Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2020, 62963Besluiten van algemene strekking

Wijziging Leidraad Invordering 2008

Directoraat-generaal Belastingdienst/Corporate dienst Vaktechniek

Besluit van 24 december 2020, nr. 2020-171150

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit wijzigt het besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M. De wijziging betreft een herziening van het saneringsbeleid voor natuurlijke personen zijnde ondernemers, een uitzondering voor het beslag op de coronabonus van zorgprofessionals, enkele redactionele aanpassingen en een aantal benodigde technische aanpassingen, onder meer in verband met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en een onderdeel van de Wet herziening beslag- en executierecht.

ARTIKEL I

Het besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 4 november 2020, nr. 2020-206102, wordt als volgt gewijzigd:

A

In de tweede zin van de eerste alinea van artikel 1.1.10 komt ‘en het Algemeen Rijksambtenarenreglement’ te vervallen.

B

Na artikel 14.4.1, wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

14.4.1a. Geen beslag op coronabonus zorgprofessional

De ontvanger laat geen derdenbeslag leggen onder een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor een bonus die door de zorgaanbieder wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds beslag is gelegd onder de zorgaanbieder, verzoekt de ontvanger niet om afdracht van de bonus of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen.

C

Na artikel 14.4.5a wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

14.4.5b. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland

Als de belastingschuldige op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft, stelt de ontvanger bij het leggen van derdenbeslag geen vrij te laten bedrag vast als bedoeld in artikel 475a, vijfde lid, Rv. Als de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, kan hij de ontvanger verzoeken alsnog rekening te houden met het voor hem geldende vrij te laten bedrag. De ontvanger stelt in dat geval het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast. De ontvanger betaalt dat bedrag aan de belastingschuldige, nadat op het derdenbeslag is afgedragen.

D

Na artikel 14.4.5b (nieuw) wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

14.4.5c. Toepassing 5%-regeling

De ontvanger past de zogeheten 5% regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het leggen van derdenbeslag. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als de ontvanger van mening is dat de belangen van de Staat worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast.

E

In de zinsnede tussen de haakjes in de eerste zin van artikel 19.1.6 wordt ‘op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen’ vervangen door ‘op vorderingen van de belastingschuldige op derden’.

F

Aan het einde van de laatste zin van artikel 19.1.6 wordt de volgende zin toegevoegd:

De ontvanger zal de zogeheten 5% regeling niet gelijktijdig toepassen met de regeling, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet.

G

Na artikel 19.1.6 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

19.1.6a. Toepassing 5%-regeling

De ontvanger past de zogeheten 5%-regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het doen van een vordering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als hij van mening is dat de belangen van de Staat worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast.

H

Na artikel 19.1.6a (nieuw) wordt het volgende, nieuwe artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

19.1.6b. Geen vordering voor corona bonus zorgprofessional

De ontvanger doet geen vordering op grond van artikel 19, eerste lid, van de wet, voor een bonus die door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder voor de bonus een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds een vordering is gedaan, is de zorgaanbieder niet verplicht die bonus aan de ontvanger af te dragen, of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen.

I

Artikel 19.1.8 wijzigt als volgt:

1. In de eerste zin wordt ‘periodieke betalingen’ vervangen door ‘een vordering heeft op een derde’.

2. In de tweede zin wordt ‘periodieke betalingen’ vervangen door ‘vordering op de derde’.

3. Aan het einde van het artikel wordt de volgende, nieuwe, zin toegevoegd:

Voor zover de vordering wordt gedaan op een vordering die de echtgenoot van de belastingschuldige heeft op een betaaldienstverlener, is het bepaalde in artikel 1cbis.2 van de regeling van overeenkomstige toepassing.

J

In de eerste zin van de eerste alinea van artikel 19.3.2 komt ‘(artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet)’ te vervallen.

K

De eerste alinea van artikel 19.3.3 komt te luiden:

Als een vordering wordt gedaan op periodieke uitkeringen waarvoor geen beslagvrije voet geldt en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d tot en met 475e Rv toe.

L

Artikel 19.3.4 komt te luiden:

19.3.4. Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

Als de ontvanger een vordering doet op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, ten laste van een belastingschuldige van wie geen woon- of verblijfadres bekend is, stelt hij de beslagvrije voet vast overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv. Zodra de ontvanger bekend wordt met het feit dat de belastingschuldige in Nederland woont of een vaste verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger alsnog de juiste beslagvrije voet vast en past deze toe vanaf de eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het ontbreken van het adresgegeven niet aan hem te wijten is.

M

Artikel 19.3.5 komt te luiden:

19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet

Als de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv de beslagvrije voet vast bij het doen van een vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden. Na de vooraankondiging van de vordering kan de belastingschuldige door middel van het aanleveren van informatie de ontvanger op de hoogte stellen over zijn leefsituatie en bronnen van inkomsten. Als de belastingschuldige aantoont wat zijn leefsituatie en inkomen is, stelt de ontvanger op basis van de verstrekte informatie de beslagvrije voet vast. Als de belastingschuldige geen inzicht verschaft of onduidelijkheid blijft bestaan over zijn leefsituatie en inkomstenbronnen blijft de ontvanger uitgaan van de beslagvrije voet overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv.

Eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, komen in mindering op de beslagvrije voet. Indien de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Indien de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de ontvanger gestelde termijn aanlevert, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld.

Als de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, kan hij uit Nederland een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.

N

Artikel 19.3.6 komt te vervallen.

O

Artikel 22bis.1, eerste lid, letter A wijzigt als volgt:

1. In de eerste zin wordt ’22.8.10’ vervangen door ‘22.9.1’.

2. In de tweede zin wordt ’22.8.10’ vervangen door ‘22.9.1’.

P

Artikel 24.1.1 komt te luiden:

24.1.1. Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet

De ontvanger is bevoegd een van de belastingschuldige te innen bedrag te verrekenen met een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarbij houdt hij rekening met de voor de belastingschuldige geldende beslagvrije voet. Als de belastingschuldige na een verrekening aannemelijk maakt dat voor hem een andere beslagvrije voet geldt, past de ontvanger de beslagvrije voet aan en houdt hij rekening met de aangepaste beslagvrije voet vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen.

Q

Artikel 73.5.1 wijzigt als volgt:

1. De opsomming komt te luiden:

  • a. de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen;

  • b. de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a);

  • c. een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;

  • d. een schuldregelingsovereenkomst tot stand is gekomen conform de Module Schuldregeling in het kader van schuldhulpverlening voor ondernemers van de NVVK of een daarmee gelijk te stellen overeenkomst en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer;

  • e. het aannemelijk is dat het bedrijf of beroep tijdens en na het volledig hebben doorlopen van de schuldregeling met een levensvatbare bedrijfsuitoefening kan worden voortgezet, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer;

  • f. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige - afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden - in aanmerking zou komen voor een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a FW;

  • g. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.

2. De eerste alinea na de opsomming komt te luiden:

De voorwaarden onder d en e zijn niet van toepassing op een ex-ondernemer indien aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf zal uitoefenen of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.

3. Na de eerste alinea na de opsomming wordt een nieuwe, tweede alinea, ingevoegd, die komt te luiden:

De ontvanger kan ervoor kiezen om aanslagen, waarvoor hij redelijkerwijs derden aansprakelijk kan stellen, niet te betrekken in de schuldregeling, voor zover deze ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer. Artikel 26.3.2 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

R

Artikel 73.5a wijzigt als volgt;

De laatste zin van de eerste alinea komt te luiden:

Dit betekent onder meer dat de schuldregeling betrekking moet hebben op natuurlijke personen.

S

Artikel 79.5a komt te luiden:

De Belastingdienst/Toeslagen houdt bij verrekening van uit te betalen voorschotten huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget of een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting met van de belanghebbende te innen toeslagschuld, rekening met de voor de belanghebbende geldende beslagvrije voet. Als de belanghebbende na een verrekening aannemelijk maakt dat voor hem een andere beslagvrije voet geldt, zal de Belastingdienst/Toeslagen rekening houden met de aangepaste beslagvrije voet vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen.

T

Na artikel 79.18, wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

79.19. Onverschuldigdheid vervolgingskosten toeslagschuld

Artikel 75.6 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van toeslagschulden.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2021. Voor de onderdelen B en H treedt het besluit met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2020 in werking. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 24 december 2020

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, J. de Blieck Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken

TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A betreft een technische wijziging van artikel 1.1.10 in verband met het vervallen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement per 1 januari 2020 als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren1. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdelen B en H, introduceren twee nieuwe artikelen in de Leidraad, respectievelijk 14.4.1a en 19.1.6b, waarin een uitzondering is opgenomen voor de bonus die door zorgaanbieders aan zorgprofessionals wordt verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-192. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verstrekt hiervoor aan de zorgaanbieder een subsidie met als uitgangspunt dat een bonus van € 1.000 netto wordt uitbetaald aan de zorgprofessional. De zorgprofessionals krijgen deze bonus omdat ze tijdens de corona-crisis in de uitoefening van hun beroep een bijzondere prestatie hebben geleverd. Deze bonus kan mogelijk worden getroffen door een derdenbeslag onder de zorgaanbieder, bedoeld in artikel 475, eerste lid, Rv of een vordering op grond van artikel 19, eerste lid van de wet. Gezien het doel en uitgangspunt van de subsidie vind ik het onwenselijk dat deze bonus onder het derdenbeslag of de vordering valt van de ontvanger. Daarom zijn in de Leidraad deze uitzonderingen opgenomen. De ontvanger zal de bonus van de zorgprofessionals dan ook niet opeisen. Dit schept bovendien duidelijkheid voor de zorgaanbieders als zij worden geconfronteerd met een derdenbeslag of een loonvordering van de ontvanger. Om te voorkomen dat er rechtsongelijkheid ontstaat tussen zorgprofessionals die de bonus al hebben ontvangen en nog moeten ontvangen, wordt aan deze bepalingen terugwerkende kracht toegekend naar het moment dat de subsidie op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 aangevraagd kon worden, te weten 1 oktober 2020. Eventuele bonussen, waarvoor deze uitzondering geldt, die na oktober 2020 aan de ontvanger zijn afgedragen op grond van een derdenbeslag of een loonvordering, zullen door de ontvanger worden gerestitueerd aan de zorgprofessionals.

Artikel I, onderdeel C introduceert met het nieuwe artikel 14.4.5b een laagdrempelige regeling in de Leidraad voor belastingschuldigen zonder adres in Nederland. Hiermee kunnen zij alsnog aanspraak maken op de bescherming van artikel 475a, vijfde lid, Rv. Voor schuldenaren zonder adres in Nederland, wordt bij het leggen van beslag op geldmiddelen namelijk niet op voorhand rekening gehouden met de in artikel 475a, vijfde lid, Rv, bedoelde vrij te laten bedragen. Zij hebben op grond van artikel 475a, zesde lid, Rv, de mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken voor hen artikel 475a vijfde lid, Rv, van toepassing te laten verklaren. Met het nieuwe artikel 14.4.5b wordt geregeld dat belastingschuldigen op een meer toegankelijke manier aanspraak kunnen maken op de in artikel 475a, vijfde lid, Rv, bedoelde vrij te laten bedragen. Zij kunnen nu op grond van het nieuwe artikel 14.4.5b de ontvanger verzoeken die vrij te laten bedragen toe te passen zonder tussenkomst van de kantonrechter.

Artikel I, onderdelen D, F en G introduceren twee nieuwe artikelen in de Leidraad in verband met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet3, in het bijzonder het nieuwe artikel 475dc Rv; de zogeheten 5% regeling4. In verband daarmee wordt tevens artikel 19.1.6 gewijzigd. Met de introductie van de twee nieuwe artikelen, respectievelijk 14.4.5c en 19.1.6a, wordt beleidsmatig geregeld wanneer de 5% regeling door de ontvanger kan worden toegepast. Dat kan alleen als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7, of als de ontvanger van mening is dat de belangen van de Staat zonder toepassing van de 5% regeling worden geschaad. Met deze artikelen wordt beoogd dat belastingschuldigen met een inkomen dat lager is dan de voor hen geldende beslagvrije voet, niet worden geconfronteerd met een derdenbeslag of vordering op periodiek inkomen door de ontvanger. Tegelijkertijd wordt ruimte aan de ontvanger gelaten om in bijzondere gevallen, alsnog gebruik te kunnen maken van de 5% regeling. Om tot een evenwichtige uitkomst te komen voor de vordering op grond van artikel 19 van de wet, regelt de wijziging van artikel 19.1.6 dat de 5% regeling niet gelijktijdig met de regeling, bedoeld in artikel 19 eerste lid, laatste zin, van de wet kan worden toegepast.

Artikel I, onderdelen E, I, en J betreffen technische wijzigingen in verband met de inwerkintreding van de wijziging van artikel 19, eerste lid van de wet5. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdeel K, betreft technische wijzigingen van artikel 19.3.3 in verband met de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 19, eerste lid van de wet6 en de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet7. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdeel L, M en P betreffen technische wijzigingen van respectievelijk artikel 19.3.4, 19.3.5, 24.1.1 in verband met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet8. Een van de uitgangspunten daarvan is dat er in beginsel geen informatie van de belastingschuldige nodig is om de beslagvrije voet vast te stellen.9 Deze wijzigingen houden verband daarmee en zijn bedoeld om het beleid van de Leidraad in lijn te brengen met de toepasselijke onderdelen van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet10.

Artikel I, onderdeel N, betreft het vervallen van artikel 19.3.6 van de Leidraad. De Ambtenarenwet is met ingang van 1 januari 2020 vervangen door de Ambtenarenwet 2017 in verband met de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren11. Aangezien in de Ambtenarenwet 2017 en het Burgerlijk Wetboek geen bepalingen zijn opgenomen die gelijk zijn te stellen aan artikel 117 van de Ambtenarenwet, komt artikel 19.3.6 te vervallen.

Artikel I, onderdeel O, betreft een redactionele wijziging van artikel 22bis.1, eerste lid, letter A, vanwege een verkeerde verwijzing. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdelen Q en R, betreffen de wijziging van respectievelijk, de artikelen 73.5.1 en 73.5a. Met deze wijzigingen wordt het beleid voor minnelijke schuldsaneringen voor natuurlijke personen (hierna: MSNP) van de Belastingdienst ook opengesteld voor natuurlijke personen, zijnde ondernemers. Het MSNP-beleid van de Belastingdienst gold voorheen namelijk alleen voor natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers. De verruiming houdt onder meer verband met de maatschappelijke ontwikkeling dat steeds meer natuurlijke personen hun inkomsten uit ondernemerschap verkrijgen. Met de verruiming komt deze groep ook in aanmerking voor een MSNP-traject zodat een bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van problematische schulden bij alle natuurlijke personen. Ten slotte is het onder voorwaarden ook mogelijk om te blijven ondernemen in de wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen.12

Met deze wijzigingen worden tevens de voorwaarden geïntroduceerd waaronder de Belastingdienst bereid is mee te werken aan de totstandkoming van een schuldregeling voor natuurlijke personen, zijnde ondernemers. De voorwaarden zijn in belangrijke mate hetzelfde als voor natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers. Het te betalen bedrag van de schuldregeling kan bijvoorbeeld in maximaal 36 maanden worden betaald, waarmee overigens wordt afgeweken van de maximale looptijd, bedoeld in artikel 26.3.9 van de Leidraad.

Voor natuurlijke personen, zijnde ondernemers, geldt daarnaast nog in het bijzonder dat reële vooruitzichten moeten bestaan om het bedrijf of zelfstandig beroep tijdens en na sanering met een levensvatbare bedrijfsuitoefening voort te kunnen zetten. Dit wil zeggen dat uit het verzoek en de daarbij behorende prognose in ieder geval moet blijken dat uit de te verwachten omzet alle kosten van de bedrijfsvoering kunnen worden betaald. Daarnaast moeten daaruit de kosten van levensonderhoud van de ondernemer en zijn gezin kunnen worden betaald.

Verder wordt vastgelegd dat de ontvanger ervoor kan kiezen geen of gedeeltelijk medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een schuldregeling als hij van mening is dat hij meer kan innen door derden aansprakelijk te stellen voor de belastingschuld van de ondernemer. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de belastingschuldige personeel heeft uitgeleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet, en de ontvanger daardoor de inlener(s), bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet aansprakelijk kan stellen. Overigens zijn de aansprakelijkheidsmogelijkheden bij ondernemers zijnde natuurlijke personen beperkt.

Artikel I, onderdeel S betreft de wijziging van artikel 79.5a in verband met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet13. Een van de uitgangspunten daarvan is dat er in beginsel geen informatie van de belanghebbende nodig is om de beslagvrije voet vast te stellen.14 Deze wijziging houdt verband daarmee en is bedoeld om artikel 79.5a in lijn te brengen met de inwerkingtreding van de toepasselijke onderdelen van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet15.

Artikel I, onderdeel T, introduceert een nieuw artikel in de leidraad. Met het nieuwe artikel, 79.19, wordt het bepaalde in artikel 75.6 beleidsmatig van overeenkomstige toepassing verklaard bij de invordering van toeslagschulden. Daarmee krijgt de staande praktijk van Belastingdienst/Toeslagen tevens een beleidsmatige grond. Er is geen beleidsmatige wijziging beoogd.

Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijziging(en). Deze datum wordt gesteld op 1 januari 2021, met uitzondering van de onderdelen B en H. Voor de onderdelen B en H treedt het besluit met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2020 in werking. Dit besluit is na de inwerkingtreding terstond uitgewerkt en bevat daarom geen vervalbepaling (zie Aanwijzing 6.25 Aanwijzingen voor de regelgeving (Stcrt. 1992, 230)).

Den Haag, 24 december 2020

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, J. de Blieck Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken


X Noot
1

Wet van 9 maart 2017 tot wijziging van de Ambtenarenwet en enige andere wetten in verband met het in overeenstemming brengen van de rechtspositie van ambtenaren met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren), Stb. 2017, 123.

X Noot
2

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 september 2020, kenmerk 1742422-209889-MEVA, houdende regels voor het subsidiëren van een bonus aan professionals die in de sector zorg en welzijn een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd in verband met de uitbraak van het COVID-19 virus (Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19), Stcrt. 2020, nr. 48058.

X Noot
3

Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet), Stb. 2017, 110.

X Noot
4

Artikel 475dc Rv bevat een regeling voor personen die een netto-inkomen hebben dat gelijk of lager is dan de voor hen geldende bijstandsnorm. Voor hen geldt een beslagvrije voet ter hoogte van 95% van hun periodieke netto-inkomen. Dit betekent dat deze schuldenaren te allen tijde 5% van het netto-inkomen dienen af te dragen.

X Noot
5

Wet van 20 december 2017 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2018), Stb. 2017, 518.

X Noot
6

Wet van 20 december 2017 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2018), Stb. 2017, 518.

X Noot
7

Zie noot 3.

X Noot
8

Zie noot 3.

X Noot
9

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 628, nr. 3, p. 6.

X Noot
10

Zie noot 3.

X Noot
11

Zie noot 1.

X Noot
12

Zie: Handreiking voor zelfstandig ondernemen binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling van RECOFA.

X Noot
13

Zie noot 3.

X Noot
14

Kamerstukken II, 2016-2017, 34 628, nr. 3, p. 6.

X Noot
15

Zie noot 3.