Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2021, 10313Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 februari 2021, nr. 2021-0000003750, tot verstrekking van subsidies aan samenwerkingsverbanden van sectoren om, in vervolg op en in samenhang met de voorgaande NL leert door-regeling met inzet van ontwikkeladvies en de NL leert door-regeling met inzet van scholing, te komen tot maatwerk voor ondersteuning, begeleiding en scholing voor behoud van en overgang naar werk (Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste en derde lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvraagtijdvak:

tijdvak waarin aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend;

activiteit:

een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid;

begeleider:

een natuurlijk persoon die ondersteuning en begeleiding geeft bij het vinden van ander werk of het behoud van werk, anders dan via ontwikkeladvies, scholing of een EVC-procedure, die erop is gericht de overgang naar ander werk soepel te doen verlopen;

bewijs van afronding:

elk bewijs, in de vorm van een bewijs van deelname, van een diploma, getuigschrift of certificaat, waaruit blijkt dat een activiteit is afgerond;

brancheorganisatie:

organisatie opgericht voor 1 januari 2020, die belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

BSN:

nummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

deelnemer:

de werkende die een activiteit volgt;

EVC-aanbieder:

aanbieder die volgens de principes en uitgangspunten van de Kwaliteitscode EVC, een EVC-procedure uitvoert aan de hand van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard, en die voor de desbetreffende standaard is opgenomen in het register erkende EVC-aanbieders van het Nationaal Kenniscentrum EVC;

EVC-procedure:

geheel van processtappen en instrumenten waarmee een EVC-aanbieder eerder of elders verworven competenties van een kandidaat beoordeelt ten opzichte van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard, en waarbij de uitkomsten worden vastgelegd in een ervaringscertificaat;

hoofdaanvrager:

een brancheorganisatie, O&O-fonds, werknemersorganisatie of werkgeversorganisatie die partij is in het samenwerkingsverbanden die overigens gemachtigd is om de andere partijen in het samenwerkingsverband gedurende het subsidieproces in en buiten rechte te vertegenwoordigen;

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

KvK-nummer:

door de Kamer van Koophandel toegekend uniek nummer aan een onderneming of maatschappelijke activiteit in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

loopbaanadviseur:

natuurlijk persoon die zich beroepshalve bezig houdt met het geven van ontwikkeladviezen;

minister:

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

NLQF:

Nederlands Kwalificatieraamwerk voor inschaling van kwalificaties betreffende opleiding en studie;

Noloc:

beroepsvereniging van loopbaanprofessionals;

NRTO:

Nederlandse Raad voor Training en Opleiding;

O&O-fonds:

een stichting of vereniging die als doel heeft het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt en die:

  • a. is opgericht bij een bij de minister aangemelde cao;

  • b. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties; of

  • c. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversorganisaties alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties;

ontwikkeladvies:

integraal, persoonlijk advies, dat erop is gericht het bewustzijn over de noodzaak van reflectie op de loopbaan te stimuleren en waarmee voor een deelnemer een reëel beeld van zijn toekomstperspectief op de arbeidsmarkt of in zijn huidige werk ontstaat, resulterend in een ontwikkelplan;

opleider:

natuurlijk persoon of rechtspersoon die zich beroepshalve bezig houdt met het geven van scholing;

samenwerkingsverband:

overeengekomen samenwerking, binnen een of meer sectoren, waarin in elk geval een of meer werkgeversorganisaties of werknemersorganisaties deelnemen;

scholing:

cursus, onderwijs, opleiding, training of middel tot kennisverwerving onder een andere naam en in een andere vorm via de weg van scholing;

sector:

bedrijven, organisaties of instellingen die actief zijn in een overeenkomstige categorie producten, werkzaamheden of diensten;

subsidieaanvrager:

samenwerkingsverband dat subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

subsidieontvanger:

samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling;

traject:

aan een deelnemer aangeboden activiteit of combinatie van activiteiten als bedoeld in artikel 3;

werkende:

elke natuurlijke persoon die in een sector werkzaam is, een band heeft met de Nederlandse arbeidsmarkt, achttien jaar of ouder is en de pensioengerechtigdeleeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet of artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES nog niet heeft bereikt en die met werkloosheid wordt bedreigd;

werkgeversorganisatie:

vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers, die krachtens haar statuten de belangbehartiging van werkgevers beoogt;

werknemersorganisatie:

vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die krachtens haar statuten de belangbehartiging van werknemers beoogt.

Artikel 2. Doel en reikwijdte van de regeling

  • 1. Het doel van deze regeling is het faciliteren en stimuleren van het behoud van werk of overgang naar ander werk voor werkenden door middel van het verlenen van subsidie.

  • 2. Deze regeling is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten en trajecten

  • 1. Subsidiabele activiteiten zijn het aan werkenden geven van:

    • a. ontwikkeladvies;

    • b. begeleiding;

    • c. scholing;

    • d. een EVC-procedure.

  • 2. In een traject wordt een activiteit of een combinatie van activiteiten aangeboden, waarbij geldt dat:

    • a. behoudens de activiteit scholing, elk van de in het eerste lid genoemde activiteiten één keer in een traject kan worden opgenomen;

    • b. aan een deelnemer één traject kan worden aangeboden; en

    • c. meerdere deelnemers hun activiteit tegelijk bij een aanbieder kunnen volgen, waarbij in dat geval voor de aanbieder geldt dat het aantal activiteiten gelijk is aan het aantal deelnemers.

  • 3. Het aantal scholingsactiviteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bedraagt maximaal drie.

  • 4. Een activiteit is niet subsidiabel voor zover er voor die activiteit sprake is van andere financiering van overheidswege.

  • 5. Een activiteit is subsidiabel indien zij is gestart na de dag waarop deze regeling is gepubliceerd in de Staatscourant.

  • 6. Activiteiten worden kosteloos aangeboden aan de deelnemer voor de minimale waarde, bedoeld in de artikelen 5, 7 of 9. Indien de deelnemer een activiteit wenst te volgen die een hogere waarde heeft, komt het gedeelte van de kosten dat de minimale waarde overstijgt, niet in aanmerking voor subsidieverlening.

Artikel 4. Activiteiten ontwikkeladvies

  • 1. Activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, worden uitgevoerd door een loopbaanadviseur die:

    • a. een mens- of organisatiegerichte opleiding heeft afgerond op minimaal hbo-niveau, of minimaal een hbo-opleiding in een andere richting heeft afgerond en aanvullende mens- of organisatiegerichte cursussen en trainingen heeft afgerond;

    • b. aantoonbaar minimaal drie jaar relevante werkervaring heeft; en

    • c. verklaart zich te houden aan de gedragscode in bijlage 1.

  • 2. Als een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt uitgevoerd door een loopbaanadviseur die werkzaam is in een dienstverband met een partij in het samenwerkingsverband, draagt het samenwerkingsverband er zorg voor dat deze loopbaanadviseur voor de uren die deze activiteit in beslag neemt wordt vrijgesteld van zijn overige werkzaamheden in dienst van betrokken partij binnen het samenwerkingsverband.

  • 3. Een loopbaanadviseur wordt geacht aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, te hebben voldaan, wanneer hij is geregistreerd bij Noloc als Noloc Erkend Loopbaanprofessional of bij Noloc is geregistreerd als Register Loopbaanprofessional.

  • 4. Een loopbaanadviseur, gevestigd in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, die een opleiding heeft afgerond overeenkomstig de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en overigens voldoet aan het eerste lid, onderdelen b en c, wordt gelijkgesteld met de loopbaanadviseur, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5. Specifieke eisen aan ontwikkeladviesactiviteiten

  • 1. De minister verstrekt subsidie voor ontwikkeladviesactiviteiten voor werkenden, uitgevoerd op de wijze, beschreven in bijlage 2.

  • 2. Elke ontwikkeladviesactiviteit heeft een waarde van ten minste € 700,00 in het geval het extern ingekochte activiteiten betreft.

  • 3. Als een ontwikkeladviesactiviteit door een betrokken partij binnen het samenwerkingsverband wordt uitgevoerd vormt de prestatieverklaring, waarvan een model in bijlage 4 is opgenomen, de basis voor vaststelling dat de ontwikkeladviesactiviteit voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel 6. Activiteiten begeleiding naar ander werk

  • 1. Een begeleidingsactiviteit is gericht op het verkrijgen door de deelnemer van ander werk of het behoud van zijn werk en omvat in elk geval een of meer van de volgende activiteiten:

    • a. advisering;

    • b. coaching;

    • c. organiseren; of

    • d. bemiddeling.

  • 2. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid worden uitgevoerd door een begeleider.

  • 3. Als een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd door een begeleider die werkzaam is in een dienstverband met een partij in het samenwerkingsverband, draagt het samenwerkingsverband er zorg voor dat deze begeleider voor de uren die deze activiteit in beslag neemt wordt vrijgesteld van zijn overige werkzaamheden in dienst van betrokken partij binnen het samenwerkingsverband.

Artikel 7. Specifieke eisen per categorie begeleiding

  • 1. Begeleiding is onderverdeeld in twee categorieën, waarbij:

    • a. categorie I begeleiding betreft, waarbij geldt dat elke begeleidingsactiviteit:

      • 1°. ten minste 5 uren aan de deelnemer wordt aangeboden; en

      • 2°. een waarde heeft van ten minste € 500,00 in geval het extern ingekochte activiteiten betreft.

    • b. categorie II begeleiding betreft, waarbij geldt dat elke begeleidingsactiviteit:

      • 1°. ten minste 10 uren aan de deelnemer wordt aangeboden; en

      • 2°. een waarde heeft van ten minste € 1.000,00 in geval het extern ingekochte activiteiten.

  • 2. Als begeleiding door een betrokken partij binnen het samenwerkingsverband wordt uitgevoerd vormt de prestatieverklaring, waarvan een model in bijlage 4 is opgenomen, de basis voor vaststelling dat de begeleiding voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel 8. Activiteiten scholing

  • 1. Activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, worden uitgevoerd door een opleider.

  • 2. Als een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, wordt uitgevoerd door een opleider die werkzaam is in een dienstverband met een partij in het samenwerkingsverband, draagt het samenwerkingsverband er zorg voor dat deze opleider voor de uren die deze activiteit in beslag neemt wordt vrijgesteld van zijn overige werkzaamheden in dienst van betrokken partij binnen het samenwerkingsverband.

  • 3. Het scholingsaanbod voldoet aan de volgende eisen:

    • a. de scholing is gecertificeerd of van een keurmerk voorzien en:

      • 1°. wordt aangeboden door een opleidingsinstituut dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt en die leidt tot een diploma of certificaat, dan wel verband houdt met onderdelen van een door deze minister vastgesteld kwalificatiedossier, vastgestelde kwalificatie of een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie geaccrediteerde opleiding;

      • 2°. leidt tot een door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NCP-register;

      • 3°. wordt gegeven door een opleidingsinstituut, een trainingsbureau of examenaanbieder die in het bezit is van het NRTO-keurmerk;

      • 4°. wordt gegeven door een persoon of een instelling die opleidt tot een overheids-, branche- of sector-erkend certificaat aanbiedt;

    • b. de scholing is arbeidsmarktrelevant;

    • c. de scholing is gericht op het verkrijgen door de deelnemer van ander werk;

    • d. de scholing valt onder een categorie als bedoeld in artikel 9;

    • e. de scholing werd in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de publicatie van deze regeling al aangeboden door dezelfde opleider.

Artikel 9. Specifieke eisen aan scholing per categorie scholing

  • 1. Scholing is onderverdeeld in vier categorieën, waarbij:

    • a. categorie C 1 scholing betreft die een waarde heeft van ten minste € 75,00;

    • b. categorie C 2 scholing betreft, waarbij geldt dat elke scholingsactiviteit:

      • 1°. een studiebelasting van minimaal 8 uur heeft; en

      • 2°. een waarde heeft van ten minste € 150,00.

    • c. categorie C 3 scholing betreft, waarbij geldt dat elke scholingsactiviteit:

      • 1°. een studiebelasting van minimaal 16 uur heeft;

      • 2°. persoonlijke begeleiding en ondersteuning aan de deelnemer biedt; en

      • 3°. een waarde heeft van ten minste € 500,00.

    • d. categorie C 4 scholing betreft, waarbij geldt dat elke scholingsactiviteit:

      • 1°. is gericht op afsluiting door de deelnemer met een certificaat of diploma op middelbaar of hoger onderwijsniveau of een branche- of sector-erkend certificaat of diploma;

      • 2°. persoonlijke begeleiding en ondersteuning aan de deelnemer biedt; en

      • 3°. een waarde heeft van ten minste € 1.250,00.

  • 2. Als scholing door een betrokken partij binnen het samenwerkingsverband wordt uitgevoerd vormt de prestatieverklaring, waarvan een model in bijlage 4 is opgenomen, de basis voor vaststelling dat de scholing voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel 10. Bepalen van de waarde van activiteiten

  • 1. Ter bepaling van de waarde van scholingsactiviteiten als bedoeld in artikel 9, komen de volgende kosten in aanmerking:

    • a. ingeval de scholing door partijen binnen het samenwerkingsverband wordt uitgevoerd, de directe loonkosten van bij de uitvoering van de scholing betrokken personen, waarbij, ingeval aan een scholing meerdere personen deelnemen, de kosten worden gedeeld door het aantal deelnemers, volgens de berekening, opgenomen in het tweede lid;

    • b. ingeval de scholing door partijen buiten het samenwerkingsverband worden uitgevoerd, de daadwerkelijke externe kosten van de scholingsactiviteit per deelnemer, onder voorwaarde dat deze kosten marktconform zijn.

  • 2. Voor de directe loonkosten van scholing die binnen het samenwerkingsverband worden uitgevoerd, geldt de volgende berekening om tot de waarde van de scholingsactiviteit per deelnemer te komen:

    Aantal uitvoeringsuren per scholing × 1,25 (opslag voor voor/nawerk) × norm uurtarief

    _________________________________________________________________________________

    Aantal deelnemers per scholing

    waarbij:

    • a. onder uitvoeringsuren per scholing wordt verstaan: het aantal uren dat door de opleider daadwerkelijk aan het geven van scholing wordt besteed; en

    • b. het norm uurtarief voor interne scholing € 80,00 bedraagt.

  • 3. Ter bepaling van de waarde van activiteiten, bedoeld in de artikelen 5 en 7, komen in aanmerking de daadwerkelijke externe kosten van de activiteit per deelnemer, onder voorwaarde dat deze kosten marktconform zijn.

  • 4. Marktconformiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en derde lid, wordt bepaald aan de hand van:

    • a. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure; of

    • b. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de subsidieaanvrager indien de kosten per partij buiten het samenwerkingsverband meer bedragen dan € 50.000.

Artikel 11. Eisen aan opleider

  • 1. Een opleider voldoet aan de kwaliteitscriteria, beschreven in bijlage 3.

  • 2. Indien de opleider in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is gevestigd, wordt, bij het niet beschikken over een certificering of keurmerk als bedoeld in bijlage 3, een in dat land overeenkomstige certificering of keurmerk gelijkgesteld met deze certificeringen of keurmerken.

Artikel 12. Activiteiten EVC-procedure

  • 1. Activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, worden uitgevoerd door een erkende EVC-aanbieder.

  • 2. Een EVC-procedure is gericht op het verkrijgen door de deelnemer van ander werk en omvat in elk geval een of meer van de volgende activiteiten:

    • a. een intake;

    • b. het opbouwen van een portfolio; en

    • c. een persoonlijk assessment.

Artikel 13. Subsidieplafond en verdeling subsidiebudgetten

  • 1. Voor subsidies op grond van deze regeling is € 70 miljoen beschikbaar.

  • 2. Het beschikbare subsidiebedrag wordt in twee compartimenten verdeeld.

  • 3. In compartiment 1 is € 14 miljoen beschikbaar bedoeld voor subsidieaanvragen voor een bedrag van € 300.000 tot € 1 miljoen per subsidieaanvraag.

  • 4. In compartiment 2 is € 56 miljoen beschikbaar, bedoeld voor subsidieaanvragen voor een bedrag van € 1 miljoen tot ten hoogste € 5 miljoen per subsidieaanvraag.

  • 5. Indien na afloop van het aanvraagtijdvak blijkt dat er gelden resteren van het beschikbare bedrag voor een compartiment, worden deze gelden overgeheveld naar het andere compartiment.

  • 6. Een overheveling van middelen van het ene naar het andere compartiment en de hoogte van die overheveling wordt bekendgemaakt op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 14. Hoogte van het subsidiebedrag

  • 1. Het subsidiebedrag bedraagt:

    • a. voor een ontwikkeladviesactiviteit: € 560,00;

    • b. voor een begeleidingsactiviteit:

      • 1°. categorie I: € 400,00;

      • 2°. categorie II: € 800,00;

    • c. voor een scholingsactiviteit:

      • 1°. categorie C 1: € 60,00

      • 2°. categorie C 2: € 120,00;

      • 3°. categorie C 3: € 400,00; en

      • 4°. categorie C 4: € 1.000,00;

    • d. voor een EVC-procedure: € 1.000,00.

  • 2. De hoogte van een subsidiebedrag als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld per activiteit.

Artikel 15. Samenwerkingsverband

  • 1. Organisaties, werkzaam in een sector of branche of daaraan verbonden, kunnen deel uitmaken van het samenwerkingsverband.

  • 2. Een samenwerkingsverband kan worden georganiseerd binnen een of meer sectoren of branches.

  • 3. Het samenwerkingsverband spant zich in om binnen de sector of branche bekendheid te geven aan de mogelijkheid tot aansluiting bij een samenwerkingsverband en het aanvragen van subsidie.

  • 4. De samenwerking wordt vastgelegd in een door alle partijen van het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen en waarbij gebruik wordt gemaakt van het model, genoemd in het vijfde lid.

  • 5. De minister stelt het model voor een vast te leggen samenwerkingsovereenkomst elektronisch beschikbaar op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 16. Hoofdaanvrager

  • 1. De hoofdaanvrager dient namens het samenwerkingsverband een subsidieaanvraag in.

  • 2. De hoofdaanvrager bestaat ten tijde van de indiening van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar.

  • 3. De hoofdaanvrager draagt ervoor zorg dat een organisatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, op een daartoe strekkend verzoek kan deelnemen aan het samenwerkingsverband.

  • 4. De hoofdaanvrager neemt de regels in acht die op grond van deze regeling voor de subsidieaanvrager en de subsidieontvanger gelden.

Artikel 17. Paritaire of niet-paritaire aanvraag

  • 1. De hoofdaanvrager draagt ervoor zorg dat de subsidieaanvraag, blijkens de samenwerkingsovereenkomst, het uitdrukkelijke akkoord draagt van de werkgeversorganisatie en de werknemersorganisatie binnen het samenwerkingsverband.

  • 2. Indien het akkoord, bedoeld in het eerste lid, niet kan worden bereikt, kan de subsidieaanvraag niettemin worden ingediend met een akkoord van de aan het samenwerkingsverband deelnemende werkgeversorganisatie of werknemersorganisatie, met toevoeging van een akkoord van de Stichting van de Arbeid.

  • 3. Het akkoord wordt gegeven via een door de Stichting van de Arbeid ondertekende verklaring die bij de subsidieaanvraag wordt gevoegd.

  • 4. De verklaring, bedoeld in het derde lid, kan door de Stichting van de Arbeid uitsluitend worden gegeven, indien de desbetreffende subsidieaanvraag naar haar oordeel op voldoende draagvlak kan rekenen binnen de desbetreffende sector of branche.

Artikel 18. Eisen aan de subsidieaanvraag

  • 1. De subsidieaanvrager dient een subsidieaanvraag in door middel van een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier op de website www.mijnuitvoeringvanbeleidszw.nl.

  • 2. Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt in een subsidieaanvraag vermeld:

    • a. het KvK-nummer van de hoofdaanvrager en alle partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • b. de contactgegevens van de hoofdaanvrager;

    • c. de verwachte aantallen ontwikkeladviesactiviteiten, begeleidingsactiviteiten, scholingsactiviteiten onderverdeeld naar categorieën als bedoeld in artikel 14, en EVC-procedures, het aantal deelnemers alsmede het totaalbedrag waarvoor per activiteit subsidie wordt aangevraagd; en

    • d. het bankrekeningnummer waarop de hoofdaanvrager betalingen van de minister op grond van deze regeling wenst te ontvangen.

  • 3. Bij de subsidieaanvraag worden de volgende stukken gevoegd:

    • a. een door alle partijen die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst, inclusief een schriftelijke machtiging, ingevuld op het daartoe bestemde elektronisch formulier op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl, waaruit blijkt dat de hoofdaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen en waarbij de samenwerkingsovereenkomst het KvK-nummer en de contactgegevens van alle deelnemers binnen het samenwerkingsverband bevat;

    • b. een bewijsstuk dat aantoont dat de hoofdaanvrager de houder is van het bankrekeningnummer, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d;

    • c. via een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl een beschrijving van de groep of groepen deelnemers, uitgesplitst naar achtergrond in ervaring en kennis, waarbij aan de hand van een door het samenwerkingsverband opgestelde arbeidsmarktanalyse voor elke groep wordt aangegeven in welke arbeidsmarktpositie deze groep verkeert, in welke richting op de arbeidsmarkt het samenwerkingsverband zijn deelnemers verder wil doen ontwikkelen en begeleiden en daarnaast de doelstellingen waarbinnen de scholing moet passen, waarbij per categorie scholing een of enkele voorbeelden van concrete scholing die daar in ieder geval onder zal vallen;

    • d. de verklaring, bedoeld in artikel 17, derde lid, die, indien deze op het moment van de subsidieaanvraag nog niet beschikbaar is, later kan worden ingestuurd en bij de subsidieaanvraag worden gevoegd, met inachtneming van artikel 20, vierde lid.

  • 4. De binnen een subsidieaanvraag aangevraagde trajecten hebben een gemiddelde waarde van ten hoogste € 2.000 per deelnemer.

  • 5. Het subsidiebedrag bedraagt per aanvraag ten minste € 300.000.

  • 6. Bij de subsidieaanvraag verklaart de hoofdaanvrager:

    • a. dat de loopbaanadviseur, de begeleider, de opleider en de EVC-aanbieder voldoen aan de eisen, genoemd in deze regeling en verder, ten aanzien van de loopbaanadviseur en de opleider, beschreven in bijlagen 1, 2 en 3;

    • b. dat de activiteiten binnen de subsidieaanvraag arbeidsmarktrelevant zijn, hetgeen hij onderbouwt bij de subsidieaanvraag.

  • 7. Een activiteit eindigt niet later dan 12 maanden na de dag van de subsidieverlening.

  • 8. Indien een partij in het samenwerkingsverband, dan wel een door het samenwerkingsverband voor het verrichten van activiteiten ingeschakelde instelling of andere rechtspersoon in Nederland, in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is gevestigd, wordt, bij het niet beschikken over een KvK-nummer, een met het KvK-nummer overeenkomstige registratie in dat land gelijkgesteld met de vermelding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

Artikel 19. Aanvraagtijdvak subsidie

Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend van 15 maart 2021, 9.00 uur tot en met 26 april 2021, 17.00 uur Nederlandse tijd. Alleen in de periode van 15 maart 2021, 9.00 uur tot en met 22 maart 2021, 17.00 uur Nederlandse tijd kan de subsidieaanvraag worden aangevuld met een verklaring van de Stichting van de Arbeid als bedoeld in artikel 17, derde lid, zonder dat dit gevolgen heeft voor de volgorde van behandeling van subsidieaanvragen, bedoeld in artikel 20.

Artikel 20. Rangschikking

  • 1. De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst van volledige subsidieaanvragen.

  • 2. Onvolledige subsidieaanvragen kunnen, binnen twee weken na de mededeling van de minister dat de aanvraag onvolledig is, worden aangevuld door de subsidieaanvrager. In dat geval geldt als ontvangstdatum van de volledige subsidieaanvraag de datum van ontvangst van de aanvulling.

  • 3. Indien subsidieaanvragen gelijktijdig worden ontvangen, wordt door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden behandeld.

  • 4. Onverminderd het derde lid geldt, in afwijking van artikel 2.3 van de Kaderregeling en het eerste lid, ten aanzien van de situatie, genoemd in artikel 17, tweede lid, als moment waarop de subsidieaanvraag volledig is het moment waarop de subsidieaanvraag, bedoeld in artikel 17, tweede lid, is ingediend, onder voorwaarde dat de verklaring, genoemd in artikel 17, derde lid, uiterlijk 22 maart 2021, 17.00 uur bij de ingediende subsidieaanvraag is gevoegd en de subsidieaanvraag overigens volledig is.

Artikel 21. Verlening van de subsidie

  • 1. De minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag tot subsidieverlening.

  • 2. Onverminderd afdeling 4.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt de beschikking tot subsidieverlening in ieder geval:

    • a. de activiteiten, uitgesplitst per activiteit en, voor zover van toepassing, per categorie, waarvoor subsidie wordt verleend;

    • b. de hoogte van het totaalbedrag van de subsidieverlening en, als onderdeel daarvan het bedrag per traject, alsmede het te verlenen voorschot; en

    • c. de periode waarover de subsidie wordt verleend.

  • 3. De minister verstrekt bij de beschikking tot subsidieverlening ambtshalve een voorschot van 60% van het op grond van artikel 13 berekende bedrag.

  • 4. Onverminderd artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht schort de minister de betaling, bedoeld in het derde lid, op indien:

    • a. er sprake is van een ernstig vermoeden dat niet voldaan wordt aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de subsidie; of

    • b. een melding van de subsidieaanvrager daartoe aanleiding geeft.

  • 5. De subsidieontvanger kan een verzoek tot wijziging van het besluit tot subsidieverlening indienen, wanneer blijkt dat de aantallen ontwikkeladviesactiviteiten, begeleidingsactiviteiten, scholingsactiviteiten of EVC-procedures, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, in totaal of in hun onderlinge verdeling afwijken ten opzichte van wat in zijn beschikking tot subsidieverlening is aangegeven.

Artikel 22. Weigering van de subsidie

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen wanneer:

  • a. niet voldaan wordt aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de subsidie;

  • b. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen of de eisen, die bij of krachtens de Kaderwet SZW-subsidies zijn gesteld; of

  • c. de activiteiten plaatsvinden buiten de in artikel 21, tweede lid, onderdeel c, bedoelde periode.

Artikel 23. Subsidievaststelling en wijziging subsidieverlening

  • 1. De subsidieaanvrager dient uiterlijk drie maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in door middel van een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

  • 2. Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt in een aanvraag tot subsidievaststelling vermeld het gerealiseerd aantal:

    • a. ontwikkeladviesactiviteiten en het daarmee gemoeide subsidiebedrag;

    • b. begeleidingsactiviteiten, verdeeld naar categorie, alsmede het hiermee gemoeide subsidiebedrag;

    • c. scholingsactiviteiten, verdeeld naar categorie, alsmede het hiermee gemoeide subsidiebedrag;

    • d. EVC-procedures en het daarmee gemoeide subsidiebedrag.

  • 3. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling worden in elk geval meegezonden:

    • a. een specificatie van de gegeven activiteiten en categorie activiteiten per loopbaanadviseur, begeleider, opleider en EVC-aanbieder, inclusief het KvK-nummer en contactgegevens van alle loopbaanadviseurs, begeleiders, opleiders en EVC-aanbieders die ten behoeve van het samenwerkingsverband activiteiten hebben gegeven op basis van de subsidieverlening;

    • b. een overzicht met het BSN van de betrokken deelnemers;

    • c. een assurancerapport omtrent de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvanger als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, van de Kaderregeling, opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol, beide elektronisch beschikbaar op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl; en

    • d. een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 24.

  • 4. De subsidieontvanger houdt de informatie en de documenten, neergelegd in het daarop betrekking hebbende elektronisch formulier op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl, in zijn administratie beschikbaar.

  • 5. De subsidieontvanger kan, wanneer hij voorziet dat minder dan 60% van het aantal activiteiten zoals vermeld in de beschikking tot subsidieverlening zal worden gerealiseerd, tot uiterlijk drie maanden na de beschikking tot subsidieverlening een verzoek tot wijziging van het besluit tot subsidieverlening indienen.

  • 6. Indien bij het indienen, dan wel bij het controleren van de aanvraag tot subsidievaststelling blijkt, dat minder dan 60% van het aantal activiteiten, genoemd in de afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, en dit tekort aan gerealiseerde activiteiten naar het oordeel van de minister de subsidieaanvrager kan worden aangerekend, kan het subsidiebedrag op nihil worden vastgesteld.

Artikel 24. Evaluatie van de uitgevoerde trajecten

  • 1. De subsidieontvanger draagt zorg voor de evaluatie van de op grond van deze regeling uitgevoerde ontwikkeladviesactiviteiten, begeleidingsactiviteiten, scholingsactiviteiten en EVC-procedures en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan ten aanzien van de binnen zijn samenwerkingsverband vallende werkenden.

  • 2. Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

    • a. de doelgroep werkenden waarvoor het samenwerkingsverband de activiteiten heeft ingezet;

    • b. een beschrijving van de uitgevoerde activiteiten;

    • c. een beschrijving van het uitvoeringsproces tussen subsidieontvanger en de deelnemers die de activiteit volgden en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan; en

    • d. een overzicht van de bereikte resultaten, uitgedrukt in:

      • 1°. de in artikel 18, derde lid, onderdeel c, geschetste achtergrond van de deelnemersgroep, afgezet tegen het aantal afgeronde activiteiten;

      • 2°. aantallen deelnemers per categorie activiteit en per combinatie van activiteiten, uitgesplitst naar verwacht aantal deelnemers, het gerealiseerd aantal deelnemers en het percentage deelnemers dat de activiteit heeft afgerond; en

      • 3°. het aantal deelnemers dat tijdens of na afronding van de gevolgde activiteiten met een andere baan is begonnen;

      • 4°. het aantal deelnemers dat na het volgen van een of meer activiteiten zijn baan heeft behouden.

Artikel 25. Melding fraude

Bij een redelijk vermoeden dat een loopbaanadviseur, een begeleider, een opleider of een EVC-aanbieder, dan wel een ander persoon die werkzaam is binnen of ten behoeve van een samenwerkingsverband, fraude heeft gepleegd bij het verkrijgen van subsidie op grond van deze regeling, kan de minister hiervan melding maken bij het samenwerkingsverband, of de instantie waar betrokken loopbaanadviseur, begeleider of opleider zijn certificering of het keurmerk heeft verkregen.

Artikel 26. Meewerken aan controle en onderzoek

  • 1. De subsidieontvanger werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor:

    • a. het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie;

    • b. het beoordelen of de subsidie terecht is verstrekt;

    • c. het monitoren van de voortgang in de werving van deelnemers, het starten en uitvoeren van de activiteiten en de financiële realisatie; en

    • d. de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister.

  • 2. De deelnemer verleent desgevraagd medewerking aan het in het eerste lid bedoelde onderzoek met het oog op de beoogde doelstellingen en vult in verband daarmee de toestemmingsverklaring, opgenomen in bijlage 5, in.

Artikel 27. Evaluatie van de regeling

De minister zendt binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van deze regeling aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

Artikel 28. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 maart 2021 en vervalt met ingang van 15 maart 2022.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt, van toepassing op de afwikkeling van uiterlijk op 15 oktober 2022 ingediende verzoeken tot vaststelling van subsidie op grond van deze regeling.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk.

Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 februari 2021

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

BIJLAGEN BEHOREND BIJ DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SECTORAAL MAATWERK

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 4, EERSTE LID, ONDERDEEL C, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SECTORAAL MAATWERK

Gedragscode loopbaanadviseur

Algemeen

De loopbaanadviseurs volgen bij de beroepsuitoefening de volgende gedragsregels:

  • 1. De loopbaanadviseur (waar aangeduid in de mannelijke vorm dient ook de vrouwelijke vorm te worden gelezen) onderwerpt zich aan de in deze gedragscode vastgestelde regels.

  • 2. De loopbaanadviseur richt zijn werkzaamheden primair op begeleiding bij loopbaanontwikkeling, outplacement, herplaatsing, advies over ondernemersvaardigheden, re-integratie, job coaching en studie/beroepskeuzeadvies. Daarnaast kan hij andere activiteiten verrichten, waarop deze Gedragscode echter niet van toepassing is.

  • 3. De loopbaanadviseur geeft zich bij de uitvoering van de onder punt 2 genoemde activiteiten rekenschap van de functies en relatievormen die hij in zijn persoon verenigt, zoals die van opdrachtnemer, begeleider, werknemer, vriend e.d., en voorkomt dat hij tegengestelde belangen moet behartigen.

  • 4. De loopbaanadviseur zal, zowel bij de uitoefening van werkzaamheden als in contacten met collega’s en opdrachtgevers, de grootste zorgvuldigheid in acht nemen en zich onthouden van gedrag dat afbreuk doet aan het vertrouwen in en het aanzien van het beroep.

  • 5. De loopbaanadviseur richt zijn werkzaamheden op begeleiding van de cliënt bij loopbaanontwikkeling en/of uitbreiding van de ondernemersvaardigheden. De loopbaanadviseur zal een cliënt te allen tijde voor aanvang van de begeleiding informeren over eventuele conflicterende rollen/activiteiten die hij verricht respectievelijk in de afgelopen twee jaar verricht heeft t.b.v. de werkgever van de cliënt.

  • 6. De loopbaanadviseur beseft welke invloed er van zijn positie, houding en beoordeling kan uitgaan op de cliënt en op de omstandigheden waarin die cliënt verkeert. Hij houdt in zijn optreden rekening met de mogelijke beïnvloedbaarheid en afhankelijkheid van de cliënt en andere betrokkenen.

Opdrachtaanvaarding
  • 7. Indien de loopbaanadviseur opdrachten wil aanvaarden die voortvloeien uit door hem, in een andere rol, verstrekte adviezen zal hij daarover alle betrokkenen van te voren informeren.

  • 8. De loopbaanadviseur zal erop toezien dat een overeenkomst tot het uitvoeren van een opdracht schriftelijk wordt vastgelegd met duidelijke afspraken over de verplichtingen van beide partijen. De opdrachtbevestiging dient tenminste de volgende onderdelen te bevatten:

    • een beschrijving van de doelstelling;

    • een beschrijving van de te volgen werkwijze;

    • een beschrijving van de wijze van rapporteren;

    • tijdsduur;

    • honoraria en onkosten;

    • betalingswijze;

    • de mededeling dat op de uitvoering van de opdracht de gedragsregels van deze code van toepassing zijn.

  • 9. De loopbaanadviseur zal, in het kader van een opdracht, een goede werkrelatie met alle betrokken partijen bevorderen.

  • 10. De loopbaanadviseur zal de aan hem verstrekte opdracht slechts aanvaarden als hij zich ervan heeft vergewist dat:

    • de aanvaarding van de opdracht als zodanig door de werkgever niet zal worden geïnterpreteerd als toezegging tot vertrek of erkenning van de noodzaak daartoe door een cliënt noch als erkenning van disfunctioneren of ongeschiktheid van de cliënt in zijn huidige functie of het bestaan van een onwerkbare situatie;

    • hij kennis heeft genomen van alle informatie die relevant is voor een goede uitvoering van de opdracht en waarvan het bestaan bekend is of redelijkerwijs bekend zou kunnen zijn.

  • 11. Een opdracht kan geen onderdeel vormen van afspraken met betrekking tot beëindiging van het dienstverband: hierover wordt door en aan alle partijen vooraf duidelijkheid verschaft.

Dienstverlening cliënt
  • 12. De loopbaanadviseur zal een cliënt bij hun eerste contact kenbaar maken dat het die cliënt te allen tijde vrijstaat de dienstverlening te aanvaarden dan wel te weigeren, alsmede deze op ieder moment af te breken. Bij een totale onderbreking van meer dan zes maanden wordt de opdracht beschouwd als te zijn beëindigd, tenzij andersluidende afspraken zijn gemaakt die door alle betrokken partijen schriftelijk zijn bevestigd.

  • 13. De loopbaanadviseur zal de door hem ten behoeve van een cliënt te verrichten werkzaamheden zorgvuldig en na bespreking met die cliënt uitvoeren. Hij zal een cliënt verwijzen naar andere disciplines indien en voor zover dit voor de belangen van die cliënt wenselijk is.

  • 14. De loopbaanadviseur is bevoegd de werkzaamheden voor een cliënt tussentijds te beëindigen als hij, met inachtneming van de zorgvuldigheid in de beroepsuitoefening en met inachtneming van de in punt 10 gestelde regel, het bereiken van de doelstelling van het ontwikkeladviesproces in redelijkheid niet meer hoeft te verwachten. Obstructie door een cliënt kan leiden tot tussentijdse onderbreking of tot definitieve beëindiging van de dienstverlening door de loopbaanadviseur. Alvorens hiertoe over te gaan zal de loopbaanadviseur de cliënt schriftelijk informeren.

Rapportage
  • 15. De loopbaanadviseur streeft naar een rapportage die aanvaardbaar is voor de cliënt.

  • 16. Iedere rapportage die inhoudelijke informatie over een cliënt bevat, zal uitsluitend met diens schriftelijke toestemming worden gerapporteerd. Hierop kan slechts bij schriftelijke overeenkomst van alle betrokken partijen en voor aanvang van de begeleiding een uitzondering worden gemaakt.

Geheimhouding en plicht tot vertrouwelijke behandeling
  • 17. De loopbaanadviseur zal alle informatie die hem eenzijdig van de kant van een cliënt ter kennis komt geheim houden en van die informatie uitsluitend gebruik maken voor zover de goede uitvoering van de hem opgedragen taak dat vereist en voor zover het gebruik daarvan hem niet uitdrukkelijk is ontzegd.

  • 18. Alle van de zijde van de cliënt aan de loopbaanadviseur ter kennis gekomen informatie zal als vertrouwelijk worden behandeld.

  • 19. De loopbaanadviseur is niet gehouden geheimhouding in acht te nemen als hij gegronde redenen heeft om te menen dat het doorbreken van de geheimhouding het enige en laatste middel is om direct gevaar voor personen te voorkomen, dan wel wanneer hij door wettelijke bepalingen of een rechterlijke beslissing daartoe wordt gedwongen. Als te voorzien is dat een dergelijke situatie zich kan voordoen, stelt het lid de betrokkene ervan op de hoogte dat hij in dat geval genoodzaakt kan zijn de geheimhouding te doorbreken, tenzij door een dergelijke mededeling acuut gevaar voor hemzelf of derden kan ontstaan.

  • 20. Als de loopbaanadviseur besluit tot het doorbreken van de geheimhouding dan mag die doorbreking zich niet verder uitstrekken dan in de gegeven omstandigheden is vereist en dient hij de betrokkene van zijn besluit op de hoogte te stellen, tenzij door een dergelijke mededeling acuut gevaar voor hemzelf of derden kan ontstaan.

Professionaliteit
  • 21. De loopbaanadviseur streeft naar het verwerven en handhaven van een hoog niveau van professionaliteit in zijn beroepsuitoefening. Hij neemt de grenzen van zijn deskundigheid en de beperkingen van zijn ervaring in acht.

  • 22. De loopbaanadviseur neemt zichzelf regelmatig onder de loep, doet aan zelfreflectie en past zelfanalyse toe om na te gaan hoe en in welke richting hij zichzelf als mens en als professional zal ontwikkelen, om optimaal te kunnen blijven functioneren.

  • 23. De loopbaanadviseur verschaft, desgevraagd, informatie over zijn opleiding, c.q. ervaring en kwalificaties die hij heeft en welke methoden en stijl hij (voornamelijk) gebruikt bij zijn begeleiding van cliënten. Hij heeft daartoe een Curriculum Vitae beschikbaar dat door hem actueel wordt gehouden.

Klachten
  • 24. De loopbaanadviseur verplicht zich om de ontvangst van een klacht van een cliënt binnen twee weken schriftelijk te bevestigen en deze vervolgens binnen vier weken na ontvangst af te handelen.

BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 5, EERSTE LID, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SECTORAAL MAATWERK

Beschrijving ontwikkeladviesactiviteit en verplichte formats

Een ontwikkeladviesactiviteit moet aan een aantal eisen voldoen om subsidiabele activiteit te zijn. Onderstaand wordt beschreven welke eisen dit zijn.

Ontwikkeladviesactiviteit

De ontwikkeladviesactiviteit omvat gerichte interventies die resulteren in een ontwikkelplan voor de korte- en langere termijn volgens het onderstaande format 2.2.

Van de ontwikkeladviesactiviteit wordt een gespreksverslag gemaakt volgens het onderstaande format 2.1.

De ontwikkeladviesactiviteit omvat minimaal de volgende activiteiten:

  • 1. Ten behoeve van de ontwikkeladviesactiviteit stelt het samenwerkingsverband de identiteit van de deelnemer vast door een kopie te maken van diens wettig identiteitsbewijs. Deze kopie wordt bewaard in de administratie.

  • 2. Ondertekening door de deelnemer van het formulier ‘Toestemmingsverklaring verwerking persoonsgegevens deelnemer’ (bijlage 5 bij deze regeling).

  • 3. Het door de deelnemer voorafgaand aan het laatste gesprek invullen van een arbeidsmarktscan of ondernemersscan. Deze arbeidsmarktscan of ondernemersscan moet voor de deelnemer worden ingekocht door het samenwerkingsverband.

  • 4. De loopbaanadviseur voert gesprekken met de deelnemer met een tijdsbeslag van in totaal minimaal vier uren.

  • 5. De loopbaanadviseur stelt een gespreksverslag op conform format 2.1 en de deelnemer en loopbaanadviseur ondertekenen dit.

  • 6. De deelnemer stelt alleen of samen met de loopbaanadviseur het ontwikkelplan op conform format 2.2 en de deelnemer en loopbaanadviseur ondertekenen dit.

  • 7. De ontwikkeladviesactiviteit wordt afgesloten met een door de deelnemer en de loopbaanadviseur ingevulde en ondertekende prestatieverklaring, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

Arbeidsmarktscan

Het doel van de arbeidsmarktscan is de deelnemer op basis van zijn of haar kennis, vaardigheden, competenties, houdingsaspecten, drijfveren en leervermogen kennis te laten maken met sectoren waar er een arbeidsmarktvraag is. Deze arbeidsmarktscan moet de arbeidsmarktpositie van de deelnemer in kaart brengen en bij de situatieschets helpen om de vragen ‘wie ben ik, wat kan ik en wat wil ik’ te kunnen beantwoorden. Daarbij kan ander, kansrijk werk aan de orde zijn al dan niet door middel van een overstap naar een andere sector of ander soort takenpakket.

Criteria arbeidsmarktscan:

  • Met de arbeidsmarktscan wordt een profiel gemaakt van de deelnemer. Dit profiel wordt gematcht met kansrijke arbeidsmarktopties;

  • De arbeidsmarktscan geeft een resultaat van kansrijke opties op de arbeidsmarkt waar een mogelijke competentiematch is, waarbij de kansrijkheid van deze opties voor de kandidaat wordt aangegeven;

  • De scan is digitaal en heeft een digitale terugkoppeling die gebruiksvriendelijk is voor loopbaanadviseur en deelnemer;

  • De scan moet zijn gevalideerd door een externe, onafhankelijke partij en wordt reeds minimaal drie jaar in de praktijk toegepast.

Inhoud ontwikkeladviesgesprekken

Onderwerpen die tijdens de ontwikkeladviesgesprekken aan bod moeten komen zijn:

  • Situatieschets, arbeidsmarkt- of ondernemersscan en bewustwording van de eigen situatie en toekomstperspectieven van de deelnemer;

  • Persoonsprofiel van de deelnemer, waaronder:

    • Competenties;

    • Kwaliteiten;

    • Vaardigheden;

    • Eisen die de deelnemer stelt aan arbeidsuren, reistijd, locatie en dergelijke;

  • Toekomstoriëntatie;

  • Adviseren over financiële, persoonlijke en rechtspositionele consequenties en zicht geven op instanties of websites waar kennis over deze zaken te vinden is.

Ontwikkelplan

Als resultaat van de gesprekken stelt de deelnemer zelf of samen met de loopbaanadviseur een ontwikkelplan op conform format 2.2. Hierin worden kort en bondig een aantal acties beschreven die de deelnemer op de korte of de lange termijn kan inzetten om te werken aan zijn wendbaarheid en duurzame inzetbaarheid.

Tevens wordt in het ontwikkelplan beschreven waar de deelnemer terecht kan om (financiële) ondersteuning te krijgen bij de uitvoering van zijn ontwikkelplan.

Punten die in elk geval aan de orde moeten komen in het ontwikkelplan zijn:

  • Wie neemt welke acties op de korte en de lange termijn om beter voorbereid te zijn op de toekomst?

  • Wanneer en hoe kan er actie worden ondernomen?

  • Mogelijkheden om persoonlijke ontwikkelvraagstukken en huidige beperkingen in bijvoorbeeld energieniveau, financiële sfeer, de persoonlijke of gezinssfeer, leren en taalvaardigheid aan te pakken.

  • Indien van toepassing: suggesties voor het inzetten van andere experts om bovenstaande belemmeringen te verhelpen.

Formats

Onderstaande formats zijn verplicht. Dit betekent dat wanneer deze niet of onvolledig worden ingevuld door de loopbaanadviseur en de deelnemer, het samenwerkingsverband niet in aanmerking komt voor subsidie.

Format 2.1. Gespreksverslag ontwikkeladviesactiviteit

Volledige voor- en achternaam deelnemer:

Startdatum ontwikkeladviesactiviteit (datum eerste gesprek met de deelnemer):

Naam loopbaanadviseur:

Ad1) Situatieschets en arbeidsmarktscan

 
 
 
 

Ad 2) Persoonsprofiel

 
 
 
 

Ad 3) Toekomstoriëntatie (loopbaanmogelijkheden en/of ontwikkelkansen)

 
 
 
 

Ad 4) Overige relevante gesprekspunten (financiële, persoonlijke en rechtspositionele consequenties)

 
 
 
 

Dit gesprekverslag geeft goed weer wat tijdens de ontwikkeladviesactiviteit is besproken en aan de orde is geweest.

Plaats en datum:

Handtekening deelnemer:

Plaats en datum:

Handtekening loopbaanadviseur:

Format 2.2. Ontwikkelplan

Naam deelnemer:

Startdatum ontwikkeladviesactiviteit (datum eerste gesprek):

Naam loopbaanadviseur:

1) Actie/termijn/ondersteuning

 
 
 
 

2) Actie/termijn/ondersteuning

 
 
 
 

3) Actie/termijn/ondersteuning

 
 
 
 

4) Actie/termijn/ondersteuning

 
 
 
 

5) Actie/termijn/ondersteuning

 
 
 
 

Voor akkoord:

Plaats en datum:

Handtekening deelnemer:

Plaats en datum:

Handtekening loopbaanadviseur:

BIJLAGE 3, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 11, EERSTE LID, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SECTORAAL MAATWERK

Overzicht van kwaliteitscriteria opleider

Alle opleiders die scholing in de zin van deze subsidieregeling zullen gaan aanbieden moeten voldoen aan een aantal vereisten. Bij de subsidieaanvraag moet de hoofdaanvrager verklaren dat de opleider die door het samenwerkingsverband wordt ingeschakeld voor het geven van scholing, voldoet aan onderstaande eisen en dit, via zijn projectadministratie, kan aantonen op het moment dat de minister aanleiding heeft om de verklaring te controleren.

  • A. De opleider dient te beschikken over het diploma, het keurmerk of het certificaat op basis waarvan hij kan aantonen dat hij voor de scholing die hij gaat geven over de juiste kwalificaties, kennis en vaardigheden beschikt.

  • B. De opleider moet in staat zijn om in korte tijd te kunnen voldoen aan de scholingsvraag. Dat wil zeggen dat de opleider aan de hand van eerdere activiteiten moet kunnen aantonen te kunnen voldoen aan de opdracht een aantal scholingsactiviteiten te geven, zowel qua duur als qua tijdsbeslag.

  • C. De opleider moet de scholing1 in ieder geval in de Nederlandse taal aanbieden.

  • D. De opleider zet zich actief in om de scholingsactiviteiten waarvoor het samenwerkingsverband subsidie verleend heeft gekregen onder de aandacht te brengen van werkzoekenden binnen het bereik van het samenwerkingsverband. Bedoeling hiervan is dat de opleider in samenwerking met de (andere) partijen uit het samenwerkingsverband via hun communicatiekanalen werkenden informeert over de mogelijkheid om kosteloos scholing te volgen.

  • E. Het samenwerkingsverband moet ondersteuning bieden aan werkenden bij het zoeken naar geschikte scholing, daarbij gesteund door gecontracteerde opleiders, via bijvoorbeeld helpdesk en geavanceerde zoekfuncties. Op het moment dat een werkende door het samenwerkingsverband is aangewezen om scholing te volgen gericht op verbetering van zijn arbeidsmarktpositie en bij zijn keuze om te scholen nog niet zo goed weet wat of welke mogelijkheden er zijn, kan hij contact opnemen met de opleider of een partij binnen het samenwerkingsverband. Hiertoe worden de contactgegevens van de opleiders bekend gemaakt.

  • F. De opleider biedt de scholingsactiviteiten kosteloos aan de deelnemer aan en zal geen kosten voor het volgen van een scholingsactiviteit doorberekenen aan de deelnemer.

BIJLAGE 4, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 23, VIERDE LID, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SECTORAAL MAATWERK

Prestatieverklaring ontwikkeladvies, begeleiding, scholing, EVC-procedure

Naam deelnemer:

E-mail adres2:

Telefoonnummer3:

Burgerservicenummer4 deelnemer:

Functie:

In te vullen door deelnemer:

Ik verklaar deelgenomen te hebben aan (aankruisen hetgeen van toepassing is):

  • een ontwikkeladviesactiviteit bij ........... (naam loopbaanadviseur), dat heeft bestaan uit:

    Beschrijf hier het onderwerp en of de inhoud van de gesprekken:

    • .......;

    • .....:

    • Het adviesactiviteit is afgerond met:

      • .......

      • .......

      • een door mij en/of de loopbaanadviseur gemaakt ontwikkelplan; en

      • het door mij en door de loopbaanadviseur ondertekende gespreksverslag.

Het ontwikkeladviesactiviteit is gestart op (datum) ................. en geëindigd op (datum)

(datum) .......................

Deze uren zijn als volgt besteed:

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

........

 
  • een begeleidingsactiviteit bij ........... (naam begeleider), die heeft bestaan uit:

    Beschrijf hieronder de inhoud van de begeleidingsactiviteit:

    • .......;

    • .......:

      De begeleidingsactiviteit is afgerond met:

      • ....

      • het door mij en door de begeleider ondertekende gespreksverslag.

De begeleidingsactiviteit is gestart op (datum) ................. en geëindigd op (datum)

De begeleidingsactiviteit betrof een:

□ Categorie I begeleiding (8 tot 10 uur)

□ Categorie II begeleiding (10 uur of meer)

Deze uren zijn als volgt besteed:

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

........

 

(datum) .......................

  • een scholingsactiviteit bij ........... (naam opleider), die heeft bestaan uit:

    • .... (naam scholingsactiviteit)

    • .... (naam scholingsactiviteit)

De scholingsactiviteit is afgerond met

  • □ Bewijs van deelname

  • □ Certificaat

  • □ Diploma/getuigschrift

De scholingsactiviteit is gestart op (datum) ..................... en geëindigd op (datum) .......................

De scholingsactiviteit betrof een

□ Categorie C1 scholing

□ Categorie C1 scholing (8 uur of meer)

□ Categorie C3 scholing (16 uur of meer)

□ Categorie C4 scholing

Deze uren zijn als volgt besteed:

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

Datum ........................

Duur ........................

□ een EVC-procedure bij .............. (naam EVC-aanbieder)

De EVC-procedure is gestart op (datum) ..................... en geëindigd op (datum)

Ik geef toestemming dat het ministerie van SZW contact met mij kan opnemen als onderdeel van de controle op de aan het samenwerkingsverband die mijn loopbaanadviseur, begeleider, opleider en EVC-aanbieder heeft ingeschakeld, verstrekte subsidie.

Ik heb het formulier ondertekend waarmee ik toestemming geef voor inzage in mijn persoonsgegevens

Plaats en datum: ......................

Handtekening deelnemer:

BIJLAGE 5, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 26, TWEEDE LID, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SECTORAAL MAATWERK.

Toestemmingsverklaring verwerking persoonsgegevens deelnemer

U gaat een ontwikkeladviesactiviteit, begeleidingsactiviteit, scholingsactiviteit, en/of een EVC-procedure volgen.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) betaalt deze activiteit: uw loopbaanadviseur, begeleider, opleider of EVC-aanbieder ontvangt hier geld voor uit de subsidie die aan het samenwerkingsverband is verstrekt. Voordat de activiteit van start kan gaan, vragen we uw toestemming voor een aantal zaken.

Toestemmingsverklaring traject

  • 1. Inzage in de activiteiten van uw traject voor controle

    SZW kan voor uw traject een controle uitvoeren. In de regeling is daarvoor opgenomen dat het BSN-nummer vereist is. Controle is nodig om u te kunnen identificeren en om te kunnen vaststellen of u behoort tot de doelgroep van de regeling. Verder wordt vastgesteld of de activiteiten binnen uw traject echt zijn uitgevoerd en of het volgens de regels is gebeurd. Voor deze controle-doeleinden is uw BSN nodig. Voor uw ontwikkeladviesactiviteit is inzage in uw persoonlijke ontwikkelplan en het gespreksverslag nodig. Voor uw begeleidingstraject is inzage in uw verder te nemen stappen en het gespreksverslag nodig. Voor scholing is daarnaast afgifte van uw bewijs van afronding nodig. De controlerende ambtenaar van SZW of accountant heeft een geheimhoudingsplicht. Hij zal geen kopieën maken of op een andere manier uw gegevens delen met derden. Het ministerie wil alleen weten of de activiteiten werkelijk uitgevoerd zijn. En of de verantwoording op de juiste wijze is opgesteld.

  • 2. Benadering voor onderzoeksdoeleinden door het door het ministerie ingeschakelde onderzoeksbureau en medewerking aan onderzoek

    Het ministerie wil graag weten wat het sectoraal maatwerktraject de deelnemers heeft opgeleverd. Daarom zal een onderzoeksbureau de regeling in opdracht van het ministerie evalueren. Het onderzoeksbureau dat de evaluatie gaat uitvoeren kan contact met u opnemen om mee te werken aan de evaluatie. Daarvoor is het nodig dat zij beschikken over uw contactgegevens. Uw gegevens worden anoniem verwerkt.

De wettelijke regeling voorziet erin dat uw BSN-nummer wordt verwerkt met het oog op het kunnen verstrekken van de subsidie waarmee u uw activiteit (ontwikkeladvies, begeleiding, scholing of een EVC-procedure) gratis kunt volgen.

Uiteraard kunnen wij u niet verplichten uw BSN-nummer te overleggen, maar de activiteit kan dan niet gratis aan u worden aangeboden.

Het BSN-nummer is nodig voor identificatie, vaststelling of u tot de doelgroep van de regeling behoort, of de activiteiten volgens de regels zijn uitgevoerd. Daarnaast wil het ministerie graag weten wat de resultaten van deze regeling zijn. Daarvoor is onderzoek nodig, waarbij wij u graag willen kunnen benaderen. Alleen voor die doelen wordt uw BSN gebruikt. Met ondertekening van dit formulier geeft u aan kennis te hebben genomen van de redenen waarom en de wijze waarop uw BSN-nummer wordt gebruikt.

Plaats en datum:

Naam deelnemer:

Burgerservicenummer deelnemer5:

Handtekening deelnemer:

TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding

De arbeidsmarkt is door de gevolgen van het coronavirus volop in beweging. Banen zijn onzeker, nieuwe banen ontstaan en ondernemingen moeten soms noodgedwongen hun deuren sluiten. Afgelopen jaar heeft het kabinet onder meer aangekondigd dat zij werkzoekenden en werkenden die hun baan dreigen te verliezen willen ondersteunen bij het vinden of behouden van werk. Daartoe zijn in 2020 reeds twee regelingen in werking getreden: NL leert door met inzet van scholing en NL leert door met inzet van ontwikkeladvies.

Aanvullend hierop is voor 2021 € 71,5 miljoen, inclusief uitvoeringskosten, beschikbaar gesteld voor doelgerichte ondersteuning, begeleiding en scholing voor behoud van werk en overgang naar ander werk van ten minste 35.000 werkenden via sectorale samenwerkingsverbanden, waarbij het in geval van scholing gaat om scholing gericht op de overgang naar ander werk.6 Dit wordt in deze regeling, de derde regeling binnen NL leert door, geregeld. Hiermee is een samenhangend pakket van drie tijdelijke subsidieregelingen ontwikkeld gericht op het behoud van huidig werk of om aansluiting te vinden bij toekomstig werk, in reactie op de gevolgen van de coronacrisis op de arbeidsmarkt. Het uitgangspunt hierbij is dat mensen, afhankelijk van hun positie en behoefte, ondersteuning kunnen krijgen. Niet iedereen heeft daarbij dezelfde ondersteuning of middelen nodig.

Om in de verschillende behoeften te voorzien is het pakket NL leert door onderverdeeld in drie regelingen die onderscheidend zijn in zowel het type ondersteuning (ontwikkeladvies, scholing en begeleiding naar ander werk) als de wijze waarop de doelgroep wordt bereikt (direct aan te vragen door het individu, via een aanbieder van scholing of ontwikkeladvies of via de sectororganisatie of werkgever).

Dit heeft geleid tot drie subsidieregelingen die inhoudelijk met elkaar samenhangen en die ook juridisch binnen eenzelfde kader zijn vormgegeven:

  • a) NL leert door met inzet van ontwikkeladvies (looptijd 2020–2021).

    Op grond van de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies is op verzoek van het individu subsidie aan te vragen door alle gekwalificeerde aanbieders van ontwikkeladvies. Loopbaanadviseurs konden afgelopen jaar verspreid over twee tijdvakken deelnemers registreren voor een ontwikkeladviestraject. In het eerste tijdvak dat opende op 1 augustus 2020 zijn 22.000 kosteloze ontwikkeladviezen beschikbaar gesteld, in het tweede tijdvak dat opende op 1 december 2020 nog eens 55.000. Op dit moment worden de ontwikkeladviezen gegeven door de loopbaanadviseurs.

  • b) NL leert door met inzet van scholing (looptijd 2020–2021).

    Op grond van de regeling NL leert door met inzet van scholing kunnen opleiders en opleiderscollectieven op basis van een catalogus een subsidieverzoek indienen. De gesubsidieerde scholingsactiviteiten worden vervolgens kosteloos aangeboden aan individuen.

    In het eerste aanvraagtijdvak (oktober 2020), waarvoor € 17 miljoen beschikbaar was, konden opleiders en opleiderscollectieven een subsidieaanvraag indienen voor scholing categorie A en B. In totaal hebben 14 opleiders subsidie ontvangen om circa 50.000 gratis scholingstrajecten aan te bieden aan werkenden en werkzoekenden. Het voornemen is medio 2021 opnieuw een aanvraagtijdvak te openen voor een nieuwe ronde scholingstrajecten. In dit tweede aanvraagtijdvak is € 30 miljoen beschikbaar, waarmee naar verwachting ruim 80.000 scholingstrajecten beschikbaar komen. In november 2020 was verder € 17 miljoen beschikbaar voor aanvragen onder categorie C van samenwerkingsverbanden. Eind januari 2021 hebben 11 samenwerkingsverbanden te horen gekregen dat subsidie aan hen is toegekend. Vanaf februari 2021 kunnen werkenden en werkzoekenden zich weer inschrijven voor een gratis scholingstraject.

  • c) NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk (onderhavige regeling, looptijd 2021).

    Met de regeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk tenslotte kunnen sectorale samenwerkingsverbanden van werkgevers-, werknemersorganisaties en andere betrokken partijen door middel van een subsidieverzoek binnen de desbetreffende sector(en) ondersteuning bieden voor het behouden van werk en het vinden van ander werk. Daarbij kan het gaan om het aanbieden van een viertal activiteiten, namelijk ontwikkeladvies, scholing, EVC of begeleiding naar ander werk. De activiteiten kunnen zowel uitgevoerd worden door partijen binnen het samenwerkingsverband als door externe aanbieders.

2. Inhoud regeling

2.1 Algemeen

Bij de vormgeving van de regeling staan eenvoud, flexibiliteit en toegankelijkheid voor sectoren en ruimte voor maatwerk aan individuen centraal. Daarnaast is ervoor gekozen waar mogelijk aan te sluiten bij de andere onderdelen van de subsidieregeling NL leert door, zodat de regeling op een zo kort mogelijke termijn in werking zou kunnen treden. In het navolgende wordt de inhoud van de regeling beschreven.

2.2 Doel en doelgroep

Zoals ook in paragraaf 1 is genoemd is de arbeidsmarkt door de gevolgen van het coronavirus volop in beweging. Dit heeft grote gevolgen voor werkenden. Onder meer in de brief aan de Tweede Kamer van 23 september 2020 is beschreven dat de inzet van het kabinet erop is gericht dat zoveel mogelijk mensen direct van de ene baan naar de andere gaan, zonder in een uitkering terecht te komen. Daartoe zijn meerdere maatregelen aangekondigd en is onder meer de € 71,5 miljoen, inclusief uitvoeringskosten, beschikbaar gesteld voor samenwerkingsverbanden om met cofinanciering maatwerktrajecten aan te bieden aan werkenden die dreigen hun baan te verliezen. Dit wordt met deze regeling geregeld.

Het doel van de regeling is werkenden die dreigen hun baan te verliezen waar nodig te ondersteunen in het behouden van werk of het vinden van ander werk. Hierbij kan gedacht worden aan werkenden bij bedrijven die grootschalig worden gereorganiseerd of in branches waar de werkgelegenheid door de coronacrisis sterk is teruggelopen. Op grond van de regeling kunnen samenwerkingsverbanden van sectoren, werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, O&O-fondsen en andere betrokkenen subsidie aanvragen waarmee zij trajecten kunnen aanbieden aan deze doelgroep.

2.3 Subsidiabele activiteiten

In de regeling worden vier subsidiabele activiteiten genoemd waarmee maatwerktrajecten kunnen worden vormgegeven, namelijk a) ontwikkeladvies, b) begeleiding naar beroepen en sectoren waar kansen liggen, c) scholing en d) EVC. Om in te spelen op de verschillende ondersteuningsbehoeften van het individu kunnen deze activiteiten in verschillende combinaties binnen één traject worden ingezet. Waar de één voldoende is geholpen met alleen een ontwikkeladvies, heeft de ander bijvoorbeeld scholing en meer begeleiding nodig om door te stromen naar ander werk. In deze behoefte aan maatwerk wordt daarom voorzien. Per deelnemer kan één traject worden aangeboden en dat traject kan zoals beschreven bestaan uit één of meerdere activiteiten waarbij alle combinaties van de vier activiteiten (a t/m d) denkbaar zijn. Zo kan bijvoorbeeld de activiteit scholing en de activiteit EVC binnen één traject worden aangeboden aan een deelnemer. Daarbij geldt dat binnen één traject per categorie activiteiten elke activiteit één keer kan worden aangeboden, behoudens de activiteit scholing waarvoor een maximum geldt van drie scholingsactiviteiten binnen één traject. Hierna worden de vier verschillende activiteiten beschreven en wordt aangegeven welke subsidiebedragen daarbij horen.

a. Activiteit ondersteuning via ontwikkeladvies

Samenwerkingsverbanden kunnen subsidie aanvragen voor het aanbieden van ontwikkeladviezen. Daarbij moet het gaan om een integraal en persoonlijk advies, dat erop is gericht het bewustzijn over de noodzaak van reflectie op de loopbaan te stimuleren en waarmee voor een deelnemer een reëel beeld van het toekomstperspectief op de arbeidsmarkt of in het huidige werk ontstaat, resulterend in een ontwikkelplan. Daarmee wordt aangesloten bij de definitie zoals opgenomen in de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies. De voorwaarden die aan de loopbaanadviseur worden gesteld zijn eveneens hetzelfde als in de genoemde regeling. Daarbij gaat het onder meer om de volgende eisen:

  • De loopbaanadviseur heeft een mens- of organisatiegerichte opleiding afgerond op minimaal hbo-niveau, of minimaal een hbo-opleiding in een andere richting afgerond en aanvullende mens- of organisatiegerichte cursussen en trainingen afgerond.

  • De loopbaanadviseur heeft minimaal jaar relevante werkervaring en verklaart zich te houden aan de gedragscode in bijlage 1 (gelijk aan bijlage bij de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies).

Hierbij geldt dat de loopbaanadviseur wordt geacht aan de hierboven genoemde eisen te voldoen als hij gecertificeerd is door NOLOC als NOLOC-gecertificeerde loopbaanprofessional.

Het subsidiebedrag per loopbaanadvies bedraagt € 560 per afgerond ontwikkeladviestraject. Dit bedrag is afgeleid van de waarde van € 700 voor ontwikkeladviezen zoals opgenomen in de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies. Het bedrag is gezien de keuze voor cofinanciering (zie ook paragraaf 2.5) echter verlaagd met 20 procent.

b. Activiteit begeleiding naar ander werk

Een samenwerkingsverband kan subsidie aanvragen voor het aanbieden van ondersteuning en begeleiding bij het vinden van ander werk. Deze begeleiding kan coachend, organiserend of meer bemiddelend zijn.

Om voldoende ruimte te bieden om de begeleiding af te stemmen op de behoeften van het individu worden twee verschillende normen gehanteerd, zodat zowel wat lichtere als wat zwaardere begeleidingsactiviteiten onder deze categorie kunnen vallen. Voor lichtere begeleidingsactiviteiten wordt uitgegaan van 5 uur begeleiding, met een daarbij behorend subsidiebedrag van € 400. Voor zwaardere begeleidingsactiviteiten wordt uitgegaan van 10 uur begeleiding aan de deelnemer, met een daarbij behorend subsidiebedrag van € 800. Wegens de keuze voor cofinanciering moet de werkelijke waarde van het traject € 500 respectievelijk € 1.000 bedragen.

c. Activiteit scholing

Subsidie kan worden aangevraagd voor het aanbieden van scholing. Subsidiabel is scholing die voldoet aan de volgende eisen:

  • Het scholingsaanbod is gecertificeerd of van een keurmerk voorzien, zoals bedoeld in artikel 8, derde lid.

  • De scholing is arbeidsmarktrelevant, waaronder ook opleidingen vallen die gericht zijn op de arbeidsmarkt. In het aanvraagformulier moet de aanvrager verklaren dat de aan te bieden scholing aan deze voorwaarde voldoet. Onder meer collegiale scholing, leverancier trainingen, bijvoorbeeld voor de besturing van specifieke machines, lifestylecursussen als mindfulness vallen in ieder geval niet onder de definitie ‘scholing’ zoals gehanteerd in deze regeling en komen dus niet in aanmerking voor subsidie.

  • De scholing is gericht op het verkrijgen van ander werk voor de deelnemer.

  • Scholing wordt aangeboden door een partij die onderdeel uitmaakt van het samenwerkingsverband of wordt extern ingekocht door het samenwerkingsverband. Wanneer de scholing extern wordt ingekocht geschiedt dit via een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure. In geval de kosten meer bedragen dan € 50.000 geschiedt dit door een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes worden aangevraagd en beoordeeld door de subsidieaanvrager.

  • De scholing heeft afhankelijk van het aan te vragen subsidiebedrag een aantoonbare waarde van ten minste een bedrag van € 150, € 500 respectievelijk € 1.250 euro. Zie ook hieronder voor de subsidiebedragen.

  • De scholing is door de desbetreffende opleider eerder, dat wil zeggen in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de publicatie van deze regeling aangeboden.

Verder is vereist dat de subsidieaanvrager in de subsidieaanvraag de doelstellingen omschrijft waarbinnen de scholing moet passen en dat per categorie scholing waarvoor subsidie wordt aangevraagd één of meerdere voorbeelden worden gegeven van concrete scholing die daar in ieder geval onder zal vallen.

Bij de einddeclaratie dient de subsidieaanvrager de volgende documenten te kunnen overleggen:

  • In geval scholing extern is ingekocht, een factuur van deze scholing.

  • In geval scholing door een partij binnen het samenwerkingsverband wordt aangeboden een bewijs van vrijstelling van betrokken opleider en een daarbij behorende financiële verantwoording ten aanzien van diens vrijstelling, de besteding van het vrijvallende bedrag en de toedeling van het betrokken subsidiebedrag.

  • Een bewijs van betaling waaruit volgt dat de gefactureerde scholing is betaald.

  • Een bewijs van afronding per deelnemer.

Om voldoende ruimte te bieden aan verschillen in omvang en kosten van scholingsactiviteiten zijn drie verschillende prijsklassen opgenomen, vergelijkbaar met de regeling NL leert door met inzet van scholing. Voor alle prijsklassen geldt dat ook hier wordt uitgegaan van cofinanciering, waardoor het daadwerkelijke subsidiebedrag 20 procent lager is vastgesteld dan de minimale waarde van de scholing.

  • Scholing categorie C 1: € 60 subsidie voor (basis)scholing die niet onder categorie C 2 tot en met C 4 valt.

  • Scholing categorie C 2: € 120 subsidie voor korte cursussen, online scholing of bijvoorbeeld oriëntatie op een andere sector, bij een waarde van ten minste € 150.

  • Scholing categorie C 3: € 400 subsidie onder meer voor korte cursussen inclusief praktische trainingen, bij een waarde van ten minste € 500.

  • Scholing categorie C 4: € 1.000 subsidie voor omvangrijkere (om)scholingstrajecten, bij een waarde van ten minste € 1.250.

d. Activiteit erkennen van eerder Verworven Competenties (EVC)

Evenals op grond van de regeling NL leert door met inzet van scholing kan subsidie worden aangevraagd voor het aanbieden van een EVC-procedure. Hieronder wordt verstaan: een methodiek voor het erkennen van verworven competenties op basis van een landelijk erkende standaard waarbij de deelnemers een ervaringscertificaat kunnen ontvangen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de landelijk erkende mbo en ho onderwijsstandaarden (crebo en croho) of landelijk erkende branche standaarden. Het subsidiabele bedrag dat een samenwerkingsverband ontvangt bedraagt € 1.000 subsidie per EVC-traject, bij een waarde van ten minste € 1.250. Ook hier geldt dus de impliciete cofinanciering van 20 procent.

2.4 Subsidieaanvragers en compartimenten

De regeling is primair bedoeld voor overschotsectoren, maar kan ook worden aangevraagd door tekortsectoren die ondersteuning kunnen gebruiken bij het vinden van nieuw personeel. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend door een samenwerkingsverband van sectoren, werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, brancheorganisaties, O&O fondsen en andere betrokkenen. De hoofdregel is dat een aanvraag paritair moet zijn. Dat wil zeggen dat zowel een werkgevers- als een werknemersorganisatie onderdeel moet uitmaken van het samenwerkingsverband, ter bevestiging dat de aanvraag breed gedragen is binnen de desbetreffende sector. Wanneer een gezamenlijk ondertekende aanvraag niet mogelijk is of anderszins ontbreekt, moet de aanvraag voor een advies worden voorgelegd aan de Stichting van de Arbeid. Met een marginale toets bij de achterban van de werkgevers- en werknemersorganisaties gaat de Stichting van de Arbeid na of er voor die aanvraag voldoende draagvlak is. Wanneer hiervan sprake is kan de niet-paritaire subsidieaanvraag met een verklaring van de Stichting van de Arbeid beoordeeld worden door Uitvoering van Beleid. De verklaring wordt bij voorkeur meteen bij de subsidieaanvraag gevoegd. Mocht dat onverhoopt niet mogelijk zijn, dan bestaat er nog tot 22 maart 17.00 uur de mogelijkheid om de verklaring alsnog bij de aanvraag te voegen.

Om de uitvoerbaarheid beheersbaar te houden en de regeling toegankelijk te maken voor zowel aanvragen van kleine als grote sectoren wordt het beschikbare budget van € 70 miljoen verdeeld over twee compartimenten. Er is een totaalbedrag van € 14 miljoen beschikbaar voor kleinere aanvragen met een subsidiebedrag tussen de € 300.000 en € 1 miljoen. Daarnaast is € 56 miljoen beschikbaar voor grotere aanvragen van een bedrag van € 1 tot en met € 5 miljoen. Indien na afloop van het aanvraagtijdvak blijkt dat binnen één van beide compartimenten sprake is van onderuitputting, wordt het in het andere compartiment eventueel resterende budget naar dit compartiment overgeheveld.

2.5 Cofinanciering

Bij het subsidiebedrag wordt rekening gehouden met een cofinanciering van minimaal 20 procent door het samenwerkingsverband. Dat is niet expliciet in de regeling vastgelegd, maar vloeit voort uit het verschil tussen een subsidiebedrag per activiteit en de vereiste waarde van de desbetreffende activiteit. Deze opzet sluit aan bij de wijze waarop dit is geregeld in de tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing. Door cofinanciering als voorwaarde op te nemen voor subsidieverstrekking wordt gestimuleerd dat de partijen in het samenwerkingsverband zelf ook investeren in de verschillende subsidiabele activiteiten. Geregeld is dat de afzonderlijke activiteit die aan een deelnemer wordt aangeboden een minimale waarde moet hebben. Door te regelen dat het subsidiabele bedrag 20 procent lager is dan de minimale waarde van de activiteit wordt per activiteit een eigen bijdrage van het samenwerkingsverband vereist. Aanvullend wordt cofinanciering vanuit de samenwerkingsverbanden verondersteld voor organiserend vermogen en overhead. Deze kosten zijn niet subsidiabel en komen dus voor rekening van het samenwerkingsverband. Dit geldt ook voor de kosten die noodzakelijk zijn om een inschatting te kunnen maken van de ondersteuningsbehoefte binnen de betreffende sector om tot een reële subsidieaanvraag voor activiteiten te komen. Dit is redelijk aangezien de veronderstelde cofinanciering per activiteit relatief laag is.

2.6 Aanvraag
Aanvraagtijdvak en startmoment activiteiten

Subsidieaanvragers kunnen vanaf 15 maart 2021, 9.00 uur tot en met 26 april 2021, 17.00 uur, (Europees-)Nederlandse tijd een subsidieaanvraag indienen.

Subsidie kan worden aangevraagd voor activiteiten die zijn gestart vanaf de dag na publicatie van deze regeling. Hier is op verzoek van sociale partners voor gekozen om de samenwerkingsverbanden de mogelijkheid te geven zo snel mogelijk te beginnen met aanbieden van de maatwerktrajecten. Samenwerkingsverbanden kunnen dus overwegen om meteen de dag na publicatie van de regeling te starten met de uitvoering van de activiteiten in plaats van te wachten tot het moment van subsidieverlening. Hieraan kleeft overigens het belangrijke risico dat aanspraak op subsidie pas vaststaat op het moment van subsidieverlening. Toekenning van de subsidie vooraf is dus niet gegarandeerd. Zo is denkbaar dat bij snelle uitputting van de regeling niet alle aanvragen kunnen worden toegekend of dat bij de beoordeling blijkt dat de subsidieaanvraag niet aan de voorwaarden blijkt te voldoen. Het risico hiervan ligt bij het samenwerkingsverband.

Aanvraagprocedure (niet-)paritaire aanvragen

Samenwerkingsverbanden van sectoren, werkgevers- en werknemersorganisaties, O&O-fondsen en andere betrokkenen kunnen een subsidieaanvraag indienen. Hoofdregel is dat sprake is van een paritaire aanvraag en deze dus op draagvlak kan rekenen van zowel werkgevers als werknemers. De betrokkenheid van sociale partners krijgt in principe vorm via een gezamenlijke aanvraag voorzien van een gezamenlijk gedragen analyse. In gevallen waar een gezamenlijk ondertekende aanvraag niet mogelijk is of anderszins ontbreekt is het met een verklaring van de Stichting van de Arbeid inhoudende dat de aanvraag bij beide partijen op voldoende draagvlak kan rekenen toch mogelijk voor subsidie in aanmerking te komen. Daarvoor is vereist dat bij de subsidieaanvraag de verklaring van de Stichting van de Arbeid wordt meegestuurd. Subsidieaanvragers die in de periode van 15 tot en met 22 maart een niet-paritaire subsidieaanvraag hebben ingediend zonder de verklaring van de Stichting van de Arbeid hebben nog tot en met 22 maart 2021, 17.00 uur (Europees-)Nederlandse tijd, de mogelijkheid deze verklaring bij hun aanvraag te voegen zonder dat dit gevolgen heeft voor hun beoordelingspositie. Wordt een niet-paritaire subsidieaanvraag na 22 maart 2021, 17.00 uur (Europees-)Nederlandse tijd, ingediend zonder verklaring van de Stichting van de Arbeid, dan wordt deze aanvraag beschouwd als onvolledig. Wordt de verklaring vervolgens na 22 maart 2021, 17.00 uur (Europees-)Nederlandse tijd, alsnog toegevoegd aan de subsidieaanvraag, dan is het moment waarop de aanvraag wordt aangevuld met de verklaring van de Stichting van de Arbeid bepalend voor de beoordelingsvolgorde.

2.7 Rangschikking, vaststelling en betaling

De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst van volledige aanvragen. De subsidieaanvraag wordt na ontvangst gecontroleerd op volledigheid. Ook wordt gecontroleerd of de aanvraag en de bijlagen voldoen aan de in de regeling gestelde eisen.

Uitvoering van Beleid (UVB) is belast met de uitvoering van deze regeling en zal de subsidieaanvragen beoordelen. De beslissing over een subsidieaanvraag wordt zo snel mogelijk genomen, maar uiterlijk binnen 13 weken. Wordt de subsidie verleend dan ontvangt de subsidieontvanger bij de verleningsbeschikking een voorschot ter hoogte van 60 procent van het toegekende subsidiebedrag. Er is gekozen te werken met een voorschot omdat van subsidieaanvragers wordt verwacht dat zij grote aantallen deelnemers een traject aan zullen bieden. Om dit daadwerkelijk te kunnen realiseren wordt een voorschot verstrekt van 60 procent van het toegekende subsidiebedrag.

Subsidieaanvragers dienen in hun aanvraag een realistische inschatting te maken van de subsidiabele kosten. Wanneer bij het controleren van de aanvraag tot subsidievaststelling blijkt, dat minder dan 60 procent van het aantal activiteiten, zoals vermeld in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, en dit tekort aan gerealiseerde activiteiten naar het oordeel van de minister de subsidieaanvrager kan worden aangerekend, kan het subsidiebedrag op nihil worden vastgesteld.

Wanneer de subsidieontvanger voorziet dat minder dan 60 procent van het aantal activiteiten zoals vermeld in de beschikking tot subsidieverlening zal worden gerealiseerd, kan tot uiterlijk 3 maanden na de beschikking tot subsidieverlening, een verzoek tot wijziging van het besluit tot subsidieverstrekking worden ingediend. Als zo’n wijzigingsverzoek is ingewilligd, ontvangt de subsidieontvanger een wijzigingsbeschikking. Na drie maanden gerekend vanaf het moment van subsidieverlening kan het totale subsidiebedrag niet meer worden bijgesteld, maar kan er nog wel in de verdeling tussen de verschillende activiteiten worden geschoven, bijvoorbeeld als blijkt dat de vraag naar het ene type activiteit, zoals ontwikkeladviezen, hoger is terwijl de vraag naar het andere type activiteit, zoals scholing, lager is dan vooraf beoogd.

De subsidieontvanger ontvangt alleen subsidie voor afgeronde activiteiten. Na afloop van de periode waarin de activiteiten zijn ontplooid, moet de subsidieontvanger een verzoek tot subsidievaststelling indienen. Dit verzoek tot vaststelling moet uiterlijk drie maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend worden ingediend. Om voldoende tijd en gelegenheid te hebben om de aanvraag tot subsidievaststelling voor te bereiden, alle stukken daartoe in orde te brengen en de gevraagde overzichten gereed te hebben, is bepaald dat een subsidieontvanger alleen subsidie kan krijgen voor activiteiten die zijn afgerond met een bewijs van deelname. De activiteiten moeten zijn afgerond binnen 1 jaar gerekend vanaf het moment van subsidieverlening. Het bewijs van deelname dient uiterlijk 1 jaar gerekend vanaf het moment vanaf subsidieverlening zijn verstrekt. Na ontvangst van het verzoek tot subsidievaststelling wordt zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 22 weken na ontvangst van het verzoek, een beslissing genomen over de subsidievaststelling.

Tenslotte is bij elke einddeclaratie een controleverklaring van een accountant vereist. Uit de administratie zal dus moeten blijken welke activiteiten zijn uitgevoerd door middel van het opnemen van een factuur, betaalbewijs, vrijgevallen gelden in verband met intern ingeschakelde opleider of andere verzorger van activiteiten etc.

2.8 Administratieve lasten, verantwoording en dossiervorming

In de uitwerking van de regeling is getracht de administratieve lasten voor de subsidieontvangers zo laag mogelijk gehouden. De documenten en informatie die bij de subsidieaanvraag en bij het verzoek tot subsidievaststelling moeten worden verstrekt zijn daarom tot een minimum beperkt. Dit ontslaat de subsidieontvanger er niet van de rechtmatigheid van de verstrekte subsidies desgevraagd aan te tonen aan de uitvoerder van de subsidieregeling.

Bij het verzoek tot vaststelling moet de subsidieaanvrager gegevens overhandigen over de afgeronde activiteiten. Daarnaast moet een lijst met BSN van de deelnemers en een door een accountant opgestelde controleverklaring (inclusief een rapport van feitelijke bevindingen) worden opgestuurd. De kosten voor een accountantsverklaring zijn niet subsidiabel binnen de regeling.

Tot slot moeten de subsidieontvangers een evaluatieverslag van de uitgevoerde activiteiten verstrekken. SZW/UVB heeft de bevoegdheid te controleren en maatregelen te nemen om fraude of oneigenlijk gebruik te voorkomen en op te sporen. De subsidieontvanger moet er zorg voor dragen dat er een deugdelijke administratie wordt bijgehouden, op basis waarvan gecontroleerd kan worden of een activiteit is afgerond en aan alle voorwaarden is voldaan. In een daartoe bestemd elektronisch formulier op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl is opgenomen aan welke administratievoorschriften de subsidieontvanger moet voldoen. Het bijhouden van een goede administratie is mede van belang ten behoeve van de evaluatie, waarbij delen uit de administratie mogelijk voor dat doel worden opgevraagd.

2.9 Aansluiting andere regelingen

De regeling sluit aan op andere maatregelen uit het sociaal pakket van € 1,4 miljard gericht op passende begeleiding bij het zoeken naar (nieuw) werk of het behouden van werk. Zoals ook in de inleiding is beschreven, vormt deze regeling de derde regeling binnen NL leert door. Met deze drie tijdelijke subsidieregelingen is, in reactie op de gevolgen van de coronacrisis voor de arbeidsmarkt, een samenhangend pakket ontwikkeld gericht op het behoud van huidig werk of om aansluiting te vinden bij toekomstig werk. Dit pakket is in drie regelingen onderverdeeld om in de verschillende behoeften te kunnen voorzien. De regelingen verschillen van elkaar in zowel type ondersteuning als de wijze waarop de doelgroep heeft bereikt en vullen elkaar daarmee goed aan.

Wanneer de ondersteuning vanuit deze regeling niet voldoende is om mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt te begeleiden naar werk, dan komt het regionale mobiliteitsteam in actie. Doordat sociale partners zowel in de sector als in de regio zijn vertegenwoordigd, is er een snelle overdracht mogelijk om via de mobiliteitsteams intensieve dienstverlening te bieden richting werk.

In het geval begeleiding uit deze regeling leidt tot een overstap naar een tekortsector, kan de ontvangende werkgever voor de benodigde omscholing van de nieuwe werknemer een beroep doen op de regeling voor intersectorale omscholing van het ministerie van EZK. Voor de omscholing naar de techniek- en ICT-sector zijn vaak intensievere trajecten nodig. Daarom wordt in de regeling van het ministerie van EZK maximaal € 3.750 subsidie beschikbaar gesteld voor omscholingstrajecten van ten minste € 7.500.

3. Gebruik van het Burgerservicenummer (BSN)

In de regeling is opgenomen dat het BSN van deelnemers wordt verwerkt ten behoeve van het kunnen verstrekken van subsidie waarmee de activiteiten kosteloos aan de deelnemer kunnen worden aangeboden. Het verwerken van het BSN is nodig om deelnemers te kunnen identificeren, te kunnen vaststellen of een deelnemer behoort tot de doelgroep van de regeling en om te kunnen vaststellen of deze deelnemer met dit BSN heeft deelgenomen aan activiteiten binnen het maximaal aantal mogelijk te volgen activiteiten. Tenslotte wordt het BSN gebruikt ten behoeve van de evaluatie. De verwerking van het BSN wordt in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming beperkt tot deze doeleinden. De deelnemer wordt gevraagd een formulier (opgenomen in bijlage 5) te ondertekenen. Daarmee geeft de deelnemer aan kennis te hebben genomen van de reden waarom en de wijze waarop het BSN wordt gebruikt. Personen kunnen niet worden verplicht hun BSN te verstrekken. Het niet verstrekken van het BSN heeft echter wel tot gevolg dat de activiteit niet kosteloos aan de desbetreffende persoon kan worden aangeboden.

4. Toepassing Caribisch Nederland

De regeling is van toepassing op zowel het Europese deel van Nederland als op Caribisch Nederland. Dit betekent dat trajecten ook kunnen worden aangeboden aan deelnemers die woonachtig zijn in Caribisch Nederland. Voor deelnemers uit Caribisch Nederland geldt dat wanneer zij geen BSN hebben, het CRIB-nummer van de deelnemer moet worden opgegeven. Partijen die gevestigd zijn in Caribisch Nederland kunnen onder dezelfde voorwaarden als partijen die zijn gevestigd in het Europese deel van Nederland onderdeel uitmaken van een samenwerkingsverband en voor subsidie in aanmerking komen.

5. Uitvoering, handhaving en evaluatie

5.1 Uitvoerbaarheid

De regeling wordt namens de minister uitgevoerd door UVB, onderdeel van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. UVB heeft ruime ervaring met het uitvoeren van subsidieregelingen en beschikt over de expertise die hiervoor nodig is. Zo is UVB onder meer belast met de uitvoering van de tijdelijke subsidieregelingen NL leert door met inzet van ontwikkeladvies en NL leert door met inzet van scholing. De regeling is door UVB beoordeeld op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. UVB acht de regeling uitvoerbaar en handhaafbaar.

5.2 Misbruik, oneigenlijk gebruik en handhaving

Bij de uitwerking van deze regeling is nadrukkelijk gekeken naar mogelijke risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik. Er zijn verschillende maatregelen in de regeling opgenomen om deze risico’s zo veel mogelijk te beperken. Zo wordt cofinanciering gevraagd en is bijvoorbeeld bij de activiteit scholing vereist dat de scholing in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de publicatie al werd aangeboden door dezelfde opleider

5.3 Monitoring en evaluatie

Om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling te onderzoeken, wordt het gehele pakket NL leert door gemonitord en geëvalueerd. In 2021 wordt hiermee gestart. De monitor heeft betrekking op de financiële realisatie. De effectenevaluatie richt zich op het vaststellen van de doeltreffendheid en effecten van de regeling. Teneinde de evaluatie te kunnen uitvoeren moeten gegevens van de deelnemer (BSN en e-mailadres) worden bijgehouden.

6. Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de vijf cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is voldaan. Deze criteria zijn voor deze regeling beoordeeld en de conclusie is dat de subsidieverstrekking op basis van deze regeling niet kan worden aangemerkt als staatssteun. De maatregel leidt namelijk niet tot (potentiële) vervalsing van de mededinging en een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten.

Een samenwerkingsverband kan uitsluitend voor zover het zelf subsidiabele activiteiten zou uitvoeren als onderneming gekwalificeerd worden en mogelijk voordeel ontvangen. Wanneer een samenwerkingsverband zelfstandig activiteiten zou uitvoeren ten behoeve van derden die mogelijk ook door andere (commerciële) aanbieders zouden kunnen worden aangeboden, dienen risico’s ten aanzien van staatssteun te worden ingeperkt. In de regeling is daarom opgenomen dat de in dit verband gehanteerde uurtarieven conform de Handleiding Overheidstarieven van de Rijksoverheid moeten zijn. Daarmee wordt voorkomen dat marktwerking wordt verstoord, nu deze tarieven marktconform zijn. Bovendien kunnen in beginsel alle aanbieders van beoogde activiteiten zich aansluiten bij een samenwerkingsverband, waarbij kan worden opgemerkt dat ten minste één werknemersorganisatie en één werkgeversorganisatie onderdeel moet uitmaken van het samenwerkingsverband.7

Een samenwerkingsverband kan ervoor kiezen voor bepaalde subsidiabele activiteiten, zoals scholing, externe partijen in te schakelen. Deze externe partijen zullen in de regel kwalificeren als ondernemingen, waarbij een voordeel al snel selectief zal zijn. De inschakeling van dergelijke externe partijen heeft echter geen marktverstorend effect aangezien de marktconformiteit van de inschakeling van deze externen is geborgd. In de regeling is namelijk opgenomen dat voor externe opdrachten de marktconformiteit van kosten wordt beoordeeld aan de hand van a) een transparantie, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure, of b) een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de subsidieaanvrager indien de kosten meer bedragen dan € 50.000. Het is aan de hoofdaanvrager om ervoor te zorgen dat de prijs voor externe opdracht marktconform is. Kosten die niet marktconform zijn komen niet voor subsidie in aanmerking.

Hierbij komt dat, zoals ook in paragraaf 1 van deze toelichting is aangegeven, NL leert door een samenhangend pakket is van drie tijdelijke subsidieregeling gericht op het behoud van huidig werk of om aansluiting te vinden bij toekomstig werk, in reactie op de gevolgen van de coronacrisis voor de arbeidsmarkt. Het uitgangspunt hierbij is dat mensen, afhankelijk van hun positie en behoefte, ondersteuning kunnen krijgen. Niet iedereen heeft daarbij dezelfde ondersteuning of middelen nodig. Om in de verschillende behoeften te voorzien is het pakket NL leert door onderverdeeld in drie regelingen die onderscheidend zijn in zowel het type ondersteuning (ontwikkeladvies/scholing/begeleiding naar ander werk) als de wijze waarop de doelgroep wordt bereikt (direct aan te vragen door het individu via een aanbieder/via de sectororganisatie of werkgever). Belangrijk daarbij is dat op grond van de eerste twee regelingen, NL leert door met inzet van ontwikkeladvies en NL leert door met inzet van scholing alle aanbieders van ontwikkeladvies en scholing, die aan de genoemde kwaliteitseisen voldoen, in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Beleidsmatig dragen deze twee regelingen bij aan de beleidsdoelstellingen om arbeidsmarktondersteuning te bieden in reactie op de coronacrisis, maar zijn naar het oordeel van het kabinet op zich niet genoeg om adequaat vanuit de overheid te kunnen reageren op de ernstige gevolgen die zich momenteel op de arbeidsmarkt voordoen.

Beide regelingen veronderstellen een zekere mate van zelfredzaamheid van het individu om bij dreigende werkloosheid zelf op zoek te gaan naar ondersteuning. Gedragswetenschappelijk onderzoek laat zien dat met name in stressvolle periodes mensen moeite kunnen hebben om grote stromen informatie te kunnen verwerken en filteren en bestaat de kans dat een deel van de doelgroep de eerder genoemde regelingen Ontwikkeladvies en Scholing niet heeft weten te vinden.8 Daarnaast is uit het onderzoek over Leven lang ontwikkelen bekend dat de motivatie en zelfredzaamheid van een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking onvoldoende is om zelfstandig met de eigen loopbaan aan de slag te gaan.9 Ook is bekend dat mensen het gemakkelijkst aan de slag gaan met scholing en hun ontwikkeling als zij daarbij ondersteund worden vanuit de werksituatie.10 Als laatste is bij werkgevers en sectorale organisaties kennis aanwezig over welke werkenden binnen de sector het grootste risico lopen om werkloos te worden én welke werknemers bij de overgang ondersteuning kunnen gebruiken.

Deze inzichten leiden tot de beleidsmatige noodzaak om intermediaire sectorale organisaties in te zetten bij de ondersteuning die nodig is bij het behoud en de overgang naar ander werk, omdat zij kennis hebben van de sectorale arbeidsmarkt en zicht hebben op werkenden die met werkloosheid worden bedreigd en ondersteuning kunnen gebruiken. De expertise die bij sectorale samenwerkingsverbanden aanwezig is, is van groot belang voor een adequate crisisondersteuning op de arbeidsmarkt. Om die reden wordt met de subsidieregeling NL leer door met inzet van sectoraal maatwerk beoogd om subsidie beschikbaar te stellen voor gerichte ondersteuning vanuit sectorale samenwerkingsverbanden.

7. Gevolgen voor de regeldruk

Aan het indienen van een aanvraag zijn verschillende verplichte en veronderstelde administratieve lasten verbonden. Hieronder is een overzicht met ramingen van de verschillende kosten opgenomen. Voor de berekening van de regeldrukkosten is uitgegaan van 65 aanvragen door sectorale samenwerkingsverbanden.

Tabel 1 Schatting regeldrukkosten

Taak

Uurtarief

Eenheid (uren)

Kosten per samenwerkingsverband

Kosten alle samenwerkingsverbanden

Kennisnemingskosten

€ 54

1

€ 54

€ 3.510

Samenwerkingsovereenkomst

€ 77

8

€ 616

€ 40.040

Sectoranalyse en activiteitenplan

€ 54

12

€ 648

€ 42.120

Invullen elektronisch aanvraagformulier

€ 54

0,5

€ 27

€ 1.755

Invullen elektronisch formulier verzoek tot vaststelling subsidie

€ 54

0,5

€ 27

€ 1.755

Verslag van de uitgevoerde activiteiten

€ 54

8

€ 432

€ 28.080

Overzicht van de kosten per activiteit

€ 54

8

€ 432

€ 28.080

Dossier opbouw / Inrichten administratie

€ 54

20

€ 1.080

€ 70.200

Accountantskosten

€ 200

20

€ 4.000

€ 260.000

Totale regeldrukkosten

     

€ 475.540

De regeling is voorgelegd voor toetsing op regeldruk aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat de gevolgen voor de regeldruk toereikend in beeld zijn gebracht

8. Financiële gevolgen

De middelen voor deze subsidieregeling zijn afkomstig uit het aanvullend sociaal pakket. In totaal is door het kabinet € 71,5 miljoen, inclusief uitvoeringskosten, beschikbaar gesteld voor deze regeling.

Voor de uitvoeringskosten en de monitoring en evaluatie is een bedrag van € 1,5 miljoen gereserveerd. Daarmee is het totaal voor subsidie beschikbare bedrag € 70 miljoen.

9. Inwerkingtreding

Inwerkingtreding van deze regeling is voorzien op 15 maart 2021. In de aanloop naar de inwerkingtreding is het voor bedrijven, organisaties en instellingen mogelijk zich voor te bereiden. Dat is mogelijk door het inzetten op aansluiting bij en vorming van samenwerkingsverbanden, de voorbereiding op in te zetten activiteiten en het overigens voorbereiden op een aanvraag ten behoeve van hun doelgroep werkenden voor wie deze regeling is bedoeld. Een aanvraag kan worden gedaan vanaf 15 maart 2021 9.00 uur, (Europees-)Nederlandse tijd.

Artikelsgewijze toelichting

Algemeen

Deze subsidieregeling is gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies. Dit betekent dat ook de op die wet gebaseerde Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (Kaderregeling) van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat een aantal zaken niet in deze subsidieregeling is opgenomen, maar te vinden is in de Kaderregeling. Zo is SZW bevoegd om bij terugvordering van ten onrechte betaalde subsidies gemaakte kosten en verschuldigde wettelijke rente in rekening te brengen (artikel 1.8 van de Kaderregeling).

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen, waarbij in verband met de vindbaarheid is gekozen om deze alfabetisch te ordenen. Enkele daarvan worden hier nader toegelicht.

Het gaat in deze regeling om aanvragen voor het aanbieden van de activiteiten ontwikkeladvies, begeleiding, scholing en EVC-procedure. Eén activiteit is het aanbieden van ontwikkeladvies, begeleiding, scholing of een EVC-procedure aan één persoon.

Ontwikkeladvies wordt gegeven door een loopbaanadviseur die aan de relevante eisen voldoet. Deze zijn nader uitgewerkt in artikel 5 en in bijlage 1 en 2 bij deze regeling.

Begeleiding wordt gegeven door een persoon die de relevante kwaliteiten heeft om als begeleider te worden ingezet door een samenwerkingsverband.

Een opleider is een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zich beroepshalve bezig houdt met het geven van scholing.

Degenen die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze regeling zijn samenwerkingsverbanden. Een samenwerkingsverband is een samenwerking tussen ten minste een of meer werknemersorganisaties en een of meer werkgeversorganisaties in een sector of branche. Uit deze partijen moet het samenwerkingsverband ten minste bestaan, maar het kan worden aangevuld met andere organisaties (zie artikel 15). Daarbij kan worden gedacht aan individuele ondernemingen, beroepsorganisaties, brancheorganisaties, een O&O-fonds of kennisinstituut. Dit is geen limitatieve opsomming, ook andere dan genoemde organisaties komen in aanmerking.

Een samenwerkingsverband kan worden gevormd binnen een sector of branche, binnen twee of meer sectoren en tussen branches.

Een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds (O&O-fonds) draagt financieel bij aan de scholing van werknemers in een bepaalde sector. Werkgevers kunnen gebruikmaken van de middelen en diensten van een O&O-fonds. De mogelijkheden en voorwaarden verschillen per sector. Onder het begrip O&O-fonds wordt mede een Arbeidsmarkt- en Opleidingsfonds A&O-fonds verstaan.

Binnen een samenwerkingsverband wordt een partij de hoofdaanvrager en als zodanig wordt deze door de andere partijen gemachtigd de subsidieaanvraag in te dienen en het gehele subsidieproces voor het samenwerkingsverband te doorlopen. Deze machtiging berust op de instemming van alle in het samenwerkingsverband betrokken partijen. De hoofdaanvrager is verder gemachtigd om de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen. De verantwoordelijkheden van de hoofdaanvrager zijn verder uitgewerkt in artikel 16.

Het begrip werkende is ruim gedefinieerd. Het gaat om alle natuurlijke personen die verbonden zijn met de (Caribisch-)Nederlandse arbeidsmarkt en tussen de 18 jaar en de leeftijd, waarop de AOW of AOV ingaat, oud zijn. De doelgroep wordt met name gevormd door personen die vanwege dreigende werkloosheid of een zwakker wordende arbeidsmarktpositie stappen willen zetten op een kansrijke arbeidsmarkt. Hun kansen op de arbeidsmarkt zijn gering doordat zij geschoold zijn, ervaring hebben, of werkzaam zijn in een sector waarin beperkt vraag naar arbeid is tegenover een ruim aanbod van arbeidskrachten. Deze groep personen is heel divers, van nauwelijks of geen ervaring of scholing tot langjarige ervaring. Een situatie waarin sprake is van langjarige ervaring doet zich bijvoorbeeld voor wanneer er voor de werknemer en werkgever concreet zicht is op het niet vrijwillig beëindigen van het lopende dienstverband, anders dan door pensionering. Bij al deze groepen personen gaat het erom dat zij naar verwachting met werkloosheid zullen worden geconfronteerd en daarom aan een activiteit deelnemen. De subsidie die aan het samenwerkingsverband wordt verstrekt, komt geheel ten goede van deze deelnemers. Het samenwerkingsverband beoordeelt welke inzet voor een bepaalde deelnemer of bepaalde groep deelnemers is aangewezen en schakelt daartoe een persoon in die de desbetreffende activiteit kan verrichten. Die persoon is een loopbaanadviseur, een begeleider, een opleider of een EVC-aanbieder.

Artikel 2. Doel en reikwijdte van de regeling

Het hoofddoel van deze regeling is om werkenden, meer specifiek personen voor wie de kansen op de arbeidsmarkt gering zijn en die met werkloosheid worden bedreigd te ondersteunen om nieuwe werkzaamheden te vinden of hun werk te behouden. Deze ondersteuning krijgt vorm via een activiteit of een combinatie van activiteiten. De deelnemers aan deze activiteiten vormen de groep waar deze regeling zich op richt en aan wie de faciliteiten van deze regeling ten goede komt. Al deze faciliteiten vinden plaats met behulp van de subsidie die op grond van deze regeling wordt verstrekt.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten en trajecten

Het aanbieden van ontwikkeladvies, begeleiding, scholing of een EVC-procedure aan werkzoekenden zijn de activiteiten die op grond van deze regeling subsidiabel zijn. Voor deze activiteiten worden loopbaanadviseurs, begeleiders, opleiders en EVC-aanbieders ingeschakeld voor het verrichten van de desbetreffende activiteit die beschikken over de juiste kwalificaties. De vereiste kwalificaties zijn verder uitgewerkt in de artikelen 4, 11 en 12.

Een werkende kan een of meer activiteiten volgen. De activiteiten die deze werkende gaat volgen vormen samen een traject voor deze persoon. In een subsidieaanvraag geeft de subsidieaanvrager aan voor hoeveel trajecten hij subsidie aanvraagt. In een traject kan elke activiteit voor een deelnemer slechts één keer worden opgenomen, behoudens waar het gaat om scholing. In geval van scholing kan het in bepaalde situaties zijn aangewezen dat meer scholingsactiviteiten worden gevolgd. In verband daarmee kunnen in een traject ten hoogste drie scholingsactiviteiten worden opgenomen.

Voorts regelt het tweede lid, onderdeel c, het volgende. Activiteiten worden verricht voor een enkele persoon, maar eveneens is het mogelijk dat meer personen allemaal dezelfde activiteit volgen. Dit zal zich overigens vooral voordoen bij scholing. De andere activiteiten ontwikkeladvies, begeleiding en EVC vinden zo goed als altijd een-op-een plaats.

Activiteiten worden per deelnemer berekend. Als een opleider scholing geeft aan een groep van tien personen, dan vormt dat voor die opleider tien activiteiten. Deze berekening is van belang voor de uitwerking van artikel 10.

In het vierde lid is opgenomen dat een activiteit niet subsidiabel is voor zover de activiteit reeds vanuit overheidswege wordt gefinancierd. Op deze manier wordt dubbele financiering voorkomen.

Van belang is op te merken dat een activiteit pas subsidiabel is als de activiteit is gestart na publicatie van deze regeling. In de algemene toelichting is daar verder op ingegaan. Bedacht moet daarbij worden dat de aanspraak op subsidie pas vaststaat op het moment van subsidieverlening. Verlening van subsidie vooraf is niet gegarandeerd. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen in verband met de regel dat subsidieaanvragen volledig moeten zijn en op volgorde van ontvangst worden behandeld. Het risico bij een vroege start van activiteiten, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling, respectievelijk het moment van subsidieverlening, ligt bij het samenwerkingsverband. Zie ook het algemene deel van deze toelichting.

Artikel 4. Activiteiten ontwikkeladvies

In dit artikel worden de criteria aangegeven waaraan een loopbaanadviseur moet voldoen. Voor een loopbaanadviseur gelden dezelfde eisen en kwaliteitscriteria als zijn omschreven in de Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies11. In bijlage 1 bij deze regeling zijn de gedragsvoorschriften opgenomen waaraan een loopbaanadviseur zich dient te houden.

Artikel 5. Specifieke eisen aan ontwikkeladviesactiviteiten

Aan de activiteiten van de loopbaanadviseur worden specifieke voorwaarden gesteld die zijn uitgewerkt in bijlage 2 bij deze regeling. Deze zijn overeenkomstig hetgeen is beschreven in bijlage I van de Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies. Deze eisen zijn van belang om bij de subsidieaanvraag en later bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie te kunnen vaststellen dat alle relevante werkzaamheden zijn verricht gedurende een bepaald tijdsbeslag. Zo geldt onder meer dat de loopbaanadviseur gesprekken voert met de deelnemer met een tijdsbeslag van in totaal minimaal vier uren. Met deze eisen kan de subsidieaanvrager via zijn administratie aantonen dat de ontwikkeladviesactiviteiten naar de juiste waarde zijn gegeven.

De waarde van een ontwikkeladviestraject moet ten minste € 700,00 zijn. Dit bedrag staat in relatie tot de mate waarin subsidie aan activiteiten op grond van deze regeling wordt verleend. Dat is conform het subsidiebedrag dat in de Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies is opgenomen. Aangezien er in deze regeling wordt uitgegaan van het uitgangspunt van cofinanciering (zie paragraaf 2.5 van de algemene toelichting) is in dit artikel de waarde van het ontwikkeladvies neergelegd en is in artikel 14 de subsidiehoogte neergelegd.

Artikel 6. Activiteiten begeleiding naar ander werk

In dit artikel worden regels gesteld rond de activiteit begeleiding. Begeleiding moet goed worden onderscheiden van ontwikkeladvies enerzijds en scholing anderzijds. Bij begeleiding gaat het om een betrokken werknemer langs meer praktische weg te ondersteunen. Dit, anders dan ontwikkeladvies waar het voor een werkzoekende gaat een weg te vinden op de arbeidsmarkt via vragen (wie ben ik, wat kan ik en wat wil ik) die zijn innerlijke persoon betreffen. Eveneens anders dan scholing waar het gaat om bijvoorbeeld praktische trainingen, zoals een sollicitatietraining.

De begeleiding die door een begeleider wordt gegeven bestaat uit onder meer organiseren, waarmee de werkzoekende op weg wordt geholpen met het gestructureerd ondernemen van stappen en acties. Daarnaast kan de begeleider, vanuit zijn kennis en ervaring, contacten tot stand brengen tussen werkzoekende en personen die de werkzoekende de opstap kunnen bieden naar het volgende werk. De begeleider kan de werkzaamheden in brede zin adviseren over wat nodig of handig kan zijn voor de werkzoekende bij het zetten van stappen. Als coach kan de begeleider de werkzoekende voor hem praktische en handige zaken aanleren of controleerbaar krijgen, bijvoorbeeld onzekerheid en faalangst overwinnen, maar ook het ontwikkelen van communicatieve vaardigheden en vergroten van incasseringsvermogen. Begeleiding wordt gegeven door een persoon die de vaardigheden heeft om een werkzoekende (collega) te ondersteunen met het vinden van de juiste wegen om tot een succesvolle volgende stap in de loopbaan te komen. Begeleiders zullen veelal uit de kringen van het personeelswerk in ruime zin komen. Een begeleider kan of van binnenuit worden ingezet voor begeleidingsactiviteiten, of het betrokken samenwerkingsverband kiest ervoor de begeleiding extern in te huren.

Wordt echter van binnenuit een medewerker ingezet om als begeleider begeleidingsactiviteiten op grond van deze regeling te verzorgen, dan is het aan de betrokken partij binnen het samenwerkingsverband om deze medewerker voor die activiteiten vrij te stellen van zijn reguliere werkzaamheden en hem voor zijn activiteiten overeenkomstig de waarde die daarbij hoort in te schakelen. Bij de verantwoording van de subsidie, zal dit ook uit de administratie dienen te blijken.

Artikel 7. Specifieke eisen per categorie begeleiding

Begeleiding is, evenals de andere activiteiten, gericht op de betrokken deelnemer. Afhankelijk van de behoefte van die deelnemer kan een begeleiding korter of langer duren, dan wel enkele of veel aspecten van begeleiding vergen. Al naar gelang valt de begeleiding uiteen in twee categorieën, waarvan het verschil uitsluitend bestaat in de duur van de begeleiding.

Een licht begeleidingstraject, dat tussen 5 en 10 uur in beslag neemt, is een categorie I-begeleiding die een waarde moet hebben van ten minste € 500,00.

Een intensiever begeleidingstraject dat ten minste 10 uur in beslag neemt, is een categorie II-begeleiding die een waarde moet hebben van ten minste € 1000,00. Aangezien er in deze regeling wordt uitgegaan van het uitgangspunt van cofinanciering (zie paragraaf 2.5 van de algemene toelichting) is in dit artikel de waarde van de begeleiding neergelegd en is in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, de subsidiehoogte van de twee categorieën begeleiding geregeld.

Artikel 8. Activiteiten scholing

Evenals hiervoor gemeld ten aanzien van ontwikkeladvies en begeleiding geldt voor scholing dat impliciete cofinanciering is vereist.

Scholing dient te worden gegeven door een opleider die daartoe over de juiste kwalificaties beschikt. Deze kwalificaties zijn in dit artikel omschreven en komen goeddeels overeen met wat in de regeling NL leert door met inzet van scholing is vermeld (artikel 5). Voorts is, afgezien van scholing categorie C 1, de kortste scholing (categorie C 2) iets specifieker omschreven. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 9.

Er zijn, evenals in genoemde regeling een aantal voorwaarden gesteld aan de scholingsactiviteiten. Om te beginnen geld dat de scholing van een keurmerk, certificaat of kwalificatie is voorzien. Deze staan vermeld in het derde lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.

De scholing moet arbeidsmarktrelevant zijn. De scholing zal voor de deelnemer moeten resulteren, met behulp van een bewijs van afronding, in een nieuwe stap in zijn loopbaan. De scholing moet voorts zijn de kwalificeren binnen een van de categorieën die in artikel 9 zijn opgenomen.

Verder is in het derde lid, onderdeel e, als eis opgenomen dat de scholing in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de publicatie van deze regeling al werd aangeboden. Scholing dient te worden afgesloten met een bewijs van afronding. Het bewijs van afronding is maatwerk, in die zin dat het afhankelijk is van de aard van de scholing welke vorm een dergelijk bewijs heeft. Evenals in de eerdere regeling NL leert door met inzet van scholing zijn mogelijke vormen van deelnamebewijzen een bewijs waarop is aangetekend dat de werkzoekende heeft deelgenomen, een diploma, een getuigschrift of certificaat, of enig ander stuk waaruit blijkt dat een scholingstraject is afgerond.

Artikel 9. Specifieke eisen aan scholing per categorie scholing

Er zijn vier categorieën scholing. Anders dan bij begeleiding, gaat het bij scholing niet alleen om de duur van een scholingsactiviteit, maar ook om de zwaarte van de scholing.

De eerste categorie scholing betreft die vormen van scholing die niet onder categorie C 2, C 3 of C 4 vallen. Het is een basisregel voor scholing die een waarde dient te hebben van ten minste € 75,00. Deze scholing is kort en overigens, afgezien van het feit dat opleiders aan eisen dienen te voldoen, niet aan specifieke regels gebonden. Het betreft overwegend zeer specifieke, korte vormen van scholing.

Bij categorie C 2 betreft het een heel korte cursus die in het algemeen leidt tot een vaardigheid op een specifiek gebied. In bijvoorbeeld de zorg zijn er verschillende ondersteunende werkzaamheden die met een korte (flits)cursus vooraf kunnen worden gedaan. Ook op ICT- en administratief terrein zijn er dergelijke trainingen, zoals het beheersen van een computerapplicatie, het kunnen schrijven van een zakelijke brief, of het leren om klanten op een goede wijze te woord te staan.

De overige categorieën scholing C 3 en C 4 komen overeen met de scholingsvormen die in artikel 6, onderdelen b en c, van de regeling NL leert door met inzet van scholing zijn vermeld en nader in de toelichting bij die regeling verder zijn uitgewerkt.

Scholing van categorie C 3 moet een waarde van ten minste € 500,00 hebben en scholing van categorie C 4 ten minste € 1250,00.

Artikel 10. Bepalen van de waarde van scholingsactiviteiten

Voor berekening van de waarde van een scholing worden kosten in aanmerking genomen. Voor interne scholing worden die kosten bepaald op de directe loonkosten van de personen die bij de desbetreffende scholing zijn betrokken. Aan de hand van de in het tweede lid beschreven formule wordt de waarde vastgesteld als er meer deelnemers zijn bij eenzelfde scholingsactiviteit. Dit is opgenomen in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid. De berekening is dan het aantal activiteiten vermenigvuldigd met het subsidiebedrag per (categorie) activiteit. Naast deze kosten zijn er voor het samenwerkingsverband overige kosten die met het subsidieproces gepaard gaan. Die kosten lopen van de voorbereiding op de subsidieaanvraag, welke kosten al voor inwerkingtreding van de regeling kunnen zijn gemaakt, tot en met de afwikkeling via de subsidievaststelling en, nadien, het verlenen van medewerking aan de evaluatie van de regeling.

Het eerste lid, onderdeel b, en derde lid, in combinatie met het vierde lid, ziet op de kosten van uitvoering van scholingsactiviteiten die buiten het samenwerkingsverband worden georganiseerd. Deze kosten moeten voldoen aan de voorwaarde van marktconformiteit, zoals uitgewerkt in het vierde lid. Kosten die niet marktconform zijn komen niet voor subsidie in aanmerking. Als een externe opdracht het bedrag van € 50.000 te boven gaat, dienen in ieder geval drie offertes te worden opgevraagd en beoordeeld (vierde lid, onderdeel b). Deze verplichting geldt ook indien de hoofdaanvrager niet aanbestedingsplichtig is. Met dit bedrag wordt aangesloten bij de nationale aanbestedingsregels, waarin vanaf € 50.000 tot de Europese aanbestedingsdrempel een meervoudig offertetraject is voorgeschreven. De geldende nationale en Europese aanbestedingsregels, die aanbestedingsplichtige partijen in acht moeten nemen, zijn te vinden via: https://www.pianoo.nl/nl/inkoopproces/fase-1-voorbereiden/mogelijke-aanbestedingsprocedures

Wat de uurtarieven betreft, wordt voor de beoordeling van marktconformiteit aangesloten bij de tarieven die zijn vastgelegd in de Handleiding Overheidstarieven.

Nadere uitleg over de beoordeling van marktconformiteit van opdrachten buiten het samenwerkingsverband voor het uitvoeren van activiteiten is te vinden op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 11. Eisen aan opleider

De eisen die aan de opleider worden gesteld zijn overeenkomstig de eisen die in de regeling NL leert door met inzet van scholing zijn opgenomen. Deze eisen zijn, toegeschreven op deze regeling, opgenomen onder bijlage 3. De subsidieaanvrager dient op grond van artikel 18, zesde lid, onderdeel a, bij de subsidieaanvraag te verklaren dat de opleider hieraan voldoet. Het tweede lid maakt het mogelijk dat opleiders, meest van buiten Nederland, die niet beschikken over een van de certificeringen of keurmerken zoals opgenomen in bijlage 3, toch via een gelijkstelling van hun certificaten zich kunnen kwalificeren om op grond van deze regeling activiteiten te geven.

Artikel 12. Activiteiten EVC-procedure

Een EVC-procedure wordt aangeboden door een erkende EVC-aanbieder. Deze erkenning verkrijgt een aanbieder bij het Nationaal Kenniscentrum EVC. Tijdens een EVC-procedure worden de kennis, ervaring en kunde van de deelnemer in kaart gebracht. Hetgeen de deelnemer heeft geleerd buiten en binnen het werk dat hij heeft verricht mondt uit in een Ervaringscertificaat. Dat is een document waarin is vastgelegd wat hij kan en weet. Deze kennis en ervaring worden vergeleken met een landelijke standaard zoals die in het mbo, hbo of in een branche wordt gebruikt, waarmee voor de deelnemer inzicht bestaat in welke richting zijn nieuwe werk zich kan bevinden. Het resultaat van de EVC-procedure is voor de deelnemer eveneens dat hij een toekomstige werkgever inzicht kan verschaffen in zijn kennis en ervaring.

Artikel 13. Subsidieplafond en verdeling subsidiebudgetten

Dit artikel regelt de grenzen van de op grond van deze regeling te verstrekken subsidiebedragen.

Er geldt een subsidieplafond van € 70 miljoen. Dat beschikbare bedrag wordt in twee compartimenten verdeeld.

Het eerste compartiment met een maximaal beschikbaar subsidiebedrag van € 14 miljoen is voor alle subsidieaanvragen die een bedrag van minder dan € 1 miljoen beslaan. Het tweede compartiment met een maximaal beschikbaar subsidiebedrag van € 56 miljoen is voor al die subsidieaanvragen die € 1 miljoen of meer belopen.

Artikel 14. Hoogte van het subsidiebedrag

In dit artikel staan de subsidiebedragen genoemd per activiteit en, ingeval van begeleiding en scholing, de categorie binnen die activiteit. In alle gevallen betreft het desbetreffende subsidiebedrag 80% van het in het corresponderende artikel genoemde waarde. Zoals in paragraaf 5.2 van de algemene toelichting is uiteengezet wordt uitgegaan van een cofinanciering vanuit het betrokken bedrijfsleven van ten minste 20%.

De verschillende subsidiehoogten:

Ontwikkeladvies € 560,00 (artikel 5: waarde ten minste € 700)

Begeleiding:

Categorie I € 400 (artikel 7: waarde ten minste € 500)

Categorie II € 800 (artikel 7: waarde ten minste € 1000)

Scholing:

Categorie C 1 € 60,00 (artikel 9: waarde ten minste € 75)

Categorie C 2 € 120 (artikel 9: waarde ten minste € 150)

Categorie C 3 € 400 (artikel 9: waarde ten minste € 500)

Categorie C 4 € 1000 (artikel 9: waarde ten minste € 1250)

Het subsidiebedrag wordt toegekend per activiteit. De berekening van het bedrag in het geval meer deelnemers op het zelfde moment aan dezelfde activiteit deelnemen, zoals een opleider die een groep cursisten scholing geeft, gebeurt aan de hand van de in artikel 10 vastgestelde berekeningsregels. Het deelnemersaantal zal per soort activiteit verschillen.

Artikel 15. Samenwerkingsverband

Elke organisatie die een beroepsmatig belang heeft in de sector, kan deel uitmaken van een samenwerkingsverband dat in de betrokken sector of sectoren wordt opgericht. Dat kunnen organisaties zijn die werkzaam zijn in die sector. Daaronder vallen onder andere beroepsorganisaties, brancheorganisaties en O&O-fondsen. De kring van bedrijven en organisaties kan echter (veel) groter zijn. Zo kan worden gedacht aan organisaties van bedrijven die in de faciliterende of toeleverende sfeer werkzaam zijn. Te denken valt voorts aan kennisinstituten, opleiders die gespecialiseerde opleidingen kunnen bieden voor werknemers in desbetreffende sector. Dit is geen limitatieve opsomming, ook andere dan genoemde organisaties komen in aanmerking.

Het samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Op de site van het ministerie (Uitvoering van beleid) wordt een model van deze samenwerkingsovereenkomst beschikbaar gesteld. Volgens dat model moeten de samenwerkingspartners de overeenkomst vastleggen. In die samenwerkingsovereenkomst staat ook welke partij de hoofdaanvrager is.

Artikel 16. Hoofdaanvrager

De hoofdaanvrager is een partij binnen het samenwerkingsverband. De hoofdaanvrager wordt binnen het samenwerkingsverband aangewezen om het samenwerkingsverband en de partijen binnen dat samenwerkingsverband te vertegenwoordigen. Dat geldt het gehele subsidieproces van voorbereiding op de subsidieaanvraag tot vaststelling van de subsidie, maar ook overigens vertegenwoordigt de hoofdaanvrager het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij is dan ook de partij die namens het samenwerkingsverband de subsidieaanvraag indient.

Het is dan ook van belang dat dit geen organisatie is met weinig ervaring binnen de betrokken sector(en). In verband daarmee geldt de voorwaarde dat betrokken hoofdaanvrager al ten minste twee jaar bestaat.

De hoofdaanvrager zorgt ervoor dat de beoordeling van een gewenste aansluiting bij een samenwerkingsverband evenwichtig, objectief en gelijkwaardig plaatsvindt. Zo kunnen er objectieve criteria gelden voor de vraag of een organisatie beroepsmatig betrokken is bij activiteiten in die sector. Zo zijn opleiders op zich beroepsmatig betrokken, echter, indien hun opleidingsaanbod zich concentreert op arbeidsmarktsectoren waar veel werkloosheid heerst, dus waar geen sprake is van krapte, kan worden besloten deze opleiders niet te laten deelnemen in het samenwerkingsverband. Een selectie op gronden als woonplaats, plaats van (hoofd)vestiging of grootte van de organisatie is niet toegestaan. Het is aan de hoofdaanvrager om de maximaal vrije toegang te waarborgen.

Ook overigens is het van belang dat de hoofdaanvrager de regels van deze regeling naleeft, zelfs als deze naleving een partij in het samenwerkingsverband niet ten voordele strekt.

Artikel 17. Paritaire of niet-paritaire aanvraag

Een subsidieaanvraag die het samenwerkingsverband wil doen, dient steun te hebben van de partijen in het samenwerkingsverband. De hoofdaanvrager stelt zeker dat voor die subsidieaanvraag draagvlak bestaat. De hoofdaanvrager, gelet op de machtiging die hij heeft verkregen vanuit de partijen binnen het samenwerkingsverband, moet voldoende manoeuvreerruimte hebben. Indien de hoofdaanvrager het indienen van een subsidieaanvraag deelt met de partijen in het samenwerkingsverband geeft dat partijen de gelegenheid om het proces te volgen en desgewenst input te leveren. Het eerste lid beoogt hier een goed uitgebalanceerd proces in te zetten.

Het tweede lid regelt dat als het akkoord niet kan worden bereikt, er een vervangend akkoord kan worden verstrekt door de Stichting van de Arbeid (Stichting). Het niet bereiken van een akkoord vindt zijn reden in de situatie dat of de werknemersorganisatie, of de werkgeversorganisatie geen akkoord geeft op de subsidieaanvraag.

Het derde en vierde lid gaan verder in op die situatie. De namens de Stichting ondertekende akkoordverklaring wordt bij de subsidieaanvraag gevoegd. De reden voor niet ondertekening kan liggen in het feit dat betrokken organisatie niet in staat akkoord te geven, of in het feit dat zij niet akkoord wenst te gaan. In dit laatste geval zal de Stichting beoordelen of de subsidieaanvraag kan rekenen op voldoende draagvlak binnen de desbetreffende sector of branche.

Artikel 18. Eisen aan de subsidieaanvraag

Eerste lid

Een subsidieaanvraag kan worden ingediend door middel van een vooraf vastgesteld elektronisch aanvraagformulier dat op de website www.mijnuitvoeringvanbeleidszw.nl is te vinden. Dit formulier is per opening tijdvak beschikbaar. Dat geldt eveneens de formulieren die bij de subsidieaanvraag moeten komen. De modellen daarvan staan eveneens op die site.

Vooraf kan de subsidieaanvrager zich registreren en een account aanmaken.

Tweede lid

Artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt een aantal gegevens, die een subsidieaanvraag ten minste moet bevatten, zoals de naam en het adres van de subsidieaanvrager. Daarnaast bevat een subsidieaanvraag een aantal aanvullende gegevens, waaronder het KvK-nummer en de contactgegevens van de subsidieaanvrager en de soort en het aantal activiteiten, verdeeld naar categorieën, waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Belangrijk onderdeel van de subsidieaanvraag is de taxatie vooraf door het samenwerkingsverband over het aantal deelnemers voor wie de subsidie zal worden aangewend. Dat impliceert dat het samenwerkingsverband een beeld geeft van de groep of groepen werknemers in termen van huidige en toekomstig gewenste arbeidsmarktpositie. Het samenwerkingsverband vermeldt daarbij welke activiteiten met name voor een groep zijn aangewezen. Dit betekent dus een overall beeld en niet dat het samenwerkingsverband per individu een gepland activiteitenoverzicht hoeft te overleggen. Het gaat er bij toepassing van dit lid om dat het samenwerkingsverband zich ten volle verdiept in de groep werkenden voor wie het de subsidie aanvraagt.

Derde lid

De subsidieaanvraag dient vergezeld te gaan van een aantal relevante stukken.

De samenwerkingsovereenkomst moet als stuk worden bijgevoegd zodat kan worden nagegaan welke bedrijven en organisaties betrokken zijn bij deze aanvraag en voorts kan worden nagegaan welke doelgroep deelnemers met de subsidie wordt ondersteund. Daarnaast moet de machtiging van de hoofdaanvrager worden bijgevoegd. Die machtiging verloopt volgens een elektronisch formulier dat beschikbaar is op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl. Voort dient het bewijs te worden gegeven dat de subsidieaanvrager houder is van de bankrekening die als bestemmingsrekening voor de subsidieverlening staat vermeld.

Vierde lid

Het traject voor een deelnemer hangt samen met de (arbeidsmarkt)situatie waarin deze deelnemer verkeert. De omvang van de trajecten zal dan ook variëren tussen deelnemers. Om evenwicht te bewerkstelligen binnen en tussen samenwerkingsverbanden is in dit lid bepaald dat het gemiddelde van de trajecten ten hoogste € 2.000 is per deelnemer.

Vijfde lid

Dit lid stelt een capaciteitseis aan de aanvraag. Deze eis geldt het minimum aantal scholingstrajecten waarvoor een subsidieaanvrager een aanvraag moet indienen. Daarbij is het voor het samenwerkingsverband van uitermate groot belang dat het bij zijn aanvraag nagaat of het aantal door hem aangevraagde trajecten ook reëel haalbaar is. Met andere woorden, zijn aanvraag weerspiegelt de reële verwachting dat het desbetreffend aantal activiteiten door hem zal worden gerealiseerd. Artikel 21, vierde en vijfde lid, geeft aan wat de mogelijke vervolgstappen zijn in geval van onderrealisatie.

Zesde lid

De subsidieaanvrager waarborgt dat de instellingen en personen die aan de betrokken deelnemers een traject gaan aanbieden beschikken over de juiste kwalificaties en dient dit bij de subsidieaanvraag te verklaren. Daarnaast onderbouwt het samenwerkingsverband de arbeidsmarktrelevantie van de activiteiten die het de deelnemers wil laten volgen..

Zevende lid

Activiteiten kunnen na de inwerkingtreding van deze regeling van start gaan. Van belang is dat de activiteiten niet later eindigen dan 12 maanden na de dag van de subsidieverlening. Dit lid, in combinatie met artikel 23, strekt ertoe om het gehele proces van subsidieverstrekking op procesmatig goede wijze te doen verlopen. De uiterste datum van afronding van activiteiten, leidt ertoe dat subsidieaanvrager nog voldoende gelegenheid heeft om de vaststellingsaanvraag in te dienen en geeft de uitvoerder van deze regeling de mogelijkheid bijtijds alle vaststellingsbeschikkingen af te ronden.

Achtste lid

Dit lid maakt het mogelijk dat partijen in het samenwerkingsverband en andere betrokkenen die niet beschikken over een KvK-nummer een aanvraag kunnen doen of een andere administratieve handeling kunnen verrichten met een (in dat land) overeenkomstig registratienummer.

Artikel 19. Aanvraagtijdvak subsidie

Dit artikel geeft de uiterste grenzen aan in tijd, waarbinnen een subsidieaanvraag kan worden gedaan. Op 15 maart 2021 om 9.00 uur (Europees) Nederlandse tijd opent het aanvraagloket en op 26 april om 17.00 uur wordt het loket gesloten. Dit alles uiteraard met inachtneming van het geldende subsidieplafond. Zodra het desbetreffende plafond is bereikt, kan er geen subsidie meer worden toegekend. Ten aanzien van niet-paritaire aanvragen geldt alleen in de periode tot en met 22 maart 2021, 17.00 uur dat een aanvullende verklaring van de Stichting bij de minister kan worden ingediend zonder dat dit gevolgen heeft voor de volgorde van behandeling, bedoeld in artikel 20. In de periode daarna geldt voor niet-paritaire aanvragen als datum van ontvangst de datum waarop de aanvullende verklaring is ontvangen.

Artikel 20. Rangschikking

De subsidieaanvragen worden op volgorde van binnenkomst in behandeling genomen. Daarbij geldt de regel dat de subsidieaanvraag volledig ingevuld moeten zijn, alle gevraagde informatie moet bevatten en alle formulieren zijn bijgevoegd. In het tweede lid is geregeld dat voor het aanvullen van een onvolledige subsidieaanvraag de subsidieaanvrager twee weken tijd heeft, te rekenen vanaf het moment dat hij de melding krijgt dat zijn subsidieaanvraag onvolledig is.

Op grond van artikel 2.3 van de Kaderregeling geldt dat wanneer de subsidieaanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld om zijn onvolledige subsidieaanvraag aan te vullen, het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag geldt als het tijdstip van ontvangst van de aanvraag. In het derde lid wordt geregeld dat als subsidieaanvragen gelijktijdig worden ontvangen door middel van loting wordt vastgesteld op welke volgorde de ontvangen subsidieaanvragen worden behandeld. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.

In het vierde lid wordt een uitzondering geregeld ten aanzien van de volledigheid van de subsidieaanvraag en het moment waarop deze subsidieaanvraag wordt beschouwd als volledig.

Samenwerkingsverbanden die in de situatie verkeren dat een noodzakelijk akkoord van een van de partijen (werknemers- of werkgeversvertegenwoordiging) ontbreekt (de zogenoemde niet paritaire aanvragen), moeten een extra processtap nemen via de Stichting, om de aanvraag te kunnen doorzetten. Deze stap kost vanzelfsprekend meer tijd. Om te voorkomen dat deze samenwerkingsverbanden op achterstand komen, geldt dat het moment waarop de subsidieaanvraag compleet is het moment waarop het samenwerkingsverband de subsidieaanvraag heeft ingediend, een en ander onder de voorwaarde dat de verklaring van de Stichting uiterlijk 22 maart 2021 is gevoegd bij de subsidieaanvraag aan de minister. Gebeurt dat op een latere datum, dan geldt de regel dat de niet-paritaire aanvraag pas volledig is op het moment dat de verklaring van de Stichting bij de ingediende aanvraag is gevoegd.

Artikel 21. Verlening van de subsidie

Op een (volledige) subsidieaanvraag wordt binnen 13 weken beslist. In de beschikking tot subsidieverlening wordt aangegeven voor welke activiteiten subsidie wordt verleend. Daarbij vindt uitsplitsing plaats naar soort en aantallen activiteiten. Een verdere uitsplitsing vindt plaats bij de activiteiten begeleiding en scholing, aan de hand van de categorieën. Daarnaast wordt aangegeven voor welke periode subsidie wordt verleend en aan welke verplichtingen de subsidieaanvrager moet voldoen. Onder deze verplichtingen valt ook de verplichting om goede administratie bij te houden. In een daarvoor bestemd elektronisch formulier op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl staan alle onderdelen die deel moeten uitmaken van de administratie en wordt voorts aangegeven dat deze administratie beschikbaar moet zijn voor raadpleging en controle.

Alle trajecten moeten binnen de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde periode vallen. Overschrijding leidt tot het niet subsidiabel zijn van de trajecten die binnen de vastgestelde subsidieperiode niet zijn afgerond.

De beschikking tot verlening van het voorschot op de subsidie, respectievelijk de subsidie zelf vermeldt het bedrag dat met de beschikking is gemoeid. De beschikking kan ook een berekening van het te verlenen subsidiebedrag bevatten.

Ter afronding van het subsidieproces zal een beschikking tot vaststelling van de subsidie moeten worden gevraagd. Het moment waarop dat uiterlijk moet plaatsvinden wordt vermeld in artikel 23, met daarbij de vermelding van de verantwoordingsinformatie die daarbij door de opleider moet worden verstrekt.

Bij de verlening van de subsidie wordt een voorschot gegeven. Dat voorschot bedraagt 60% van het berekende bedrag. De bedragen en de wijze van berekening van die bedragen is opgenomen in artikel 14.

De betaling kan worden opgeschort op de gronden genoemd in artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast kan de betaling worden opgeschort als het ernstige vermoeden bestaat dat aanvrager zich niet aan de opgelegde verplichtingen bij de subsidieverlening houdt. En uiteraard kan de betaling worden opgeschort als mededelingen van de subsidieaanvrager daar aanleiding toe geven.

Artikel 22. Weigering van de subsidie

Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht geeft een aantal gronden waarop een aanvraag voor subsidie in elk geval kan worden geweigerd. Dat geldt onder andere als het scholingstraject waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet heeft plaatsgevonden, als er geen sprake is van een behoorlijke wijze van rekening en verantwoording of als in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

In deze regeling worden drie aanvullende weigeringsgronden opgenomen.

Ten eerste wordt de subsidie geweigerd als aanvrager zich niet aan de opgelegde verplichtingen bij de subsidieverlening houdt. Deze bepaling volgt op artikel 21, vierde lid, onderdeel a, waarin sprake is van opschorting wanneer ernstige vermoedens bestaan dat er geen sprake is van naleving van die verplichtingen. Verder wordt de subsidie geweigerd als de subsidieaanvraag niet voldoet aan bij deze regeling gestelde eisen of de eisen in of op grond van de Kaderwet SZW-subsidies. Derde grond voor weigering is dat de scholing waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvindt buiten de periode die staat vermeld in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 23. Subsidievaststelling en wijziging subsidieverlening

Ten behoeve van de afronding van het subsidieproces zal op grond van artikel 4:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een beschikking tot vaststelling van de subsidie moeten worden gevraagd. De aanvraag tot subsidievaststelling moet uiterlijk drie maanden na afronding van de activiteiten worden ingediend. Bij die aanvraag komt ook de verantwoordingsinformatie die door de subsidieontvanger moet worden verstrekt. In aanvulling op paragraaf 7.2 van de Kaderregeling, regelt dit artikel onder meer waaruit het verzoek tot vaststelling bestaat.

De informatie, genoemd in het tweede lid, betreft naast enkele administratieve gegevens een specificatie van de verrichte activiteiten, uitgesplitst naar hoofdactiviteit (ontwikkeladviestraject/begeleidingstraject/scholingstraject/EVC-procedure) en binnen deze activiteiten de categorie waarbinnen de trajecten hebben plaatsgevonden, categorie I of II begeleiding, dan wel categorie C 2, C 3 of C 4 scholing. De subsidieontvanger hoeft bij het verzoek tot subsidievaststelling niet de in het elektronisch formulier neergelegde administratievoorschriften genoemde onderliggende stukken uit de administratie mee te sturen. De minister kan steekproefsgewijs wel onderliggende stukken opvragen.

Bij subsidiebedragen die onder artikel 7.5 van de Kaderregeling vallen, dient bij het verzoek tot subsidievaststelling bovendien een separaat verslag van de uitgevoerde evaluatie te worden geleverd en is een assurancerapport vereist. Dit rapport is opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol, bekend gemaakt op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

In het derde lid is verder opgenomen dat de subsidieaanvrager een lijst van BSN van de deelnemers verstrekt. Deze lijst is in het kader van de subsidievaststelling beslist nodig, teneinde de deelnemers te kunnen identificeren, te kunnen vaststellen of een deelnemer behoort tot de doelgroep van deze regeling en om te kunnen vaststellen of deze deelnemer met dit BSN heeft deelgenomen aan activiteiten binnen het maximaal aantal mogelijk te volgen activiteiten.

Om te voorkomen dat subsidie wordt verleend, maar vervolgens niet of nauwelijks trajecten worden gerealiseerd, zijn het vijfde en zesde lid opgenomen. Wanneer de subsidieontvanger voorziet dat minder dan 60% van het aantal scholingstrajecten zal worden gerealiseerd, kan hij tot uiterlijk drie maanden nadat hij de beschikking tot subsidieverlening heeft ontvangen een wijzigingsverzoek indienen. De subsidie kan dan navenant lager worden vastgesteld. Mocht er achteraf sprake zijn van ten onrechte verstrekte voorschotten dan kunnen deze worden teruggevorderd.

In het zesde lid is opgenomen dat de subsidie kan worden vastgesteld op nihil wanneer het aantal gerealiseerde scholingstrajecten lager is dan 60% van het aantal scholingstrajecten zoals vermeld in de afgegeven beschikking tot subsidieverlening. Van een mogelijke nihilstelling kan onder andere sprake zijn als blijkt dat de subsidieontvanger verwijtbaar heeft gehandeld, hetgeen onder andere kan blijken uit een veel te optimistische schatting van aantallen deelnemers, gelet op zijn verleden, of uit het feit dat hij geen enkele moeite heeft gedaan om deelnemers te werven voor zijn scholingstrajecten.

Artikel 24. Evaluatie van de uitgevoerde trajecten

Het is van belang voor de NL leert door-regelingen te komen tot een goed beeld van wat deze regelingen hebben opgeleverd in termen van behoud van werk, het verkrijgen van werk dan wel het verkrijgen van ander werk. Op basis van de ervaringen die met deze regelingen zijn opgedaan kunnen mogelijke vervolgtrajecten, met gebruikmaking van deze evaluaties, verder worden opgezet en ingericht.

De subsidieontvanger dient er, met het oog op deze regeling, zorg voor te dragen dat er een goede evaluatie komt van de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan de verschillende trajecten die hij op grond van deze regeling heeft ingezet. Dit artikel geeft aan uit welke onderdelen een evaluatieverslag in ieder geval dient te bestaan.

Het tweede lid noemt een aantal elementen dat van belang is om te kunnen beoordelen hoe deze regeling per aanvrager heeft gewerkt. Van belang is te weten welke activiteiten of combinatie van activiteiten zijn uitgevoerd en in hoeverre deze tot resultaten hebben geleid. Daarbij is een schets van de doelgroep waarvoor de activiteiten zijn ingezet van belang. Relevante aspecten zijn onder andere leeftijd(scohort) en arbeidsmarktstatus bij aanvang van de trajecten. Welke aspecten precies relevant zijn wordt nader in overleg met vertegenwoordigers van betrokken organisaties en personen bezien. Dat zijn grosso modo de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, O&O-fondsen, brancheorganisaties en de vertegenwoordigers van overige grote betrokken partijen met goed zicht op ontwikkelingen en kansen op de arbeidsmarkt. Voorts is een beeld van de subsidieontvanger over hoe het totale proces van subsidieverstrekking is gelopen van belang. Tot slot is een overzicht van bereikte resultaten onderdeel van de door subsidieontvanger op te stellen evaluatie. Waar betrokken partijen dat nodig vinden kunnen nog andere deskundigen voor de op te zetten evaluatie worden ingeschakeld.

Artikel 25. Melding fraude

In deze regeling zijn bepalingen opgenomen die fraude en misbruik beogen te voorkomen. Voorbeelden daarvan zijn de verplichte inschakeling door een samenwerkingsverband van loopbaanadviseurs, begeleiders en opleiders, die over verplichte ervaringen, opleidingen, keurmerken of certificeringen beschikken. Daarnaast dient een samenwerkingsverband verslag uit te brengen over hoe de regeling is uitgevoerd in termen van besteding subsidiebedrag, aantallen trajecten etc. Mocht niettemin op enig moment blijken dat er een redelijk vermoeden bestaat dat een betrokken persoon fraude heeft gepleegd ten behoeve van het verkrijgen van subsidie, kan de minister hiervan melding maken bij het openbaar ministerie. De groep betrokken personen is ruimer dan diegenen die binnen het samenwerkingsverband een rol spelen. Het gaat ook om ingeschakelde personen van buiten het samenwerkingsverband die zijn aangetrokken voor het verzorgen van activiteiten of voor ondersteunende diensten in het kader van te organiseren activiteiten en, in een overigens zeer uitzonderlijke situatie zou het nog om een deelnemer kunnen gaan.

Wanneer het gaat om een ingeschakelde persoon die beschikt over een diploma, certificaat of keurmerk, kan ook melding worden gedaan bij de instantie waar de diplomering, certificering of het keurmerk is verkregen. Dit kan, uiteraard na gedegen onderzoek, tot gevolg hebben dat de betrokken persoon zijn erkenning verliest.

Artikel 26. Meewerken aan controle en onderzoek

In het eerste lid is geregeld dat het samenwerkingsverband meewerkt aan een controle door SZW. Dit kan een controle zijn om vast te stellen of subsidie kan worden verstrekt, of om achteraf na te gaan of de subsidie terecht is verstrekt. Wanneer blijkt dat de subsidie ten onrechte is verstrekt, wordt deze geheel of gedeeltelijk teruggevorderd. De kosten hiervan zijn voor rekening van het subsidie ontvangend samenwerkingsverband. Ook kan verschuldigde wettelijke rente in rekening worden gebracht over het terug te betalen bedrag (artikel 1.8 van de Kaderregeling).

De administratie van het samenwerkingsverband rond het subsidietraject op grond van deze regeling is beschikbaar voor de controle- en onderzoeksdoeleinden. De hoofdaanvrager draagt daar zorg voor. Het samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor een juiste opslag van bescheiden en dient er ook voor te zorgen dat de bescheiden vrij toegankelijk zijn en blijven, in achtgenomen de ontwikkelingen met betrekking tot digitale netwerken en databases zoals clouds. De hoofdaanvrager draagt er daarbij zorg voor dat de administratie voldoet aan de eisen die de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) hierover stelt.

Daarnaast geldt dat het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling een beleidsinstrument is dat wordt ingezet om in de huidige crisisperiode met een effectief instrument de arbeidsmarktkansen voor personen die in een lastige arbeidsmarktpositie terecht zijn gekomen te vergroten. Het is dan ook van belang om inzicht te verkrijgen in de realisatie van het beleid. Aan de hand van dat inzicht kan het beleid verder ontwikkeld worden. Samenwerkingsverbanden hebben baat bij deze regeling doordat zij, met facilitering via subsidie, een ontwikkeladvies-, begeleidings- of scholingstraject of een EVC-procedure kunnen bieden waarvan werkenden profijt kunnen hebben in hun verdere loopbaan. Van samenwerkingsverbanden mag daarom ook worden verwacht dat zij meewerken aan onderzoek ten behoeve van de verdere ontwikkeling van het beleid dat met NL leert door wordt ingezet. Daar hoort dan ook bij dat er vragen kunnen worden gesteld en inlichtingen kunnen worden gevraagd die nodig zijn voor de evaluatie van het beleid.

Ook van de deelnemer wordt verwacht desgevraagd medewerking te verlenen aan ingezet onderzoek door middel van informatie van zijn kant. Het is voor de verdere beleidsvorming rond ontwikkelen en leren door werkenden belangrijk om input te krijgen van deelnemers. Het vragen van medewerking aan de deelnemer is overigens gerechtvaardigd omdat de deelnemer degene is aan wie de voorzieningen van deze regeling ten goede komen. Met daarnaast de ondertekening van de Toestemmingsverklaring (bijlage 5) geeft de deelnemer aan daartoe bereid te zijn.

Artikel 27. Evaluatie van de regeling

Er zal na drie jaar een evaluatie worden uitgevoerd, waarin de doelstellingen van het beleid en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid worden onderzocht.

Artikel 28. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang 15 maart 2021. Publicatie van deze regeling zal eerder plaatsvinden, naar verwachting eind februari 2021. Met deze eerdere publicatie zijn er in de aanloop naar de inwerkingtreding een aantal mogelijkheden.

Werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, O&O fondsen, brancheorganisaties en andere betrokkenen partijen die zich in een samenwerkingsverband willen verenigen, kunnen dat samenwerkingsverband opzetten om vanaf de inwerkingtredingsdatum subsidieaanvragen te kunnen indienen. Voorts kunnen organisaties met beroepsmatige betrokkenheid bij een of meer aspecten van deze regeling zich aanmelden bij een samenwerkingsverband, bestaand of in wording. Ten slotte kunnen samenwerkingsverbanden zich voorbereiden op de nadien, vanaf 15 maart 2021, in te dienen subsidieaanvraag.

De regeling loopt tot 15 maart 2022, maar blijft gelden voor de afwikkeling van alle aanvragen tot subsidievaststelling die tot en met 15 oktober 2022, zijn ingediend.

Artikel 29. Citeertitel

Onder de paraplu van NL leert door zijn eerder, in 2020, twee regelingen opgesteld. De eerdere Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies is met ingang van 1 augustus 2020 in werking getreden. De tweede regeling met de titel: Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing is 1 oktober 2020 in werking getreden. Deze derde NL leert door regeling treedt per 15 maart 2021 in werking en heeft als citeertitel Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Vanzelfsprekend geldt dit niet voor scholing die ziet op het leren van een andere taal dan de Nederlands taal.

X Noot
2

Het ministerie van SZW is verantwoordelijk voor de controle op de verstrekte subsidies. SZW kan contact met u opnemen in het kader van een controle op de verstrekte subsidie.

X Noot
3

Het ministerie van SZW is verantwoordelijk voor de controle op de verstrekte subsidies. SZW kan contact met u opnemen in het kader van een controle op de verstrekte subsidie.

X Noot
4

Voor deelnemers uit Caribisch Nederland hier het CRIB-nummer invullen

X Noot
5

Voor deelnemers uit Caribisch Nederland hier het CRIB-nummer invullen.

X Noot
6

Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 134.

X Noot
7

Aanvragen moeten in de regel paritair zijn door betrokkenheid van zowel een werknemersorganisatie als een werkgeversorganisatie. Indien de aanvraag niet paritair wordt ondersteund, moet het voorstel eerst voor een toets op draagvlak worden voorgelegd aan de Stichting van de Arbeid.

X Noot
8

WRR (2017) Weten is nog geen doen.

X Noot
9

Brede Maatschappelijke Heroverwegingen (2020) Ongekend talent

X Noot
10

Idem

X Noot
11

Regeling van 17 juli 2020, nr. 2020-0000098298, Stcrt. 2020, 39785.