Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2020, 36574Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 30 juni 2020, kenmerk 1710023-206499-S, tot tegemoetkoming in de schade geleden door amateursportorganisaties door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 (Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties COVID-19)

De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

amateursport:

activiteiten op het gebied van sport die niet worden uitgeoefend in loondienst of als bezoldigde dienst, ongeacht of er een formele arbeidsovereenkomst is opgesteld tussen de sportbeoefenaar en de sportorganisatie;

amateursportorganisatie:

een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk die als doelstelling heeft amateursport voor lokale gebruikers aan te bieden, met de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling, genoemd in de bijlage;

doorlopende lasten:

de lasten voor gas, water of licht, belastingen en heffingen, hypotheeklasten of andere kosten gerelateerd aan leningen en verzekeringen, personele lasten en onderhoud die direct betrekking hebben op het gebruik van de sportaccommodatie van de aanvrager in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020, niet zijnde huurverplichtingen;

minister:

Minister voor Medische Zorg;

omzetverlies:

verschil tussen het totaal van inkomsten van de amateursportorganisatie in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 en het totaal van inkomsten in de periode van 1 maart 2019 tot 1 juni 2019;

personele lasten:

de kosten voor inhuur van personeel voor zover die niet reeds op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid of de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers worden gecompenseerd;

sportaccommodatie:

voorziening, bestemd en in gebruik voor activiteiten op het gebied van amateursport.

Artikel 2. Verstrekking tegemoetkoming

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan een amateursportorganisatie die ten minste 20% aan omzetverlies heeft geleden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

  • 2. Een amateursportorganisatie komt slechts eenmaal in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel.

  • 3. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien de aanvrager reeds een tegemoetkoming voor doorlopende lasten ontvangt op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19.

Artikel 3. Het beschikbare bedrag en wijze van verdeling

  • 1. Het beschikbare bedrag voor het verstrekken van tegemoetkomingen bedraagt € 19.500.000.

  • 2. De tegemoetkoming is afhankelijk van de doorlopende lasten van de aanvrager en bedraagt:

    Doorlopende lasten

    Tegemoetkoming (forfaitair)

    € 501 t/m € 1.500

    € 1.500

    € 1.501 t/m € 2.500

    € 2.500

    € 2.501 t/m € 3.999

    € 3.500

  • 3. Bij overschrijding van het beschikbare bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt door middel van loting van de aanvragen die in de aanvraagperiode zijn ontvangen, bepaald welke aanvragen voor een tegemoetkoming worden gehonoreerd.

  • 4. Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van tegemoetkomingen op grond van onderhavige regeling.

Artikel 4. De aanvraag

  • 1. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 2. De aanvraag voor een tegemoetkoming kan worden ingediend in de periode van 1 september 2020 tot en met 4 oktober 2020.

  • 3. De minister beslist binnen acht weken na sluiting van de aanvraagperiode als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5. Definitieve tegemoetkoming

  • 1. Op verzoek van de minister toont de aanvrager aan dat hij voldoet aan de voorwaarden van deze beleidsregel door het overleggen van:

    • a. een overzicht van de omzet van de amateursportorganisatie waaruit blijkt dat deze een omzetverlies van ten minste 20% heeft geleden in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020;

    • b. een factuur op naam van de amateursportorganisatie voor haar doorlopende lasten; en

    • c. indien de factuur, bedoeld in onderdeel b, meer dan € 1.000 bedraagt, een betalingsbewijs voor die factuur, waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie de factuur heeft betaald.

  • 2. De minister kan een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming intrekken indien:

    • a. de aanvrager aan wie een tegemoetkoming is toegekend onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft, waardoor een tegemoetkoming ten onrechte is toegekend;

    • b. het besluit tot toekenning van een tegemoetkoming anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist, dan wel behoorde te weten.

  • 3. De minister vordert een bedrag dat als gevolg van een besluit als bedoeld in het tweede lid ten onrechte is uitbetaald terug van degene aan wie is uitbetaald.

Artikel 6. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 15 juli 2020 en vervalt met ingang van 1 juli 2021.

Artikel 7. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties COVID-19.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg, M.J. van Rijn

BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL 1 VAN DE BELEIDSREGEL TEGEMOETKOMING AMATEURSPORTORGANISATIES COVID-19: ACTIVITEITEN MET DE DAARBIJ BEHORENDE CODE VAN DE STANDAARD BEDRIJFSINDELING (SBI-CODE)

SBI-code

Omschrijving activiteit

85.51

Sport- en recreatieonderwijs

85.51.9

Overig sport- en recreatieonderwijs

93.11

Sportaccommodaties

93.11.1

Zwembaden

93.11.2

Sporthallen, sportzalen en gymzalen

93.11.3

Sportvelden

93.11.9

Overige sportaccommodaties

93.12

Buitensport

93.12.1

Veldvoetbal

93.12.2

Veldsport in teamverband (geen voetbal)

93.12.3

Atletiek

93.12.4

Tennis

93.12.5

Paardensport en maneges

93.12.6

Wielersport

93.12.7

Auto- en motorsport

93.12.8

Wintersport

93.12.9

Overige buitensport

93.14

Binnensport

93.14.1

Individuele zaalsport

93.14.2

Zaalsport in teamverband

93.14.3

Kracht- en vechtsport

93.14.4

Bowlen, kegelen, biljarten e.d.

93.14.5

Denksport

93.14.9

Overige binnensport en omnisport

93.15

Watersport

93.15.1

Zwem- en onderwatersport

93.15.2

Roei-, kano-, zeil- en surfsport e.d.

93.19

Overige sportactiviteiten

93.19.2

Hengelsport

93.19.6

Overkoepelende organen en samenwerkings- en adviesorganen op het gebied van sport

93.19.9

Overige sportactiviteiten (rest)

TOELICHTING

Algemeen deel

Inleiding

Net als vele andere sectoren wordt de sport hard geraakt door de gevolgen van de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) tegen te gaan. In de Kamerbrief van 15 maart 2020 met kenmerk 1663097-203238-PG is besloten tot directe sluiting van alle sportverenigingen (hierna amateursportorganisaties). Competities zijn vroegtijdig beëindigd, clubhuizen en kantines zijn gesloten en sporters boven de 18 jaar konden niet trainen op de club. Dit heeft een grote organisatorische en financiële impact op de sportsector.

Tegelijkertijd zien we de dragende kracht die de sport voor de samenleving heeft in haar rol om als één van de eerste sectoren weer helemaal open te gaan. Echter, de omstandigheden waaronder dit nu gebeurt, zijn voor de amateursportorganisaties nog niet optimaal. De continuïteit van de sportinfrastructuur staat onder druk als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

In de Kamerbrief ter aankondiging van deze regeling (TK 30234-244) van 1 mei jongstleden is aangegeven dat amateursportorganisaties die de accommodatie niet huren maar zelf (gedeeltelijk) in bezit hebben, te maken hebben met doorlopende lasten terwijl hun inkomsten dalen. Veel van deze amateursportorganisaties zijn te klein om in aanmerking te komen voor de door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen in het kader van de bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19, terwijl het kabinet juist op hen een beroep doet om bij te dragen aan het weer opstarten van Nederland.

Uit nader contact met de vertegenwoordigers van de sector over de diversiteit in de inrichting van de sportsector is gebleken dat ook amateursportorganisaties die de accommodatie niet in eigendom hebben, ook te maken kunnen hebben met doorlopende lasten zoals bedoeld in deze regeling. Met de regeling wordt daarom een financiële bijdrage geleverd in de doorlopende lasten van amateursportorganisaties die tijdens de periode van verplichte sluiting geconfronteerd zijn met een omzetverlies van minimaal 20%.

Opzet

In het licht van de bovenstaande ontwikkelingen heeft het kabinet verschillende financiële regelingen getroffen om (zelfstandig) ondernemers te ondersteunen, waaronder de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (hierna: de TOGS), de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna: de NOW) en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (hierna: de Tozo). Voor veel amateursportorganisaties bleek het echter niet mogelijk om te voldoen aan de voorwaarden uit deze regelingen.

Voor de TOGS geldt dit met name voor de gestelde ondergrens van ten minste € 4.000 omzetverlies en ten minste € 4.000 aan vaste lasten per onderneming. Met betrekking tot de NOW en de Tozo geldt dat deze niet goed passend zijn voor amateursportorganisaties, omdat zij werken met gebroken boekjaren langs de sportseizoenen. Daarbij is een deel van het werkgeverschap in de sportsector zo ingericht dat meerdere amateursportorganisaties onder één loonheffingsnummer werken. Daardoor is het mogelijk dat zij als geheel te weinig omzetverlies hebben om in aanmerking te komen voor de NOW, ondanks dat de amateursportorganisatie individueel wel geconfronteerd wordt met deze doorlopende lasten.

Daar waar de Tozo wel geschikt is voor zelfstandige sporttrainers, is dat niet het geval voor sporters met een klein contract. Deze groep, die middels een contract bij de amateursportorganisatie inkomen vergaart, staat dikwijls niet ingeschreven als ZZP’er. Daarnaast hebben amateursportorganisaties ook veelal trainers en begeleiders met een klein contract in dienst voor wie hetzelfde kan gelden als voor de sporters.

Voor amateursportorganisaties met deze groepen onder contract is dit een doorlopende last, waar de ontvanger mogelijk geen compensatie voor heeft kunnen ontvangen. Personele lasten vallen dan ook onder de definitie van de doorlopende lasten tenzij deze in aanmerking komen voor een subsidie op grond van de NOW of algemene bijstand krachtens de Tozo.

Onderhavige regeling is dus opgesteld voor amateursportorganisaties die niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor doorlopende vaste lasten op basis van de TOGS, of personele lasten op basis van de NOW of de Tozo. De onderhavige beleidsregel kent minder hoge voorwaarden en lagere tegemoetkomingen.

Doelgroep

Voor tegemoetkoming komen alle privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk in aanmerking, dus zowel verenigingen, stichtingen als B.V.’s zonder winstoogmerk. Vandaar dat de brede term amateursportorganisatie wordt aangehouden.

Of een organisatie een amateursportorganisatie is, wordt gecontroleerd aan de hand van de SBI-codes die zijn vermeld in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ieder bedrijf dat zich inschrijft in het Handelsregister krijgt een of meerdere SBI-codes. Deze code bestaat uit 4 of 5 cijfers en geeft aan wat de activiteit van een bedrijf is. Alle organisaties met een SBI-code die begint met het cijfer 93.1, zijn sportorganisaties. Zij komen daarom in beginsel in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel. Uitzondering daarop vormen de organisaties met de volgende SBI-codes: 93.13, 93.14.6, 93.19.1, 93.19.3, 93.19.4 en 93.19.5. De uitgezonderde codes zijn codes gerelateerd aan beroepssporten. Daarbij gaat het dus niet om amateursportorganisaties. Ook organisaties met de volgende SBI-codes, voor zover sprake is van amateursportorganisaties, kunnen een aanvraag indienen: 85.51, 85.51.9.

De aanvrager kan een maximale tegemoetkoming van € 3.500 krijgen. Dit is lager dan de tegemoetkoming waar ondernemers op basis van de TOGS voor in aanmerking komen. Veel amateursportorganisatie konden niet voldoen aan de gestelde ondergrens in de TOGS. Zij hebben wel dezelfde doorlopende lasten als ondernemers die een beroep doen op de TOGS, maar niet in de omvang van € 4.000 zoals in de TOGS als voorwaarde is opgenomen. De onderhavige beleidsregel beoogt ook deze amateursportorganisaties tegemoet te komen in de doorlopende lasten.

Regeldruk

Bij de opzet van onderhavige beleidsregel is nauw samengewerkt met de sportsector om de administratieve lasten voor de aanvragen zo minimaal mogelijk te houden. Dit betekent dat de uitvoerder van de regeling, DUS-I, op sommige onderdelen van de aanvraag extra werkzaamheden zal verrichten. De totale administratieve lasten voor de Rijksoverheid voor deze beleidsregel liggen rond 2,5% van het totaal beschikbare bedrag voor tegemoetkomingen.

Van de aanvrager uit de sportsector wordt verwacht dat zij een aanvraag binnen 1 uur afgehandeld kan hebben.

De amateursportorganisatie dient de volgende stukken in te dienen:

  • een aanvraagformulier met NAW-gegevens, ondertekend door de tekenbevoegde(n);

  • bankafschrift;

  • verklaring van omzetverlies van minimaal 20%.

Het verwachte kennisniveau van de aanvrager is hoger opgeleid. Wij verwachten dan ook per aanvraag maximaal € 60 (uurtarief) aan kosten per aanvrager. Naar verwachting komen er 7.500 aanvragen binnen per jaar. Dit leidt tot een totaal van € 450.000 aan administratieve lasten bij alle aanvragers. Dit is bijna 2,5% van het subsidiebudget.

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:

  • De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • De steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;

  • De staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • De maatregel is selectief;

  • De maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.

Er is dus geen sprake van staatssteun wanneer de maatregel geen ongunstige beïnvloeding van het interstatelijke handelsverkeer kan opleveren. Eerder nam de Europese Commissie vaak zekerheidshalve aan dat een steunmaatregel het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden. Uit de recente beschikkingenpraktijk van de Europese Commissie blijkt dat deze meer ruimte laat voor maatregelen van lidstaten die zuiver lokaal zijn. Zeker op het gebied van sport is dit het geval.

De Europese Commissie heeft met zeven besluiten van 29 april 2015 aangegeven dat er in bepaalde gevallen waar de steun zuiver lokaal is geen sprake is van staatssteun. Ook in vijf meer recente besluiten van de Europese Commissie van 21 september 2016 lijkt er meer ruimte te zijn voor maatregelen van lidstaten die zuiver lokaal zijn. Daarbij geeft de Europese Commissie speciale aandacht aan het terrein sport en vrijetijdsbesteding. Twee van de besluiten van 29 april 2015 hadden ook betrekking op sport en vrijetijdsbesteding.

Uit de besluiten van de Europese Commissie, waarbij ze oordeelt dat er sprake is van zuiver lokale steun op het terrein van sport, volgt een rode lijn die gebruikt kan worden bij de beoordeling van het grensoverschrijdende effect van steun aan sportverenigingen of -stichtingen.

Ten eerste is het daarbij relevant om een onderscheid te maken tussen professionele sport en amateursport. De Europese Commissie is bij steun aan professionele sportclubs snel van oordeel dat het handelsverkeer binnen de Europese Unie kan worden beïnvloed. Wanneer een steunmaatregel slechts ten goede komt aan amateursport, is het argument dat het handelsverkeer binnen de Europese Unie niet ongunstig wordt beïnvloed aannemelijker. Daarom wordt de tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel alleen verstrekt aan amateursportorganisaties.

Daarnaast is de doelgroep van de activiteiten belangrijk. Wanneer de activiteiten van amateursportorganisaties alleen gericht zijn op lokale gebruikers is dit een indicatie dat er sprake is van zuiver lokale steun. In dit geval gaat het om zuiver lokale amateursportverenigingen die zich richten op de lokale bevolking.

Alle ontvangers van de tegemoetkoming houden zich dus bezig met zuiver lokale activiteiten. De tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel zal dan ook niet zorgen voor een (ongunstige) beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie. Dit betekent dat er bij verstrekking van deze tegemoetkoming geen sprake is van staatssteun.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepaling

In artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd.

Het gebruik van de begrippen amateursport en amateursportorganisatie heeft te maken met de wens om een tegemoetkoming te bieden aan sportorganisaties die negatieve gevolgen ondervinden van de maatregelen die zijn genomen om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, maar niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de TOGS. Op basis van de TOGS komen alleen ondernemers in aanmerking die in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 een verwacht omzetverlies en verwachte doorlopende lasten van ten minste € 4.000 hebben. In de amateursport worden activiteiten niet uitgeoefend in loondienst of als bezoldigde dienst en enkel aangeboden aan lokale gebruikers. Amateursportorganisaties zijn daarom vaak niet groot genoeg om aan de voorwaarden uit de TOGS te voldoen. Via de onderhavige beleidsregel komen deze amateursportorganisaties toch voor een tegemoetkoming in aanmerking. Het gebruik van deze definities heeft ook te maken met de staatssteunregels. Voor de definitie van amateursport is nauw aangesloten bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene Groepsvrijstellingsverordening). Organisaties zoals de Betaald Voetbalorganisaties en organisaties waarbij er op professioneel niveau wordt gedaan aan wielrennen, schaatsen, basketbal, ijshockey, hockey of hippische sport worden in elk geval niet aangemerkt als amateursportorganisaties.

Voor de tegemoetkoming komen alle privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk in aanmerking. Dit kunnen zowel verenigingen, stichtingen als B.V.’s zonder winstoogmerk zijn. Vandaar dat de brede term amateursportorganisatie wordt aangehouden.

Of een organisatie een amateursportorganisatie is, wordt gecontroleerd aan de hand van de SBI-codes die zijn vermeld in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ieder bedrijf dat zich inschrijft in het Handelsregister krijgt een of meerdere SBI-codes. Deze code bestaat uit 4 of 5 cijfers en geeft aan wat de activiteit van een bedrijf is. Alle organisaties met een SBI-code die begint met het cijfer 93.1, zijn sportorganisaties. Zij komen daarom in beginsel in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van onderhavige beleidsregel. Uitzondering daarop vormen de organisaties met de volgende SBI-codes: 93.13, 93.14.6, 93.19.1, 93.19.3, 93.19.4 en 93.19.5. Deze uitgezonderde codes zijn codes gerelateerd aan beroepssporten. Daarbij gaat het dus niet om amateursportorganisaties. Ook organisaties met de volgende SBI-codes, voor zover sprake is van amateursportorganisaties, kunnen een aanvraag indienen: 85.51, 85.51.9.

Sportaccommodaties zijn gedefinieerd als een voorziening, bestemd en in gebruik voor activiteiten op het gebied van amateursport. Hierbij kan worden gedacht aan sporthallen, sportvelden, multizalen, maneges, atletiekbanen, wielerbanen of dojo’s.

Onder de definitie van doorlopende lasten vallen de lasten voor gas, water of licht, belastingen en heffingen, hypotheeklasten of andere kosten gerelateerd aan leningen en verzekeringen, personele lasten en onderhoud die direct betrekking hebben op het gebruik van de sportaccommodatie van de aanvrager voor de amateursport. Alleen de doorlopende lasten in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 komen in aanmerking. Huurverplichtingen vallen niet onder de definitie van doorlopende lasten. Ten aanzien van de huurverplichtingen van amateursportorganisaties zal een landelijke compensatieregeling worden opgesteld op basis waarvan gemeenten kunnen worden gecompenseerd voor de inkomsten die zij zouden hebben uit de huursom van amateursportorganisaties voor de maanden maart, april en mei 2020. Personele lasten komen niet in aanmerking wanneer deze lasten reeds op grond van de NOW of de Tozo in aanmerking zijn gekomen voor compensatie.

Artikel 2. Verstrekking tegemoetkoming

Een amateursportorganisatie komt in aanmerking voor een eenmalige tegemoetkoming indien zij in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 ten minste 20% omzetverlies heeft geleden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19. De amateursportorganisatie verklaart bij de aanvraag van de tegemoetkoming dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Een amateursportorganisatie komt slechts in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de onderhavige beleidsregel indien de amateursportorganisatie geen aanspraak heeft gemaakt op een tegemoetkoming op grond van de TOGS.

Artikel 3. Het beschikbare bedrag en wijze van verdeling

Voor het verstrekken van tegemoetkomingen op grond van deze beleidsregel is een bedrag van € 19.500.000 beschikbaar. Aanvragen kunnen worden ingediend binnen het daartoe bestemde tijdvak. Na afloop van dit tijdvak vindt, wanneer er sprake is van overschrijding van het subsidieplafond, onder alle binnengekomen aanvragen een loting plaats. Op basis van de loting wordt een lijst vastgesteld met de volgorde van aanvragers. Het moment van indiening van de aanvraag is hierop niet van invloed. De aanvragen komen op volgorde van de loting in aanmerking voor een tegemoetkoming. Uit de lijst blijkt dus welke aanvragers kans maken om binnen het beschikbare bedrag te vallen. Deze aanvragers worden vervolgens in de gelegenheid gesteld hun aanvragen nader aan te vullen, mocht dit nodig zijn. De aanvrager krijgt twee weken om de aanvraag compleet te maken. Indien de aanvraag incompleet blijft, dan wordt deze alsnog buiten behandeling gesteld. Aanvragen die lager op de ‘lotinglijst’ staan, komen dan alsnog voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Indien aanvragen die binnen het beschikbare bedrag vallen, alsnog worden afgewezen of buiten behandeling worden gesteld, dan schuift de volgende aanvraag op basis van de loting door en komt deze in aanmerking voor een tegemoetkoming. Aanvragen die op grond van de loting buiten het totaal beschikbare bedrag vallen, worden afgewezen.

Als een aanvraag wordt toegewezen, bedraagt de tegemoetkoming – afhankelijk van de hoogte van de door de aanvrager ingebrachte doorlopende lasten – een forfaitair bedrag van € 1.500, € 2.500 of € 3.500.

Het vierde lid bepaalt dat artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van overeenkomstige toepassing is op het verstrekken van tegemoetkomingen. Dit betekent dat het beschikbare bedrag van € 19.500.000 niet wordt overschreden, tenzij niet tijdig op een aanvraag zou worden beslist, of als een aanvraag in de bezwaar- of beroepsfase of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak alsnog wordt toegewezen. Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Awb worden van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 4:25 van de Awb geldt in beginsel voor subsidies en ziet op het vaststellen van een subsidieplafond en de gevolgen hiervan. De tegemoetkomingen die op basis van deze beleidsregel worden verstrekt zijn geen subsidies, nu geen sprake is van door een bestuursorgaan verstrekte financiële middelen voor het verrichten van bepaalde activiteiten door een aanvrager. Het tweede en derde lid van artikel 4:25 van de Awb zijn dus niet automatisch van toepassing, maar worden voor deze beleidsregel wel van toepassing verklaard.

Artikel 4. De aanvraag

Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt (te vinden op www.dus-i.nl). Uit dit formulier blijkt welke gegevens de amateursportorganisatie dient aan te leveren, zoals de naam, het adres, het KvK-nummer van de amateursportorganisatie, een bankafschrift op naam van de aanvrager (niet ouder dan 3 maanden) en de gegevens van de contactpersoon.

De aanvraag voor een tegemoetkoming kan worden ingediend in de periode van 1 september 2020 tot en met 4 oktober 2020.

Vanwege de nood bij de getroffen ondernemingen, wordt zo snel mogelijk op de aanvraag beslist, maar uiterlijk binnen acht weken na het sluiten van de aanvraagperiode (in afwijking van de standaard Awb-termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag, opgenomen in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Wanneer sprake is van overschrijding van het beschikbare bedrag, wordt er geloot onder alle ingediende aanvragen en daarmee kan pas na de sluitingsdatum van de aanvraagperiode gestart worden. In het uiterste geval dat een beslissing binnen acht weken niet haalbaar is, is artikel 4:14, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. Definitieve tegemoetkoming

De minister heeft de mogelijkheid om achteraf te toetsen of de subsidieontvanger daadwerkelijk aan alle voorwaarden uit de onderhavige beleidsregel heeft voldaan. Steekproefsgewijs kan de subsidieontvanger worden gevraagd om een overzicht van de omzet te overleggen waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 een omzetverlies van minstens 20% heeft geleden. De amateursportorganisatie kan dit omzetverlies aantonen aan de hand van een vergelijking van de omzetcijfers (waaronder kantineopbrengsten) in de periode van 1 maart 2019 tot 1 juni 2019 en de omzetcijfers in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020. Daarnaast kan de subsidieontvanger worden gevraagd om facturen voor de doorlopende lasten op naam van de amateursportorganisatie te verstrekken. Bij een factuur van boven de € 1.000 wordt tevens gevraagd om een betaalbewijs, waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie de factuur heeft betaald. De steekproef zal plaatsvinden in de eerste helft van 2021.

Indien uit de controle blijkt dat de tegemoetkoming niet in overeenstemming met deze beleidsregel is verstrekt, kan de tegemoetkoming die ten onrechte is uitbetaald, worden teruggevorderd van degene aan wie is uitbetaald. Dit zal het geval zijn als de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft of de ontvanger van de tegemoetkoming wist of behoorde te weten dat het besluit tot toekenning van de tegemoetkoming anderszins onjuist was. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleveren van een valse verklaring over het te verwachten omzetverlies of de verwachte doorlopende lasten.

Artikel 6. Inwerkingtreding en vervaldatum

In afwijking van de systematiek van vaste verandermomenten bij regelgeving (VVM) treedt deze beleidsregel op 15 juli 2020 in werking. Hiervoor is gekozen om getroffen ondernemingen zo snel mogelijk duidelijkheid te kunnen geven over de vraag of zij voor tegemoetkoming op grond van de onderhavige beleidsregel in aanmerking komen.

Gelet op het tijdelijke en eenmalige karakter van de onderhavige beleidsregel vervalt onderhavige beleidsregel met ingang van 1 juli 2021, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een tegemoetkoming die krachtens deze beleidsregel is verstrekt.

De Minister voor Medische Zorg, M.J. van Rijn