Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2021, 46830ander besluit van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 november 2021 nr. MBO/30260184, houdende wijziging van de Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021–2024 in verband met onder meer een verruiming van de subsidiemogelijkheden voor werknemers en ouders, het reserveren van een budget voor subsidieverstrekking voor Caribisch Nederland, het schrappen van experimenten gericht op kwaliteit en een aanpassing van het beoordelingskader voor experimenten

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021–2024 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijving ‘experiment gericht op kwaliteit’ vervalt.

2. In de begripsomschrijving ‘rekenvaardigheid’ wordt ‘rekenvaardigheid’ vervangen door ‘rekenvaardigheden’ en wordt ‘vaardigheid’ vervangen door ‘vaardigheden’.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de rekenvaardigheid’ vervangen door ‘een of meer rekenvaardigheden’.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Een aanvraag voor een opleidingstraject dat is gericht op het verbeteren van een of meer taalvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor werknemers woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

3. Onder vernummering van het vierde lid tot zevende lid worden na het derde lid drie leden ingevoegd, die luiden:

  • 4. Een aanvraag voor een opleidingstraject dat is gericht op het verbeteren van een of meer rekenvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor werknemers woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het derde lid, dan wel een of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

  • 5. Een aanvraag voor een opleidingstraject dat is gericht op het verbeteren van een of meer digitale vaardigheden, kan slechts worden gedaan voor werknemers woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het derde lid, dan wel één of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2, zoals vastgesteld in bijlage 8, behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013.

  • 6. De werkgever stelt het referentieniveau van een werknemer, bedoeld in het derde lid, vast aan de hand van een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van het opleidingstraject afgenomen op basis van een gevalideerd instrument. Indien een schriftelijke of digitale test vanwege het taalniveau dan wel het niveau van de digitale vaardigheden van de werknemer niet mogelijk is kan de niveaubepaling of niveau-indicatie mondeling worden uitgevoerd, blijkend uit een gespreksverslag. De taaldocent ondertekent het gespreksverslag.

C

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt ‘€ 2.900.000,–’ vervangen door ‘€ 2.850.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in Caribisch Nederland’.

b. In onderdeel c wordt ‘€ 3.350.000,–’ vervangen door ‘€ 3.300.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in Caribisch Nederland’.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Indien het subsidieplafond voor werkgevers in het Europese deel van Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor het Europese deel van Nederland, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de eerste volzin in het jaar 2022 nog middelen resteren, worden deze middelen toegevoegd aan het subsidieplafond, bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor dat kalenderjaar.

3. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 5. Indien het subsidieplafond voor werkgevers in Caribisch Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor Caribisch Nederland voor activiteiten voor laaggeletterde ouders, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de vorige volzin nog middelen resteren, worden deze toegevoegd aan het budget voor het Europese deel van Nederland, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, voor het desbetreffende kalenderjaar.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede en derde lid wordt ‘de rekenvaardigheid’ telkens vervangen door ‘een of meer rekenvaardigheden’.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer taalvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

3. Onder vernummering van het vijfde lid tot achtste lid, worden na het vierde lid drie leden ingevoegd, die luiden:

  • 5. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer rekenvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid, dan wel een of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;

  • 6. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer digitale vaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid, dan wel één of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2, zoals vastgesteld in bijlage 8, eindtermen digitale vaardigheden behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013.

  • 7. Voor de ouders die deelnemen aan een cursus, stelt de aanvrager het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid van elke ouder vast aan de hand van een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van de cursus afgenomen op basis van een gevalideerd instrument. Indien een schriftelijke of digitale test niet mogelijk is, vanwege het taalniveau dan wel het niveau van de digitale vaardigheden van de ouder, kan de niveaubepaling of niveau-indicatie mondeling worden uitgevoerd, blijkend uit een gespreksverslag. De taaldocent ondertekent het gespreksverslag.

E

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. het kalenderjaar 2021 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 1.300.000,–;.

b. Onder verlettering van onderdeel b tot onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

  • b. het kalenderjaar 2022 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 1.250.000,– voor aanvrager in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor aanvragers in Caribisch Nederland;.

c. In onderdeel c (nieuw) wordt ‘€ 1.750.000,–’ vervangen door ‘€ 1.700.000,– voor subsidieverstrekking aan aanvragers in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor subsidieverstrekking aan aanvragers in Caribisch Nederland’.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien het subsidieplafond voor aanvragers in het Europese deel van Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor het Europese deel van Nederland, bedoeld in artikel 10, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de eerste volzin in het jaar 2022 nog middelen resteren, worden deze middelen toegevoegd aan het subsidieplafond, bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor dat kalenderjaar.

4. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4. Indien het subsidieplafond voor aanvragers in Caribisch Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor Caribisch Nederland, bedoeld in artikel 10, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de vorige volzin nog middelen resteren, worden deze toegevoegd aan het budget voor Europees Nederland, bedoeld in het eerste lid.

F

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De Minister kan op aanvraag van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde de Staat, een provincie, een waterschap, een gemeente of een buitenlands overheidsorgaan, een subsidie als bedoeld in deze paragraaf verstrekken ten behoeve van experimenten, zijnde innovatieve activiteiten die in de praktijk worden ontwikkeld en in de praktijk worden uitgeprobeerd, gericht op het beter kunnen bereiken van in Nederland woonachtige laaggeletterde personen zodat zij worden toegeleid naar cursussen gericht op taalvaardigheden, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden.

  • 2. In het vierde lid vervalt ‘voor ofwel een experiment gericht op bereik, ofwel een experiment gericht op kwaliteit’.

G

In artikel 21, zesde lid, vervalt ‘voor ofwel een experiment gericht op bereik, ofwel een experiment gericht op kwaliteit’.

H

Artikel 24, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Ten behoeve van de loting, bedoeld in het derde lid, loot de Minister een aantal aanvragen in dat samen optelt tot maximaal € 937.500,–.

I

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt ‘draagvlak’ vervangen door ‘draagvlak en samenwerking’.

2. In het zesde lid vervalt de tweede volzin.

J

Artikel 28, derde lid, vervalt.

K

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel b, wordt ‘van de Wet educatie en beroepsonderwijs’ vervangen door ‘van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. de aanvraag in afwijking van artikel 5, derde tot en met vijfde lid, voor een opleiding gericht op:

    • 1°. het verbeteren van een of meer taalvaardigheden slechts kan worden gedaan voor werknemers die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, of een vergelijkbaar niveau in het Papiaments of de Engelse taal;

    • 2°. het verbeteren van een of meer rekenvaardigheden slechts kan worden gedaan voor werknemers die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld onder 1˚, dan wel een of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;

    • 3°. het verbeteren van een of meer digitale vaardigheden kan worden gedaan voor werknemers die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld onder 1˚, dan wel één of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2, zoals vastgesteld in bijlage 8, eindtermen digitale vaardigheden behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013;.

b. Na onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

  • c1. voor de taalvaardigheid van de Nederlandse taal, bedoeld in onderdeel c, het referentieniveau dient te blijken uit een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie, die op basis van een gevalideerd instrument uiterlijk voor de start van het opleidingstraject is of wordt afgenomen. Indien een schriftelijke of digitale test voor de Nederlandse taal niet mogelijk is door onder meer het taalniveau van de werknemer, kan de niveaubepaling of niveau-indicatie mondeling worden uitgevoerd, blijkend uit een gespreksverslag. De taaldocent ondertekent het gespreksverslag. Voor Papiaments en de Engelse taal dient het niveau te blijken uit een adequate onderbouwing;.

3. Het vijfde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. de aanvraag in afwijking van artikel 13, vierde lid, voor een opleiding gericht op:

    • 1°. het verbeteren van een of meer taalvaardigheden slechts kan worden gedaan voor ouders die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba en die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, dan wel het Papiaments of de Engelse taal beheersen op een niveau dat lager is dan het voor die taal vergelijkbare referentieniveau;

    • 2°. het verbeteren van een of meer rekenvaardigheden slechts kan worden gedaan voor ouders die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die een of meer taalvaardigheden beheersen op een niveau lager dan een niveau als bedoeld onder 1˚, dan wel een of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;

    • 3°. het verbeteren van een of meer digitale vaardigheden kan worden gedaan voor ouders die woonachtig zijn op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die een of meer taalvaardigheden beheersen op een niveau lager dan een niveau als bedoeld onder 1˚, dan wel een of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2, zoals vastgesteld in bijlage 8, eindtermen digitale vaardigheden behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013;.

b. Na onderdeel a wordt een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

  • a1. Voor de taalvaardigheid van de Nederlandse taal dient het referentieniveau, bedoeld in onderdeel a, onder 1˚, te blijken uit een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie, die op basis van een gevalideerd instrument uiterlijk voor de start van het opleidingstraject is of wordt afgenomen. Indien een schriftelijke of digitale test voor de Nederlandse taal niet mogelijk is door onder meer het taalniveau van de werknemer, kan de niveaubepaling of niveau-indicatie mondeling worden uitgevoerd, blijkend uit een gespreksverslag. Voor Papiaments en de Engelse taal dient het niveau dit te blijken uit een adequate onderbouwing;.

L

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De passage na de titel van de bijlage komt te luiden:

Deze bijlage behoort bij artikel 26, tweede lid, van de Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021–2024.

Deze bijlage bevat het beoordelingskader voor de experimenten, bedoeld in artikel 20, eerste lid. Op grond van deze subsidieregeling kan subsidie worden aangevraagd voor praktijkgerichte experimenten, gericht op het beter kunnen bereiken van in Nederland woonachtige laaggeletterde personen zodat zij kunnen worden toegeleid naar cursussen gericht op het vergroten van een of meer taalvaardigheden, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden. Daarbij gaat het om het vinden, motiveren voor en toeleiden naar (cursus)aanbod.

Alle (niet-uitgelote) projecten worden beoordeeld op:

  • A Relevantie van de aanvraag

  • B Kwaliteit van het activiteitenplan

  • C Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

  • D Draagvlak en samenwerking

  • E Begroting

De beoordelingscriteria A (Relevantie van de aanvraag) en beoordelingscriterium B (Kwaliteit activiteitenplan) wegen zwaarder, namelijk ieder voor 30%. Beoordelingscriterium C (Uitvoerbaarheid en haalbaarheid) en beoordelingscriterium D (Draagvlak en samenwerking) wegen beide voor 15% mee. Ten slotte weegt beoordelingscriterium E (Begroting) voor 10% mee.

2. Het opschrift van de paragraaf ‘Beoordelingscriterium A1. relevantie van de aanvraag – experiment gericht op bereik’ komt te luiden ‘Beoordelingscriterium A. Relevantie van de aanvraag’.

3. De paragraaf ‘Beoordelingscriterium A2. relevantie van de aanvraag – experiment gericht op kwaliteit’ vervalt.

4. De paragraaf ‘Beoordelingscriterium D. draagvlak’ wordt als volgt gewijzigd:

a. Het opschrift van de paragraaf komt te luiden: Beoordelingscriterium D. Draagvlak en samenwerking.

b. Het opschrift van de enige alinea komt te luiden: Deelaspecten Draagvlak Minimale vereisten Scoring.

c. Er wordt een alinea toegevoegd, die luidt:

Deelaspecten Samenwerking Minimale vereisten Scoring

De aanvrager werkt samen met andere partijen. De aanvrager maakt inzichtelijk op welke wijze de andere partijen bijdragen aan de gezamenlijke doelstellingen van het experiment.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de betrokkenheid van de voorgestelde partij of partijen hoger is, blijkend uit onder andere een heldere beschrijving van de betrokkenheid van één of meerdere partijen tijdens de verschillende fases bij de uitvoering van de activiteiten.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

TOELICHTING

Met deze regeling wordt de Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021 – 2024 (hierna: subsidieregeling) gewijzigd op een viertal punten. Het betreft onder meer een verruiming van de subsidiemogelijkheden voor werknemers en ouders, het laten vervallen van de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor experimenten gericht op kwaliteit, het aanpassen van het beoordelingskader voor experimenten, en het reserveren van een budget voor subsidietoewijzingen in Caribisch Nederland. Deze wijzigingen worden hieronder afzonderlijk toegelicht.

1. Aanvraagmogelijkheden verruimen voor opleidingstrajecten/cursussen rekenen en digitale vaardigheden (artikel 5, lid 3 en artikel 13, lid 4)

Met deze wijziging is beoogd de aanvraagmogelijkheden te verruimen voor mensen met lage digitale en rekenvaardigheden.

Op basis van de subsidieregeling kon eerder alleen subsidie worden aangevraagd voor cursussen basisvaardigheden voor mensen met een taalvaardigheidsniveau lager dan referentieniveau 2F. Deze taalniveau-eis geldt momenteel ook voor opleidingen rekenen en digitale vaardigheden. Echter, mensen met lage reken- of digitale vaardigheden zijn niet per definitie ook laagtaalvaardig; bijvoorbeeld oudere werknemers die voldoende taalvaardig zijn, maar lage digitale vaardigheden hebben. Deze mensen vallen nu buiten de regeling. Door de regeling te wijzigen komen alle ouders en werknemers met lage basisvaardigheden in aanmerking voor subsidie, ongeacht of zij een laag taalniveau, rekenniveau of lage digitale vaardigheden hebben.

Voor het aanvragen van subsidie voor een opleidingstraject rekenen en digitale vaardigheden aan laaggeletterde werknemers en ouders worden de aanvraagmogelijkheden daarom verruimd.

Een aanvraag voor een opleiding rekenen mag worden ingediend voor werknemers en ouders die

één of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F (zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen). Een aanvraag mag nu ook worden ingediend voor werknemers en ouders die één of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F.

Een aanvraag voor een opleidingstraject digitale vaardigheden mag worden ingediend voor werknemers en ouders die één of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op niveau lager dan het referentieniveau 2F (zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen). Er mag nu ook een aanvraag worden ingediend voor werknemers en ouders die één of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2 (zoals vastgesteld in bijlage 8, eindtermen digitale vaardigheden behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013).

De aanvrager moet het referentieniveau van de cursist vaststellen met een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van het opleidingstraject afgenomen op basis van een gevalideerd instrument. Een overzicht van gevalideerde instrumenten (om zowel het taalniveau, rekenniveau als niveau digitale vaardigheden vast te stellen) is beschikbaar bij het Expertisepunt Basisvaardigheden.

Voor opleidingstrajecten rekenen kan dit een instrument zijn dat het taalniveau vaststelt, maar nu dus ook een instrument dat het rekenniveau vaststelt. Voor opleidingstrajecten digitale vaardigheden kan dit een instrument zijn dat het taalniveau vaststelt, maar nu dus ook een instrument dat het niveau digitale vaardigheden vaststelt.

Indien een schriftelijke of digitale test niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de cursist het Nederlands helemaal niet beheerst of helemaal geen digitale vaardigheden bezit, wordt het nu ook mogelijk om een mondelinge niveaubepaling uit te voeren. Hiervan dient een gespreksverslag te worden gemaakt dat wordt ondertekend door een docent.

2. Experimenten

A. Beoordelingskader aanpassen (artikel 26 en bijlage 1)

Het Expertisepunt Basisvaardigheden adviseert over de beoordeling van de subsidieaanvragen op grond van de subsidieregeling met betrekking tot experimenten. Na de eerste aanvraagronde in 2021 heeft het Expertisepunt geadviseerd om de weging van de beoordelingscriteria aan te passen, zodanig dat aanvragen die inhoudelijk het meest van toegevoegde waarde zijn ook hoger worden gerangschikt.

Daarom is er voor gekozen om beoordelingscriterium A (Relevantie van de aanvraag) en beoordelingscriterium B (Kwaliteit activiteitenplan) zwaarder te laten wegen, namelijk beide 30%. Er is voor gekozen om beoordelingscriterium C (Uitvoerbaarheid en haalbaarheid) en beoordelingscriterium D (Draagvlak en samenwerking) beide voor 15% mee te laten wegen. Tot slot is er voor gekozen om begrotingscriterium E (Begroting) voor 10% mee te laten wegen.

Een tweede wijziging betreft het stimuleren van samenwerking. Aanvragers worden verplicht om samen te werken met andere partijen en dit te beschrijven in de aanvraag. Door samenwerking met andere partijen kan meer bereikt worden: laaggeletterdheid is immers geen op zichzelf staand probleem. Daarnaast kan door samenwerking met andere partijen versnippering voorkomen worden. Bovendien kan samenwerking met andere partijen verschillende voordelen opleveren, met name voor kleinere partijen: andere partijen kunnen bijvoorbeeld complementaire kennis en expertise inbrengen.

Hoewel dit wel gestimuleerd wordt, zijn aanvragers niet verplicht om namens één of meerdere andere partijen in te dienen. Om samenwerking tussen partijen beter te borgen wordt het beoordelingscriterium D (Draagvlak) uitgebreid naar ‘Draagvlak en Samenwerking.’

B. Aanpassen naar Bereik als inhoudelijk criterium (artikel 20 t/m 26)

Ook vervalt het inhoudelijk criterium kwaliteit als categorie experiment waarvoor subsidie kan worden aangevraagd. Hiertoe wordt een wijziging aangebracht in zowel de regeling als het beoordelingskader. In de eerste plaats wordt beoogd hiermee het aantal te verwachten aanvragen te verlagen. Het subsidieplafond is in 2021 namelijk ruim overtekend. Bij een overtekening van meer dan 3 keer van het subsidieplafond voor de stroom experimenten moet er worden geloot, dit heeft dan ook plaatsgevonden. Uiteindelijk konden slechts 7 aanvragen worden gehonoreerd. Het afwijzen van zoveel aanvragen omdat zij simpelweg uitgeloot zijn, doet geen recht aan de geleverde inspanningen van aanvragers. Om het aantal aanvragen te verlagen worden de aanvraagmogelijkheden daarom versmald.

Aanvragen voor experimenten mochten in 2021 gericht zijn op het verbeteren van kwaliteit van cursusaanbod, dan wel het bereiken/doorgeleiden van potentiële cursisten. Er zijn relatief veel meer aanvragen ingediend voor het verbeteren van de kwaliteit van cursussen. Dat heeft er toe geleid dat er na loting in 2021 geen subsidies zijn toegekend aan projecten gericht op bereik. Het aantal cursisten met een Nederlandstalige achtergrond blijft al jaren achter. Nieuwe, innovatieve projecten om bijvoorbeeld deze groep te bereiken en te motiveren zijn daarom nodig.

Experimenten gericht op het bereiken van cursisten zijn nodig om nieuwe aanwas te borgen. Ook zijn innovatieve projecten voor het motiveren van cursisten nodig als aanvulling op de meer traditionele maatregelen zoals de landelijke campagne van Tel mee met taal.

Voor 2022 komen daarom alleen aanvragen voor deze subsidie in aanmerking die gericht zijn op het bereiken/motiveren/doorgeleiden van potentiële cursisten. Het criterium A2. Kwaliteit is verwijderd uit het beoordelingskader.

3. Middelen oormerken voor Caribisch Nederland voor laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders (artikel 10 en artikel 17)

Met deze wijziging wordt beoogd de inzet op het verminderen van laaggeletterdheid in Caribisch Nederland te verstevigen.

De Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021–2024 was in 2021 voor het eerst ook opengesteld voor Caribisch Nederland. Werkgevers en andere organisaties op de eilanden kunnen sinds 2021 aanvragen indienen en net als de Europees Nederlandse indieners bij overschrijding van het subsidieplafond meeloten (als zij aan de voorwaarden voldoen).

Dit is van belang omdat de aanpak van laaggeletterdheid in Caribisch Nederland achterblijft bij Europees Nederland, terwijl laaggeletterdheid een groot probleem is op de eilanden. Zo ontvangen de openbare lichamen in Caribisch Nederland, anders dan de gemeenten in Europees Nederland, geen structurele middelen voor het inkopen of subsidiëren van opleidingen voor basisvaardigheden voor volwassen (en niet-inburgeringsplichtige) inwoners van 18 jaar en ouder.

Vanwege de grote overtekening van de subsidieregeling in recente jaren (met name bij de subsidiestroom gericht op laaggeletterde ouders) is er een gerede kans dat aanvragen uit Caribisch Nederland worden uitgeloot en niet gehonoreerd.

Met ingang van 2022 worden er daarom middelen geoormerkt voor aanvragen vanuit Caribisch Nederland voor laaggeletterde werknemers en laaggeletterde ouders.

Hiermee wordt gewaarborgd dat er in Caribisch Nederland activiteiten kunnen worden ontplooid voor de aanpak van laaggeletterdheid.

4. Regeldruk

De regeling is aangemeld bij het Adviescollege toetsing regeldruk. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Voor ouders en werknemers kan in plaats van een schriftelijke of digitale toets nu ook een mondelinge toets voor niveau indicatie worden afgenomen, bijvoorbeeld in geval dat de cursist de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Mogelijk vraagt het aangepaste criterium Draagvlak en samenwerking een wat uitgebreidere toelichting in de aanvraag. Voor experimenten geldt dat het Expertisepunt Basisvaardigheden voor kleinere aanvragers, of aanvragers met minder ervaring, kennissessies aan zal bieden voor het schrijven van een aanvraag.

5. Uitvoering en handhaving

De regeling wordt namens de Minister van OCW uitgevoerd door DUS-I, die de regeling op uitvoerbaarheid heeft beoordeeld. DUS-i acht de in deze regeling opgenomen wijzigingen uitvoerbaar.

6. Caribisch Nederland

Deze gewijzigde regeling heeft gevolgen voor Caribisch Nederland, aangezien er door de wijziging geoormerkt geld beschikbaar komt voor Caribisch Nederland. In paragraaf 6 van de regeling is aangegeven hoe de nieuwe regeling voor subsidieontvangers in Caribisch Nederland dient te worden gelezen en toegepast. Zie verder de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 34 tot en met 36.

7. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en geldt voor het eerst voor het kalenderjaar 2022.

Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten omdat de wijzigingen ofwel begunstigend zijn voor de aanvragers dan wel verbeteringen betreffen van ongewenste effecten van de regeling.

Via verschillende kanalen, maar in ieder geval via de website van DUS-I zal er worden gecommuniceerd over de wijzigingen. Tevens zal er in de aanvraagformulieren worden toegelicht wat relevante wijzigingen zijn betreffende het type aanvraag.

Artikelsgewijs

Onderdeel A

In de regeling wordt steeds gesproken van ofwel rekenvaardigheid of rekenvaardigheden. Door deze wijziging wordt, hier en op andere plekken in de regeling, consequent gekozen voor ‘rekenvaardigheden’.

Onderdeel B

In dit wijzigingsonderdeel wordt een aantal wijzigingen aangebracht in artikel 5. Deze wijzigingen betreffen een verruiming van de mogelijkheden voor werknemers om subsidie voor cursussen te krijgen. Werknemers met een taalvaardigheid hoger dan referentieniveau 2F kunnen nu subsidie aanvragen voor cursussen rekenen of digitale vaardigheden, indien het rekenniveau, onderscheidenlijk het niveau van de digitale vaardigheden van de werknemer, lager is dan de nieuw opgenomen referentieniveaus. Eerder kon voor alle cursussen alleen voor werknemers met een taalvaardigheid lager dan referentieniveau 2F subsidie worden aangevraagd.

Voorwaarde voor een cursus gericht op een of meer rekenvaardigheden is dat het werknemers betreft die woonachtig zijn in Nederland en die een of meer taalvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen; dan wel een of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

Voorwaarde voor een cursus gericht op het verbeteren van een of meer digitale vaardigheden, is dat het werknemers betreft die woonachtig zijn in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, dan wel één of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2, zoals vastgesteld in bijlage 8, eindtermen digitale vaardigheden behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013.

In de subsidieregeling was al geregeld (in het toenmalige artikel 5, derde lid) dat de aanvrager het referentieniveau van de cursist moet vaststellen met een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van het opleidingstraject afgenomen op basis van een gevalideerd instrument. Toegevoegd is dat indien in een uitzonderlijk geval een schriftelijke of digitale test niet mogelijk is, omdat de cursist het Nederlands helemaal niet beheerst of helemaal geen digitale vaardigheden bezit, het mogelijk is om een mondelinge niveaubepaling uit te voeren. Hiervan dient een gespreksverslag te worden gemaakt dat wordt ondertekend door een docent. Voor de duidelijkheid is dit voorschrift verhuisd naar een afzonderlijk zesde lid in artikel 5.

Onderdeel D

In onderdeel D is eenzelfde wijziging opgenomen als die omschreven in onderdeel B van de toelichting maar dan voor cursussen voor ouders (artikel 13 van de subsidieregeling). Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting hierboven.

Onderdelen A, F, G, H en J

Met deze onderdelen wordt geregeld dat voor 2022 alleen nog aanvragen voor de subsidiecategorie experimenten in aanmerking komen die gericht zijn op het bereiken/motiveren/doorgeleiden van potentiële cursisten. De subsidiecategorie voor experimenten gericht op verbeteren van kwaliteit vervalt daarom op grond van deze wijziging.

Onderdelen C, E en K

Deze onderdelen hebben een aantal wijzigingen aangebracht in de voorschriften voor Caribisch Nederland: te weten in de artikelen 10, 17 en 36 van de subsidieregeling. De eerste wijzigingen betreffen de wijzigingen die ook in Europees Nederland worden doorgevoerd voor het verruimen van de mogelijkheden om voor werknemers en ouders naast een cursus taalvaardigheid, ook subsidie aan te vragen voor een cursus rekenvaardigheden of digitale vaardigheden (onderdeel K). Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij Onderdeel B.

De onderdelen C en E voorzien er in dat voor Caribisch Nederland een bedrag van € 50.000,– wordt gereserveerd voor zowel cursussen voor werknemers (Onderdeel C) als ouders (Onderdeel E). Indien het bedrag voor bijvoorbeeld werknemers niet wordt uitgeput wordt het resterende bedrag toegevoegd aan dat van voor ouders en omgekeerd. Indien het totale gereserveerde bedrag voor CN niet wordt uitgeput, wordt het toegevoegd aan het subsidieplafond voor het Europese deel van Nederland.

Onderdelen I en L

Op grond van een advies van het Expertisepunt Basisvaardigheden over de beoordeling van aanvragen is besloten om de weging van de beoordelingscriteria aan te passen. Daarnaast wordt geadviseerd het beoordelingscriterium draagvlak uit te breiden met samenwerking, zodat het criterium nu luidt: Draagvlak en samenwerking.

Met name de wijziging van de weging van de beoordelingscriteria heeft gevolgen voor de bijlage. In de bijlage zijn onder meer de nieuwe wegingsfactoren opgenomen. Er is voor gekozen om beoordelingscriterium A (Relevantie van de aanvraag) en beoordelingscriterium B (Kwaliteit activiteitenplan) zwaarder te laten wegen, namelijk beide 30%. Er is daarnaast voor gekozen om beoordelingscriterium C (Uitvoerbaarheid en haalbaarheid) en beoordelingscriterium D (Draagvlak en samenwerking) beide voor 15% mee te laten wegen. Tot slot is er voor gekozen om begrotingscriterium E (Begroting) voor 10% mee te laten wegen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven