De Minister voor Klimaat en Energie,
Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op artikel 15.51, derde lid, van de Wet milieubeheer;
Besluit:
TOELICHTING
Met dit besluit stelt de Minister voor Klimaat en Energie, in overeenstemming met
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de hoeveelheid CO2-emissies vast die de glastuinbouwsector in het kalenderjaar 2018, 2019 en 2020 binnen
het zogenoemde kostenvereveningssysteem zonder financiële consequenties kan emitteren.
Tegen dit besluit kan geen beroep worden ingesteld op grond van artikel 1 van bijlage
2 van de Algemene wet bestuursrecht (onder Wet milieubeheer, onderdeel c). De vastgestelde
hoeveelheid voor het kalenderjaar 2018, 2019 en 2020 bedraagt respectievelijk 6,2
megaton CO2-emissies, 6,1 megaton CO2-emissies en 6,0 megaton C02-emissies. Wordt de vastgestelde hoeveelheid overschreden, dan zijn de aangewezen
inrichtingen een vergoeding verschuldigd op grond van artikel 15.52 van de Wet milieubeheer.
Tot de CO2-emissies behoren ook de CO2-emissies die samenhangen met warmte welke is afgenomen van een ander bedrijf, met
uitzondering van de CO2-emissies van warmte welke is afgenomen van een inrichting die deelneemt aan het kostenvereveningssysteem
of aan het Europese systeem van handel in broeikasgasemissierechten (EU ETS). De laatstgenoemde
CO2-emissies worden immers verwantwoord door de inrichtingen die de warmte hebben opgewekt.
Onder het Convenant CO2 emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem glastuinbouw voor de periode 2013–2020 (hierna: Convenant 2013–2020)
was nog geen overeenstemming over de doelen en de verevening in verband met het overstijgen
van de sectorplafonds voor CO2 over de jaren 2018–2020. De genoemde indicatieve aanvullende klimaatopgave voor de
sector en de huidige complexe situatie betekenen dat er nog forse investeringen nodig
zijn door de sectorpartijen zelf. Het kabinet heeft daarom besloten om, in lijn met
de bepalingen uit het convenant, een correctie toe te passen op het plafond 2018.
De correctie wordt gedaan op grond van cijfers uit het eerder gepubliceerde convenant.
In dit convenant is afgesproken dat de basis voor het boekjaar 2013 (te weten 7,5
megaton CO2-emissies) in de periode 2014–2020 lineair afneemt naar 6,2 megaton CO2-emissies in 2020.
Uit de lineaire afname van de basis volgt voor 2018 een basis van 6,6 megaton CO2-emissies. Vervolgens is voor de inrichtingen die in 2018 deelnamen aan het EU ETS,
op grond van cijfers van de Nederlandse Emissieautoriteit, een totale emissie van
0,4 megaton CO2-emissie vastgesteld. Deze 0,4 megaton CO2-emissie wordt in mindering gebracht op de basis van 6,6 megaton totale emissies,
wat resulteert in 6,2 megaton totale CO2-emissies.
Uit de lineaire afname van de basis volgt voor 2019 een basis van 6,4 megaton CO2-emissies. Vervolgens is voor de inrichtingen die in 2019 deelnamen aan het EU ETS,
op grond van cijfers van de Nederlandse Emissieautoriteit, een totale emissie van
0,3 megaton CO2-emissie vastgesteld. Deze 0,3 megaton CO2-emissie wordt in mindering gebracht op de basis van 6,4 megaton totale emissies,
wat resulteert in 6,1 megaton totale CO2-emissies.
Uit de lineaire afname van de basis volgt voor 2020 een basis van 6,2 megaton CO2-emissies. Vervolgens is voor de inrichtingen die in 2020 deelnamen aan het EU ETS,
op grond van cijfers van de Nederlandse Emissieautoriteit, een totale emissie van
0,2 megaton CO2-emissie vastgesteld.
Deze 0,2 megaton CO2-emissie wordt in mindering gebracht op de basis van 6,2 megaton totale emissies,
wat resulteert in 6,0 megaton totale CO2-emissies.
De Minister voor Klimaat en Energie, R.A.A. Jetten