Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2020, 47801 | Besluiten van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2020, 47801 | Besluiten van algemene strekking |
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;
Besluit:
Het Instellingsbesluit Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities wordt als volgt gewijzigd.
A
Aan artikel 1 wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:
g. tweedegeldstroommiddelen: middelen die aanvankelijk via de tweede geldstroom zouden zijn uitgekeerd, maar die per 2020 worden overgeheveld naar de eerste geldstroom en direct aan de universiteiten worden uitgekeerd, hierbij uitgezonderd de SSH call Digitale SSH die in 2019 reeds van start is gegaan. Zie ook verwijzing in artikel 2, derde lid, artikel 3, tweede lid, artikel 4c en 4d en de toelichting. Ook wel genoemd tweede geldstroom competitie of tweede geldstroom calls. Daar waar wordt gesproken van aansluiting van de tweedegeldstroommiddelen op de eerste geldstroommiddelen moet worden uitgegaan van de doelen die bereikt dienen te worden met de tweedegeldstroommiddelen.
B
Artikel 4 komt te luiden:
De commissies hebben voorts tot taak:
a. bij de advisering zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, en artikel 3, tweede lid, onder b, de plannen van de in de sectorbeelden genoemde faculteiten te toetsen op kwaliteit. De commissies kunnen gebruik maken van een verdeelsleutel uitgaande van een basisfinanciering per deelnemende faculteit met een bandbreedte afhankelijk van de kwaliteit van de plannen. Hierbij wordt uitgegaan van het budget zoals bedoeld in de tabel in de toelichting. De plannen van faculteiten worden getoetst aan de doelstellingen zoals geformuleerd in de sectorbeelden. Aangezien de sectorbeelden opgesteld zijn aan de hand randvoorwaarden zoals genoemd in de toelichting, zullen een aantal van deze randvoorwaarden ook terugkomen in de plannen van faculteiten.
b. Gedurende de looptijd van het sectorplan te bevorderen dat de doelen die de faculteiten zich hebben gesteld tijdig en volledig behaald worden, waarbij de commissies zelf vaststellen hoe zij dit willen bevorderen. Deze doelen zijn beschreven in de sectorbeelden en de faculteitsplannen en omvatten onder meer het bevorderen van samenwerking en profilering, (gender)diversiteit en het aantrekken en behoud van (nieuw) wetenschappelijk talent middels vaste contracten. Hierbij de observaties mee te nemen in de adviezen van de commissies aan de minister ten tijde van de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie, zoals genoemd in artikel 4 resp. lid c en d.
c. na drie jaar, vóór 1 april 2022, een tussentijdse evaluatie uit te voeren van de door de minister gefinancierde activiteiten vanuit de sectorbeelden en de minister hierover te adviseren vóór 1 juni 2022. De commissie adviseert de minister daarbij ook over de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten. De minister besluit of de middelen ongewijzigd aan de faculteiten worden toegekend voor de tweede periode van drie jaar (vierde tot en met zesde jaar) of dat inhoudelijk accenten worden verlegd waarbij de middelen mogelijk anders worden verdeeld over de betrokken faculteiten.
d. vóór 1 april 2025 een eindevaluatie uit te voeren en hierover vóór 1 juni 2025 een advies aan de minister uit te brengen. Bij de evaluatie te betrekken:
(i) of het structureel indalen van de middelen – zie tabel in de toelichting – in de rijksbijdrage gerechtvaardigd is. Hiervoor zullen de commissies eerst bepalen welke investeringen van faculteiten gezien worden als vaste aanstellingen en/of structurele investeringen en welke niet.
(ii) in hoeverre de calls die met tweede geldstroom middelen – zie tabel in toelichting – zijn uitgezet aansluiten op de zwaartepunten waar via de rijksbijdrage in geïnvesteerd wordt.
(iii) in het advies te betrekken op welke wijze de eerste geldstroom middelen worden ingezet voor de betreffende sectoren.
C
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd.
1. Aan het slot van het tweede onderdeel van het eerste lid wordt de punt vervangen door: waarbij een van de leden tevens vicevoorzitter is.
2. Het zevende lid wordt als volgt gewijzigd.
De samenstelling van Kamer Bèta komt als volgt te luiden:
• te rekenen vanaf 1 februari 2019: mevrouw prof. dr. L.J. Braakman, tevens vicevoorzitter;
• de heer M. Buchel;
• mevrouw prof. dr. ir. M. Dijkstra;
• mevrouw prof. dr. ir. M.G. Gerritsen;
• de heer H.J. van Dorenmalen;
3. Het achtste lid komt als volgt te luiden:
8. Voor de periode van 1 december 2018 tot en met 1 december 2025 worden tot lid van de Commissie SSH benoemd:
• te rekenen vanaf 19 februari 2020: de heer prof. dr. mr. S. Zouridis, tevens voorzitter;
• te rekenen tot en met 24 november 2019: mevrouw prof. mr. J.E.J. Prins, tevens voorzitter;
• mevrouw prof. mr. A. Oskamp, tevens vicevoorzitter;
• te rekenen tot en met 3 mei 2020: de heer prof. dr. R.A. Boschma;
• mevrouw prof. mr. T.N.B.M. Spronken;
• de heer prof. dr. P.P.C.C. Verbeek;
• de heer prof. mr. dr. J.A. de Bruijn.
D
Artikel 13 komt te luiden:
1. De voorzitters en de andere leden ontvangen een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitters en de andere leden is schaal 18 conform de vigerende cao Rijk.
2. Voor 2019 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitters van de commissies 1,33/36, voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de commissie SSH 1/36, en voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek is de arbeidsduurfactor 1,75/36.
3. Voor de jaren 2020, 2021, 2023 en 2024 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitter van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 4/36, voor vicevoorzitters van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 3,8/36, voor de leden van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 2/36, voor de voorzitter van de commissie sectorplan SSH 2,6/36, voor de vicevoorzitter van de commissie sectorplan SSH 2,5/36, en voor de leden van de Commissie sectorplan SSH is de arbeidsduurfactor 1,2/36.
4. Voor de jaren 2022 en 2025 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitter van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 4,8/36, voor de vicevoorzitters van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 4,6/36, voor de leden van de commissie sectorplan Bèta en Techniek 2,8/36, voor de voorzitter van commissie sectorplan SSH 3,4/36, voor de vicevoorzitter van de commissie sectorplan SSH 3,1/36 en voor de leden van de commissie sectorplan SSH 2,2/36.
5. De commissies bieden zo spoedig mogelijk na hun instelling een begroting en een planning aan de minister aan.
E
In het tweede lid van artikel 14 vervalt de zinsnede ‘ en NWO’.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven
○ Eind 2019 bleek uit gesprekken met de sectorplannencommissies dat het nodig was de taken en tijdsbesteding uit het instellingsbesluit te wijzigen.
○ De werkzaamheden bleek veelomvattender dan aanvankelijk werd gedacht en de bijbehorende tijdsbesteding te gering.
○ In dit besluit van wijziging staat de aangepaste tijdsbesteding van beide commissies voor de jaren 2020 t/m 2025.
○ Tevens is in artikel 4 bij ‘nadere uitwerking van taken’ een taak toegevoegd die de commissies toekomt, namelijk het bevorderen dat de doelen die faculteiten zich hebben gesteld tijdig en volledig gehaald worden.
○ Ook is opgenomen dat per 2020 alle sectorplanmiddelen via de eerste geldstroom zullen worden uitgekeerd aan de universiteiten, dit in de plaats van de oorspronkelijke verdeling van 80% eerste geldstroom en 20% tweede geldstroom. Hierbij is ook genoemd dat dit alleen naar bèta en techniek aan de algemene universiteiten zal gaan.
○ Aangegeven is wat de invloed van deze verschuiving in geldstromen is op de besteding van de middelen.
Gedurende de looptijd hebben de commissies tot taak om te bevorderen dat de doelen die de faculteiten hebben gesteld tijdig en volledig behaald worden. Hierbij gaat het onder meer om het bevorderen van samenwerking en profilering tussen de faculteiten, diversiteit en het aantrekken en behoud van (nieuw) wetenschappelijke talent middels vaste contracten. De wijze waarop de commissies hier invulling aan geven is aan de commissies zelf en kan af hangen van onder meer de grootte van het veld dat het sectorplan bestrijkt. Doordat de commissies gedurende de looptijd van het sectorplan een vinger aan de pols houden bij de realisatie van deze doelen wordt voorkomen dat de commissies ten tijde van de eindevaluatie negatief moeten adviseren over het indalen van de middelen in de vaste voet van de rijksbijdragen. Ook vereenvoudigt dit de taak van de commissies tijdens de evaluaties omdat zij al goed op de hoogte zijn van de ontwikkelingen in het veld en kunnen zij met het veld van gedachten wisselen over de realisatie van met name de strategische doelen. Deze taak dient tevens om de signalen en observaties uit het veld via de evaluaties bij de minister terug te leggen.
De sectorplanmiddelen zouden aanvankelijk uitgekeerd worden via zowel de eerste als de tweedegeldstroom, in de verhouding van respectievelijk 80% en 20%. Echter, per 2020 zal de 20% – te weten € 20 mln. – aan sectorplanmiddelen die via NWO zou zijn uitgekeerd worden overgeheveld naar de eerste geldstroom en daarmee rechtstreeks beschikbaar komen voor de universiteiten, dit naar aanleiding van het advies van de Commissie Van Rijn.1 Van deze € € 20 mln. is € € 18 mln. afkomstig uit het sectorplan bètatechniek en € € 2 mln. uit het sectorplan SSH. Al deze middelen zullen volledig ten goede komen aan de algemene universiteiten, in overeenstemming met de motie Van Meenen.2
Van deze € 18 mln. dient € 6 mln. te worden ingezet voor het sectorplan onderzoek bètatechniek en dient deze te worden ingezet voor de dezelfde doelen als wanneer deze via de tweede geldstroom verstrekt zou zijn. De sectorplancommissie bètatechniek adviseert de minister over de besteding van deze € 6 mln.
De resterende € 12 mln. kan worden ingezet voor het verder versterken van onderwijs, maar kan in theorie ook naar andere disciplines binnen bèta en techniek gaan. Men mag echter verwachten dat de AU’s dit geld ook gebruiken voor onderwijsdoelen bij bètatechniek-opleidingen en dat zij meedoen aan het onderwijssectorplan dat door 4TU getrokken wordt. De commissie sectorplan bètatechniek heeft geen rol in de advisering over deze € 12 mln.
De € 2 mln. van het sectorplan SSH die wordt overgeheveld zal beschikbaar blijven voor het sectorplan SSH binnen het thema digitale SSH. De faculteiten dienen dit geld aan dezelfde doelen te besteden als wanneer deze via de tweede geldstroom verstrekt zou zijn. De commissie sectorplan SSH adviseert de minister over de besteding van deze € 2 mln.
Bij de overheveling van de € 20 mln. blijft het hard nodig om te voorzien in de flankerende voorzieningen waar de tweede geldstroom voor bedoeld was: het aantrekken van promovendi en postdocs en, in geval van het sectorplan bètatechniek, het aanschaffen kleinschalige apparatuur en wetenschappelijke infrastructuur om de vaste posities aantrekkelijk te maken. Voor het al dan niet indalen van de sectorplanmiddelen wordt aan deze overgehevelde middelen niet de voorwaarde verbonden dat dit structurele investeringen zijn in vast personeel, maar worden de universiteiten beoordeeld op het blijvend investeren in promovendi, postdocs en wetenschappelijke infrastructuur.
De TU’s krijgen geen middelen uit de overheveling maar kunnen wel extra middelen inzetten uit de voorjaarsnota 2019 of naar aanleiding van Van Rijn voor het sectorplan onderzoek. De TU’s hebben zich in hun faculteitsplannen gecommitteerd aan de doelen die ze willen bereiken met het sectorplan onderzoek. Het is aan de TU’s om te kiezen welke middelen ze daarvoor willen inzetten. De sectorplancommissies hebben geen adviserende rol bij de besteding van deze eigen middelen van de TU’s.
Indien de commissie van oordeel is dat de scherpe keuzes uit de goedgekeurde faculteitsplannen succesvol zijn geïmplementeerd zullen de middelen structureel beschikbaar blijven voor eerder genoemde sectoren op de volgende wijze:
○ De middelen uit de oorspronkelijke eerste geldstroom – de 80% – die worden ingezet voor vaste aanstellingen en/of andere structurele investeringen blijven beschikbaar via de eerste geldstroom in de betreffende sectoren en daarmee voor de betreffende faculteiten.3
○ Voor de overige eerste geldstroommiddelen van deze 80% die niet geïnvesteerd zijn in vaste aanstellingen en/of andere structurele investeringen wordt de commissie gevraagd om bij haar eindevaluatie een advies te geven over de wijze waarop deze middelen via de eerste geldstroom ingezet worden voor de betreffende sectoren.
○ Bij de oorspronkelijke tweede geldstroommiddelen – de 20% – geldt dat deze middelen in principe indalen bij de universiteiten voor de desbetreffende sectoren, maar de commissie kan de minister adviseren om een andere keuze te maken. Het uitgangspunt is: bij een succesvol sectorplan daalt 50% van de middelen in bij de universiteiten. Over de andere 50% zal de commissie adviseren hoe deze middelen beschikbaar blijven via de eerste geldstroom. De commissies zullen bij zowel de tussentijdse als de eindevaluatie de mate van aansluiting van de doelen van de oorspronkelijke tweede geldstroom middelen op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten betrekken. Voor het indalen van deze overgehevelde middelen wordt niet de voorwaarde verbonden dat dit structurele investeringen zijn in vast personeel, maar worden de universiteiten beoordeeld op het blijvend investeren in promovendi, postdocs en wetenschappelijke infrastructuur.
Indien een sectorplan niet succesvol is, als de ambitieuze doelen niet behaald zijn, dan kan de minister er op advies van de commissie voor kiezen om de middelen in te zetten voor andere doelen of disciplines.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven
Te zijner tijd zal bezien worden hoe deze eerste geldstroom middelen technisch worden verwerkt in de rijksbijdrage.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-47801.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.