Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 juli 2022, nr. 2022-0000027562 houdende instelling van de Adviescommissie versterken weerbaarheid democratische rechtsorde (Regeling instelling Adviescommissie versterken weerbaarheid democratische rechtsorde)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Justitie en Veiligheid;

Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges;

Besluiten:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de Adviescommissie:

de commissie, bedoeld in artikel 2 van deze regeling.

b. Onze Ministers:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Justitie en Veiligheid.

Artikel 2

Er is een Adviescommissie versterken weerbaarheid democratische rechtsorde.

Artikel 3

De Adviescommissie heeft tot taak:

  • te onderzoeken hoe de ontwikkeling van radicalisering en politieke polarisatie verloopt en, op basis van wetenschappelijke inzichten, te analyseren wat de effecten hiervan op het democratisch proces zijn;

  • concrete aanbevelingen te doen aan politiek, overheid en maatschappelijke organisaties over hoe onze democratie beter te weren tegen extremisme, radicalisering en polarisatie en wat in deze tijd bijdraagt aan de versterking van de democratische rechtsorde.

Artikel 4

  • 1. De Adviescommissie bestaat uit tien leden, waaronder een voorzitter.

  • 2. Als voorzitter van de Adviescommissie wordt benoemd: dhr. A. Marcouch voorzitter.

  • 3. De overige leden worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 5

Onze Ministers voorzien in het secretariaat van de Adviescommissie.

Artikel 6

  • 1. De Adviescommissie brengt haar advies uit voor 1 oktober 2023 aan Onze Ministers.

  • 2. Na het uitbrengen van het advies is de Adviescommissie opgeheven.

Artikel 7

De archiefbescheiden van de Adviescommissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 8

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 30 oktober 2023.

Artikel 9

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling instelling Adviescommissie versterken weerbaarheid democratische rechtsorde.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.G.J. Bruins Slot

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, C.E.G. van Gennip

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

TOELICHTING

Inleiding

Deze regeling strekt tot instelling van de Adviescommissie Versterken weerbaarheid democratische rechtsorde. De adviescommissie wordt gevraagd onderzoek te doen naar de ontwikkeling van radicalisering en politieke polarisatie en de effecten hiervan op het democratisch proces en aanbevelingen te doen over hoe onze democratie beter te weren tegen extremisme, radicalisering en polarisatie en over wat in deze tijd bijdraagt aan de versterking van de democratische rechtsorde.

Achtergrond

Op 19 januari jl. is de motie Segers c.s. (Kamerstuk 35 788, nr. 136) door uw Kamer aangenomen. De motie verzoekt de regering tot het instellen van een breed samengestelde commissie die onderzoekt hoe de ontwikkeling van radicalisering en politieke polarisatie verloopt en op basis van wetenschappelijke inzichten analyseert wat de effecten hiervan op het democratisch proces zijn. Voorts wordt de commissie gevraagd aanbevelingen te doen over hoe onze democratie beter te weren tegen extremisme, radicalisering en polarisatie en wat in deze tijd bijdraagt aan de versterking van de democratische rechtstaat (Kamerstuk 35 788, nr. 136).

De achtergrond van de motie is drieledig. Ten eerste maken de ondertekenaars zich zorgen over de berichtgeving omtrent de afname van vertrouwen, de toename van polarisatie en het afhaken van sommige bevolkingsgroepen van democratische processen. Ten tweede maken zij zich zorgen over de opruiende rol van online platforms en van het debat in de Tweede Kamer zelf. Tot slot en aansluitend daarop beschouwen de ondertekenaars de radicalisering van protesten en de toename van bedreigingen van publieke ambtsdragers als een bijzonder zorgelijke ontwikkeling.

De motie vraagt om vanuit verschillende perspectieven te bezien hoe de democratische rechtsstaat te versterken in het licht van processen van radicalisering en polarisatie. Daarbij is het nodig om het perspectief van de leden van de Tweede Kamer zelf mee te nemen, evenals het perspectief van bewindspersonen, ambtenaren en burgers.

De uitvoering van de motie wordt in lijn met de wens van de Tweede Kamer overgedragen aan een eenmalige adviescommissie conform de Kaderwet adviescolleges. Het Kabinet werkt daarbij graag mee vanuit het perspectief van het bestuur en roept ook de decentrale overheden op mee te denken met de commissie.

Taakopdracht

Het kabinet heeft met verscheidene partners de thematiek verkend en is naar aanleiding daarvan tot de volgende inkadering van de taakopdracht gekomen:

  • Tegenstellingen tussen burgers en een kritische houding richting overheid en politiek horen bij een gezonde democratische rechtsorde. Problematisch wordt het wanneer uitingen het vrije publieke debat onder druk zetten of democratische processen en instituties de-legitimeren en verstoren. Denk aan extremisme en onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden of publieke ambtsdragers, met in het ergste geval dehumanisering, intimidatie, bedreiging en zelfs geweld.

  • De commissie beziet hoe uitingen van extremisme, (politieke) polarisatie en radicalisering te interpreteren en welke effecten deze hebben op het democratische proces, democratische rechtsorde en de kwaliteit van het democratisch debat. Dit mondt uit in concrete aanbevelingen aan politiek, overheid en maatschappelijk organisaties over:

    • hoe onze democratie beter te weren tegen uitingen van extremisme, (politieke) polarisatie en radicalisering die de democratie ondermijnen?

    • wat benodigd is om de veerkracht van de democratie te vergroten. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de responsiviteit bij en kwaliteit van het democratisch debat.

  • De commissie beziet de vraagstukken tegen de achtergrond van sociale-economische en regionale/culturele verschillen en hoe deze doorwerken op het ‘afhaken’ van bewoners van politiek en overheid (Atlas van Afgehaakt Nederland)

  • De term 'democratische rechtsorde' brengt de breedte tot uitdrukking van de verticale dimensie van relatie tussen burgers en overheid/politiek, (de democratische rechtsstaat) en de horizontale dimensie van de relaties tussen burgers onderling (de 'open samenleving'). De commissie richt zich op beide assen: met aandacht voor zowel vraagstukken van legitimiteit, inclusiviteit en vertrouwen als horizontale vraagstukken van scheidslijnen en polarisatie.

  • De commissie richt zich niet op vraagstukken van wetsovertreding, handhaving of beveiliging. Focus ligt op ‘het grijze gebied’: uitingen die in zichzelf weliswaar toelaatbaar zijn maar wel op termijn de democratische rechtsorde onder druk kunnen zetten. Als teveel mensen afhaken, komt bijvoorbeeld de legitimiteit van democratische beslissingen in het geding. En als uitingen zo intimiderend zijn of bijdragen aan een ‘permissieve context’ voor wetsovertreding en geweld, ondermijnt dit het vrije publieke debat en daarmee de democratische rechtsorde.

  • De vraag is hoe de democratische rechtsorde weerbaarder kan worden tegen dergelijke ontwikkelingen. De commissie verkent handelingsperspectieven, met als voorstel deze deelonderwerpen:

    • Waar is op dit moment in de samenleving sprake van houdingen en gedragingen die de democratische rechtsorde onder druk zetten? Wat zijn hier oorzaken van? Wat doet spanningen zo hoog oplopen dat mensen tot dit soort uitingen overgaan of ze van anderen acceptabel vinden?

    • Wat is de rol hierbij van een onderstroom van (deels nieuwe) radicale bewegingen die bewust spanningen en vergaande acties aanjagen, vooral online? Hoe dragen ze bij aan een ‘permissieve context’ voor gedrag dat de democratische rechtsorde ondermijnt?

    • Wat is de rol van internet en sociale media bij de verscherping van tegenstellingen en de escalatie van wantrouwen en ongenoegen?

    • Wat is de rol van politiek en overheid zelf bij het ontstaan van ongenoegen en polarisatie? Welke houdingen en gedragingen dragen bij aan escalatie?

    • Wat zijn de randvoorwaarden die nodig zijn voor mensen om meer gevoel van vertrouwen en verbinding te ervaren? Wat kunnen overheid en politiek hierin doen?

    • Hoe kunnen politiek en overheid beter omgaan met wantrouwen, (politieke) polarisatie en radicalisering, zowel fysiek als online. Zowel om grieven goed in het democratisch proces in te brengen, als om escalatie te voorkomen. Welke concreet handelingsperspectief is hier te geven?

In de uitoefening van haar taak neemt de commissie de volgende zaken in aanmerking:

De commissie formuleert aanbevelingen op thema’s waar nog vragen openstaan (niet door lopend beleid geadresseerd).

  • De commissie bekijkt het vraagstuk primair vanuit het perspectief van wat overheid en politiek kunnen doen, waarbij het uitgangspunt is dat ook burgers en maatschappelijk middenveld belangrijke dragers zijn van de democratische rechtsorde.

  • De commissie maakt gebruik van bestaande wetenschappelijke kennis (oa SCP, ROB, WRR en Staatscommissie parlementair stelsel) en verrijkt deze door middel van raadpleging van experts en burgers.

  • De commissie vindt aansluiting bij commissies op aanpalende onderwerpen, zoals Staascommissies Rechtsstaat en de Staatcommissie tegen racisme en discriminatie.

De commissie is vrij om gedurende haar werkzaamheden zelf te bepalen hoe zij invulling geeft aan de taakopdracht. Indien zij dit bijvoorbeeld nodig acht, kan de commissie er voor kiezen om de focus te leggen op een of meer van de verschillende (sub)fenomenen die de motie aanhaalt.

Organisatie en samenstelling

De motie vraagt expliciet om een breed samengestelde commissie. Dit gaat over vertegenwoordiging van brede deskundigheid – op het terrein van vertrouwen en extremisme, polarisatie en nieuwe vormen van radicalisering. Maar het gaat ook om leden in de commissie met brede ervaring in de praktijk, ook buiten gebruikelijke institutionele kaders, die een brug kunnen slaan naar bevolkingsgroepen waarvan blijkt dat zij een lagere mate van vertrouwen in de overheid hebben en/of niet meer deelnemen aan de democratie. Wij achten hierbij formeel lidmaatschap van de commissie wenselijk. Bij de bestaande adviescolleges is echter slecht beperkt de mogelijkheid formele raadsleden toe te voegen die over dit profiel beschikken; daarom is gekozen voor een nieuw op te richten eenmalige adviescommissie in plaats van advies te vragen aan een van de bestaande adviescolleges. In dit besluit wordt tevens de omvang van de adviescommissie vastgesteld en de termijn waarbinnen het advies dient te zijn vastgesteld. De adviescommissie wordt gevraagd om voor 1 oktober 2023 haar eindrapportage aan te bieden aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie en Veiligheid.

De adviescommissie wordt via budget en ondersteuning in staat gesteld om haar werkzaamheden uit te voeren. Dit wordt gedaan door een secretaris aan te stellen die in zekere mate bekend is met de materie waarop de commissie adviseert en over schrijfvaardige en organisatorische competenties beschikt. De secretaris wordt in zijn of haar werkzaamheden bijgestaan door een beleidsondersteuner. De samenstelling van de commissie, de ondersteuning en de honorering van de leden worden geregeld door middel van een koninklijk besluit. Dit volgt na het zomerreces.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.G.J. Bruins Slot

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, C.E.G. van Gennip

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

Naar boven