Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 oktober 2020, nummer 3027597, tot wijziging van de Regeling naturalisatietoets Nederland in verband met de vrijstelling van het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt voor ondernemers

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets;

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 4, achtste lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘artikel 3.9, derde lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering’ vervangen door ‘de artikelen 2.10, eerste lid, onderdeel b, en 3.9, derde lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering’.

2. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. de verzoeker die in een periode van twaalf maanden voorafgaande aan het verzoek tot vrijstelling:

    • 1°. in ten minste zes maanden minimaal 48 uur per maand werkzaamheden in loondienst heeft verricht;

    • 2°. winst uit een onderneming, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, had die ten minste gelijk was aan (L / 40) * 48 * 6, waarbij L staat voor het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet; of

    • 3°. in ten minste zes maanden bijstand ontving op grond van artikel 2, eerste of tweede lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

‘s-Gravenhage, 1 oktober 2020

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol

TOELICHTING

1. Algemeen

In deze wijziging van de Regeling naturalisatietoets Nederland wordt een vrijstelling voor het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (hierna: ONA) van de naturalisatietoets voor ondernemers (zelfstandigen) geïntroduceerd en worden de voorwaarden voor verlening van de vrijstelling bepaald. Eerder is al een vrijstelling van dit examenonderdeel opgenomen voor vreemdelingen die verzoeken om verlening van het Nederlanderschap en in loondienst werken dan wel recentelijk hebben gewerkt (Stcrt. 2019, 29649). De onderhavige wijziging van de Regeling naturalisatietoets Nederland sluit aan bij en is gelijkluidend aan de wijziging van het Besluit inburgering die de onderhavige vrijstelling introduceert in de inburgeringswetgeving (Stb. 2020, 330) en met ingang van 1 oktober 2020 in werking treedt.

1.1 Vrijstelling examenonderdeel ONA voor ondernemers

De reden voor deze vrijstelling is dat als een verzoeker aantoonbaar op de Nederlandse arbeidsmarkt functioneert als zelfstandig ondernemer, er geen reden meer is om cursusuren ONA te volgen en het examenonderdeel ONA te doen. Zelfstandig ondernemers kunnen daarom, net als werkenden in loondienst, een aanvraag bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) doen voor vrijstelling van het ONA-examen. De vrijstelling wordt verleend aan de verzoeker tot naturalisatie die, in de twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van aanvraag, winst uit een onderneming bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, had die ten minste gelijk was aan de vastgestelde inkomensgrens: (L / 40) * 48 * 6. Bij het bepalen van de inkomensgrens is het weekbedrag uit de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag als uitgangspunt genomen. Als maatstaf voor de normale arbeidsduur wordt een werkweek van 40 uur gehanteerd. Hiermee is de inkomensgrens gelijk aan het loon dat een werknemer in loondienst verdient die gedurende 6 maanden 48 uur per maand werkt tegen het wettelijk minimumloon in een sector met een 40-urige werkweek. Door de inkomensgrens op deze manier vast te stellen sluiten de voorwaarden voor de vrijstelling zoveel mogelijk aan bij de vrijstelling voor verzoekers tot naturalisatie die in loondienst werken. Er is niet gekozen voor een urennorm, omdat het aantal uren dat iemand besteed aan zijn onderneming niet, althans niet eenvoudig, is vast te stellen.

Anders dan bij de al bestaande vrijstelling voor verzoekers tot naturalisatie die werken in loondienst wordt geen minimum per maand gesteld, maar een minimum over twaalf maanden. Maandelijkse inkomsten van de zelfstandige zijn niet direct op te maken uit de jaarrekening. Het is bij zelfstandig ondernemers minder gebruikelijk om maandelijks een inkomstenverklaring op te maken (via een accountant of administratiekantoor). Daarnaast biedt een inkomenstoets die terugkijkt over de periode van een jaar, meer flexibiliteit indien de zelfstandig ondernemer wisselende maandelijkse inkomsten heeft.

In de praktijk zal het recht op de vrijstelling door DUO worden beoordeeld op basis van door de aanvrager aangeleverde bewijsstukken en het door DUO op te vragen uittreksel uit het handelsregister waaruit opgemaakt kan worden:

  • dat de onderneming ten minste zes maanden ingeschreven heeft gestaan bij de Kamer van Koophandel in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment van aanvraag van vrijstelling;

  • dat de inkomsten uit de onderneming minimaal gelijk zijn aan de inkomenseis, in de twaalf maanden direct voorafgaand aan het verzoek om vrijstelling;

  • dat er BTW-belastingaangifte is gedaan in de twaalf maanden direct voorafgaand aan het verzoek om vrijstelling.

De bewijsstukken dienen te borgen dat het gaat om een actief ondernemerschap. Het gaat dan om een gewaarmerkt (papieren) uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, een samenstellingsverklaring omtrent inkomsten uit onderneming van een accountant of administratiekantoor, en een kopie BTW-belastingaangifte(s). Afwijken van de aan te leveren bewijsstukken zal in de regel niet plaatsvinden, tenzij maatwerk nodig is. Maatwerk kan bijvoorbeeld het geval zijn als de ondernemer valt onder de ‘Kleineondernemersregeling’ en daarom geen BTW-aangifte hoeft te doen bij de Belastingdienst. In incidentele gevallen kan er ruimte zijn om met andere dan de beschreven stukken aan te tonen dat de ondernemer actief is op de arbeidsmarkt. Een accountantsverklaring of samenstellingsverklaring is sowieso nodig, aangezien DUO moet kunnen toetsen of de ondernemer winst uit onderneming heeft.

1.2 Vrijstelling examenonderdeel ONA voor BBZ’ers

Indien de aanvrager actief is als ondernemer in het kader van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz 2004), en zijn onderneming(splan) door de gemeente levensvatbaar is bevonden, dan komt hij of zij in aanmerking voor ONA-vrijstelling, zonder dat er aan het inkomenscriterium hoeft te worden getoetst. Immers, de gemeente stelt de hoogte van de Bbz-uitkering vast en vult deze aan tot bijstandsniveau indien de inkomsten (winst) uit de onderneming lager zijn. Daarbij dient de ondernemer minimaal 1.225 uur per jaar werkzaam te zijn als ondernemer. In veel gemeenten zijn er ondersteuningstrajecten met individueel advies en begeleiding aan uitkeringsgerechtigden die een eigen bedrijf (willen) beginnen. Door middel van het marktonderzoek voor het eigen bedrijf hebben startend ondernemers zich reeds georiënteerd op de arbeidsmarkt. Net zoals diegenen die een ONA doorlopen, heeft de aspirant-zelfstandige over zichzelf in beeld of zijn competenties bij het wensberoep aansluiten (en uiteindelijk is de starter door de gemeente in staat bevonden om een levensvatbaar bedrijf te starten). Bij de aanvraag om vrijstelling voor ONA zal de inburgeringsplichtige met bijstand vanuit het Bbz 2004 geen samenstellingsverklaring van een administratiekantoor of een accountant hoeven aan te leveren, maar kan in plaats daarvan het besluit van de gemeente tot toekenning van bijstand vanuit het Bbz 2004 volstaan.

Artikelsgewijs

Artikel I

In de aanhef van artikel 4, achtste lid, wordt een verwijzing naar artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering toegevoegd. Dit betreft een niet-inhoudelijke aanpassing, die verband houdt met het overnemen van de gelijkluidende vrijstellingsgrond van het nieuwe artikel 2.4a van het Besluit inburgering.

De vrijstelling in artikel 4, achtste lid, onderdeel c, subonderdeel 1 is de bestaande vrijstelling ex artikel 4, achtste lid, onderdeel c voor verzoekers tot naturalisatie die werken in loondienst. Om regelgevingtechnische redenen wordt deze grond hier herhaald. De voorwaarden voor deze vrijstelling zijn ongewijzigd.

De criteria voor de vrijstelling voor ondernemers (zelfstandigen) worden bepaald in de nieuwe subonderdelen 2 en 3 van artikel 4, achtste lid, onderdeel c.

Net zoals de vrijstelling voor verzoekers tot naturalisatie in loondienst wordt gekeken naar een periode van twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag om vrijstelling. In deze twaalf maanden moet sprake zijn geweest van een actieve onderneming waarbij de winst uit een onderneming, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ten minste gelijk was aan de inkomensgrens of er moet sprake zijn geweest van het ontvangen van bijstand op grond van het Bbz 2004. De inkomensgrens, bedoeld in het achtste lid, onderdeel c, subonderdeel 2, wordt als volgt berekend. Bij het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt opgeteld de vakantiebijslag van 8 procent, bedoeld in artikel 15 van die wet: € 381,60 + € 30,53 = € 412,13. Dit bedrag wordt vervolgens gedeeld door 40 en vermenigvuldigd met 48 en vervolgens vermenigvuldigd met 6: € 412,13 / 40 * 48 * 6 = € 2.967,34. Aangezien het artikel verwijst naar de bedragen in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag beweegt de inkomensgrens mee met de indexeringen van het wettelijke minimumloon en de minimumvakantiebijslag. Die indexeringen vinden plaats op 1 januari en 1 juli van ieder jaar. Aangezien slechts wordt verwezen naar het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, is de inkomensgrens niet afhankelijk van de leeftijd van de ondernemer. De inkomensgrens is niet gerelateerd aan het minimumjeugdloon.

In het achtste lid, onderdeel c, subonderdeel 3, is de vrijstelling voor zelfstandigen met een uitkering vanuit het Bbz 2004 geregeld. Het gaat hier om bijstand vanuit het Bbz 2004 aan alle doelgroepen bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Bbz 2004. Daarbij zal het met name gaan om startende zelfstandigen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004. Doordat er niet verwezen wordt naar artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 geldt de vrijstelling niet voor de persoon die bijstand ontvangt gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden.

Artikel II

Artikel I van deze regeling werkt terug tot en met 1 oktober 2020. Aangezien gekeken wordt naar een periode van twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag tot vrijstelling, kan degene die in het jaar voorafgaande aan de wijziging als ondernemer werkzaam is geweest in aanmerking komen voor de vrijstelling.

De invoeringstermijn van deze regeling bedraagt minder dan twee maanden. Hiermee wordt afgeweken van het in het Kabinetsstandpunt inzake Vaste Verandermomenten neergelegde uitgangspunt. Deze uitzondering is toegestaan omdat de vrijstelling van het examenonderdeel ONA voor de doelgroep ongewenste nadelen voorkomt (Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving). De vrijstelling is begunstigend voor verzoekers tot verlening van het Nederlanderschap.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol

Naar boven