TOELICHTING
1. Inleiding
Op 21 april 2021 is verordening (EU) nr. 2016/429 van het Europees Parlement en de
Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking
van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’)
(PbEU 2016, L 84) van toepassing (hierna: diergezondheidsverordening). Vanaf die datum
vormt deze verordening, samen met verscheidene gedelegeerde en uitvoeringsverordeningen
van de Europese Commissie, de rechtstreekse bron van regels in het belang van de diergezondheid.
Sommige onderdelen van de verordening worden bij nationale regelgeving uitgevoerd,
en bovendien staat de verordening het lidstaten toe om onder voorwaarden aanvullende
regels te stellen. De nieuwe Europese regelgeving, de uitvoerende en de aanvullende
nationale regelgeving over diergezondheid worden uitgevoerd op grond van de Wet dieren.
Dat wettelijke bepalingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren op grond
waarvan tot dusverre regels over diergezondheid waren gesteld, zijn vervallen.
Vanwege de overgang van de diergezondheidsregelgeving van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren naar de Wet dieren is het nodig de regels van tijdelijke aard te continueren
die zijn getroffen ter voorkoming van de verspreiding van specifieke besmettelijke
dierziekten of zoönosen te continueren. Het gaat om regels over aviaire influenza
bij vogels, Sars-CoV-2 bij nertsen en de Afrikaanse varkenspest bij wilde zwijnen.
Onderhavige regeling voorziet hierin.
De inhoud van de regels over aviaire influenza en Afrikaanse varkenspest is gelijk
gebleven; wel is de terminologie bij de regels over aviaire influenza aangepast op
die van de diergezondheidsverordening.
Ten opzichte van de oorspronkelijke regels over Sars-CoV-2 bij nertsen is een groot
aantal bepalingen geschrapt omdat die uitgewerkt zijn, aangezien het verboden is om
in Nederland nertsen te houden. Uit preventief oogpunt blijven enkele bepalingen evenwel
nodig.
Verder is van de gelegenheid is gebruik gemaakt om uitvoering te geven aan een nieuw
besluit van de Europese Commissie ter uitvoering van de diergezondheidsverordening
over de verplaatsing van salamanders.
Het is de bedoeling om in het onverhoopte geval dat ter preventie van andere dierziekten
of zoönosen regels nodig zijn, deze op te nemen in de onderhavige regeling. Daarom
is een aantal hoofdstukken van deze regeling gereserveerd voor opname van nieuwe regels.
Bovendien is, anders dan gebruikelijk, in elk hoofdstuk expliciet opgenomen wat de
nationale en in voorkomend geval Europeesrechtelijke grondslag is van de regels, in
plaats van in de aanhef van de regeling. Dit omdat de grondslag voor elke later op
te nemen bepalingen weer anders kan zijn.
Om onduidelijkheid te voorkomen stel ik voor de huidige passage aan te vullen met
de Dienstenrichtlijn en verder op te merken dat notificatie van de regeling niet aan
de orde is in plaats van dat de regeling niet is genotificeerd.
Omdat het hier gaat om continuering van bestaande crisisregelgeving en om regels ter
uitvoering van Europese verplichtingen, is notificatie van het ontwerp van de regeling
bij de Europese Commissie als technisch voorschrift als bedoeld in richtlijn 2015/1535
van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure
op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241), niet aan de orde. Datzelfde
geldt voor notificatie ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn (richtlijn 2006/123/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op
de interne markt, PB L 376). Om dezelfde reden is niet voorzien in een consultatie
van het ontwerp en een beschrijving van de regeldruk.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 21 april 2021. Hiermee wordt afgeweken
van de vaste verandermomenten, zoals opgenomen in het kabinetsbeleid inzake vaste
verandermomenten (Kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309). Het kabinetsbeleid biedt de mogelijkheid af te wijken van vaste verandermomenten
indien nodig voor de implementatie van Europese regelgeving. Deze regeling is nodig
vanwege de nieuwe diergezondheidsverordening.
2. Afrikaanse varkenspest
In diverse lidstaten van de Europese Unie zijn uitbraken van Afrikaanse varkenspest
(AVP) vastgesteld bij wilde zwijnen en bij gehouden varkens. Het is van groot belang
dat in Nederland preventieve maatregelen worden getroffen om de kans op introductie
zo klein mogelijk te maken en om goed voorbereid te zijn op de bestrijding ingeval
van een uitbraak bij wilde zwijnen of gehouden varkens.
Een belangrijk onderdeel van de preventieve maatregelen is het beheer van de wilde-zwijnenpopulaties
door faunabeheereenheden, waarvoor de provincies op grond van de Wet natuurbescherming
ontheffing verlenen van het verbod op het doden van in het wild levende dieren, of
daartoe een opdracht geven.
Uit het advies van de deskundigengroep dierziekten blijkt dat een verlaging van het
aantal wilde zwijnen voor een verminderde kans op introductie van AVP zorgt, omdat
de kans dat een wild zwijn in contact komt met door de mens achtergelaten besmette
voedselresten (swill) afneemt als er minder zwijnen zijn. Het is dus zaak in gebieden
de wilde zwijnendichtheid te verlagen en laag te houden.
Uit overleg met provincies en belangenorganisaties was in het najaar van 2018 naar
voren gekomen dat meer methoden nodig zijn om wilde zwijnen te doden om de aantallen
te verlagen. Toepassing van de zogeheten ‘bewegingsmethode’ kan een waardevolle aanvulling
zijn. Bij deze methode is een beperkte groep mensen personen met aangelijnde honden
actief om de zwijnen in beweging te brengen zonder deze te verontrusten. Hierbij is
de aanwezigheid van de mensen en honden op een normaal gespreksvolume voor de zwijnen
merkbaar. De wilde zwijnen zullen contact willen vermijden en rustig, zonder te rennen,
de mensen en honden proberen te ontwijken. De zwijnen worden zodoende in de richting
van de jagers bewogen. Voor een jager, al dan niet gezeten in een hoogzit, is het
vervolgens mogelijk om een dier dat binnen gezichtsveld is, goed te beoordelen. Dat
verkleint het risico van een ongericht schot. Doordat de dieren rustig in beweging
zijn en er voldoende jagers rondom zitten kan een aanzienlijk deel van de populatie
in het betreffende gebied worden geschoten. Met deze methode wordt voorkomen dat er
in het gebied grote onrust ontstaat bij dieren en dat het welzijn wordt geschaad.
Dat maakt dat deze methode effectief is in het reduceren van grotere aantallen dan
wat nu haalbaar is.
Omdat de wilde zwijnen bij deze methode worden bewogen in de richtlijn van jagers,
is zij semantisch aan te merken als een vorm van drijven. Op grond van artikel 3.33,
eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het doden van dieren door middel van ten
algemene drijven verboden. Dit omdat het drijven zonder nadere beperkingen verstorend
werkt, een niet-selectieve werking en een aanmerkelijke kans op verwonding geeft (Kamerstukken
II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 274).
De bewegingsmethode, die in België en Duitsland is toegestaan, is te beschouwen als
een methode waarbij de genoemde bezwaren die er zijn tegen de methode van drijven
in het algemeen, zijn weggenomen.
Gegeven het belang van een effectieve preventie van de overbrenging van Afrikaanse
varkenspest is in oktober 2018 op grond van het toenmalige artikel 32 van de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren in het kader van preventie en bestrijding van besmettelijke
dierziekten afgeweken van de Wet natuurbescherming en de bewegingsmethode toegestaan
(toenmalige Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest 2018). Aangezien
deze maatregel nog steeds nodig is met het oog op preventie, wordt zij onder de Wet
dieren gecontinueerd. Artikel 5.7 van de Wet dieren maakt het mogelijk om afwijkingen
toe te staan van de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 2 van deze regeling voorziet
hierin.
Met het oog op de beheersbaarheid en het voorkomen van verontrusting is het maximaal
aantal deelnemers gesteld op zes mensen in het veld en zes jagers, en mogen er maximaal
drie aangelijnde honden worden ingezet. De voorziening geldt voor de vier provincies
met substantiële aantallen wilde zwijnen buiten de leefgebieden (zie bijlage) en blijft
van kracht zolang de methode nodig is ter preventie van verspreiding van Afrikaanse
varkenspest.
3. Aviaire influenza
Sinds 22 oktober 2020 zijn een aantal keer preventieve maatregelen getroffen om de
verspreiding van vogelgriep te voorkomen (toenmalige Regeling maatregelen preventie
vogelgriep 2020). Aangezien de dreiging van dit virus nog steeds aanwezig is, worden
de eerder getroffen maatregelen nu op grond van de Wet dieren gecontinueerd. Hoofdstuk
3 van deze regeling voorziet hierin.
In de eerste plaats gaat het om de landelijke ophokplicht voor inrichtingen waar pluimvee
wordt gehouden of andere in gevangenschap levende vogels, die worden gehouden of gekweekt
om er geld mee te verdienen (artikel 3.4 van deze regeling).
Ook geldt een verzamelverbod ingesteld voor risicosoorten (hoenderachtigen, watervogels
en loopvogels). Het verzamelingsverbod (artikel 3.5 van deze regeling) houdt in dat
alle tentoonstellingen waarbij risicovogels bijeengebracht worden, verboden zijn in
geheel Nederland.
Omdat de specifieke werkwijze op inrichtingen waar eenden worden gehouden een risico
op verspreiding vormt, gelden er regels over het strooisel op die inrichtingen (artikelen
3.6 en 3.7 van deze regeling). Met het regelmatig aanbrengen van strooisel, dat op
het erf wordt opgeslagen, kan het vogelgriepvirus de vogelverblijfplaatsen in worden
gebracht. Extra hygiënevereisten zijn daarom noodzakelijk. Voor deze inrichtingen
geldt daarom de verplichting dat strooisel dat ligt opgeslagen wordt afgedekt en de
verplichting dat bij het binnenbrengen van het strooisel in de stal een hygiëneprotocol
wordt nageleefd. Het schoonmaken van het materieel dat hiervoor wordt gebruikt maakt
hier onderdeel van uit.
Verder geldt de bezoekersregeling (artikel 3.8 tot en met 3.11 van deze regeling).
Die houdt in dat de toegang tot inrichtingen waar vogels aanwezig zijn of normaliter
worden gehouden voor bezoekers verboden is. Dit met uitzondering van het woonhuis
of een boerderijwinkel of -camping of andere agrarische nevenactiviteit (zogenoemde
andere bedrijfsgedeelten), als die fysiek afgescheiden zijn van de vogelverblijfplaatsen.
Een deugdelijke fysieke afscheiding betekent de aanwezigheid van een muur of een met
platen opgetrokken wand en dergelijke. Afscheiding door middel van een lint of vergelijkbaar
materiaal voldoet niet. Bepaalde categorieën bezoekers (zoals politie of medische
hulpverleners) hebben onder omstandigheden wel toegang tot de vogelverblijfplaatsen,
voor zover dit noodzakelijk is in het kader van volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn
of gezondheid van aanwezige personen in de stal. Een dierenarts mag bijvoorbeeld wel
de stal in als er sprake is van ziek pluimvee, maar een adviseur van de veevoerindustrie
mag niet de stal in om te beoordelen of de kippen goed groeien. Dit laatste is niet
noodzakelijk voor diergezondheid of dierenwelzijn. Ten aanzien van het personeel van
de bedrijven geldt ook dat zij het bedrijf slechts mogen betreden als zij aan een
aantal voorwaarden voldoen. Daarnaast geldt dat de houder van vogels een register
bij moet houden van degenen die zijn inrichting hebben bezocht. Naast hygiëneregels
voor bezoekers aan stallen gelden er ook maartregelen voor erfbetreders. Exploitanten
van inrichtingen waar vogels worden gehouden zijn in verband hiermee verplicht de
erfgrenzen duidelijk zichtbaar te markeren. Bezoekers kunnen alleen het erf van de
inrichting betreden indien zij voldoen aan een daartoe opgesteld hygiëneprotocol en
indien zij hun bezoek registreren.
Voor dierentuinen met doorloopvolières met daarin ook risicogevogelte, geldt een uitzondering
op het bezoekverbod (artikel 3.9). Een aantal dierentuinen hebben een overkapte doorloopvolière
met risicovogels. Dit betekent dat de vogels die worden gehouden in de overkapte doorloopvolières
niet uit de volière kunnen vliegen en dat wilde vogels de volière niet binnen kunnen
komen. Het risico dat in de volière aanwezige risicovogels worden besmet door bezoekers
of wilde vogels is dus zeer gering. Bovendien gelden voor dierentuinen die zijn erkend
als geconsigneerde inrichting op grond van artikel 95 van de diergezondheidsverordening
voorschriften over monitoring van dieren en het voorkomen van de insleep van besmettelijke
dierziekte (voorheen artikel 13 van richtlijn 92/65/EEG).
Voor het vervoer van pluimvee gelden beperkingen (artikel 3.12). Een transport tussen
inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden is alleen toegestaan indien dit rechtstreeks
plaatsvindt, indien wordt voldaan aan een daartoe opgesteld hygiëneprotocol en indien
wordt beschikt over een positieve verklaring van de dierenarts. Deze verklaring heeft
betrekking op al het pluimvee dat wordt gehouden op het bedrijf waarvandaan het transport
plaatsvindt, is gebaseerd op een klinische inspectie en is ten tijde van de aankomst
van het transport niet ouder dan 24 uur. De vervoerder dient de verklaring bij zich
te hebben en bij aflevering van het pluimvee over te dragen aan de ontvangende partij.
Deze dient de verklaring gedurende zes maanden te bewaren met het oog op controle
vanuit een oogpunt van bioveiligheid.
Voor de afvoer van eenden en kalkoenen naar de slacht is een klinische inspectie door
een dierenarts vereist (artikel 3.13). Afvoer naar de slacht mag alleen plaats vinden
met een verklaring dat dit bedrijf klinisch is geïnspecteerd door een dierenarts,
binnen 24 uur voor de afvoer. Dit geldt ook bij export. Indien de export plaatsvindt
binnen 24 uur na de afgifte van het exportcertificaat, kan het exportcertificaat dienen
als eerder genoemde verklaring. Daarnaast geldt voor alle transporten van en naar
deze bedrijven dat deze rechtstreeks moeten plaatsvinden met inachtneming van een
hygiëneprotocol.
Met het oog op preventie geldt voor exploitanten die eenden houden specifieke verplichtingen
om ziekteverschijnselen snel te melden bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(artikel 3.15). Het is bekend dat eenden vaak minder specifieke verschijnselen laten
zien bij hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) dan kippen. Eenden worden in de regel
minder ziek en eendenhouders zullen daardoor minder snel aan HPAI denken. Het is evenwel
van groot belang dat een besmetting bij deze bedrijven tijdig wordt gedetecteerd.
De reguliere procedure (artikel 3a.2 van de Regeling houders van dieren_ is in de
huidige situatie voor de eendenhouderij te traag voor een effectieve bestrijding van
besmettingen. Met het oog daarop is, zolang dat onder de huidige omstandigheden nodig
is, de verplichting tot het melden van ziekteverschijnselen die verband kunnen houden
met besmetting van HPAI bij bedrijfsmatig gehouden eenden, aangescherpt. Deze aanscherpte
meldingsplicht geldt vanaf de zevende dag na de dag van opzet van eenden. De eerste
week van opzet geldt de reguliere bepaling.
Ook voor exploitanten die leghennen, vermeerderingsdieren of vleeskuikens houden geldt
een specifieke meldingsverplichting bij verhoogde sterfte bij koppels (artikel 3.16).
Bij dieren die ouder zijn dan 10 dagen moet verhoogde sterfte worden gemeld als er
op twee achtereenvolgende dagen telkens sprake is van een hogere sterfte dan het weekgemiddelde.
Het gemiddelde sterftecijfer wordt berekend door het aantal gestorven kippen in een
week te delen door zeven dagen.
4. Sars-CoV-2 bij nertsen
Sinds 20 mei 2020 zijn op grond van de toenmalige Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren diverse maatregelen getroffen ter voorkoming van de verspreiding van Sars-CoV-2
bij nertsen (toenmalige Regeling maatregelen Sars-CoV-2 bij nertsen).
In Nederland mogen sinds 8 januari 2021 geen nertsen meer worden gehouden. Dit op
grond van de vervroegde invoering van het wettelijk verbod op de pelsdierhouderij.
Dit verbod is mede ingegeven vanwege de mogelijke reservoirvorming van SARS-CoV-2
in de nertsenhouderij. Dit kan een volksgezondheidsrisico met zich brengen. Door een
houdverbod wordt dit risico gecoupeerd. Vanwege dit houdverbod hoeven de meeste verboden
en verplichtingen van de toenmalige Regeling maatregelen Sars-CoV-2 bij nertsen niet
onder de Wet dieren te worden gecontinueerd, zoals de bezoekersverboden, de onderzoeksverplichtingen
en het verbod op het vervoer van nertsenmest.
Voor twee verboden is continuering wel nodig. Door het verbod op het vervoer van levende
nertsen, kadavers van nertsen en pelzen van nertsen in de aangehaalde toenmalige regeling
was het ook niet toegestaan om deze dieren en producten vanuit het buitenland in Nederland
te brengen. Dat mag, met het oog op de bescherming van de volksgezondheid, nog steeds
niet zijn toegestaan in Nederland. Er zijn in de Europese Unie immers nog verschillende
lidstaten met nertsenhouderijen. Er geldt wel een meldplicht voor SARS-CoV-2 besmettingen
in de EU en de Europese Commissie heeft een verplicht monitoringprogramma aangekondigd.
Deze Europese maatregelen leiden er evenwel niet toe dat de status van de houderijen
in de EU exact bekend is. Het vervoer van nertsen uit andere lidstaten vormt daarom
een zeker risico als zij besmet zijn. Deskundigen hebben geadviseerd dit niet toe
te staan in Nederland. Daarom blijft het binnen Nederland brengen van nertsen verboden
(artikel 4.2).
Hetzelfde geldt voor het binnen Nederland brengen van kadavers van nertsen en van
onbewerkte pelzen van nertsen, de zogeheten ‘natte vellen’. De herkomst is daarvan
is weliswaar wel bekend, maar niet uitgesloten kan worden dat de desbetreffende nertsen
voordat ze zijn gedood besmet zijn geraakt, maar waarbij dat nog niet was gedetecteerd.
Daarom blijft het verboden kadavers van nertsen en onbewerkte huiden van nertsen in
Nederland te brengen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in artikel 4.1 te verduidelijken dat deze
maatregelen mede zijn getroffen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2160/2003
van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van
salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PB L
325). Op grond van die verordening treffen lidstaten adequate en doeltreffende maatregelen
voor de detectie en de bestrijding van zoönoseverwekkers in alle stadia van productie,
verwerking en distributie, teneinde de prevalentie ervan en het risico voor de volksgezondheid
te verminderen (artikel 1, eerste en vierde lid, van die verordening).
5. Verplaatsingen van salamanders
Op grond van artikel 3 van het uitvoeringsbesluit (EU) 2021/361 van de Commissie van
22 februari 2021 tot vaststelling van noodmaatregelen voor verplaatsingen tussen lidstaten
en de binnenkomst in de Unie van zendingen salamanders in verband met infectie met
Batrachochytrium salamandrivorans (PbEU L 69) moeten lidstaten het verzenden van een zending salamanders naar een andere
lidstaat verbieden, tenzij die zending aan de in voornoemd artikel opgenomen diergezondheidvoorschriften
voldoet. Ook is in artikel 5 van het uitvoeringsbesluit voorzien in de opdracht aan
lidstaten om nadere regels te stellen voor exploitanten van inrichting van bestemming.
Aangezien dit uitvoeringsbesluit geen rechtstreekse werking heeft voor burgers en
bedrijven, is het zaak dat dit verbod en deze verplichting in de nationale regelgeving
worden opgenomen. Hoofdstuk 5 voorziet hierin.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten