Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2021, 34550Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 6 juli 2021, nr. WJZ/ 21055186, houdende regels voor subsidie financiering vaste lasten land- en tuinbouwbedrijven (Regeling subsidie financiering ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

Artikel 1 (begripsbepalingen)

In deze regeling wordt verstaan onder:

accountant:

accountant die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het Accountantsberoep;

algemene de-minimisverordening:

verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU2013, L 352);

getroffen onderneming:

land- en tuinbouwonderneming die voldoet aan artikel 2, tweede lid;

handelsregister:

handelsregister als bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

hoofdactiviteit:

de code van de Standaard Bedrijfsindeling die als hoofdactiviteit is geregistreerd in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

landbouwvrijstellingsverordening:

Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 193);

land- en tuinbouwonderneming:

onderneming die op 15 maart 2020 met zijn hoofdactiviteit stond ingeschreven in het handelsregister onder de code 01.1, 01.2, 01.3, 01.4 of 01.5 van de Standaard Bedrijfsindeling;

minister:

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

ongedekte vaste kosten:

het verlies van de getroffen onderneming zoals dat blijkt uit de winst- en verliesrekening tijdens de subsidieperiode voor zover dat betrekking heeft op vaste kosten die de onderneming heeft gemaakt tijdens de subsidieperiode die niet worden gedekt door de winstbijdrage, dat wil zeggen inkomsten minus variabele kosten, tijdens de subsidieperiode en die niet worden gedekt door andere bronnen zoals verzekeringen of steunmaatregelen;

MKB-onderneming:

in Nederland gevestigde onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, die een kleine onderneming of middelgrote onderneming is in de zin van de landbouwvrijstellingsverordening;

omzet:

opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;

onderneming:

een land- en tuinbouwonderneming, waarbij het gaat om één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening;

referentieperiode 1:

het eerste kwartaal van 2019;

referentieperiode 2:

het tweede kwartaal van 2019;

subsidieperiode 1:

het eerste kwartaal van 2021;

subsidieperiode 2:

het tweede kwartaal van 2021.

Artikel 2 (verstrekking subsidie)

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen onderneming om bij te dragen aan de financiering van de ongedekte vaste kosten in de subsidieperiodes 1 en 2.

  • 2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een onderneming:

    • a. over subsidieperiode 1 waarvan het omzetverlies in subsidieperiode 1 ten minste 30% bedraagt.

    • b. over subsidieperiode 2 waarvan het omzetverlies in subsidieperiode 2 ten minste 30% bedraagt;

    • c. die op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven als land- en tuinbouwonderneming of ten genoegen van de minister aantoont dat de onderneming op 15 maart 2020 feitelijk een hoofdactiviteit uitvoerde behorend bij een land- en tuinbouwonderneming.

  • 3. Indien een onderneming na 29 februari 2020 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister is het tweede lid, aanhef en onderdeel a, niet van toepassing.

  • 4. Geen subsidie wordt verstrekt aan:

Artikel 3 (bepaling omzetverlies)

  • 1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en de uitkomst te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten met dien verstande dat indien de onderneming deel uitmaakt van een groep, wordt uitgegaan van de omzet van die groep.

  • 2. Indien de getroffen onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.

  • 3. Voor andere getroffen ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in het tweede lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk.

  • 4. Tot de omzet in de subsidieperiode worden voor de toepassing van deze regeling niet gerekend subsidies, tegemoetkomingen of steun in andere vorm die de getroffen onderneming heeft verkregen van een bestuursorgaan in verband met, of mede in verband met, de gevolgen van de bestrijding van de verspreiding van COVID-19.

Artikel 4 (hoogte subsidie)

  • 1. De subsidie in de subsidieperiodes 1 en 2 bedraagt 70% van de ongedekte vaste kosten in de betreffende subsidieperiode.

  • 2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per subsidieperiode maximaal € 550.000 voor MKB-bedrijven en € 600.000 voor niet-MKB bedrijven verminderd met het bedrag waarvoor de getroffen onderneming in de betreffende subsidieperiode op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 ten hoogste subsidie kan ontvangen.

Artikel 5 (afwijzingsgronden)

  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;

    • b. de getroffen onderneming nog niet het maximale steunbedrag waarvoor hij op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 in aanmerking kan komen, in het kader van die regeling heeft aangevraagd;

    • c. de getroffen onderneming al in moeilijkheden verkeerde, in de zin van artikel 2, onderdeel 14, van de landbouwvrijstellingsverordening, op 31 december 2019;

    • d. indien het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de schatting van de omzet in de subsidieperiode, zoals opgenomen in de subsidieaanvraag, gedeeld door de omzet in de referentieperiode en uitgedrukt in procenten, minder dan 30% bedraagt.

  • 2. Het eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel d, is niet van toepassing op een getroffen onderneming die voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister na 29 februari 2020.

Artikel 6 (informatieverplichtingen bij aanvraag)

  • 1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2. Een aanvraag omvat in ieder geval:

    • a. gegevens over de getroffen onderneming, waaronder het nummer waarmee de getroffen onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer dat op naam van de getroffen onderneming staat;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de getroffen onderneming, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. een opgave van de omzet in de referentieperiodes 1 en 2, voor zover geen opgave is gedaan in het kader van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19;

    • d. een schatting van de omzet in de subsidieperiodes 1 en 2, voor zover geen opgaven is gedaan in het kader van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19;

    • e. een opgave van ontvangen subsidie op basis van andere steunmaatregelen, en in het bijzonder bijdragen die op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 zijn aangevraagd of ontvangen;

    • f. een schatting van de ongedekte vaste kosten in de subsidieperiode 1 respectievelijk 2.

  • 3. Het tweede lid, aanhef in samenhang met onderdeel c, is niet van toepassing op een getroffen onderneming die voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister na 29 februari 2020.

Artikel 7 (aanvraagperiode)

  • 1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 5 juli 2021 tot en met 31 augustus 2021.

  • 2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.

  • 3. De minister beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag. Indien niet binnen deze termijn kan worden beslist, verlengt de minister deze termijn met acht weken en stelt de aanvrager daarvan in kennis.

Artikel 8 (voorschot)

Na verlening van de subsidie wordt een eenmalig voorschot op de subsidie verleend van 80% van het subsidiebedrag als bedoeld in artikel 4, dat is gebaseerd op de schatting, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f.

Artikel 9 (vaststelling subsidie)

  • 1. De getroffen onderneming vraagt de vaststelling van de subsidie aan in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 november 2021 met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2. Bij de aanvraag van de vaststelling wordt in ieder geval meegezonden:

    • a. een opgave van de omzet in de referentie- en subsidieperiodes 1 respectievelijk 2, voor zover geen opgave is gedaan in het kader van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19;

    • b. een opgave van de ongedekte vaste kosten in de subsidieperiodes 1 respectievelijk 2.

  • 3. De opgaven, bedoeld in het tweede lid, worden als volgt ingediend:

    • a. indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, door middel van een verklaring van een accountant over de omzet en de ongedekte vaste kosten in de subsidieperiodes 1 respectievelijk 2 volgens een door de minister ter beschikking gesteld model of een door de minister geaccepteerd vergelijkbaar document;

    • b. indien het subsidiebedrag tussen de € 25.000 en € 125.000 bedraagt, door middel van een verklaring over de omzet en de ongedekte vaste kosten in de subsidieperiodes 1 respectievelijk 2 van een derde deskundige op het gebied van financiële administratie of dienstverlening van buiten het bedrijf volgens een door de minister ter beschikking gesteld model of een door de minister geaccepteerd vergelijkbaar document;

    • c. indien het subsidiebedrag € 25.000 of minder bedraagt, door middel van een eigen verklaring over de omzet en de ongedekte vaste kosten in de subsidieperiodes 1 respectievelijk 2 volgens een door de minister ter beschikking gesteld model of een door de minister geaccepteerd vergelijkbaar document.

  • 4. De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 4.

  • 5. De subsidie wordt in ieder geval op nihil vastgesteld, indien het omzetverlies minder dan 30% bedraagt.

  • 6. Het vijfde lid is niet van toepassing op een getroffen onderneming die voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister na 29 februari 2020.

  • 7. De minister kan de aanvrager verzoeken om nadere bewijsstukken te verstrekken.

  • 8. De minister stelt de subsidie vast binnen 16 weken na de ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10 (administratie)

  • 1. De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden dat de ontvanger voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.

  • 2. De administratie, bedoeld in het eerste lid, wordt tot tien jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard.

  • 3. De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

Artikel 11 (staatssteun)

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door Steunmaatregel SA.63576 (2021/N).

  • 2. De minister maakt na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in paragraaf 4, onderdeel 88 van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I).

  • 3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

Artikel 12 (overgangsrecht)

Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip waarop een wijziging van deze regeling van kracht wordt en op subsidies die voor dat tijdstip zijn verstrekt, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip.

Artikel 13 (inwerkingtreding en vervaldatum)

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor 1 januari 2022 zijn verleend.

Artikel 14 (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidie financiering ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 6 juli 2021

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

TOELICHTING

1. Inleiding

Sinds het vierde kwartaal van 2019 kunnen bedrijven in diverse economische sectoren waaronder ook landbouw bedrijven de zogenaamde Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) ontvangen, op basis van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19. De TVL ondersteunt bedrijven en zelfstandigen om hun vaste lasten te betalen. De TVL-subsidie is afhankelijk van het omzetverlies (minimaal 30%), het percentage vaste lasten en een subsidiepercentage. In de Kamerbrief ‘Uitbreiding economisch steun- en herstelpakket’ van 21 januari jl. (kamerbrief 25 420, nr. 217) heeft het kabinet de verlening en intensivering van een aantal noodmaatregelen aangekondigd. Zo wordt onder meer het maximale subsidiebedrag voor de tegemoetkoming vaste lasten (TVL) verhoogd van 90.000 naar 330.000 per kwartaal per onderneming. Voor de bedrijven met meer dan 250 medewerkers, die vanaf het eerste kwartaal 2021 toegang krijgen tot de TVL wordt het maximum subsidiebedrag vastgesteld op € 400.000 per kwartaal per onderneming. Het maximale subsidiebedrag in de TVL is verder verhoogd in de Kamerbrief 'Noodpakket banen en economie' van 24 februari, deze keer naar 550.000 per kwartaal voor het midden en kleinbedrijf en 600.000 per kwartaal voor bedrijven met meer dan 250 medewerkers (Kamerbrief 35 420, nr. 2).

Middelgrote en grote bedrijven in de land- en tuinbouw kunnen echter geen gebruik maken van de aangekondigde verhogingen van de subsidiegrens voor de tegemoetkoming vaste lasten. Dit komt door bepalingen in het specifieke hoofdstuk van het Europees steunkader waaronder de TVL is goedgekeurd, te weten paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I;6) (hierna: tijdelijk steunkader). Paragraaf 3.1 van het tijdelijk steunkader kent immers een begrenzing van € 225.000 voor bedrijven in de land- en tuinbouw. Deze begrenzing zou ervoor zorgen dat grotere landbouwbedrijven veel minder steun kunnen ontvangen dan andere grote bedrijven. Zoals het kabinet heeft gemeld in de brief van 21 januari jl. wordt dit onwenselijk geacht.

Daarom is besloten om onder een ander hoofdstuk van het tijdelijk steunkader, te weten paragraaf 3.12, een regeling op te stellen zodat ook (middel)grote land- en tuinbouwbedrijven die te maken hebben met een forse omzetval substantieel geholpen kunnen worden met een tegemoetkoming in hun vaste lasten. Hierbij zal het kabinet ernaar streven om deze bedrijven tegemoet te komen in lijn met de andere sectoren, met hantering van vergelijkbare maximale steunbedragen (max. € 550.000 per kwartaal), binnen de beperkingen die het tijdelijk steunkader in paragraaf 3.12 stelt. Concreet betekent dit dat alleen 70% van de ongedekte vaste kosten mogen worden vergoed met, ter voorkoming van cumulatie van steun, aftrek van wat onder de TVL is of wordt vergoed, te weten maximaal € 225.000 voor landbouwondernemingen. Dit heeft als consequentie dat er meer informatie zal moeten worden uitgevraagd en dat de ongedekte vaste kosten per onderneming moeten worden vastgesteld.

Deze regeling schept het kader op grond waarvan bepaalde landbouwondernemingen aanspraak kunnen maken op additionele financiële ondersteuning. Zo is opgenomen welke ondernemingen in aanmerking komen voor de subsidie, aan welke criteria zij moeten voldoen om in aanmerking te komen, hoe de aanvraag ingediend moet worden en binnen welke termijn beslist wordt op de aanvraag.

2. Afbakening van de doelgroep

De subsidie is bedoeld voor ondernemingen in de land- en tuinbouw die tegen de maximale vergoeding aan (zijn ge-) lopen van de TVL-vergoeding door het tijdelijk steunkader. Hierbij geldt het vereiste dat de getroffen ondernemingen eerst het volledige steunbedrag waarop zij op grond van de TVL aanspraak kunnen maken, benutten voordat zij een beroep op deze regeling kunnen doen. Dit zijn dus land- en tuinbouwbedrijven die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid is ervoor gekozen dat het moet gaan om een onderneming die op 15 maart 2020 ingeschreven was in het handelsregister, onder één van de bijbehorende SBI-codes (01.1, 01.2, 01.3, 01.4 en 01.5). De aanduiding van de hoofd- en nevenactiviteiten met bijbehorende SBI-codes zijn in het handelsregister gebaseerd op de aanduiding van de activiteiten van de onderneming (artikel 1 van de regeling, begripsbepaling land- en tuinbouwondernemingen). Bij de TVL is gebleken dat er ondernemingen zijn die voor de hoofdactiviteiten onder SBI-codes in het handelsregister zijn ingeschreven die niet in aanmerking kwamen voor een tegemoetkoming, terwijl zij konden aantonen wel degelijk een hoofdactiviteit uit te voeren die onder een van de SBI-codes valt die subsidiabel is. Die gevallen komen onder de TVL alsnog in aanmerking voor een tegemoetkoming als ze de daadwerkelijke uitoefening van de subsidiabele hoofdactiviteit kunnen aantonen. Die mogelijkheid zal in vergelijkbare gevallen ook tijdens de uitvoering van onderhavige regeling worden geboden (artikel 2, tweede lid, sub c, van de regeling).

Overheidsbedrijven zijn uitgezonderd van de regeling. Dit zijn bedrijven als bedoeld in artikel 25g van de Mededingingswet, namelijk ondernemingen waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon in staat is het beleid te bepalen, en ondernemingen waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. Deze zijn uitgesloten omdat de subsidie bedoeld is voor private ondernemingen (artikel 2, vierde lid, van deze regeling).

Voorts komen alleen ondernemingen die niet al in problemen verkeerden op 31 december 2019 voor subsidie in aanmerking (artikel 5, eerste lid, sub c, van de regeling). Deze voorwaarde vloeit voort uit de toepassing van het tijdelijk steunkader en geldt in aanvulling op artikel 4:35, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit zal de ondernemer moeten verklaren.

3. Hoofdlijnen subsidie

3.1 Omzetverlies

Om in aanmerking te komen voor subsidie moet een onderneming ten minste 30% omzetverlies hebben (artikel 2, eerste lid, sub a, van de regeling). Het doel van de regeling is om te voorkomen dat getroffen ondernemingen in liquiditeitsproblemen komen door ongedekte vaste kosten. Van ondernemingen die een omzetverlies van minder dan 30% ervaren, mag verwacht worden dat zij zonder steun van de overheid hun vaste kosten zullen weten te betalen. Bij het bepalen van het percentage van 30% mag afgerond worden op hele procenten.

Het omzetverlies wordt in beginsel bepaald door de omzet in de voor de subsidieaanvraag relevante periode te vergelijken met hetzelfde kwartaal in 2019, toen deze onderneming nog niet getroffen was. Op deze wijze wordt een reëel beeld verkregen van het omzetverlies. Voor de goede orde zij opgemerkt dat de omzet in de voor de subsidie relevante periode pas na afloop van die periode bekend is. Bij de subsidieaanvraag zal dan ook een schatting van de omzet in de subsidieperiode moeten worden gegeven (artikel 6, eerste lid, sub d, van de regeling). Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of de verwachte omzetdaling 30% is, waarbij als dat niet zo is de aanvraag wordt afgewezen (artikel 5, eerste lid, sub d, van de regeling). Aanvragen van subsidie voor het eerste respectievelijk tweede kwartaal kan tot 1 september 2021. Hoe later de subsidie wordt aangevraagd, hoe beter de inschatting van omzetverlies kan worden gemaakt. Daar staat tegenover dat hoe later de subsidie wordt aangevraagd, hoe later ook een voorschot wordt ontvangen.

De berekening van het percentage omzetverlies is dan als volgt: omzet in de referentieperiode – omzet in de subsidieperiode, gedeeld door de omzet in de referentieperiode, vermenigvuldigd met 100%. De uitkomst van deze berekening geeft het omzetverlies in procenten (%).

3.2 Bepaling van de omzet

De subsidieontvanger moet op grond van de regeling zijn omzet in de referentieperiode en in de subsidieperiode opgeven. Op basis van die omzetbedragen wordt bepaald of de aanvrager in aanmerking komt voor subsidie (drempel van 30%). De definitie van het begrip ‘omzet’ in artikel 1 van de regeling is gebaseerd op wat er onder ‘netto-omzet’ wordt verstaan in artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit is de omzet die moet worden opgenomen in de jaarrekening van een onderneming.

Een groot deel van de ondernemingen die in aanmerking komt voor subsidie, betaalt omzetbelasting over haar omzet op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968. De in die wet gebruikte definitie van omzet sluit aan bij de definitie van omzet die in onderhavige regeling wordt gebruikt. Vanwege de uitvoerbaarheid en de beperking van de administratieve lasten is in de regeling als uitgangspunt opgenomen dat als een onderneming omzetbelasting betaalt over de omzet, het bedrag waarover aangifte voor de omzetbelasting wordt gedaan, geldt als omzet (artikel 3, tweede lid, van de regeling). Deze aangifte moet zijn gedaan overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.

Voorts zijn bepaalde activiteiten vrijgesteld van de omzetbelasting ingevolge artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Tot slot behalen ondernemingen voor sommige activiteiten ook in het buitenland omzet. Voor deze categorieën geldt dat zij hun omzet uiteraard los van de aangifte van de omzetbelasting moeten aantonen; zij doen daar immers geen aangifte voor. Artikel 3, derde lid, van de regeling bepaalt dat de omzet voor die ondernemingen eenvoudig of duidelijk moet blijken uit de financiële administratie of een ander bewijsmiddel.

In artikel 3, vierde lid, van de regeling is ten slotte bepaald dat subsidies, tegemoetkomingen of andere steun van de overheid in verband met de bestrijding van de verspreiding van COVID-19 geen onderdeel uitmaken van de omzet bij de toepassing van deze regeling. Zij worden dus niet meegenomen bij het bepalen of is voldaan aan het criterium dat er sprake moet zijn van een omzetverlies van minstens 30%.

Er zij overigens wel op gewezen dat andere subsidies, tegemoetkomingen of steun van de overheid in verband met de bestrijding van de verspreiding van COVID-19 tellen als dekking van de vaste kosten. Concreet gaat het hierbij om de TVL, GO-Corona en soortgelijke kredietsteun. Dit volgt uit de definitie van ongedekte vaste kosten waarbij deze steun is uitgesloten. Dat is bijvoorbeeld niet het geval bij de NOW die een generieke maatregel betreft.

3.3 Bepaling subsidiebedrag

Vanuit het tijdelijk steunkader is de eis gesteld dat onder de 3.12 regeling alleen ongedekte vaste lasten mogen worden gedekt. De subsidie mag ten hoogste 70% van deze ongedekte vaste lasten bedragen. Van de bepaling in het tijdelijk steunkader dat micro- of klein bedrijven 90% van de vaste lasten gedekt krijgen, is geen gebruik gemaakt. De regeling is bedoeld voor (middel) grote land- en tuinbouwbedrijven die meer verliezen lijden dan op grond van de TVL kan worden vergoed vanwege de in het kader van de TVL voor hen geldende maximum van € 225.000, dit zijn in de regel geen micro- en kleine bedrijven. Een bepaling hierover opnemen zou echter wel betekenen dat extra controles hierop nodig zijn terwijl de verwachting is dat er in praktijk geen gebruik van kan worden gemaakt.

Concreet betekent dit dat de ondernemer moet aantonen dat hij afdoende ongedekte vaste kosten heeft om de te ontvangen subsidie te verantwoorden. Hierbij geldt dat:

  • onder vaste kosten wordt verstaan: de afschrijvingen op vaste activa en de overige bedrijfskosten. Onder de afschrijvingen op vaste activa wordt door het CBS verstaan de waardevermindering van duurzame productiemiddelen, zoals machines, gebouwen, vervoermiddelen en software, als gevolg van normale slijtage en voorzienbare economische veroudering. Onder de overige bedrijfskosten vallen de bedrijfskosten die niet betrekking hebben op de inkoopwaarde van de omzet en de afschrijvingen op vaste activa. Voor de landbouw worden tevens de kosten van de verzorging van de planten en dieren tot de vaste lasten gerekend aangezien deze niet voorkomen kunnen worden, ook niet als de omzet niet gehaald wordt.

  • vaste kosten worden geacht gedekt te zijn als zij worden gedekt vanuit een winstbijdrage (inkomsten-variabele kosten), verzekeringen of steun (zoals de reguliere TVL).

De subsidie betreft 70% van de ongedekte vaste kosten in de relevante subsidieperiode. Hiervoor moet eerst worden bepaald hoeveel vaste kosten een bedrijf in die subsidieperiode heeft. Daarna moet worden bepaald wat de dekking is voor de vaste kosten in diezelfde subsidieperiode, deze dekking kan bestaan uit overheidssteun zoals de TVL, verzekeringen of uit inkomsten. Over de overgebleven ongedekte vaste kosten wordt de subsidie van 70% berekend (artikel 4, eerste lid, van de regeling). Een bedrijf dat vaste kosten heeft en meer dan 30% omzetverlies maar toch winst maakt, zal geen gebruik kunnen maken van de regeling. Hij heeft dan onvoldoende ongedekte vaste kosten. Tevens zal een bedrijf waarbij de vaste kosten worden gedekt door de verzekering of door andere steun niet in aanmerking komen voor een vergoeding. Het bedrijf beschikt dan niet over ongedekte vaste kosten (artikel 1, definitie ongedekte vaste kosten). Hiermee wijkt de regeling af van de TVL. Dit is echter in lijn met de eisen van het tijdelijk steunkader, paragraaf 3.12.

Bij het vaststellen van de dekkingsgraad van de vaste kosten door de reguliere TVL in een bepaalde subsidieperiode wordt uitgegaan van de aangevraagde reguliere TVL in die subsidieperiode. Een uiteindelijk lagere toekenning in de reguliere TVL dan het Europese maximum van € 225.000 betekent dat de aanvrager niet voldoet aan de toegangseis van deze regeling, namelijk uitputting van de reguliere TVL, en dat een al verstrekt voorschot moet worden teruggevorderd.

Conform de TVL zijn ook bij deze regeling de bedragen die kunnen worden ontvangen gemaximaliseerd. Namelijk op € 550.000 per subsidieperiode voor MKB bedrijven en € 600.000 per subsidieperiode voor niet-mkb bedrijven (bedrijven met meer dan 250 medewerkers). Van deze maximumbedragen moet wel de maximale reguliere TVL die de aanvrager in de relevante subsidieperiode mag aanvragen, worden afgetrokken. Dit om te voorkomen dat ondernemers meer ontvangen dan ondernemers uit andere sectoren kunnen ontvangen in de reguliere TVL (artikel 4, tweede lid, van de regeling).

Uitgangspunt is derhalve dat voor elk van de relevante subsidieperiodes in het kader van deze regeling moet worden bepaald wat het maximaal beschikbare bedrag is waarop nog op grond van de TVL aanspraak gemaakt kan worden, wat mede afhankelijk is van de vraag of en voor welk bedrag in een voorgaande periode een beroep is gedaan op de TVL. Dit vergt dus een maatwerkaanpak.

Daarnaast volgt uit de definitie van ‘ongedekte vaste kosten’ dat bijdragen die al op grond van andere regelingen, zoals de TVL, zijn ontvangen, niet meetellen (in mindering worden gebracht) bij het bepalen van de omvang van de ongedekte vaste kosten in het kader van deze regeling. Tegelijkertijd moet de reguliere TVL zijn uitgeput voordat een beroep op deze regeling kan worden gedaan(artikel 5, eerste lid, sub b van deze regeling).

Bij de maximumbedragen die een onderneming kan krijgen op grond van deze regeling wordt geëist dat een onderneming het volledige steunbedrag waarop deze op grond van de TVL aanspraak kan maken al heeft benut of zal benutten. De resterende ongedekte vaste kosten kunnen vervolgens tot het in artikel vier aangegeven maximum worden gedekt.

Bij het bepalen van de subsidie zal net als bij de TVL worden gekeken op concernniveau. Dit is het niveau waarop ook de staatsteungrenzen wordt bepaald. Het is van belang om aan te sluiten bij de Europese staatsteungrenzen aangezien hier ook de grens van paragraaf 3.1 van het tijdelijk steunkader wordt bepaald.

Hieronder drie voorbeeldberekeningen:

Bedrijf A

Bedrijf A heeft een gebruikelijke omzet van een miljoen per kwartaal en heeft de productie stilgelegd. Vanwege het omzetverlies krijgt hij een TVL van 225.000 in Q1 2021. Door het compleet stilleggen van de productie zijn de vaste lasten maar 200.000. De subsidies zorgen ervoor dat het bedrijf winst maakt en kan het dus in Q1 dus geen gebruik kan maken van de regeling op basis van 3.12. In het tweede kwartaal zijn de vaste lasten niet gedekt door de TVL en heeft het bedrijf recht op een vergoeding van 70% van de 200.000 aan vaste lasten, namelijk 140.000.

Bedrijf B

Bedrijf B heeft geen recht op TVL in Q4 maar heeft in het eerste kwartaal 2021 een omzetverlies van 1.000.000 op een referentie omzet van 2.000.000. De vaste lasten bedragen 1.500.000 aan rente, afschrijvingen, pacht en plantverzorging. Hij heeft daarmee een verlies van 500.000. Daarvan wordt 225.000 gedekt door de reguliere TVL (1.000.000. maal 0,20 en maal de opslag van 0,21 betekent dat bedrijf B het maximum bereikt in het Q1 2021).

Dit betekent dat er nog 275.00 aan ongedekte vaste lasten zijn. Dit wordt als volgt berekend:

 

Waarde Q1 2021

Vaste lasten

1.500.000

 

Omzet

1.000.000

Reguliere TVL

225.000

Ongedekte vaste lasten

275.000

=

Deze ongedekte vaste lasten worden voor 70% vergoed via de regeling, het bedrijf ontvangt (275.000 x 0,7 =) 192.500 voor kwartaal 1.

In het tweede kwartaal heeft dit bedrijf dezelfde cijfers, er is geen recht meer op TVL, de ongedekte vaste lasten bedragen dan 500.000 (vaste lasten minus omzet). Het bedrijf ontvangt dan (500.000 x 0,7 =) 350.000 voor het tweede kwartaal. Aangezien beide kwartalen in een keer worden uitbetaald, ontvangt bedrijf B in een keer 542.500.

Bedrijf C

Bedrijf C heeft in Q4 een TVL ontvangen van 90.000. Hij heeft in Q1 een omzetverlies van 500.000, bij een gebruikelijke omzet van 1.500.000. In Q2 heeft hij nooit omzet. Hij heeft vaste lasten van 1.400.000. Hij heeft recht op een reguliere TVL van 135.000 voordat hij tegen de Europese grenzen aanloopt. Van de vaste lasten wordt 1.000.000 gedekt door de omzet, wordt 135.000 gedekt door TVL en blijft dus 265.000 over. Dit wordt als volgt bepaald:

Categorie

Waarde Q1 2021

Vaste lasten

1.400.000

 

Omzet

1.000.000

Reguliere TVL

135.000

Ongedekte vaste lasten

265.000

=

Hiervan wordt 70% vergoed wat betekent dat het bedrijf (265.000 x 0,7 =) 185.500 euro ontvangt.

4. Aanvraag, verlening, voorschot en vaststelling

De aanvragen voor een subsidie kunnen van 5 juli tot en met 31 augustus 2021 worden ingediend bij RVO. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het formulier dat hiertoe via RVO ter beschikking is gesteld. Dit elektronische aanvraagformulieren die te vinden zijn op de website van RVO: www.rvo.nl/ovk.

Bij de aanvraag dient de onderneming de in artikel 6 genoemde gegevens aan te leveren, zoals de naam, het adres, en het KvK-nummer van de getroffen onderneming en de gegevens van de contactpersoon.

De aanvraag kan worden ingediend vanaf 5 juli tot en met 31 augustus (artikel 7, eerste lid, van de regeling). Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. RVO toetst binnengekomen aanvragen op basis van de geselecteerde SBI-codes. RVO raadpleegt ook het uittreksel van de Kamer van Koophandel van de onderneming die de subsidie aanvraagt, ter controle dat de onderneming inderdaad aan de voorwaarden van deze regeling voldoet. Ondernemingen hoeven bij de aanvraag geen bewijs van omzetverlies in te dienen, maar moeten een schatting geven van hun omzet in de periode waarover steun wordt aangevraagd.

Vanwege de nood bij de getroffen ondernemingen wordt zo snel mogelijk op de aanvraag beslist, maar uiterlijk binnen acht weken. In het uiterste geval dat een beslissing binnen acht weken niet haalbaar is, wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gesteld, en wordt de termijn met maximaal acht weken verlengd (artikel 7, derde lid, van de regeling). De regeling vervalt op 1 januari 2022, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend (zie artikel 13, tweede lid, van de regeling).

Na verlening van de subsidie zal een voorschot verstrekt worden van 80% van het bedrag, zoals deze wordt berekend met toepassing van de regeling op basis van de bij de aanvraag geleverde gegevens over de schatting van de vaste kosten in de subsidieperiode (artikel 8 van de regeling). Het voorschot wordt in één keer uitgekeerd.

Tussen 1 oktober en 30 november 2021 verzoekt de onderneming om vaststelling van de subsidie via het daarvoor ontworpen formulier. Ook dit formulier is beschikbaar op www.rvo.nl/ovk. Bij bedragen tot 25.000 kan hierbij worden volstaan met een eigen verklaring, tussen de 25.000 en 125.000 is een verklaring van een deskundige op het gebied van financiële administratie of dienstverlening van buiten het bedrijf vereist en bij steunaanvragen boven de 125.000 is een verklaring of een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant nodig. Vervolgens zal op basis van de gegevens het bedrag van de ongedekte vaste kosten worden vastgesteld en wordt op grond daarvan de subsidie vastgesteld. Bij de afrekening kan sprake zijn van terugvordering van (een deel van) het voorschot of nabetaling. De subsidie wordt op nihil vastgesteld als blijkt op basis van de definitieve omzet in de subsidieperiode dat het omzetverlies minder dan 30% bedraagt, als het omzetverlies kan worden gedekt binnen de gebruikelijke TVL of als er onvoldoende sprake is van ongedekte vaste kosten.

Voor zover pas na de subsidievaststelling mocht blijken dat (een deel van) de subsidie ten onrechte is verstrekt dan kan deze op grond van artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies alsnog worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd, waarbij tevens kan worden bepaald dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

5. Verplichtingen voor de subsidieontvanger

In artikel 10 van de regeling zijn enkele verplichtingen opgenomen voor de subsidieontvanger. In de eerste plaats is het van belang dat de ontvanger zijn administratie voert en bewaart op een manier waardoor tot tien jaar na de subsidieverlening op duidelijke en eenvoudige wijze blijkt dat hij aan de eisen heeft voldaan (artikel 10, eerste lid, van de regeling). Met deze verplichting wordt mede voldaan aan punt 91 van het tijdelijk steunkader. Voorts is bepaald dat de ontvangers een verplichting hebben om mee te werken met een evaluatie naar de effecten van de regeling, indien daartoe wordt overgegaan (artikel 10, derde lid, van de regeling).

6. Uitvoering

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regeling uit. Het uitvoeringsproces is deels geautomatiseerd om de ondernemers snel te kunnen helpen. Ter ondersteuning van het controleren van de aanvragen worden gegevens van onder andere het Handelsregister en de administratie van RVO gebruikt zoals de gegevens die zijn verstrekt voor het aanvragen van de TVL. RVO doet aanvullend gerichte controles met oog op potentiële risico's op misbruik en fraude. Subsidieontvangers zijn ook na de subsidievaststelling verplicht om hieraan mee te werken.

7. Staatssteun

De subsidie die wordt verleend op grond van deze regeling is aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Conform artikel 108, derde lid, van het VWEU is deze steunmaatregel ter voorafgaande goedkeuring bij de Europese Commissie aangemeld. Om geoorloofd steun te kunnen verstrekken op basis van deze subsidieregeling is gebruik gemaakt van het tijdelijk steunkader.

In dit tijdelijk steunkader zet de Europese Commissie uiteen onder welke voorwaarden staatssteun voor maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de COVID-19 uitbraak gerechtvaardigd is op grond van artikel 107, derde lid, onder b, van het VWEU. Op grond van het tijdelijk steunkader kan steun ter financiering van ongedekte vaste kosten worden verleend, onder meer in de vorm van subsidies. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in paragraaf 3.12. van het tijdelijk steunkader.

De onderhavige subsidieregeling past binnen de voorwaarden van het tijdelijk steunkader en is om die reden bij besluit van 29 juni 2021, C(2021) 4924 final, goedgekeurd door de Europese Commissie (steunmaatregel SA.63576 (2021/N). In de onderhavige regeling zijn de voorwaarden van het tijdelijk steunkader verwerkt. In deze toelichting is dit steeds bij de relevante onderdelen vermeld.

8. Regeldruk

De regeldruk voor de gedupeerde onderneming behelst het kennisnemen van de regeling, het invullen van de aanvraag, het afgeven van de bedoelde verklaringen en het uploaden van de in artikel 10, tweede lid, vereiste bewijsstukken. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de kennisneming een kwartier kost en de invulling van de complete aanvraag en uploaden van bewijs door de onderneming nogmaals een drie kwartier aan inzet kost, dus totaal 1 uur per onderneming. Uitgaande van 100 ondernemingen (land- en tuinbouw totaal) die, tegen een gemiddeld uurtarief van € 39,–, een aanvraag zullen doen, komen de totale regeldrukkosten voor de ondernemingen voor de aanvraag op € 3.900.

Voor alle ondernemingen wordt ervan uitgegaan dat de indiening van de verantwoording achteraf door de onderneming een half uur in beslag neemt. Dit komt neer op ongeveer € 2.000,– (100 ondernemingen, € 39,– per uur). Bij de verantwoording achteraf zal bij bedragen boven de € 25.000 een controleverklaring van een accountant vereist zijn. Verwacht wordt dat ongeveer 80 aanvragers boven de € 25.000 komen en dus een accountantsverklaring dienen te verstrekken. Tevens wordt ervan uitgegaan dat dit voor de accountant per onderneming 20 uur kost met een gemiddeld uurtarief van € 85,–, wat zal uitkomen op € 1.700 per onderneming. In totaal dus € 136.000 euro.

De totale regeldrukkosten voor de ondernemingen komen daarmee uit op € 141.900,–.

9. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze is geplaatst. Gelet op het tijdelijke karakter van de regeling vervalt deze op 1 januari 2022. Bestaande verplichtingen op grond van deze regeling blijven echter in stand (artikel 13).

10. Artikelsgewijs

Artikel 1

In dit artikel staan de definities, die zoveel mogelijk aansluiten op de definities uit de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). Dit omdat de land- en tuinbouwondernemingen die onder de TVL de maximale bijdrage hebben gekregen maar nog meer ongedekte vaste kosten hebben, van onderhavige regeling gebruik kunnen maken en bepaalde gegevens die onder de TVL zijn verstrekt ook worden gebruikt voor het bepalen van de te verlenen steun onder deze regeling.

Deze regeling heeft betrekking op het eerste en tweede kwartaal van 2021, de subsidieperiode 1 respectievelijk 2.

Artikel 2

Omdat de inwerkingtreding van deze regeling is bepaald op een tijdstip na het eerste en tweede kwartaal van 2021 kan met één aanvraag een subsidie voor beide kwartalen worden aangevraagd. De subsidie wordt wel per kwartaal berekend en daarvoor moeten de te verstrekken gegevens per kwartaal worden aangeleverd.

In dit artikel staan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidie, waaronder een drempel van 30% omzetverlies per kwartaal ten opzichte van het zelfde kwartaal in 2019, die volgt uit het tijdelijk steunkader, paragraaf 3.12.

Artikel 3

In dit artikel worden de regels voor het bepalen van het omzetverlies gegeven, welke gelijk zijn aan de regels uit de TVL. Hierbij wordt geen rekening gehouden met steun uit andere hoofde ontvangen ter compensatie van de negatieve gevolgen van COVID-19 maatregelen.

Artikel 4

De subsidie wordt berekend over de ongedekte vaste kosten in het betreffende kwartaal van 2021. Dit is anders in de TVL, daar is de subsidiegrondslag het omzetverlies. In deze regeling wordt het omzetverlies alleen gebruikt om te bepalen of een bedrijf aan het entreevereiste van 30% voldoet.

De subsidie bedraagt 70% van de ongedekte vaste kosten (eerste lid). De subsidie ziet op de ongedekte vaste kosten, dit zijn vaste kosten die niet op basis van een andere steunregeling, zoals de TVL, of andere bronnen worden vergoed. Kosten die onder de TVL worden vergoed, tellen dus niet mee bij de bepaling van de hoogte van de subsidie.

Voor de subsidie geldt een maximum van € 550.000 per kwartaal voor MKB-bedrijven en € 600.000 per kwartaal voor niet MKB-bedrijven (tweede lid).

Omdat de subsidie onder dit steunkader niet mag cumuleren met andere subsidie en het uitgangspunt is dat een onderneming eerst volledig gebruik moet maken van de steunmogelijkheden in het kader van de TVL (zie artikel 5), wordt het maximum dat per kwartaal beschikbaar is (€ 550.000 respectievelijk € 600.0000) verminderd met het bedrag waarop de getroffen onderneming over hetzelfde kwartaal ten hoogste een beroep kan doen ingevolge de TVL. Hoe hoog dat bedrag is, is afhankelijk van de TVL die eventueel al over een eerdere periode is ontvangen (in het vierde kwartaal van 2020 of in het eerste kwartaal van 2021).

In totaal kunnen landbouwondernemingen maximaal € 225.000 steun op grond van de TVL (al dan niet verspreid over verschillende kwartalen) ontvangen. Deze maxima vloeien voort uit paragraaf 3.1 van het tijdelijk steunkader, dat voor de TVL het uitgangspunt vormt.

Artikel 5

In dit artikel zijn de afwijzingsgronden opgenomen, zoals het per kwartaal niet kunnen bewijzen van de 30% omzetverlies, het niet hebben benut van het maximale subsidiebedrag onder de TVL of het al in moeilijkheden verkeren voordat de COVID-19 maatregelen van kracht werden.

Deze eisen gelden dus ongeacht voor welke subsidieperiode een bedrijf subsidie aanvraagt. Uitgangspunt is dat eerst de maximale TVL is aangevraagd, alvorens voor het eerste of tweede kwartaal van 2021 een subsidie onder deze regeling kan worden verleend.

Artikel 6

Bij het aanvragen van (een voorschot op) de subsidie moeten bepaalde gegevens worden ingediend over de omzet en de geschatte ongedekte vaste kosten over de twee subsidieperiodes.

Voor het bepalen van de omzet en het omzetverlies wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de opgaven die in het kader van de TVL worden gedaan. Dat betekent dat een getroffen onderneming in principe in het kader van deze regeling geen nieuwe opgave hoeft te doen, tenzij hij voor de betreffende subsidieperiode nog geen opgave heeft gedaan onder de TVL of indien hij van die opgave wil afwijken.

Het kan voorkomen dat er voor het tweede kwartaal van 2021 geen subsidie in het kader van de TVL meer kan worden aangevraagd omdat het daarvoor toepasselijke steunmaximum is bereikt en er dus voor die periode nog geen opgave is gedaan. In dat geval zal de getroffen onderneming voor die subsidieperiode alsnog een opgave in het kader van deze regeling moeten doen.

Artikel 7

Het loket voor het aanvragen van de subsidie wordt bij RVO op 5 juli 2021 opengesteld voor twee maanden.

Artikel 8

Op basis van de (geschatte) gegevens in de aanvraag wordt een voorschot van 80% op de te verlenen subsidie verstrekt.

Artikel 9

Vanaf 1 oktober 2021 kan binnen een periode van twee maanden de aanvraag van de subsidie worden voltooid door het indienen van de vereiste gegevens om een definitief bedrag aan subsidie te kunnen berekenen. Voor de geschatte ongedekte vaste kosten wordt, afhankelijk van het te verlenen subsidiebedrag, een verklaring van een accountant/consulent/deskundige of de ondernemer zelf gevraagd. Voor de omzetgegevens wordt gebruik gemaakt van de gegevens die voor de TVL zijn verstrekt, tenzij die niet voor het betreffende kwartaal zijn ingediend of daarvan afwijken. Indien nodig kan de minister om nadere bewijsstukken verzoeken.

Artikel 10

Ten behoeve van een controle achteraf van de ingediende gegevens voor het verkrijgen van deze subsidie geldt een bewaartermijn tien jaar.

Artikel 11

In dit artikel zijn de gegevens opgenomen over de melding van deze staatsteunregeling aan de Europese Commissie en de datum en het nummer van het goedkeuringsbesluit.

Artikel 12

Het overgangsrecht ziet voor reeds ingediende aanvragen op de werking van de regeling zoals deze luidde voor wijziging of het intrekking.

Artikel 13

Het Tijdelijk Steunkader is van kracht tot 1 januari 2022, deze regeling heeft dezelfde looptijd, maar blijft zijn werking behouden voor nog lopende aanvragen en voor reeds verstrekte tegemoetkomingen.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat een snelle inwerkintreding van de subsidieregeling aanmerkelijke nadelen voor de doelgroep voorkomt.

Artikel 14

In dit artikel wordt de citeertitel opgenomen, waaronder de regeling in de Staatscourant wordt gepubliceerd.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten