Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2021, 16279 | Adviezen Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2021, 16279 | Adviezen Raad van State |
4 maart 2021
Nr. 3211013
Directie Wetgeving en Juridische Zaken
Aan de Koning
Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de bijzondere zorgplicht (Besluit bijzondere zorgplicht politie)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 3 oktober 2019, nr. 2019002089, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) haar advies inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de bijzondere zorgplicht (Besluit bijzondere zorgplicht politie) rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 12 december 2019, nr. W16.19.0308/II, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder gecursiveerd aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 8 oktober 2019, no.2019002089, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de bijzondere zorgplicht (Besluit bijzondere zorgplicht politie), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt de bijzondere zorgplicht van het bevoegd gezag voor politieambtenaren en hun relaties. Naast de reeds bestaande regelingen kunnen zij op grond van het ontwerpbesluit aanspraak maken op voorzieningen die voortvloeien uit die bijzondere zorgplicht. De bijzondere zorgplicht omvat preventieve zorg ter voorkoming van gezondheidsproblemen bij politieambtenaren als gevolg van het politiewerk, (na)zorg voor politieambtenaren die dat als gevolg van het bijzondere karakter van het politiewerk nodig hebben en het ondersteunen van hun relaties. Daarnaast omvat de bijzondere zorgplicht het richting geven aan het beleid dat door het bevoegd gezag gevoerd dient te worden en het periodiek extern laten onderzoeken van de werking van het systeem voor bijzondere zorg.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft het belang dat in het ontwerpbesluit wordt toegekend aan de erkenning, waardering, zorg en ondersteuning van politieambtenaren. De toelichting roept echter de vraag op wat de bijzondere zorgplicht toevoegt aan de reeds bestaande regels en welke omstandigheden deze bijzondere zorgplicht rechtvaardigen. De Afdeling adviseert daaraan in de toelichting aandacht te besteden. Daarnaast dient aan de uitvoering van de bijzondere zorgplicht concreter invulling te worden gegeven. Door nader aandacht te besteden aan de uitvoering van het ontwerpbesluit, zullen de voorzieningen die de bijzondere zorgplicht meebrengt, steviger worden verankerd en gewaarborgd, zoals het ontwerpbesluit beoogt. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.
Het ontwerpbesluit introduceert in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de bijzondere zorgplicht van het bevoegd gezag voor politieambtenaren en hun relaties.1 Naast de reeds bestaande regelingen kunnen zij aanspraak maken op voorzieningen die voortvloeien uit die bijzondere zorgplicht. Het gaat daarbij kort gezegd om politieambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak dan wel politieambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van andere taken en die in gevaarzettende situaties kunnen geraken.2 Het ontwerpbesluit vloeit voort uit een toezegging aan de Tweede Kamer en uit een arbeidsvoorwaardenakkoord dat is gesloten tussen de Minister van Justitie en Veiligheid, de korpschef en de voorzitters van de politievakorganisaties.3
Voor dit ontwerpbesluit hebben de voor Defensie geldende Veteranenwet en het Veteranenbesluit als inspiratie gediend. Dat ligt in de rede omdat militairen net als politieambtenaren een hoogrisicoberoep uitoefenen, aldus de toelichting.4 Maar er zijn ook verschillen tussen de bijzondere zorgplicht voor politieambtenaren en de bijzondere zorgplicht voor veteranen.5 Deze zijn hierin gelegen dat bij de veteranen de bijzondere zorgplicht van toepassing is na de inzet in oorlogsomstandigheden of deelname aan een missie, terwijl de bijzondere zorgplicht voor de genoemde politieambtenaren continu aan de orde is. Bovendien is een groot deel van de veteranen buiten de Defensieorganisatie werkzaam, terwijl de voor de politie voorgestelde zorgplicht voor het merendeel van toepassing zal zijn op ambtenaren van politie in actieve dienst.6
Aan de zorgplicht voor politieambtenaren ligt blijkens de toelichting het bijzondere karakter van hun werk ten grondslag. Politieambtenaren bevinden zich met regelmaat in gevaarlijke of andere ingrijpende situaties. Het doel van formele vastlegging van de bijzondere zorgplicht is tweeledig: de minister onderschrijft hiermee het grote belang van goede zorg voor politieambtenaren en het draagt bij aan het steviger dan voorheen verankeren en waarborgen van de aanspraken voor de politieambtenaar.7
De bijzondere zorgplicht omvat een goede mentale en fysieke voorbereiding van politieambtenaren op de uitoefening van de aan hen opgedragen politietaak, de begeleiding van politieambtenaren tijdens de uitoefening van deze taak en (na)zorg voor politieambtenaren en in beperkte mate hun relaties die dat als gevolg van de inzet van die politieambtenaren nodig hebben. Daarnaast omvat de bijzondere zorgplicht het richting geven aan het beleid dat door het bevoegd gezag gevoerd dient te worden in het kader van erkenning en waardering, het bevorderen van onderzoek naar aandoeningen die gerelateerd kunnen zijn aan de uitoefening van de politietaak en het periodiek extern laten onderzoeken van de werking van het systeem voor bijzondere zorg.8
De Afdeling onderschrijft het belang dat in het ontwerpbesluit wordt toegekend aan de erkenning, waardering, zorg en ondersteuning van (gewezen) politieambtenaren.9 Het welzijn van de politieambtenaar is niet alleen in het belang van de ambtenaar zelf en zijn relaties. Ook het bevoegd gezag is gebaat bij mentaal en fysiek gezonde politieambtenaren, zodat zij in staat zijn de politietaak naar behoren uit te oefenen. Bovendien dragen goede voorzieningen voor (gewezen) politieambtenaren mogelijk bij aan de keuze voor het politievak. Niettemin heeft de Afdeling enkele opmerkingen over het ontwerpbesluit.
In hoofdstuk VII van het Barp zijn ten behoeve van politieambtenaren bepalingen opgenomen die betrekking hebben op arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en op ziekte en zwangerschap. Het Barp voorziet daarmee voor politieambtenaren in uitgebreide regels en voorzieningen voor ziekte en invaliditeit. In het ontwerpbesluit is bepaald dat het bevoegd gezag een bijzondere zorgplicht heeft voor de ambtenaar en zijn relaties, onverminderd zijn verplichtingen op grond van andere wettelijke regelingen dan wel omtrent arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar, tegemoetkomingen, vergoedingen van geneeskundige behandeling of verzorging, invaliditeit en schadevergoeding als bedoeld in hoofdstuk VII.10 De toelichting vermeldt dat de bijzondere zorgplicht met name ook de regels aanvult die op grond van hoofdstuk VII van het Barp al gelden.11 Gelet op de reeds bestaande regels en voorzieningen voor politieambtenaren rijst de vraag wat de bijzondere zorgplicht daaraan toevoegt en waarom die aanvulling nodig wordt geacht. De toelichting gaat op die vraag onvoldoende in.
De Afdeling adviseert daaraan in de toelichting aandacht te besteden.
De Afdeling merkt op dat onduidelijk is hoe aan de bijzondere zorgplicht in de praktijk uitvoering moet worden gegeven. In de toelichting wordt daaraan slechts summier aandacht besteed. Zo wordt bijvoorbeeld niet uitgelegd waar de aangeboden voorlichting, opleiding, informatieverschaffing, beschikbaarstelling van voorzieningen, ondersteuning en begeleiding in (kunnen) bestaan, wie daarmee worden belast en voor welke periode de politieambtenaar en zijn relaties voor de voorzieningen in aanmerking komen en onder welke voorwaarden. Er komt een zorgloket waar (gewezen) politieambtenaren en hun relaties 24 uur per dag en zeven dagen in de week terecht kunnen met diverse hulpvragen. Niet duidelijk wordt echter met welke hulpvragen en overige taken het zorgloket in het bijzonder wordt belast.12 Ook wordt niet vermeld op welke wijze het wetenschappelijk onderzoek dient te worden bevorderd, hoe vaak de werking van het systeem voor bijzondere zorg dient te worden onderzocht, wie dat onderzoek zal gaan verrichten en op welke wijze dat zal gebeuren.
Door nader aandacht te besteden aan de uitvoering van het ontwerpbesluit, zullen de voorzieningen die de bijzondere zorgplicht meebrengt, steviger worden verankerd en gewaarborgd, zoals het ontwerpbesluit beoogt. Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op het in de toelichting en hiervoor aangehaalde Veteranenbesluit, waarin de uitvoering van de in de Veteranenwet omschreven zorgplichten nader wordt geconcretiseerd.
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op (de hiervoor genoemde aspecten van) de uitvoering van de bijzondere zorgplicht.
Het ontwerpbesluit regelt dat de bijzondere zorgplicht voor de politieambtenaar en zijn relaties onder meer verschillende vormen van voorlichting, opleiding, informatieverschaffing, beschikbaarstelling van voorzieningen, ondersteuning en begeleiding op het gebied van preventie en (na)zorg omvat.13 Het is daarmee aannemelijk dat het ontwerpbesluit financiële gevolgen heeft. In de nota van toelichting wordt aan deze financiële gevolgen geen aandacht besteed.
De Afdeling adviseert de toelichting te voorzien van een financiële paragraaf.14
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State,
Van verdere behandeling van deze algemene maatregel van bestuur is afgezien.
De reden daarvoor is dat, zoals ik eerder bij Kamerbrieven van 23 april 202015 en 18 december 202016 heb aangegeven, naar aanleiding van gesprekken die gevoerd zijn over het stelsel beroepsziekten, beroepsincidenten en dienstongevallen met de Kamer, de Korpsleiding, (oud) medewerkers van de politie, politievakorganisaties en de Centrale Ondernemingsraad, dit stelsel is geëvalueerd en gebleken is dat het niet altijd bijdraagt aan het herstel van de medewerker. Om die reden heb ik in die brieven aangekondigd dat thans een nieuw stelsel wordt uitgewerkt aan de hand van de contouren, vermeld in de brief van 23 april 2020.
De uitwerking van het nieuwe stelsel is complex en vergt een zorgvuldige aanpak waarover nog veel interne afstemming en overeenstemming in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) is vereist. Wel is echter helder dat de bijzondere zorgplicht integraal onderdeel dient uit te maken van de regelgeving naar aanleiding van het nieuwe stelsel. Het nieuwe stelsel omvat de zorgplicht die de politie heeft ten opzichte van al haar medewerkers en daarmee dus ook de bijzondere zorgplicht jegens ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel zijn aangesteld voor de uitvoering van andere taken en die in gevaarzettende situaties kunnen geraken. Om die reden heb ik met de partijen in het CGOP afgesproken de regelgeving aangaande de bijzondere zorgplicht mee te nemen in de nog uit te werken regelgeving naar aanleiding van het gehele nieuwe stelsel.
Gegeven dat de bijzondere zorgplicht en het nieuwe stelsel zoveel verband houden met elkaar acht ik het voor de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid van het gehele stelsel niet verstandig om een deelaspect, onderhavige bijzondere zorgplicht, vooruitlopend op het nieuwe stelsel in werking te laten treden. Dat zou immers twee maal implementatie en voorlichting vereisen voor de politieorganisatie en zou daarnaast tot verwarring bij de doelgroep kunnen leiden. Het is van belang de politie in staat te stellen een nieuw en compleet stelsel door te denken en te implementeren, inclusief aanpassing van processen en zorgvuldige voorlichting aan de doelgroepen.
Overigens ben ik met de Afdeling van mening dat opname van onderhavige bijzondere zorgplicht in het Besluit algemene rechtspositie politie niet vereist is voor de uitvoering van een deel van de in de nota van toelichting beschreven maatregelen. Om die reden worden de betreffende maatregelen thans inmiddels ook al door de politie uitgevoerd. Het betreft bijvoorbeeld het werken met casemanagers, de uitbreiding van geestelijk verzorgers, instrumentaria om mentale weerbaarheid te meten, trainingen in het kader van preventie en het organiseren van bijeenkomsten voor partners van politiemedewerkers met PTSS.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U verzoeken goed te vinden dat het advies van de Raad van State buiten verdere behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het ontwerpbesluit en de daarbij behorende nota van toelichting, zoals deze aan de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus.
No. W16.19.0308/II
’s-Gravenhage, 12 december 2019
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 8 oktober 2019, no.2019002089, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de bijzondere zorgplicht (Besluit bijzondere zorgplicht politie), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt de bijzondere zorgplicht van het bevoegd gezag voor politieambtenaren en hun relaties. Naast de reeds bestaande regelingen kunnen zij op grond van het ontwerpbesluit aanspraak maken op voorzieningen die voortvloeien uit die bijzondere zorgplicht. De bijzondere zorgplicht omvat preventieve zorg ter voorkoming van gezondheidsproblemen bij politieambtenaren als gevolg van het politiewerk, (na)zorg voor politieambtenaren die dat als gevolg van het bijzondere karakter van het politiewerk nodig hebben en het ondersteunen van hun relaties. Daarnaast omvat de bijzondere zorgplicht het richting geven aan het beleid dat door het bevoegd gezag gevoerd dient te worden en het periodiek extern laten onderzoeken van de werking van het systeem voor bijzondere zorg.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft het belang dat in het ontwerpbesluit wordt toegekend aan de erkenning, waardering, zorg en ondersteuning van politieambtenaren. De toelichting roept echter de vraag op wat de bijzondere zorgplicht toevoegt aan de reeds bestaande regels en welke omstandigheden deze bijzondere zorgplicht rechtvaardigen. De Afdeling adviseert daaraan in de toelichting aandacht te besteden. Daarnaast dient aan de uitvoering van de bijzondere zorgplicht concreter invulling te worden gegeven. Door nader aandacht te besteden aan de uitvoering van het ontwerpbesluit, zullen de voorzieningen die de bijzondere zorgplicht meebrengt, steviger worden verankerd en gewaarborgd, zoals het ontwerpbesluit beoogt. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.
Het ontwerpbesluit introduceert in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de bijzondere zorgplicht van het bevoegd gezag voor politieambtenaren en hun relaties.1 Naast de reeds bestaande regelingen kunnen zij aanspraak maken op voorzieningen die voortvloeien uit die bijzondere zorgplicht. Het gaat daarbij kort gezegd om politieambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak dan wel politieambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van andere taken en die in gevaarzettende situaties kunnen geraken.2 Het ontwerpbesluit vloeit voort uit een toezegging aan de Tweede Kamer en uit een arbeidsvoorwaardenakkoord dat is gesloten tussen de Minister van Justitie en Veiligheid, de korpschef en de voorzitters van de politievakorganisaties.3
Voor dit ontwerpbesluit hebben de voor Defensie geldende Veteranenwet en het Veteranenbesluit als inspiratie gediend. Dat ligt in de rede omdat militairen net als politieambtenaren een hoogrisicoberoep uitoefenen, aldus de toelichting.4 Maar er zijn ook verschillen tussen de bijzondere zorgplicht voor politieambtenaren en de bijzondere zorgplicht voor veteranen.5 Deze zijn hierin gelegen dat bij de veteranen de bijzondere zorgplicht van toepassing is na de inzet in oorlogsomstandigheden of deelname aan een missie, terwijl de bijzondere zorgplicht voor de genoemde politieambtenaren continu aan de orde is. Bovendien is een groot deel van de veteranen buiten de Defensieorganisatie werkzaam, terwijl de voor de politie voorgestelde zorgplicht voor het merendeel van toepassing zal zijn op ambtenaren van politie in actieve dienst.6
Aan de zorgplicht voor politieambtenaren ligt blijkens de toelichting het bijzondere karakter van hun werk ten grondslag. Politieambtenaren bevinden zich met regelmaat in gevaarlijke of andere ingrijpende situaties. Het doel van formele vastlegging van de bijzondere zorgplicht is tweeledig: de minister onderschrijft hiermee het grote belang van goede zorg voor politieambtenaren en het draagt bij aan het steviger dan voorheen verankeren en waarborgen van de aanspraken voor de politieambtenaar.7
De bijzondere zorgplicht omvat een goede mentale en fysieke voorbereiding van politieambtenaren op de uitoefening van de aan hen opgedragen politietaak, de begeleiding van politieambtenaren tijdens de uitoefening van deze taak en (na)zorg voor politieambtenaren en in beperkte mate hun relaties die dat als gevolg van de inzet van die politieambtenaren nodig hebben. Daarnaast omvat de bijzondere zorgplicht het richting geven aan het beleid dat door het bevoegd gezag gevoerd dient te worden in het kader van erkenning en waardering, het bevorderen van onderzoek naar aandoeningen die gerelateerd kunnen zijn aan de uitoefening van de politietaak en het periodiek extern laten onderzoeken van de werking van het systeem voor bijzondere zorg.8
De Afdeling onderschrijft het belang dat in het ontwerpbesluit wordt toegekend aan de erkenning, waardering, zorg en ondersteuning van (gewezen) politieambtenaren.9 Het welzijn van de politieambtenaar is niet alleen in het belang van de ambtenaar zelf en zijn relaties. Ook het bevoegd gezag is gebaat bij mentaal en fysiek gezonde politieambtenaren, zodat zij in staat zijn de politietaak naar behoren uit te oefenen. Bovendien dragen goede voorzieningen voor (gewezen) politieambtenaren mogelijk bij aan de keuze voor het politievak. Niettemin heeft de Afdeling enkele opmerkingen over het ontwerpbesluit.
In hoofdstuk VII van het Barp zijn ten behoeve van politieambtenaren bepalingen opgenomen die betrekking hebben op arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en op ziekte en zwangerschap. Het Barp voorziet daarmee voor politieambtenaren in uitgebreide regels en voorzieningen voor ziekte en invaliditeit. In het ontwerpbesluit is bepaald dat het bevoegd gezag een bijzondere zorgplicht heeft voor de ambtenaar en zijn relaties, onverminderd zijn verplichtingen op grond van andere wettelijke regelingen dan wel omtrent arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar, tegemoetkomingen, vergoedingen van geneeskundige behandeling of verzorging, invaliditeit en schadevergoeding als bedoeld in hoofdstuk VII.10 De toelichting vermeldt dat de bijzondere zorgplicht met name ook de regels aanvult die op grond van hoofdstuk VII van het Barp al gelden.11 Gelet op de reeds bestaande regels en voorzieningen voor politieambtenaren rijst de vraag wat de bijzondere zorgplicht daaraan toevoegt en waarom die aanvulling nodig wordt geacht. De toelichting gaat op die vraag onvoldoende in.
De Afdeling adviseert daaraan in de toelichting aandacht te besteden.
De Afdeling merkt op dat onduidelijk is hoe aan de bijzondere zorgplicht in de praktijk uitvoering moet worden gegeven. In de toelichting wordt daaraan slechts summier aandacht besteed. Zo wordt bijvoorbeeld niet uitgelegd waar de aangeboden voorlichting, opleiding, informatieverschaffing, beschikbaarstelling van voorzieningen, ondersteuning en begeleiding in (kunnen) bestaan, wie daarmee worden belast en voor welke periode de politieambtenaar en zijn relaties voor de voorzieningen in aanmerking komen en onder welke voorwaarden. Er komt een zorgloket waar (gewezen) politieambtenaren en hun relaties 24 uur per dag en zeven dagen in de week terecht kunnen met diverse hulpvragen. Niet duidelijk wordt echter met welke hulpvragen en overige taken het zorgloket in het bijzonder wordt belast.12 Ook wordt niet vermeld op welke wijze het wetenschappelijk onderzoek dient te worden bevorderd, hoe vaak de werking van het systeem voor bijzondere zorg dient te worden onderzocht, wie dat onderzoek zal gaan verrichten en op welke wijze dat zal gebeuren.
Door nader aandacht te besteden aan de uitvoering van het ontwerpbesluit, zullen de voorzieningen die de bijzondere zorgplicht meebrengt, steviger worden verankerd en gewaarborgd, zoals het ontwerpbesluit beoogt. Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op het in de toelichting en hiervoor aangehaalde Veteranenbesluit, waarin de uitvoering van de in de Veteranenwet omschreven zorgplichten nader wordt geconcretiseerd.
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op (de hiervoor genoemde aspecten van) de uitvoering van de bijzondere zorgplicht.
Het ontwerpbesluit regelt dat de bijzondere zorgplicht voor de politieambtenaar en zijn relaties onder meer verschillende vormen van voorlichting, opleiding, informatieverschaffing, beschikbaarstelling van voorzieningen, ondersteuning en begeleiding op het gebied van preventie en (na)zorg omvat.13 Het is daarmee aannemelijk dat het ontwerpbesluit financiële gevolgen heeft. In de nota van toelichting wordt aan deze financiële gevolgen geen aandacht besteed.
De Afdeling adviseert de toelichting te voorzien van een financiële paragraaf.14
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 3 oktober 2019, nr. 2716180;
Gelet op artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van ...... (datum en nummer));
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van ...... (datum en nummer);
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Besluit algemene rechtspositie politie wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 55bb wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1°. de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, c of d, van de Politiewet 2012, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
2°. de door het bevoegd gezag aan te wijzen ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdelen b, c of d, van de Politiewet 2012, die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche, en in gevaarzettende situaties kan geraken;
3°. de gewezen ambtenaar die een ambtenaar als bedoeld onder 1° of 2°, was;
1°. de echtgenoten, echtgenotes, weduwen of weduwnaars van de ambtenaar, dan wel de personen die ingevolge artikel 1, tweede lid, daaronder mede worden verstaan;
2°. de bloedverwanten in de eerste graad van de ambtenaar dan wel van de personen, bedoeld in onderdeel b, onder 1°;
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bevoegd gezag mede verstaan:
a. Onze Minister voor zover het betreft de gewezen korpschef en zijn relaties;
b. de korpschef, voor zover het betreft:
1°. de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Politiewet 2012;
2°. de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, die in dienst was van het landelijke politiekorps;
3°. de echtgenoten, echtgenotes, weduwen of weduwnaars dan wel de personen die ingevolge artikel 1, tweede lid, daaronder mede worden verstaan, van de ambtenaar die in dienst is of was van het landelijke politiekorps;
4°. de bloedverwanten in de eerste graad van de ambtenaar die in dienst is of was van het landelijke politiekorps dan wel van de personen, bedoeld onder 3°;
c. het College van procureurs-generaal, voor zover het betreft de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, die in dienst was van de rijksrecherche, alsmede de relaties van de ambtenaar die in dienst is of was van de rijksrecherche.
1. Het bevoegd gezag heeft een bijzondere zorgplicht voor de ambtenaar en zijn relaties, onverminderd zijn verplichtingen op grond van andere wettelijke regelingen dan wel omtrent arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar, tegemoetkomingen, vergoedingen van geneeskundige behandeling of verzorging, invaliditeit en schadevergoeding als bedoeld in hoofdstuk VII.
2. De bijzondere zorgplicht omvat:
a. het ter preventie van aandoeningen gerelateerd aan de politietaak voorlichten over en opleiden van de ambtenaar, bedoeld in artikel 55cc, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, in het herkennen van en omgaan met aan de politietaak gerelateerde stress en de eventueel daarmee samenhangende dilemma’s, alsmede het voorzien in instrumenten met behulp waarvan de ambtenaar zicht kan krijgen op met de uitvoering van de politietaak samenhangende psychosociale problematiek;
b. het informeren van de ambtenaar en de relaties over de begeleiding en de zorg die de ambtenaar en de relaties kunnen ontvangen in het geval van een beroepsziekte of dienstongeval van die ambtenaar en bij welk organisatieonderdeel of welke instantie de ambtenaar en de relaties die zorg kunnen ontvangen;
c. de beschikbaarstelling van een voorziening voor professionele ondersteuning voor de ambtenaar, waaronder geestelijke ondersteuning en sociaal-medische zorg en begeleiding;
d. de ondersteuning en begeleiding van de ambtenaar door middel van een zorgloket dat voor de ambtenaar en zijn relaties gedurende 24 uur per dag en zeven dagen per week bereikbaar en beschikbaar is voor hulpvragen en informatie over aandoeningen gerelateerd aan de politietaak, daaronder begrepen beroepsziekten en de gevolgen van dienstongevallen;
e. verlening van bijstand aan de ambtenaar en zijn relaties met het oog op revalidatie of re-integratie van de ambtenaar ingeval van beroepsziekte of na dienstongeval en het daarbij verkrijgen van feitelijke zorg, maatschappelijke ondersteuning en geestelijke gezondheidszorg;
f. ondersteuning op verzoek van de ambtenaar en zijn relaties bij de aanvraag van een uitkering op grond van de sociale zekerheidswetgeving dan wel het geldend maken van rechtspositionele aanspraken die samenhangen met aandoeningen die beroepsgerelateerd kunnen zijn;
g. het voeren van beleid gericht op de bevordering van de erkenning en waardering van ambtenaren;
h. het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek naar aandoeningen en de mogelijke preventie daarvan, gerelateerd aan de uitoefening van de politietaak;
i. het periodiek de werking van het systeem voor bijzondere zorg extern doen onderzoeken.
B
Aan artikel 99l wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van hoofdstuk VII.c geacht door het bevoegd gezag te zijn aangewezen als bedoeld in artikel 55cc, eerste lid, onderdeel a, onder 2°.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
Het werk van ambtenaren van politie heeft een bijzonder karakter. Zij bevinden zich met regelmaat in gevaarlijke of anderszins ingrijpende situaties. In ondergeschiktheid aan het gezag zorgen zij voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Te denken valt aan inzetten van de mobiele eenheid waarbij (de dreiging van) geweld en agressie aan de orde is. Of de noodhulp, waarin de politieambtenaar – vaak als eerste – ter plaatse is bij heftige ongevallen of geweldsincidenten. Daar waar anderen terugtreden, zet de politie een stap naar voren. Ambtenaren van politie verdienen dan ook erkenning en waardering voor hun inzet ten dienste van de samenleving. Hier ligt een taak voor de overheid om de erkenning van de inzet van de ambtenaren van politie en de waardering die hen daarvoor toekomt nog verder te bevorderen. Om optimaal recht te kunnen doen aan deze verantwoordelijkheid, heeft de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: minister) besloten de bijzondere zorg voor ambtenaren van politie van een wettelijke borging te voorzien en dit ook toegezegd aan de Tweede Kamer.1 Een en ander draagt niet alleen bij aan het steviger dan voorheen verankeren en waarborgen van de aanspraken voor de politieambtenaar. Tevens onderschrijft de minister met deze beweging het grote belang van goede zorg voor ambtenaren van politie.
Vanwege het bijzondere karakter heeft de minister het politievak erkend als een hoog risico beroep. Dit betekent dat ambtenaren van politie in hun werk gemiddeld meer risico’s lopen vergeleken met de overige beroepsbevolking. Er zijn diverse praktijksituaties denkbaar, die grote impact kunnen hebben op de fysieke en mentale gezondheid van de politieambtenaar. Naast de fysieke risico’s waar ambtenaren van politie aan blootstaan, is evident dat ook de mens in het politie-uniform psychisch geraakt kan worden door ervaringen en gebeurtenissen in het werk.
Deze soms complexe en uitdagende werkomstandigheden kunnen niet (volledig) weggenomen worden; ze zijn inherent aan het politiewerk. Deze context maakt het werk van een politieambtenaar bijzonder van karakter. Ambtenaren van politie verdienen hiervoor erkenning, waardering, zorg en ondersteuning. Niet alleen is dat in het belang van de ambtenaar zelf, maar ook van het bevoegd gezag, aangezien een mentaal en fysiek fitte politieambtenaar de kritische succesfactor is voor het realiseren van de doelstellingen en gevraagde prestaties van de politie. Het bevoegd gezag heeft in dat kader een bijzondere zorgplicht die één op één aan dient te sluiten op het bijzondere karakter van het politiewerk. Dit houdt in dat voor de vereiste omstandigheden en voorzieningen zorg moet worden gedragen, zodat ambtenaren van politie hun complexe werk het hoofd kunnen bieden. Ook is deze zorg gericht op het voorkomen van gezondheidsproblemen bij ambtenaren van politie als gevolg van hun werk. Deze bijzondere zorgplicht vormt een aanvulling op de reeds bestaande verplichtingen op grond van andere wettelijke regelingen dan wel omtrent arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar, tegemoetkomingen, vergoedingen van geneeskundige behandeling of verzorging, invaliditeit en schadevergoeding als bedoeld in hoofdstuk VII van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
Om optimaal uiting te geven aan de erkenning en waardering voor de verdiensten van ambtenaren van politie en het bijzondere karakter van het politiewerk, is besloten de bijzondere zorg voor ambtenaren van politie te borgen in het Barp. Hiermee zijn aanspraken met betrekking tot bijzondere zorg voor de politieambtenaar steviger dan voorheen verankerd en gewaarborgd. Tevens wordt met dit wijzigingsbesluit het grote belang van bijzondere zorg voor ambtenaren van politie onderschreven.
Voor deze borging van de bijzondere zorgplicht in de politierechtspositie, hebben de voor Defensie geldende Veteranenwet en het Veteranenbesluit als inspiratie gediend. Dat ligt in de rede omdat militairen net als ambtenaren van politie een hoog risico beroep uitoefenen. Ook zijn in een aantal gevallen aan het werk gerelateerde fysieke en mentale aandoeningen en de hieraan verbonden zorg en revalidatie goed met elkaar vergelijkbaar, en soms zelfs aan elkaar gelijk. Tegelijkertijd staat vast dat er wezenlijke verschillen zijn die goed voor ogen moeten worden gehouden bij de verwezenlijking van de bijzondere zorgplicht voor de politieambtenaar. Zo staat bij de Veteranenwet en het Veteranenbesluit de inzet onder oorlogsomstandigheden of deelname aan een missie centraal. Hierdoor kan een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de periode voor, tijdens en na inzet. Kenmerkend voor deze militaire inzet is dat reguliere Nederlandse regelgeving veelal toepassing mist. De politietaak daarentegen wordt uitgeoefend binnen de in Nederland geldend wettelijke kaders met betrekking tot arbeidsomstandigheden en voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid. Anders dan bij militaire inzet is de uitoefening van de politietaak tijdens de dienst continu aan de orde. De feitelijke inzet van de politieambtenaar vindt elke dag tijdens diensturen plaats en kan ook buiten diensturen aan de orde zijn (artikel 59 van het Barp). Een groot deel van de veteranen is bovendien buiten de Defensieorganisatie werkzaam terwijl de voor de politie geldende zorgplicht voor het merendeel van toepassing zal zijn op ambtenaren van politie in actieve dienst.
Met dit wijzigingsbesluit wordt geregeld dat het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat de politieambtenaar – en in beperkte mate zijn relaties – de zorg krijgen, die zij als gevolg van het bijzondere karakter van het politiewerk nodig hebben. Ten eerste betekent dit dat ambtenaren van politie, zowel mentaal als fysiek, goed worden voorbereid op de uitoefening van de aan hen opgedragen politietaak en begeleid worden tijdens de uitoefening van deze taken. In dit verband valt te denken aan trainingen ter vergroting van de mentale weerbaarheid en instrumenten die de weerbaarheid en mentale toestand van de ambtenaar in kaart kunnen brengen zoals een Risico Inventarisatie en Evaluatie Psychosociale Arbeidsbelasting zodat daar desgewenst interventies op gepleegd kunnen worden. Ten tweede wordt de zorg als gevolg van de inzet, zowel tijdens als daarna, geregeld. Zodoende worden (gewezen) ambtenaren van politie met beroepsgerelateerde aandoeningen – en in beperkte mate de relaties – bijgestaan bij de revalidatie en re-integratie van de ambtenaar en bij het verkrijgen van materiële zorg en psychosociale ondersteuning. Ten derde wordt met dit wijzigingsbesluit richting gegeven aan het beleid dat door het bevoegd gezag gevoerd dient te worden in het kader van erkenning en waardering, omdat stilstaan bij de verdiensten van politiemensen ook een wezenlijke rol speelt bij gezondheid, welzijn en esprit de corps. Een voorbeeld hiervan is het medaillebeleid.
Met dit wijzigingsbesluit wordt ten vierde de verplichting voor het bevoegd gezag geregeld om onderzoek te bevorderen naar aandoeningen die gerelateerd kunnen zijn aan de uitoefening van de politietaak. Deze opdracht vloeit voort uit de bijzondere zorgplicht voor ambtenaren van politie. Met de resultaten van dit onderzoek wordt beoogd om op basis van nieuwe inzichten beroepsgerelateerde aandoeningen van ambtenaren van politie beter te kunnen behandelen of voorkomen en zodoende beter invulling te geven aan de zorgplicht. Verder wordt met het wijzigingsbesluit de plicht voor het bevoegd gezag om periodiek de werking van het systeem voor de bijzondere zorg extern te laten onderzoeken geregeld. Hiermee wordt beoogd om te bevorderen dat de uitvoering van de zorgplicht waar nodig verder kan worden verbeterd.
De in dit wijzigingsbesluit geregelde zorgplicht is van toepassing op ambtenaren van politie die als gevolg van het bijzondere karakter van het politiewerk bijzondere zorg nodig kunnen hebben. In algemene zin geldt dit voor ambtenaren van politie die zijn of waren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (de executieve ambtenaren van politie), waaronder de vrijwillige politieambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
De bijzondere zorgplicht geldt echter niet ten aanzien van alle ambtenaren en vrijwillige ambtenaren die technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche uitvoeren. Om het daartoe benodigde nader onderscheid te kunnen maken is een onderscheidingsmogelijkheid opgenomen, die in handen is gelegd van het bevoegd gezag. Afhankelijk van hun specifieke taak of taken zal immers voor de ambtenaar of vrijwillige ambtenaar, die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche, niet altijd sprake zijn van een gevaarzettende inzet die voor de executieve politieambtenaar wel van toepassing is. Soms is daarvan echter wel sprake. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een onderzoeker van zware verkeersongevallen of een politie-takelwagenchauffeur die voertuigen met daarin nog lichamen van slachtoffers moet vervoeren. Deze ambtenaren worden onder deze omstandigheden aan dezelfde potentieel ingrijpende gebeurtenissen of verzwarende werkomstandigheden blootgesteld als hun collega’s die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
In een aanwijzing van het bevoegd gezag worden categorieën ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche, aangewezen waarop hoofdstuk VII.c van het Barp van toepassing wordt. Een ontwerpaanwijzing zal met de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken worden besproken.
De zorgplicht is ook van toepassing op executieve ambtenaren van politie die internationaal of grensoverschrijdend (politie)werk verrichten. Te denken valt aan deelname aan internationale vredesmissies of ter beschikking stelling aan de andere landen binnen het Koninkrijk of het recherchesamenwerkingsteam. Ook ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche kunnen veelal dergelijk werk verrichten. Op dit moment wordt het beleid en de regelgeving ten aanzien van de rechtspositie van ambtenaren van politie die dergelijke werk verrichten herzien. De voorbereiding, zorg en nazorg voor deze ambtenaren van politie maken hiervan onderdeel uit. Zolang de gewijzigde regelgeving niet in werking is getreden, bestaat voor het bevoegd gezag de mogelijkheid om categorieën ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche en die voornoemd werk verrichten op grond van artikel 55cc, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van het Barp aan te wijzen opdat de in hoofdstuk VII.c van het Barp geregelde bijzondere zorgplicht voor hen geldt.
Ten slotte geldt de bijzondere zorgplicht in beperkte mate voor de relaties van ambtenaren van politie. In afwijking van de Veteranenwet is er in dit besluit voor gekozen om de relaties van de ambtenaar te beperken tot de gezinsleden van de ambtenaar, dat wil zeggen de echtgenoot, de geregistreerde partner, de andere levensgezel, de weduwe/weduwnaar, de achtergebleven geregistreerde partner of de achtergebleven partner, de (adoptie)kinderen en de (adoptie)ouders. De ambtenaar is degene die een hoog risico beroep uitoefent. De gevolgen van de dienstoefening zal op deze relaties de grootste impact hebben. Voor hen is weten wat de risico’s zijn en weten waar (indien nodig) hulp en bijstand voor de politieambtenaar en henzelf verkrijgbaar is, van grote waarde.
Uit dit wijzigingsbesluit vloeien geen administratieve lasten voor de burger of het bedrijfsleven voort. Het behelst alleen aanpassingen van de regeling van de rechtspositie van binnen de politie organisatie werkzame functionarissen.
Met de politievakorganisaties is overeenstemming bereikt over dit besluit.
Omdat de doelgroepen voor de bijzondere zorgplicht voor de ambtenaar niet geheel samenvallen met die in de definitie van ambtenaar in het artikel 1, eerste lid, onder i, van het Barp, zijn voor de toepassing van het hoofdstuk inzake de bijzondere zorgplicht daarop toegesneden bepalingen opgenomen in het artikel 55cc.
De bijzondere zorgplicht geldt jegens zowel de (beroeps)ambtenaar als de vrijwillige ambtenaar, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Hieronder vallen ook de aspirant, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Barp, de ambtenaar in opleiding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Barp en de vrijwillige ambtenaar in opleiding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, aangezien zij ook vallen onder het begrip ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, c of d, van de Politiewet 2012. Voor de aspirant en de ambtenaar in opleiding geldt dat de bijzondere zorgplicht zowel tijdens het beroepspraktijk deel als het theoretische opleidingsdeel geldt.
De bijzondere zorgplicht geldt echter niet ten aanzien van alle ambtenaren en vrijwillige ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche. Kortheidshalve wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.
Het onderscheid tussen ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak dan wel die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche werkt door voor gewezen ambtenaren.
Verwezen wordt naar het algemeen deel van deze toelichting.
Voor de toepassing van hoofdstuk VII.c wordt het begrip bevoegd gezag, zoals omschreven in artikel 1, eerste lid, onder l, van het Barp, uitgebreid voor wat betreft de vrijwillige ambtenaar van politie, de gewezen ambtenaren en de relaties.
Zoals aangegeven in het algemeen deel van deze toelichting, heeft het werk van de politieambtenaar een bijzonder karakter, omdat ambtenaren van politie zich met regelmaat in gevaarlijke of anderszins ingrijpende situaties bevinden. Het politievak en de positie van de ambtenaren van politie hebben daarom ook een bijzonder karakter.
In het eerste lid van dit artikel is allereerst tot uitdrukking gebracht dat de bijzondere zorgplicht van het bevoegd gezag niet in de plaats komt van, maar geldt onverminderd verplichtingen op grond van andere wettelijke regelingen dan wel omtrent arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar, tegemoetkomingen, vergoedingen van geneeskundige behandeling of verzorging, invaliditeit en schadevergoeding.
Met name ook vult de bijzondere zorgplicht de regels aan die op grond van het hoofdstuk VII van het Barp al gelden. Het betreft de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet (artikelen 49a e.v. Barp), verstrekking van een tegemoetkoming in kosten in verband met ziekte (artikel 53 Barp), vergoeding van noodzakelijk gemaakte kosten verband houdend met geneeskundige behandeling of verzorging ingeval van dienstongeval of beroepsziekte (artikel 54 Barp), smartengeld verband houdend met invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, of smartengeld aan de weduwe of weduwnaar van de ambtenaar ingeval van overlijden ten gevolge van een dienstongeval (artikel 54a Barp), alsmede vergoeding van schade als gevolg van een beroepsincident (artikel 54b Barp).
In het tweede lid is omschreven wat de bijzondere zorgplicht omvat.
Het onderdeel a houdt in dat het bevoegd gezag ter preventie van aandoeningen, gerelateerd aan de politietaak, voorziet in voorlichting aan de ambtenaar over en opleiding (trainingen daaronder begrepen) in het herkennen van en omgaan met werk- en inzet-gerelateerde stress en de eventueel daarmee samenhangende dilemma’s, alsmede dat hij voorziet in instrumenten met behulp waarvan de ambtenaar zicht kan krijgen op de eigen psychosociale problematiek die samenhangt met de uitvoering van de politietaak. In het onderdeel b is vastgelegd dat de ambtenaar en de relaties worden geïnformeerd over de begeleiding en de zorg die de ambtenaar en de relaties kunnen ontvangen in het geval van een beroepsziekte of dienstongeval van die ambtenaar. Het politiewerk heeft in sommige gevallen ook impact op de gezins- en familieleden van de ambtenaar. Voor gezin en familie is daarom weten wat de risico’s zijn en weten waar (indien nodig) hulp en bijstand voor de ambtenaar en henzelf verkrijgbaar is van grote waarde.
Het initiatief hiervoor ligt altijd bij de werkgever. De korpschef is verantwoordelijk voor de uitvoering van de bijzondere zorgplicht zoals deze is beschreven in artikel 55dd. Dit past bij de intentie van de bijzondere zorgplicht.
Het onderdeel c brengt met zich dat het bevoegd gezag voorziet in professionele ondersteuning voor de ambtenaar, waaronder geestelijke ondersteuning en sociaal-medische zorg en begeleiding. De in dit onderdeel genoemde professionele ondersteuning heeft te maken met het feit dat politiewerk ingrijpende situaties, soms op leven en dood, en morele afwegingen met zich meebrengt. De ondersteuning is gericht op de zingevings- en morele vraagstukken die voortvloeien uit het politiewerk.
Het onderdeel d houdt in dat het bevoegd gezag borgt dat de ambtenaar kan worden begeleid en ondersteund door middel van een zorgloket dat voor de ambtenaar en zijn relaties gedurende 24 uur per dag en zeven dagen per week bereikbaar en beschikbaar is voor hulpvragen en informatie over aandoeningen gerelateerd aan de politietaak, daaronder begrepen beroepsziekten en de gevolgen van dienstongevallen. Doorverwijzing vanuit dit zorgloket naar gespecialiseerde hulpverleners (bijvoorbeeld een gespecialiseerde GGZ instelling) behoort tot de mogelijkheden.
Door middel van onderdeel e is geborgd dat het bevoegd gezag de ambtenaar en zijn relaties bijstand verleent met het oog op revalidatie of re-integratie van de ambtenaar en het daarbij verkrijgen van feitelijke zorg, maatschappelijke ondersteuning en geestelijke gezondheidszorg, ingeval van een beroepsziekte, inbegrepen beroepsgerelateerde posttraumatische stress-stoornis, of na een dienstongeval.
In het onderdeel f is neergelegd dat het bevoegd gezag de ambtenaar en zijn relaties op hun verzoek ondersteunt bij de aanvraag van een uitkering op grond van de sociale zekerheidswetgeving dan wel het geldend maken van rechtspositionele aanspraken die samenhangen met aandoeningen die beroepsgerelateerd kunnen zijn, waaronder posttraumatische stress stoornis. Omdat deze voorzieningen en uitkeringen met elkaar kunnen samenhangen en daarom soms voor de ambtenaar erg complex kunnen zijn, kan het gewenst zijn dat voor de ambtenaar en zijn relaties vanuit het korps ondersteuning beschikbaar is.
In het onderdeel g is neergelegd dat het bevoegd gezag beleid voert, gericht op de bevordering van erkenning en waardering voor de wijze van taakverrichting van zijn ambtenaren in het algemeen, maar met name ook in de bijzondere, risicovolle situaties waarin de ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn taken terecht kan komen, alsmede de prestaties die de individuele ambtenaar daarbij levert dan wel heeft geleverd. Hierbij kan worden gedacht aan herdenkingen en bevordering van de beroepstrots, zoals de Tuin der Bezinning, en aan het medaillebeleid.
Het onderdeel h bevat de opdracht aan het bevoegd gezag om wetenschappelijk onderzoek naar aandoeningen gerelateerd aan de uitoefening van de politietaak te bevorderen. Met de resultaten van dit onderzoek wordt beoogd om op basis van nieuwe inzichten beroepsgerelateerde aandoeningen van ambtenaren van politie beter te kunnen voorkomen of behandelen en zodoende beter invulling te kunnen geven aan de zorgplicht.
Ten slotte bevat het onderdeel i de opdracht aan het bevoegd gezag om periodiek de werking van het systeem voor de bijzondere zorg extern te laten onderzoeken. Het bevoegd gezag is ervoor verantwoordelijk om toe te zien op de kwaliteit van de zorg die als onderdeel van de bijzondere zorgplicht aan de ambtenaar en de relatie wordt geboden. Voor kortdurende zorginterventies is binnen het korps voorzien in zorgverleners als psychologen en bedrijfsartsen. Daarnaast wordt door het korps specialistische zorg ingekocht. Vanuit de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor de kwaliteit van de geboden zorg aan de ambtenaar en zijn relatie dient hij periodiek extern te laten onderzoeken of het systeem voor de bijzondere zorg goed functioneert, of de geboden zorg aansluit bij de behoefte aan zorg en of de kwaliteit van de zorg voor de ambtenaar en zijn relatie voldoende gewaarborgd is. Het bevoegd gezag zal minimaal eens in de vier jaar een dergelijk onderzoek laten uitvoeren en zal daarbij gebruik maken van externe expertise op het gebied van de (bijzondere) zorg. Met deze opdracht aan het bevoegd gezag wordt beoogd om te bevorderen dat de uitvoering van de zorgplicht waar nodig verder kan worden verbeterd.
Met de inwerkingtreding van het Besluit van 26 juni 2018, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere besluiten in verband met de introductie van de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een specifieke inzetbaarheid (Stb. 2018, 204) is in artikel 99l, eerste en tweede lid, van het Barp een overgangsvoorziening getroffen voor bepaalde ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of de rijksrecherche. Onder de in artikel 99l, eerste lid, gestelde voorwaarden kunnen zij worden aangesteld als ambtenaar als bedoeld in artikel 2, onder a of d, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Vanuit de politie wordt eraan gewerkt deze ambtenaren zoveel als mogelijk aan te stellen als ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
Gelet hierop is ervoor gekozen op deze categorie het nieuwe hoofdstuk VII.c rechtstreeks van toepassing te laten zijn. Dit is in het nieuwe derde lid van artikel 99l tot uitdrukking gebracht door: De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van hoofdstuk VII.c geacht door het bevoegd gezag te zijn aangewezen als bedoeld in artikel 55cc, eerste lid, onderdeel a, onder 2°.
Dit artikel voorziet in de inwerkingtreding van dit besluit met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten. Deze afwijking wordt aanvaardbaar geacht vanwege de betekenis van dit besluit voor de ambtenaren van politie en hun relaties. De organisaties die zijn belast met de uitvoering van dit besluit hebben ingestemd met spoedige inwerkingtreding.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
In hoofdstuk VII.c, bestaande uit de artikelen 55cc en 55dd. Het Barp vindt zijn grondslag in art. 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, waarin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de politie regels worden gesteld over de onderwerpen, genoemd in artikel 125, eerste lid, en artikel 125quinquies, eerste lid, van de Ambtenarenwet.
De bijzondere zorgplicht geldt tegenover de (gewezen) (vrijwillige) ambtenaar (van de rijksrecherche) die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Deze zorgplicht is ook van toepassing op de door het bevoegd gezag aangewezen (gewezen) (vrijwillige) ambtenaar (van de rijksrecherche) die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche, en die in gevaarzettende situaties kan geraken. Zie artikel 55cc, eerste lid onder a, van het ontwerpbesluit in verbinding met artikel 2 van de Politiewet 2012.
Zie de nota van toelichting onder ‘Inleiding/ algemeen’ en het Arbeidsvoorwaardenakkoord sector politie 2018-2020.
Zie de nota van toelichting onder ‘Inleiding/ algemeen’. In de Veteranenwet zijn zorgplichten opgenomen op het terrein van erkenning en waardering, materiële zorg, maatschappelijke opvang en geestelijke gezondheidszorg voor veteranen en hun relaties. In het Veteranenbesluit worden deze zorgplichten nader uitgewerkt.
Zo heeft het begrip ‘relatie’ in het ontwerpbesluit (artikel 55cc, eerste lid onder b, van het ontwerpbesluit) een andere betekenis dan in de Veteranenwet (artikel 1, aanhef en onder e, van de Veteranenwet). In de Veteranenwet worden ook bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad van de veteraan aangemerkt als relatie, terwijl in het ontwerpbesluit alleen bloedverwanten in de eerste graad als relatie worden aangemerkt. Het gaat dan evenwel niet alleen om bloedverwanten in de eerste graad van de ambtenaar, maar ook om bloedverwanten in de eerste graad van diens echtgenoot, echtgenote, weduwe, weduwnaar dan wel de persoon die ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Barp daaronder mede wordt verstaan.
Bij de bijzondere zorgplicht voor veteranen speelt het veteranenloket een belangrijke rol. Het Veteranenbesluit geeft aan de functie van het veteranenloket concreter invulling dan het Barp aan de functie van het zorgloket. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid, en artikel 14 van het Veteranenbesluit.
Aanwijzing 4.45 lid 6 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 4.45 ziet op de in artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 neergelegde verplichting inzake het verschaffen van financiële informatie bij wetgeving).
In hoofdstuk VII.c, bestaande uit de artikelen 55cc en 55dd. Het Barp vindt zijn grondslag in art. 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, waarin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de politie regels worden gesteld over de onderwerpen, genoemd in artikel 125, eerste lid, en artikel 125quinquies, eerste lid, van de Ambtenarenwet.
De bijzondere zorgplicht geldt tegenover de (gewezen) (vrijwillige) ambtenaar (van de rijksrecherche) die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Deze zorgplicht is ook van toepassing op de door het bevoegd gezag aangewezen (gewezen) (vrijwillige) ambtenaar (van de rijksrecherche) die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of rijksrecherche, en die in gevaarzettende situaties kan geraken. Zie artikel 55cc, eerste lid onder a, van het ontwerpbesluit in verbinding met artikel 2 van de Politiewet 2012.
Zie de nota van toelichting onder ‘Inleiding/ algemeen’ en het Arbeidsvoorwaardenakkoord sector politie 2018–2020.
Zie de nota van toelichting onder ‘Inleiding/ algemeen’. In de Veteranenwet zijn zorgplichten opgenomen op het terrein van erkenning en waardering, materiële zorg, maatschappelijke opvang en geestelijke gezondheidszorg voor veteranen en hun relaties. In het Veteranenbesluit worden deze zorgplichten nader uitgewerkt.
Zo heeft het begrip ‘relatie’ in het ontwerpbesluit (artikel 55cc, eerste lid onder b, van het ontwerpbesluit) een andere betekenis dan in de Veteranenwet (artikel 1, aanhef en onder e, van de Veteranenwet). In de Veteranenwet worden ook bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad van de veteraan aangemerkt als relatie, terwijl in het ontwerpbesluit alleen bloedverwanten in de eerste graad als relatie worden aangemerkt. Het gaat dan evenwel niet alleen om bloedverwanten in de eerste graad van de ambtenaar, maar ook om bloedverwanten in de eerste graad van diens echtgenoot, echtgenote, weduwe, weduwnaar dan wel de persoon die ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Barp daaronder mede wordt verstaan.
Bij de bijzondere zorgplicht voor veteranen speelt het veteranenloket een belangrijke rol. Het Veteranenbesluit geeft aan de functie van het veteranenloket concreter invulling dan het Barp aan de functie van het zorgloket. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid, en artikel 14 van het Veteranenbesluit.
Aanwijzing 4.45 lid 6 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 4.45 ziet op de in artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 neergelegde verplichting inzake het verschaffen van financiële informatie bij wetgeving).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-16279.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.