstand 50 kilometer of meer extra wordt – vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie kortste route), in vergelijking met de reisafstand van of naar de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de overdragende contractpartij/vervoerder – geldt een compensatie regeling indien van die standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt. Deze compensatie regeling houdt in dat de werknemer gedurende de eerste zes maanden, gerekend vanaf het moment dat daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de standplaats, zijnde vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder, ter zake de extra reistijd – vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie snelste route), die het gevolg is van het bepalen van de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder – gecompenseerd wordt middels uitbetaling van het functieloon aangaande die extra reistijd. De eventuele extra reiskosten zijn voor rekening van werknemer.

De eerdergenoemde compensatie vindt niet plaats indien de enkele reisafstand van of naar de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder minder dan 50 kilometer extra wordt in vergelijking met de reisafstand van of naar de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de overdragende contractpartij/vervoerder.

2.5

Indien de huidige contractpartij bij de uitvoering van het vervoerscontract gebruik maakt van andere vervoerders dienen deze andere vervoerders de opgave van personeel dat ingezet is bij het vervoerscontract zoals genoemd onder lid 2.1, te verstrekken aan de huidige contractpartij. De huidige contractpartij dient erop toe te zien dat de hierboven genoemde andere vervoerders, waarvan hij voor de uitvoering van de vervoersopdracht gebruik maakt c.q. gebruik heeft gemaakt, de onder 2.1 genoemde verplichtingen daadwerkelijk nakomen.

Indien de verkrijgende contractpartij bij de uitvoering van het verworven vervoerscontract gebruik maakt van andere vervoerders dienen deze andere vervoerders de rapportage van overgenomen betrokken personeel, zoals genoemd in lid 2.6, te verstrekken aan de verkrijgende contractpartij. De verkrijgende contractpartij dient erop toe te zien dat de hierboven genoemde andere vervoerders, waarvan hij voor de uitvoering van de vervoersopdracht gebruik maakt c.q. gebruik zal gaan maken, de hiervoor omschreven verplichtingen daadwerkelijk nakomen.

Indien de huidige en/of verkrijgende contractpartij gebruik maakt van andere vervoerder(s) dan zijn die andere vervoerder(s) in gelijke mate gebonden aan deze regeling en kunnen dan ook zelfstandig worden aangesproken op de naleving van deze regeling. SFM kan de onder lid 2.1 en lid 2.6 genoemde boete alleen rechtstreeks bij andere vervoerders opvorderen na behoorlijke ingebrekestelling.

2.6

Indien de verkrijgende contractpartij/vervoerder nalaat om respectievelijk binnen 4 weken na ontvangst van de definitieve opgave van SFM en/of uiterlijk 6 weken voor aanvangsdatum van het vervoerscontract de volledige rapportage zoals bedoeld in artikel 1.1r aan SFM toe te sturen, verbeurt hij aan SFM een boete van € 1.000,– per dag waarmee de hiervoor aangegeven termijn wordt overschreden. Dit tot een maximum van 10% van de contractwaarde. Indien binnen de hiervoor genoemde termijn geen juiste en/of (volledige) rapportage wordt gedaan aan SFM, dan zal de verkrijgende contractpartij/vervoerder nog eenmaal in de gelegenheid worden gesteld zijn verzuim te herstellen en wel binnen één week, bij gebreke waarvan hij genoemde boete verschuldigd zal zijn.

3 HARDHEIDSCLAUSULE

In zeer uitzonderlijke gevallen waarbij de gevolgen van de onverkorte toepassing van de regeling voor de verkrijgende contractpartij/vervoerder naar het oordeel van SFM onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot het te dienen doel, kan SFM op schriftelijk verzoek besluiten om af te wijken van de regeling.

4 BEZWAARCOMMISSIE

Binnen SFM is een onafhankelijke bezwaarcommissie ingesteld. De bezwaarcommissie bestaat uit 3 leden. Werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij deze CAO dragen ieder een onafhankelijke kandidaat en vervanger voor. De onafhankelijk voorzitter heeft alleen stemrecht indien de stemmen staken. SFM zal het secretariaat voeren.

Een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende deze regeling kan door de verkrijgende en/of de huidige contractpartij/vervoerder en/of het betrokken personeel worden gedaan.

De bezwaarprocedure laat onverlet dat partijen het verzoek waarmee zij zich tot de Bezwaarcommissie richten, alsnog aan de bevoegde rechter kunnen voorleggen.

BIJLAGE 3B REGELING OVERGANG PERSONEEL BIJ CONTRACTWISSELING (OPBC)

1 DEFINITIES
1.1a Betrokken werknemer: rijdend

Een betrokken werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) is een werknemer die gedurende tenminste 6 aaneengesloten maanden, direct voorafgaand aan het toetsingsmoment, elke maand werkzaamheden heeft uitgevoerd ten behoeve van het vervoerscontract. Verlof en/of ziekte zijn geen onderbreking in de zin van betrokkenheid.

Een werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder begrepen een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) waarvan de arbeidsovereenkomst afloopt tussen het toetsingsmoment en de datum daadwerkelijke aanvang vervoer is geen betrokken werknemer.

1.1b Betrokken werknemer: niet-rijdend

Een betrokken werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder begrepen een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) is een werknemer die gedurende tenminste 6 aaneengesloten maanden, direct voorafgaand aan het toetsingsmoment, elke maand werkzaamheden heeft uitgevoerd ten behoeve van het vervoerscontract, voorzover deze, gerekend over de periode van 6 maanden, direct voorafgaand aan het toetsingsmoment voor 50% of meer van zijn werkzaamheden werkzaam is geweest ten behoeve van het vervoerscontract. Verlof en/of ziekte zijn geen onderbreking in de zin van betrokkenheid.

Een werknemer (mede daaronder begrepen een payrollkracht en mede daaronder begrepen een uitzendkracht die wordt ingeleend van een uitzendonderneming die volledig valt onder de werkingssfeer van deze CAO) waarvan de arbeidsovereenkomst afloopt tussen het toetsingsmoment en de datum daadwerkelijke aanvang vervoer is geen betrokken werknemer.

1.1c Arbeidsongeschikte werknemer

Werknemer die direct voorafgaand aan de publicatiedatum 6 weken of langer aaneengesloten volledig arbeidsongeschikt is voor zijn bedongen arbeid, wordt niet als betrokken werknemer beschouwd. Perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Voorgaande alinea leidt er toe dat een werknemer die direct voorafgaand aan de publicatiedatum minder dan 6 weken volledig arbeidsongeschikt is, alsmede een werknemer die niet volledig arbeidsongeschikt is, en tevens een werknemer die na de publicatiedatum volledig arbeidsongeschikt wordt, als betrokken werknemer wordt beschouwd. De voornoemde werknemers worden in afwijking van het vorenstaande niet als betrokken werknemer aangemerkt indien op de hieronder omschreven wijze is vastgesteld dat de huidige contractpartij/vervoerder niet aan zijn verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan.

Voor het vaststellen of de huidige contractpartij/vervoerder al dan niet aan eerder genoemde re-integratieverplichtingen heeft voldaan geldt de volgende werkwijze:

  • 1. Van een werknemer, die direct voorafgaand aan de publicatiedatum minder dan 6 weken volledig arbeidsongeschikt is, alsmede van de werknemer die niet volledig arbeidsongeschikt is en tevens van de werknemer die na de publicatiedatum volledig arbeidsongeschikt wordt, wordt door de huidige contractpartij/vervoerder 8 weken voor aanvang van het nieuwe vervoerscontract een zo recent mogelijk oordeel van een door SFM gecontracteerde organisatie overlegd aan SFM, waaruit blijkt dat de huidige contractpartij/vervoerder al dan niet aan zijn verplichtingen inzake re- integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan.

  • 2. Indien uit het onder 1 bedoelde oordeel blijkt dat de huidige contractpartij/vervoerder niet aan de verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan, heeft de huidige contractpartij/vervoerder twee weken, gerekend vanaf het moment dat deze het onder 1 bedoelde oordeel overlegd heeft aan SFM, de tijd om alsnog aan die verplichtingen te voldoen. Indien, naar het oordeel van de door SFM gecontracteerde organisatie, de huidige contractpartij/vervoerder na die termijn van twee weken niet aan eerder genoemde re-integratieverplichtingen heeft voldaan, wordt de betreffende arbeidsongeschikte werknemer als niet betrokken werknemer beschouwd.

  • 3. Indien uit het onder 1 bedoelde oordeel blijkt dat de huidige contractpartij/vervoerder wel aan de verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter heeft voldaan, draagt SFM er zorg voor dat de verkrijgende contractpartij/vervoerder het oordeel ontvangt. De huidige contractpartij/vervoerder is verplicht het re-integratiedossier (m.u.v. medische gegevens) te overleggen aan de verkrijgende contractpartij/vervoerder, zodra deze met de betreffende arbeidsongeschikte werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan.

Als genoemd onder 1 draagt SFM er zorg voor dat een organisatie gecontracteerd wordt, die door de huidige contractpartij/vervoerder dient te worden ingeschakeld om te bepalen of al dan niet aan de verplichtingen inzake re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter is voldaan. Op het oordeel van de door SFM te contracteren organisatie kan enkel en alleen een beroep worden gedaan in het licht van de OPOV-regeling. Er kan anderszins op geen enkele manier enig recht aan worden ontleend.

1.1d Leerlingenvervoer

Zorgvervoer en taxivervoer van leerlingen behorende tot een beperkte groep, te vervoeren over een bepaalde verbinding (route), op vaste tijden.

1.1e Contractvervoer

Al het overige zorgvervoer en taxivervoer, niet vallend onder 1.1d.

1.1f Contractpartij(en)

De partij(en) waar mee de aanbestedende opdrachtgever het vervoerscontract sluit of heeft gesloten.

1.1g Vervoerder(s)

De partij(en) die het feitelijk vervoer verricht (verrichten) of heeft (hebben) verricht. Hieronder worden ook alle onderaannemers verstaan.

1.1h Intra-concern detachering

Een driehoeksverhouding waarbij de werknemer een arbeidsovereenkomst sluit met een vennootschap en feitelijk werkzaam is bij een andere tot hetzelfde concern behorende vennootschap die als huidige contractpartij/vervoerder kan worden gekwalificeerd.

In geval van intra-concern detachering door een personeelsvennootschap is de regeling integraal van toepassing op die personeelsvennootschap. Het onderdeel van het concern dat als huidige contractspartij kan worden gekwalificeerd is verplicht zich ervan te verzekeren dat de regeling door de tot hetzelfde concern behorende vennootschap waarbij de werknemer in dienst is, wordt nageleefd.

1.1i Vervoerscontract

Een schriftelijke overeenkomst waarbij een contractpartij(en)/vervoerder(s) zich verplicht(en) om bepaalde vormen van dienstverlening te verrichten welke vallen onder deze CAO.

1.1j Betrokkenheidpercentage

Het aantal uur dat een werknemer betrokken is bij een vervoerscontract gedeeld door het aantal gewerkte uren x 100% berekend over de 6 kalendermaanden direct voorafgaand aan toetsingsmoment.

1.1k Personeel ingezet voor het vervoerscontract

Werknemers, die bij de huidige contractpartij/vervoerder in dienst zijn, de payrollkrachten en andere uitzendkrachten (in dienst van uitzendondernemingen die al dan niet rechtstreeks vallen onder de werkingssfeer van deze CAO), die ingezet worden ten behoeve van vervoerscontract op het moment van het toetsingsmoment.

Op het moment dat de toerekening van de betrokken werknemers aan verschillende vervoerscontracten, percelen of basepoints niet eenduidig kan worden vastgesteld, dan zal SFM de betrokken werknemers naar rato van de grootte van het over te nemen vervoerscontract, perceel of basepoint toerekenen aan de hand van de dichtstbijzijnde postcode of respectievelijk het woonadres van de betrokken werknemer.

1.1l Opzegtermijn

In beginsel is de werknemer die in het kader van de regeling een arbeidsovereenkomst aangaat met de verkrijgende contractpartij/vervoerder gehouden aan de wettelijke of overeengekomen opzegtermijn bij de zijn huidige werkgever, tenzij en voor zover deze termijn de werknemer belet zijn werkzaamheden aan te vangen.

1.1m Aanvangsdatum arbeidsovereenkomst

De datum waarop werknemers in het kader van de regeling in dienst treden bij de verkrijgende vervoerder is gelijk aan de aanvangsdatum van het verkregen vervoerscontract.

Betrokken partijen (zijnde de verkrijgende contractpartij/vervoerder, de huidige contractpartij/vervoerder en de vakbonden) kunnen, onder toezicht van SFM besluiten dat de arbeidsovereenkomsten bij de verkrijgende partij niet ingaan op de ingangsdatum van het vervoerscontract is, maar op de datum waarop het vervoer daadwerkelijk aanvangt.

1.1n Concurrentiebeding en proeftijd

Voor de betrokken werknemer welke een arbeidsovereenkomst aangaat met de verkrijgende contractpartij/vervoerder geldt dat deze niet gehouden is aan een eventueel van toepassing zijnde concurrentiebeding.

Het opnemen van een proeftijd in de nieuwe arbeidsovereenkomst is niet toegestaan.

1.1o Rapportage

De verkrijgende contractpartij/vervoerder dient op twee momenten aan SFM te rapporteren en wel als volgt:

  • a. Een overzicht waarin de verkrijgende contractpartij/vervoerder inzichtelijk maakt welke betrokken werknemers gerangschikt per categorie een schriftelijk baanaanbod hebben gekregen. Tevens dient in de rapportage te worden aangegeven welke werknemers het aanbod hebben geaccepteerd dan wel hebben afgewezen. Van de werknemers die het baanaanbod hebben afgewezen wordt een kopie van het document waarin de werknemer deze afwijzing kenbaar maakt, bij de rapportage gevoegd.

    De verkrijgende contractpartij/vervoerder stuurt binnen vier weken na ontvangst van de personeelsopgave van SFM aan SFM de volledige rapportage met betrekking tot de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 2.2. Indien een verkrijgende contractpartij/vervoerder voorziet dat deze de rapportage niet binnen vier weken aan SFM kan toesturen, kan deze, met redenen omkleed, een verzoek om uitstel indienen bij SFM.

  • b. Een overzicht waarin de verkrijgende contractpartij/vervoerder inzichtelijk maakt welke betrokken werknemers gerangschikt per categorie een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden hebben gekregen. Tevens dient in de rapportage te worden aangegeven welke werknemers de arbeidsovereenkomst hebben geaccepteerd dan wel hebben afgewezen. Van de werknemers die de arbeidsovereenkomst hebben geaccepteerd wordt een kopie hiervan bij de rapportage gevoegd.

    De verkrijgende contractpartij/vervoerder stuurt uiterlijk zes weken voor aanvang van het vervoerscontract aan SFM de volledige rapportage met betrekking tot de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 2.2. Indien een verkrijgende contractpartij/vervoerder voorziet dat deze de rapportage niet tijdig aan SFM kan toesturen, kan deze, met redenen omkleed, een verzoek om uitstel indienen bij SFM.

1.1p Gewerkte uren

Het gemiddelde aantal gewerkte uren (inclusief betaald verlof en ziekte) in de referteperiode van 3 kalendermaanden direct voorafgaand aan het toetsingsmoment, van welke periode door de huidige contractpartij/vervoerder kan worden afgeweken indien die periode niet representatief is; in dat geval kan de huidige contractpartij/vervoerder, mits onderbouwd, uitgaan van een andere, meer representatieve referteperiode. Voor een fulltime werknemer wordt uitgegaan van 173,33 uur per maand, 160 uur per periode van 4 weken of 40 uur per week aan gewerkte uren. Voor werknemers die minder gewerkte uren hebben dan het aantal uren zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, is het aantal uren zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst leidend.

1.1q Aantal dienstjaren

Het aantal jaren, relevant voor het vaststellen van de transitievergoeding.

1.1r Anciënniteit

Het aantal jaren dat een werknemer in de bedrijfstak werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst, waarbij elk kalenderjaar waarin werknemer werkzaam is geweest als volledig jaar wordt meegeteld, ook indien niet gedurende dat gehele kalenderjaar werkzaamheden zijn verricht.

1.1s Toetsingsmoment

Voor situaties zoals bedoeld onder 2a, 2b en 2c moet worden uitgegaan van 15 weken voorafgaand aan de datum waarop het vervoer daadwerkelijk eindigt.

1.1t Schriftelijk baanaanbod

In deze regeling wordt onder schriftelijk baanaanbod verstaan: een schriftelijke uitvraag onder de betrokken werknemers of deze een baanaanbod zouden accepteren. Als dit wordt bevestigd dan volgt een baanaanbod in de vorm van een schriftelijke arbeidsovereenkomst.

2 REGELING

De Regeling overgang personeel bij contractwisseling (hierna te noemen: OPBC regeling) is van toepassing op:

  • a) Vervoerscontracten, welke het gevolg zijn van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n van de OPOV-regeling, die tussentijds eindigen of beëindigd worden, waarbij een derde partij het beëindigde of geëindigde vervoerscontract geheel of gedeeltelijk overneemt of voortzet, uitgezonderd faillissementssituaties, zoals bedoeld onder de ‘Regeling bij faillissementen’, zoals opgenomen in bijlage 3c.

  • b) Een contractpartij aan wie een vervoerscontract, welke het gevolg is van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n van de OPOV-regeling, werd gegund, die tijdens de looptijd van dat vervoerscontract de daadwerkelijke uitvoering daarvan verwezenlijkt of laat verwezenlijken door één of meer andere vervoerders dan de vervoerder of vervoerders die het vervoer bij aanvang van het betreffende vervoerscontract uitvoerden. Het kan hierbij gaan om de situatie dat een contractpartij de samenwerking met de vervoerder of vervoerders beëindigt of dat de vervoerder of vervoerders de samenwerking met een contractpartij beëindigt resp. beëindigen.

  • c) Een vervoerscontract, welke het gevolg is van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n van de OPOV-regeling, geëindigd is, voordat de nieuwe aanbesteding definitief is gegund en waarbij direct aansluitend aan de beëindiging van het vervoerscontract middels een tijdelijke voorziening het vervoer wordt uitgevoerd door een andere contractpartij/vervoerder.

Iedere belanghebbende, zijnde partijen betrokken bij deze CAO, betrokken contractpartijen/vervoerders, vervoerders, onderaannemers of werknemers kunnen bij SFM melding maken van een contractwisseling, waarop de regeling mogelijk van toepassing is.

2.1

Uiterlijk 8 werkdagen na het toetsingsmoment, waarin ten minste een deel van het door de huidige contractpartij/vervoerder verzorgde vervoer aan de orde is, dient deze contractpartij/vervoerder schriftelijk opgave te doen van het betrokken personeel bij het vervoerscontract dat gewisseld wordt.

De huidige contractpartij/vervoerder dient een volledige opgave te doen aan SFM van:

Personeel dat ingezet is bij het vervoerscontract gerangschikt per perceel / basepoint, per vervoerder (inclusief eigen personeel of dat van ingeschakelde onderaannemers of van een uitzendonderneming) met daarbij de volgende gegevens:

  • a. Voorletter(s), achternaam

  • b. Adresgegevens en telefoonnummer

  • c. Emailadres

  • d. Geboortedatum

  • e. Aantal gewerkte uren per maand/periode/week

  • f. Betrokkenheidpercentage

Van de betrokken werknemers zoals opgenomen onder de definities 1.1a en 1.1b levert de huidige contractpartij/vervoerder de volgende gegevens ook nog aan:

  • g. Aantal vakantiedagen

  • h. Duur dienstverband: bepaalde / onbepaalde tijd

  • i. Aantal dienstjaren, die relevant zijn voor het vaststellen van de transitievergoeding

  • j. Anciënniteit

  • k. Einddatum arbeidsovereenkomst bij bepaalde tijd

  • l. Bruto uurloon

  • m. Aantal arbeidsovereenkomsten (bij bepaalde tijd)

  • n. Naam van de functie

  • o. Standplaats, zijnde vestigingsadres

De huidige contractpartij/vervoerder levert tevens per betrokken werknemer een kopie van de loonstrook aan, waarop het laatstverdiende bruto uurloon is opgenomen.

SFM is bevoegd de opgave op juistheid te controleren. Ingeval van daadwerkelijke onjuistheden treedt SFM in contact met de huidige contractpartij/vervoerder, waarna SFM de opgave aanpast.

SFM bepaalt op basis van de personeelsopgave van de huidige contractpartij/vervoerder het totaal aantal inzeturen, door per werknemer die betrokken is bij het vervoerscontract het aantal inzeturen te bepalen (zijnde het aantal gewerkte uren (zonder ziekte en verlof) x het betrokkenheidspercentage), waarna deze inzeturen voor alle werknemers betrokken bij het vervoerscontract bij elkaar opgeteld worden. Vervolgens wordt door SFM per vervoerder de overnamelijst met betrokken werknemers vastgesteld, waarbij het totaal van de opgegeven gewerkte uren van deze werknemers, 75% van het aantal inzeturen bedraagt. De laatst betrokken werknemer staat altijd voor het totaal aantal door hem gewerkte uren als bedoeld in 1.1s op de lijst. De volgorde wordt volgens de navolgende systematiek bepaald:

Ingeval van leerlingenvervoer:

  • 1. Groter of gelijk aan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst bij huidige contractpartij/vervoerder en payrollkrachten

    • b. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

  • 2. Kleiner dan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst bij huidige contractpartij/vervoerder en payrollkrachten

    • b. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

SFM zet per categorie de werknemer met de hoogste betrokkenheid bovenaan. Indien er sprake is van een gelijk betrokkenheidspercentage komt de oudste werknemer bovenaan. In geval van AOW gerechtigden komt bij een gelijk betrokkenheidspercentage de jongste werknemer bovenaan.

Ingeval van contractvervoer:

  • 1. Groter of gelijk aan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor onbepaalde tijd,

    • b. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor bepaalde tijd,

    • c. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder zijnde AOW-gerechtigden en payrollkrachten zijnde AOW gerechtigden

    • d. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

  • 2. Kleiner dan 25% betrokkenheid:

    • a. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor onbepaalde tijd,

    • b. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en payrollkrachten met een payrollovereenkomst voor bepaalde tijd,

    • c. Werknemers in dienst van de huidige contractpartij/vervoerder zijnde AOW-gerechtigden en payrollkrachten zijnde AOW gerechtigden

    • d. Uitzendkrachten, niet zijnde payrollkrachten

SFM zet per categorie de werknemer met de hoogste anciënniteit bovenaan. Indien er sprake is van een gelijke anciënniteit komt de oudste werknemer bovenaan. In geval van AOW gerechtigden komt bij gelijke anciënniteit de jongste werknemer bovenaan.

Na ontvangst van de opgave van de huidige contractpartij/vervoerder stuurt SFM binnen 3 werkdagen de betreffende werknemers een brief met informatie over de regeling en vraagt om de betreffende gegevens te controleren.

Werknemer dient binnen 6 werkdagen na ontvangst van voornoemde brief te reageren naar SFM. Geen reactie betekent akkoord van de zijde van werknemer met de informatie van SFM. Indien de werknemer niet akkoord is met de in de brief vermelde uren, dan toont de werknemer aan hoeveel uren hij daadwerkelijk heeft gewerkt en hoeveel uren hij daadwerkelijk voor het betreffende vervoerscontract heeft gewerkt. Indien de werknemer met andere gegevens uit voornoemde brief niet akkoord is, maakte deze aantoonbaar kenbaar wat de juiste gegevens moeten zijn. SFM verifieert deze gegevens bij de huidige contractpartij/vervoerder en past de opgave indien nodig aan.

SFM zorgt er voor dat binnen één week na de hierboven genoemde termijn van 6 werkdagen, de opgave wordt doorgestuurd naar de verkrijgende contractpartij/vervoerder en tevens in kopie worden verzonden naar de huidige contractpartij/vervoerder en de vakbonden die betrokken zijn bij de CAO Zorgvervoer en Taxi.

Indien de huidige contractpartij/vervoerder nalaat om binnen de gestelde termijn aan SFM deze opgave te doen, dan wel er sprake is van opzettelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens verbeurt hij aan SFM een boete van € 1.000,00 per dag waarmee de hiervoor aangegeven termijn wordt overschreden dit tot een maximum van 10% van de totale contractwaarde van het vervoerscontract. Indien binnen de hiervoor genoemde termijn geen opgave wordt gedaan aan SFM, dan wel er sprake is van opzettelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens dan zal de huidige contractpartij/vervoerder nog eenmaal in de gelegenheid worden gesteld zijn verzuim te herstellen en wel binnen één week, bij gebreke waarvan hij genoemde boete verschuldigd zal zijn.

2.2

Bij het aanbieden van respectievelijk een schriftelijk baanaanbod en een arbeidsovereenkomst door de verkrijgende contractpartij/vervoerder, blijven tenminste onderstaande vijf kenmerken gelijk, welke de werknemer heeft bij de huidige contractpartij/vervoerder:

  • aantal gewerkte uren,

  • contractduur, bepaalde of onbepaalde tijd, conform de schriftelijke arbeidsovereenkomst

  • aantal vakantiedagen, conform de laatste loonstrook of laatste vakantiekaart

  • de inhoud van de functie, conform de schriftelijke arbeidsovereenkomst

  • laatstverdiende bruto uurloon zoals deze van toepassing was op toetsingsmoment, met inachtneming van een eventuele nog van toepassing zijnde tredeverhoging (conform artikel 3.6.2 of artikel 3.11.2 van deze CAO), conform de laatst verkregen loonstrook.

Onder schriftelijk wordt in geval van een baanaanbod ook verstaan dat deze digitaal aangeboden kan worden.

Indien de verkrijgende contractpartij/vervoerder een baanaanbod of een arbeidsovereenkomst moet aanbieden aan een uitzendkracht (als bedoeld in artikel 1.1a en 1.1b) dan staat het de verkrijgende contractpartij/vervoerder vrij om deze uitzendkracht onder de brengen bij een willekeurige uitzendonderneming vallend onder de werkingssfeer van deze CAO.

Indien de verkrijgende contractpartij/vervoerder een baanaanbod of een arbeidsovereenkomst moet aanbieden aan een payrollkracht (als bedoeld in artikel 1.1a en 1.1b) dan staat het de verkrijgende contractpartij/vervoerder vrij om deze payrollkracht onder de brengen bij een willekeurige payrollonderneming.

Indien de verkrijgende contractpartij een baanaanbod of arbeidsovereenkomst moet aanbieden aan een betrokken werknemer, die in dienst was bij een vervoerder waar de huidige contractpartij een vervoerscontract mee had, dan staat het de verkrijgende contractpartij vrij om deze werknemer onder te brengen bij een vervoerder waar de verkrijgende contractpartij een vervoerscontract mee heeft.

De verkrijgende contractpartij/vervoerder dient binnen 2 weken na ontvangst van de opgave van SFM een schriftelijk baanaanbod te doen. De werknemer dient binnen 2 weken na ontvangst van dat baanaanbod aan de verkrijgende contractpartij/vervoerder te laten weten of hij het aanbod al dan niet accepteert.

Indien werknemer het baanaanbod niet wenst te accepteren maakt de werknemer dat schriftelijk (waaronder ook wordt verstaan digitaal) kenbaar aan de partij die het baanaanbod heeft gedaan. Indien werknemer heeft aangegeven het baanaanbod niet te accepteren hoeft de verkrijgende contractpartij/vervoerder deze werknemer geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden. Indien de werknemer, na aanvullende aantoonbare inspanning van de verkrijgende contractpartij/vervoerder, niet reageert op het baanaanbod, hoeft de verkrijgende contractpartij/vervoerder deze werknemer geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden.

De schriftelijke arbeidsovereenkomst dient, met in achtneming van artikel 1.1c, uiterlijk 8 weken voor aanvang van het vervoerscontract aangeboden te worden. De werknemer dient binnen 2 weken na ontvangst van de arbeidsovereenkomst aan de verkrijgende contractpartij/vervoerder te laten weten of deze al dan niet de arbeidsovereenkomst accepteert.

Indien een werknemer ondubbelzinnig te kennen geeft minder of geen uren in zijn arbeidsovereenkomst te willen laten opnemen, dan staat het werknemer vrij hiervoor te kiezen.

2.3

Indien ten aanzien van de werknemer bij de verkrijgende contractpartij/vervoerder als gevolg van toepassing van de OPBC-regeling een standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder, wordt bepaald, waardoor de enkele reisafstand 50 kilometer of meer extra wordt – vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie kortste route), in vergelijking met de reisafstand van of naar de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de overdragende contractpartij/vervoerder – geldt een compensatie regeling indien van die standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt. Deze compensatie regeling houdt in dat de werknemer gedurende de eerste zes maanden, gerekend vanaf het moment dat daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de standplaats, zijnde vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder, ter zake de extra reistijd – vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie snelste route), die het gevolg is van het bepalen van de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder – gecompenseerd wordt middels uitbetaling van het functieloon aangaande die extra reistijd. De eventuele extra reiskosten zijn voor rekening van werknemer.

De eerdergenoemde compensatie vindt niet plaats indien de enkele reisafstand van of naar de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de verkrijgende contractpartij/vervoerder minder dan 50 kilometer extra wordt in vergelijking met de reisafstand van of naar de standplaats, zijnde het vestigingsadres van de overdragende contractpartij/vervoerder.

2.4

Indien de huidige contractpartij bij de uitvoering van het vervoerscontract gebruik maakt van andere vervoerders dienen deze andere vervoerders de opgave van personeel dat ingezet is bij het vervoerscontract zoals genoemd onder lid 2.1, te verstrekken aan de huidige contractpartij. De huidige contractpartij dient erop toe te zien dat de hierboven genoemde andere vervoerders, waarvan hij voor de uitvoering van de vervoersopdracht gebruik maakt c.q. gebruik heeft gemaakt, de onder 2.1 genoemde verplichtingen daadwerkelijk nakomen.

Indien de verkrijgende contractpartij bij de uitvoering van het verworven vervoerscontract gebruik maakt van andere vervoerders dienen deze andere vervoerders de rapportage van overgenomen betrokken personeel, zoals genoemd in lid 2.5, te verstrekken aan de verkrijgende contractpartij. De verkrijgende contractpartij dient erop toe te zien dat de hierboven genoemde andere vervoerders, waarvan hij voor de uitvoering van de vervoersopdracht gebruik maakt c.q. gebruik zal gaan maken, de hiervoor omschreven verplichtingen daadwerkelijk nakomen.

Indien de huidige en/of verkrijgende contractpartij gebruik maakt van andere vervoerder(s) dan zijn die andere vervoerder(s) in gelijke mate gebonden aan deze regeling en kunnen dan ook zelfstandig worden aangesproken op de naleving van deze regeling. SFM kan de onder lid 2.1 en lid 2.5 genoemde boete alleen rechtstreeks bij andere vervoerders opvorderen na behoorlijke ingebrekestelling.

2.5

Indien de verkrijgende contractpartij/vervoerder nalaat om respectievelijk binnen 4 weken na ontvangst van de definitieve opgave van SFM en/of uiterlijk 6 weken voor aanvangsdatum van het vervoerscontract de volledige rapportage zoals bedoeld in artikel 1.1o aan SFM toe te sturen, verbeurt hij aan SFM een boete van € 1.000,– per dag waarmee de hiervoor aangegeven termijn wordt overschreden. Dit tot een maximum van 10% van de contractwaarde. Indien binnen de hiervoor genoemde termijn geen juiste en/of (volledige) rapportage wordt gedaan aan SFM, dan zal de verkrijgende contractpartij/vervoerder nog eenmaal in de gelegenheid worden gesteld zijn verzuim te herstellen en wel binnen één week, bij gebreke waarvan hij genoemde boete verschuldigd zal zijn.

3 HARDHEIDSCLAUSULE

In zeer uitzonderlijke gevallen waarbij de gevolgen van de onverkorte toepassing van de regeling voor de contractpartij/vervoerder naar het oordeel van SFM onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot het te dienen doel, kan SFM op schriftelijk verzoek besluiten om af te wijken van de regeling.

4 BEZWAARCOMMISSIE

Binnen SFM is een onafhankelijke bezwaarcommissie ingesteld. De bezwaarcommissie bestaat uit 3 leden. Werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij deze CAO dragen ieder een onafhankelijke kandidaat en vervanger voor. De onafhankelijk voorzitter heeft alleen stemrecht indien de stemmen staken. SFM zal het secretariaat voeren.

Een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende deze regeling kan door de verkrijgende en/of de huidige contractpartij/vervoerder en/of het betrokken personeel worden gedaan.

De bezwaarprocedure laat onverlet dat partijen het verzoek waarmee zij zich tot de Bezwaarcommissie richten, alsnog aan de bevoegde rechter kunnen voorleggen.

BIJLAGE 3C REGELING BIJ FAILLISSEMENTEN (RBF)

De Regeling bij faillissementen is van toepassing op de navolgende situaties:

  • a) Vervoerscontracten, welke het gevolg zijn van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n van de OPOV-regeling, die tussentijds eindigen of beëindigd worden als gevolg van een faillissementssituatie van een contractpartij, waarbij een derde partij het beëindigde of geëindigde vervoerscontract geheel of gedeeltelijk overneemt of voortzet.

  • b) Een contractpartij aan wie een vervoerscontract, welke het gevolg is van een aanbesteding zoals opgenomen onder 1.1n van de OPOV-regeling, werd gegund, die tijdens de looptijd van dat vervoerscontract de daadwerkelijke uitvoering daarvan verwezenlijkt of laat verwezenlijken door één of meer andere vervoerders dan de vervoerder of vervoerders die het vervoer bij aanvang van het betreffende vervoerscontract uitvoerden, als gevolg van een faillissementssituatie van de vervoerder of vervoerders die het vervoer bij aanvang van het betreffende vervoerscontract uitvoerden.

Indien een partij als genoemd in één van de bovenstaande situaties het vervoer of vervoerscontract geheel of gedeeltelijk overneemt of voortzet, meldt deze partij dat aan SFM.

De derde partij of contractpartij als genoemd in één van bovenstaande situaties biedt nieuwe werknemers die ten behoeve van (een deel van) het bij het faillissement betrokken vervoerscontract aan het werk zullen gaan, een M.U.P.-overeenkomst aan.

Indien deze werknemer kan aantonen bij de failliete vervoerder/contractpartij in dienst geweest te zijn, direct voorafgaand aan het faillissement, ontvangt deze, nadat deze werknemer gedurende 3 kalendermaanden daadwerkelijk gewerkt heeft, bij de derde partij of contractpartij, automatisch een aangepaste arbeidsovereenkomst die voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. De omvang van het arbeidsovereenkomst is gelijk aan het gemiddeld aantal gewerkte uren (inclusief betaald verlof en ziekte) berekend over referteperiode van 3 kalendermaanden die werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt

  • b. Het type arbeidsovereenkomst (bepaalde of onbepaalde tijd) dat werknemer had bij de failliete vervoerder/contractpartij.

Nadat een termijn van 4 maanden, nadat de derde partij of contractpartij, het vervoer of het vervoerscontract van de failliete vervoerder heeft overgenomen, is verstreken, stuurt de derde partij of contractpartij, als genoemd in één van de bovenstaande situaties, aan SFM een overzicht van welke werknemers de partij in dienst heeft genomen, die voorheen werkzaam waren voor de failliete vervoerder/contractpartij en of de betreffende werknemers na de referteperiode van 3 kalendermaanden automatisch een arbeidsovereenkomst hebben gekregen die voldoet aan de eerdere genoemde voorwaarden.

SFM is bevoegd de opgave op juistheid te controleren. Indien de partij zich niet heeft gehouden aan de inhoud van deze regeling, dient de partij er binnen 2 weken voor te zorgen dat deze alsnog aan de regeling voldoet. Indien de partij niet tijdig of niet volledig herstelt, verbeurt hij aan SFM een boete van € 1.000,– per dag, totdat de partij alsnog aan de regeling voldoet.

BIJLAGE 4 CAO-loon rijdend personeel

Loontabel per 1 januari 2022 rijdend personeel (inclusief 2,5% loonsverhoging)
       

verlofrechten

 
       

23 vkd

25 vkd

26 vkd

27 vkd

 

loontrede

maandloon

uurloon

overuur

9,70%

10,63%

11,11%

11,58%

categorie chauffeurs

3

€ 2.110,27

€ 12,17

€ 14,60

€ 13,35

€ 13,46

€ 13,52

€ 13,58

 

4

€ 2.156,87

€ 12,44

€ 14,93

€ 13,65

€ 13,76

€ 13,82

€ 13,88

 

5

€ 2.203,45

€ 12,71

€ 15,25

€ 13,94

€ 14,06

€ 14,12

€ 14,18

 

6

€ 2.250,07

€ 12,98

€ 15,58

€ 14,24

€ 14,36

€ 14,42

€ 14,48

 

7

€ 2.296,67

€ 13,25

€ 15,90

€ 14,54

€ 14,66

€ 14,72

€ 14,78

 

8

€ 2.343,25

€ 13,52

€ 16,22

€ 14,83

€ 14,96

€ 15,02

€ 15,09

maximale trede chauffeur straattaxi

9

€ 2.389,86

€ 13,79

€ 16,55

€ 15,13

€ 15,26

€ 15,32

€ 15,39

 

10

€ 2.436,46

€ 14,06

€ 16,87

€ 15,42

€ 15,55

€ 15,62

€ 15,69

maximale trede chauffeur contractvervoer beperkt

11

€ 2.483,06

€ 14,33

€ 17,20

€ 15,72

€ 15,85

€ 15,92

€ 15,99

 

12

€ 2.529,66

€ 14,59

€ 17,51

€ 16,01

€ 16,14

€ 16,21

€ 16,28

 

BIJLAGE 6 REGLEMENT DISPENSATIEVERZOEK

Procedure behandeling dispensatieverzoek door CAO-partijen

  • a. Het verzoek wordt door of namens betreffende werkgever of werknemer (hierna te noemen: de indiener) schriftelijk ingediend bij het secretariaat van CAO-partijen Zorgvervoer en Taxi, p/a KNV, Postbus 19365, 2500 CJ Den Haag.

  • b. Het verzoek omvat tenminste:

    • I. de bepaling(-en) waarop het verzoek zich richt

    • II. een beknopt overzicht van feiten en argumenten waarom dispensatie zou moeten worden verleend

  • c. De secretaris van CAO-partijen stuurt de indiener een ontvangstbevestiging en vermeldt daarin tevens wanneer het verzoek door CAO-partijen behandeld zal worden.

  • d. In beginsel worden verzoeken door CAO-partijen behandeld in het eerstvolgende reguliere CAO-partijen overleg. Indien het verzoek een spoedeisend karakter heeft, kan de secretaris van CAO-partijen, na consultatie van de eerste onderhandelaars van CAO-partijen, op verzoek van de indiener besluiten CAO-partijen te vragen het verzoek eerder (eventueel via een schriftelijke ronde) te behandelen.

  • e. Indien (de secretaris van) CAO-partijen dat nodig acht, kan zij besluiten tot het vragen van een nadere schriftelijke reactie.

  • f. CAO-partijen kunnen besluiten tot het houden van een hoorzitting. Indiener kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door deskundigen evenals zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Indien een partij zich wil laten bijstaan of vertegenwoordigen, stelt zij de secretaris van CAO-partijen ten minste 7 dagen voor de zitting daarvan schriftelijk op de hoogte. Kosten voortvloeiend uit de vertegenwoordiging door derden zijn voor de indiener.

  • g. CAO-partijen kunnen besluiten indien gewenst deskundigen op te roepen om te raadplegen en te horen.

  • h. Indien CAO-partijen van mening zijn dat het geen verzoek betreft zoals genoemd in artikel 1.3 van deze CAO, wordt het verzoek niet ontvankelijk verklaard.

  • i. CAO-partijen doen binnen 8 weken, nadat het verzoek aan de secretaris van CAO-partijen is voorgelegd, uitspraak. Als een nader schriftelijke reactie wordt gevraagd of een hoorzitting wordt gepland kunnen CAO-partijen besluiten de beslissingstermijn met 2 x 2 weken te verlengen.

  • j. Uiterlijk 2 weken na behandeling van het verzoek door CAO-partijen informeert de secretaris van CAO-partijen de indiener over het besluit. Dit geschiedt schriftelijk per aangetekend schrijven en het besluit bevat de motieven die tot de uitspraak hebben geleid.

  • k. Indien de indiener zich niet kan verenigen in het besluit van CAO-partijen dan kan hij binnen 2 weken na het besluit van CAO-partijen het verzoek voorleggen aan de bezwaarcommissie SFM.

Procedure behandeling bezwaren

Taak bezwaarcommissie

Er bestaat een Bezwaarcommissie binnen Sociaal Fonds Mobiliteit (SFM). Haar taak is het, op verzoek van beide betrokken partijen, doen van bindende uitspraken bij meerderheid van stemmen over voorgelegde geschillen betreffende onder andere de uitspraak van CAO-partijen naar aanleiding van een dispensatieverzoek.

Samenstelling Bezwaarcommissie

  • a) De Bezwaarcommissie bestaat uit drie leden, één namens de werkgeversorganisatie, één namens de werknemersorganisaties en één onafhankelijk voorzitter.

  • b) De leden van de Bezwaarcommissie worden voor een periode gelijk aan de looptijd van de CAO SFM benoemd door SFM bestuur op voordracht van de respectievelijke organisaties. De voorzitter wordt benoemd door het SFM bestuur.

  • c) Op dezelfde wijze als onder b wordt per functie een vervanger benoemd.

  • d) Leden van het SFM bestuur kunnen niet worden benoemd tot lid van de Bezwaarcommissie.

  • e) De leden van de Bezwaarcommissie oordelen zonder last of ruggespraak en naar redelijkheid en billijkheid.

Werkwijze Bezwaarcommissie

  • a. Binnen de Bezwaarcommissie hebben de leden, met uitzondering van de voorzitter, ieder een stem. Indien stemmen staken, is bepaald dat de voorzitter ook stemrecht krijgt. Dit komt neer op een totaal van twee (en in uitzonderingsgevallen drie) stemmen.

  • b. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  • c. De leden, plaatsvervangende leden, evenals de voorzitter zijn gehouden geheimhouding te bewaren ten aanzien van al datgene wat hen uit hoofde van het lidmaatschap respectievelijk functie ter kennis komt.

  • d. Een lid of plaatsvervangend lid van de Bezwaarcommissie dat rechtstreeks bemoeienis heeft of heeft gehad met het voorliggende geschil, mag aan de behandeling daarvan niet deelnemen.

  • e. De commissie doet een uitspraak middels een gemotiveerd besluit. Er vindt geen verslaglegging plaats.

Belanghebbende

  • a) Een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende de uitspraak van CAO-partijen naar aanleiding van een dispensatieverzoek kan door de indiener van dat dispensatieverzoek gedaan worden.

Aanhangig maken geschil betreffende uitspraak dispensatieverzoek

  • a) De termijn voor het indienen van een verzoek tot het doen van een uitspraak in een geschil betreffende de uitspraak van CAO-partijen naar aanleiding van een dispensatieverzoek bedraagt maximaal twee weken na het besluit van CAO-partijen.

  • b) Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij Sociaal Fonds Mobiliteit, p/a Bezwaarcommissie SFM, Postbus 154, 4100 AD te Culemborg.

  • c) Het verzoek bevat een beknopt overzicht van feiten en een beargumenteerde omschrijving van de beslissing die de indiener wenst.

  • d) De voorzitter zendt een ontvangstbevestiging naar de verzoeker en een kopie van het verzoek naar CAO-partijen.

  • e) CAO-partijen wordt in de gelegenheid gesteld binnen 2 weken te reageren op het verzoek, alvorens de commissie een uitspraak doet.

  • f) Indien de Bezwaarcommissie van mening is dat het voorgelegde geschil niet valt onder een geschil zoals genoemd onder artikel 1, dan wel verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt op basis van artikel 4 van dit reglement, wordt het verzoek niet ontvankelijk verklaard. De Bezwaarcommissie zal CAO-partijen informeren over de reden van de niet-ontvankelijk verklaring en de inhoud van de betreffende zaak. De bezwaarcommissie houdt bij het doen van een uitspraak rekening met feiten en omstandigheden.

  • g) Indien de Bezwaarcommissie dat nodig acht, kan zij besluiten tot het vragen van een nadere schriftelijke reactie of besluiten een derde-deskundige in te schakelen.

  • h) De Bezwaarcommissie kan besluiten tot het houden van een hoorzitting. Ieder der partijen kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door getuigen, deskundigen evenals zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Indien een partij zich wil laten bijstaan of vertegenwoordigen, stelt zij de voorzitter ten minste zeven dagen voor de zitting daarvan schriftelijk op de hoogte. Kosten voortvloeiend uit de vertegenwoordiging door derden zijn voor de respectievelijke partijen.

  • i) De Bezwaarcommissie beslist over het geschil zonder nadere schriftelijke reactie of hoorzitting, binnen 6 weken na dagtekening van het ontvangst van het verzoekschrift. Als een nadere schriftelijke reactie wordt gevraagd of een hoorzitting wordt ingepland gaat de beslistermijn van 6 weken lopen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de nadere schriftelijke reactie, dan wel vanaf de datum van de hoorzitting. In het belang van de zaak kan de Bezwaarcommissie de beslissingstermijn met twee keer 2 weken verlengen.

  • j) De voorzitter deelt de uitspraak, voorzien van een toelichting, binnen 2 weken, nadat de Bezwaarcommissie een beslissing heeft genomen, schriftelijk aan partijen mede.

  • k) Deze geschillenprocedure laat onverlet dat (een van de) partijen het geschil alsnog aan de bevoegde rechter kunnen voorleggen.

Dictum II

De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard tot en met 31 december 2022.

Dictum III

Voor zover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen. Dit betekent in het licht van de gelijke behandelingswetgeving dat ten aanzien van bepalingen waarin onderscheid wordt gemaakt terwijl daarvoor een objectieve rechtvaardiging vereist is, partijen in de uitvoeringspraktijk moeten zorgen voor een legitiem doel waarbij de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Dictum IV

Voor zover in de in dictum I opgenomen bepalingen wordt verwezen naar informatie die gepubliceerd is op een website, geldt dat de informatie zoals opgenomen op die website geen onderdeel uit maakt van dit besluit tot algemeenverbindendverklaring. Deze informatie wordt aangemerkt als toepassingspraktijk van cao-bepalingen, zoals bedoeld in paragraaf 3.1. van het Toetsingskader AVV. De inhoud van deze informatie valt niet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uitgezonderd zijn de verwijzingen die wettelijk zijn toegestaan.

Dictum V

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2023 en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 12 mei 2022

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, M.H.M. van der Goes

Naar boven